Tekstvak:    Zelfbeschouwingen

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer]:  

 

Het is op elke leeftijd zeer nuttig om van tijd tot tijd je geestelijke boekhouding op te maken. Een soort testament. En goed kijken naar je innerlijk leven. Hoe staat het voor met mijn administratie? Sta ik diep in de rode cijfers? Ja, dan wordt het dringend tijd mijn eventuele schulden af te lossen. Het is nog niet te laat! Hoe vroeger hoe beter!

Hoeveel kans bestaat er, dat er mensen (geesten) op de Maan wonen? [Wat heeft dat ermee te maken? – Dat zal je weldra duidelijk worden!]

 

En…hoe ziet het eruit op jouw wandelpad? Het spreekwoord: ‘loop naar de Maan!’ is er niet zomaar… Of… moet je soms eerst door ‘het lot’ gecorrigeerd worden? De geschriften van Jakob Lorber beschrijven het een en ander over het wezen van de Maan en de Aarde. Soms kom je in het leven iets tegen dat je werkelijk shockeert, waardoor je serieuzer en ernstiger gaat nadenken over je eigen zielsontwikkeling. Want heb je alleen maar oren en ogen voor deze wereld met al haar wereldse glorie, glitter en aandacht, dan kan dat al een verborgen aanwijzing zijn, dat dit je eigen ego streelt. Bij mij kwam tenminste het oeroude religiegevoel weer terug.

 

Als het ge(weten) in je knaagt – en weliswaar aan de schors van je ziel, dan wordt het werkelijk tijd en zelfs ook noodzakelijk om veel zelfonderzoek te doen. De Bijbel en de tal van Lorberwerken zijn mij hierbij tot een zeer grote steun geworden. De Heer waarschuwt meerdere malen ervoor je te behoeden om nooit [ooit] op die Maanwereld terecht te komen. Met deze ernstige ‘maning’ kan het toch wel zijn, dat de tijd zich in je opdringt om alles op alles te zetten en schoon schip te maken in je ziel. Je kunt deze behoefte natuurlijk ook met anderen delen. Als je echter steeds maar hangt aan deze Aardewereld met al haar uiterlijke bekoringen, dat maar schijn is, dan kan dat je terugwerpen op de ‘schijnwereld’ van je Maangesteldheid in je innerlijke ziel.

 

Maag als leugendetector

 

De Maan is de eerste materiebol in de ‘astronomische ruimte’ en in de uitgestrekte ether boven de Aarde als het kind van moeder Aarde. Astronomie en (g)astronomie zijn zeer nauw met elkaar verwant. In het Grieks betekent maag ‘Gaster’ en ‘Gastritis’ is als het ware een geïrriteerd gevoel in het belevingsgevoel. Zoals de Zon beeld staat voor de ik-kracht, zo staat de Maan beeld voor het gevoel. De Maan weerkaatst de Zon en het gevoel is een weergespiegelde ik-vorm in het gevoel. Als er een conflict is met het gevoel [de zielskracht], dan kan er ook geen evenwichtig balans zijn met de Zon [de geestkracht]. Het mysterie van de Maan komt op verrassende wijze uitvoerig in de Lorberwerken aan het woord. Laat het ware licht van de Zon in mij en in ieder ander tot zijn recht komen.

 

In het taalgebruik kennen we diverse woorden die afgeleid zijn van de Maan. Het woord ‘Monade’ (waarin verborgen het woord Mona voor Maan), dat staat voor het begrip ´ziel´ of ondeelbare entiteit.

