Bestaat er een eeuwige verdoemenis?

 

Voorwoord van Gerard:

Toen ik het besluit genomen had het onderwerp ‘eeuwige verdoemenis’ uit te diepen en te omschrijven, stuitte ik op de literatuur van de theoloog Thomas Noack [ook een uitstekende Swedenborg- en Lorberkenner], die daarover al een specifiek thema had geschreven. Ik voelde mij gemotiveerd daaruit een essentie te maken. Met zijn toestemming mocht ik dit publiceren.

Alles is vanuit en door God geschapen. Ook alle geesten en engelen. Later ook de noodzakelijke oneindige ruimtes met haar vele planeten en zonnestelsels. Alles wat gebeurt in de Schepping is door de Godheid voelbaar en aantoonbaar.

Toen de Heer op Aarde wandelde en een ‘onreine’ vrouw, wiens menstruatie al twaalf jaar lang niet ophield, op straat het kleed van Jezus aanraakte, vroeg Jezus aan de omstanders, wie Hem aangeraakt had, want er was een kracht vanuit Hem gegaan. Deze tekst wil zeggen, dat er ook niets aan het lot kan worden overgelaten want de Heer, de Schepper, weet alles, voelt alles en ziet alles.

Wat en wie is de samenstelling van alle geesten in het totale scheppingsgebeuren? Dat betreft elk individu, ongeacht status en begaafdheid. Door de val in de lichtwereld, - veroorzaakt door Lucifer  - werd het noodzakelijk, dat er een plek moest komen voor de gevallen en verloren geesten, wel te verstaan: via de materie.

Wat is de hel, de verdoemenis? Hoe is zij ontstaan?

 

Theoloog Thomas Noack:

Volgens de algemene kerkelijke opvatting duurt de helstraf voor altijd, omdat de Bijbel spreekt van een "eeuwig vuur" (Matth. 18:8), een "eeuwige straf" (Matth.25:46) en een "eeuwige ondergang" (2.Thess 1:9). Swedenborg lijkt het hiermee eens te zijn, omdat hij schrijft: "Degenen die naar de hel gaan, blijven daar voor altijd." (NJ-239, zie ook HG-10749). 'Degenen die in de hel worden geworpen ... blijven daar voor altijd en kunnen niet meer worden uitgeschakeld.' (HG 7541).

 

Lorber lijkt daarentegen een heel andere kijk te hebben: wanneer hem wordt gevraagd door een geest uit de andere [geestelijke] wereld: "Is er wel zo'n [eeuwige straf] of is er geen?" (RB3-226.6:7), hierop antwoord de Heer:

‘Daar Ikzelf echter het eeuwige leven ben, kan ik toch nooit wezens hebben geschapen voor de eeuwige dood! Een zogenaamde straf kan daarom [steeds] slechts een middel voor het bereiken van een bepaald doel zijn, maar nooit tegelijkertijd vijandige bijbedoelingen hebben. Daarom kan er dan ook nooit sprake zijn van een eeuwige straf.'

 

De Heer beantwoord de verdere vraag van de geest, waarom dan in de Schrift "van een eeuwig vuur dat nooit uitgaat en een worm die nooit sterft" daarvan sprake is: [Marc.19:48]: "Er moet dus een eeuwig gericht zijn, een eeuwig vuur en een eeuwige dood vanwege de geschapen mensen. Maar dit betekent niet dat een geest die in het oordeel wordt gevangen, gevangen moet blijven zolang dit oordeel op zichzelf kan duren ...

 

Zijn ‚gevangenis‘ en ‚gevangenschap‘ dan niet twee verschillende dingen? De gevangenis is en blijft weliswaar eeuwig en het vuur van Mijn ijver mag nooit uitdoven, maar de gevangenen blijven slechts zolang in de gevangenis totdat zij zich bekeerd en gebeterd hebben.

Overigens staat er in de gehele Schrift geen syllabe over de eeuwige verwerping van een geest, maar wordt er slechts gesproken over een eeuwige verdoemenis van de ‚chaos‘ ten opzichte van Mijn eeuwige ‚orde, die nodig is omdat er anders niets zou kunnen bestaan.

De zonde als tegen-orde is waarlijk eeuwig verdoemd, maar de zondaar slechts zolang hij zich in de zonde bevindt! Dus bestaat er wel degelijk een eeuwige hel, maar geen geest , die vanwege zijn zonden voor eeuwig naar de hel verdoemd zou zijn, maar slechts zolang totdat hij zich betert! [Hemel en Hel, deel 2-226:9-12]

 

Let op: Volgens deze analyse is het verblijf in de hel voor Swedenborg eeuwig, terwijl voor Lorber alleen de hel eeuwig is en niet het verblijf daar.

