Tekstvak:   De ziel van de mens

De menselijke ziel bestaat uit de kleinste beginsels, die groeiend en tot steeds hogere bewustzijnssferen zich ontwikkelt, tenslotte in de mens weer die vorm aanneemt, die juist als aardse vorm niet meer in staat is zich verder te ontwikkelen, maar wel in haar psyche. De  ziel van de mens leeft oftewel met een verkeerde richting in haar lichaam of door een juiste richting in haar geest. [GJE2-132-8]

De innerlijke mensenvorm ontvangen betekent het aantrekken van de liefde en de wijsheid. Swedenborg bericht hierover, dat engelen daarom alleen al ‘mensen in schoonheid zijn’, omdat zij de liefde en de wijsheid van de Heer zijn. Maar omgekeerd verschijnen de bewoners van de hel – in het licht gezien van de hemel – nauwelijks als mensen, maar als reusachtige monsters, omdat zij omgeven zijn van het boze en het valse . [Aarde en Maan- 53-5] God is de eigenlijke Mens. Hij is de hoogste en allervolkomenste, de eeuwigste Oermens uit Zichzelf [GJE4-56-1]. Want alvorens alle engelen en mensen er waren, was Ik [de Heer] van eeuwigheid af wel de eerste Mens. [GJE2-39-3]

Maar ik toonde je dan ook, hoe God Zelf een mens is, en hoe uit deze enige grondreden ook jij en alle jouw gelijkende wezens mensen zijn [GJE1-155-5]. De gehele hemel is voor God een mens [Homo Maximus]. De hemel correspondeert met het Goddelijke Menselijke van de Heer en is daarom in zijn totaalheid als een mens, waarom Hij de grootste mens genoemd wordt. De oorzaak hiervoor ligt daarin, dat de hemel in zijn totaliteit zoals ook in zijn aparte delen, één mens voorstelt.

Hildegard van Bingen en Jakob Boehme, zowel Emanuel Swedenborg als Jakob Lorber beschrijven allen hetzelfde, dat alle universa gezien worden als één grote mensengestalte. En geen van elkaar hebben elkaar ooit tijdens hun leven gekend [omnia universi creati]. De totale engelenhemel is voor de Heer als één mens, en evenzo ook elk hemels gezelschap, resp. ook elke individuele engel. [GJE6-246-1 en GJE8-57-1]

De mens is niet het leven, maar het opname-orgaan van het leven door God. Hij is een ontvanger van het leven, maar niet het leven zelf. Het hebreeuwse woord voor ziel is Nephesh [50-80-300]. In het Grieks zeggen we ‘psyche’ en in het Latijn ‘anima’. Oorspronkelijk ‘adem’ of ‘huig’. Het lichaam van ieder mens is een waar mengsel van miljoenen van alle mogelijke hartstochten van de hel, die in een [gerichte] vorm gevangen en samengevat zijn.

 

Het geërfde euvel stamt af van de ouders, die op hun kinderen de neiging hebben het boze van zichzelf in hun voort te planten. Het is de traagheid of de steeds stijgende zin naar leeglopers. [GJE5-204-89] en [GJE2-224-11]. De hemel vloeit ook in de duivel zoals in de engel van God, maar beiden gebruiken ze anders [GJE2-9-12]. Zolang de mens op Aarde leeft, wordt hij in het midden tussen de hemel en de hel gehouden en hierdoor in geestelijk evenwicht. Dit is de vrije wil. Feitelijk is de materie een gericht waaruit de vrije mensenzielen een testleven ontvangen en zich op den duur uit deze ‘kerker’ bevrijden om tijdens zijn leven één te worden met zijn geest, waardoor hij zich met de hemel verbindt.

In het oude Testament bestaat er geen woord voor ‘wedergeboorte’ en in het nieuwe Testament komt dit op twee plaatsen voor, met name in Titus 3:5, 1 Petr. 1:3, 23, Matth. 19:28 en Joh. 1:2-29 en Joh. 5:18. De mens is eerst dan wedergeboren, wanneer hij uit de neiging naar het goede handelt. De zonde verlaat de ziel in die mate, in welke de ziel de zonde als zonde herkend, deze berouwt, verafschuwt en ze ook niet meer begaat. [GJE7-163-19]

Wie het boze bij zich in zijn concrete gestalte niet herkend, heeft het zelfs helemaal niet herkend. Deze blik in de eigen hel doet natuurlijk pijn, waarom men, zoals het in de psychologie heet: ‘weerstanden overwinnen’ want het boze is een kracht in de ziel, die niet ontdekt wil worden, ook in het andere leven willen de ‘criminelen’ niet ontdekt blijven. Wie zich trouwens op deze schaduwkant [Hebr. TseLeM = 90-30-40] (niet te verwarren met  kruis

= TseLeB) op zijn eigen motief, doen en laten ingaat, zal steeds onbewust leeg handelen op al zijn zelfreflexie en tenslotte een gevangene van zichzelf worden. Men moet onderzoeken, om zijn eigen fouten en zonden in te zien, bidden tot de Heer en met een nieuw leven beginnen. Boete doen zonder zelfonderzoek is niet mogelijk.