Jakob Lorber beschrijft Monade als lichtatomen. Natuuronderzoekers noemen dit ‘etherische lichtmonaden’. Het is een specificum, waarin een intelligente kracht woont. Zo is ook het hele universum, ja, de hele oneindigheid gevuld met de ideeën van de Godheid. Ze vullen de gehele oneindigheid, maar zijn ook in een monade alle aan te treffen, maar natuurlijk in de meest verkleinde vorm, net zoals de lucht in de kleinste zeepbelletjes dezelfde delen bevat, die daar ook in het algemeen aangetroffen worden. Monade heeft dus volgens Lorber met de ziel te maken. (bron: Aarde en Maan 1-46-4 en 1-52-7)

 

Voorzijde van de  kent geen wind

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer]:  Alles wat wij in Jakob Lorber lezen en hebben mogen ontvangen van de Heer, ook betreffende de Maan, is natuurlijk bedoeld als hulp om steun te krijgen in het innerlijk geloof. Zo is het oudste kind van de Aarde de Maan. Haar ontstaan geschiedde in een ver verleden waar nu nog de Pacific is gelegen. De gebannen oergeesten hadden zich in de oertijd van God verwijderd en werden samen met Lucifer opgesloten in de allerergste materie van de Aarde.

 

Toen er een ernstige vulkaanuitbarsting plaatsvond, diep onder in de Aarde, wat nu Tahiti is en dat gelegen is aan de Grote Stille Oceaan, brak een groot stuk vloeibare aarde- klompmaterie uit haar voegen en dit werd bijna vierhonderdduizend kilometer de lucht ingeslingerd. De vloeibare massa werd geleidelijk vaster en dit is uiteindelijk onze Maan geworden. Als vast wereldlichaam is de Maan zwaarder dan de Aarde.

 

De gevallen oer-engelgeesten, die in het diepst onder de Aarde gekluisterd waren, werden deels in de lucht weggeslingerd. Volgens Lorber is de Maan een grote leerschool voor hardnekkige geesten, die in hun vroegere aardse leven erg materieel en zinnelijk waren en nu moeten leren hun hoogmoed in deemoed om te zetten. Zij leven daar zeer lange tijd, wel duizenden jaren in zeer erbarmelijke omstandigheden. Zij moeten daar duizenden malen sterven en daarbij krijgen zij het gevoel voor altijd verloren te gaan. Maar ook voor hen is na een bepaalde tijd uiteindelijk terugkeer mogelijk. Wat de Bijbel ‘eeuwig’ noemt betekent qua tijdsduur niet telbaar.

 

Als jongetje van zes jaar liep ik [in mijn droom] op de Maan. Dit was een verschrikkelijke belevenis. Ik deed niets anders dan huilen en huilen en liep eenzaam de ene na de andere gelige en mullige hoge zandbergbulten op. Mijn situatie was te vergelijken met een wandeltocht door een troosteloze Sahara en ik was helemaal op mijzelf aangewezen.

 

Toen ontwaakte ik uit de narcose, die plaatsvond in het oude Sophiaziekenhuis te Zwolle omstreeks 1954. Mijn oortjes waren vanwege een chronische middenoorontsteking eindelijk operatief doorgeprikt. Ik was erg blij weer in het aardse ‘nu’ te zijn. Mijn ouders begrepen mijn `droombelevenis` niet. Ze konden er geen antwoord op geven. Voor mij was het een bizarre Maanbelevenis en die ervaring is mij mijn levenlang bijgebleven.

 

Innerlijke beschouwing

 

Vijfenvijftig jaar later wist ik, dat dit kleine jongetje, die ikzelf was, destijds een ‘uittreding’ had meegemaakt. Als ik mijn innerlijk leven op een rij zette en zo mijn boekhouding opmaakte, realiseerde ik mij, dat ik administratief nog erg diep in het ‘geestelijk’ rood stond. Hoe kon ik die vele gemaakte schulden aflossen in de rest van mijn leven, want het grootste deel van mijn leven was immers al voorbij?! Ik zou nooit meer op die Maan terecht willen komen. Destijds werd mij als klein jongetje al getoond: ‘zo kan later je toestand er gaan uitzien’.