Swedenborg predikt helemaal niet over de eeuwige verdoemenis, en Lorber niet over de verlossing van allen. Het vorige beeld kan ook worden omgekeerd.

 

Laten we beginnen met Lorber: De volgende passages zijn afkomstig uit de Lorber-tekst, ontnomen uit "De wilde jacht"; daarin wordt  "de vorst van de duisternis" of  "Satan" met een jager vergelijken, die op zijn wild .jacht maakt.. (Hg2-278:13).

Jullie worden niet binnengelaten tijdens jullie vlucht in mijn gebied! Want wiens naam eenmaal in het boek van de dood wordt opgetekend, daarover zal Ik nooit twisten en Me daartegen verzetten!’ (Hg2-279:15). (Hg2-277:6)

 

Op een andere plaats in de "huishouding van God" zegt de hoge Abedam, een personificatie van de Heer, tegen Eva: ‚Waarlijk, waarlijk, de draak van Kaïn met al zijn gevangenen zal eeuwig moeten boeten voor zijn grote boosheid in het meest intense toornvuur van Mijn grimmigheid en aan hun eindeloos grote lijden zal nooit ofte nimmer een einde komen; en het grote geween van hun angst [de draak met al zijn gevangenen?], wanhoop en pijn zal door niemand meer woorden gehoord; zij zullen in de volledige vergetelheid geraken, zodat niemand ooit meer aan hen zal denken.

 

En Ik zal eeuwig Mijn oren voor hen dichtstoppen en Mijn ogen geheel van hen afwenden en hen geheel uit Mijn hart verbannen. Zo zullen ook hun namen geheel uit het geheugen van Mijn liefde worden gewist, zodat ook Ik hen geheel zal kunnen vergeten en zij zullen alleen door Mijn grootste levende toornvuur eeuwig een aller verschrikkelijkst leven leiden, dat zonder einde zal zijn, net zoals het leven van Mijn liefde en dat van al Mijn kinderen in de allergrootste verrukking en gelukzaligheid! (Huishouding van God, deel 2, hfdst. 5:18-20).

 

Merk op dat niet alleen "de draak van Cahin" maar ook "al zijn gevangenen" worden getroffen. Dienovereenkomstig kunnen de gevangenen in de hel ook "een leven verwachten dat voor altijd het aller verschrikkelijkst is", "dat zonder einde zal zijn". 

 

In een andere scène, dit keer een werk uit het hiernamaals: "De geestelijke Zon", ziet een inwoner daar van een centrale zonnewereld de vlam van een eeuwige verdoemenis die op een altaar brandt? Er staat daar o.a.: "Maar wee jou, als je de beproeving [van het aardse leven] niet goed doorstaat; dan zul je voor de ijdelheid van jouw streven eeuwig in het vuur van Gods toorn meten boeten en het zal nimmer met jou beter gaan, maar jouw eeuwige toestand zal steeds erger en smartelijker worden!’ [Geestelijke Zon, deel 2, hfdst.16:16]

 

…"En wil je er geen afstand van doen, dan zal een eeuwige verdoemenis in het eeuwige vuur van Gods toorn je lot zijn!’ [Geestelijke Zon, deel 2, hfdst.16:18]

De weg naar het kindschap van God is moeilijk [vergelijk Matth.7:13-14], echter, zo blijkt, alleen voor degenen, die niet weten hoe ze de levensweg in hun hart moeten bewandelen (in liefde tot God). In betrekking tot het hart  is het moeilijke pad juist gemakkelijk te bewandelen.  [Vergelijk Matth.11:30] - "Wie zich eenmaal in het hart bevind", "kan" ‘eeuwig’ ‘nooit verloren gaan. Daarentegen Aan de andere kant zal uit "het grote gericht" (hier bedoeld de hel) "bijna nooit een uitweg te vinden zijn". (zie Geestelijke Zon, deel 2, hfdst.17:8 e.v.] 