Het gaat niet alleen om de daden, maar ook om zijn gedachten en vooral wat men zou doen, als men geen vrees heeft voor de wetten en de schande en vooral, welke boosheid men in zijn geest veroorlooft en deze niet voor slecht houdt, want dat doet men toch ook vandaag of morgen als men slechts het uiterlijke onderzoekt. Dan ziet men alleen, wat men met zijn  daad heeft begaan. Men onderzoekt hiermee alleen het boze van zijn lichaam en niet het boze van zijn geest. En dan nog is dit juist te onderzoeken, om omgevormd te kunnen worden. Want de mens leeft na de dood als geest verder en het daar aanwezige boze blijft bestaan. De geest wordt echter alleen daardoor onderzocht, dat men op zijn gedachten let.

www.zelfbeschouwing.info  - bron: Jakob Lorber Bulletin Internationaal, oktober 2016 – maandelijks gratis tijdschrift voor de bewuste mens

 

 

Zielenleven, wat is dat?

 

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer]:  

 

De ziel kan pas de geest van de waarheid in zich opnemen, omdat een onreine ziel die nooit kan bevatten. Want een onreine ziel is als de nacht, terwijl de waarheid een zon vol licht is, die overal het daglicht om zich heen verspreid! Als de ziel teveel luistert naar de eisen van het lichaam en daaraan gehoor geeft, stelt zij zich daarmee in verbinding en daalt zo af in haar persoonlijke hel en in haar persoonlijke dood. En als de ziel dat doet, zondigt zij tegen Gods orde in haar. Hecht de ziel eraan en schept zij er behagen in om daar te blijven, dan is zij net zo onrein als de onreine, en onder het gericht vallende, geesten van haar lichaam. Zij bevindt zich dus in de hel en in de dood. Ook al leeft zij, net als haar lichaam, op de wereld verder, zij is toch zo goed als dood en voelt de dood ook in zich en is daar erg bang voor. Want de ziel kan in die zonde en hel van haar doen wat zij wil, het leven kan zij toch niet vinden, hoewel zij dat boven alles liefheeft.

 

Kijk, dat is de reden waarom nu vele duizend maal duizenden mensen over een leven van de ziel na de dood van hun lichaam net zo veel weten als een langs de weg liggende steen. Maar als men hen er iets over verteld, lachen zij hoogstens of worden zelfs boos, jagen de wijze de deur uit en raden hem aan om zulke dwaasheden, die alleen maar leugens zijn, aan de wilde zwijnen te vertellen!

Toch moet de mens, op z'n laatst wanneer hij dertig is, zo ver in zichzelf met de vorming van zijn ik klaar zijn, dat het komende vrije zalige leven na de dood van zijn lichaam voor hem zo bewust en vaststaand is als het vliegen in de hoge vrije lucht voor een adelaar! Maar hoe ver zijn mensen er nog van verwijderd, die pas daarnaar beginnen te vragen! En hoe ver dan wel diegenen, die er niets over willen horen en dat geloof zelfs te dwaas vinden om er over te kunnen lachen! ‑Zulke mensen bevinden zich zo hun gehele aardse leven in de complete hel, en al in de algehele dood.

 

Maar ook kan een ziel zich reeds geheel gereinigd hebben, waarna haar dan toch nog vaak geruime tijd gegeven wordt om haar ijdele op zichzelf onzuivere lichaam en diens geesten ook te reinigen. Het edelste deel van het lichaam neemt dan uit de ziel uiteindelijk ook de onsterfelijkheid in zich op, en wordt op de jongste dag, na de dood van het grofste deel van zijn wezen, ter meerdere versterking van de ziel, mee opgewekt. Bij zulke reeds reine zielen gebeurt het dan ook, dat zij toch zo nu en dan als hun hel, dat wil zeggen hun lichaam, vaak nog zeer verlokkend' werkt, korte tijd in zo'n persoonlijke hel binnengaan, met andere woorden, toegeven aan de begeerte van hun lichaam en diens geesten. Die zielen kunnen dan echter niet meer volledig onrein gemaakt worden, maar zijn slechts voor zolang onrein als zij zich in de poel van hun lichaamsgeesten ophouden. Zij kunnen het daarin nooit lang uithouden en keren daarom heel snel in hun reine toestand terug, waarin zij dan weer net zo rein zijn alsof zij nooit onrein geweest waren. Daarbij hebben zij in hun hel voor een tijd rust en orde hersteld en kunnen zij zich vervolgens weer ongestoorder in het licht van hun geest bewegen en versterken. De ziel bestaat uit dezelfde delen als ons lichaam. bron: GJE2-210,218