 

Alsof dit werd voorzien om die waarschuwing in mijn leven mee te geven en ik misschien die voorwaarden zou creëren. Dat laatste is helaas gebeurd. Toen kwam er gelukkig iets op mijn levenspad, dat mijn totale leven volledig shockeerde. Vanaf die tijd begon ik serieuzer en ernstiger na te denken over de ontwikkeling van mijn ziel en zag, dat alle wereldse glorie, glitter en aandacht alleen maar een strelen van het eigen ego is. Het oeroude religiegevoel kwam in mij weer terug.

 

Mijn ge(weten) knaagde later aan de schors van mijn ziel en ik zag de noodzaak van een zelfonderzoek. Daarbij was de Bijbel, die ik van mijn moeder kreeg en de tal van Lorberwerken, mij tot een zeer grote steun. Want ik was al flink bezig mijzelf een plaats te bereiden ergens op de Maan in het hiernamaals. Zou ik niet meer door ‘het lot’ gecorrigeerd en zelfs dan destijds gestorven zijn, dan zou mijn wezen waarschijnlijk een zeer lange tijd naar de Maan verbannen zijn. De Heer waarschuwt meerdere malen in de Lorberwerken zich er voor te behoeden niet op die Maanwereld terecht te komen. Mijn leven was grotendeels niet gegaan, zoals ik het achteraf gezien gewild zou hebben. De tijd drong zich aan mij op om alles op alles te zetten en daar nog veel goeds van te maken.

 

De meegegeven waarschuwing, die in mijn kindjaren werd gelegd en ook aan mij werd getoond, werd mij steeds meer bewuster, zodat ik de behoefte kreeg dit ook met anderen te delen. Met name de geestelijke boodschap van de Maan. De schijn van mijn innerlijk zielenleven was er één van het schijnsel van de Maan. Het mag duidelijk zijn dat ik, bewerker van deze site, ooit zelf een relatie met de Maan aanknoop, maar hierbij gevoelig op mijn vingers werd getikt.

 

Dat ik op een Maan-dag geboren ben en zelfs gedurende mijn leven vaak te kampen had met een vervelende maagkwaal, kan volgens de leer der (g)astronomie een zekere relatie hebben met de Maan. Op veertienjarige leeftijd had ik – achteraf gezien – al een maagzweer. Zoals elk orgaan een analoge relatie heeft met het planetair zonnestelsel, zo heeft de maag dan vooral een samenhang met de Maan. Als het geestelijke niet optimaal verteerd wordt, gaat het vaak fout in je fysieke vertering.

 

ZELFBESCHOUWING – ZELFONDERZOEK

De Heer laat Lorber in ‘de Huishouding van God’, deel 2 – hoofdstuk 56 beschrijven,  hoe Henoch aanwijzingen krijgt, om naar zijn eigen hart te kijken.

[5] ‘Het is niet zo gemakkelijk om je ogen zonder meer in je eigen hart te richten en het dan geheel en al te beschouwen’.

[6] ‘Tot nu toe was bij jullie allen het verstand van je hoofd voornamelijk het licht van je ziel, maar de eeuwig levende geest, die in het hart van de ziel woont en die het enige ware, innerlijke, levende licht van het leven is, is bij jullie nooit gewekt’.

[11] ‘Het enige middel om de geest op te wekken is, dat jullie allen in je hart, dat wil zeggen in de meest volkomen liefde, tot de allerheiligste Vader wenden, vol vertrouwen en vol gerechtvaardigde, onbaatzuchtige trouw.’