 

En tot slot is het niet Swedenborg, maar Lorber, die ons het gruwelijke vooruitzicht van de "eeuwige dood" presenteert. De Heer zegt persoonlijk in het hiernamaals aan "Robert Blum": ‘Voor vele miljoenen volgt op hun schijnleven [op de Aarde] eeuwig geen verder leven meer. Want evengoed als er een eeuwig leven is, is er ook een eeuwige dood’.  [Hemel en Hel, deel 2, hfdst. 293:10]

 

Aan het behoud van de oorspronkelijke oerindividualiteit is onuitsprekelijk veel gelegen, omdat zonder haar kan het kindschap van God nooit bereikt worden. Want een tweede verwekking wordt eeuwig geen eerste verwekking meer.’ [Hemel en Hel, deel 2, hfdst. 293:13] - Lorber kent de dood van de (oorspronkelijke) oerindividualiteit.

 

Deze eeuwige dood vindt plaats in de derde graad van de hel; de zielen sterven daar. De Heer voegde eraan toe: 'Wie, zich als datgene wat hij oorspronkelijk was, wegens zijn verkeerd gerichte liefde in de eerste of tweede graad van de hel bevindt, kan na veel bittere ervaringen toch weer worden wat hij oorspronkelijk was. Zijn bewustzijn wordt hem gelaten, zijn herinnering blijft hem bij en hij kan de voltooiing nog bereiken.

 

Maar als een mens door een voor Mij meest onverdraaglijke lauwheid [Openb.3:16] noch koud, noch warm is, …die is in de eigenlijke eeuwige dood gevallen en bevindt zich feitelijk in de diepste hel, waarbij het niet langer denkbaar is als oerwezen daaruit te komen! Hij bevindt zich daardoor dus in de meest onderste hel, waaruit in een en hetzelfde oerbestaan geen uitweg nooit meer denkbaar is.

 

De oorzaak van zo’n toestand is de meest geconcentreerde hoogmoed, die alle graden van zelfzucht en eigenliefde heeft doorgemaakt, zich in zo’n hoge graad van verdichting in zekere zin heeft platgedrukt en zo het oerleven van zijn geest heeft verloren. En juist daaruit bestaat de eigenlijke eeuwige dood, die het ergste van het ergste is omdat dan het eigenlijke bestaan totaal ophoudt. [Hemel en Hel, deel 2, hfdst. 294:4-6]

 

De 'eeuwige dood' is het 'wegnemen van de goddelijke levensgeest' (RB2-99: 10), d.w.z. van de geest(vonk), hoewel men moet weten, dat Lorber de trichotomisme vertegenwoordigt, volgens welke de mens is samengesteld, uit drie essentiële bestandsdelen, namelijk: lichaam, ziel en geest. In deze visie is de geest het oerprincipe van het leven (vgl. GJE6-8:4: "Schepper van al het leven"). De  ‘eeuwige dood' is zomede de scheiding van de ziel en louter een vergaarbak van de geest dan  het echte leven.

 

Van degenen die de eeuwige dood gestorven zijn, zegt het Lorberwerk in "Aarde en Maan": Degenen "bij wie de hardnekkigheid zo groot is, dat zelfs ook de volle maat van het toornvuur hen niet tot terugkeer kan brengen, die zal het zich dan eens moeten laten welgevallen om met zijn centrum [satan?], nadat zijn geest is weggenomen, de bekende reis naar het eeuwige verderf te maken; [Aarde en Maan-58:18]

 

Op een andere plek in hetzelfde Lorberwerk staat: Ik zeg jullie: ‘Uit deze klas­se mensen zullen velen in de kuil van de satan belanden, wat zoveel wil zeggen als in het allerlaatste afval van de materie, die als omhulling sa­men met zijn centrum, de jullie al bekendgemaakte laatste reis zal ma­ken.’ [Aarde en Maand-60:21]

 

Overigens moet worden opgemerkt dat Lorber waarlijk geen voorstander is van een snelle vooruitgang aan gene zijde. Hij gaat grootschalig om met "miljarden aardse jaren": ‘de [tweede] hel ‘is waarlijk een tweede dood van de ziel’, schrijft hij, "waar het buitengewoon moeilijk is om daar weer uit te komen ... het kan heel goed zijn, dat sommige aartsboze zielen wel miljarden aardse jaren nodig hebben, voor zij zich door zulke pijnlijken middelen uit zichzelf wat verbeteren en daaruit zullen komen' (GJE6-65:6).

 

Verder lezen wij: ‚Maar in de grote wereld aan gene zijde gaat dat evenwel moeilijker en moeiza­mer [louteringsproces] dan op deze wereld, en bij heel veel zielen, die te diep gezonken zijn in hun leven dat in strijd met Mijn orde is, zal er een voor jou onvoorstelbaar lange tijd [dus een eeuwigheid] nodig zijn, voor ze in zichzelf de weg naar Mijn eeuwige en onver­anderlijke orde gevonden zullen hebben.’ (GJE10-113:2).