 

De Ziel

 

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer]:  

 

Veel mensen kunnen het verschil tussen ziel en geest moeilijk uit elkaar halen. We spreken over de ziel en haar gevoelens, over een zieke ziel of een zieke geest of een geestesziekte, en dat is psychisch niet in orde. In de Bijbel vinden we al in Genesis 2:7: Hij blies de odem van het leven in zijn neus en zo werd de mens een levende ziel. Is het lichaam de ziel: nee, maar ze wordt er wel door bezield. Wat is dan simpel gezegd de ziel: daar woont de geest van de oerliefde, hoewel nog gevangen. De ziel moet afstand doen van haar hoogmoed en zich verdeemoedigen, zich isoleren uit het zinnelijke v.h. lichaam; krijgt dan makkelijker contact met de aan haar verwante zenuwgeest. Als deze situatie eenmaal ingetre­den is, zal de ziel het leven in zich voelen, ernaar streven  en zich steeds meer inspannen voor de naastenliefde en daardoor ook voor de zuivere liefde tot God, die zij in haar deemoed snel en moeiteloos zal vinden.

 

Daardoor wekt de ziel haar geest aan gene zijde uit God en begint ermee één te worden. Als dat eenmaal gebeurt, gaat de ziel steeds meer in alles op God gelijken, en heeft een helder inzicht gekregen in het eeuwige.’ Ieder mens werd een geestversterking meegegeven bij de geboorte om deze te bevrijden uit haar kooi. Deze geestversterking is de Goddelijke vonk, een nog ongeschapen geest, omdat deze het allerkleinste deel uit God is. De Geest is de eigen liefdesvlam uit het hart van God, die maakt dat wij in feite echte kinderen van God worden; wij zijn onuit­sprekelijk bevoorrecht boven engelen. De geschapen mens is weliswaar oorspronkelijk uit God, maar hij is door de gevallen schepping gegaan. Feitelijk bestaat de mens uit een geschapen geest uit de oerschepping, die gevallen is.

 

We kunnen ons natuurlijk nooit vergelijken met het eigenlijke oerwezen van God; maar in ons woont een onge­schapen, eeuwige geest uit God, en die kan in ons evenmin een beperking hebben als in het eigenlijke oerwezen van God Zelf, omdat wij daarmee één zijn. Kortom: we zijn feitelijk in ons wezen een levende ziel, waarin de Geest van de Schepper woont. Als je in jezelf hebt ingezien, dat je ziel met haar verstand en geest niet één en dezelfde zijn, die zal dan ook gemerkt hebben dat hij feitelijk met ziel en geest denken kan. De mens heeft een dubbele gesteldheid: één van het hoofd en één van het hart! Het verstand is koud berekend, maar in het hart rust de liefde van de Goddelijke Geest, die alles in zich heeft. Dat is de ongeschapen Geest of de Goddelijke vonk in de mens. Een ‘wedergeboren mens’ kan enorm veel weten. Jezus zei tegen Zijn leerlingen: Dat heeft niet jouw verstand maar je gewekte geest ingegeven. De geest schept alles in de mens schept en ordent; de ziel is als het ware een substantiële lichaam, zoals het stoffelijke lichaam een behuizing is voor de ziel. De ziel gaat meer en meer over in de geest en dus in het eigenlijke leven. Ziel en lichaam zijn niet één en dezelfde! De ziel is een geestelijk product uit de materie. In de materie heerst een geestelijk gericht, die wacht op haar bevrijding. Een zuivere geest kan nooit in het gericht zijn. Ieder mens heeft in hem een gedeelte geest uit God.

 

Wat is een ziel? Een geestelijk product uit de materie. De aarde is de draagster van tweeërlei soort mensen. De ene en betere soort stamt van oorsprong reeds van boven: kinderen van God. De andere en oorspronkelijk kwade soort stamt zuiver van deze aarde af. Hun ziel is in zekere zin een combinatie van afzonderlijke levensdeeltjes, die, terwijl ze van satan afgenomen zijn, in de massa van het aardelichaam als materie gevangen worden gehouden. Daaruit evolueren ze door de plantenwereld naar de dierenwereld, en werken zich door de vele niveaus van de dierenwereld tenslotte als een potentiële kracht, bestaande uit talloze oerzieldeeltjes, op tot een ziel van een werelds mens. Eerst uit mineralen en planten. Speciaal bij ongezegende verwekkingen verenigen zij zich in het lichaam van de vrouw, waarbij zij daarna net als de kinderen van het licht uit de geestelijke sfeer van de hemelen, op deze wereld geboren worden.