 

  - en verder…………….https://cache2.allpostersimages.com/p/LRG/94/9482/IN36500Z/poster/albert-einstein.jpg

 

Nu begon Lamech te huilen – want hij overzag zijn vele gruweldaden en zei daarop: ‘O machtige afgezanten van de eeuwige Erbarming! Het kan mij nooit meer worden vergeven; want te verschrikkelijk is de hoeveelheid van mijn gruweldaden!  [Huishouding van God.02_183,14]

Ik zie nu in mijn hart, dat is geheel gevuld met louter slangen en allerlei soorten van het giftigste ongedierte, en om mij heen staan onafzienbare scharen die van vertwijfeling de handen wringen, mij vervloeken en met bloedende mond om eeuwige wraak roepen tot God! [Huishouding van God.02_183,15]

‘Maar als wij onze zwakheden liever verborgen dan blootgelegd in ons willen dragen, dan benadelen wij immers alleen maar onszelf en dan is het onze eigen schuld als wij tenslotte door die zwakheden te gronde gaan!’ De [Huishouding van God, deel 3 – hfdst. 110:9 ]

 

[GEJ.01_220,05] Als iemand zichzelf niet eerst kent, hoe zal hij dan een ander of tenslotte zelfs God kennen?! 

[GEJ.01_226,02-04] Jullie hebben de boosaardige verschijnselen gezien die de satan jullie ten deel heeft laten vallen. Ze hebben je vrees en schrik bezorgd; maar je hebt je, vertrouwend op Mijn woord, vermand en bent de rust weer ingegaan en in die rust zijn jullie geheel meester geworden van alle kwade gebeurtenissen. Maar geloof nu niet dat je de satan nu al geheel ontmoedigd hebt! Zo vaak je weer zo'n oefening zult doen, zul je door hem verontrust worden zolang je in de geest nog niet volledig nieuw geboren wordt. Zijn jullie echter eenmaal in de geest opnieuw geboren, dan heeft de satan voor eeuwig alle macht over jullie verloren, en jullie zullen zowel rechtspreken over hem, als over al degenen die hij tot zich getrokken heeft, en die je hem weer voor eeuwig ontnemen zult!' 

[GEJ.02_008,08] Laat ieder de neigingen van zijn hart onderzoeken, dan zal hij snel bemerken met welke geest zijn hart is vervuld. Trekken zijn neigingen het hart en zijn liefde naar de wereld, en voelt hij een verlangen in zich om iets groots en voornaams te worden in de wereld, - heeft het hart, dat hoogmoedig wil worden, een onbehagen aan de arme mensheid, en voelt het de drang in zich om, zonder door God gekozen en gezalfd te zijn, te willen heersen over de anderen, dan ligt het zaad der hel reeds in het hart. Dit zaad zal, als het niet bestreden en verstikt wordt, de mens na de dood van het lichaam zeer zeker nergens anders dan in de hel doen belanden.  

 

www.zelfbeschouwing.info  - bron: Jakob Lorber Bulletin Internationaal, januari 2016– maandelijks gratis tijdschrift voor de bewuste mens

 

Zelfbeschouwende gedachten

 

Wie God wil liefhebben, moet je toch eerst geloven, dat er een God bestaat, die,  zoals de liefde zelf, de eeuwige oergrond is van alle dingen in de gehele oneindigheid. Hoe kan echter een mens tot zulk een geloof komen? Het zekerste door de Openbaring, door het aanhoren van het Woord van God en door het besef van de wil der eeuwige liefde.

 

Heeft  de mens zo’n wil niet herkend, verplaatst hij zijn wil van de eeuwige liefde en de hoogste wijsheid aan God toe en laat hem door de wil van de Heer – gelijk als de vissen – verorberen door een goed toebereid gericht.

 

Als de mens in deze wereld komt, wordt hij, wat zijn ziel betreft volledig gescheiden van  Gods almacht en is hij in alle opzichten aangewezen op zijn eigen wil en kennis. Pas als hij langs de weg van onderricht uit de mond van zijn ouders en andere wijze leraren God leert kennen, zich gelovig tot Hem richt en Hem om Zijn hulp en bijstand smeekt, begint ook van goddelijke zijde het invloeien door alle hemelen heen naar hem toe. De ziel van de mens gaat dan over in een steeds helderder kennis en van daaruit steeds meer in de liefde voor God; ze maakt haar eigen wil ondergeschikt aan die van God en verenigt zich op die manier met de geest Gods, wordt zodoende geleidelijk aan even volmaakt in en door de geest Gods in haar als de goddelijke geest zelf, en blijft daarbij toch in alles volkomen vrij en zelfstandig, zoals God als zodanig eeuwig en volmaakt vrij en zelfstandig is. [GJE9-171-4]