 

Hierbij is dat waarschijnlijk -  ondanks de "onvoorstelbaar lange opeenvolging van tijden", met geen enkel woord over duivels. En tot slot nog twee gevonden teksten: "Een verkeerde liefde [van een geest] ... is ... niet zo gemakkelijk en zo snel ... om te vormen in een juiste en ware [= reformare?]." (GJE9-170:19). "Met de ware verbetering van een ontaarde ziel" "gaat het aan gene zijde werkelijk heel langzaam aan toe.’ [GJE7-119:16]

 

Nu naar Swedenborg. In zijn "geestelijke dagboek" vind je uitspraken die in tegenspraak lijken met de "officiële" Zweedse leer en die verrassend genoeg samenvallen met wat ik hierboven heb genoemd uit het Lorberwerk van "Robert Blum" (Hemel en Hel, deel 2-226).

Swedenborg schrijft: "Eens spraken de mensen in de hemel over de hel over de met haar verschillende straffen en verwoestingen die daarin plaatsvonden. Vervolgens sprak iemand de veronderstelling uit, dat hij als een zekerheid naar voren had gebracht, dat de straffen uit de hel eeuwig en eindeloos waren…

 

Hem werd echter geantwoord, dat er in het andere leven geen straf zou zijn, maar met het doel dat door schuld en pijniging de schuldigen zouden worden verbeterd en aan een goed gezelschap zouden worden toegewezen ... Bepaalde demonen waren wanhopig omdat ze dachten dat hun pijniging voor altijd zou duren, maar het was mij gegeven om hen te troosten." (Dia. II, 2826f; geciteerd in OT! 4/1962 p.123).

 

Bijgevolg is de straf uit de helstraf geen doel op zich, maar slechts een middel tot het doel, dat bestaat in het bereiken van het eeuwige leven. Swedenborg schrijft ook: "Ik mocht hen [de helbewoners] hoop geven en hen waarschuwen dat ze niet volledig zouden wanhopen, omdat ze dachten dat deze kwelling voor altijd zou voortduren.

 

Ik vertelde hen, dat God de Messias genadig is en in Zijn woord staat geschreven, dat degenen die in de onderwereld vastzitten, verlost moeten worden, en de hel moet begrepen worden als de groeve. Maar je moet het volgende ook geloven [wie wordt hier aangesproken?], want het is waar en ik weet dat, omdat ik zelf heb waargenomen, dat meerderen van hen uit de helse pijn verlost werden en verheven naar de hemel, waar ze nu leven ... en later werden nog velen uit de hel bevrijd en naar de hemel gebracht. (GT! 228).

 

Maar ook de door Swedenborg zelf gepubliceerde werken bevatten, zij het ook in homeopathische dosissen, met enkele punten die geschikt zijn, om de krasse leer van de eeuwige verdoemenis op zijn minst te relativeren. Bijvoorbeeld de zin "ibi maneant in aeternum" (NJ! 239) in plaats van "ze blijven daar eeuwig", vertaalt zich ook als volgt: "Ze blijven daar voor altijd [namelijk in hun overheersende liefde]." Deze vertaling lijkt gerechtvaardigd omdat de eeuwigheid geen oneindige tijd is, maar een oneindige staat. (HH! 167)

 

Geen enkele geest kan voor eeuwig bestaan wanneer hij door zonde of kwaad van God wordt gescheiden. Hij moet of ophouden te bestaan of terugkeren naar God, die de bron van het leven is. Er bestaat geen enkele geest die ooit ophoudt te existeren; daarom moet iedere geest uiteindelijk weer tot God terugkeren, zelfs wanneer het van eeuwigheden na eeuwigheden was.’ (Brief van 12 november 1928)

 

En in een andere brief schrijft Sundar Singh: "Ik heb verschillende gesprekken met Swedenborg gehad, ook met enkele andere heiligen en engelen. Ze zeiden dat de hel eeuwig is in die zin, dat talloze zielen van vele Aarden van het universum, in overeenstemming met hun toestand, daarin voortdurend zullen ingaan, zolang de schepping van menselijke wezens blijft bestaan, maar niet in die zin dat deze boze geesten voor eeuwig in de hel zullen blijven ...