 

Omdat het gehele wezen van zulke kinderen uit satan genomen is, lopen zij altijd min of meer gevaar om door de een of andere boosaardige geest, dat wil zeggen door de zwarte ziel van een eens op deze aarde al lichamelijk geleefd hebbende duivel van een mens, bezeten te worden. Dat gebeurt vooral dan, als zo'n jonge uit de satanische aardedeeltjes gevormde ziel een goede en hemelse richting inslaat. Omdat daardoor een levensdeel zich losscheurt van de helse sfeer, veroorzaakt dat een onverdraaglijke pijn aan de gezamenlijke hel, en daarom stelt zij alles in het werk om zo'n verwonding te verhinderen.

 

De ziel van de mens is als de hoogst gepotentieerde vermenging van mineralen-, planten­ en dierenzielen; zij heeft geen herinnering aan haar vorige bestaansvormen, omdat de specifieke zielsdelen in de eerder ge­noemde drie rijken geen eigen en strikt afgezonderde intelligentie bezaten, maar ten behoeve van hun soort alleen een soort intelligentie, die aan het algemene goddelijke leven in de ruimte ontleend was. Weliswaar zijn in een mensenziel al die talloze specifieke voorintelligenties met elkaar verenigd, en dat leidt ertoe dat de menselijke ziel uit zichzelf alle dingen zeker kan herkennen en verstandig kan beoordelen, maar een specifieke herinnering aan de vroegere niveaus van bestaan is niet denkbaar of mogelijk, omdat in de menselijke ziel maar één mens ontstaan is uit de eindeloos vele afzonderlijke zielen. De ziel van de mens is een zuiver etherische substantie uit zeer veel lichtatomen of kleinst mogelijke deeltjes tot een volmaakte menselijke vorm samengesteld. De zuivere geest is een gedachte van God, die voortkomt uit Zijn liefde en wijsheid, en die tot een waar bestaan komt door Gods wil.

 

Omdat God echter in Zichzelf een vuur is uit Zijn liefde en wijsheid, is dat ook het geval met de in zekere zin uit God naar buiten getreden gedachte die in een zelfstandig bestaan wordt geplaatst. Zoals het vuur echter een kracht is, is zo'n gedachte uit God op zichzelf ook een kracht, die zich van zichzelf bewust is en die zelf in de dezelfde helderheid kan werken als waaruit hij voortgekomen is. Als zuivere kracht doordringt hij alles wat jij materie noemt, maar kan zelf door de materie niet doordrongen worden, omdat de materie verder niets anders is dan een uiterlijke uiting van de geest uit God. De ziel is in zekere zin materie die door de kracht van de geest weer is opgelost en die door die kracht genoodzaakt in de eigen oervorm van de geest overgaat, en daarna met haar geest verenigt als het ware diens lichtetherische -substantiële lichaam vormt. Ook de ziel vormt en ontwik­kelt, puur door de wilskracht van haar geest, haar toekomstige omhulling uit de haar omgevende materie van het lichaam, wanneer die totaal is vergaan en ontbonden.

 

Bij de verwekking van de mens wordt de ziel  uit de drie natuurrijken in het moederlijf gedreven, waarna ze haar chaotische specifieke samenstelling begint te ontwaren. De ziel is dus een mengsel van fijnstoffelijke oerdeeltjes die bij de gevallen schepping weer ontnomen werden. Materie is een specifieke geest, die als ziel in elk mensenwezen wedergeboren kan worden in de Goddelijke Geest. De in een lichaam wonende ziel is natuurlijk in het begin niet veel reiner dan het lichaam zelf, omdat zij afstamt van de onreine oerziel van de gevallen satan. Het lichaam is voor de nog onzuivere ziel eigenlijk niets anders dan een heel wijs en heel goed en doelmatig ingerichte zuiveringsmachine. Waar bevindt zich de ziel in het lichaam? De ziel doordringt het hele lichaam, zoals water alles doordringt. De ziel is het fijnstoffelijke in de mens. Wat is de ziel in de mens? Waar heeft zij haar zetel in het lichaam?