De mens stelt zijn wil onder de wil van God en hij verenigt zich met de geest van God en zal daardoor geleidelijk en evenzo volkomen door de geest van God in haar, zoals de goddelijke geest in haar zelf volkomen is, en blijft hierbij dan toch nog in alles volkomen vrij en zelfstandig, zoals God voor Zichzelf steeds volkomen vrij en zelfstandig is. [Aarde en Maan 57-6]

 

Welk nut heeft, dat de Aarde het licht van de Zon krijgt, wanneer het niet met de daadkrachtige warmte verbonden is? Wat is het de mens voor nut om alle kennis en wetenschap te hebben, als hij deze niet in de praktijk omzet?... [Aarde en Maan-73 – Is de mens eenmaal in het reine met zichzelf gekomen, zo komt de hemel vanzelf in hem. De geest is het evenbeeld van de Heer in de mens: jullie weten, dat de geest van de mens een volkomen levendige afdruk van de Heer is en deze heeft in zich de vonk of het brandpunt van het goddelijk wezen. Dus jullie moeten nu je best doen om hiernaar te handelen; doe alle moeite en onderzoek jezelf of je niets nalaat, zodat je uiteindelijk niet hoeft te zeggen:

 

'Kijk nu eens, nu heb ik gedurende tien tot twintig jaar alles gedaan wat de nieuwe leer me voorschreef, en toch ben ik nog geen stap verder gekomen, ik merk nog altijd niets van een bijzondere verlichting in mezelf, en van het zogenaamde eeuwige leven bespeur ik ook nog bitter weinig in mezelf! Wat mankeert er dan nog aan?' En daarom zeg Ik tegen jullie: Ga zorgvuldig bij jezelf na, of er niet nog sterke, wereldse, baatzuchtige gedachten jullie hart besluipen, of jullie hart, en daarom ook jullie ziel, niet af en toe bevangen is door hoogmoed, door een zekere te overdreven zuinigheid -een jongste zus van gierigheid -, eerzucht, neiging tot oordelen,  graag gelijk willen hebben, neiging tot lichamelijke wellust, en door meer van dergelijke zaken! Zolang dit nog bij de een of de ander het geval is, zal hij de belofte, dat wil zeggen  het volledig in vervulling gaan ervan, aan zichzelf nog niet meemaken. [GJE5-125:1,2]

 

De belangrijkheid van het zelfonderzoek wordt vaak onderschat; men meent het goede te kunnen zonder voordien het negatieve opgelost te hebben. Het goede der liefde kan eigenlijk alleen de Heer in onze ziel bewerken. Van de mens wordt alleen maar verwacht om het kwade niet meer te praktiseren. De tien geboden betekent voornamelijk, dat je niet moet. De mens kan niets van zichzelf iets goeds doen, maar alleen uit de Heer. Het is ook veel meer nodig om de plek van het levensvuil preciezer te lokaliseren, dan de plek van de reinheid zelf.

