Wie was en is Jezus?

 

                       by Gerd Kujoth

 

In het Jakob Lorber International Bulletin (JLIB) nr. 21 van augustus 2017 heeft Gerard een aflevering van Marianne Gries-Ruffing (MGR) gepubliceerd, waarin ze niet helemaal akkoord gaat met datgene, wat ik in het JLIB nr. 18, 19 en 20 beschreef. Het betreft de vraag, of Jezus een door God niet afgevallen Engel was oftewel de wijsheid en daarmee de ingeboren Zoon van God. Evenzo gaat het om de vraag, of het binnenste van het Godscentrum, de Genadezon, nu wel of geen menselijke vorm heeft.

               

Antwoord: Ja, daarom gaat het, en om deze vraag te beantwoorden heb ik mij in dit artikel verdiept. Het gaat om de vraag, of Jezus bij de val der geesten een God getrouw gebleven Engel of een Lichtwezen was of dat Jezus de Wijsheid of de enige geboren Zoon van God was, wat Hij ook werkelijk is.

 

 Ja, dat spreekt op zijn minst en volgens de letter elkaar natuurlijk tegen, maar of dit ook volgens de geest of de gedachte elkaar weerspreekt, daarom heb ik getracht het een en ander te verklaren. Omdat ik klaarblijkelijk dat nu te weinig heb uiteengezet, omdat MGR stellig tegen mijn mening is, wil ik daarom nu proberen, hier duidelijker te zijn (rode schrift = citaten van MGR].

 

MGR schreef: „Uiteindelijk gaat het om de vraag van alle vragen: „Wie is Jezus Christus?“ Antwoord: Ja, daarom gaat het, en op het beantwoorden van deze vraag heb ik mij in deze bijdrage geconcentreerd, want de vraag, wie Jezus was, is belangrijk, want HIJ heeft toch Zelf gezegd: Dit nu is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus, die Gij gezonden hebt.’’ (Joh. 17,3)

 

MGR schreef: „Als de Dudde-thesis van toepassing zou zijn: ‚Er bestaat geen menselijk gevormd Godcentrum‘, dan moesten vele delen van de Lorberwerken als foutief aangemerkt en afgezonderd worden, en weliswaar uitgerekend de centrale plaatsen over het Wezen van God. Ook alle plaatsen, waar God in de IK-vorm spreekt, ten minste voor de tijd voor Jezus. „IK“ was en is blijft een persoonsvoornaamwoord. Er staat voor (pro) een persoon (Nomen), niet als een vormloos Wezen!!! De zogenaamde vorm – en naamloze Vader kan niet „IK“ zeggen. Hij doet dat echter in het Lorberwerk voortdurend, en weliswaar vanaf het begin. Waarom? Omdat Hij niet vormloos is en een Menselijke gedaante heeft.’’

  

Als bewijs voert zij GJE6-88:3 aan, waarin Jezus zegt: ‘in Zichzelf en vanuit Zichzelf is God echter een mens zoals Ik en ook jij en die woont in een ontoegankelijk licht, dat in de wereld der geesten de Genadezon wordt genoemd. De Genadezon echter is niet God, maar ze is slechts de uitwerking van Zijn liefde en wijsheid.’

 

Noch delen van de JL-Openbaring noch delen van de BD-Openbaring moeten als vervalsing aangeduid worden. Natuurlijk is God een Mens met vlees en bloed destijds zoals Jezus. Hij was ook sinds eeuwigheid een Mens, een oermens. Maar, wanneer wij ‘Mens’ zeggen, dan stellen wij ons steeds de vorm van een mens voor. Hier

MGR en vele anderen kunnen zich echter niet voorstellen, wat zij boven beschreef, dat een vorm- en een Vader zonder naam ‘Ik’ kon zeggen. [Roep ik tot ‘naamloos’ hierbij ten onrechte Lorber als getuige op? De plaats van GJE3-226:11-12 heb ik alleen maar als bewijs geciteerd, dat de Vader geen naam heeft, maar niet vanwege het vormloze. Hij heeft Zich echter een naam gegeven vanwege de mensen). Hier ligt nu juist het probleem van het onbegrip over het Wezen van God, dat Hij een Ik-bewust, denkend en voelend wezen is zonder menselijke vorm. Daarom heeft God ook van eeuwigheid voorzien Zich een vorm te geven en Mens te worden, zodat Hij voor Zijn kinderen een begrijpelijke Vader kan zijn.