 

De ziel als geestelijke substantie is helemaal mens, zowel wat betreft gedaante alsook wat betreft alle ledematen en bestand­delen van het lichaam! En als dat niet zo zou zijn, kon zij ook niet van haar lichaam zo volmaakt mogelijk gebruik maken. De handen van de ziel bevinden zich in de handen van het lichaam, haar voeten in de voeten van het lichaam, en zo verder alle delen van de ziel in de overeenkomstige delen van het lichaam. Wordt het lichaam ergens ziek, dan is de ziel ook in de zieke lichaamsdelen aanwezig en spant zich erg in om deze weer gezond te maken. Lukt haar dat niet, dan wordt zij daarin passief en het gevolg daarvan is dat zo'n lichaamsdeel helemaal verlamd, vrijwel gevoel­loos en dus inactief schijnt te zijn. Dat is een goede en juiste leer van alle oude en ook nieuwe psychologen.

 

Bekend is van personen die hun handen of benen verloren hadden, het gevoel hadden, dat alles nog intact was. Omdat zij de pijn aan het etherische lichaam voelden (de ziel met haar fluïdum) bewijst dit uiteraard dat de ziel in zichzelf onsterfelijk is. De geest werkt op de ziel in en kan deze doordringen, de ziel kan echter nooit de grenzen van haar geest overschrijden maar ze moet er zijn om door de geest te worden doordrongen, terwijl de geest er niet is om door de ziel te worden doordrongen; maar de ziel kan door de geest worden opgenomen waardoor ze zelf geestelijk wordt. Natuurlijk heeft de ziel ook een lichaam, het is welis­waar etherisch, maar voor de ziel is dat lichaam net zo volmaakt als het vleselijke lichaam voor een stoffelijk mens. Het zielenlichaam heeft ook alles wat een vleselijk lichaam heeft.

 

Met je stoffelijke ogen zie je het weliswaar niet, maar ik kan alles zien, horen, voelen, ruiken en proeven. Want ook de ziel heeft dezelfde zintuigen die het lichaam heeft voor de communicatie tussen zichzelf en zijn ziel. Iedere wereldse zorg is een materiële band, waardoor een ziel zich vanuit het litteken van Adam verbindt met de materie! Hoe meer de ziel zich verbindt met de materie van haar vlees, des te meer moet de vorming van de eigenlijke geest van God in haar verkommeren. En hoe meer de ziel zich door haar zorgen verbindt met het lichaam, dat op zichzelf alleen maar een gericht, een ellendige noodzaak en tevens de dood zelf is, des te meer verliest zij het besef en de kennis van het eeuwige onvergankelijke leven in haar. Hoe meer zij deze band echter loslaat, des te vrijer wordt zij weer in alles. En hoe meer zij zich dan verbindt met de goddelijke geest in haar, des te levendiger en helderder zal haar bewustzijn en de kennis van het eeuwige leven in de ziel worden.

 

Ieder mens heeft een onsterfelijke ziel en in de ziel een geest die nog onsterfelijk is. En opdat de ziel, als geest die zich uit de materie ontwikkelt, volledig één wordt met de oergeest van God, die 'liefde' heet, moet al het streven van de ziel erop gericht zijn, dat zij zich ten eerste losmaakt van de materie en van alle eisen die deze stelt, en dat zij al haar inspanningen, al haar doen en laten enkel naar het zuiver geestelijke richt; ten tweede moet het voortdurend haar enige zorg zijn, dat zij één wordt met de in haar rustende geest van Gods zuivere liefde, omdat God Zelf van oorsprong in Zijn oerwezen de aller-zuiverste Liefde is.

 

De geest is het eigenlijke in de schepping.

De ziel zal zich steeds zo tot de geest verhouden als het aardse lichaam tot de ziel. Het lichaam van een ziel, al is die nog zo volmaakt, heeft in zekere zin ook een eigen wil om te genieten, waardoor de ziel bedorven kan worden als zij daarop ingaat. Een juist opgevoede ziel zal echter nooit ingaan op de vraatzucht van het lichaam en steeds de baas over haar lichaam blijven; maar bij een verkeerd opgevoede ziel is dat heel goed mogelijk. Toch bestaat er tussen ziel en geest alleen maar dezelfde verhouding als tussen een oervolmaakte ziel en haar lichaam. Het lichaam kan zelf begeerten hebben zoveel het maar wil en met al zijn stekels, die vaak zeer scherp zijn, de ziel prikkelen om daaraan te voldoen en deze te bevredigen, maar dan zegt de volmaakte ziel daar toch altijd met succes nee tegen! En precies hetzelfde doet Mijn geest in de ziel waarin hij helemaal is overgegaan!

