DE WEDERKOMST VAN CHRISTUS

 

Een ontwikkelingsbeeld der mensheid

 

Bloemlezing uit de werken van

 

Jakob Lorber

 

Uitgeverij De Ster - Breda

Ginnekenweg 124,4818 JK Breda, Tel.: 076 - 226700.

 


 

Oorspronkelijke titel: 'De Wiederkunft Christi, Ein Entwicklungsbild der Menschheit', AuswahI aus den Werken Jakob Lorbers, Lorber- Verlag Bietigheim/Württemberg 1978.

Vertaling: B.A.Finkelnberg.

 

ISBN 90 6556211 7

1 Ilustratie omslag: De maaItijd te Emmaüs, Rembrandt. Copyrights @ 1985 Uitgeverij De Ster - Breda.


 

 

Inhoud

 

Wie was Jakob Lorber?

Voorwoord

1. Het grote Morgenrood - voorafgaande aan de komst des Heren

2. Over de persoonlijke wederkomst van de Heer

3. Een ontwikkelingsbeeld van de mensheid.

4. Verklaringen van teksten uit de Schrift.

5. De Antichrist

6. De huidige geestelijke zondvloed.

7. De krachten der hemelen zullen in beweging komen

8. Het duizendjarige rijk

9. Over het zevenvoudige komen des Heren.

10. Het grote en nieuwe Jeruzalem.

Het getal 666

11. De openbaring van Johannes.

12. Verklaring van de openbaring van Johannes.

 


 

Wie was Jakob Lorber ?

 

(1800 -1864)

 

De uiterlijke gebeurtenissen in het leven van Jakob Lorber, die in Oostenrijk geboren werd en zich als muziekleraar, musicus en componist vestigde in Graz, bleven bescheiden tegenover zijn roeping tot 'schrijfknecht Gods', die hij in zijn veertigste levensjaar door het innerlijke Woord ont­ving en waaraan hij vervolgens tot aan het einde van zijn leven in onwankelbare trouw gehoorzaamde.

Zijn biograaf en vriend gedurende tientallen jaren Karl Ritter von Leitner bericht daarover: 'Het gezicht rustig en luisterend, ononderbroken schrijvend, nooit stokkend, nooit zich bezinnend, gleed zijn pen over het papier'. Zo ontstond in een tijdsverloop van 24 jaren een uniek reuzen­werk, dat heden 25 banden van 500 bladzijden vult, de kleinere geschriften niet meegerekend.

Er is voor deze stille, oneindig bescheiden en deemoedige man Jakob Lorber beslist geen voorbeeld te noemen en geen 'categorie', of we hem nu als mysticus of als ziener dan wel, zoals in zijn tijd het geval was, als een mediamiek genie beschouwen. Zeker is echter dat hij een verbazingwek­kende en onvatbare menselijke geest was, die alle bekende grote ingewijden overtreft.

Als resultaat van deze Goddelijke inspiratie liet Jakob Lor­ber een met niets gelijksoortigs te vergelijken oeuvre na van kosmische grootte en reikwijdte, dat de grondthema's van al het zijnde omvat: het wezen Gods, het wereld-al en de mensen en hun onderlinge betrekkingen. Daarmede ont­ving de mensheid een werkelijk omvattend antwoord op haar duizenden jaren oude vragen naar het vanwaar, het waarheen en het waarom van het leven.

In het centrum van dit grandioze wereldbeeld van het oer­begin der schepping tot aan haar toekomstige voleinding staat het elfbandige 'Grote Evangelie van Johannes', dat, geheel wortelend op de bodem van het christelijke geloofs­goed, ons in de grondige behandeling van het leven en de leer van Jezus een ongehoorde verruiming en vergeestelij­king van de christelijke schat van openbaringen schenkt.

Maar ook voor een zinvol samenwerken van religie en we­tenschap, tot een synthese dus van belevenis van het hart en verstandelijk inzicht ontsluit ons het universele geeste­lijk goed van Jacob Lorber de diepste bronnen. Zijn wer­ken zijn evenzeer tijdloos als actueel.

Wie, al lezende, meer zou willen weten van deze bijzondere profeet Jakob Lorber, kan zich wenden tot de uitgever, of tot de heer en mevrouw J.E.Bos, Burg. de Millylaan 1, 7231 DP Warnsveld (tel.: 05750 - 21803).

 


 

Voorwoord

 

Dit boek kreeg als titel mee 'De Wederkomst van Christus', omdat we niet meer aan het begin van de grote adventstijd staan, in afwachting van de grote ommekeer van de mens­heid naar de Geest, maar we ons al midden in een begin­nende ochtendschemering bevinden, die aan de opkomst van de nieuwe geestelijke zon moet voorafgaan. Daarvan blijven we ons, ondanks het chaotische van onze dagen, waarin alle donkere nevelen sterk komen opzetten, toch steeds bewust.

Hoe scherper de tegenstellingen tussen licht en duisternis zich aftekenen, des te duidelijker voltrekt zich ook de scheiding der geesten binnen de totale mensheid. En des te helderder wijzen alle tekenen des tijds op een zeer na­bije laatste eindstrijd, waarbij de wil tot het goede of tot het kwade op beslissende wijze tegenover elkaar komen te staan. Slechts een groot ontwaken in de mensheid is in staat om de overwinning van de goddelijke Geest over al het demonische en levensvijandige dichterbij te brengen, dat zich - vanwege de vrije wil - nog eenmaal in toenemende mate kan uitleven, om daarbij zijn laatste krachten te laten wegstromen.

De grote profetieën van Jezus, tot stand gekomen door het innerlijke Woord, zoals dat werd ontvangen door Jakob Lorber en eveneens door Gottfried Mayerhofer, vormen de inhoud van dit boek. Zij laten bij de ontvankelijke lezer geen twijfel over de uiteindelijke overwinning van de Geest over de antigeest en ze zijn in staat om slechts die innerlijke rust te schenken die de mens van tegenwoordig van zijn grote wereldangst bevrijdt en hem vol vertrouwen laat zijn met betrekking tot alle komende gebeurtenissen. Ieder we­reldgericht als gevolg van menselijke tegenwerking wordt door de goddelijke liefde in een zegen veranderd.

Niet de ondergang van de wereld, maar een grote zuivering van de mensheid zal en moet voorafgaan aan die 'Weder­komst van Christus in de geesten der mensen', die het woord van de openbaring van Johannes over een 'nieuwe aarde en een nieuwe hemel' zal vervullen. Wie de hier op­nieuw aangeboden profetische woorden over onze eind­tijd vol vertrouwen in het hart opneemt, verkrijgt daarmee toegang tot een geestelijke ark, die hem over alle hoge vloedgolven van toekomstige natuur - en wereldgebeurte­nissen heen tilt naar een nieuwe tijd, waarvan het aange­zicht gekenmerkt zal worden door de geestelijke weder­komst van Christus met al zijn gelukkig makende en wezen­lijke gevolgen. Moge dit geschrift licht en kracht schenken en het besef van de zin van het grote gebeuren, waar wij nu midden in staan.

 

1.

 

Het Grote Morgenrood ­voorafgaande aan de komst des Heren

 

(Ontvangen door Jakob Lorber in 1849)

 

Wie een lamp heeft, plaatse deze niet onder een tafel met een kleed erover, waar zij tevergeefs brandt. Maar ieder die over licht beschikt, plaatse zijn lampje op de tafel en laat het branden en de tafel en de kamer verlichten. Wanneer op deze wijze op de tafel vele lichtjes branden, wordt het zó licht, dat iedere binnenkomende gast daarover verwon­derd zal vragen: 'Hoe komt het dat het zo licht is en hoe goed doet ons deze helderheid, nadat wij door een lange nacht zijn getrokken! Ja, het komt ons voor als morgen­rood'.

Licht verkwikt het leven en is waarlijk opwekkend, zelfs als het op een kunstmatige wijze wordt teweeggebracht, d.w.z. langs de weg van het zuivere verstand en het gelou­terde begrip. Hoezeer is het daarom nodig dat in deze tijd eenieder, die een of ander goed en bruikbaar lampje bezit, dat nu voor de dag haalt. Hij moet het goed reinigen, rijke­lijk van olie voorzien en het dan aangestoken op de tafel van de ware kennis plaatsen, alwaar het allen verlicht die aan deze tafel aanzitten of zich ergens in deze kamer be­vinden.

De loop van deze tijd toont duidelijk aan waaraan het momenteel het meest ontbreekt, namelijk aan licht. Wat heeft het dan voor zin om over de liefde te praten of over het onderhouden van de geboden van God, wanneer zij, voor wie gepredikt wordt, zich in de diepste duisternis be­vinden! Zouden zij de predikers niet in het gezicht zeggen: 'Wat kletsen jullie toch de hele nacht en wat willen jullie me toch dingen laten geloven die jullie nooit gezien en er­varen hebben? Plaats liever een licht op de tafel en geef precies aan wat jullie zien en bemerken. Dan zal ik jullie gemakkelijk kunnen geloven, want het licht van jullie lam­pen zal ook mijn kamertje verlichten! Dus steek eerst zelf een licht aan voordat je preekt, dan zullen ook wij geloven wat je ons nu in de meest volstrekte duisternis wilt laten geloven'.

Daarom moet hier niet alleen tot allen die het betere willen en verlangen naar de leer van het waarachtige leven, maar ook tot alle leraren worden gezegd: Wanneer de lampjes rijkelijk van olie voorzien zijn, moeten ze direct worden aangestoken en op de gastvrije tafel van het juiste in­zicht en de ware kennis worden geplaatst. Want de dag is gekomen waarop de laatste, grote belofte in vervulling zal gaan! Er staat over deze tijd geschreven, hoe zij zijn zal. De voorspelde verschijnselen zijn nu volop aanwezig. Wie kan ze ontkennen?

Wanneer echter de voorspelde verschijnselen ondubbel­zinnig begonnen zijn, wie kan er dan verder nog aan twij­felen dat nu ook binnenkort die grote dag zal aanbreken, die een laatste, en daarom blijvende komst van de Heer zal brengen! Zeiden niet de beide engelen des hemels op de plaats waar Hij opvoer naar Zijn Rijk tot degenen die treu­rend achter bleven: 'Wat staat gij daar bedroefd en staart gij naar de hemel naar Hem, die opgevaren is naar Zijn Rijk? Gaat getroost naar huis, want deze Jezus, die gij nu hebt zien opvaren naar de hemel der hemelen zal eens zo, zoals Hij nu is opgevaren, weer naar de aarde komen en alle geslachten der aarde oordelen. Gelukkig zijn degenen die Hij als rechtvaardigen zal aantreffen; deze zullen Zijn kinderen zijn en Hij zal hun heer en vader zijn. Wee echter allen, die verstokt zijn in ongerechtigheid; waarlijk, hun verantwoording zal hen als een molensteen om de hals zijn!' Wat deze beide engelen van God, en wat I k als de Heer en God Zelf over de toekomstige wederkomst van Christus heb voorspeld, is nu tot rijping gekomen en zal spoedig plaatsvinden. De voorbereidingen daartoe zijn al bijna alle in werking gesteld. De harten van de mensen zien er nu uit als deze tijden met hun huiveringwekkende verschijnse­len. Ze zijn vol heerszucht, begeerte, nijd, vraatzucht, zwelgerij en hoererij, vol twist, ruzie, kwaadsprekerij, vol roof, oorlog, moord en pest van iedere aard. Onvrede, lief­deloosheid en kille onbarmhartigheid hebben zich van hen meester gemaakt, waardoor nu zo'n ellende over de mens­heid is gekomen, als de aarde nog nooit gedragen en ge­proefd heeft. Het is daarom nodig dat aan deze ellendige tijd spoedig een einde wordt gemaakt, omdat anders zij, die tot op heden tot de uitverkorenen behoren, nog schip­breuk zouden kunnen lijden.

Voordat Ik echter als de Heer en Schepper van alle leven kan wederkomen, moet de aardbodem volledig van alle on­kruid gezuiverd worden, en dat gebeurt nu steeds meer op alle punten van de aarde. Wie nu wezenlijk ziek is aan zijn ziel en niet probeert om zijn ziel te genezen, die zal niet veel tijd meer hebben voordat hij te gronde gaat.

De tijd der zuivering echter zal hoogstens vier weken duren; want er zullen dan uren zijn, waarin meer zal gebeuren dan vroeger in een eeuw. Een langer tijdperk zal vier maanden duren; want er zullen nu dagen zijn, waarvan er één meer betekenis zal hebben dan vroeger een hele eeuw. Nog een ander tijdperk is gesteld op vier maal een kwart jaar; want er zal dan in een week meer gebeuren dan in vroeger tijden in een hele eeuw. En het langste tijdperk zal vier jaren duren en nog iets langer; want er zullen dan maanden komen, waarin meer zal gebeuren dan in vroeger tijden in zeven eeuwen!

 

Deze tijd echter is nu als een morgenrood voor die dag, die zal aanbreken tot heil voor de rechtvaardigen en voor allen die zachtaardig en goed van hart zijn en die hun broe­ders en zusters liefhebben in Mijn Naam. Maar deze dag zal ook komen als een dief voor allen die Mij niet achten, die een hard en trots hart hebben en die zichzelf hoger achten en beter dan hun broeders.

Wie zich ergens voor beter houdt dan zijn broeder, die zal op deze komende dag zeer in verderf geraken. Want van deze dag af zal alle uiterlijk onderscheid ophouden te be­staan. Slechts zij zullen zeer in ere zijn, die nu omwille van mijn naam veracht of slechts medelijdend als eerlijke men­sen geduld worden. Zulke mensen zullen echter op deze dag groot en glorierijk naar voren komen, terwijl de tegenwoor­dige eerzuchtigen als zeer klein beschouwd zullen worden. Mijn uitverkorenen zullen echter schitteren, meer dan de middagzon.

Een morgenrood in de natuur kondigt echter geen mooie dag aan. Men zegt: 'Het morgenrood is des daags nood en des avonds dood'! Zo zal het echter bij het geestelijke mor­genrood niet zijn, maar precies omgekeerd. Want zoals het natuurlijke morgenrood alle harten verkwikt, zo zal dit geestelijke morgenrood alle harten met grote angst en bang­heid vervullen. Want het zal haar kleur ontlenen aan het bloed en aan grote wereldbranden, waaronder we grote en kleine oorlogen moeten verstaan.

Zoals het natuurlijke morgenrood een ongunstig teken is voor de aanbrekende dag, zo zal echter het op zich zelf verontrustende geestelijke morgenrood beschouwd moe­ten worden als een zeer gunstige voorloper van de aanbre­kende grote dag des heils. Dit alles heb Ik zo geregeld en laat nu alles zo gebeuren als het gebeurt.

 

Wie echter wil Mij in de weg gaan staan en zeggen: Heer, U bent een wrede God, U hebt vreugde in het bloed van vermoorden en U handelt als een eeuwige tiran! Tegen hem wil Ik zeggen: De Meester is er niet om geoordeeld te wor­den door zijn werken, maar Hij zal over hen oordelen wat juist en rechtvaardig is. Gij zult daarom ook niet zeggen: Zie, dit volk heeft gelijk en dat volk ongelijk, of deze veld­heer doet dingen die afschuwelijker zijn dan zijn voor­gangers deden. Ook moet ge niet blij zijn of bedroefd dat deze of gene partij gewonnen heeft ofwel de nederlaag heeft geleden. Gij moet u helemaal niet zoveel zorgen erover ma­ken of datgene, wat nu gebeurt, juist of onjuist is. Want Ik laat dat alles zo gebeuren en Ik meen dat Ik toch genoeg Heer ben, en genoeg wijs ben en goed! Maar als iemand meent wijzer te zijn, laat hij dan ook de natuurkrachten be­heersen, de sterren hun baan voorschrijven en meester zijn over de winden, de zee en het machtige vuur in het binnen­ste der aarde!

 

Ik zeg u: Bemoei u met niets en blijf maar rustig thuis, opdat Ik, wanneer Ik spoedig kom, u ook thuis aantref en u kracht geef en opneem in Mijn nieuw op te richten Rijk op aarde en in alle sterren! Wanneer Ik u echter niet thuis zal treffen, dan moet gij het aan uzelf toeschrijven, wanneer gij aan mijn grootste en laatste komst helemaal geen, of maar een zeer klein aandeel zult hebben.

 

Er bestaat voor Mij in allerdiepste wezen eigenlijk maar één enkele zonde, die de moeder van alle andere is en deze zon­de heet: hoogmoed! Uit de hoogmoed komt al het andere wat zonde heet voort: zelfzucht, heerszucht, eigenliefde, nijd, afgunst, woeker, bedrog, diefstal, roof, woede, moord, traagheid om het goede te doen, ledigheid en neiging tot genot, grootheidswaan, wellust, ontucht, hoererij en ten­slotte vervreemding van God. Vaak ook wel een totale goddeloosheid en daarmee de totale ongehoorzaamheid aan alle wetten die van God afstammen.

Onderzoekt ieder van deze hoofdzonden apart en gij zult aan de wortel van elk de hoogmoed zien. Wie dus met één klap van al zijn vermeende duizend zonden bevrijd wil zijn, die moet er alleen maar voor zorgen dat hij los komt van zijn hoogmoed, hoe deze er ook uitziet. Dan zal hij ook vrij zijn van al zijn andere zonden, omdat hoogmoed de enige oorzaak voor deze zonden is. Zonden echter, die zonder hoogmoed worden begaan, zijn geen zonden, omdat ze de oorzaak tot zonde niet in zich dragen.

Laat eenieder zich nu door dit morgenrood scherp door­lichten en zorgvuldig in de hoeken en gaten van zijn leven speuren of hij niet iets kan vinden wat ook maar enigszins zou kunnen lijken op hoogmoed. Vindt hij zoiets in zijn binnenste, laat hij er dan zo snel mogelijk met alle kracht naar streven dat hij zijn nog zo klein lijkende hoogmoed kwijtraakt. Anders zal deze mettertijd groeien en de voor het overige edele mens geestelijk net zo te gronde richten als de parasietplant dat doet met een voor het overige ge­heel gezonde boom. Hoogmoed, hoe deze er ook uit ziet, is voor ziel en geest de allergiftigste verstikkende lucht uit de hel, waardoor in korte tijd alle leven te gronde moet gaan. Daarom nogmaals:

Hoedt u vóór alles voor de hoogmoed, wanneer gij als rechtvaardige voor Mij wilt verschijnen en u wilt verheugen op de komende grote dag van Mijn zichtbare aanwezigheid! Maar indien slechts één atoom van een of andere soort hoogmoed in u is, dan zal Ik toch niet in u komen, omdat gij niet overal dit fundamentele kwaad hebt afgezworen. Weliswaar weet gij veel, wat miljoenen niet eens kunnen vermoeden, maar daarom zijt gij nog geen haar beter dan zij, die allemaal geen vermoeden hebben van wat bij u reeds een weten op grond van ervaringen, ja vaak zelfs een wer­kelijk schouwen is geworden.

Slechts als gij met uw weten ook de echte Deemoed verenigt, dan zal u in grote mate het diepe weten op het terrein van het zuiver geestelijke van onvoorstelbaar groot nut zijn.

Ik zeg u: zoekt, waarin dan ook, nooit de roem van de wereld! Deze is een pest voor ziel en geest en haar gevolgen komen vroeg of laat op verwoestende wijze tevoorschijn. Kijk naar de oorlogen, waarin miljoenen zich terwille van de roem moeten laten vermoorden. Wanneer heersers, legeraanvoerders en hun volkeren in plaats van de hoog­moed de hemelse deemoed zouden dienen, zouden die vol­keren dan ooit in zo'n wederzijdss woede ontstoken kun­nen raken? Waarlijk, bij deemoedige volkeren zou een oor­log een volslagen onmogelijkheid zijn. Omdat bij alle vol­keren echter alleen de hoogmoed is opgegroeid, ten gevolge waarvan het ene volk zich voor beter, belangrijker, ouder en met meer rechten houdt dan het andere, daarom zijn ook de alles vernietigende oorlogen een natuurlijk gevolg van de grootheidswaan van de hoogmoed.

Iets anders zou het zijn, wanneer ergens een hebzuchtige of kwaadwillende vijand in een vreedzaam, door louter deemoedige en zeer verdraagzame mensen bewoond land zou binnen vallen, om buit te verwerven. Dan zouden de bewoners van zo'n land het recht hebben om zo'n schande­lijke vijand in alle ernst te ontvangen en op de meest ge­voelige wijze te tuchtigen, bij welke gelegenheid Ik als de Heer dan direct aan het hoofd zou willen gaan staan. De boosaardige vijand zou dan al zeer snel ervaren wat voor loon zijn daad verdiende! Waarschijnlijk zou hij nooit meer de moed hebben om zo'n land te overvallen. Maar helaas is het zo niet gesteld. Het ene volk wil groter zijn dan het andere, het ene rijk machtiger dan het andere.

De hoogmoed der volkeren heeft alle maat overschreden, tot aan de hoogste hemel steeg al de rook van de hel! De aarde zelf smeekte Mij om het boosaardige satansgebroed toch eindelijk eens te verdelgen! En zie, de tijd is daar, ont­huld voor uw ogen: het ene volk trekt op tegen het andere! Vraagt gij naar het waarom, dan zeg ik u: uit pure hoog­moed! Ik zeg u ook: de tijden zijn voorbij dat het zwaard de scheidsrechter was tussen eer en schande, tussen deugd en ondeugd. Want nooit was het zwaard een wapen van de deemoed, maar altijd slechts van de eer van een maar al te vaak tirannieke heerschappij.

In de toekomst zal het zo niet langer zijn! In de toekomst zal slechts de deemoed met de wapens der liefde de volke­ren beheersen. Maar slechts die volkeren die voor deze wa­pens uit de hemel waardig bevonden zullen worden; de on­waardigen zullen echter in deze tijd zonder meer het loon ontvangen dat zij al lange tijd verdiend hebben. Ik zal wel steeds het betere en meer rechtvaardige deel deelachtig la­ten worden aan de overwinning; maar zo dit daarna hoog­moedig wordt, dan wee ook dat deel!

 

Van nu af zal niemand meer ontzien worden, die slechts een vonkje hoogmoed als drijfveer voor zijn handelingen in zich draagt. Iedere handeling, waarin iets van eerzucht valt te bespeuren, zal voortaan zonder zegen blijven. Iedere handeling echter, die vanwege de nuttigheid wordt begaan met een deemoedig gemoed, zal door Mij in het bijzonder gezegend worden. Nu moet een andere ordening onder de mensen worden ingevoerd. Zij, die zich deze ordening ech­ter niet van gans er harte zullen laten welgevallen en daarbij nog altijd oude bedenkingen in zichzelf laten opkomen, zij zullen door de bitterste gevolgen binnenkort voldoende wijzer worden gemaakt over de vraag of zij daardoor vóór of tegen Mijn ordening waren.

Ik zeg u in deze tijd: wie nu dit of dat goede zal nalaten om­wille van de wereld, die moet dan, omwille van de wereld, maar doen wat hem goed dunkt. Wanneer hij dan echter tot Mij zal komen met de goede getuigenis der wereld, zal Ik tot hem zeggen: Ga naar degene die u deze goede getui­genis gaf, en vraag hem uw loon; want Mijn naam staat in deze getuigenis niet geschreven! Ge hebt omwille van de wereld dit en dat gedaan en ge wilde niet de Mij alleen welgevallige weg van de deemoed bewandelen. Het streelde uw eerzucht, wanneer de wereld over u zei: 'Kijk, dat is een achtenswaardig man!' Dan zal het u ook moeten bevallen dat u in Mijn rijk waarlijk tot zeer gering aanzien zult ko­men. Ik wil daarmee echter niet zeggen dat iemand daarom zo moet handelen dat de wereld met minachting naar hem wijst. Oh, dat verlang Ik helemaal niet! Maar dát verlang Ik, dat gij het waarachtig goede - wat de wereld daarover ook zegt - zonder de minste vrees voor haar volbrengt. En wel daarom, omdat het goed is en omdat Ik het zo wil hebben!

 

Hebt gij dan vergeten dat Ik, als de eeuwige, almachtige Schepper van alle hemelen en werelden, van alle engelen en mensen, Zelf slechts in het kleed van de grootste een­voud in deze wereld kwam? Ik leerde de mensen door levende woorden en duidelijke daden, dat zij, zoals Ik ­- wanneer ze mijn kinderen willen zijn - de wereld met haar pracht en praal moeten ontvluchten en niet het brede pad van de aardse schittering moeten bewandelen, die altijd ver­gaat, maar het smalle pad van de deemoed, dat naar het eeuwige leven voert!

En dat op de tweede plaats alles wat voor de wereld groot is, voor Mij een gruwel is? Dat Ik slechts het kleine, dat door de wereld veracht wordt, wil zien en dat Ik wat zich groot acht eeuwig van Mij af wijs?