 

Maar opgepast, ik spreek hier over Vader, de eeuwige Liefde, het Godscentrum, die de eigenlijke God is. Het woord God wordt vaak met verschillende inhoud toegepast, zo ook voor de kracht van God, die de oneindigheid van de ruimtes vervult. Die Hij gezonden heeft, de Zoon, de Wijsheid of het Licht, dat vorm heeft. Het Licht is de vorm, sinds dat uit het Godscentrum naar buiten trad vóór alle Scheppingen. [Hemelse Geschenken, deel 1, hfdst. 5:2-7] Zelfs alle Materie met haar vele vormen is uit licht opgebouwd.

 

Raphael zegt: "O ja; want mijn geestelijke lichaam (de ziel van Raphael) is gelijk aan de goddelijke wijsheid, en mijn leven is de eeuwige liefde van God de Heer… Zie, wat God de Heer Zelf eeuwig was, is en eeuwig zal blijven, dat moeten wij toch ook zijn, omdat wij geheel uit Hem en zodoende ook volledig in alles Zijn wezen zijn.’ (GJE2-218:5-6)

Het geestelijk lichaam of de ziel is gelijk aan de wijsheid of het licht van de Zoon. Het leven van de ziel is de geest en die is gelijk aan de liefde of de vuurvlam, of aan de Vader.

 

Raphael zegt: "O ja; want mijn geestelijke lichaam (de ziel van Raphael) is gelijk aan de goddelijke wijsheid, en mijn leven is de eeuwige liefde van God de Heer… Zie, wat God de Heer Zelf eeuwig was, is en eeuwig zal blijven, dat moeten wij toch ook zijn, omdat wij geheel uit Hem en zodoende ook volledig in alles Zijn wezen zijn.’ (GJE2-218:5-6)

Het geestelijk lichaam of de ziel is gelijk aan de wijsheid of het licht van de Zoon. Het leven van de ziel is de geest en die is gelijk aan de liefde of de vuurvlam, of aan de Vader.

 

In Aarde en Maan betekent het: „De geest is in zich wel geen vorm, maar hij is het wezen dat de vormen schept en pas als de vormen geschapen zijn kan hij in die geschapen vormen zelf als vorm werkzaam optreden. “ (Maan en Aarde, hfdst. 52:9)

Zoals dat bij de mensen en engelen is, zo is dat ook bij God, want wij zijn geschapen naar Zijn gelijkenis. De geest van de eeuwige liefde of de Vader heeft geen vorm, maar hij schept de vorm. Sinds het aardse leven van Jezus heeft God Zich ook een vorm gegeven. Het geestelijk lichaam of de vorm is gelijk aan de goddelijke Wijsheid of het Licht.

En „het Licht trad als wezenlijke bespiegeling uit God en was zomede niet alleen in, maar ook bij God en omstroomde in zekere zin het oergoddelijke Zijn, waardoor al de grondoorzaak tot een enige menswording van God lijkt gelegd.“ (GJE-1:6)

Raphael zegt: God Zelf echter is de eeuwige Oergeest en de eeuwige Oermens in Zijn centrum en vult de eeuwig uit Hem voortkomende oneindigheid met Zijn verheven gedachten en ideeën deze worden vervuld van Zijn liefde tot een aan Hem gelijk levensvuur, en door Zijn wijsheid tot geordende vormen en worden door Zijn wil tot van elkaar afgescheiden en op zichzelf bestaande wezens.’ (GJE7, hfdst. 72:9

Ja, God is de eeuwige Oermens. De eeuwige Liefde was niet de vorm, maar zij was de Wijsheid. Deze vorm komt overeen met Gods eigenschappen, waarom Hij de eeuwige Oermens is. Hier slechts een paar voorbeelden: Het hart komt overeen met de liefde, de longen met de wijsheid, het traject van de maag en darmen met de wil. De beide armen spiegelen de werkzaamheid van de liefde tot God en de naaste. De beide handen met de tien vingers het handelen naar de tien geboden, enz. De eigenschappen bepalen de mens. Deze eigenschappen is de eeuwige Oermens, dat onpersoonlijke, denkende en voelende Wezen, dat door ons niet begrepen kan worden, omdat het geen vorm had, waarom de Joden zich ook geen beeld van God mochten maken.