 

Alles kan Ik voor de mensen doen, maar hij blijft zoals hij is; maar het hart is zijn eigen, dat hij volkomen zelf moet bewerken, wanneer hij zichzelf het eeuwige leven wil bereiden. Want zou Ik eerst de vijl aan het mensenhart leggen, dan zou de mens een machine worden en nooit tot een vrije zelfstandigheid komen; wanneer echter de mens de leer ontvangt wat hij te doen heeft, om zijn hart voor God te vormen, dan moet hij dit ook met een vrij hart volgen, eerst dan trek Ik in de geest in ditzelfde…


De mens is het eigenlijke doel van de schepping, een engelhemel uit het menselijke geslacht. Voor Jakob Lorber is alle materie substantie van de ziel. Want zij klimt geleidelijk op door  het mineralenrijk, het planten, - en dierenrijk. De ziel van mineralen en dieren wordt steeds complexer, waaruit tenslotte een natuurziel ontstaat en uiteindelijk een mensenziel. Dit proces kan miljoenen jaren duren!...[zie ook GJE6-133:3]

 

Mijn scheppingen hebben nooit en te nimmer op de een of andere wijze een einde. De wijste en de mooiste scheppingen zijn met liefde vervult en de zachtste en de heerlijkste [BM51-67]. De mens is niet slechts het einde van de natuur, maar ook het begin van de geest!’

 

Zelfontwikkeling met tegenstellingen

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer]:

 

Kijk, in een wereld waar een mens zichzelf moet vormen tot een waar kind van God moet hem ook alle mogelijke goede en kwade gelegenheden ten dienste staan om de leer van God volledig uit te kunnen proberen! Het moet warm en koud zijn, opdat de rijke gelegenheid krijgt zijn arme en naakte broeder van kleren te voorzien.

 

Zo ook moeten er armen zijn, opdat de rijken zich in de barmhartigheid en de armen zich in de dankbaarheid kunnen oefenen. Evenzo moeten er sterken en zwakken zijn, om de sterken gelegenheid te geven de zwakken te ondersteunen en om de zwakken in de deemoed van hun harten te laten erkennen dat zij zwak zijn. Zo moeten er in zeker opzicht ook domme en wijze mensen zijn, omdat het licht van de wijzen anders voor niets zou zijn!

 

Als er geen slechten waren, waaraan zou de goede dan zich kunnen afmeten of, en in hoeverre hij werkelijk goed was?! Kortom in dit instituut voor zelfontwikkeling van mensen tot vrije kinderen van God moeten er zich zoveel mogelijk voor ‑ en tegen situaties voordoen waardoor de kinderen zich grondig in alles kunnen oefenen en ontwikkelen, omdat ze anders onmogelijk ware, almachtige kinderen van de allerhoog­ste zouden kunnen worden!

 

Neem maar van ons aan: Zolang een mens niet bij alle mogelijke zaken en omstandigheden met geheel eigen macht de satan van het gevechtsterrein verdrijven kan, is hij nog geen volledig kind van God! Maar hoe zou hij ooit de overwinnaar van deze vijand kunnen worden, als men hem alle gelegenheid zou ontnemen om ook maar met een haar van de vijand in aanraking te komen?

 

Ja, het ware rijk van God kost veel strijd terwille van de algehele vrijheid van het eeuwige leven, en daarom moeten jullie tussen hemel en hel gelegenheid krijgen om te vechten!" [bron: GJE2-59 en 75]

 

Zelfontwikkeling [slot]

 

[De Heer – via de schrijfknecht Jakob Lorber – in 1840]: ‘Kijk, in een wereld waar een mens zich zelf moet vormen tot een waar kind van God, moet hem ook alle mogelijke goede en kwade gelegenheden ten dienste staan om de leer van God volledig uit te kunnen proberen! Het moet warm en koud zijn, opdat de rijke gelegenheid krijgt zijn arme en naakte broeder van kleren te voorzien, Zo ook moeten er armen zijn, opdat de rijken zich in de barmhartigheid en de armen zich in de dankbaarheid kunnen oefenen. Evenzo moeten er sterken en zwakken zijn, om de sterken gelegenheid te geven de zwakken te ondersteunen en om de zwakken in de deemoed van hun harten te laten erkennen dat zij zwak zijn. Zo moeten er in zeker opzicht ook domme en wijze mensen zijn, omdat het licht van de wijzen anders voor niets zou zijn!