 

Zolang de ziel helemaal opgaat in de wil van de geest, zo lang gebeurt alles precies volgens de wil van de geest, die ook Mijn wil is; maar wanneer de ziel echter, door herinneringen van vroeger, wat meer bezig is met zinnelijke dingen, dan treedt op zulke momenten de geest terug en laat de ziel alleen over aan de uitvoering van haar wens, waarvan meestal niets terecht komt, vooral als de uitvoering daarvan zeer weinig of vaak ook helemaal niets geestelijks ten doel heeft. De ziel, die weldra haar egoïstische zwakheid en onhandigheid bemerkt, laat dan ook al gauw haar op eigen lust gerichte dromen varen, verenigt zich weer heel innig met de geest en laat diens wil overheersen. Dan is er natuurlijk weer orde en kracht en macht in overvloed."

 

Opdat het geestelijk bestaan met voortdurend zeer sterk gebonden blijft aan en in de oergeest van de eeuwige en oneindige Godheid, heeft de Godheid Zelf de materie geplaatst tussen Zichzelf en de geest die mens moet worden, opdat de oorspronkelijk goddelijke mensengeest, als hij een godgelijke zelfstandigheid wil bereiken, uit de meer etherische delen van de ziel een op hemzelf gelijkend wezen maakt, het met een substantiële, maar toch ook geestelijk intelligente ziel tot leven brengt, en deze ziel dan ongemerkt verder ontwikkelt in de grootst mogelijke vrijheid van haar wil. En wanneer deze ziel dan in alle goede kennis en de werkzaamheid die het gevolg daarvan is, zo zeer is gegroeid, dat zij op haar oergoddelijke geest is gaan lijken, -hoofdzakelijk door de ware kennis van de enig ware, eeuwige God, in de liefde tot Hem en daardoor ook tot de naaste -en daarbij vol deemoed, geduld en bescheidenheid is, dan vindt er een voor alle eeuwigheden onscheidbare eenwording plaats van de ziel met haar oereeuwige geest.

 

Het lichaam is het huis van de ziel en de geest in haar is door God daar­aan toegevoegd opdat die de ziel onderwijst en wekt in alles wat geestelijk is, en het haar ook mogelijk maakt, ermee in contact te treden. Maar hoe kan de geest dat doen, als de ziel in het volledige bezit van haar vrije wil zich meestal buiten het huis bevindt en zich verkwikt en laaft aan het wereldse licht? Daardoor wordt ze zo verblind en verdoofd, dat ze dan niets meer ziet en gewaarwordt van wat er in haar huis gebeurt. Wie Mij niet net als jij heel jaloers liefheeft en Mij in zijn hart niet bijna zonder mededinging alleen wil bezitten, die bezit nog geen echte liefde tot Mij! Als hij die niet heeft, dan bezit hij ook niet de volheid des levens; want in de mens ben Ik het werkelijke leven door de liefde tot Mij in zijn ziel, en deze liefde is Mijn geest in iedere mens.

 

Wie dus de liefde tot Mij opwekt, die wekt zijn door Mij aan hem gegeven geest, en omdat Ik Zelf deze geest ben en moet zijn, omdat er in eeuwigheid geen andere levensgeest buiten Mij bestaat, wekt hij daardoor dus Mij Zelf in hem en is daardoor in het eeuwige leven helemaal ingeboren en kan dan voortaan in der eeuwigheid nooit sterven en nooit vernietigd worden -ook niet door Mijn almacht, omdat hij een is met Mij. Ik kan Mij Zelf ook niet vernietigen omdat Mijn oneindige bestaan zich in der eeuwigheid nooit in het niet-bestaan kan veranderen. Denk daarom dus niet dat jouw liefde tot Mij dom is, maar zij is juist zoals zij zijn moet! Volhard daarin, dan zul je eeuwig geen dood voelen of smaken!" Maar in de ziel woont al de zuivere vonk van de Geest van God, waaruit de ware zelfkennis en de goddelijke orde zich kenbaar maken door de stem van het geweten. De geestelijke levensvonk van God is vooral sterk en godgelijkend aanwezig in de mens; daarom is hij dan ook met rede is begaafd en verstandig kan worden, een taal heeft en aanvankelijk een vermoeden kan hebben van God als zijn Schepper en Hem later steeds zuiverder kan leren kennen en liefhebben, en zijn eigen wil volledig ondergeschikt kan maken aan het erkende goddelijke.