Jezus bevestigt, dat het Godscentrum geen menselijke vorm heeft en zegt tegen Robert Blum: Alleen hier in de allerhoogste hemel ben Ik buiten de zon, hoewel ook in de zon. Buiten deze zon ben Ik zoals jullie allen Mij nu in jullie midden zien, maar in de zon ben Ik puur geestelijk in de kracht van Mijn wil, van Mijn liefde en wijsheid. Ikzelf ben in de grond van de zaak deze zon, maar toch is er verschil tussen Mij en haar. Ik ben de basis en deze zon is als een uitstraling van Mijn geest.’ (Hemel en Hel, deel 2, hfdst. 283:13)

                                   Afbeeldingsresultaat voor foto goddelijk centrum

 

Jezus zegt hier tot Robert Blum, dat Hij in de Zon en buiten de Zon is. In de Zon is Hij puur geestelijk [dus vormloos] in de kracht van Zijn wil (dat komt overeen met de uitspraak door BD], DAAR BUITEN ECHTER IS Hij: „zoals jullie allen Mij nu onder elkaar zien, dus in de menselijke vorm van Jezus’. Daarbij is Hij echter innerlijk en uiterlijk dezelfde Ik, of met of zonder vorm. Deze ‚Ik‘ is de basis, maar niet de vorm.

 

 Dit „Ik“ is de Vader, de Liefde of het Liefdesvuur, en dat is de basis van de Zon. Binnen in de Zon is de Vader als de Liefde puur geestelijk. Deze Geest is als Zijn ‚Ik’ de basis van de Zon en straalt naar buiten toe. Alleen de uitstraling van de Zon kan worden gezien en maakt verschil uit tussen het Ik van de Vader en de zichtbare Zon. 

 

Robert is geheel vol berouw, als hij in de oneindigheid naar buiten kijkt en ten diepste geroerd zegt: 'Heer en Vader, ik zie licht en nog eens licht zover mijn oog reikt!' - Ik zeg: 'Dat alles is Mijn geest, Mijn macht, Mijn liefde! [Hemel en Hel, deel 2, hfdst. 303:6]

Ieder punt van de oneindigheid wordt met de stralen uit de genadezon doorstraalt, en aan elk punt is Zijn Geest, Zijn Macht, Zijn Liefde en dus Zijn vol Ik-bewustzijn aanwezig, zodat Hij naar believen, wanneer Hij het wil, in de vorm van Jezus verschijnen kan. [Geestelijke Zon1, hfdst. 60:1-20] 

 

Sinds de dood van Jezus is er geen verschil meer tussen de Vader in Jezus en de basis van de Genadezon, en buiten dat van de Vader is buiten de Genadezon in de vorm van Jezus voor Zijn kinderen zichtbaar; in de genadezon is echter alleen het geestelijke en zonder menselijke vorm zichtbaar. (GEJ4-163:6).

 

Voor het leven van Jezus op Aarde was de vorm nog niet vervuld met de eeuwige liefde, maar slechts gedeeltelijk; [Geestelijke Zon, deel 2, hfdt.13:6] want beiden waren nog niet een. De geest van de Vader in het Godscentrum kan verder niet door Zijn kinderen gezien worden, want de uitstraling van de Genadezon bedekt voor de ogen van Zijn kinderen voor eeuwig de vlammende zee van Zijn liefde. Alleen de uitstraling van het licht der genadezon of de wijsheid is zichtbaar voor ons. Maar in de vorm van Jezus is voor ons sinds Jezus’ leven het licht getemperd, zodat wij in deze vorm Jezus nu ook met de eeuwige liefde of die van de Vader van aangezicht tot aangezicht kunnen spreken.