Voordat het laatste atoom van de hoogmoed uw harten zal hebben verlaten, zult gij Mijn aangezicht niet aanschou­wen. Waarlijk, zo zal het zijn! Elke zondaar zal door Mij met meer geduld worden behandeld dan iemand die zijn duidelijke hoogmoed niet met echt berouwen de meest diepe afkeer voor altijd uit zijn hart verbant! Zo gij zonden bezit even talrijk als het gras op aarde en het zand aan de oevers van de zee, maar daarbij echter geen spoor van hoogmoed, dan zouden al deze zonden niets voor Mij te betekenen hebben! Want waar geen hoogmoed is, daar is de liefde, die alle deemoed in zich bergt. Liefde en deemoed echter delgen alle tekortkomingen en zonden, al zouden het er nog zoveel zijn. Maar, wanneer slechts één atoom hoog­moed achter de andere zonden steekt, die de mensen be­gaan in de tijd van de beproeving van hun vrijwording, dan doet dit atoom alle zonden ontstaan, ja zelfs de kleinste. Zulke geesten zullen eens, zoals ook hier al, zeer hevig moeten strijden om ook slechts dat ene atoom hoogmoed kwijt te raken.

Atomen van hoogmoed zijn voldoende reden dat Ik bij mensen, al zouden die voor het overige ook zeer waardevol van aard zijn, zó lang niet zal kunnen binnenkomen, als niet het laatste atoom daarvan uit hun hart zal wijken. Daarin ligt in het bijzonder in deze tijd ook de reden waar­om er maar zo weinigen Mij te zien krijgen en door Mij Zelf onderwezen tot Mijn kinderen zullen kunnen worden opgevoed.

Zegt ook niet meer: 'Dit huis, deze grond en dit vermogen behoort mij toe. In mijn huis ben ik de baas en op mijn grond heb ik het voor het zeggen'! Ziet, in zulke uitspraken schuilt een grote portie hoogmoed! Waarlijk, zij die zo denken, praten en handelen, bij hen zal ik nooit binnen treden, omdat zij Mij niet als de Heer, aan wie alleen alles in waarheid toebehoort, maar slechts zichzelf als heer be­schouwen van een zaak, die Ik hen slechts voor een korte tijd geleend heb. Daarin ligt een grote hoogmoed, die de enige veroorzaker is van alle oorlogen, zowel in het klein als in het groot. In Mijn toekomstige rijk zal dat heel an­ders moeten worden ingericht: daar zullen geen huis - of grondeigenaren meer zijn, want daar zal Ik Alles zijn. En het beste zal hij eraan toe zijn, bij wie Ik zal wonen!

Maar Ik zeg u nu ook, dat voor Mijn komst op deze aarde nog zeer veel onkruid en dor gras met de grootst mogelijke rechtvaardigheid verdelgd zal worden. Waar er twee zijn, zal er één aangenomen en de ander uitgeworpen worden; dus een enorme schifting tot over de helft! Nog eenmaal waarschuw Ik u ernstig, dat gij in deze tijd noch links noch rechts partij moet kiezen! Wie moet en zal overwin­nen, staat alleen in Mijn hand! Laat niemand van u zeggen: deze strijdt terecht, die ten onrechte, maar uw zaak is het om te bidden voor vriend en vijand. Wat verder gaat is zon­de, want door zo'n partij kiezen bevordert gij de hoogmoed van de partij, die naar uw wensen moet overwinnen en gij wenst daarmee voor de tegenpartij de volledige ondergang. Vraagt daarbij echter aan uw hart of zij, die moeten onder­gaan, niet evenzogoed uw broeders zijn als zij, voor wie gij de overwinning wenst?

Hoe verdraagt zich echter zo'n wens vol geheime wraak­lust en leedvermaak met Mijn Woorden? Ik Zelf leerde alle mensen toch uitdrukkelijk om voor hén te bidden die u haten, om hén te zegenen die u vervloeken en aan hén goed te doen, die het kwaad met u menen. Laat hen daarom maar strijden die daar strijden! Bidt voor allen en schept nooit vreugde in de nederlaag van anderen, dan zult gij zijn gelijk Mijn engelen in de hemel, die hun aangezicht be­dekken wanneer hun broeders op aarde elkaar afmaken.

Let echter hier op: Dit morgenrood voor Mijn komst zal nog veel roder worden dan het nu is. En er zal eerst aan het eind van alle strijd blijken dat noch de ene noch de andere partij uit de strijd een eigenlijke overwinning zal behalen, want de werkelijke overwinnaar zal nog komen. Waar nu de hoogmoed strijdt, zal dan de deemoed beginnen te strijden. Aan haar zwaard zal geen tiran ontkomen en geen rechter die zijn aanzien probeerde te vestigen ten koste van het bloed van onschuldige gevangenen.

Ik, als u eeuwige Vader, die al zoveel gegeven heb, geef u nu ook dit voor uw toekomstig welzijn en heil zo belang­rijke woord. Houdt u er trouwen precies aan, dan zult gij alle goeds ondervinden, zowel in het tijdelijke als in het eeuwige. Wanneer gij het echter voor iets onbelangrijks zult houden en daarbij ook nog zult handelen naar uw oude gewoonten en zeden, dan zult gij het ook aan u zelf te wij­ten hebben, wanneer gij aan Mijn wederkomst ofwel slechts een zeer gering, ofwel helemaal geen deel zult hebben.

Wat hier door Mijn dienaar geschreven staat zal onher­roepelijk in vervulling gaan. Moge het tot heil zijn van u en ieder die deze waarschuwingen niet in de wind zal slaan. Waarlijk, in diens huis zal Ik nu en dan binnen treden!

Wie echter deze waarschuwing en soortgelijke onderrich­tingen op vele andere plaatsen weinig gehoor en opvolging zal schenken, in diens huis zal het er spoedig doods, treurig en verlaten uitzien. Want als Ik kom, dan zal Ik slechts komen tot hen die waarachtig de Mijnen zijn en Ik zal hen persoonlijk zegenen geheel en al en voor eeuwig!

Wee echter hem, wiens huis mijn voeten niet zullen betre­den: zijn aandeel zal slechts het treurige en noodlottige morgenrood zijn en blijven, maar de heilige stralen van de komende grote dag zullen niet over hem komen!

Dat zeg Ik, die daar komen zal. Amen.

 

2.

 

Over de persoonlijke wederkomst van de Heer

 

Uittreksel uit de bekendmakingen van de leer en de daden van Jezus in de tijd van Zijn openbaar optreden. Ontleend aan het Grote Evangelie van Johannes, waar de Heer over het onderhavige thema tot zijn discipe­len als volgt sprak:

 

Ontvangen door Jakob Lorber

 

Ik toonde hun, hoe in afzienbare tijd de geheime vorst van de wereld geoordeeld zal worden en kort daarna alles wat tot zijn aanhang behoort. Tegelijk liet Ik hun ook het einde van de wereld* (* Onder het einde van de 'wereld' wordt hier niet verstaan de ondergang van de aarde, maar het ophouden van het overwicht van het materialisme en de heerschappij daarvan, als ook het egoïsme, de heerszucht, enz., en het begin van het tot zijn recht gekomen spiritualisme, d.w.z. van een positief-geestelijke levensbeschouwing, zoals dat als ideaal in de zuivere leer van Jezus en in Zijn leven en werken is gegeven. (de uitg.) ) zien en een algemeen oordeel als ten tijde van Noach. Zij vroegen mij in grote verbazing wanneer en hoe dat zou geschieden. Maar Ik zei tot hen: Zo als het was ten tijde van Noach, zo zal het ook dan zijn: de liefde zal afnemen en volledig verkillen. Het geloof aan een uit de hemelen aan de mensen geopenbaarde zuivere levensleer en het Godsbesef zal tot een duister, dood bijgeloof vol leugen en bedrog veranderd worden. De machthebbers zullen wederom de mensen als dieren behandelen en zullen ze koelbloedig en gewetenloos laten afslachten, indien zij zich niet zonder enige tegenspraak aan de wil van de macht­hebbers onderwerpen.

De machtigen zullen de armen plagen met allerlei druk en iedere vrije geest met alle middelen vervolgen en onder­drukken. Daardoor zal een leed over de mensen komen, zoals er op aarde nog nooit is geweest. Maar dan zullen de dagen worden gekort vanwege de vele uitverkorenen, die zich onder de armen zullen bevinden; want wanneer dit niet zou geschieden, zouden zelfs de uitverkorenen te gronde kunnen gaan! - Maar er zullen tot dan vanaf nu nog dui­zend en niet nog eens duizend jaren voorbij gaan! - Maar dan zal Ik dezelfde engelen, zoals u die nu hier ziet*, (* Er waren zichtbaar engelen aanwezig, d.w.z. in volkomen menselijke vorm gematerialiseerde volmaakte zeer hoge geesten, zoals bijv. Gabriël, Raphaël, Zuriël en anderen (zie Joh. l:51):'Waarlijk ik zeg u: van nu af aan zult gij de hemelen open en de engelen Gods op en af zien gaan', enz. (de uitg.) ) met grote schallende bazuinen onder de arme mensen zenden. Zij zullen de naar de geest doodgemaakte mensen van de aarde als het ware uit de graven van hun nacht doen ont­waken. En gelijk een vuurkolom rolt van het ene einde der wereld tot het andere, zo zullen deze vele miljoenen gewek­ten zich storten op al die wereldmachten, en niemand zal hen nog weerstand kunnen bieden.

Vanaf die tijd zal de aarde weer tot een paradijs worden, en Ik zal Mijn kinderen altijd op de rechte weg leiden. Maar gerekend vanaf die tijd wordt na verloop van duizend jaren de vorst van de nacht nog een keer voor een zeer kor­te tijd van zeven jaren en enige maanden en dagen vrij om­wille van hem zelf, óf voor de volledige val, óf voor de mo­gelijke terugkeer. In het eerste geval zal de aarde dan tot een eeuwige kerker, wat betreft haar binnenste delen, wor­den veranderd, maar de buitenkant van de aarde zal een paradijs blijven.

In het tweede geval zou de aarde tot hemel herschapen worden en de dood van het vlees en de ziel voor eeuwig verdwijnen! - Maar hoe en of dat zal zijn, dat mag voor­alsnog niet eens de eerste engel der hemelen weten; dat weet alleen de Vader! . . . '

 

Wanneer er dan op aarde eenmaal veel genotzieke men­sen zullen zijn, dan zal ook spoedig een algemeen wereld­gericht over alle mensen op deze aarde door God worden toegelaten. Dan zullen we eens zien of er daarna weer men­sen zullen opstaan, die met het meetlint in de hand de moed hebben om tegen hun medemensen te zeggen: 'Kijk, dit grote stuk land heb ik afgemeten, deze grenspalen heb ik neergezet en ik verklaar het tot mijn onaantastbaar eigen­dom. En wie het waagt mij iets te betwisten, of alleen maar zegt 'vriend, ieder heeft hetzelfde recht, als hij maar macht en middelen heeft om jou je ingebeelde recht uit je handen te rukken!', die bestraf Ik met de dood!' - Ik zeg u: zo'n mens zal er niet meer zijn! - Want wanneer Ik de vol­gende keer op deze aarde zal komen om recht te spreken over zulke genotzoekers, maar ook om het loon des levens te geven aan ieder die veel ellende en nood heeft geleden uit liefde tot God en zijn naaste - dan zal niemand meer de aarde met een meetlint gaan opmeten tot nut van één enkel persoon. Waar men zal staan, daar zal men ook oogsten en in zijn behoeften kunnen voorzien. Wel zullen de mensen elkaar steunen, maar niemand zal zeggen: 'Kijk, dit is mijn eigendom en ik ben er heer en meester over'. ­

Dan zullen de mensen inzien dat Ik alleen de Heer ben en zij allen broeders en zusters.

Weliswaar zou dat ook nu zo onder de mensen moeten zijn. Maar in deze middelste ontwikkelingsperiode van de men­sen, die nog niet door het grote levensvuur gereinigd zijn, zal dat toegelaten blijven, doch vanaf nu niet meer geheel 2000 jaren. Daarna zal de geest bij de mensen het grote overwicht krijgen en men zal op de aarde geen afgemeten mijn en dijn meer zien. Vanuit God behoort de hele aarde, zoals dat in het begin het geval was, aan alle mensen gelijk toe. Wijze mensen zouden haar moeten indelen naar de be­hoeften der mensen en zouden hen moeten leren de aarde te bebouwen. En de vruchten zouden dan door wijze men­sen gedeeltelijk verdeeld moeten worden en het overschot zou in daarvoor gebouwde voorraadschuren bewaard moe­ten worden, opdat niemand in de gemeenschap nood zou hoeven te lijden. .

 

'Het vuur voor Mijn aankomst zal heten: grote en algemene nood, ellende en tegenspoed, zoals de aarde nog nooit heeft gezien. Het geloof zal uitdoven, de liefde verkillen en alle arme geslachten zullen klagen en versmachten. Maar de groten en machtigen, de koningen van deze wereld, zullen de vragenden desondanks niet helpen vanwege de te grote hoogmoed en daardoor ook te grote hardheid hunner har­ten! Dan zal zich ook het ene volk verheffen tegen het an­dere en zullen zij elkaar bestrijden met vuurwapens. ­

Daardoor zullen de heersers in schulden geraken en zullen zij hun onderdanen met niet op te brengen belastingen kwellen. Daardoor zal buitensporige duurte ontstaan, hon­gersnood, vele boosaardige ziekten, epidemieën en pesti­lentiën onder de mensen, de dieren en zelfs de planten. Ook zullen er grote stormen op het droge land zijn en op de zee en aardbevingen. De zee zal op vele plaatsen de oevers overstromen, dan zullen de mensen in grote angst en vrees geraken in afwachting der dingen, die over de aarde zullen komen! Dat alles zal worden toegelaten om de mensen af te wenden van hun hoogmoed, hun zelfzucht en hun traagheid. Zie, dat is het eerste soort vuur, waardoor de mensen voor Mijn wederkomst gelouterd zullen worden.

 

Maar tezelfdertijd zal ook het natuurlijke vuur een gewel­dige taak toebedeeld krijgen: het vuur zal de schepen op alle zeeën met de snelheid van de wind voortdrijven. Ook zullen de mensen door hun scherpe verstand ijzeren wa­gens en straten maken en in plaats van trekdieren voor de wagen zullen zij vuur inspannen en met het geweld daarvan zich snel als een afgeschoten pijl over grote afstanden ver­plaatsen. Ook zullen zij de bliksem (elektriciteit) weten te temmen, en hem tot de vlugste overbrenger van hun wil maken, van het ene einde van de aarde tot het andere. En wanneer de trotse en hebzuchtige koningen met elkaar oor­log zullen voeren, dan zal daarbij ook het vuur de meest beslissende rol spelen. Want door zijn geweld zullen ijzeren massa's in kogel - (en cilinder -) vorm, zwaar aan gewicht, met de snelheid van de bliksem tegen de vijand, tegen de steden en vestigingen worden geslingerd en grote verwoes­tingen veroorzaken. De vindingrijke mensen zullen het met deze wapens zo ver drijven, dat dan spoedig geen volk meer tegen het andere een oorlog zal kunnen beginnen. Want in­dien twee volkeren elkaar met zulke wapens te lijf gaan, dan zullen zij spoedig tot de laatste man vernietigd zijn, hetgeen zeker geen van beide partijen een werkelijke over­winning en winst zal opleveren. De koningen en hun leger­aanvoerders zullen dat ook gauw inzien en derhalve liever in vrede en goede vriendschap elkaar verdragen. En wan­neer zich een of andere zeer trotse en eerzuchtige rust­verstoorder zou verheffen en tegen zijn buurland ten strijde zou trekken, dan zullen zich de vredelievend en verenigen en hem tuchtigen. Op deze manier zal dan geleidelijk aan de oude vrede onder de volkeren wederkeren en zich duur­zaam vestigen. Onder de nog meer wilde volkeren der aarde zullen nog wel oorlogen voorkomen, maar die zullen ook daar vrij spoedig tot een onmogelijkheid worden. Ik zal hen door Mijn gerechte koningen en legeraanvoerders paars­gewijs samen laten gaan en over hen Mijn licht laten uit­gieten, en zij zullen dan ook in vredelievende en lichtvrien­delijke volkeren worden veranderd. Zie, dat is het tweede soort vuur, waardoor de mensen gelouterd zullen worden!

 

Een derde soort vuur zal daaruit bestaan, dat Ik reeds ette­lijke honderden jaren daarvoor steeds sterker verlichte zieners, profeten en knechten zal opwekken *, (* Bijv. de hervormers, Böhme, Swedenborg, en nu 'het nieuwe licht'; ook het licht van de wetenschap. (de uitg.)) die in Mijn naam de volkeren overal duidelijk en naar waarheid over alles zullen beleren. Daardoor zullen zij hen bevrijden van allerlei waan, bedrog en leugens, die zich via valse profeten en priesters zelfs in Mijn naam zullen richten op hun onder­gang en die daarmee binnen niet al te lange tijd zullen be­ginnen en hier en daar reeds in deze tijd van Mij zijn be­gonnen. Deze zullen valse tekenen en wonderen doen gelijk de heidense priesters. Zij zullen veel mensen verleiden en zich daarbij grote aardse schatten, rijkdommen, macht en hoog aanzien verwerven. Maar door het derde vuur en het zeer heldere licht daarvan zullen zij alles kwijt raken en volledig te gronde gaan. De koningen en vorsten die hen willen helpen, zullen daarbij al hun macht, vermogen en hun tronen verliezen. Want Ik zal dan Mijn koningen en legeraanvoerders tegen hen opwekken en hen de overwin­ning geven, en dan zal de oude macht van de hel en haar boodschappers op aarde onder de mensen een einde ne­men. - Door het derde soort vuur uit de hemelen zal de leugen in de strijd met het licht van de waarheid evenmin de overwinning kunnen behalen als de natuurlijke nacht zich kan verzetten tegen het opgaan van de zon!! Zij moet vluchten in haar donkerste holen en diepten; en zij die een­maal in het licht staan, zullen de nacht niet meer opzoeken.

 

En nu wil Ik u dan ook nog een vierde soort vuur laten zien, waardoor de aarde en de mensen en de hele schepping bij Mijn tweede komst zullen worden gelouterd. Dit soort vuur zal bestaan uit grote natuurlijke aardrevoluties van uiteenlopende aard, in het bijzonder op die punten op aar­de, waarop de mensen te grote en prachtige steden gebouwd zullen hebben, want daar zal de grootste hoogmoed, liefde­loosheid, kwalijke zeden, valse rechtspraak, macht, aan­zien en traagheid heersen en daarbij de grootste armoede, allerlei nood en ellende, veroorzaakt door het te groot geworden verlangen naar genot van de groten en machti­gen. In zulke steden zullen ook allerlei fabrieken van het grootste formaat worden opgericht, en daarin werken, in plaats van mensenhanden, vuur en water in combinatie met duizenden verschillende, kunstig uit erts vervaardigde ma­chines. Het stoken zal door middel van de oeroude steen­kolen gebeuren, die de mensen van die tijd zich in overgro­te hoeveelheden uit de diepten van de aarde zullen weten te verschaffen. ­

Wanneer zulk handelen door het geweld van het vuur eens het hoogste punt bereikt zal hebben, dan zal zich de aard­lucht op zulke punten te sterk met de brandbare ether­soorten vullen, welke dan eens hier en dan weer daar zullen ontploffen en deze steden en gebieden in puin en as zullen veranderen te samen met velen van hun bewoners. Dat zal dan ook een grote en doeltreffende loutering zijn! Maar wat het op deze wijze ontstane vuur niet zal bereiken, dat zullen andere grote aardse stormen van verschillende aard berei­ken, vanzelfsprekend juist daar waar het nodig zal zijn; want zonder noodzaak zal er niets verbrand en verwoest worden. Daardoor zal dan de aardse lucht van haar kwalij­ke dampen en natuurgeesten bevrijd worden, hetgeen dan op alle andere schepselen van de aarde een zegenrijke in­vloed zal uitoefenen. Ook zal dat de natuurlijke gezondheid van de mensen zozeer dienen, dat al die vele en boze ziek­ten van het lichaam ophouden en de mensen in gezondheid en kracht een hoge leeftijd zullen kunnen bereiken.

Omdat de zo gelouterde mensen in Mijn licht staan en le­vend en naar waarheid de geboden van de liefde voor altijd in acht zullen nemen, zal ook het aardse grondbezit zo ver­deeld zijn onder de mensen, dat iedereen zoveel zal hebben, dat hij met de juiste ijver nooit nood zal hoeven lijden. De hoofden van de gemeenten alsook de koningen zullen, vol­ledig staande onder Mijn wil en licht, ervoor zorgen dat in hun land bij de bevolking nooit een tekort is. En Ik Zelf zal spoedig nu eens hier dan daar de mensen bezoeken en hen sterken en oprichten, waar zij het grootste verlangen en de grootste liefde voor Mij zullen hebben. Weliswaar is deze profetie voor een nog tamelijk verre toekomst, maar die zal niet onvervuld blijven. Want alles kan eerder ver­gaan, zelfs deze aarde en de hele zichtbare hemel, dan dat één van Mijn woorden en beloften onvervuld zou blijven! Er zullen in die tijd vele nieuwe plaatsen, landen en volke­ren ontstaan, die nu nog geen naam hebben. Dat Ik echter alleen in zulk een plaats weer naar de aarde zal komen, waar onder de mensen nog het meeste en meest levende geloof en de meeste ware liefde tot God en de naaste zal bestaan, dat kan men voor zeker en waar aannemen. Maar wanneer Ik wederkom, dan zal Ik niet alleen komen, maar al de Mijnen, die reeds lang in Mijn hemelrijk bij Mij zullen zijn, zullen met Mij in overgrote scharen komen en hun nog op aarde in het vlees wandelende broeders sterken. En er zal zo een ware gemeenschap tussen de reeds geheel zalige geesten der hemelen en de mensen van deze aarde bestaan, wat de mensen van die tijd zeker tot de meest gro­te troost zal strekken. - En nu weet u alles wat voor u te weten nodig was. Handel ernaar, dan zult u het eeuwige leven oogsten; want Ik zal u opwekken op de Jongste Dag!'

 

'Het jaar, de dag en het uur van Mijn wederkomst kan Ik u daarom niet zeker zeggen, omdat alles op deze aarde van de volkomen vrije wil der mensen afhankelijk is. Daar­om weet dat ook geen engel in de hemel, maar slechts de Vader alleen, en zij, aan wie Hij het wil openbaren. Boven­dien is dat precies vooruit weten voor het heil van de ziel volstrekt niet van nut. Voor een zeer gering aantal in de geest volledig wedergeborenen wel, maar voor talloos velen zou het een groot euvel zijn! Daarom is het voor de mens beter dat hij niet alles precies vooruit weet, wat, hoe en wanneer hem in deze wereld het een en ander kan over­komen en ook overkomen moet. Ik zeg u: De tijd zal komen dat u (in het nakomen van uw geloof) zult vragen, zoals nu hier het geval is, wanneer de dag van de Mensenzoon zal zijn. U zult begerig zijn om Hem te zien en Hem desondanks niet zien naar uw begeren. En er zullen zich in die tijd velen verheffen en met een wijs gezicht zeggen: Zie hier, zie daar, en dan is het de dag! Maar gaat daar niet heen en volgt zul­ke profeten niet! De dag van Mijn wederkomst zal zijn ge­lijk een bliksem, die van de opgang tot aan de ondergang van de wolkenhemel gaat en over alles straalt wat onder de hemel is.

Maar voordat dat gebeurt zal de Mensenzoon veel lijden. Hij zal geheel verworpen worden door dit geslacht, te weten door de Joden en Farizeeën, en in later tijden door hen, die men nieuwe 'Joden en Farizeeën' zal noemen. En zoals het gebeurde ten tijde van Noach, zo zal het ook gebeuren ten tijde van de wederkomst van de Mensenzoon. Zij aten en dronken welgemoed, zij vrijden en lieten zich vrijen tot op de dag dat Noach in de ark stapte en dan de vloed kwam en allen deed verdrinken. Evenzo ook als gebeurde ten tijde van Lot: zij aten en dronken en bouwden en verbouwden. Maar op de dag dat Lot uit Sodom ging, regende het reeds vuur en zwavel uit de hemel en dit bracht hen allen om. Welnu, zo zal het ook gebeuren in die tijd, dat de Mensen­zoon opnieuw geopenbaard zal worden. Wie op die dag op het dak is en zorg heeft om de huisraad in het huis, die zal niet naar beneden gaan om het te halen. Dat is als volgt te verstaan: Wie het juiste begrip heeft, die zal volharden in dat begrip en er niet van afstappen uit angst, dat hij soms zijn wereldse voordelen erdoor zou kunnen inboeten! Want dezulken zullen te gronde gaan. Zo nog een voorbeeld: Wie zich bevindt op het veld (van bevrijdende kennis en inzicht), die zal niet omzien naar dat, wat achter hem is (zoals oude drogleren en de instellingen daarvan), maar hij zal denken aan de vrouw van Lot en in de waarheid voor­waarts gaan.

Ik zeg u nog iets: In die tijd zullen er twee in een molen zijn en hetzelfde werk doen. De een wordt aangenomen, d.w.z. de rechtschapen arbeider, en de ongerechte, zelf­zuchtige zal verlaten worden. Want wie probeert zijn ziel omwille van de wereld te behouden, die zal haar verliezen, maar wie haar omwille van de wereld zal verliezen, die zal haar in leven houden en haar tot het ware eeuwige leven helpen.