 

Als dat zo was, dan zouden Gods liefde en wijsheid zulke schepsels niet geschapen hebben, en Hij, die de liefde is, kan Zijn schepsels niet steeds eeuwig in de hel zien lijden, hoe slecht ze ook zijn; de tijd zal komen dat er niets bestaan zal, dat in strijd is met Gods wil. Wanneer zelfs de hellen hun doel gediend hebben, dan zal God eindelijk voor alles in alles zijn." (Brief van 2 januari 1928).

 

'De liefde is het leven van mens.' Dat heeft Lorber ook zo gezien: 'De liefde', schrijft hij, 'is het meest eigenste leven in jullie [mensen]' (Huish. v. God, deel 1, hfdst.4:36). 'De liefde is steeds de meester van de mens ... omdat het eigenlijk zijn hele leven zelf is.' (Geestelijke Zon, deel 2, hfdst. 50:5).

 

Na de dood bepaalt de geest niet langer meer de richting van zijn liefde, maar de bepaalt de richting van zijn geest.

'De heersende (regnans) liefde wacht de mens na de dood en zal in eeuwigheid nooit  worden veranderd.' (HH! 477). 'Na de dood blijft de mens eeuwig zo, zoals hij ten aanzien van zijn wil of van zijn heersende liefde. [Zie ook HGt1-43:25; GZ1-34:18, I-51:1 en 2-105:12]

 

Eeuwige verdoemenis? (HH1 480). 'Na de dood heeft ieder mens zijn overheersende [dominante] neiging of liefde. Ze zal in eeuwigheid niet worden uitgeroeid, omdat de geest van een mens namelijk net zo is als zijn liefde ...

 

De ziel in het nog levende lichaam kan een hoeveelheid hartstochten te doorstaan hebben [vgl. Swedenborg: het  verplaatsen in diverse geestelijke verenigingen], en zo is de mens bijna elke dag een andere ... Maar anders is het met de afgezonderde ziel: Bij deze treedt doorgaans maar één grote passie op, het beheerst de ziel steeds meer en meer en zij trekt geleidelijk uit haar zielsgebied alle intelligentiedeeltjes weg [waaruit de ziel volgens Lorber is samengesteld]; daarom spreekt ook Paulus spreekt: 'Zoals de boom valt, zo blijft hij liggen', - wat echter niet wil zeggen, dat een afgezonderde ziel in zekere zin onverbeterlijk is, maar alleen dat ze gevangen blijft in een van haar belangrijkste hartstochten, totdat ze alle andere specifieke intelligentiedeeltjes tot op zekere hoogte heeft verteerd, wat dan een grote armoede van de ziel veroorzaakt, en dit leidt dan tot een staat van een verlaten woestenij,  [vgl. Swedenborg!] waar ze volledig zich naakt in de nacht en de nevel bevindt. 

 

In deze sombere woeste verlatenheid kan de geest eerst dan alleen weer vrij worden en zijn ziel doordringen ... "(Aarde-Maan-30). Laten we zeggen: liefde is het meest oereigenste  van iedere menselijke geest." Een mens wegnemen ... en zijn liefde ... zou zoveel betekenen, de gehele mens volledig te doden en te vernietigen." (GJE10-111:1). Maar niet de geest vorm zijn liefde, maar de liefde haar geest.

 

Ja, dit proces begint pas echt in het hiernamaals, omdat daar alle externe beperkingen en remmingen verdwijnen. Evenzo zullen ook de duivelen in hun boosheid en onwaarheden zich verder ontwikkelen. Daarom kan met een verdere ontwikkeling aan gene zijde daarover geen twijfel bestaan. De enige vraag is of duivels ook engelen kunnen worden.

 

Lorber kent deze staat ook en beschrijft dit als een "Middenrijk", dat hij vergelijkt met de katholieke voorstelling van "vagevuur" (purgatorium = schoonmaakplaats) (GZ, deel 2-120:2). In het Middenrijk wordt volgens Lorber, "de zielen intussen geleid door volmaaktere geesten die hen meestal naar betere plaatsen brengen". (GJE5-232:1). Zo zag Swedenborg het ook.

 

‘De Heer zorgt ervoor dat degenen die op de juiste wijze geleefd hebben en die de Heer erkend hebben, na de dood door engelen zullen worden onderwezen. Na de dood krijgt iedereen de kans om zijn leven te verbeteren, indien mogelijk.' De geestenwereld is daarom de plaats van zuivering; Swedenborg: "De ontwikkeling van de mens is niet voltooid met dit aardse leven, maar gaat door in het hiernamaals ... alleen in de fundamentele richting van liefde die zijn leven in deze wereld domineerde. De werkelijke plaats van wedergeboorte is het aardse leven.