 

MGR schrijft: „Bovendien wordt de door Budde over deze gepostuleerde verbinding tussen een vormloze oneindige Wezen [God] en een eindelijk Mens (Jezus) in het Lorberwerk precies door Jezus zelf als onmogelijk aangeduid. De Heer in de herberg op de Olijfberg: “Hoe kan er echter een volledige, goddelijke verwantschap of een wezenlijke eenheid bestaan tussen een geest zónder lichaam en vorm, en een geest mét lichaam en vorm? Kan van de Zoon, die een lijfelijk persoon is en, zoals jullie zien, een lichaam heeft gezegd worden dat Hij in de Vader is, wanneer de Vader geen lichaam, geen gestalte en geen vorm heeft? [zoals het oercentrum, het krachtveld bij Dudde] Of kan de lichaams -, gestalte­ en vormloze oneindige Vader in de Zoon zijn? [GJE8-26:13]  

           

 

De Vader is de eeuwige liefde in het binnenste van de Genadezon. Met de vraag van Jezus: „Of kan het lichaam, de gestalteloze en vormloze oneindige Vader in de Zoon zijn?“ bevestigt Jezus daarmee, dat de Vader zonder lichaam is, gestalteloos en vormloos.

De Zoon is de wijsheid of het licht, dat uit het vuur van de liefde uitstraalt. De Zoon heeft menselijke vorm en wordt tot een lijfelijke persoon, want het Woord is vlees geworden. Jezus was niet de al-enige God [Jeugd van Jezus 299:4]. De volheid van de Godheid, de Vader of de eeuwige Liefde verankerde Zich in het hart van de Zoon, zoals de geest in een ieder mens is verankerd. [Jeugd van Jezus 299:5]. Zoals elk mens zijn geest moet vrijmaken, zo moest ook de Mens Jezus het Wezen van God, de Vader, in zich vrijmaken. [JJ-299:6,7] Zoals de geest in de mens met de vrijmaking de menselijke vorm aanneemt [Maan en Aarde 52:9], doordat de geest de ziel geheel bezet, zo nam ook de Geest van God, de Vader of de eeuwige Liefde, de menselijke vorm aan, als de Zoon of de Wijsheid, die de Geest van God in zich vrijmaakte en met Hem één werd.

 

Afbeeldingsresultaat voor foto  god

 

Nu stelt Jezus de vraag, zonder deze te beantwoorden: „Kan van de Zoon, die een lijfelijk persoon is en, zoals jullie zien, een lichaam heeft, gezegd worden, dat Hij in de Vader is, wanneer de Vader geen lichaam, geen gestalte en geen vorm heeft? [GJE8-26:13]   

Het antwoord luidt: „Nee, dat is niet mogelijk, want de Zoon, de Wijsheid, kon alleen maar in de Vader zijn, de eeuwige Liefde, als hij de Vader in zich bevrijd en de Vader hem, de Zoon, geheel vervuld en daarmee de gestalte van de Zoon had aangenomen.’’

Daarmee kon „een volkomen goddelijke verwantschap of een wezenlijke eenheid“ tussen de Zoon, die een lichaam en een vorm had met de Vader slechts tot stand komen, als ook de Vader de gestalte en vorm van de Zoon had aangenomen en ze één werden bij de doop in de Jordaan. 

De Vader verscheen aan Zijn kinderen al voor het aardse leven van Jezus, maar de Geest van God, de liefde van Vader, vervulde alleen maar gedeeltelijk en tijdelijk in de menselijke vorm, waarin Hij Zich aan hen liet zien. (Geestelijke Zon, deel 2, hfdst. 3:6), want beiden waren nog niet een. 

Deze vorm, waarin de hemelse Vader onder de naam Asmahael, hoge Abedam en Melchizedek verscheen, was geen Engelgeest, maar zij verscheen aan de mens als een Engelgeest, omdat zij zich niets anders konden voorstellen. God Zich bediende van een Engelgeest, om aan de mensen te kunnen verschijnen, werd alleen als een overdrachtelijke uitbeelding voor een beter begrip voor de mensen verteld (GJE, deel 8, hfdst. 57:14), omdat men zich destijds van God geen voorstelling mochten maken.  In werkelijkheid was die vorm, in welke de Vader voor Jezus verscheen, dat als Wezen gevormde Licht de wijsheid van God en was daarom een Lichtwezen, dat voor alle scheppingen uit het Gods Centrum naar voren kwam.