En nog meer zeg Ik u: In een en dezelfde nacht van de ziel zullen er twee in een en hetzelfde bed liggen; ook daar zal de een worden aangenomen en de ander zal verlaten worden. Dat betekent: Twee zullen zich weliswaar uiterlijk in dezelfde sfeer van de geloofsbekentenis bevinden. Maar de een zal zijn in het levende geloof van de daad en zal daarom ook aangenomen worden in het levende, lichtvolle rijk van God. De ander zal alleen aan het uiterlijke ritueel vasthouden, wat geen innerlijke levenswaarde voor ziel en geest heeft. Hij zal, omdat zijn geloof er als één zonder de werken der naastenliefde dood bijstaat, niet in het levende en lichtvolle rijk van God opgenomen worden. En verder zullen zich er ook twee op het veld der arbeiders bevinden: de een, die zal werken in het levende geloof uit liefde tot God en uit liefde tot de naaste zonder zelfzucht, zal ook in het ware rijk Gods worden opgenomen. Maar wie daar op hetzelfde veld zal werken gelijk de Farizeeën, zonder inner­lijk levend geloof, uit pure zelfzucht, die wordt verlaten en in het levende, lichtvolle rijk Gods niet opgenomen. - Ziet, zo zal het toegaan bij de wederkomst van de Mensenzoon! Maar indien u van Mijn geest in het vervolg dieper zult zijn doordrongen, dan zal ook al hetgeen ik heb gezegd een hel­der begrijpen voor u worden; maar nu kan Ik dat niet hel­derder en duidelijker verkondigen.

Maar wanneer u het wanneer en waar beslist nader bepaald wilt zien, weet dan: Waar een aas is, daar verzamelen zich alras de vrije adelaars! Bezie nu het rotte Farizeeërdom zon­der geloof, en u ziet het aas; Maar Ik en allen, die aan Mij geloven, Joden en heidenen, zijn de adelaars, die het aas zul­len verorberen. Dus is de zondige nacht van de ziel een aas, waaromheen het licht van het leven zich begint uit te brei­den en het aas vernietigt, zoals de ochtend de nacht met al haar nevels en drogbeelden. Maar zoals dat nu voor onze ogen gebeurt met het rotte Jodendom zonder waarheid en geloof, dat beslist een geweldig aas is geworden en dat na ongeveer 50 aardse jaren tot een einde zal komen, zo zal het in een latere tijd met de leer en de kerk gaan, die Ik nu sticht. Ook die zal tot een nog veel erger aas worden dan nu het Jodendom is. Daarom zullen zich dan ook de vrije licht- en levensadelaars van alle kanten op hen storten en hen als een de hele wereld verpestend aas verteren met het vuur van de ware liefde en de macht van haar waarheids­licht. En dat kan nog wel eerder gebeuren, dan er na Mij, zoals Ik nu lijfelijk bij u ben, twee volle duizend aardse jaren zullen voorbij gaan, wat Ik u ook reeds eerder bij andere gelegenheden te verstaan heb gegeven.

Wanneer echter reeds in deze tijd, waarin Ik nog in het vlees op deze aarde onder u wandel en leer, er zich som­migen hebben opgemaakt om in Mijn naam rond te trekken en tot hun eigen materieel voordeel Mijn leer te versprei­den, maar daar doorheen hun eigen onzuiver zaad mengen, waaruit tussen de magere tarwe spoedig veel kwalijk on­kruid zal opgroeien: moet men er zich dan over verbazen dat in latere tijden, wanneer er in Mijn naam nog meer val­se, ongeroepen leraren en profeten zullen opstaan en met geweldige stem en met het zwaard in de hand tegen de mensen zullen schreeuwen: 'Ziet, hier is Christus', of 'daar is Hij'! Wanneer u en later uw ware opvolgers dat zullen horen, gelooft dan zulke schreeuwers niet! Want aan hun werken zullen zij even gemakkelijk te herkennen zijn als de bomen aan hun vruchten. Een goede boom brengt ook goede vruchten voort, maar op doornstruiken groeien geen druiven, en op distels geen vijgen.

Waaruit het rijk Gods bestaat, en hoe en waar het zich slechts in de mens zelf ontplooit, dat heb Ik u al eerder gezegd. En zo zult u ook wel begrijpen dat men hen niet moet geloven die dan zullen roepen: Zie hier, zie daar! Want zoals de geest inwendig is in de mens en al het leven, denken, voelen, weten en willen oorspronkelijk van hem uitgaat, zo is ook het rijk Gods, als het ware het levensrijk van de geest, alleen maar inwendig in de mens en niet er­gens uitwendig of buiten de mens. Wie dat naar de volle levende waarheid begrijpt, die zal een valse profeet in alle eeuwigheid niet kunnen deren. Maar wie in zijn gemoed lijkt op een weerhaan of rietstengel, die zal natuurlijk moei­lijk de rustige en door waarheid verlichte haven van het leven kunnen vinden! Wees derhalve dan ook ware levens­rotsen, die stormen en vloedgolven niets kunnen maken! ­

Weliswaar is het rijk Gods in Mij tot u gekomen en bevindt het zich bij u in uw midden. Maar dat is niet voldoende voor het bereiken en het volledig instandhouden van het eeu­wige leven van de ziel, omdat het rijk Gods in Mij wel tot u is gekomen, maar daarom nog niet in uw binnenste is ge­drongen. Dat kan en zal pas dan geschieden, wanneer u zonder rekening te houden met de wereld Mijn leer hele­maal in uw wil en daarmee ook in de volle werkzaamheid hebt opgenomen. Wanneer dat het geval zal zijn, dan zult u niet meer zeggen: Christus, en met Hem het rijk Gods, is tot ons gekomen en woont bij ons. Maar u zult zeggen: Nu leef niet ik, maar Christus leeft in mij! Wanneer dat bij u het ge­val zal zijn, dan zult u ook volop levendig begrijpen, hoe het rijk Gods niet met uiterlijk vertoon tot en in de mens komt, maar zich uitsluitend inwendig in de mens ontplooit en de ziel in zijn eeuwig leven trekt'.

 

'Maar wat betreft Mijn woorden over de stand van het ge­loof bij de mensen in de verre toekomst, wanneer de Men­senzoon weer op deze aarde zal komen, zeg Ik u, dat Hij in het algemeen nog minder levend geloof zal vinden dan nu. Want in die tijd zullen de mensen door onvermoeibaar onderzoek en rekenen onder de ver uitgegroeide takken van de boom der kennis in vele wetenschappen en kunsten zeer ver komen. Zij zullen met de in de natuur van de aarde aanwezige krachten, die nu voor de mensen nog helemaal verborgen zijn, wonderbaarlijke dingen tot stand brengen en zeggen: Ziet! Dat is God, en verder is er geen! Het geloof van deze mensen zal derhalve zo goed als helemaal verdwe­nen zijn. Bij deze mensen zal Ik bij Mijn wederkomst geen geloof meer vinden. ­

Een ander, eveneens groot gedeelte van de mensen zal zich in een nog vele malen groter en donkerder bijgeloof bevin­den dan nu alle heidenen van de gehele aarde. Deze zullen geruime tijd hun leraren, vertegenwoordigers en bescher­mers hebben in de groten en machtigen der aarde. Maar de met alle wetenschappen en kunsten wel toegeruste kinde­ren van de wereld zullen dat bijgeloof met alle geweld on­derdrukken en daardoor de groten en machtigen van de aarde in een bovenmatige verlegenheid brengen. Want door de wetenschap en allerlei kundigheden zal het lange tijd en met alle geweld in blindheid gehouden volk begin­nen in te zien, dat het alleen omwille van de wereldse roem  en het goede leven van de groten en machtigen, die zelf geen geloof hadden, in knechtschap gehouden werd. En wanneer Ik dan zal komen, dan zal Ik ook bij de mensen van die tijd geen geloof vinden! Zijn de blinden echter een­maal door de wetenschap ziende geworden, dan zijn zij ook aanhangers van hen, die hen voor het grootste deel van de harde knechtschap der groten en machtigen bevrijd heb­ben. En wanneer Ik dan zou komen en zou zeggen: Hoort, gij volkeren der aarde! Ik ben nu weer tot u gekomen en wil u opnieuw de goede weg naar het eeuwige leven van uw zielen tonen! Wat zouden die van ieder geloof gespeende mensen daarop zeggen? Zij zouden Mij tot antwoord ge­ven:

'Vriend, wie Gij ook moogt zijn, laat varen die oude, versle­ten en gelukkig ook vervlogen domheid, waarvoor sinds de tijden van haar ontstaan vaak vele stromen van het meest onschuldige bloed hebben gevloeid. Wij houden ons nu aan de vele wetenschappen en kundigheden en wij leven daarbij in vrede en rust, stellig ook maar tijdelijk. Ons is een tijdelijk, maar vreedzaam en rustig leven heel wat liever dan een door ontelbaar leed gekochte en daarbij toch nog in twijfel getrokken hemel met al zijn zaligheden!'

Gij zult zeggen: 'Heer, laat dan die valse profeten in Uw naam nooit opstaan! Maar wilt U het Zelf zo hebben, dan moet het U ook goed zijn, wanneer U bij Uw toekomstige wederkomst op deze aarde onder de mensen geen geloof meer vindt!' Maar Ik zeg hierop: 'het kortzichtige mensen­verstand oordeelt daar weliswaar naar het eigen inzicht heel juist, en er is daar van deze kant van de wereld hele­maal niet veel tegen in te brengen. Maar God, als de schep­per en eeuwige instandhouder van alle dingen en wezens heeft weer heel andere meningen en plannen met alles wat Hij uit Zich heeft geschapen! En zo weet Hij ook het aller­beste waarom Hij dit of dat onder de mensen van deze aar­de toelaat. Pas aan het einde zal alle bijgeloof met de wa­pens van wetenschap en kunst van de aardbodem worden weggevaagd, waarbij desondanks geen mens in zijn eigen vrije wil ook maar in het minst in de war wordt gebracht. Daardoor zal er mettertijd wel een volle geloofsleer onder de mensen zijn, maar zulk een toestand zal maar een heel korte tijd duren. Pas in die tijd zal Ik de oude Boom der Kennis zegenen en zal de Boom des Levens in de mens weer zijn oude kracht bereiken. Dan zal er slechts Een her­der en Een kudde zijn! Zulk een geloof zoals er nu is zal Ik in die toekomende tijd wel niet meer vinden; maar een ander! Maar waaruit dat zal bestaan, daarvan kunt u zich nu nog geen voorstelling maken. Desalniettemin zal het ooit zo komen, zoals Ik het u vooruit heb gezegd!

De leer, die Ik u nu geef, is Gods woord en blijft eeuwig. Daarom zullen die mensen ook slechts deze van Mij krijgen, die u van Mij hebt ontvangen. Maar in die tijd zal zij hen niet verhuld, maar geheel in de hemelse en geestelijke zin onthuld gegeven worden. Daarin zal het nieuwe Jeruzalem bestaan, dat uit de hemelen op deze aarde zal komen. In dat licht zal de mensen pas duidelijk worden, hoezeer hun voor­gangers door de valse profeten, zoals ook de Joden nu door de Farizeeërs, bedrogen geworden zijn! Zij zullen dan niet meer Mij en Mijn leer de schuld van het vele onheil op aarde in de schoenen schuiven, maar de hoogst zelf - en heerszuchtige valse leraren en profeten, in wie zij precies herkend zullen hebben, wiens geesteskinderen zij waren. Maar wanneer het helderste licht van het nieuwe Jeruza­lem over de hele wereld zal schijnen, dan worden de leuge­naars en bedriegers volledig onthuld en het loon voor hun  arbeid zal hun gegeven worden. Hoe hoger iemand van hen meent te staan, des te dieper zal ook zijn val zijn'.

 

'Ik zou u nog heel veel kunnen zeggen en onthullen, maar u kunt dat nog niet verdragen. Maar wanneer de geest van de waarheid uit Mij over u zal komen, zal die u in alle waar­heid en wijsheid leiden en u zult u dan volledig in het licht van het nieuwe Jeruzalem bevinden. Maar of u dan ook in staat zult zijn om het licht op uw volgelingen te laten over­gaan is een vraag, die u moeilijk kunt beantwoorden. U kunt nu nog in het geheel niet vermoeden tot wat voor gro­te en omvattende wetenschappen en kundigheden de men­sen het mettertijd zullen brengen en hoezeer daardoor alle bijgeloof onder de mensen verlicht wordt. Waar echter in de gehele wereld is er nu wel sprake van een op de grond­beginselen van goed berekende waarheid gevestigde zui­vere wetenschap? En waar van een door zo'n wetenschap berekende kunst? Waar er nu onder de mensen ook nog een wetenschap en een daarvan afgeleide kunst bestaat, daar zijn er ook telkens meer dan drie vierde delen blind bijge­loof bij.

Op zo'n onbetrouwbare vrucht van de nog ongezegende Boom der Kennis laat zich geen hogere hemelse waarheid plaatsen. Wilt u haar daarop plaatsen, dan zal daar een vrucht uit tevoorschijn komen, die men wel de draak tot voer kan voorwerpen, maar niet aan mensen tot voeding kan geven. En ziet en onthoudt het goed: Uit dergelijke vruchten zullen ook de valse profeten met al hun dwaal­leren en valse wondertekens voortkomen en meer dan drie­kwart van de aarde verderven! Want men zal er naar streven om Mijn zuivere waarheidsleer met de bij de mensen be­staande, met bijgeloof gemengde wetenschappen en weinig presterende kunsten gevoelsmatig te verenigen, opdat zij daardoor voor de mensen gemakkelijker aanvaardbaar zal zijn. Zo zal men vanzelfsprekend Mijn leer steeds meer verontreinigen. En de wetenschappen en kunsten vol bijge­loof zullen daardoor nog dieper in de oude nacht afzinken dan dat zij vanaf het begin der mensheid ooit zijn gezonken. Zij zullen aan het einde een tijdlang alleen met de hulp daarvan des te gemakkelijker het blind gehouden volk voor zich kunnen winnen.

 

Maar zo zal het niet blijven. Want op het juiste tijdstip zal Ik mensen opwekken voor de zuivere wetenschappen en kunsten, en deze zullen de mensen vanaf de daken ver­kondigen hoe de dienaren van Baäl hun wonderen tot stand brachten! Daardoor zullen de zuivere wetenschap en ook de zuivere kunsten tot een onoverwinnelijke voorloper en voorvechter voor Mij tegen het oude bijgeloof worden. Wanneer door hen de Augiasstal gereinigd zal zijn, dan zal 1k gemakkelijk een uiterst doeltreffende wederkomst op deze aarde hebben. Want met de alom zuivere wetenschap der mensen zal zich Mijn zuivere levensleer ook gemakke­lijk verenigen en een volledig levenslicht aan de mensen geven, omdat de ene reinheid de andere nooit kan veront­reinigen.

Om mettertijd bij de mensen in de wetenschappen en de daaruit voortvloeiende kundigheden een volledige reiniging te bewerkstelligen, moet hen tevoren Mijn leer gepre­dikt zijn en de vele afgodsbeelden moeten samen met hun priesters en tempels worden verwoest! Wanneer dat ge­beurd is en Mijn evangelie aan de mensen is gepredikt, ook al is het door valse profeten, dan pas zullen zij in staat zijn om zich geleidelijk aan in de wetenschappen en kunsten te reinigen. Deze zullen dan als een bliksem zijn die van de opgang tot de ondergang alles wat er op de aarde is helder verlicht. Onder de opgang verstaat men dan het geestelijke en onder de ondergang al het natuurlijke!

Een mens kan de diepere bovenzinnelijke waarheden nooit volledig in volle omvang vatten, omdat hij de bodem niet kent waarop hij gaat en staat, omdat hij zelf een natuurlijke mens is! Ik zelf heb u daarom al veel verklaard op het ge­bied van de natuurlijke bijzondere verschijningen in deze natuurlijke wereld en de maan, de zon, alle planeten en de hele eindeloze sterrenhemel getoond. Ook heb ik u gezegd dat een mens dan pas God volledig kan liefheb ben, wanneer hij Hem in Zijn talloos vele werken steeds meer en meer en reiner en reiner heeft herkend. Maar de hoofdzaak is en blijft het onophoudelijke streven naar de volledige weder­geboorte van de geest in de ziel. Helemaal door haar alleen wordt de mens in alle waarheid en wijsheid geheven. Hij heeft dan een volkomen samenhangend licht vanaf het aardse tot in het zuiver geestelijk hemelse, en met dat licht ook het eeuwige leven. Maar dat is dan eindeloos meer dan alle wetenschappen van alle dingen der natuur! Wat zou het een mens baten wanneer hij in staat zou zijn om alle dingen en verschijnselen in de hele natuurlijke wereld volkomen waar en precies van het grootste tot het kleinste te kennen en te beoordelen, maar hij zou ondanks dat daarbij van de wedergeboorte van de geest in de ziel zover af zijn als deze aarde van de hemel! Zouden hem de vele wetenschappen soms het eeuwige leven kunnen verschaffen?

De oude, innerlijke wetenschap der gelijkenissen is slechts geschikt en toegankelijk voor die mensen, die in het ware geloof en vertrouwen aan de ene en ware God nooit wanke­lend en zwak geworden zijn, Hem altijd boven alles lief hadden en hun naaste als zichzelf. En dat, omdat de ge­noemde wetenschap de innerlijke schrift en taal is van de ziel en van de geest in die ziel. Wie deze taal heeft verloren verstaat de schrift onmogelijk en haar taal komt hem in zijn dode wereld licht voor als een dwaasheid. Want de levens­omstandigheden van geest en ziel zijn van een andere soort dan die van het lichaam. Zo is ook het geestelijke horen, zien, voelen, denken, spreken en de schrift van een heel andere hoedanigheid als hier onder de mensen in de natuur­lijke wereld. Daarom kan dat, wat een geest doet en spreekt alleen via de weg van de oude wetenschap der gelijkenissen aan de natuurlijke mens begrijpelijk gemaakt worden. De mensen hebben deze wetenschap door eigen schuld verlo­ren. Daarmee hebben zij zichzelf buiten de omgang met de geesten uit alle regionen en alle hemelen gesteld en daarom kunnen zij het geestelijke in de schrift niet meer vatten en begrijpen. Zij lezen de geschreven woorden volgens de blindelings geleerde klanken van de dode letter en kunnen het niet eens begrijpen en bevatten, dat de letter dood is en niemand hem tot leven kan brengen, maar dat het alleen de innerlijke verborgen zin is die, zelf leven zijnde, alles levend maakt.

Wanneer u dat begrijpt, streeft dan voor alles naar de we­dergeboorte in de geest, opdat het Rijk Gods in u levend en volop werkzaam wordt. Dan zult u ook weer tot de weten­schap der gelijkenissen tussen materie en geest komen, zonder welke u, evenmin als Mozes of enige andere profeet dit ooit kon, niet de diepte van de levende waarheid kunt verstaan en waardoor u in ongeloof, twijfels en zonden ver­valt in plaats van te ontkomen aan de vele gevaren die u dreigen te verslinden!

'Ik heb u nu reeds voldoende duidelijk getoond hoe en op welke wijze Ik weer op deze aarde tot de mensen zal ko­men. Ik zal bij mijn tweede komst niet weer ergens als een kind uit een vrouw geboren worden. Want Mijn lichaam blijft verheerlijkt evenals Ik als geest in eeuwigheid, en zo­doende heb Ik nooit meer een tweede lichaam nodig op de wijze van nu op aarde. Maar ik zal eerst onzichtbaar komen in de wolken van de hemel, hetgeen zoveel wil zeggen als: Ik zal vooreerst de mensen beginnen te naderen door mid­del van waarachtige zieners, wijzen en nieuw opgewekte profeten. En er zullen in die tijd ook jonge vrouwen voor­spellingen doen en jonge mannen zullen heldere dromen hebben, op grond waarvan zij de mensen Mijn komst zullen verkondigen. Velen zullen naar hen luisteren en zich bete­ren, maar de wereld zal hen voor krankzinnige fantasten uitmaken en hen niet geloven, zoals dat ook met de pro­feten het geval was.

Evenzo zal Ik van tijd tot tijd mensen opwekken, aan wie Ik al wat er gebeurt en gezegd wordt, zoals dat nu ook hier bij Mijn aanwezigheid het geval is, zal doorgeven via het hart om het op te schrijven. De mensen van die tijd, die over het algemeen zeer goed zullen kunnen lezen en schrij­ven, zullen die nieuwe boeken ook kunnen lezen en begrij­pen. Deze manier van verspreiden van Mijn nieuwe en zui­ver weergegeven leer uit de hemelen zal dan vele malen vlugger en doelmatiger tot alle mensen op de hele aarde ge­bracht kunnen worden dan nu door mijn boodschappers in Mijn Naam van mond tot mond gebeurt.

Wanneer op deze manier Mijn leer onder de mensen, die van goede wil en van een daadwerkelijk geloof zijn, ge­bracht zal zijn en er tenminste een derde van de mensen kennis van zal hebben, dan zal Ik ook hier en daar persoon­lijk en in levenden lijve zichtbaar tot hen komen, die Mij het meest lief hebben en naar Mijn wederkomst het groot­ste verlangen en het volle levende geloof zullen hebben. En Ik Zelf zal uit hen gemeenten vormen, waaraan geen macht ter wereld meer hinder of tegenstand zal kunnen bieden. Want Ik zal hun leider en hun eeuwig onoverwinne­lijke held zijn en alle dode en blinde wereldmensen richten. En zo zal Ik de aarde reinigen van haar oude vuil.

Ten tijde van de nieuwe zieners en profeten zal er groot leed en een grote verdrukking onder de mensen zijn, zoals er op deze aarde nog nooit is geweest. Maar dat zal omwille van Mijn uitverkorenen slechts een korte tijd duren, opdat zij aan hun zaligwording geen schade zullen lijden. Doch in dit land, waar Ik nu reeds van plaats tot plaats door de tempeljoden als een misdadiger word achtervolgd, en dat in die tijd door duistere heidenen zal worden vertrapt, zal Ik persoonlijk niet weer het eerst optreden. Wel in de landen van een ander werelddeel, die nu door heidenen bewoond worden, zal Ik een nieuw rijk stichten: een rijk van vrede, van eendracht, van liefde en van een aanhoudend levend geloof. En de vrees voor de dood van het lichaam zal niet meer bestaan onder die mensen, die in Mijn licht wandelen en in een voortdurende omgang en relatie zullen staan met de engelen van de hemel.

De aarde is overal van Mij en Ik weet, waar Mijn weder­komst voor de hele aarde het meest werkzaam zal zijn. In die tijd, waarin de mensen van het ene einde van de aarde tot het andere elkaar zo snel als een bliksem kunnen in­lichten en met gebruikmaking van de in vuur en water ge­bonden geesten vlugger de grote afstanden van de aard­bodem kunnen overbruggen dan de hevigste storm, en ook de schepen met behulp van diezelfde krachten de hele oceaan binnen de kortste tijd zullen overvaren, zal de bood­schap van Mijn persoonlijke wederkomst in heel korte tijd gemakkelijk over de hele aarde verspreid kunnen worden, ook naar Azië. Maar daar rijst de vraag: Zal die boodschap bij de blinde en dove heidenen van dat werelddeel ook ge­loof vinden? Ik meen en zeg: Moeilijk eerder dan dat het door een groot wereldoordeel gelouterd zal worden!

Maar er is een groot land in het verre Westen, dat van alle kanten door de grote wereldoceaan is omgeven en nergens over de zee met de oude wereld samenhangt. Uitgaande van dit land (Amerika) zullen de mensen eerst grote dingen ver­nemen en deze zullen ook in het Westen van Europa op­duiken. Daaruit zal een helder stralen en tegenstralen ont­staan: de lichten der hemelen zullen elkander ontmoeten, herkennen en elkander ondersteunen. Uit deze lichten zal zich de zon des levens, dus het nieuwe volkomen Jeruzalem vormen, en in deze zon zal Ik op deze aarde wederkomen. Deze zichtbare hemel en deze aarde zullen in de loop der tijden vergaan, maar Mijn woorden, die Ik tot u gesproken heb, zullen niet vergaan!'

 

3.

 

Een ontwikkelingsbeeld der mensheid

 

Jezus spreekt tot Zijn discipelen

over de gebeurtenissen voor Zijn wederkomst.

 

Ontvangen door Jakob Lorber

 

'Met Mijn geboorte is reeds overal het oordeel der heidenen begonnen. Nu duurt het in verhoogde mate voort en het zal nog tot het volle licht onder de mensen op deze aarde voort­duren, bijna 2000 jaren!

Zoals u nu in de ochtendstreek ziet, hoe zich allerlei wolken aan de horizon opstapelen, als wilden zij de opgang van de zon verhinderen: zo zullen tegen de eens komende grote opgang van de geestelijke en eeuwige zon der waarheid ook een grote massa van allerlei hinderlijke wolken zich begin­nen op te stapelen en onder de mensen veel schade aan­richten. Maar de uiteindelijke grote opgang van de zon der waarheid zullen zij toch niet kunnen verhinderen. U hebt van tevoren nog veel mooie sterren aan de hemel zien stra­len en bij de ondergang zag u ook sterren, die in de diepe nacht gestraald hebben. Ziet, die gingen als goede boden voor de nog zichtbare ochtendboden uit en werkten in de nacht. En dat is nu uw beroep!