 

"Engelen legden uit, dat het leven van de overheersende liefde nooit voor altijd zal worden veranderd, omdat iedereen identiek is aan zijn liefde. Als dit bij een geest veranderd zou worden, betekende dat, dat hij hem van zijn leven moest beroven of hem zou vernietigen. Ze noemden ook de oorzaak daarvan namelijk, dat na de dood de mensen niet meer omgevormd kunnen worden door belering (reformari), zoals in de wereld, omdat dan het onderste geheel (het laatste volledige), die uit natuurlijke kennis en neigingen bestaat, tot rust gekomen is en niet langer meer toegankelijk  kan gemaakt worden, omdat ze niet geestelijk is." (HH1 480).

 

In het hiernamaals kan de wedergeboorte van de geest (regeneratio) niet worden bereikt als de transformatie van de geest in dit leven nog niet is begonnen: 'Wie de eerste staat [geestelijke omvorming] in de wereld is begonnen, kan na de dood de tweede [wedergeboorte] binnengaan, maar wie daarentegen niet aan deze eis voldoet, kan na de dood niet in de tweede staat worden gebracht en kan daarom niet wedergeboren worden.' (WCR-571). De wil is de feitelijke mens.

 

'Na de dood bestaat de mens uit zijn liefde, want dan wordt alles van hem als het ware verwijderd en weggenomen wat niet met zijn overheersende liefde overeenstemt. Dus als iemand goed is, dan wordt alles van hem als het ware weggetrokken en weggenomen wat niet overeen overeenkomt of afwijkt, en op deze wijze wordt hij volledig in zijn liefde verplaatst. Hetzelfde gebeurt met degene die slecht is, alleen met het verschil, dat hem de waarheden worden weggenomen; daarentegen bij de goeden wordt het verkeerde weggenomen - tot op het punt, dat uiteindelijk iedereen alleen nog maar uit zijn liefde bestaat." (HH! 479).

 

'In de geestelijke wereld kan niemand iets doen tegen zijn eigen wil' (WCR-56). 'Opdat de mens niet met zijn verstand in de hemel en met zijn wil in de hel is en daarmee geen verdeeld gemoed krijgt, wordt daarom na de dood alles in het verstand verwijderd, wat van zijn eigen liefde uitgaat.' Daarom is een bewuste, verstandsmatig gestuurde herontwikkeling van de geest, d.w.z. een of-of hervorming door bijscholing,  in een ander leven niet langer mogelijk. Het verstand is een getrouwe dienaar (of slaaf) van zijn wil geworden.

 

Wanneer de zelfstandigheid van het relatieve denken tegenover de wil het speciale geschenk van het aardse leven is, dan moet men er ook mee leren omgaan. Swedenborg heeft gewaarschuwd voor geestelijke verstijvingen; hij zegt zelfs: "Het gefundeerde kwaad en onoprechte kan na de dood niet worden uitgeroeid." (GLW-262).

 

Daarom zou de mens zich niet al te snel moeten laten bepalen door de voorkeuren van zijn energieke voorliefde en gemoedstoestand. Je zou toch altijd wel een beetje oneens met jezelf moeten zijn, want de spanning tussen denken en willen is de stuwkracht, die naar de hemel leidt. Juist dat, wat we uit onze natuurlijke, d.w.z. niet - wedergeborene vitaliteit afwijzen en verachten, dat kan zich ontpoppen als een cruciale ontwikkelingshulp.

 

Daarom kan men ieder mens slechts de dringende raad geven om bij zichzelf vraagtekens te zetten, hoe hij zijn reflectiviteit verder kan uitbreiden. Het aardse leven is tenslotte maar een hint naar het ware leven, en wie kent al de wegen, die God met hem wil gaan - en welke hij niet gaan kan, wanneer verstijvingen en stijfkoppigheid de elasticiteit van de natuurlijke mens verstoren.

 

'Een mens bevindt zich in een gezelschap van de geestelijke wereld niet op dezelfde wijze als een geest, die van zijn gezelschap als het ware is ingeschreven. Een mens bevindt zich namelijk steeds in een staat van veranderingen. Daarom wordt hij, afhankelijk van zijn leven en zijn veranderingen, door de Heer van het ene helse gezelschap in een ander helse gezelschap verplaatst, indien hij slecht is. Maar als hij zich echter laat omvormen, dan zal hij uit de hel- en in de hemel worden geleid en zal hij ook daar van het ene gezelschap in het andere gezelschap worden verplaatst en dat tot de dood. Daarna zal hij niet meer van het ene gezelschap naar het andere worden gebracht, omdat hij zich dan niet meer in de toestand van omvorming bevindt, maar in de [staat] blijft, die volgens zijn leven is. Daarom wordt de mens na de dood van zijn [geestelijke] plaats ingeschreven’. (GV!307)