Weliswaar zijn Vader en Zoon, het vuur en het licht sinds eeuwigheid één geweest, maar in de vorm van de Zoon in het Lichtwezen moesten zij eerst weer één worden, wat God in het aardse leven via Jezus eerst heeft gerealiseerd.

 

De hemelse Vader sprak tot Jared: „Geloof het Mij: niemand zal mij in een andere vorm zien dan in die, in welke jullie Mij nu allen zien in de Geest!“ (Hemelse Geschenken, deel 2, hfdst.138:27)

Dat betekent, dat de vorm, het Lichtwezen (overdrachtelijk als Engelwezen), bij elk zichtbaar worden van God steeds dezelfde was, zoals zij ook vlees [lichaam] werd in de vorm van Jezus. Was de vorm ten tijde van Henoch geen engelgeest, dan was ze het ook niet in Jezus. Was de vorm in Jezus echter het Lichtwezen van de wijsheid van God, de Zoon van God, dan was ze dat ook ten tijde van Henoch.

MGR schrijft: „De auteur vergeet hier het beslissende woord: ‚voor‘. Het is toch een elementair verschil, of God voor Zijn belichaming Zich bediende van een engel en als Jezus zich door een engel bediende, of dat Jezus Zelf een geschapen engel was…‘

 

Antwoord: Ik ben geenszins het woord ‚voor‘ vergeten. Als men de tekst precies leest, zoals zojuist verklaard, komt men er vanzelf op, dat er noch voor Jezus noch door Jezus, een engel van God gebruikt werd, om zich aan de mensen zichtbaar te maken en dat beiden – voor en na Jezus – maar een beeldspraak is, vanwege het gebrekkige geestelijke begrip van de mensen.

Reeds Lucifer, toen hij al diep gevallen, is de Liefde van God verschenen in dezelfde vorm, als Lichtwezen, om hem mogelijkerwijs in het vallen op te vangen. Reeds aan het begin van zijn val verscheen aan hem de Liefde van God, echter zonder menselijke vorm.

 Adam sprak in de herinnering als Lucifer, toen in Adam teruggebleven zielendeeltjes van Lucifer hem de volgende herinnering gaven: „Toen ik nog een vorst van al het licht was, werd mij een mat vlammetje getoond. Dit zou ik hebben moeten aanbidden; want het zou de eeuwige liefde van God zijn. In mijn stralende luister kon ik dat niet geloven en beschouwde mij ver verheven boven dat matte vlammetje. En zie, toen werd ik vanuit mijn lichtende verhevenheid door boosheid gegrepen. Ik ontvlamde nog heviger en wilde met mijn licht het vlammetje geheel en al vernietigen; maar toen omvatte de goddelijke toorn mij en ik werd hierheen geslingerd in deze eeuwig duistere leegte, die ik pas na eeuwigheden bereikt heb’ [Huishouding van God, deel 1, hfdst. 40: 10]

 

Hier wordt ons de eeuwige Liefde of de Vader niet in menselijke vorm beschreven, maar als vlammetje, zoals ook de inhoud of de basis van het centrum van God of de Genadezon, waaruit deze vuurzee van Liefde bestaat.

 

Toen in Lucifer na eeuwigheden van het vallen gedachten van berouw opstegen, ontwaarde hij opeens een wezen, dat op hem leek vanuit eeuwige de hoogten, dat hem achterna zweefde en tot hem sprak: „Lucifer, jij arme, gevallen geest, ken jij Mij?“

Lucifer antwoordde: „Hoe zou ik jou kunnen herkennen in dit duistere niets, zonder schepselen?!“ (1.Huishouding van God, deel 1, hfdst. 40:5,6)

Toen zag hij opeens het vlammetje boven het hoofd van dit wezen zweven, en het wezen sprak hem weer aan: „Lucifer, herken je Mij nu?“ – En hij antwoordde: „Ja, Heer, ik herken U; U bent Gods Liefde!“ (Huishouding van God, deel 1, hfdst. 40:11)

Toen het Wezen, dat Lucifer nazweefde, een engelgeest was geweest, dan had Lucifer hem gekend. Dit vlammetje van de Liefde van God liet zich ook boven het hoofd van Jezus neer, toen Jezus door Johannes in de Jordaan werd gedoopt. We zien hier dezelfde vorm, datzelfde Wezen, dezelfde Wijsheid en dezelfde Liefde van God, zoals Lucifer ze reeds zag en hoe ze voor eeuwig ook in de menselijke vorm van Jezus een werden.