Maar wanneer aan de geestelijke ochtendhorizon de nog helderder ochtendboden zullen opgaan, dan zal dat een te­ken zijn dat spoedig de grote en algemene Zon van het leven en de waarheid zal volgen. Haar helderste licht zal een on­verbiddelijk gericht zijn over alle leugens en alle bedrog en de daaruit gevormde hoer van Babylon. Zij zal met al haar volgelingen en vereerders en met heel haar grote wereld­praal naar beneden geslingerd worden in de afgrond van de verachting, de gerechte toorn en de vergetelheid. Dan zul­len de verlichte mensen niet meer denken aan het bedrog en het lange wachten op het oordeel.

Nu kan men al goed merken dat de eerst zo dreigend zwarte wolken goudstralende randen beginnen te krijgen. Zo zult u in die tijd ook gewaar worden, hoe mensen, die tot voor kort nog ware vijanden van het licht waren, van alle kanten door de lichtstralen van de waarheid steeds meer en helder­der verlicht zullen worden en dan zelf stralend tot vijanden van de oude leugen worden. En zulk een oplichten van de opkomende zon der waarheid vanuit de hemelen zal Mijn teken zijn van de Mensenzoon aan alle waarachtig en op aarde en van het begin van het einde van het grote oordeel over de hoer van het nieuwe Babylon (Matth. 24:30).

Dan zullen zij die de waarheid liefhebben luid jubelen en Mij lofprijzen, omdat Ik hen al van tevoren het teken heb gezonden van Mijn opgang aan de hemel van de innerlijke dag van de Geest! Maar de vijanden van de waarheid zullen huilen en met de tanden beginnen te knarsen. Zij zullen zich, voorzover dat nog ergens mogelijk is, in duistere hoe­ken trachten te verbergen met hun steeds geringer wordend aantal getrouwen, wat hen niet zal baten. Want wanneer de volle zon der waarheid zal zijn opgegaan, dan zal haar licht alle nog zo duistere gaten, hoeken en holen doorstralen, en de vijanden van het licht zullen op de hele aarde geen toevluchtsoord meer hebben.

Ik Zelf zal als de eeuwige waarheid in die zon zijn, en door haar licht bij de mensen als heerser en leider van hun leven en van hun tijdelijke en eeuwige lot. Dus Ik heb u nu vol­gens de volle en begrijpelijke waarheid het grote oordeel getoond van het nieuwe en oude heidendom. Dit was voor u; maar Ik zal u later voor de mensen nog een beeld geven, dat u dan ook verder kunt mededelen, maar niet zonder de juiste verklaring. Maar nu bezien wij verder het ochtend­tafereel. Let goed op, wat er allemaal nog voor de volledige zonsopgang te zien zal zijn! Want Ik wil, dat ook u met uw ogen zult aanschouwen, hoe alles in de laatste periode van het nieuwe heidendom zal gebeuren'.

(Allereerst zag men een dichte en volkomen zwarte nevel ver weg aan de horizon opkomen. Toen deze nevel onge­veer zeven maal de hoogte van het ver weg gelegen geberg­te aan de horizon bereikte, werd hij als gloeiend, want hij werd door een ontelbaar aantal bliksems doorkliefd. En op de bovenste zwarte en door vele bliksems doorgloeide rand van de nevelbank was een grote stad te zien.)

En Ik zei: 'Beziet het beeld van het nieuwe Babylon. Dat is de ondergang van het oude en tegelijk het begin van het nieuwe heidendom. Ongeveer reeds in vijf - tot zeshonderd jaar, vanaf nu gerekend, zal het er daar letterlijk zo uitzien. Maar bekijk het beeld nu verder!' Weer richtten allen hun aandacht op dat beeld, waarvan de taferelen zich snel na elkaar ontwikkelden. En men zag grote volkeren trekken en vele ernstige gevechten en oorlogen. In het midden van de stad zag men iets zich zo hoog verheffen als een berg, en daarop stond een grote troon als van gloeiend goud. Op die troon zat met een staf, waarvan het boveneinde versierd was met een driedubbel kruis, een heerser met een drie­dubbele kroon op het hoofd. Uit zijn mond gingen talloze pijlen uit. Uit zijn ogen en zijn borst flitsten ook vele blik­sems van de toorn en van de hoogmoed. En er trokken koningen naar hem toe, van wie velen zich diep voor hem bogen. Hen, die dat deden, bekeek hij vriendelijk, maar zij die niet voor hem bogen, werden door zijn pijlen en blik­sems erg vervolgd en toegetakeld.

Ik zei: 'Dat stelt geen speciale heerser over vele landen en volkeren voor, maar alleen de zichtbare persoonlijkheid van de Antichrist! Maar dat driedubbele kruis betekent Mijnleer, die aldaar driedubbel vervalst aan de koningen en hun volken zal worden opgedrongen, vals in het woord, vals in de waarheid en vals in de levende toepassing.

Maar die koningen, die zich niet voor hem buigen en die hij vervloekt, die zijn het, welke nog min of meer in de oude leer volharden. Hen bereiken weliswaar zijn pijlen en blik­sems,maar deze kunnen hen desondanks geen schade van enige betekenis toebrengen. Geeft nu verder acht op dat beeld; doch Ik kan u er slechts de hoofdmomenten van to­nen!'

Nu keken allen er weer met verhoogde aandacht naar. En zie, er verzamelen zich vele koningen, die zich eerst nog diep voor hem op de troon hadden gebogen, met hun leger­scharen en trekken tegen hem op. Ziet, dat wordt een ver­bitterde strijd, en zijn verheven troon zinkt reeds opmerke­lijk diep omlaag naar de stad. Men ziet slechts enkele ko­ningen, die zich alleen nog voor de schijn voor hem buigen, terwijl door de andere afgevallen koningen heel veel pijlen en bliksems naar hem worden teruggezonden. Nu is er van hem haast helemaal niets meer te zien: dat zal reeds ge­schieden over 1000 - 1500 - 1600 en 1700 jaar.

Kijk, nu maakt hij aanstalten om zich wederom te verheffen, omgeven door zwarte benden. En enkele koningen reiken hem hun handen, om hem te helpen; maar die dat doen, zullen spoedig helemaal machteloos worden, en hun vol­ken rukken hen de kroon van het hoofd en geven die aan de sterke koningen! Ziet, nu zinkt zijn troon, en de sterke ko­ningen haasten zich naderbij en delen hem in meerdere stukken. Zo gaat voor hem nu al zijn macht, hoogte en grootheid ten onder. Weliswaar slingert hij nog pijlen en zwakke bliksems om zich heen, maar die deren niemand meer; want de meesten keren tot hem zelf terug en verwon­den hem en zijn zwakke en duistere horden'.

 

'Maar wat stellen de 'lichte wolken' voor? Het zijn ver­enigingen van mensen, die door de Goddelijke waarheid verlicht zijn. Nu komen deze verenigingen steeds dichter bij elkaar en vormen zo een grote vereniging; en dat is de nieuwe aarde, waarover zich een nieuwe hemel uitbreidt vol licht en klaarheid!

Maar men moet hierbij niet denken dat deze natuurlijke aarde zou vergaan en in een nieuwe veranderd zou worden: alleen de mensen zullen door het volledige opnemen van de Goddelijke waarheid in hun harten als ware broeders en zusters in Mijn naam onder elkaar een nieuwe geestelijke aarde scheppen.

Op deze nieuwe aarde zal Ik dan Zelf zijn en heersen te­midden van de Mijnen, en zij zullen met Mij omgang heb­ben en Mij nimmer uit hun ogen verliezen.

Ziet, hoe uit deze nieuwe aarde in steeds dichtere stromen lichten naar beneden op de oude aarde zweven en deze zo aansteken dat zij als in volle vlam lijkt te staan! Daar ziet u heel veel doden, hoe zij vanuit de graven naar het licht gaan, en hoe zij ook spoedig bekleed worden met het gewaad van de waarheid en dan opwaarts zweven naar het rijk van de nieuwe aarde.

Tegelijk is te bespeuren, hoe een groot duister gedeelte tracht om het gewaad van het licht over zijn zwarte aan te  trekken, om daaruit uit zelfzucht en heerszucht nog eens een nieuw antichristelijk heidendom te scheppen. Maar Ik Zelf laat Mijn toorn op hen vallen, dat is het vuur van Mijn waarheid. En Mijn engelen storten zich als met vlammende zwaarden op hen en slaan iedere duistere poging in de af­grond van de volledige vernietiging. Dit is dan het laatste en grootste oordeel, 1000 jaar later. Deze tijd zal genoemd worden Mijn Duizendjarig Rijk op aarde, dat door dit aller­laatste oordeel voor zeer korte tijd nog eenmaal een oor­logszuchtige onderbreking zal hebben. Maar de overwin­ning zal een spoedige en voor alle tijden een volledige zijn. Vanaf dan zal er uit de hemelen en uit de aarde één Herder en één kudde worden. De Herder zal zoals altijd Ik zijn, en de kudde zullen vormen de mensen op aarde, geheel in vereniging met de zaligen in Mijn hemelen. Deze laatsten zullen weer zoals in de oertijd van de mensen zichtbaar met de mensen op aarde omgaan. Maar eer dat zal geschieden, zal ook de natuurlijke aarde geweldige veranderingen on­dergaan. Grote landen en rijken, die nu nog door de grote en diepe zee worden bedekt, worden als het meest vrucht­bare land omhoog getild. Vele nu nog zeer hoge bergen worden verlaagd en met hun afgebrokkelde toppen zullen diepe ravijnen en dalen worden opgevuld en een vrucht­baar land vormen.

Omdat in die tijd de mensen niet meer naar de aardse en vergankelijke schatten zullen hunkeren of deze begeren, zullen op de aarde nog zo veel mensen als er nu op leven goed verzorgd en gelukkig kunnen leven. Maar tegelijker­tijd zullen ook alle boze, het vlees hevig kwellende ziekten van de aarde verdwijnen. De mensen zullen een montere en hoge leeftijd bereiken en veel goeds kunnen bewerkstel­ligen. Niemand zal vrees hebben voor de dood van het lichaam, omdat hij met heldere blik het eeuwige leven van de ziel voor zich zal zien.

De hoofdzaak van het weldoen zal in die tijd bestaan in de juiste opvoeding van de kinderen, en dat de sterke met alle liefde de fysiek zwakkere ouderdom met alle kracht zal on­dersteunen. En er zullen op de gelukkige aarde ook huwelij­ken gesloten worden, maar zoals in de hemel volgens Mijn orde. En er zullen ook kinderen verwekt worden in groot aantal, maar niet via de weg van louter wellust, maar via de weg van de ware liefdesernst, en dat tot aan het einde der tijden van deze aarde. ­

 

Zo hebt u nu een getrouw beeld van het laatste oordeel van alle heidenen op de hele aarde, dat u ook gemakkelijk en goed kunt verstaan'.

Hier vragen Mij de discipelen: 'Heer en Meester! Zullen wij vanuit het rijk der geesten dat ook allemaal mee kunnen aanzien en meebeleven? En voor hoe lang zal dan die ge­lukkige aarde nog voortbestaan tot aan het definitieve einde van haar tijd?'

Ik zei: 'Wat deze vraag betreft, spreekt het vanzelf, dat u vanuit de hemelen dat alles niet slechts duidelijk zult zien, horen en beleven, maar u zult de hoofdleiders ervan zijn en te allen tijde erbij zijn; niet alleen op de nieuwe aarde, maar ook over heel de grote mensheid der schepping, en ook over de eindeloos vele verenigingen van alle hemelen, die eeuwig en nergens begrensd zijn. Daarom zeg ik u: dat geen mens ooit heeft gezien of gehoord, en dat in geen enkel mensenhart ooit is opgekomen, wat God voor hen heeft bereid, die Hem waarachtig liefhebben! Ik zou u nu nog veel kunnen zeggen en tonen, maar u kunt het nu nog niet verdragen. Maar wanneer de geest van alle waarheid en alle leven op u zal komen en u in hem zult zijn weder­geboren, dan zal die u in alle diepten van Mijn licht leiden en verheffen. Pas dan zult u begrijpen wat voor grote woor­den Ik nu tot u en door u tot alle mensen heb gesproken! Wat de tweede vraag betreft, die getuigt werkelijk van nog weinig wijsheid. Want onze rekenmethode heeft niet eens een getal waarmee men de overgrote veelheid van aardeja­ren zou kunnen aangeven, welke tot het einde van haar tijd zullen vergaan. En al zou dat op een of andere wijze toch mogelijk zijn, dan kan dat hen, die in de geest voortleven, om het even zijn!

Wanneer u Mijn gebod van de ware en reine naastenliefde goed in aanmerking neemt, zult u gemakkelijk begrijpen, dat ieder echt en waar mens de hoogmoed van zijn naaste het meeste pijn doet. Daarom zij eenieder vol zachtmoedig­heid en deemoed, en u zult elkander .daardoor wederzijds de grootste mensen eer bewijzen en in vrede en rust met elkaar leven. Maar eerzucht en hoogmoed verwekken mis­noegen, ergernis, verachting, wrok, toorn en tenslotte wraak, oorlog en de boze nasleep daarvan. De hoogmoe­dige en eerzuchtige is ook altijd vol zelfzucht en hebzucht. En omdat hij alles alleen tot verhoging van zijn wereldse eer wil winnen, is dan het treurige gevolg, dat duizenden om zij­nentwil in armoede en nood moeten leven, zoals dat ook het geval was ten tijde van Noach en in de laatste tijd van het nieuwe heidendom nog meer het geval zal zijn.

Maar juist deze boze en helse toestand onder de mensen zal het oordeel zijn, dat zij zichzelf zullen bezorgen. Veruit de meerderheid van de armen en onderdrukten zal tenslotte opstaan tegen hun hoogmoedige onderdrukkers en hen doden. Dat zal een tweede zondvloed zijn door de gloeiende toorn van de tenslotte te zeer en te geweldig gekwelde ar­moede.

Maar ook een natuurlijk vuur zal in die tijd vele plaatsen verwoesten. Want in die tijd zullen de mensen uit te over­dreven aards winstbejag als boze wormen doordringen tot in de diepte der aarde en daarbinnen allerlei schatten zoe­ken en ook vinden. Wanneer zij dan bij de enorme lagen begraven oerwouden van de aarde komen en die voor ver­warming zullen gebruiken, voor het smelten van metalen en nog vele andere zaken, dan zal ook dat laatste oordeel, dat zij zichzelf zullen bereiden, voor de deur staan. Het meeste zullen zij te lijden hebben die zullen wonen in de grote steden van de dan heersende machten der aarde. Blijft allen daarom steeds in de zachtmoedigheid en dee­moed en daardoor in de ware naastenliefde, dan zal geen oordeel over u verwekt worden. Want daar waar in die tijd de mensen in Mijn orde zullen leven, daar zal geen laatste oordeel verschijnen.

 

4.

 

Verklaringen van teksten uit de Schrift

 

'Ik zal u niet als wezen achterlaten, Ik kom tot u!' (Joh.14:18)

 

(Ontvangen door Jakob Lorber)

 

Waaraan zal in de aangeduide tijd de werking van de Heilige Geest te herkennen zijn? Misschien aan de menselijk wijze staats - en oorlogswetten, of zelfs aan de menigvuldige ker­kelijke discipline wetten? Waarlijk niet! Omdat in dat alles niet Ik, maar de wereldlijke voordelen der heersers de oorzaak zijn. Alles wil heersen, keizer, koning, vorst en van hen naar beneden toe min of meer allen. Weliswaar moet er een keizer zijn, een koning, een vorst; maar niet omwille van het heersen zullen zij er zijn, maar opdat de volken door hun leiding tot Mij geleid worden. Maar zo worden zij alleen maar van Mij weg geleid en naar de wereld ge­keerd, worden zij niet sterk maar slechts zwak gemaakt, opdat zij dan in hun zwakheid des te gemakkelijker te over­heersen zijn. Is dat soms de werking van de Heilige Geest, wanneer de heerser in zijn onderdanen niets anders dan in zekere zin lijfeigenen ziet, die zijn woord op ieder gewenst moment kan vernietigen, wanneer hij het maar uitspreekt? De heerser moet een leider en trooster van zijn volk zijn en dient het wetten te geven die op begrijpelijke wijze van de Mijne zijn afgeleid. Dan zou hij een waarachtige regent zijn en de Heilige Geest zou met hem samenwerken, zoals hij eerder met waardige regenten heeft samengewerkt. Maar in de uitvinding van allerlei machines die de mensenhanden overbodig maken, in de buitensporige opvoering van de in­dustrie' in het opstellen van grote krijgsmachten werkt de Heilige Geest in eeuwigheid niet! - Dat alles was ook vóór de zondvloed ten tijde van Noach aan de orde van de dag door de werking van de wereld geest, welke de duivel is in zijn volheid. Evenzo ging het ook toe in Sodom en Gomorra en in Babylon.

Maar wie zal willen beweren dat de Heilige Geest dat zou hebben bewerkstelligd? Daarom volgde dan ook op zulke aan de Heilige Geest tegenstrijdige handelwijze, altijd een geweldig oordeel. Dat houd Ik ook nu al gereed om u te tonen, dat Mijn Heilige Geest in de tegenwoordige hande­lingen van de wereld beslist nergens aanwezig is, en der­halve deze wereld er als een volkomen wees bijstaat.

Maar Ik laat haar nog enige tijd stijgen, totdat zij de juiste valhoogte bereikt zal hebben. Dan volgt een bliksem van de opgang tot de ondergang en in dat licht zal blijken, hoe velen in de wereld aanwezig zijn! Als dat zo is, waar zijn dan wel degenen, die Ik niet als wezen wil achterlaten? Ik zeg: Die zijn er hier en daar ook wel, maar zij zijn nu haast zeldzamer geworden dan kroondiamanten. Zij leven eenvoudig, van de wereld zo veel mogelijk teruggetrokken; hun vreugde en het voorwerp van hun gesprekken ben Ik! Omdat de mond overloopt waar het hart vol van is. Dezen zijn waarachtig geen wezen; want Ik ben immers temidden van hen en beleer hen Zelf. Zij horen altijd Mijn stem en herkennen haar als die van de goede herder en niet als die van een huurling, die zij niet volgen, omdat het de stem van een valse profeet is. Dezen zijn het ook, voor wie Mijn woord gesteld is. Ik behoef derhalve ook geen wereldse geleerden en geen wereldse wetgevers, maar slechts dee­moedige, Mij liefhebbende harten. Waar Ik dat vind, daar zal Ik ook al het andere aan toevoegen, en dat zeker op een betere manier dan dat de wereld het uitvindt. Dan zal alles een werking van de Heilige Geest zijn, en er zullen geen wezen meer in de wereld zijn. Waarlijk, het zijn in die tijd slechts zeer weinigen, wier oor voor Mijn stem ont­vankelijk is! ­

 

2.

 

Alsdan zal aan de hemel verschijnen het teken van de Mensenzoon'

 

(Matth. 24:30)

 

Weet u dan niet, welk onderscheid tussen de tekens en de Mensenzoon bestaat? En weet u niet wat er wordt verstaan onder de 'hemel'? Waarlijk, u zoudt niets dwazers kunnen bedenken dan te verwachten dat aan de sterrenhemel een kruisbeeld te zien zal zijn. Vraagt u zelf: Wat zou de wereld er aan hebben, al zou men niet slechts één, maar een heel legioen kruisbeelden aan de hemel zien? Zouden de men­sen daardoor beter worden in hun harten? Oh, wis en waarachtig niet! Zouden er niet spoedig geleerden bij de hand zijn om al deze produkten te verklaren als produkten van bedrog, en om te bewijzen dat al die aan de hemel zwevende kruisen geen andere dan een aërostatische oor­sprong hebben! Ziet, dit effect en nog vele andere zou zo'n verschijning in de geleerde wereld tevoorschijn roepen. Ja, er zouden zelfs wiskundigen zijn die trachten zulke ver­schijningen te verklaren langs de weg van de optiek. Maar wat zou de gewone man ervan zeggen? Ik zeg u: hij zou al spoedig als door bovenmatige angst verlamd verstommen. Want dan zou het voor hem toch zeker zijn, volgens de verkeerd gegeven leer, dat het laatste oordeel voor de deur staat. Dat zou dan het nut zijn van zulk een verschijning. Dat de zaak zo zou verlopen, kunt u al daaruit afleiden, wanneer u met enige opmerkzaamheid uw blikken richt op die tijdperken, waarvoor door zekere waarheidszoekende profeten reeds meerdere wereldondergangen voorspeld werden. Hoe daar de mensen deels vertwijfeld waren, deels lachten en zich deels hebben overgegeven aan de veelvraat en andere soorten brasserijen! Maar wanneer lege profetie ­en al zulke kwalijke toestanden teweeg brachten, wat zou dan wel een reusachtig groot kruis onder de sterren teweeg brengen?

Er wordt echter onder 'hemel' verstaan de gehele geloofs­waarheid naar het woord, hetgeen de kerk is in haar echt­heid. En het teken van de Mensenzoon is de uit deze kerk weer opnieuw ontwaakte liefde met al haar hemelse attri­buten, zoals: barmhartigheid, geduld, zachtmoedigheid, deemoed, overgave, gehoorzaamheid en het dulden van alle bezwaren van het kruis. Ziet, dit levende teken van de Mensenzoon zal aan de hemel van het innerlijke eeuwige leven verschijnen, en zal niet doden, maar boven alles be­zielen. Weliswaar zullen bij die gelegenheid de aan de we­reld verslaafde geslachten van de aarde huilen, jammeren en weeklagen, omdat al hun helse bedrog niet meer in tel zal zijn. Die van Mijn teken zijn, zullen met de wereld­handelaren, de makelaars en bankiers niet veel meer te doen hebben. Want zij zullen hun ogen alleen daarheen richten, waar zij de Mensenzoon zullen zien komen op de wolken van de hemel met grote macht en heerlijkheid: in het levende Woord in de harten der mensen, hetgeen Mijn eeuwige liefde is in haar volheid en derhalve van grote macht en heerlijkheid. En de 'wolken des hemels' is de ein­deloze wijsheid zelf in dit levende woord. Ziet, dit is dus in het kort de uitleg van deze schrifttekst. Deze wolken zullen aan gene zijde u zelf opnemen in Mijn Rijk en zij zullen voor eeuwig uw woning zijn. Dat betekent dat u pas daar in de hoogste zaligheid de grote macht en heerlijkheid van de Mensenzoon volledig aanschouwelijk zult herkennen.

 

3

 

'Zie, I k ben bij u, alle dagen'

 

(Matth. 28:20).

 

'Niet slechts één teken, maar meerdere zult u te allen tijde hebben, dat Ik in de geest altijd bij u, temidden van u en in u tegenwoordig ben. En deze nooit bedriegen de tekens zullen altijd de volgende zijn:

Ten eerste, dat u Mij meer liefhebt dan al het andere op de wereld. Want wanneer iemand van het een of het ander op de wereld meer houdt dan van Mij, die is Mij niet waard. Maar wie Mij werkelijk boven alles lief heeft, die is door zulke ware liefde in Mij en Ik ben in hem.

Een tweede teken van Mijn tegenwoordigheid bij u zal ook zijn, dat u uit liefde tot Mij uw naasten en medemensen jong en oud even lief hebt als u zelf. Wie zijn naaste niet lief heeft, die hij ziet, hoe kan die dan God in Mij liefhebben, die hij niet ziet? Al ziet en hoort u Mij nu ook, u zult Mij vanaf nu op deze wereld toch niet meer zien. En wanneer u Mij niet meer zult zien, zal dan uw liefde blijven, zoals die nu is, waar u Mij ziet? Bij u zal de liefde inderdaad blijven; maar ziet erop toe, dat zij ook bij uw nakomelingen zo zal blijven! Indien Mij iemand waarachtig in zijn hart boven alles zal liefhebben daardoor, dat hij zal leven en handelen naar Mijn hem geopenbaarde wil, tot hem zal Ik als per­soonlijk in de geest komen en Ik zal Mij aan hem als aan­wezig openbaren.

Een derde teken van Mijn tegenwoordigheid bij, in en te­midden van u zal ook zijn, dat u altijd alles gegeven wordt waarom u de Vader in Mij in Mijn naam ernstig zult vragen! Maar het spreekt vanzelf, dat u Mij niet om nietige zaken van deze wereld zult bidden. Want wanneer u dat zoudt doen, laat u duidelijk zien, dat u om zulke zaken meer geeft dan om Mij; dat zou dan werkelijk geen teken zijn van Mijn tegenwoordigheid bij u.

Een vierde teken van Mijn krachtige tegenwoordigheid zal ook zijn, dat het, wanneer u de lichamelijk zieke mensen uit ware naastenliefde in Mijn naam de handen zult opleg­gen, met hen beter zal gaan, indien de beterschap tot heil van hun ziel nuttig zal zijn. Het spreekt ook hier vanzelf, dat u daarbij altijd in het hart zegt: 'Heer, niet mijn, maar slechts Uw wil geschiede!' Want u kunt niet weten of en wanneer de beterschap van het lichaam voor het heil van een ziel van nut is. Een eeuwig leven op deze aarde in het lichaam is voor geen mens weggelegd; ook kan het opleggen van handen niet altijd en ieder mens van zijn lichaams­kwalen bevrijden. Maar u zult desondanks geen zonde doen, wanneer u iedere zieke de u getoonde liefde bewijst: de helper zal Ik heus wel zijn, indien het voor het zieleheil der mensen dienstig is, hetgeen alleen Ik kan weten.