 

Daarom zegt de heilige Schrift: "Hun werken volgen hen na." (Openb.14:13). Men vergelijke hier de uiteenzettingen van Swedenborg in HH-471. Ook voor Lorber staat vast, "dat een ieder mens door de aard van de liefde de schepper wordt van zijn eigen innerlijke wereld, en dat hij nooit in een of andere hemel of een hel kan komen, dan slechts door de werken van zijn liefde. Daarom wordt er gezegd : 'En uw werken volgen u.' "(GS-II.119.13).

 

Swedenborg heeft er herhaaldelijk op gewezen, dat het einde van het aardse leven ook het einde is van de aardse ontwikkeling (zo geformuleerd klinkt het op deze wijze merkwaardig): "De dood is de voortzetting van het leven, maar met één verschil: de mens kan dan niet meer worden getransformeerd.  De totale omvorming vindt plaats in de staat van de volledigheid, d.w.z. in de eerste en tegelijkertijd in de laatste ontwikkeling. En de laatste ontwikkeling wordt in de wereld getransformeerd - in overeenstemming met de eerste en dit kan later niet meer worden veranderd omdat het laatste van het leven, die de mens na zijn dood nog bij zich heeft, dat in de staat van rust is en met zijn unanieme innerlijkheid samenwerkt, dat wil zeggen, werkzaam in de eenheid.’ (GV-277)

 

Swedenborg: "Ik hoorde van de engelen dat bij niemand het leven na de dood kon verandert worden omdat daar de laatste [uit]werkingen klaarliggen volgens zijn liefde en geloof en daarmee dus volgens zijn werken ..." De mens kan voor de hemel alleen door de wereld gevormd worden, omdat daar de laatste [uit]werkingen) klaarliggen, waarin de neigingen van elk beperkt moet worden." (HH-360).

 

'Zolang de mens leeft [in de wereld], is hij in de laatste orde en heeft een fysiek geheugen dat toeneemt. Na de dood heeft de mens weliswaar ook zijn gehele uiterlijk of fysiek geheugen, of alles en alles, wat daarbij behoort, maar het kan niet langer meer toenemen, en als dit niet het geval is, kunnen er geen nieuwe overeenstemmingen en overeenkomsten niet worden gevormd, en daarom zijn alle dingen van zijn innerlijke geheugen daar aanwezig en lopen uit in zijn uiterlijk geheugen, hoewel hij deze nu niet gebruiken mag. Hieraan is te zien wat dit betekent: 'Als de boom valt, blijft hij daar liggen'.

 

Niet dat het goede niet langer meer volkomen kon worden, hij wordt zelfs in grote mate volkomen gemaakt tot aan de wijsheid van de engelen - maar hier volgens de overeenstemming en het ermee corresponderende, die tussen zijn innerlijke en uiterlijke was, terwijl hij in de wereld leefde.

 

Lorber wees ook op het belang van een "vaste bodem" zoals die wordt weergegeven door de materiële wereld. De verbetering in het hiernamaals is zo moeilijk omdat de naakte ziel volledig afhankelijk is van haar eigen materiaal aan bewustzijn. Daartegenover staat de "objectieve" eeuwige verdoemenis? – De wereld biedt een veilige houvast en een kader voor oriëntatie, waarop de geest, die de goddelijke orde nog niet heeft gevonden, kan leunen:

 

 ‘Op deze Aarde staat ieder mens op een vaste bodem [GJE6-65:4] en heeft vóór zich een groot aantal goede en slechte wegen en om zich heen allerlei raadgevers, lei­ders en leraren; …Maar in het andere leven heeft de ziel van de mens niets anders dan alleen zichzelf en schept ze haar eigen wereld, net zoals in een droom. In zo'n wereld kunnen er dan ook geen andere wegen zijn dan die, welke een ziel vanuit haar liefde, wil en fantasie voor zichzelf gebaand heeft. (GJE10-113:3 e.v.).

 

'Maar in het hiernamaals zijn er oneindig veel scholen waarin de zielen op de meest praktische manier kunnen worden onderwezen. Maar natuurlijk is het daar [aan gene zijde] niet zo gemakkelijk als hier, [op Aarde] omdat elke ziel daar geen andere wereld en omgeving heeft dan alleen datgene, dat uit hun denken, voelen en willen voortkomt en het biedt de ziel alles wat ze liefheeft en wil.