 

 MGR schrijft: L. Engel citeert al bij het begin van het 11e deel van Jezus: „Ik echter, als Mens Jezus en toch God van eeuwigheid“. [GJE11-16:3] Jezus tot Lucifer: „ Ik [Jezus] sloeg je [Lucifer] in boeien, en zie, dezelfde Kracht staat hier voor jou in Persoon en zeg je: Ik ben de tot nu toe niet zichtbare God! Herken Je me nu?“ [10]

En in vers 15: „Uit liefde tot de schepsels van Mijn [!] Hemel en Aarde  kwam Ik weer en zal uit Liefde tot hen het werk voleindigen, ondanks jouw [Lucifer] hardnekkigheid!“  

 

Deze kleine voorbeelden laten zien, wat L.Engel werkelijk meende, toen hij zei: God was, alvorens de verstoffelijking in het lichaam in de persoon Jezus gebeurde, onpersoonlijk.

De stelling van L. Engel: Jezus is God van eeuwigheid, nu zichtbaar, omdat met materie omhult. Daarom kon Engel ook, zonder zich tegen te spreken, vervolgen: „Toen de Mens Jezus nu de personificatie van God werd “ [steeds nog zie GJE11-75:9].

De opmerkzame lezer weet, wat Hij daarmee zeggen wilde: Ik echter, ben tot nu toe voor de materiemensen slechts als Licht waarneembaar, omdat Ik niet in de materie ben omkleed [‘onpersoonlijk’], maar nu een zichtbaar Mens [Jezus] ben en toch God vanaf de eeuwigheid.’

             

Vóór Jezus was God niet gepersonificeerd en zodoende onpersoonlijk. Hij was en is in het Godscentrum geen menselijk gevormde persoon, maar dan wel nog een Mens, een Wezen met Ik-bewustzijn, dat denkt, voelt en alle menselijke eigenschappen, maar geen menselijke vorm bezit.

            Jezus sprak tot Lucifer: „ Ik [Jezus] sloeg je [Lucifer] in boeien, en zie, dezelfde Kracht staat hier voor jou in Persoon en zeg je: Ik ben de tot nu toe niet zichtbare God! Herken Je me nu?“ [GJE11-16:10]

 

 Hier zegt de Vader als Jezus, dat Hij Kracht was toen Lucifer viel, nu echter, in en als Jezus als Persoon.

Als Jezus zei: „Ik echter, als Mens Jezus en toch God van eeuwigheid“. [GEJ11-16:3] zo sprak de hemelse Vader uit Jezus. Het is zeker elke lezer van het Grote Johannes Evangelie opgevallen, dat Jezus eenmaal als de Mens Jezus, als de geïncarneerde Wijsheid van God, van de Zoon of het vleesgeworden Woord sprak, en de andere keer als God van eeuwigheid, als de hemelse Vader of de eeuwige Liefde.

 

MGR schrijft: „Ik kan toch maar over een persoon schrijven en het midden daarvan is identiek met het centrum. God spreekt hier van Zijn oneindige grenzeloze buitenwezen, dat echter een centrum [binnenwezen] heeft. In het Centrum van de oneindige Godheid staat een Ik. Bovendien heeft een vormloos = onbegrensd Centrum een tegenspraak in zich. Iets onbegrensd wat eindeloos is kan niet gelijktijdig een centrum zijn! Waarvan?

 

Nee, iets als onbegrensd eindeloos kan niet gelijktijdig een centrum zijn. Dat heb ik ook nooit beweerd.