Wanneer u van verre hebt vernomen, dat een vriend van u ziek op bed ligt, dan bidt u voor hem en legt hem in de geest de handen op, en hij zal zo ook beter worden. En daarbij zal het slechts in het hart uit te spreken gebed bestaan uit de volgende weinige woorden: 'Jezus, de Heer moge u hel­pen! Hij moge u genezen door Zijn genade, liefde en barm­hartigheid!' Wanneer u dat vol geloof en vertrouwen in Mij over een zich nog zo ver af bevindende zieke zult uitspre­ken, en daarbij over hem in de geest uw handen houdt, dan zal het met hem van stonde af aan beter gaan, wanneer dat voor zijn zieleheil van nut is.

En een vijfde teken van Mijn tegenwoordigheid zal ook zijn, wanneer u Mijn wil altijd doet, u in uzelf de wedergeboorte van de geest zult bereiken. Dat zal een ware levensdoop zijn, omdat u daarbij met Mijn geest wordt vervuld en daar­door in alle wijsheid wordt ingeleid. Naar dit vijfde teken streve een ieder vooral! Aan wie zich dit teken zal bewijzen, die zal reeds in deze wereld het eeuwige leven hebben. Die zal dat kunnen doen en scheppen, wat Ik doe en schep, want hij zal één zijn met Mij. Nu heb Ik u een teken van Mijn tegenwoordigheid getoond. Handel ernaar, dan zult u bij, in en temidden van u Mijn geest binnenkort waarachtig gewaar worden.

Ik zal in de geest, in het woord en in de waarheid bij de Mijnen blijven! En wie zich bevinden in grote liefde tot Mij, zullen Mij ook persoonlijk op momenten te zien krijgen. Zij, die naar Mijn woord leven en zorgvuldig naar de inner­lijke waarheid zoeken, met hen zal Ik spreken door het be­grip van hun hart, en Ik zal Mijn woorden leggen in hun gemoed. De in Mijn naam goed opgevoede jongelingen en meisjes zullen gezichten zien, waarin hen Mijn wezen, de hemelen en het eeuwige leven verklaard worden, alsook het lot van de afvalligen en bozen. En zo zal Ik verblijven bij de Mijnen tot aan het einde van deze aarde!' ­

 

5.

 

De 'Antichrist'

 

(ontvangen door Gottfried Mayerhofer, 1871)

(Tekst: Openbaring Johannes, Hoofdstuk 11.)

 

Ik wil u vooreerst duidelijk maken dat in Mijn leer en woorden verreweg meer heil en zegen ligt, indien er ook naar geleefd wordt, dan wanneer u alle schalen van toorn uit de profetieën van Johannes zoudt kunnen uitleggen. Zo veel kan ik u zeggen, dat de aarde samen met haar hele mensheid zich in het proces van scheiding bevindt. En dat alles, wat er binnenkort gaat gebeuren, weliswaar in die pro­fetieën beschreven staat, maar niet in die zin in vervulling gaat, zoals u het wilt uitleggen. 'De dagen verkorten' bete­kent - juist wegens de uitleg van Mijn woorden - de rei­niging der aarde van haar slechte elementen te bespoe­digen, hetgeen al sinds geruime tijd gebeurt; en u leest ook telkens van de 'Antichrist'. De meesten zijn van mening dat dat een persoon is. Zouden zij de wereld slechts met open ogen bezien, dan zouden zij heel veel 'Antichristen' zien, omdat er maar heel weinig de eigenlijke navolgers van Christus of van Mijn leer zijn, en ook deze zijn nog bij bena­dering niet zo als ze eigenlijk zouden moeten zijn.

De eigenlijke 'Antichrist' is de algemeen heersende zucht naar heel andere dingen dan Mijn leer predikt. Het is de heersende neiging van zovele mensen, van wie alleen het hoofd werkt en het hart tot zwijgen is gedoemd. Dus moet  u het 'hoofd' of het berekenende verstand (als geestelijk principe) als 'Antichrist' beschouwen, die allang op aarde huis houdt en met verleidelijke argumenten de mensen wil verklaren, dat alleen datgene wat het verstand kan bevatten en belichten waar is. Maar dat wat het hart voelt of ver­moedt, zou alleen vluchtige neveldamp van een opgewon­den fantasie zijn! Daarvandaan de leer der materialisten als de laatste trap van de verstandswijsheid. Daarvandaan de zucht naar genot en middelen om dat te kunnen bevre­digen. Vandaar de verachting van al het edele, goede en ver­hevene, vandaar het 'weten en geen geloof!' En toch verge­ten de mensen wat Ik eens gezegd heb: 'Uw weten is alle­maal half werk!'

Al deze beelden in de Apocalyps van Johannes zijn geeste­lijke figuren, zijn heersende epidemische geestesziekten, die dan de mensen drijven en regeren. Om deze openba­ringen te willen ontcijferen moet een mens zich op een heel wat hoger standpunt denken dan waartoe hij nu in staat is. Hij moet vanuit Mijn standpunt de geestelijke, innerlijke wereld van de op deze aarde in een lichaam gehulde zielen zien en begrijpen. Hij moet zien, hoe zich de geestelijke stro­ming beweegt, hoe Ik die dan voor Mijn doelen gebruik, en hoe in plaats van dat wat de mensen willen, slechts op Mijn grote doel wordt aangestuurd! Kan hij zich tot dit standpunt verheffen, dan zal hij ook begrijpen wat het be­tekent: 'Zij doodden de profeten en lieten ze 3 1/2 dag op straat liggen'. Dat wil zeggen: Toen de mensheid de leer van Mijn uitverkorenen hoorde, wilde zij die niet aannemen en ze hoonde Mijn schrijvers en knechten of beschouwde ze als niet bestaand, als doden. Zij wees Mijn leer af of liet haar 'open op straat' liggen, niet aan haar gelovend, maar haar ook niet helemaal verwerpend. Tot na een korte tijd (figuurlijk 3 1/2 dag) de waarheid toch weer zegevierde, of de doodgewaande weer levend werd, daar zijn tehuis zocht, waar hij vandaan was gekomen, namelijk tot Mij opsteeg. Wie de zin der woorden begrijpt, te weten wat zij geestelijk betekenen, zal ook gemakkelijk de stad 'Babylon' of de 'plaats der geestelijke dwalingen' herkennen.

Wie zich in Mijn armen werpt, kan rustig toezien, wat er ook moge komen. Hij weet dan dat het voor de bestwil van de verdwaalde kinderen is. Wanneer hij uit Mijn woor­den kan aflezen dat de wereld zo niet kan bestaan, omdat Ik haar voor dit doel niet heb geschapen, dan zal hij ook be­grijpen, dat Ik moet wederkomen, om tenminste te redden wat nog te redden is! Waarom ook hij geen ander doel zal nastreven dan zich voor te bereiden, opdat hij waard zal worden bevonden om tot Mijn 'kinderen' te worden gere­kend en niet met het overige vuil van de aarde zal worden weggevaagd en verdelgd!

 

6.

 

De huidige geestelijke zondvloed

 

(ontvangen door Jacob Lorber, 1849)

 

Hier spreekt tot u, Die u heeft geschapen, verlost en gehei­ligd door Zijn woord en door Zijn geest:

Over de aarde gaat nu een geestelijke zondvloed, zoals een­maal voor 4000 aardejaren ten tijde van Noach een mate­riële is gegaan. Die doodde het vlees, maar deze doodt ziel en lichaam. Deze vloed doodt de ziel door de geest van de heerszucht, welke zich nu - zoals eens de watergolven ­uit het binnenste van de aarde en uit de lucht, te weten uit de boze geesten ervan uitstort en de zielen welke erdoor worden overspoeld, verderft met de heerszucht.

Deze vloed is als vuur, en is hetzelfde vuur, waarvan ge­schreven staat (11 Petrus, hfdst.3), dat de wereld daardoor voor de tweede keer algemeen geoordeeld zal worden. Maar wilt u door deze erge vuurvloed niet gegrepen wor­den, blijft dan dicht bij Mij. Oordeelt niet nu eens zus, dan weer zo, en zegt ook niet: Deze of gene, deze of die par­tij, of de groten of de kleinen hebben gelijk. Want Ik zeg u: niemand heeft gelijk dan alleen hij, die zich noch heen, noch weer buigt, maar recht en rotsvast bij Mij blijft en alles aan Mij alleen overlaat. Wat daarboven gaat is zonde!

Dit moet allemaal zo komen omwille van Gods woord, hetgeen is Mijn woord, dat Ik Zelf voor Jeruzalem heb ge­sproken over Jeruzalem en hetzelfde over de hele wereld. Er zullen nog grote dingen geschieden. Veel erge dingen zult u nog zien en ook erover horen praten. Het ene volk zal het andere vervloeken en de ene partij zal voor de an­dere galgen bouwen. Zij, die nog tot voor kort elkander als vrienden begroetten, zullen elkaar verraden, de zoon de vader, en de vader de zoon! Maar velt over niemand een oordeel, laat alles aan Mij alleen over, dan zult u zich in Mijn vredesark bevinden, waarin u niets ergs van deze tijd zal kunnen bereiken.

Wie van u heeft dan macht, om iets te bewerkstelligen in deze wereld? Wanneer hij oordeelt over de ene partij en die overwint, zal zij hem dan niet grijpen en rekenschap vra­gen? En houdt hij het op de andere en overwint de eerste, zal die dan niet net zo handelen met hem, die tegen haar was? Omdat Ik tot nu toe nog voor geen partij de overwin­ning heb voorbestemd dan alleen aan die, die het met Mij houdt, zo onthoudt u zich dan ook van elke lof en van elk verwijt! Wie u moet loven, of wie u moet laken, weet Ik alleen, en Ik zal eenieder geven naar zijn werk!

Wanneer er een macht heeft overwonnen, dan gehoor­zaamt die macht, die heeft overwonnen. Want zij zou geen macht zijn, als zij het niet was uit Mij! Wanneer Ik het oor­deel van Pilatus heb aangenomen en Mij niet verzet heb, waar het toch om Mijn eigen lichaam ging, mort u dan niet in uw veiligheid over datgene wat nu gebeurt. Zonder Mijn wil valt geen spreeuw van het dak en zelfs al uw haren op uw hoofd zijn geteld. Hoe zouden dan deze dingen kunnen gebeuren, helemaal zonder Mijn wil? Maar wanneer het Mijn wil is daarom, omdat het de wereld zelf zo wilde en nog wil, dan is het ook Mijn zorg, hen te behoeden, die aan Mij vasthouden en alles aan Mij overlaten. Weet u dan niet, dat Mijn raadsbesluiten onpeilbaar en ondoorgronde­lijk zijn?

Ik hoef u niet weer te vertellen wat er nog alles zal gebeu­ren. Want er kan nog heel veel gebeuren, maar ook heel weinig, afhankelijk van de vraag of de mensen zich tot Mij of van Mij af zullen wenden. Het zwaard heeft al erg huis­gehouden, maar wanneer de mensen nog langer in de vloed van de heerszucht zullen drijven, zal Ik nog een andere engel zenden, namelijk de honger- en tevens pest engel. Deze lessen zullen de mensen zeker heel andere begrippen bijbrengen dan die, waarmee zij nu behept zijn.

Laat uw devies nu zijn: 'Geeft de keizer wat van hem is, maar geef boven alles aan Mij, wat van Mij is'. Dan zult u met de wereld en met Mij Zelf het allerbeste klaarkomen en zult u in alles waarachtig Mijn kinderen zijn. Amen.

 

7.

 

De krachten der hemelen zullen in beweging komen

 

Mijn kinderen! Er staat geschreven: 'En de krachten der hemelen zullen bewogen worden'. Er geloven veel mensen dat de sterren van de hemel zullen vallen; maar dat zal niet gebeuren, want dit heeft een heel andere betekenis.

Er zijn nu van vele planeten en zonnewerelden zielen op de aarde geïncarneerd. Van deze zielen zijn er heel veel in de ergste materie verzonken, waarin zij het geloof aan een hoogste, persoonlijke God helemaal verloren hebben, ter­wijl zij juist omwille van het zoeken naar deze God hier­heen zijn gekomen. Hun familie, ja alle bewoners van die werelden, bidden zonder ophouden voor hen, die zijn uit­gegaan om de 'Grote Geest' als de 'goede, liefdevolle Vader' te vinden, en hen bericht van Hem te brengen. - Wat zal zo'n ziel dan wel moeten zeggen, wanneer zij terugkomt? Velen keren niet eens terug na de dood van hun lichaam, omdat zij zich te vast aan de materie hebben geklampt. Deze komen dan door Mijn barmhartigheid op een andere plaats, waar zij geleidelijk aan gereinigd en vrij worden.

Maar nu dienen toch zij, die van boven zijn gekomen, de weg tot Mij te vinden en die ook aan hen van beneden te to­nen. Doch vaak hebben juist degenen die van boven zijn ge­komen alle ellende op deze aarde gebracht. Nu komt de tijd,  dat Ik de bewoners van de grote planeten en zonnen het zicht op de aarde zal openen en hen het standpunt zal dui­delijk maken van hen, die zijn uitgegaan om Mij te zoeken en op deze aarde zijn gekomen.

Dan zullen zij geweldig in opwinding geraken en deze op­winding zal zich uitstrekken van Venus tot aan de Urka. Dan zal het zijn, dat de 'krachten der hemelen in beweging komen', en er zal een geweldige roep van alle kanten tot de bewoners van deze aarde gaan. Een geest zal alles om­waaien, en er zal een stormwind gieren van Oost tot West en alle starre en sterke geesten buigen, en niets zal weer­stand kunnen bieden aan deze sterke storm. Dan zal ook Ik tot de Mijnen komen als hun heilige Vader. Amen.

 

8.

 

Het duizendjarige rijk

 

(ontvangen door Jacob Lorber, 1864)

 

'Ik heb ervoor gezorgd, dat Ik als de enige ware Christus bij de mensen tot ware innerlijke levensbetekenis zal wor­den. En dat zal de ware rots zijn, die de macht van de hel niet kan overwinnen: Ik zal zijn de hoeksteen, die de vele bouwers links en rechts hebben verworpen. Wee hem, die zich zal stoten aan deze hoeksteen, hij zal barsten als een breekbare pot. En op wie de hoeksteen zich zal storten, die wordt verpulverd tot stof en as! En daarmee zal komen Mijn tot nu toe helemaal verkeerd begrepen duizendjarige rijk.

Wie in het bijzonder de vorm van de oude Arabische cijfers oplettend beziet, zal in hun gestalte, wat beeldspraak be­treft, heel iets anders zien dan alleen maar die duizend een­heden bij het getal duizend.

Het getal 1000 stelt met haar één Mij voor in de menselijke persoonlijkheid; en de drie op de één volgende nullen beel­den Mij uit in de volheid van de goddelijke drievuldigheid. En dus is de uitdrukking 'duizend jaar' zo te verstaan, dat het getal 1000 Mij Zelf uitbeeldt in de volheid van Mijn Godheid. Maar het woord 'jaar' stelt de tijd voor, waarin Ik tot aan het einde aan de top van de heerschappij zal blijven en ten dele Zelf, ten dele door velen van Mijn nieuw ge­wekte knechten de volken van deze aarde zal leiden en aan­voeren. Zij (de mensen in zulk een gezegende periode) zul­len weliswaar ook hun vrijheids levensproef moeten door­lopen. Evenals nu en zij zullen met de materie veel strijd moeten leveren. Maar na doorstane gevechten zullen zij met het kleed der onsterfelijkheid worden bekleed. Gij staat zo te zeggen in de grote overgangstijd.

Gelukkig is hij, die dat in zijn hart gelovig aanneemt en zich niet ergert over de vele in deze wereld voorkomende duivel­se praktijken. Die zullen niet lang duren, want Ik zal ze omwille van Mijn uitverkorenen zeer bekorten, en zij zullen Mij daarvoor prijzen en zij zullen jubelen. Ik zal rechtvaar­dige heersers niet van hun tronen stoten, maar hen met Mijn geest vervullen, en het zal daardoor één kudde en één herder zijn, opdat alles in vervulling zal gaan, wat Ik ge­durende Mijn aardse leven aan de mensen voorspeld heb.

 

9.

 

Over het zevenvoudige komen des Heren

 

(uit: 'Haushaltung Gottes', hfdst. 46)

Oergeschiedenis der mensheid

 

(ontvangen door Jacob Lorber, 1840)

 

Ik zal zeven maal komen; maar de zevende keer zal Ik komen in het vuur van Mijn heiligheid. Wee degenen, die dan onzuiver bevonden zullen worden; die zullen voortaan nergens meer zijn, dan alleen in het eeuwige vuur van Mijn toorn!

Ziet, eens was Ik er al bij het begin van de wereld, om te scheppen alle dingen voor u, en u voor Mij. Spoedig zal Ik wederkomen in grote waterstromen, om de pest van de aarde af te spoelen; want de laagten van de aarde zijn Mij een gruwel geworden vol vuile modder en vol pest, welke opgekomen is uit uw ongehoorzaamheid. Dan zal Ik ko­men ter wille van u, opdat niet de hele wereld te gronde zal gaan en er een lijn zal bestaan, waarvan Ik de laatste loot zal zijn. En zal voor de derde maal veelvuldig tot u komen (Abraham, Mozes en de profeten. De uitg.), zoals nu talloos vaak, soms zichtbaar, dan weer onzichtbaar in het woord van de geest, om Mijn wegen voor te be­reiden. En Ik zal voor de vierde keer komen in grote nood, lichamelijk, in de grote tijd der tijden. En Ik zal meteen daarna voor de vijfde keer komen in de geest van de liefde en alle heiliging (Pinksteren). En Ik zal voor de zesde keer innerlijk komen tot eenieder, die in zijn hart naar Mij  een waar, ernstig verlangen zal dragen, en Ik zal een leider zijn van degenen, die zich vol liefde gelovig door Mij zullen laten leiden tot het eeuwige leven. Dan zal Ik echter ook verder van de wereld af zijn; maar wie wordt opgenomen, die zal leven en Mijn rijk zal eeuwig met hem zijn.

En tenslotte zal Ik nog een keer komen, zoals reeds gezegd; die laatste komst zal dan voor allen hoe dan ook een blij­vende komst zijn.

Hoort en begrijpt het goed: blijft in de liefde; want die zal uw redder zijn. Hebt Mij lief boven alles; dat zal uw leven zijn voor eeuwig. Maar hebt ook elkander lief, opdat u het oordeel worde kwijtgescholden. - Mijn genade en Mijn eerste liefde zij met u tot aan het einde der tijden! Amen.

 

10.

 

Het grote en nieuwe Jeruzalem

 

(De Heer:) 'De uit de hemelen op deze aarde teruggekeerde lichtzuil* (* Heeft betrekking op een voorafgegane lichtverschijning, die de Heer aan Zijn discipelen naar haar geestelijke betekenis uitlegt).ben Ik in de geest van Mijn levend woord, dat Ik in de toekomst in de harten van die mensen zal leggen, die Mij liefhebben en Mijn geboden zullen onderhouden. Tot hen zal Ik Zelf komen en Ik zal Mij aan hen openbaren. En zo zullen zij allen opnieuw door God beleerd zijn.

De deling van de zuil in talloos vele delen betekent de open­baring van de innerlijke geestelijke zin van al Mijn woorden en leren, welke Ik vanaf het begin van het mensengeslacht aan de mens door de mond van de oervaders, van de pro­feten en zieners en nu Zelf heb gegeven.

Uit vele van zulke gedeeltelijke openbaringen van de inner­lijke, geestelijke zin van het woord Gods zal zich dan eerst een ware en grote licht- en levensleer samen vormen, en de­ze leer zal dan het grote en nieuwe Jeruzalem zijn, dat uit de hemelen tot de mensen zal neder komen. En zij die in de nieuwe leer zijn en zullen leven, zij zullen wandelen in het nieuwe Jeruzalem en zij zullen er eeuwig in wonen, en hun zaligheden zullen zonder grenzen zijn en nooit ophouden. Want Ik Zelf zal bij hen zijn, en zij zullen de talloos vele heerlijkheden aanschouwen van Mijn liefde, wijsheid en al­macht.

Maar er zal vanaf de ondergang van deze oude stad Jeruza­lem tot aan de tijd van de nieuwe stad Gods op aarde weinig licht onder de mensen op aarde zijn. Want er zullen maar al te vlug een groot aantal valse profeten en priesters in Mijn naam opstaan en zij zullen valse wonderen bewerken en de mensen verleiden en verblinden. Ja, de Antichrist zal zulke dingen met behulp van de koningen der aarde doen, zodat zelfs Mijn uitverkorenen, indien Ik het zou toelaten, ver­leid zouden kunnen worden om hun knieën voor de nieuwe Baäl te buigen. Maar Ik zal dan weer een grote verdrukking onder de mensen laten komen, zoals er nog niet een ge­weest is onder de zon. Dan zal de Baäl gelijk de grote hoer van Babylon omver geworpen worden en het licht van het levende woord in de harten van vele mensen zal dan komen en de benauwden en gebogenen oprichten en verlossen en zij zullen zich allen verheugen in het nieuwe licht en Mijn naam lofprijzen.

In die tijd zullen de mensen veelvuldig contact hebben met de reine geesten van Mijn hemel, en deze zullen hun leraren zijn en hen in alle geheimen van het eeuwige leven in God onderwijzen, hetgeen u in derde verschijning aldus werd ge­toond, dat u door de twaalf poorten mensen zag in - en uit­gaan.

De twaalf poorten betekenen nu echter niet meer, dat de stad gebouwd zou zijn uit de twaalf stammen van Israël, maar uit de twaalf grondbeginselen van Mijn leer, en deze bestaan uit de tien geboden van Mozes en uit Mijn twee nieuwe geboden der liefde; want deze zijn de poorten, waar­door de toekomstige mensen in de nieuwe licht- en levens­volle stad Gods zullen binnengaan.

 

Alleen wie deze Mijn geboden zal onderhouden, die zal ook deze stad binnengaan en hem zal licht en leven gegeven worden; maar wie de geboden niet zal onderhouden, die zal ook niet in deze nieuwe stad kunnen komen. Aldus ken­merken ook de twaalf soorten edelsteen, waaruit de muur om de grote stad gebouwd was, weer deze twaalf geboden. Deze twaalf geboden zijn derhalve voor de mensen niet alleen de deuren tot het licht en het leven, maar zij zijn ook de onverwoestbare bescherming en beschutting ervan, die de poorten en machten van de hel of het materieel wereldse nooit kunnen verwoesten of overwinnen.

Tegelijkertijd hebt u bij de verschijning ook opgemerkt, hoe de stenen van de muur ook een fel licht in alle kleuren uitstraalden. Dat gaf aan, dat in de aan u gegeven twaalf geboden ook alle gradaties van de goddelijke wijsheid aanwezig zijn, en derhalve kan de mens alleen door het on­derhouden van de twaalf geboden tot volledige wijsheid ko­men. Want de geboden bevatten alle wijsheid uit God, en omdat zij alle wijsheid uit God bevatten, bevatten zij ook alle goddelijke macht en kracht en wel daarom, omdat deze geboden de wijste en almachtigste wil en daardoor de hoogste vrijheid inhouden.

Wie zich dus door het onderhouden van de geboden de wil van God heeft eigen gemaakt, die heeft zich ook de godde­lijke macht en de goddelijke vrijheid eigen gemaakt en die heeft de toestand van de ware wedergeboorte van de geest bereikt en is als een waar kind van God, zo volkomen als de Vader in de hemel zelf.

En zo zeg Ik u dan nu allen, dat u door een nauwkeurig naleven van de geboden ernaar zoudt moeten streven om reeds hier op aarde zo volmaakt te worden als de Vader in de hemel volmaakt is, dan zult u ook dat en nog grotere  dingen kunnen doen dan Ik nu zelf doe. En wanneer u zich in die toestand bevindt, dan zult u reeds van tevoren bur­gers van het nieuwe Jeruzalem zijn.