 

De levende geest in de mens is Mijn eeuwige liefde en wijsheid, die alles schept, ordent en in stand houdt; en deze geest is eigenlijk de ware en in zich­zelf reeds eeuwige mens in de mens, die om zelfstandig te kunnen worden, zichzelf echter volgens Mijn eeuwige orde in hem pas mettertijd met een ziel en een lichaam bekleedt en zo een uiterlijk waarneembare vorm aanneemt. Deze geest rust weliswaar in het binnenste centrum van jullie ziel, maar hij is daar nog helemaal geïsoleerd van de algemene geest, omdat hij door jullie te geringe liefde tot God ook een veel te geringe voeding krijgt. Daardoor kan de geest zich niet in de ziel uitbreiden en haar doordringen en zich zo door jullie hele wezen uitbreiden, dat wil zeggen niet ruimtelijk, maar in de sfeer van de wil, die in hem evengoed aanwezig is als in God Zelf, door Wie hij als een onverwoestbaar levensvonkje in het hart van de ziel werd gelegd.

 

De geest uit God woont in het binnenste centrum van onze ziel; daar is het nog gescheiden van de algemene Goddelijke Geest, omdat hij door de te geringe liefde tot God te weinig voeding heeft - de ziel wil zelf haar wil volledig ondergeschikt maken aan de erkende wil van God en laat zich vrijwillig helemaal door hem beheersen. Is het zo, dat een ziel zich als het ware van buiten af door de herkende en nauwkeurig opgevolgde wil van God tot in haar binnenste laat door­dringen, dan wekt deze de geest uit God, die in het binnenste van de ziel rust en sluimert. Deze verenigt zich dan terstond met de aan hem gelijke wilsgeest, die de hele ziel doordrongen heeft en die de eigenlijke geest van God is, en is dan in alles één met hem, zoals God dat - maar dan in een veel hogere graad -ook is en blijft, als het ware zoals het ene oog één is met het andere, hoewel bij een mens ook het ene oog altijd scherper en gemakkelijker ziet dan het andere.

 

De geest echter van wie Ik zeg dat hij jullie geest is, is ook Mijn geest in jullie en deze kent alle dingen en verhoudingen zoals Ikzelf en kan jullie alle wijsheid binnenleiden. Maar nu is hij in jullie nog niet gewekt en volledig werkzaam, dat wil zeggen, dat hij weliswaar op zichzelf wel wakker en werkzaam is, maar zijn waken en werken is voor jullie, ofschoon het voor jullie bestemd is, nog als iets vreemds en iets wat je nog niet eigen is, omdat jullie ziel nog niet zuiver genoeg is om zich volledig met Mijn geest te verenigen. In de geest ofwel de eeuwige essentie woont de liefde, als de alles tot stand brengende kracht, de hoogste intelligentie en levende vaste wil; dat alles bij elkaar brengt de substantie van de ziel voort en geeft haar de vorm ofwel het wezen van het lichaam.

 

Als de ziel of de mens er dus eenmaal is, overeenkomstig de wil en de intelligentie van de geest, trekt de geest zich diep in het centrum terug en geeft de nu bestaande ziel volgens zijn diepste innerlijke wil en intelligentie aan een als van hem gescheiden vrije wil en een vrije als het ware zelfstandige intelligentie; en de ziel kan dan deels door uiterlijke waarne­mingszintuigen en deels door een innerlijk opnemingsvermogen zich deze zo toe-eigenen en vervolmaken als zou deze volkomen vrije intelligentie haar eigen werk zijn. Ten gevolge van deze noodzakelijkerwijs zo gevormde toestand, waarin ze zich als het ware gescheiden voelt van haar geest, is de ziel in staat om zowel een uiterlijke als een innerlijke openbaring te ontvangen. Als ze die ontvangt, aanneemt en ernaar handelt, begint ze daardoor ook één te worden met haar geest en gaat daardoor dan ook steeds meer in de onbeperkte vrijheid van de geest over, zowel ten aanzien van de intelli­gentie en de wilsvrijheid overeenkomstig die lichtende intelligentie, alsook in de kracht en de macht om alles te kunnen bewerkstelligen wat ze erkent en wil.

 

Elk mens die hier wordt geboren, krijgt een geest uit Mij en kan ontegenzeggelijk volgens de voorgeschreven ordening het volko­men kindschap van God verkrijgen. Op de andere hemellichamen echter krijgen de mensen geesten van de engelen. Want elke engel is een kind Gods en moet op deze aarde net zoals Ikzelf en zoals elke aartsengel, de weg van het vlees doormaken, waardoor hij dan ook de scheppende kracht in zich heeft, die hij uit de overvloed van zijn liefde en licht kan nemen en dan in de nieuw wordende mensen van andere planeten kan leggen en waardoor hij op deze manier als een God kinderen kan verwekken, die zijn naam dragen. Deze kinderen zijn derhalve slechts secundaire kinderen en geen werkelijke kinderen uit God, maar ze kunnen wel, op de weg van een nieuwe incarnatie op deze aarde, tot het kindschap van God komen. De geest in de mens is een God in de kleinste maat, daar volledig uit het hart van God – de geest is niet deelbaar, maar waar hij in een grote of kleine ziel gelegd werd, daar blijft hij ook een eenheid.