 

Als er geen slechten waren, waaraan zou de goede dan zich kunnen afmeten of, en in hoeverre hij werkelijk goed was?! Kortom in dit instituut voor zelfontwikkeling van mensen tot vrije kinderen van God moeten er zich zoveel mogelijk voor ‑ en tegen situaties voordoen waardoor de kinderen zich grondig in alles kunnen oefenen en ontwikkelen, omdat ze anders onmogelijk ware, almachtige kinderen van de allerhoog­ste zouden kunnen worden! Neem maar van Mij aan: Zolang een mens bij alle mogelijke zaken en omstandigheden met geheel eigen macht de satan van het gevechtsterrein niet verdrijven kan, is hij nog geen volledig kind van God! Maar hoe zou hij ooit de overwinnaar van deze vijand kunnen worden, als men hem alle gelegenheid zou ontnemen om ook maar met een haar van de vijand in aanraking te komen? Ja, het ware rijk van God kost veel strijd terwille van de algehele vrijheid van het eeuwige leven, en daarom moeten jullie tussen hemel en hel gelegenheid krijgen om te vechten!"

 

Judas zegt naar aanleiding van het zojuist gesprokene van de Heer tegen Hem: 'Ik wil een beter mens worden en toch kan ik het niet omdat ik mijn hart niet kan veranderen. Vormt U daarom mijn hart om en dan ben ik een ander mens!" IK zeg: "Daarin ligt nu juist het grote geheim van de zelfontwikkeling van de mens! Alles kan Ik voor de mens doen en daarbij blijft hij mens; maar zijn hart is van hemzelf, dat moet hij geheel en al zelf bewerken als hij voor zichzelf toegang wil krijgen tot het eeuwige leven. Want als Ik Zelf eerst het hart van de mens zou bijschaven, dan zou de mens een machine en nooit vrij en zelfstandig worden; maar als de mens geleerd wordt wat hij moet doen om zijn hart voor God te vormen, dan moet hij dat ook ongedwongen ten uitvoer brengen en zijn hart vormen volgens de leer! Pas als hij zijn hart zo gevormd, gereinigd en gezuiverd heeft, kom Ik geestelijk daarin en ga er wonen, en de gehele mens is dan geestelijk opnieuw geboren en kan daarna eeuwig niet meer verloren gaan. Want daardoor is hij één met Mij geworden, zoals Ik één ben met de Vader, van wie Ik ben uitgegaan en in deze wereld ben gekomen om alle mensenkinderen de weg te wijzen en te banen, die zij geestelijk moeten gaan om bij God in de volheid der waarheid te komen!

 

Daarom moet jij, net als ieder van jullie, eerst beginnen met de bewerking van je hart, anders ben je verloren, ‑ook al zou IK je duizendmaal uit het graf in het vleselijke leven hebben geroepen!"JUDAS Iskariot zegt: "Heer, dan ben ik verloren! Want ik heb een ontembaar hart en kan mij zelf niet helpen!" IK zeg: "Luister dan naar de broeders en wees niet boos op hen als zij je met liefde vriendelijk vermanen, want zij helpen je om je hart te bewerken! Kijk naar Thomas, die zich door al jouw grofheid niet laat afschrikken om je te vermanen, als je je kwade hart te veel de vrije teugel begint te geven. Luister daarom naar zijn door bezorgdheid voor jou ingegeven vermaningen, dan zal het stukje bij beetje in je hart wel beter worden! Als je echter doorgaat, zoals tot op heden, met je door niemand iets te laten zeggen, dan zul je binnenkort te gronde gaan en, zoals gezegd, ten prooi vallen aan de satan, want dan zal niet Ik, maar de satan in je hart gaan wonen. bron: GJE2-75 bron: GJE2-59

 

www.zelfbeschouwing.info  - bron: Jakob Lorber Bulletin Internationaal, oktober 2016 – maandelijks gratis tijdschrift voor de bewuste mens