MGR citeert Schlätz: „Maar de echte Jezus alleen is het ongeschapen, eindig, mensgevormd wezenlijke, persoonlijk CENTRUM VAN GOD, waarvan eerst alle oneindige Godheid uitvloeit.“

Nergens in de JL-Openbaring betekent het, dat het Goddelijke Centrum menselijk is gevormd. In het tegenovergestelde zegt Jezus, dat Hij in de genadezon puur geestelijk is. (2.RB 283,13)

 

MGR schrijft: „Hetzelfde in deel 1 van de Geestelijke Zon, hfdst.60:1-20. Volgens Kujoth kon de „eeuwige Liefde en Wijsheid“ [het vormeloze Centrum van God, der Vader] „alleen in de stralen uit de Genadezon van haar kinderen persoonlijk verschijnen.“ [nr.19, bladzijde14] Klopt dat?

„Jezus is de Vader, Hij is het Centrum, Hij heeft een Mensenvorm!“ De Apostel Johannes tot zijn begeleiders:

„Maar in de naam van Jezus duiden jullie het volkomen, machtige, wezenlijke Centrum van God aan – Jezus is het waarachtige, het meest eigenlijke Wezen van God als Mens, waaruit eerst alle Godheid te voorschijn komt, die de Oneindigheid vervult, als de Geest van Zijn oneindige Macht en Kracht als stralen vanuit de Zon. – Jezus is bijgevolg het toonbeeld van de gehele volheid van de Godheid.“ [Geestelijke Zon, deel 2, hfdst.13:3,2]

            Dat Jezus de Vader, het Centrum van de Genadezon en Mens is, bewijst niet, dat het Centrum van de Genadezon een mensengestalte heeft. Zoals reeds voorgelegd, heeft Jezus buiten de Genadezon om een Menselijke vorm, maar innerlijk is Hij puur geestelijk als Kracht, Wijsheid en Liefde. (Hemel en Hel 2-283:13)

 

Eudokia vertelde een droom: ‘Vannacht heb ik in een droom aan de hemel een zon ge­zien die leeg was, en maar weinig licht gaf. Maar vervolgens zag ik op Aarde dit Kindje, stralend als dui­zend zonnen! Van Hem uit ging er een krachtige straal in de richting van die lege zon, die daardoor vol­ledig doorlicht werd!’ [Jeugd van Jezus 160:21-22]

 

Eudokia ziet de Genadezon leeg, maar in werkelijkheid was de Genadezon niet leeg, want haar droom is een beeldspraak, lijkend op de sprookjes, waar volwassenen kleine kinderen vertellingen doen. De sprookjes komen niet met de werkelijkheid overeen, want een wolf kan bijv. op menselijke wijze niet spreken; met deze beeldspraak wil het de kinderen waarheden bemiddelen, die de sprookjes ten grondslag liggen. Zo moet Eudokia, die geestelijk nog een klein kind was, met haar droom duidelijk gemaakt worden, dat in het Kind Jezus de volheid van de Godheid woont. Daarom is de Genadezon echter in werkelijkheid niet leeg geweest, omdat anders alle scheppingen te gronde waren gegaan.

 

Zo is ook de voorstelling, dat de Vader in de Genadezon in menselijke gestalte aanwezig is, een voorstelling, geestelijk gezien door kleine kinderen. Deze zijn evenzo in de war, als iemand hen zegt, dat de Vader in het Godscentrum vormloos is, zoals een klein kind daarvan geschokt raakt, als een volwassene tegen het kind zegt, dat het sprookjesverhaal niet waar is.

Wat moet de Vadervorm ook in de Genadezon doen? Volhard ze onbeweeglijk in het midden van de Genadezon, of zit ze daar op een troon, of zweeft ze onophoudelijk in de Genadezon rond? Dat zijn allemaal absurde voorstellingen, waaraan men zien kan, dat de Vader in de Genadezon alleen zonder vorm en lichaam als Liefde kan aanwezig kan.

 

Bronlijst

 

GJE         Het grote Johannes Evangelie, Jakob Lorber

HG           De Huishouding van God, Jakob Lorber

JJ             De Jeugd van Jezus, Jakob Lorber

GZ           De geestelijke Zon, Jakob Lorber

HH           Hemel en Hel (Robert Blum), Jakob Lorber

MA           Maan en Aarde, Jakob Lorber

 

UpToDate 2024-2025