 

Verklaring van het tweede hoofdstuk van Jesaja

 

(De Heer:) 'Dit is het wat Jesaja, de zoon van Amoz, zag aangaande Juda en Jeruzalem: De berg, waarop het huis des Heren is, zal in de laatste tijd hoger zijn dan alle bergen en boven alle heuvelen verheven worden en alle volkeren zul­len derwaarts stromen'. (Jes. 2 : 1 - 2)

Ziet, Ik ben de berg der bergen, waarop het ware huis Gods staat. Maar wat is het huis? Dat is Mijn woord, dat Ik al door alle profeten tot u, Joden, gedurende meerdere eeuwen heb gesproken en nu Zelf door de mond van een mensenzoon spreek. Ik ben derhalve de berg, en Mijn woord is het bewoonbare huis op die berg, en om ons heen staan de heidenen van alle delen der aarde, die hierheen zijn gekomen, om de berg te zien en om woning te nemen in zijn uiterst ruime huis. Maar voor de Joden, zoals die nu zijn, is dat werkelijk de laatste tijd, omdat zij de berg en zijn huis schuwen en de leiders het zelfs dreigen te verwoesten. Maar Jesaja spreekt dus verder: 'Vele volkeren zullen (d.w.z. in de toekomst) er heen gaan en zeggen: komt, laat ons op de berg des Heren gaan en naar het huis van de God van Jacob, opdat Hij ons Zijn wegen lere en wij dan wandelen op zijn paden; want van Sion zal de wet uitgaan en van Jeruzalem Zijn woord!' (Jes.2:3)

Dat hier met Sion (Z'e on = Hij wil) eveneens de berg, dus de Heer of Ik, en met Jeruzalem het huis Gods op de berg, dus Mijn woord en Mijn leer is te verstaan voor nu en in al­le toekomst, dat zal nu wel niet meer aan twijfel onderhevig zijn.

Maar wie zijn dan wel de volkeren, die zeggen: 'Komt, laat ons op de berg des Heren, d.w.z. tot de Mensenzoon of Godmens, gaan en tot het huis van de God van Jacob, opdat Hij ons Zijn wegen lere en wij dan wandelen op Zijn paden!'

Ziet, deze volkeren zijn die mensen, die zich in alle toe­komst tot Mij zullen bekeren, zich Mijn woord toeëigenen en Mijn wil zullen doen; want Mijn woord wijst de wegen tot het leven, en de voetsporen zijn Mijn wil, die door het woord aan de mensen is bekend gemaakt. Het nauwkeurige opvolgen daarvan is uiteraard aanzienlijk moeilijker dan het slechts luisteren naar Mijn woord, zoals het zeker ook heel wat gemakkelijker is om op een brede en effen straat te wandelen, in plaats van op een smal en vaak zeer steil pad.

Maar wie in zichzelf op de hoogste van alle bergen wil komen en daar in Mijn levend woord, hetgeen het huis van God is op die berg, die moet niet enkel op de weg, die naar de berg leidt wandelen en daar op blijven staan, maar die moet zich ook op de smalle en vaak zeer steile paden begeven; want alleen langs deze weg komt hij helemaal boven op de berg en daar in het levende huis van God.

Wat dit betekent heb Ik u nu al verklaard, zoals ook, wat de profeet eigenlijk met Z'e on en met Jeruzalem bedoelt; want daarom zegt hij ook, dat van Z'e on de wet, dus Mijn wil, en van Jeruzalem, of natuurlijk van Mijn mond, Mijn woord zal komen.

Wie dus Mijn woord, dat Ik te allen tijde door de profeten tot de mensen heb gesproken, hoort, het aanneemt en er­naar leeft, die komt daardoor tot Mij en dus ook tot het levende woord en zijn kracht; want Ik Zelf ben immers het levende woord en zijn kracht, en alles, wat de eindeloze ruimte bevat is ook slechts Mijn levend woord en zijn eeu­wige kracht en macht'.

Hierop zei een man van de groep Farizeeërs, die op de Olijf­berg naar Mij toe waren gekomen en die een schriftgeleerde was: 'Heer en Meester, uw verklaring van de twee verzen was zo helder als de zon van de middag, en mij werd alles begrijpelijk en duidelijk; maar nu komt het vierde vers, en dat luidt als volgt:

'En de Heer zal richten onder de heidenen en straffen de volkeren. Dan zullen zij hun zwaarden tot ploegscharen en hun spiesen tot sikkels vormen; want geen volk zal tegen het andere het zwaard meer opheffen, en de mensen zullen voortaan niet meer oorlog leren voeren',

Wie zijn nu de heidenen en wie de volkeren die, nadat zij eenmaal bestraft zullen zijn, met elkaar geen oorlog meer mogen voeren? Deze volkeren moeten nog in een verre toe­komst geboren worden; want de tegenwoordige generaties met hun trotse, hebzuchtige en heerszuchtige koningen zullen oorlogen voeren tot aan het einde van de wereld',

Ik zei: 'U bent weliswaar een schriftgeleerde die de wetten en alle profeten goed in het geheugen heeft, maar van het begrijpen ervan in de ware geest is bij u nog nooit sprake geweest! U hebt de brede, effen weg betreden; maar op het smalle pad, dat naar de berg van de ware kennis leidt, hebt u nog geen voet gezet.

Wie door het handelen volgens de wet niet op de volle hoog­te van de berg des Heren en in het huis van God of tot het innerlijke levende woord uit God en tot Gods levende woord in zichzelf komt, die begrijpt ook niet de ware, inner­lijke, levende geest van de wet en van de profeten!'

 

Verklaring van de toekomstbeelden van Jesaja

 

De schriftgeleerde zei: 'Maar waarom hebben toch alle pro­feten zo verborgen gesproken en geschreven? Er moest hen toch het meest aan gelegen zijn, dat hun woorden door de mensen begrepen zouden worden!'

Ik zei: 'Dergelijke tegenwerpingen zijn enkele dagen gele­den ook op de Olijfberg gemaakt, en Ik heb u de onge­grondheid ervan duidelijk gemaakt; daarom hoef Ik hier het reeds eerder gezegde niet te herhalen.

Wat voor een Godswoord zou dat wel zijn, als het geen innerlijke betekenis had?! Of kunt u zich een mens voor­stellen, die geen ingewanden zou hebben? Leert toch alle­maal eens echt wijs te denken! Maar Ik zal u nu de hier aan de orde zijnde ware zin van het vierde vers van Jesaja ver­klaren, en luister er nu dus goed naar!

'De Heer, die Ik ben in het woord, zal richten onder de hei­denen en straffen vele volkeren',

Wie zijn de heidenen, en wie de volkeren? - De heidenen zijn al diegenen die de ene ware God niet kennen en in plaats van Hem dode afgoden en de Mammon van deze wereld aanbidden en het meest vereren. Door zulke mensen is het Jodendom aan alle kanten ingesloten, waarheen u ook in de wereld wilt gaan - naar de richting van de  ochtend, de middag, naar de avond of naar middernacht -, u zult alleen maar heidenen van alle soorten en geslacht aantreffen! U weet echter, hoe nu van alle kanten van de wereld de heidenen van hoge en lage stand en van heinde en verre tot Mij zijn gekomen. Zij hoorden Mijn woord en zagen Mijn tekens, werden vol geloof, namen Mijn leer aan, en Mijn woord richt en oordeelt onder hen, waardoor zij ophouden heidenen te zijn en overgaan naar het getal der gezalfden van God en tot het getal van het ware volk Gods. Maar ook zij zullen niet blijven zoals zij beleerd en toebe­reid zijn; want er zullen alras valse profeten uit hen op­staan, die ook tekenen zullen doen, vorsten en koningen in hun ban zullen trekken, zich spoedig een grote wereld­macht zullen toeëigenen, en met vuur en zwaard de mensen zullen vervolgen, die zich niet tot hen zullen willen beken­nen en zij zullen zich tenslotte splitsen in vele sekten en partijen, en dat zijn dus de vele volkeren die Ik als de Heer zal straffen wegens hun liefdeloosheid, hun valsheid, hun zelfzucht, hun hoogmoed, hun stijfkoppigheid, hun heers­zucht en hun kwalijke onmin en wederzijdse vervolgingen en oorlogen. Totdat die tijd zal komen, duurt het nog een tijd, zoals het vanaf Noach tot nu toe heeft geduurd.

En zoals het was ten tijde van Noach, waar de mensen vrij­den en zich lieten vrijen, grote feesten en gastmalen hielden, zich hoog lieten eren en verwoestende oorlogen voerden tegen hen, die zich niet wilden buigen voor hun afgoden, waar dan spoedig de grote vloed kwam die de daders van het euvel allen deed verdrinken, zo zal het ook zijn in die toekomstige tijd.

Maar dan zal de Heer met het vuur van Zijn ijver en van Zijn toorn komen en al de daders van het euvel van de aar­de vagen. Dan zal het zo ver komen, dat de ontziene rein en en goeden en de ware vrienden van de waarheid en het licht uit God van de zwaarden ploegscharen, en van de spiesen sikkels zullen maken en dat de kunst om oorlog te voeren helemaal wordt opgegeven, en er zal dan voortaan geen waar gezalfd volk tegen het andere nog een zwaard ophef­fen, behalve dan de nog ergens in de woestijnen der aarde overgebleven heidenen; maar ook deze zullen gemaand en dan van de aarde weggevaagd worden.

Dan zal de aarde opnieuw gezegend worden. Haar bodem zal honderdvoudige vrucht dragen van alles, en aan de oud­sten zal de macht gegeven zijn over alle elementen.

Zie, aldus is volgens de geest voor deze aarde het vierde vers te verstaan, dat u als schriftgeleerde nog wel voor zo onbegrijpelijk hebt gehouden!

Maar binnen deze natuurlijke ware, geestelijke zin is even­wel nog een diepere, zuiver geestelijke en hemelse zin ver­borgen, die u nu met uw nog pure wereldverstand niet kunt bevatten, en die ook niet met woorden is duidelijk te maken. Zodra u dan op de berg des Heren het huis van God zult zijn binnengegaan en dan van dat 'huis van Jacob' zult komen, waarover de profeet spreekt in het korte vijfde vers, dan pas zult u wandelen in het ware licht van de geest uit God. - Zeg Mij, of u dat alles nu beter begrijpt dan voordien!'

 

Verklaring van Jesaja 2 : 6 - 22

 

(De Heer:) 'De woorden van de profeet luiden verder: 'Maar Gij hebt uw volk, het huis van Jacob, verstoten, want zij bedrijven (de goddeloosheid) meer dan die van het Oos­ten, en zijn wichelaars gelijk de Filistijnen, en hebben be­hagen in de kinderen der vreemden. Hun land is vol zilver en goud, en aan hun schatten is geen einde; hun land is vol paarden en aan hun wagens is geen einde. Ook is hun land vol afgoden, en zij aanbidden het werk hunner handen, hetwelk hun vingers gemaakt hebben. Daar buigt zich de geringe neder, daar verootmoedigen zich de aanzienlijken; dit zult Gij hun niet vergeven. Ga naar de steenrots en ver­berg u in de aarde, voor de schrik des Heren en voor zijn heerlijke majesteit'.

(Jes. 2 : 6 -10)

 

Deze vijf verzen horen bij elkaar, omdat zij de ellendige toestand van de kerk ofvan het huis van God op aarde aan­geven, zowel bij de Joden, die er voor deze tijd waren, als ook bij degenen, die na ons zijn en zullen komen.

De traagheid in de naleving van de geboden Gods is de reden waarom Ik het toelaat, dat Mijn volk het huis van Jacob op de berg des Heren loslaat en het handelen der meest ruwe en trage volkeren, die in de morgenlanden als wilde dieren huizen, heel getrouw nadoet.

En wat nu de Farizeeërs en soortgelijke Joden doen, dat zullen ook onze nakomelingen doen: Zij zullen in het volk een groot aantal dagen vaststellen, waaraan zij een bijzon­dere kracht en werking zullen toedichten, en wie daar tegen zal getuigen, die zullen zij te vuur en te zwaard bestrijden. Ook zullen zij wichelaars zijn, zij zullen voor geld de men­sen geluk en ongeluk voorspellen en zich daarvoor buiten­gewoon laten prijzen en betalen; want zulk nutteloos werk brengt tenslotte toch nog meer geld op dan ploeg en sikkel. Opdat hun gemakkelijke inkomsten nog groter worden, zullen zij, zoals nu de Farizeeërs, hun apostelen uitzenden over de hele wereld en de vreemdelingen tot hun kinderen maken. Deze waren reeds als duistere heidenen niets tot nut; maar wanneer zij dan tot het ware wereld-filisterdom geraken, dan zullen zij nog honderd maal erger worden dan zij voordien al waren!

Daardoor zal hun duister land vol goud en zilver worden, en hun begerigheid naar de schatten van deze wereld zal geen einde en geen doel hebben, en zo ook hun heerszucht en oorlogswoede niet, - hetgeen de profeet in het beeld door de talloze paarden en wagens onder woorden brengt. Ook zal hun heersersterritorium vol afgoden en tempels zijn, zoals dat, ondanks de persoonlijke waarschuwing van God, Salomo de wijze reeds heeft gedaan, die ter wille van zijn vreemde vrouwen afgodentempels om Jeruzalem liet bouwen. Voor zulke afgoden zullen de blinde dwazen bui­gen en zij zullen het werk van hun eigen handen en vingers aanbidden in de domme veronderstelling God daarmee aangenaam te worden. En wie dat niet zal doen, die wordt lichamelijk op leven en dood vervolgd. Want er zullen veel koningen zijn die zich voor de grotere glans van hun tronen zullen bezighouden met de onzin van de wereldfilistijnen en zij zullen te vuur en te zwaard de altijd weinige vrienden van het licht en de levende waarheid vervolgen.

En zie, de Heer zal komen en zulke volkeren straffen, die in Zijn naam zovele mensen hebben verdrukt!

Dan zal opeens van alle kanten het ware, levende licht op­duiken en de vrienden van de nacht zullen voor altijd ver­slagen worden. Zij (de groten en machtigen der aarde) zul­len weliswaar vluchten naar de rotsen en zich onder hun onvruchtbare aarde begraven, uit vrees voor de waarheid en de majesteit van de Heer, maar het zal hun weinig baten. Nu spreekt de profeet weer verder en zegt luid:

'Want de hoogheid van der mensen ogen zal vernederd, en der lieden trotsheid zal gebogen worden, en de Heer alleen zal hoog zijn in die tijd. Want de dag des Heren Zebaoth zal gaan over alles wat hovaardig en hoog, en over alles wat verheven is, opdat het vernederd worde; ook over alle hoge en verheven cederen op de Libanon, en over alle eiken van Basan; over alle hoge bergen, en over alle verheven heuvelen; over alle hoge torens, en over alle vaste muren; over alle schepen van Tarsis, en over alle kostelijke arbeid; zodat alle hoogheid der mensen vernederd en alle trotsheid der lieden gebogen worde, en de Heer alleen hoog zij in die tijd. En met de afgoden zal het geheel uit zijn. Dan zal men in de holen der steenrotsen gaan en in de kloven der aarde voor de schrik des Heren en voor zijn heerlijke majesteit, wanneer Hij zich opmaken zal om de aarde te verschrikken. In die tijd zal ieder zijn zilveren en gouden afgoden, die hij zich had laten maken om ze te aanbidden, wegwerpen in de holen der mollen en voor de vleermuizen, om te gaan in de reten en kloven der steenrotsen, voor de schrik des Heren en voor zijn heerlijke majesteit, wanneer Hij zich op­maken zal om de aarde te verschrikken. Zo laat nu af van de mens, in wiens neus adem is; want hoe hoog is hij te achten? (Jes. 2 : 11 - 22)

 

Wel, hier hebt u de hele, gemakkelijk te begrijpen verklaring van het hele tweede, hoogst opmerkelijke hoofdstuk van de profeet Jesaja! De laatste verzen spreken voor zich zelf, als men de betekenis van de voorgaande goed begrepen heeft. Maar Ik zeg u, dat het waarlijk zo zal gebeuren reeds nu in deze tijd en dan na ongeveer negentienhonderd jaar weer in volle omvang; want er bestaat zelfs in Mijn raad geen ander middel, omdat de mens de volste vrijheid van wil ge­laten moet worden, dan alleen dit ene, waarmee men van tijd tot tijd de menselijke traagheid vruchtdragend kan tege­moet treden. Zij is de wortel van alle zonden en ondeugden. - Hebt u dat goed begrepen?

U zult er nu wel minder vreugde in u over gevoelen, - maar de komende volkeren een des te grotere, wanneer hun op­nieuw deze boodschap gegeven wordt in hun grote verdruk­king en in die tijd, waarin zich het ene volk tegen het an­dere zal verheffen om het te verdelgen. - Maar hierover zal ons nog het volgende hoofdstuk meer licht verschaffen! Nu zegt Mij, hoe u deze van het grootste belang zijnde zaak hebt opgevat! Ik zeg 'van het grootste belang', omdat Ik u dat, als Mijn aanstaande opvolgers, vooral op het hart wil drukken, om u zelf en al uw discipelen voor de traagheid te behoeden' .

 

Verklaring van het 3 e hoofdstuk van Jesaja

 

De toestanden in een geordende gemeente

 

(De Heer:) 'Ook dit volgende hoofdstuk heeft zijn profete­rende geldigheid voor nu en voor het vervolg van die tijden, die Ik u al eerder heb bekend gemaakt.

Aldus luidt het eerste, veelbetekenende vers van de profeet: 'Zie, de Heer Zebaoth zal van Jeruzalem wegnemen allerlei voorraden en zo ook van heel Juda, alle voorraad van brood en alle voorraad van water!'

De uitdrukking 'Jeruzalem' betekent hier het tegenwoor­dige Jodendom, hoe het nu is en allang voordien ook al was; maar met 'Juda' zijn bedoeld de toekomstige generaties, die dan door het aannemen van Mijn leer tot de stam der Joden gerekend worden. Deze zullen door hun traagheid ook in nog hogere mate hetzelfde lot moeten ondergaan als nu in mindere mate de Joden.

Met het wegnemen van de broodvoorraad wordt bedoeld: het wegnemen van de liefde en barmhartigheid, en met het wegnemen van de watervoorraad wordt bedoeld: het weg­nemen van de ware wijsheid uit God, en het gevolg daarvan zal zijn, dat zij allen in grote dwaling en duisternis van de ziel zullen wandelen en dat niemand de ander raad zal kun­nen geven; en wanneer de een de ander raad zal geven, dan zal degene die raad vraagt en licht behoeft het toch niet ver­trouwen en hij zal zeggen: 'Hoe kun je tegen mij over het licht spreken, je bevindt je in dezelfde duisternis als ik'. Dat dan de mensen door hun eigen schuld ten gevolge van hun traagheid volledig hulpeloos zullen zijn, verkondigt de pro­feet getrouwelijk in de volgende verzen, waarin hij zegt:

‘Alzo zullen hen ontnomen worden helden en krijgslieden, rechters, profeten, waarzeggers en oudsten; raadslieden en wijze werkmeesters en schrandere welsprekende mannen en aanvoerders over vijftig en aanzienlijke lieden'.

Ik zet hier opzettelijk de aanvoerders en aanzienlijke lieden aan het einde, in plaats van meteen bij het begin van het derde vers, en Ik heb daar Mijn reden voor. En verneemt nu de toelichting!

Wie zijn dan wel die helden en krijgslieden? Dat zijn zulke mensen als eens David was, vol geloof en vertrouwen in Mij, en de krijgslieden zijn mensen, die door het geloof en ver­trouwen van hen helemaal geestdriftig worden, zodat zij altijd de overwinning behalen op alle vijanden van het goede en ware uit God.

Maar wanneer bij de mensen het volledige gebrek aan het levende water uit de hemelen een feit is geworden en alle vlees zich met zijn zielen in de grootste duisternis bevindt, wie zal dan onder de mensen een goede en rechtvaardige rechter zijn? Wie zal de gave der profetie hebben? En ook als iemand die nog voor zich zou hebben, wie zal hem ge­loven zonder innerlijk verstand, dat het zo is? Wie zal voor de geestelijk blinden en doven kunnen waarzeggen? En wie zal de duistere mensheid wegens voortreffelijke wijsheid tot een ware oudste kiezen en tot hun herder willen maken? Begrijp dus deze zaak goed!

Van wie brood en water in de geestelijke betekenis is weg­genomen, die is daardoor alles ontnomen; want wie God met geestelijke blindheid straft en tuchtigt, die is het meest gestraft en getuchtigd. Want die is daardoor alles ontnomen en hij staat er volledig radeloos en hulpeloos bij. Dat is dan ook wel het uiterste middel, waarmee de te sterk toegeno­men traagheid van de mensen en al hun vele ondeugden steeds het meest doelmatig tegemoet getreden kan worden. Dat de mensen zich met het wegnemen van het geestelijke brood en water werkelijk in de grootste ellende moeten be­vinden, en wat hen daardoor verder nog ontnomen is, daar­van getuigt de profeet nog verder in het derde vers, waar hij nadrukkelijk zegt: De mensen zal genomen worden ook de raden of raadgevers en de wijze werkmeesters op alle ge­bieden van de menselijke behoeften, dus ook de verstandige sprekers, die anders met hun wijsheid veel goeds hebben gebracht.

Maar het kwalijkste van de zaak is het wegnemen van zo'n vijftig aanvoerders! Wie zijn deze, en wat heeft het getal vijftig ermee te maken? Dat zullen we nu spoedig zien. Wanneer wij ons een zeer grote en volkomen geordende gemeenschap van mensen voorstellen, dan moet die, wan­neer zij op alle gebied goed verzorgd wil zijn, alles bij elkaar van ouds her voor haar levensbehoeften zo'n vijftig taken verzorgen. Wat daar bovenuit gaat, behoort reeds tot de hovaardij, en wat daar onder is, dat is reeds zwakte, tekort en armzaligheid. Opdat iedere afzonderlijke taak van de genoemde behoeften nuttig vervuld en onderhouden

wordt, moet zij ook een kundige aanvoerder als opzichter en leider aan de top hebben, die op het terrein waarop hij werkzaam is van het begin tot het einde goed bekend is; ontbreekt deze en staat er op zijn plaats een ondeskundige, dan zal deze tak van de behoeften spoedig voor de hele gemeente slechte of helemaal geen vruchten meer dragen. Maar hoe kan een grote gemeenschap nog bestaan, wan­neer zij door haar traagheid en slordigheid tenslotte alle vijftig aanvoerders kwijt zal zijn? Ik zal het u zeggen: net zo, als de grote gemeenschap van Joden nu bestaat, waarin alleen zekere dieven en rovers nog iets bezitten en zich ten koste van de armsten vol mesten en voor hun buiken zorgen, waarvoor dan duizenden in de diepste armoede hulpeloos versmachten. Want waar is de wijze aanvoerder, die voor hen zou zorgen en hen brood en werk zou kunnen geven in een of andere tak van handwerk? Zie, deze is er niet in heel veel takken, en dus is er ook al het andere niet! Er zijn ook nu weliswaar nog bepaalde aanvoerders, die aan het hoofd staan van verschillende takken, maar niet voor het volk, alleen voor zich zelf; dat zijn daarom slechts dieven en rovers en geen goede aanvoerders zoals ten tijde van Mijn richteren.

U hebt nu gezien hoe het uiterlijke en innerlijke welzijn van de mensen van een grote gemeenschap afhankelijk is van de aanvoerders in de verschillende takken van behoef­ten; maar van wie hangt een juiste benoeming van de ge­noemde aanvoerders af in een grote mensengemeenschap, in een land dat geregeerd wordt door een vorst of een ko­ning? Dat is van een wijze koning!

Wat zegt nu de profeet, wat de Heer voor de trage, godde­loze gemeenschappen nog zal doen?

 

Hoort, zijn woorden luiden aldus: 'Ik, spreekt de Heer, zal hen jongemannen tot vorsten geven, en kinderen zullen over hen heersen! En de volkeren zullen elkaar en ieder zal zijn naaste verdrukken, en de jongere zal zich verheffen tegen de oudere, en de verachte tegen de aanzienlijke'.

(Jes. 3 : 4 - 5).

De woorden van de profeet spreken hier voor zich en zijn zo duidelijk en waar, dat zij geen nadere verklaring behoe­ven; slechts op de grote en klaarblijkelijk meest boze gevol­gen kan Ik u wijzen, hoewel die ook gemakkelijk vanzelf te vinden zijn. Wanneer bij zo'n wirwar in een land op zo'n moment alle levensomstandigheden in de grootste wan­orde verkeren en alle mensen van een gemeenschap door de nood tot de grootste ontevredenheid zijn geraakt, dan zal er ook voortdurend niets ontziende verontwaardiging zijn. Het volk ontwaakt, staat op en jaagt de vorsten en de zelf­zuchtige aanvoerders op de vlucht of zal ze zelfs wurgen. En dan is waarheid geworden, zoals men zegt: 'Het ene volk trekt tegen het andere op'.

Want de mens laat zich door zijn trage aard zó lang alle druk welgevallen, als hij in zijn blindheid nog zijn maag met hoe schrale kost dan ook kan vullen; maar wanneer eens ook dat ophoudt en hij niets dan de hongerdood voor ogen heeft, dan ontwaakt hij zeker en wordt tot een van honger in woede ontstoken hyena. En zo ver moet het ko­men, opdat de mensheid tot ontwaken kome.'

 

De ineenstorting van de valse godsdienstgebouwen verklaard uit Jesaja 3 : 6 - 27

 

(De Heer:) 'Nu is alles verwoest en afgemaakt. Ieder die op een of andere manier ervan kan worden beschuldigd, dat ook hij door zijn onbarmhartige zelfzucht tot het algemene ongeluk der volkeren heeft bijgedragen, valt helaas ten offer aan de volkswraak. Maar wat dan? De mensen hebben nu geen, helemaal geen enkele leider meer, geen goede en geen kwade. Zij bevinden zich in volkomen anarchie, waar­in tenslotte iedereen kan doen en laten wat hij wil; maar een ander, een sterker iemand, kan hem op zijn beurt ook weer naar hartelust straffen!