 

Nadat de geest in het hart van de ziel is gelegd, welke handeling bij sommige kinderen vroeger, bij anderen weer later gebeurt, vaak ook drie dagen voor de geboorte, komt het lichaam sneller tot rijpheid en de geboorte kan plaats vinden. In deze tijd moet de moeder zich in het bijzonder van alle begeerten en prikkels onthouden, want die zijn meestal van de hel afkomstig, en overal waar de moeder zich in een dergelijke geprikkel­de toestand dan bezeert, daar wordt als tegenovergestelde pool de in de ziel gelegde geest geprikkeld en dit tekent de ziel op de overeen­komstige plaats. Deze tekening van de ziel drukt zich dan ook op het lichaam af, daar komen bij kinderen de zogenaamde moedervlekken vandaan. Dat zo'n teken slechts plaatselijk is en maar een heel kleine plek en niet op de hele ziel en daarna op het hele lichaam inwerkt, dat bewerken de geesten. Zou dat niet het geval zijn, dan kon door zo'n onvoorzichtige aanraking en de daarop volgende algehele brandmer­king van de hel de hele ziel bedorven worden en kon daarop de dood van het lichaam volgen en dat is juist de bedoeling van de hel.

 

Daarom moet iedereen zich enigszins in acht nemen voor dergelijke mensen die veel en grote moedervlekken op hun lichaam hebben zoals hierboven beschreven werd. Want niet zelden worden de specifica van de hel meer of minder in zo'n wezen gewekt en zijn ze eenmaal gewekt dan is zo'n individu, dat veel van dergelijke grote tekenen op zijn lichaam draagt, niet zelden op een of andere ma­nier boosaardig. Of zulke mensen geloven dan niets of ze zijn aan on­tucht overgeleverd of hebben een slechte reputatie en de volgende waarschuwing geldt hier: "Neem je in acht voor de getekenden!" Want de hel tekent alles wat ze geeft, zodat het haar niet kan worden afgenomen, opdat ze hetgeen haar toebehoort weer na afloop van de vastgestelde tijd herkent om het rechtens terug te nemen. En zoals een mensenziel uit vele volkszielen samengevoegd wordt, zo gaat het ook met haar bijbehorende geest, die de eigenlijke opwekker, verdere begeleider, ontwikkelaar en instandhou­der van de zielen is tot aan de menselijke ziel toe, die daarna pas volledig haar sfeer van vrijheid binnentreedt en in staat is zichzelf in moreelopzicht verder te ontwikkelen.

 

Pas wanneer de ziel zich door zichzelf tot een bepaalde graad van geeste­lijke volmaaktheid heeft verheven, verenigt zich haar licht­ en liefdesgeest van gene zijde met haar, en vanaf dat moment begint de mens in alles steeds meer op God te lijken; en als het lichaam dan van de ziel wordt weggenomen, is ze al een geheel op God gelijkend wezen en kan ze vanuit zichzelf alles tot bestaan roepen en ook door haar wijsheid in stand houden. Als de geest in je ontwaakt, zul je zijn stem waarnemen als heldere gedachten in je hart. Daar moet je goed naar luisteren en je in je gehele levenssfeer naar richten, dan zul je daardoor je eigen geest een steeds groter werkgebied verschaffen; zo zal de geest in je groeien tot de grootte van een man en je gehele ziel doordringen en daardoor je gehele materiële wezen. De geest in de mens is uit God, en als die heer is geworden in de mens, leert hij de ziel in een uur veel meer dan je op aarde zelfs van de meest wijze leraren in duizend jaar zou kunnen leren.

Samenvattend

De ziel is een vrij geworden gelouterd geestelijk product uit de materie. Materie is echter gerichte geest. De ziel bestaat uit zieledelen of oer zielsdelen die ontnomen zijn uit de gevallen satan. De ziel bezit zeker een bepaalde intelligentie, maar dat is niet identiek met de geest zelf – de geest in de mens is een kleinste partikel, een geestelijk vonkje uit het hart van de Schepper – zodat we continue door Hem omgeven zijn. Onze opgave is aan dit vonkje gehoor te geven en zo heerser over ons te maken. Eerst, als dat gelukt is, ben je wedergeboren.

 

www.zelfbeschouwing.info