 

Met toenemende kwelling nemen ook hun woede en hun wraakzucht toe, en dat is dan de toegang tot de hel, en dit is een echte tweede dood van de ziel, waaruit het dan buitengewoon moeilijk is er weer uit te komen ... Want het kan menige door en door slechte ziel miljarden aardse jaren kosten voor zij zich door zulke pijnlijke middelen uit zichzelf wat verbetert. Daarom is hier één dag meer waard dan honderd jaar aan gene zijde, naar aardse tijd gerekend." (GJE6-65:3-6). Daarom kan 'de innerlijke of geestelijke mens in het andere leven'  'vervolmaakt' worden, 'maar dan slechts voor zover hij uiterlijke of natuurlijke overeenkomsten kan hebben'. De boom geeft het "geloof" aan. (vgl. GZ, deel 1, hfdst.51:1]

 

Aangezien er sprake is van eeuwige verdoemenis, rijst de vraag: wat is eeuwigheid? In navolging van Lorber kon men een eeuwigheid op zichzelf en een eeuwigheid in zichzelf zeker wel onderscheiden. Elders waarschuwt Lorber ervoor om ‘het woord’ ‘eeuwig’ niet als een eindeloos blijvende tijd te beschouwen, want: ‘De eeuwigheid komt wel overeen met de tijdsduur in de materiële werelden, maar in de geestelijke wereld is zij dat zodanig, wat hier de tijd is….. Als Ik dus over de eeuwigheid en de oneindigheid spreek, dan moeten jullie dat ook in de juiste zin opvatten. (uit GJE10-155:1, 2 en 5).

 

‘De engelen zien de eeuwigheid als een oneindige staat, maar niet als een oneindige tijd.' (HH-167). Dat God onschuldig is aan de ellende van de verdoemden. Niet Hij straft de duivels, maar zij straffen zichzelf. Voor hen geldt het oude gezegde: de welwillende geschiedt geen onrechtvaardigheid. In zijn "geestelijke dagboek" had Swedenborg gezegd: "In een ander leven zal straf alleen gegeven worden met het doel de schuldigen te verbeteren door lijden en pijniging." Volgens het gezegde: "Wie niet wil horen wil, moet voelen", zou toch nog een uitweg uit de hel kunnen zijn.

 

Lorber maakt dit onmiskenbaar duidelijk: "Als de duivel van binnenuit in staat was om berouw te hebben, zou hij geen duivel zijn en zou hij zich niet in de hel bevinden. Daarom kan een duivel ook van binnenuit, dus vanuit zichzelf, zijn leven nooit beteren, maar wel door inwerking van buitenaf [d.w.z. door de hellenstraffen] is dat na verloop van onvoorstelbaar lange tijd nog wel mogelijk; deze inwerkingen moeten echter altijd volkomen overeenstemmen met het innerlijk van de duivel, dat -zoals gezegd -door en door slecht is. ‘Arme duivels’ bestaan zo bezien niet op deze wijze.

 

Dat een duivel 'nooit van binnenuit – vanuit zichzelf - verbeterd kan worden, wordt ook in de volgende passage uitgedrukt, wanneer hij door een Romein daarover wordt gevraagd: 'Vanwege hun innerlijke boze staat zijn dergelijke geesten nooit in staat om een ware bewoner van de hemel worden?' Daarop antwoordt de Heer bevestigend: ' Heel zeker; als zij duizend eeuwigheden zo gelaten worden, worden zij uit zichzelf in plaats van ooit eens beter, eeuwig steeds maar slechter!’ (Ev-VI.238: 1, 2 en 6).

 

Swedenborg zag, dat de lijdensweg in de hel geleidelijk leidde tot een beteugeling van de helse levenslust, wat de hel meer draaglijker maakt, maar dat zij op geen enkele manier in een hemel verandert: de helbewoners hebben steeds pijnlijke kwaadheden te dulden, totdat zij het niet meer wagen iemand te schaden, en daarna blijven ze voor eeuwig in de hel. Uit deze hel kan niemand meer uitgehaald worden, daar ze niemand enige welwillendheid kunnen schenken, alleen maar, dat ze niemand meer kwaad doen uit angst voor straf, terwijl het verlangen ernaar steeds blijft bestaan. ”(HG-7541).

 

bron: Jakob-Lorber-Bulletin-International, 06-2020, nr. 54: www.zelfbeschouwing.info

UpToDate 2022

web counter