Dan zullen de meer verstandigen bij elkaar komen en zeg­gen: 'Zo gaat het niet, en zo kan het ook niet blijven! Wij, die wijzer en machtiger zijn, willen tot overeenstemming komen en het volk ertoe brengen dat het met ons een wijs hoofd zal kiezen. En het is een groot huis, waarin twee broeders zijn met veel ervaring!' Wat gebeurt daar verder? De profeet zal het ons heel duidelijk zeggen! En wat zegt de profeet?

Luister! Hij zegt: 'Dan zal iemand zijn broeder uit zijns va­ders huis aangrijpen en zeggen: Jij hebt kleren (kennis en ervaring), wees onze vorst en geef uitkomst in deze wan­orde!' Maar hij zal in die tijd zeggen en zweren: Hoort, ik ben geen arts, en er is noch brood (geloofswaarden), noch kleed (geloofswaarheid) in mijn huis! Stelt mij derhal­ve niet tot vorst aan over het volk! Want Jeruzalem neigt ten val, en Juda (de latere tijd) ligt eveneens te neer; want haar tong en haar daden zijn tegen de Heer en zij weer­streven het licht van Zijn wijsheid. Dat is voor iedereen zichtbaar en duidelijk. Zij schamen zich niet over hun da­den en zij beroemen zich op hun zonde als ten tijde van Sodom en Gomorra en zij verbergen ze niet. Wee hun ziel, want zij brengen zich zelf in alle ongeluk!'

 

Maar de gekozen vorst, die Ik ook Zelf zou kunnen zijn, zegt verder: 'Gaat heen en predikt eerst aan de rechtvaar­digen, dat zij goed worden, en zij zullen dan de vruchten van hun werken eten! Maar wee de tragen en goddelozen; want die zijn altijd boos, en het zal hen vergolden worden naar hun werken, en zoals zij het hebben verdiend. Hoort, daarom zijn kinderen vorsten van Mijn volk, en zelfs vrou­wen heersen over hen. Mijn volk, uw (valse) troosters ver­leiden u (zie Rome!) en verwoesten de weg die gij moet gaan. De Heer staat daar om te richten, en is (nu) opgetre­den, om de volkeren te berechten. En de Heer komt naar de rechtbank met de oudsten van Zijn volk (de Schrift) en met Zijn vorsten (de ontwaakten van de laatste tijd); want gij (Farizeeërs en Romeinen) hebt de wijnberg bedorven, en de roof van de armen is in uw huis.

Waarom vertrapt gij Mijn volk, en waarom slaat gij nog meer de persoon van de ellendigen? Aldus spreekt (nu) in volle ernst de Heer.

En de Heer spreekt verder: Daarom, omdat de dochters van Sion trots zijn (de valse leren van de hoer van Babylon) en met opgericht hoofd en met geschminkte aangezichten gaan, trots rondlopen en (gelijk een hongerige hond) kwis­pelen en kostbare schoenen aan hun voeten hebben, daar­om zal de Heer de kruinen van de dochters van Sion kaal maken (het verstand nemen), en Hij zal haar tooisel weg­nemen.

 

In die tijd zal de Heer hen ook de sieraden van de kostba­re schoenen (de blindelingse gelovigen) wegnemen en de haakjes (trouwe aanhangers) en de spangen (de verschil­lende medailles), de kettingen, armbanden en de sluiers (als het bijgeloof), de lovertjes, de borduurselen, alle gou­den koortjes, reukballetjes, de oorringen, de ringen en haar­linten, de feestkleren, de mantels, de gewaden en de (grote) buidels, de spiegels, de versierde kragen, de boorden en de kielen (allemaal de glinsterende ceremonie van de hoer van Babylon). Dan zal er in de plaats van goede reuk stank zijn, in de plaats van de goede ceintuur een losse band, in de plaats van krullend haar (slangenslimheid van de hoer van Babylon) een kaal hoofd, en in de plaats van een wijde mantel zal een nauwe zak komen; en dat alles zal zij krijgen in plaats van haar veronderstelde schoonheid.

Uw gepeupel zal door het zwaard vallen, en uw soldaten in de strijd. En haar poorten zullen treuren en klagen (om­dat er niemand meer onderdoor zou willen gaan), en zij zal jammerlijk zitten op de grond. En in die tijd zullen de oor­logen de mannen zo schaars maken, dat dan zeven vrouwen één man zullen grijpen (of uit de zeven sacramenten wordt er maar een) en zullen zeggen: Wij willen ons zelf voeden en kleden, maar laat ons slechts naar uw naam genoemd worden, opdat onze schande van ons worde afgenomen!'

En zo ziet dan, Mijn vrienden: wat de profeet daar heeft gezegd, dat zal zeker zo in vervulling gaan, zo zeker en waar als Ik u dat nu zelf heb verklaard. Want de mensen kunnen over een grote lengte van tijd de waarheid niet verdragen, worden moe en zakken altijd weer terug in hun oude, oor­deel en dood brengende traagheid, en er valt dan werke­lijk niets anders te doen dan de mensen door uiterste middelen weer te wekken en ze weer in de oude werkzaam­heid op de wegen en paden van het licht en van het leven te zetten.

Daarom zeg ik het u nu nog eens: Waarschuwt de mensen vooral voor de geestelijke traagheid; want met haar treden dan alle euvels in werking, waarvan de profeet heeft gespro­ken, en 1 k moet het helaas toelaten! Denkt erover na!'

 

Het getal 666

 

(De Heer:) 'Ik wil u een maat aangeven, waarnaar u en ieder ander kan weten, hoe hij zal omgaan met de eigen­liefde, hoe met de liefde tot de naaste en hoe met de liefde tot God.

Neem het getal 666, dat in goede en slechte verhoudingen of een volmaakte mens of een volmaakte duivel voorstelt.

Deel nu de liefde in de mens precies in 666 delen. Geef God daarvan 600, de naaste 60 en uzelf 6, dan hebt u de verhou­ding van de volmaakte mens. Maar wilt u een volmaakte duivel zijn, geef dan God 6, de naaste 60 en uzelf 600!'

 

11.

 

De openbaring van Johannes

 

Tekst: En er verscheen een groot teken in de hemel: een vrouw, bekleed met de zon, de maan onder haar voeten, en op haar hoofd een kroon van twaalf sterren. En zij werd zwanger, schreeuwde in barensnood en had pijn en weeën van de geboorte. - En zij baarde een kind, een zoon, die alle volkeren zou gaan regeren met ijzeren scepter. En haar kind werd ontrukt tot God en Zijn troon.

Hfdst. 12 : 1, 2, 5

 

(Ontvangen door Jacob Lorber)

Wat zou die 'vrouw' toch zijn, die in de hemel met de zon bekleed verschijnt? Die 'vrouw' is het edele beeld van een mens zonder voortplantingskracht, maar wel in staat tot voortbrengen en ontvankelijk. Dus is deze vrouw een volkomen evenbeeld van de mens en derhalve geen karika­tuur, geen vertekend beeld van de mens.

Zo is ook Mijn leer, die toch zeker wel in de meest volko­men hemel verschijnt, omdat zij in Mij is en uit Mij voort­vloeit, evenals de vrouw een meest volkomen evenbeeld van de geestelijke mens is, op zich zelf niet tot voortplan­ting in staat, maar de mens wordt door haar bereid al het goede uit liefde te ontvangen, hetgeen is de reine, hemelse, goddelijke liefde als het eeuwige geestelijke leven uit Mij, hetwelk is het 'kind', waarmee Mijn leer bevrucht wordt in het hart van de mens.

Er is hier echter beslist alleen van Mijn zuivere leer sprake als van een volmaakte, hemelse vrouw, dus niet van een dwaalleer en niet van een apewijfje. Dat deze volmaakte vrouw of Mijn zuivere leer zeker met de zon of met Mijn Licht van alle licht bekleed is, omdat zij uit Mij Zelf voort­komt, dat zal toch zeker wel heel natuurlijk zijn!

Maar omdat deze meest volmaakte, hemelse vrouw of Mijn zuivere leer slechts tot opneming van de hemelse liefde uit Mij in staat is, treedt zij de maan, zijnde het symbool van de eigen - of wereldliefde, met de voeten als een aan haar hemelse aard volledig tegengestelde polariteit. En zo is zij ook getooid met twaalf 'sterren' of met de tien geboden van Mozes en daarboven met de twee geboden der (Christen -) liefde, en zeker niet met de twaalf apostelen en ook niet met de twaalf stammen van Israël, maar - zoals gezegd ­getooid met alle twaalf wetten van het eeuwige leven.

De vrouw, of de daadwerkelijke liefde uit Mij in de mens wordt en is reeds zwanger. Waarmee? - Hebt u nooit iets over de wedergeboorte gehoord? Staat er niet: 'Wie niet wordt wedergeboren uit de geest, die kan in het rijk Gods niet ingaan!?'

Ziet: het kind, waarvan de vrouw zwanger is, is de zuivere goddelijke liefde, die echter door de veelvuldige zelfver­loochening de uiterlijke mens veel pijn doet, totdat deze hemelse liefde in de geest van de mensen door zichzelf rijpt tot de heerlijke wedergeboorte voor het eeuwige leven.

 

Men moet zich echter niet voorstellen dat de leer naar de letter als de genoemde vrouw zwanger zou worden, want alleen de levende, daadwerkelijke leer, in het geloof van de mensen opgenomen, is de genoemde zwangere vrouw, uit wie de goddelijke liefde als een nieuw kind wordt geboren, en dat is dan de wedergeboorte tot het eeuwige leven.

 

Dat kind is dus een jongen! Waarom dan geen meisje, dus een vrouw in wording? - Omdat in deze liefde, zoals in de man en niet in de vrouw, de scheppende voortplantings­kracht ligt en liggen moet.

Dit kind, of de uit Mijn leer geboren goddelijke liefde in de geest van de mens, zal dan met ijzeren scepter of met de meest onbuigzame goddelijke kracht alle volkeren of alle uitdagingen en zinnelijke hartstochten van de wereld tem­men; het zal daardoor uit Mijn kracht de geest van de mens, al zijn genegenheid tot Mij trekken, en hij zal zijn geluk­zaligheid putten aan Mijn troon, welke eeuwig de ware wijs­heid uit Mij is!                                          .

Ziet, dat is de zeer begrijpelijke zin van deze verzen; zo moet alles in dit enige ware licht worden gezien en be­grepen.

 

12. Verklaring van de openbaring  van Johannes

 

(Ontvangen door Gottfried Mayerhofer, 1875)

 

De openbaring van Johannes is een afspiegeling van het menselijk gedrag op aarde vanaf Mijn overgang naar de geestelijke wereld tot nu toe en tot aan Mijn Wederkomst. Deze openbaring is al door zo velen verklaard, onderzocht en ontleed. En toch heeft nog niemand de goede sleutel om de boeken van dit heilige Woord te ontsluiten gevonden, of om de gebeurtenissen en tijdstippen juist te beoordelen, die alle na Mijn heengaan moesten komen, zolang de mens als vrij schepsel de eigen heer van zijn daden was. Thans, nu we bijna aan het eind van de hele profetie staan en het meeste al voorbij is, wil Ik u stap voor stap deze openbaring verklaren. Daarmee kunt u dan zelf beoordelen, hoe ver allen van de eigenlijke betekenis verwijderd waren, die alleen letterlijk wilden ontdekken, wat uitsluitend door ge­lijkenissen kan worden verklaard.

Zo lang de mens de verklaring of de geestelijke betekenis van de woorden - wat men gelijkenissen noemt - niet be­grijpt, is het zinloos Mijn woorden in de meest innerlijke betekenis te willen vatten. Zelfs de grote hoeveelheid nieu­we woorden, die u tot nu toe hebt ontvangen, getuigen van hetzelfde. Want hoe vaker men ze leest, des te geestelijker, vaak ook des te verschillender ten opzichte van vroeger, begrijpt men de inhoud. Men moet van het grondbeginsel uit gaan, dat Ik als hoogste Geest alleen geestelijk kan denken en spreken. En ook, dat Ik overeenkomstig het standpunt van de menselijke geest gedachten en ideeën in voor u begrijpelijke woorden kleed. Maar daarom is bij deze woorden - zoals u ze uitlegt en leest - dat nog lang niet hun laatste verklaring.

Zo liet Ik ook eens Johannes dit verhaal opschrijven, ter­wijl Ik Mijn ideeën aanpaste aan zijn bevattingsvermogen. Had Ik anders met hem gesproken, dan had hij Mij niet verstaan, Mijn woorden verkeerd geduid, of deze niet eens durven opschrijven - uit vrees het slachtoffer van een ver­gissing te worden.

Dus zijn in deze openbaring slechts symbolische beelden te vinden! Er staat de 'toorn Gods', de 'plagen' en nog meer van dat soort uitdrukkingen, die in die tijd zelfs bij de pro­feten vaker werden gebezigd, maar die niet letterlijk opge­vat hadden moeten worden. Ik, de God van liefde, kan noch toorn, noch haat of wraak oefenen; dat is beslist niet mogelijk, hoewel Ik als God door plotselinge vernietiging of door morele dwang alles onmiddellijk in de goede orde zou kunnen brengen.

Zou Ik soms in vuur en vlam geraken over zaken, die Ik Zelf zo en niet anders heb geschapen? Zou Ik soms een vloek uitspreken over schepselen, die - juist omdat Ik ze als vrije schepselen schiep - moesten falen en vallen, opdat zij de grote goddelijke eigenschappen en hun waarde door het tegendeel zouden leren kennen! Hoe zou men het licht naar waarde kunnen schatten, als men van schaduwen duisternis niets zou weten! Hoe de weldadige kracht van de warmte, als men koude niet kende! Hoe de verheven deugd, zedelijkheid, morele gevoelens begrijpen, wanneer er niet de tegenstellingen van zouden bestaan! Hoe de gedachte van de eigen vooruitgang begrijpen, wanneer men niet de weg naar beneden wist?

Ziet, daaruit blijkt dat in alle geschriften van het Oude en Nieuwe Testament nogal wat voorkomt, dat niet zo bedoeld is, als de letter aangeeft, maar aangepast aan de opvattingen van die tijd desalniettemin voor altijd de grote kiem van het geestelijke bevat. Daarom zullen de geesten in het hoogste hiernamaals en zelfs de geesten der engelen nog altijd iets hogers erin vinden, naar mate zij zelf hoger staan en naar mate hun eigen geestelijk inzicht groter is. Zo zijn al Mijn woorden voor altijd een rijke vindplaats van geestelijke schatten, die nooit een einde zullen nemen, omdat Ik als oneindige geest alleen het oneindige kon denken en spre­ken en door Mijn knechten kon laten opschrijven. Nu zul­len we dus een stap verder gaan en met de eerste hoofd­stukken van de openbaring beginnen.

Deze eerste hoofdstukken houden zich met de zeven ge­meenten bezig, die na Mijn overgang bestonden en die het eerst en het best tot basis zouden dienen om Mijn gods­dienst of de verklaring en uitlegging van de Joodse gods­dienstcultus te bewaren. Zij zouden aantonen hoe men van het formele en ceremoniële geleidelijk aan naar het geeste­lijke begrip zal overgaan om de in de Joodse religie neer­gelegde grondwaarheden hun echte, eigenlijke waarde terug te geven.

Deze gemeenten, die slechts uit weinig uitverkorenen be­stonden, waren als beginners - afgezien van vervolgingen door anders gelovigen - ook nog blootgesteld aan de fout  van verkeerde uitleg van Mijn woorden. Daarvandaan de symbolische vermelding, dat de leden van de afzonderlijke gemeenten zich aan hun leiders zouden vasthouden, die hen als sterren of lichten de weg zouden wijzen die zij moesten gaan. En ook dat de gemeenten (en de enkelingen), één met hun leiders, dan zelf 'lichten' of wegwijzers voor anderen mochten worden die nog in duisternis wandelden. In de volgende hoofdstukken volgen dan de vermaningen aan de afzonderlijke gemeenten. Zoals bij allen kwamen daar valse profeten, overijverige verspreiders en alle moge­lijke dwalingen van het menselijke hart voor, omdat de be­tekenis van Mijn woord door verschillende mensen ook verschillend werd opgevat. Verder verkeerden deze ge­meenten ook niet alle in dezelfde omstandigheden, gedeel­telijk onder elkaar, gedeeltelijk met hen, met wie zij moes­ten leven, en waren zo aan allerlei verzoekingen bloot­gesteld.

U zult in deze zeven gemeenten alle mogelijke verhou­dingen aantreffen, die bij vrij denkende mensen moeten plaatsvinden: het ijverige aanhangen van een geloofsleer alsook het ten dele afvallen daarvan, het enthousiaste op­nemen alsook het misverstaan, het weifelen tussen geeste­lijke en wereldse richting. Precies zoals u zelf, waar u toch ook een gemeente vormt, zelf kunt waarnemen, dat 'noch koud noch warm' bij u even toepasselijk is als eens voor meer dan duizend jaar. Zo zult ook u met de u omringende wereld in strijd geraken, hoe meer u Mijn leer wilt aan­hangen en uw doen en laten dan met de overige wereld in tegenstelling is. Zo was het met het stichten van iedere nieuwe godsdienstsekte, die van mening was een betere weg te zijn opgegaan. En zo is het nu bij u en zal het nog bij vele anderen zijn, die Mijn woorden graag aan de wereld dienstbaar zouden willen maken.

Iets is nog bij deze eerste hoofdstukken van veel betekenis, namelijk dat juist het getal zeven als geestelijk symbool is genoemd (Zeven sterren, zeven gemeenten, enz.).

Om het getal zeven wat dichter bij uw geestelijk oog te brengen, moet Ik u erop wijzen dat u toch reeds alle oneven getallen aan een nadere beschouwing dient te onderwer­pen, opdat u het belangrijke van deze en vervolgens de ge­tallen 3 of 7 beter kunt verstaan.

Ziet, wanneer men de zeven of de drie opmerkzaam bekijkt, zal opvallen, wil men iets symmetrisch beoordelen, dat bij de drie twee (afzonderlijke) elementen elk aan een kant, en bij de zeven drie elementen aan elke kant komen te staan:

( ---*---)

 

Want geestelijk gezien is slechts harmonie mogelijk, wan­neer er zich ergens een basis of een middelpunt bevindt, waaromheen zich alles beweegt, ervan afhankelijk is en erop steunt. Welnu, er is bij de drie steeds het middelste getal als middelpunt te plaatsen, waarvan de anderen rela­tief afhankelijk zijn en eruit voortkomen of pas door hem tot betekenis zijn gekomen. Evenzo met de zeven, waar drie aan elke kant de opbouwende, aanvullende en verbindende factoren van het geheel zijn.

 

Neemt Mijn zeven eigenschappen, dan vindt men de orde in het midden; want zonder orde kan niets bestaan, en zo is deze de steunpilaar van al het geschapene, indien het be­houden zal worden. U ziet, dat hierbij, hoewel orde uit lief­de, wijsheid en wil is voortgekomen, toch de orde de basis moet zijn van de ervoor en erna komende eigenschappen, namelijk de basis van de ernst, het geduld en de barmhartig­heid.

Neemt de eerste drie eigenschappen: liefde, wijsheid en wil, dan is weer de wijsheid evenals de orde de steunpilaar van de voorgaande. En neemt men de laatste drie, dan is geduld de hoofdzaak tussen ernst en barmhartigheid. Want wan­neer Ik vrije schepselen naar Mijn evenbeeld heb gescha­pen, dan moet vooreerst toch het geduld er zijn, opdat Ik niet Mijn eigen werk zou gaan verwoesten.

Wat Ik u hier van Mijn eigenschappen voorleg, kan men ook te weten komen in de wetten van de zeven kleuren en de zeven tonen, welke eveneens materiële gelijkenissen zijn van Mijn geestelijke eigenschappen.

Wij zullen nu overgaan tot de volgende hoofdstukken. Zoals de Openbaring grootse afbeeldingen van alle fasen van Mijn godsdienstleer voorstelt, zo moeten de verkla­ringen aantonen, hoe alles in zijn werk is gegaan. Hoe nu spoedig het duizendjarige rijk die harmonie zal bewerkstel­ligen, die eens tussen Mij en Mijn discipelen heerste, en die later tussen Mij en de hele mensheid gesticht wordt, opdat er slechts één herder en één kudde zal zijn.

 

Het volgende hoofdstuk bespreekt een visioen van Johan­nes, dat hem de Heer en Schepper toont als de hoogste der hemelen. Precies in de voorstelling, zoals de toen levenden het gewend waren te zien: zittend op een troon, omgeven door de oudsten en de hoogsten, die met gouden kronen getooid waren. Hier zien we weer, dat Ik, om begrijpelijk te zijn, Mij van de intelligentie van Johannes moest bedie­nen. Zo is ook het aantal van de oudsten 24, het aantal, dat in Jeruzalem voor de opperpriesters gold, waar de hele raad inclusief de hogepriester uit 25 personen bestond.

 

Wat betreft de vier dieren en de glazen zee, de dieren zelf zijn de belichaamde attributen van Mijn Eigen Ik: de leeuw als sterkte of almacht, het kalf als zinnebeeld van zacht­moedigheid, de mens als geestelijke potentie, en de adelaar als heerser over de universele ether. Wanneer deze dieren met veel ogen getooid zijn en ook vleugels als adelaars heb­ben, dan betekent dat de algemene heerschappij over hemel en aarde. De glazen zee betekent dan de alwetendheid, wat wil zeggen: Voor het oog van God is alles doorzichtig, en met de snelheid van een adelaar doorvliegt Zijn blik het hele universum. Met de kracht van de leeuw regeert Hij alles, met de zachtmoedigheid van een kalf vereffent Hij alle misstanden, en met de geest, gelijk een mens naar Zijn evenbeeld, veredelt en vergeestelijkt Hij alles, opdat zelfs het materiële eens daarheen komt, vanwaar het is uitge­gaan. En nadat alle krachten van de schepping bewust en onbewust zich voor de Enige Heer bogen, vielen ook de oudsten op hun knieën, welke de geestelijke wereld in het hiernamaals voorstellen om de Schepper de verschuldigde eer te betonen.

 

Zo werd Johannes eerst in figuurlijke gelijkenis getoond, wat de majesteit van God is, voordat hij in staat was te be­grijpen, wie Diegene was, die Hij op deze kleine aarde liet afdalen, om de mensen te redden voor het volledige verlies van hun geestelijke waardigheid. Dit is het begin van het grote gistingsproces, dat geestelijk op deze aarde werd inge­leid, opdat de zuivere leer in feite gesticht zou worden, waard, dat de Heer als menselijke aardezoon door Zijn grootste vernedering aan de aardbewoners opnieuw de hoogste menselijke waardigheid gaf.

Wat zich nu in het verloop der tijden daartegen teweer stelde en wat het eindresultaat van dat alles zal zijn, dat beschrijven de navolgende hoofdstukken in overeen­komstige beelden.

Zo, als het werkelijk gebeurde, dat het Goddelijke door de mensen eerst verheven, dan vernederd werd, - maar ten­slotte als geestelijke overwinning over de materie een blij­vend rijk van vrede en van rust zal brengen.

 

Het volgende hoofdstuk laat aan Johannes een boek zien, aan alle kanten beschreven, met zeven zegels vergrendeld. Dit betekent Mijn enige en ware leer, die Ik de mensen be­grijpelijk in twee geboden gaf. Deze verkondiging door de Mensenzoon als 'Lam' - zinnebeeld van onschuld en geduld, betekent het 'ontsluiten' van het levensboek, dat met Mijn zeven eigenschappen is, vastgemaakt, opdat Hij het aan de hele schepping en in het bijzonder aan de aarde­mensen bekend zou maken.

Het eerste zegel laat het beeld zien, hoe uit het boek een wit paard opsteeg als zinnebeeld van Mijn alomvattende liefde, gekroond door alle andere eigenschappen, en met een boog, om ook de hardste harten te verwonden, opdat zich alles eens in liefde zou oplossen. Uit liefde werd de wereld geschapen, uit liefde kwam Ik naar de aarde, en uit liefde zal de eerste grondsteen bestaan, die Mijn goddelijke leer op aarde zal stichten, en die nooit te overwinnen zal zijn.

Het tweede zegel bracht een rood paard, zinnebeeld van de wijsheid of menselijk gezegd, van het verstand, de oordeels­kracht, die kritisch alles wil afwegen. Zij zal de goddelijke, hemelse leer met het materiële bestaan vergelijken en zal daardoor de verschillen zichtbaar maken. Derhalve zal niet vrede, maar strijd het resultaat zijn, hoe de menselijke harts­tochten met de principes van de geestelijke zielemens in conflict komen, waardoor dan fanatisme aan de ene alsook aan de andere kant, godsdienstoorlogen in het uiterlijke en gewetensstrijd in het innerlijke verwekt worden - als nood­zakelijk gevolg, waar twee uitersten als tegenstellingen te­genover elkaar staan.

Het derde paard, dat te voorschijn komt, was zwart en had een weegschaal in de hand. Het was de vaste en gerechte wil, die zich had voorgenomen het einddoel ongestoord door alle hindernissen na te streven. De wil is ook gelijk aan de gerechtigheid, die de daden afweegt, en waar de goe­den zichzelf belonen en de slechten zichzelf bestraffen. Ge­rechtigheid zou overal moeten heersen, in geloofsaange­legenheden alsook in het sociale leven. Ik als Christus leer­de de mensen om hun ontvangen leer beter te verstaan. Ik leerde hen de liefde en de wijsheid, welke de liefde in de juiste maat 'wijst'. Ik leerde hen tolerantie of gerechtigheid jegens allen, en derhalve zijn deze drie zegels de sleutel, hoe Mijn leer zich zou moeten uitbreiden, wanneer zij de ver­edeling van het mensengeslacht wilde bereiken.

Het vierde zegel toont u een vaal paard, d.w.z. van onbe­paalde kleur, niet koud en niet warm, of figuurlijk, zoals het daar heet, de dood. Want de dood betekent immers niet het einde, maar slechts verandering. En zo is ook de kleur van het paard gelijk aan de weg bij de verandering door Mijn leer, hetzij opwaarts of nederwaarts te gaan; opwaarts tot hogere vergeestelijking bij het aannemen daarvan, en ne­derwaarts bij verdierlijking van de edelste eigenschappen, die Ik als Schepper in het menselijke hart heb gelegd. Dit zegel is gelijk aan de orde of de wetmatige gang van al het geschapene.

Het leidt dan heel vanzelfsprekend naar de verklaring van het vijfde zegel, waar de offers ook figuurlijk zijn uitgebeeld, die ter wille van de leer door de hartstochten van de mens materieel gebracht worden. Hierbij is ook reeds de overwin­ning aangegeven, welke eenieder ten deel valt, die aan het geestelijke zijn hoogste goed op aarde, zijn eigen natuur en zijn eigen materiële lichaam offert. Zo waren, zoals voor­dien bij de weegschaal de rechtvaardigheid, hier op over­eenkomstige wijze de beloning en de hoogste vreugden uit­gebeeld, welke hen ten deel vallen, die midden in de strijd de banier van hun God en Zijn leer kunnen hooghouden en beschermen.

 

Het zesde zegel toont u een volledige revolutie op de hele aardbol, hetgeen betekent: De drang tot de geestelijke leer zal alle sociale verhoudingen willen veranderen. De ij­verige haast dat ene te bereiken, zal de tegenstander tot een even grote haast aansporen. Er zat oorlog en verwoesting komen in het innerlijke en het uiterlijke. Machthebbers zullen tegen zwakke volkeren en de volkeren tegen macht­hebbers aanstormen, wanneer hun rechten teveel worden beperkt. Zo zal de godsdienst van de liefde, de vrede en het geduld in de strijd om haar eigen behoud slechts het tegen­overgestelde oproepen, en deze machten zullen elkander zo lang bestrijden, totdat het geestelijke zal overwinnen. Dit zesde zegel is dus gelijk aan het geduld, wat niets anders betekent dan: alle verzet is tevergeefs! Waar God Zijn goddelijk recht wil laten gelden, moeten zelfs de stenen toegeven, want aan Hem is het recht en de glorie in eeu­wigheid!

En zie, de met het zegel getekenden zijn gelijk aan hen die overwonnen hadden, en die de zaligheden ten deel vielen, waarvan Ik eens zei: 'Die Mijn woord geloven en ernaar handelen, die zullen zaligheden in het hiernamaals genie­ten, die geen menselijk oog ooit heeft gezien en die geen menselijk oor ooit heeft gehoord!' Deze zaligheden zijn al met het witte kleed, als symbool van onschuld, aangeduid. En de getekenden zullen de prijs ontvangen voor alle leed en droefenis, die zij voor Mij en in de naam van Mijn gods­dienst verdragen hebben.

Zo zal zich geleidelijk aan het schilderij ontwikkelen, waar­op vanaf het eerste woord van liefde tot aan alle godsdienst­oorlogen, vervolgingen en fanatieke priesteroffers de hele geschiedenis van Mijn leer in bepaalde tijdperken zal wor­den uitgebeeld.

 

Het openen van het zevende zegel of het einde van het ont­wikkelingsproces, waar ondanks alle plagen en verschrik­kingen toch alleen maar de barmhartigheid haar laatste taak uitoefent, is met de zeven bazuinstoten en de daarop volgende plagen uitgebeeld, welke slechts zuiverings­middelen zullen zijn om de mensen tot het beste terug te voeren. De bazuin stoten zijn eveneens vele gelijkenissen van de moreel geestelijke veranderingen, die in het mense­lijke gemoed plaatsvinden, zodra het tweesnijdend zwaard van de twijfel ingrijpt en het wantrouwen van het ongeloof zijn gesel zwaait.

Zo werd figuurlijk het reukwerk (offer) op het altaar van de liefde een plaag voor de zelfzuchtige mensheid. Zoals fi­guurlijk alles verdorde, zo sloot de mens in het algemeen voor alle edele eigenschappen zijn hart, hij wilde van geen godsdienst weten die opofferingen eist en zijn aardse harts­tochten wil intomen.

Zoals figuurlijk vuur alles verwoest, zo verwoestten ook de zelfzuchtige hartstochten weer al het goede. Vervolgingen kwamen in de plaats van tolerantie in geloofszaken, men trachtte met bloed te delgen wat slechts van geestelijke aard en derhalve onverdelgbaar was. Zo was het nog gedurende de eerste Christelijke tijd onder de Romeinen, waar alle denkbare gruwelen van fanatieke godsdienstrituelen der heidense priesters bestonden, waardoor deze laatsten het stempel van religieuze wijding werd opgedrukt.

Wat de enkeling overkwam, werd later over grote massa's uitgebreid: hoe meer het aantal gelovigen groeide, des te meer vervolgingen kwamen ertegen hen; hoe groter de ijver voor de zuivere leer, des te groter de offers van de martela­rendood. En zo namen na het verval van het Romeinse rijk de nieuwe toestanden gestalte aan, waar twee bisschoppen op de troon zaten, de ene in Byzantium, de andere in Rome. Terwijl zij het onderling nooit eens waren, steunden zij toch altijd deze disharmonie omwille van het eigen voordeel. Zoals er vroeger Christenvervolgingen bij de heidenen wa­ren, zo werden nu door de pausen massaal mensen ver­volgd, die niet geloofden wat zij voor juist hielden, of wat hen op dat moment net van pas kwam om voor juist te ver­klaren.

 

Vanaf de tijd der deling van het Romeinse rijk, toen later de bisschop van Rome paus werd, beginnen de godsdienst­oorlogen, de onenigheden van de concilies, de vervolgingen door kerkelijke inquisities, de knechting van de koningen door de pausen en tenslotte de kruistochten. Vervolgens de reformatiepogingen en de bloedige gevolgen daarvan in alle landen, alsook door de vermenging van de menselijke ras­sen de ontwikkeling van de verschillende ziekten, zoals de pest, enz. Dat alles wordt door de bazuinstoten alsook door de toornschalen figuurlijk uitgebeeld, evenals het overeen­komstige geestelijke beeld van 'De strijd van de vrouw met de draak': Uitbeelding van de strijd der menselijke harts­tochten en wereldse interessen met de geestelijke vooruit­gang en de leer van de liefde, verder ook de barensnood om het eens begonnen werk tot een einde te brengen, en ook de heftige strijd, die het boze tegen allen deed oplaaien, die zich tot het geestelijke wendden.

Al deze door Johannes aanschouwde beelden drukken niets anders uit dan de heftige weerstand die Mijn leer moest oproepen en de natuurlijke voortgang, hoe tussen goed en kwaad het goede tenslotte moet en zal overwinnen. Stoort u niet aan de vorm van de beelden; zij waren aangepast aan de opvattingen en de schrijfwijze van toen. Ander kon over een periode van vele eeuwen niet op de mensheid ingewerkt worden, die weinig liefde kende en hoogstens voor de vrees opzij ging. Had Ik het hele ontwikkelingsproces tot heden toe in een voor u gangbare taal laten schrijven, dan was de klank van Mijn woorden weggestorven en om de geestelijke zin ervan had zich niemand bekommerd. ­

De schorpioenen, de draken met 7 koppen, 10 horens en gouden kronen betekenen de veelzijdige uitleg van Mijn leer, hoe zij soms door wereldse macht gesteund de mensen dwong bepaalde religieuze dogma's en ceremonies aan te nemen, waaruit dan vele godsdienstige sekten zijn ont­staan.

De beelden tonen de uit de geschiedenis bekende heer­schappij van de kerk en de middelen, die zij hanteerde om aan de macht te komen, en hoe daar mensen massaal aan het fanatisme van de Roomse Kerk en haar inquisiteurs ten offer zijn gevallen. De latere beschrijving hoe tenslotte de godsdienstige stemming geleidelijk aan weer minder wordt en het materiële schijnbaar de overwinning behaalt, hoe goud en zilver nu meer gezocht worden dan geestelijke rijk­dom, dat kunt u in de volgende hoofdstukken lezen; het zegevierende stijgen van het boze onder het mom van reli­gieuze cultus, dan door de ontdekkingen van de weten­schappen het dalen van de eerstgenoemde, maar ook van alle godsdienstigheid en de overgang naar het materialisme. Zo is in deze beelden de val van de Roomse Kerk voorspeld, maar niet alsof Ik haar zou verwerpen, maar zoals zij zich­zelf heeft overgegeven aan de ondergang en uit eigen wer­ken haar loon moet hebben.

De gedode profeten wijzen op het martelaarschap in vroe­gere tijden, waar zo menige godsvruchtige man de brand­stapel moest bestijgen. In geen eeuw liet Ik het achterwege om opwekkende profeten te zenden, opdat de mensheid zich niet helemaal in de geestelijke slaap zou laten wiegen. De toornschalen en de verschillende werkingen daarvan betekenen pestilentiën en oorlogen, welke de mensen deels door hun eigen tegennatuurlijke leven tevoorschijn hebben geroepen, deels als moedwillige gruwel zelf veroorzaakte. Nu nog kunt u zelf vaststellen hoe de uitwerkingen van het egoïsme, het materialisme, van de ongeremde hartstochten in het algemeen, alsook elk afzonderlijk, ongelukken van uiteenlopende aard tevoorschijn roepen: ongelukken te land en ter zee, ongelukken door natuurrampen, veroor­zaakt door het slecht beheren door de mensen van hun eigen aarde, zelfmoorden en moorden in alle vormen als resultaat van gebrek aan religieus gevoel, gebrek aan geloof aan een andere wereld, enz.

Neemt dit alles te samen en schrijft het op in de figuurlij­ke taal van het Oosten, zoals eens Mijn discipel Johannes dat heeft gedaan, en u zou aan de zeven toornschalen nog andere kunnen toevoegen, die een even verschrikkelijke toestand zouden beschrijven.

 

Zo ging Mijn leer door alle fasen, waartoe het menselijke gemoed in staat is, van de zuiverste piëteit tot het meest krasse ongeloof en de verwerping van al wat gegeven werd. Vanaf het strenge opvolgen van Mijn geboden, het pedante uitleggen van Mijn woorden, tot aan het volledige verwer­pen van al het door duizend stemmen in de zichtbare en onzichtbare natuur gepredikte geestelijke ziet u als beeld voor u. Het werd gegeven in de vorm van vermaningen en bazuinstoten, waarop echter, bij niet opvolging, de dood of straf op de voet volgde. Van de toornschalen en hun uit­storting - als symbool dat het boze en het moreel en fysiek onnatuurlijke zichzelf moet straffen - ziet u alles duidelijk voor u: Hoe Mijn zeven eigenschappen geleidelijk aan tot het beste aanzetten, hoe de vrije natuur van de mens zich daartegen verzet, hoe dwalingen op dwalingen, fouten op fouten volgen. Hoe alle moeite om de mensheid Mijn woor­den volledig uit het hoofd te praten tevergeefs is en hoe zelfs het ergste nog tot het beste moet en zal leiden.

Deze langdurige strijd van de draak met de hemel, het ver­volgen van de vrouw met het kind Christus als vredes­stichter, dat alles zal u nu helder voor ogen staan. Het zal daarnaast ook duidelijk zijn, dat er na het langdurig heen­ en weer golven een beslissing moet vallen, waarbij bepaald wordt wie de overwinnaar en wie de verliezer is! Deze tijd gaat u nu tegemoet. Zij is in de vorm van het duizendjarig rijk voorgesteld als geestelijk leven in vrede, dat diegenen ten deel valt, die niet met het teken van het beest maar met het teken van God zijn gemerkt.

Zoals voor Mijn komst op aarde reeds een geestelijke strijd heerste tussen het geestelijke en het materiële in gematigde vormen, en zoals na Mijn heengaan dit scheidingsproces ook tot een eindresultaat moet leiden, zo zal nu na deze meer dan duizendjarige strijd een tijd van vrede aanbreken. De mensen zullen beginnen weer mensen te zijn, zoals Ik ze heb geschapen en wil hebben, willen zij Mijn kinderen genoemd kunnen worden.

Dit zal de tijd van de vergelding zijn, de tijd, waarin het geestelijke het materiële heeft overwonnen. Waar de mens als burger van twee werelden zich thuis zal voelen, zowel in de ene als ook in de andere, opdat eindelijk Mijn woor­den verstaan worden en Mijn toenmalige komst op uwaar­de in het volle licht van de goddelijke roeping daarvan ge­waardeerd wordt en er met liefde gehoor aan gegeven zal worden. Dat zal een tijd zijn, waarin de draak verslagen en gevangen zal zijn en de tien geboden van Mozes en Mijn eigen twee geboden in hun volle betekenis zullen worden begrepen. In deze tijd van vrede en rust zal ook het geesten­rijk zijn daadwerkelijk aandeel kunnen leveren, opdat de achtergeblevenen, zich warmend aan het voorbeeld van de levende mensen, gemakkelijker vooruit komen dan zij tot nu toe konden.

Deze tijd staat in de openbaring genoemd onder de titel 'het duizendjarig rijk' of 'het nieuwe Jeruzalem'. Want eens was Jeruzalem de plaats, waar in de tempel de heilige Ark des Verbonds werd bewaard, waar het eeuwige vuur brand­de en slechts psalmen en reukwerk aan het offeraltaar ge­tuigden van de zuivere godsdienst voor IEOUA. Dit Jeruza­lem, dat door zijn eigen priesters werd verontreinigd en ontwijd en dat zich door Mijn daar beleefde dood als mens in plaats van met zegen met een vloek heeft beladen, ­

dit Jeruzalem, waarvan de ondergang door profeten werd voorspeld en door Mij bevestigd, - zal weer geestelijk af­dalen naar uw aarde. Het zal komen zoals in de glans van zijn eerste tijd, vrede en rust brengend aan allen, die in Hem geloven, die eens in die stad heeft gepredikt, geleden heeft en gekruisigd werd, maar die weer is opgestaan. Deze stad als symbool van de eerste gemeenschap van de Schepper met zijn schepselen zal nederdalen met de palm van vrede voor allen, die na strijd en lijden zich het kind schap van God hebben verworven.

Zoals de Joden eens slechts één Jeruzalem kenden, net zó zal er dan ook slechts één kerk zijn. Er zal één herder en één kudde zijn! De godsdienstsekten zullen verdwijnen, de God, Schepper en Heer, die eens als mens op aarde wandelde, zal als zodanig herkend worden als Hij was, is en eeuwig zijn zal, als uw leider en vader van allen.

De gemeenschap van de geestelijke wereld zal nog daarmee verhoogd worden. dat Ik Zelf in persoon tot Mijn kinderen zichtbaar zal komen, om hen te troosten en metterdaad te bewijzen, dat alles wat Ik eens zei, wat Mijn apostelen schreven, en wat Johannes in zijn openbaring zei, vervuld zal worden. Wanneer alle geestelijke en materiële oorlogen opgehouden zijn, dan zullen allen Mij gemakkelijk verstaan en ook Mijn geboden gewillig onderhouden, die beginnen met naastenliefde en eindigen met de liefde tot God.

Maar ook op dát duizendjarige rijk zal nog een andere pe­riode volgen, waarin de menselijk dierlijke natuur zich haar laatste inspanning zal getroosten en de gevallen grote geest zijn afstammelingen zal willen opeisen. Maar tevergeefs zal zijn streven zijn, en er zal dan ook voor hem de vraag komen, of vooruit of terug, wat zijn verdere be­staan of niet-bestaan zal bepalen!

Dat alles is de eigenlijke grondstof van de openbaring van Johannes. Figuurlijk gegeven, maar met geestelijke ogen en in de taal der gelijkenissen gelezen, zal het u duidelijk laten zien, hoe deze kleine bloem van liefde, die Ik in de harten  van de mensen heb geplant, nooit is uit te roeien. En hoe ondanks alle plannen van de machthebbers in geestelijke of materiële zin deze kiem van goddelijke oorsprong nooit te vernietigen was. De liefde maakt toch de grondeigen­schap van Mijn eigen Ik uit en was het Waarom, waaruit Ik het hele universum te voorschijn heb geroepen! Hoe zou deze vonk verloren kunnen gaan, zich kunnen laten ver­woesten? Tevergeefs rammelden allen aan dit gebouw, te­vergeefs trachtten de mensen Mijn woorden verkeerd uit te leggen. Alles viel weer op henzelf terug en zij moesten oogsten wat zij hadden gezaaid. Zo ziet u nu geleidelijk aan alle wetenschappen en spitsvondige verklaringen van de liefde woorden der Heilige Schrift als sneeuw voor de zon van de waarheid vergaan.

Hoe groter de weerstand aan de ene kant is, des te vlugger voltrekt zich het proces aan de andere kant. En zo zal ook het eindresultaat van alle doen en laten slechts Mijn leer bevorderen, meer in het juiste licht plaatsen en zo steeds meer de overgang naar het duizendjarige rijk voorbereiden. Dan zal het nieuwe Jeruzalem als symbolische tempel van de vrede de verbinding tussen Mij, de mensheid en de gees­telijke wereld weer herstellen, waar noch bazuinstoten noch toornschalen verwoestende uitwerkingen zullen op­roepen, maar waar zelfs uw aardbol, de daarop levende wezens, alsook het dieren - en plantenrijk, dezelfde soort liefde aannemen, als de mensen zelf die zullen hebber!. Een heel mensengeslacht, door banden van liefde verbonden, zal elkander helpend onder de armen grijpen, waar niet de heer, niet de knecht, maar de band van broeder - en zuster­liefde hele volken heeft samen geketend, waar territoriale grenzen verdwenen zijn en machthebbers en pausen er niet meer op uit zijn om, de een de fysieke, de ander de geeste­lijke krachten aan zich dienstbaar te maken.

Ook in hun binnenste door een rationele godsdienst geleid, zullen zij naar de influisteringen van andere geesten en zelfs naar Mijn stem eerder luisteren en er geloof aan hechten. Zo is dan zelfs de omgang met de geestelijke wereld een bindmiddel geworden, dat de dood met zijn verschrik­kingen op deze wereld verbant en u de andere wereld zó voorstelt, als zij werkelijk is.

Hier hebt u dus een geestelijke, verstrekkende verklaring van de openbaring van Johannes. Weliswaar niet zo, als de wereld die van Mij verwacht, maar zó, dat de wereld haar zou kunnen verstaan, wanneer zij eerst zelf met geestelijke ogen heeft leren lezen. Beelden blijven beelden, en aan ieder beeld ligt een gedachte ten grondslag, die zich dan door middel van vormen individueel tracht uit te drukken. Zo moeten de beelden van de Apocalyps worden opgevat, niet letterlijk; dan zou men niet tot resultaten komen, omdat daar talloze tegenstrijdigheden uit voortkomen.

U moet ook nog aannemen, dat in het geestelijke rijk een andere associatie van ideeën en gedachten heerst dan bij u hier levende mensen. En dat derhalve visioenen, zoals die door Johannes zijn gezien, een ander karakter moeten heb­ben dan uw nu aangenomen, goed geordende rede. Ziet, reeds in de oudste tijden was de uitdrukking van de ge­dachte niet de taal van woorden, maar meer beeldspraak; De oude Egyptenaren schreven hun monumenten zelfs vol met dat soort tekens.

Nu nog bestaat in de Oosterse talen het gebruik van de beeldspraak. Deze is een overblijfsel uit lang vervlogen tijd, waarin de mensheid dichter bij haar oorsprong stond, en waarin ook haar manier van uitdrukken dichter bij de gees­telijke wereld stond.

 

Al deze proeven bewijzen, dat ook na de overgang naar een hoger leven, al naar gelang de trap van geestelijke vooruit­gang, de taal en de communicatie tussen geesten een ande­re zal zijn dan die via het langzame woord, waarvan u er vaak veel nodig hebt om een enkele gedachte uit te drukken. Zelfs Mijn hele schepping, wat is zij dan anders voor u dan een beeldspraak? En zij zal dat net zo lang blijven totdat u het dieper liggende geestelijke Waarom kunt inzien, waar­om alles zo en niet anders is geschapen. En zoals u nu uw taal hebt, zoals Ik de Mijne in de zichtbare natuur heb, zo hebben ook geesten in hogere regionen hun communicatie, die zich schijnbaar anders laat aanhoren, dan naar wat er feitelijk in haar verborgen is. Vandaar de vergeefse moeite van uw geleerden, om beelden van geestelijke aard in we­reldse woorden in te kleden. En vandaar ook Mijn woorden van nu, om u naast de verklaring van een grote openbaring nog terloops een stap verder in Mijn huishouding te leiden. Ik wil het u alleen overlaten de vredige beelden te verstaan en slechts de strengere beelden van de openbaring ver­klaren, waar schijnbaar alleen de toorn van God en onver­biddelijke vergelding heersen - opdat u de God, die alleen liefde is, ook in deze beelden niet zult misverstaan. Er na­dert een tijd, waarin de geestelijke wind, die zich nu al in zijn bewegingen kenbaar maakt, sterker zal waaien. Waar u zich dan niet gelijk rietstengels nu eens hierheen, dan daar­heen zult neigen, maar precies de weg zult gaan, die Ik u heb voorgeschreven. Er zullen, zoals het figuurlijk in de Bijbel staat, valse profeten opstaan. Er zal misbruik gemaakt wor­den van de zuiverste leer, van de communicatie met geesten, ja van alles, opdat het de mensen dient tot bevrediging van hun dierlijke hartstochten. En alvorens het rijk van vrede kan naderen, zal nog menige toornschaal over de mensheid worden uitgegoten door de mensen zelf, omdat de partijen zich geestelijk en materieel steeds ongenaakbaarder tegen­over elkaar zullen opstellen, naarmate de tijd tot beëindiging dringt. Door deze strijd zullen ook de laatste toorn­schalen in vervulling gaan, waarna, wanneer tegenstand niet meer zal baten, neerslachtigheid, ellende en gehuil zullen volgen. Sommigen zullen troosteloos, anderen met goede moed het einde en ook de overwinning van de goede zaak afwachten.

Het grootste deel van de openbaring als ontwikkelingscrisis is voorbij, het ergste moet nog komen. Maar hebt geduld en vertrouwen in Mij! U wilt Mijn kinderen zijn of worden. Toont u dan die naam waard en de zegepalm, zoals de open­baring zelf haar noemt, zal u niet ontbreken. Bereidt u op alles voor! Niet Ik, maar de dierlijke aard der mensen, hun kunstmatig verwekte ongeloof, hun ontembare heerszucht en geldzucht zal ook deze toornschalen en bazuinbeelden helpen vervullen.

Er moet toch heel natuurlijk, voordat Ik Zelf uw aardbol weer betreed, een reinigingsproces komen. Zoals bij zwoel weer het onweer de lucht reinigt, doordat het met geweld alle schadelijke dampen neerslaat, opdat er weer zuivere lucht kan waaien, zo is het ook bij het geestelijke reinigings­proces: omdat de weerstand sterk is, moet het ook tot sterke uitbarstingen komen, zonder welke geen vereffening moge­lijk is. Bij u op aarde zal iedere strijd ermee eindigen, dat alle partijen hun onmacht en Mijn almacht erkennen, waar­tegen elke weerstand tevergeefs is.

Vat dus deze verklaring van de openbaring op als een schil­derij, dat u alle fasen laat zien, die een Godsidee moet door­lopen, om tot haar eigenlijke waarde te komen. Neemt deze beelden als gelijkenis, hoeveel het kost tot het goede over­wint en het boze zich gewonnen geeft! Neemt als geestelijke denkers deze beelden als overeenkomstige aanwijzingen. Want zoals Johannes geestelijk het verloop van het Chris­tendom zag, zo vindt in de levensloop van ieder mens het­zelfde plaats in geestelijk en materieel opzicht.

Zulke gevechten, zulke bazuin stoten en toornschalen wor­den geleegd over ideeën. Wel degene, die, ook het bitterste benuttend, toch iets heilzaams daaruit weet te halen. Het geestelijke louterings- en ontwikkelingsproces blijft overal dezelfde strijd van de geestelijke tegen de dierlijke aard; opoffering van zichzelf, tolerantie jegens anderen. En laat zo ieder zijn eigen leven zien, dan vindt hij in deze open­baringsbeelden zijn eigen levensgeschiedenis min of meer opgetekend! ­

 

UpToDate 2024-2025

web counter