Over de toelating van oorlog

                                        

https://upload.wikimedia.org/wikipedia/commons/3/38/Mafikeng_Second_Boer_War.jpg

 

(korte samenvatting)

door Klaus Opitz  [Dld]

 

1.Alleen moeten jullie deze zaken niet op een wereldse manier beoordelen

2.Waarom Ik de oorlog dan enigszins toelaat

3.Ook een soldaat is mijn broeder

 

1.“ Deze zaken moeten jullie niet alleen maar op een wereldse manier beoordelen

 

1.1.
„…Ik ken en zie al deze gruwelen van de oorlog en laat ze toe, omdat de mensen van deze tijd het niet anders verdienen; hoe verstokter ze zijn, des te groter en krachtiger het opwekmiddel.

 

Veel mensen moeten en zullen nog sterven; alleen moeten jullie de dood niet zo voorstellen, hoe deze zich blijkbaar manifesteert, en misschien honderden over de gestorvenen rouwen, in de andere wereld zal daarover geen enkel wezen rouwen, maar juicht en prijst hij Mijn besturing, waarom Ik dat op deze wijze doe en misschien het heil van de familie gesteund en bevorderd heb; er zullen jullie later nog meer ontzettende dingen van onmenselijkheid bekend gemaakt worden, maar toch, hoewel jullie gezicht bij het lezen van zulke daden van de gerechtvaardigde onwil rood wordt, zie, dat is het eindresultaat, dat toch weer via Mij in werken van  liefde en genade wordt omgezet.

 

Jullie moeten deze zaken niet op een wereldse wijze beoordelen, maar ze van Mijn kant bezien, omdat Ik eigenlijk niets anders doe, zoals ook heel vaak een liefhebbende moeder bij jullie met haar onmondige kindjes, bij de grote feestdagen van een betere kledij wil voorzien, terwijl het kind huilend protesteert. Is de aankleding echter geschied en bekijkt het kind zichzelf in de spiegel, en daarbij toch nog dankend de moeder om de hals drukt en haar liefkozend sorry zegt – en dit vanwege de blinde weerstand; want nu ziet ze in, dat ze niet besefte, wat ze aan het doen was.

 

En zo, Mijn lieve kinderen, looft nu de duizenden, die onder pijn en ellende op het slagveld of in de ziekenhuizen  de geest opgeven, d.w.z. het halfvergane lichaam van zich afgeschud en in geestelijke vrijheid hun weg naar de grote bestemming tegemoet gaan. 

 

Wat de machthebbers, hun trots en eerzucht betreft, wees daarover maar gerust, ook deze zijn in Mijn hand, en juist daar, waar zij zich het sterkst en moedigst wanen,  zal Ik ze hun onmacht laten voelen!

 

Ook zij zijn Mijn kinderen,  hoewel  vertrokken; alleen Ik heb al middelen, ze weer op de weg te brengen, waar zij slechts Mijn, en niet hun plannen moeten opeisen! –

 

Vertrouw op Mij, jullie allemaal! Laat de gebeurtenissen maar komen zoals ze willen komen: slechts in Mijn armen en aan Mijn zijde is rust, en verplaatst jullie je daarheen! En laat het wereldregeren aan Mij over: en wanneer jullie dat werkelijk doen, dan zullen jullie zien, met welke rustige blik jullie geestelijke ogen zullen krijgen, en jullie zullen zoals een hoog over het gebergte wegscherende adelaar even kunnen genieten van de grote algemene vergezichten en de details uit elke omgeving of situatie als onbelangrijk beseffen, maar uit Mijn hand de zegen van Mijn leer en Mijn liefde genieten, zoals het Mijn kinderen betaamt, die niets anders kennen en wensen, dan slechts de wil van hun Vader te vervullen! En alles wat hij doet, vooraf het enige als juiste inzien.

 

‘Streef daarna! En aan jullie rust’ en Mijn zegen zal het niet ontbreken; dit zegt over jullie je liefhebbende Vader! Amen!‘

(Uit: Gottfried Mayerhofer, „Een geestelijke blik op het aardse leven met gedragsregels‘ uit „Lebensgarten“ – ‘Garden of life’)


1.2.

De Heer:Als Ik de Oorlog net zoals de liefde, deemoed en ware eenvoudige zachtmoedigheid had geboden, dan zou Ik daar zijn werk ook zegenen; maar omdat de oorlog nooit van Mij was uitgegaan, behalve tegen de hel, die Mijn heiligdom bedreigd, dan zal hij van Mij ook voor eeuwig, oorzakelijk betracht, daarvan geen zegen verwachten!

 

Daarom verheuge zich ook niemand op de overwinning, want omwille van dat moet geen volk daarom gezegend worden; want wat het zwaard won, dat en nog veel meer zal het zwaard ook weer verteren.’ (Hemelse Geschenken.03_49.08.29,07 e.v.)

 

2. Hoezo Ik de oorlog dan overal toelaat’ 

[2]…’Tenslotte werd Mij de vraag gesteld waarom Ik oorlog eigenlijk toeliet, waardoor zoveel bloeiende mensenlevens en hun bestaansmogelijkheid vernietigd wer­den en de zielen verruwd en vaak helemaal verdorven werden.

Allen keken Mij vragend aan, omdat die vraag nog nooit direct aan Mij was gesteld. [3] Ik vroeg hun derhalve allemaal dichter bij Mij te komen zitten, om niet al te luid te hoeven spreken en de aandacht van degenen die voorbij trokken niet op ons te vestigen, en Ik zei het volgende:

'Het is steeds noodzakelijk dat jullie bij het beschouwen van alle dingen die zich in het menselijke leven aan jullie blik vertonen, nooit naar de buitenkant oordelen, maar steeds naar de innerlijke, wezenlijke kern. Materiële, uiterlijke dingen en geestelijke, inner­lijke, dat wil zeggen overeenstemmende dingen kunnen schijnbaar in grote tegenspraak met elkaar zijn, omdat ze dikwijls polair tegenover elkaar staan, ja, zich als volledig tegenovergestelde begrippen zo móeten verhouden, ondanks dat het ene zonder het andere niet kan bestaan.

Als die tegenstellin­gen voor jullie blik heel schril naar voren komen, dan menen jullie onver­klaarbare tegenstrijdigheden te ontdekken, die dat echter voor het oog van de geest absoluut niet zijn. Zo is het bijvoorbeeld hier:

 

[4] De Romeinse soldaat, wiens beroep het toegestane moorden is, in welke verhouding staat die in zijn uiterlijke menselijke positie, die beslist niet over­eenkomt met Mijn leer van vrede, tot zijn innerlijke mens, die toch ook van God is en naar God moet terugkeren? Hoe is het toch mogelijk, vragen jullie, dat Ik toelaat dat een ziel, begiftigd met de goddelijke geestvonk, in zulke verkeerde dingen verstrikt raakt? 

 [5] Jullie menen hiervoor geen verklaring te kunnen ontdekken; want ook al verwijs Ik naar de vrije wil van de mens, waardoor hij immers in zijn uiterlij­ke positie kan grijpen naar wat hij wil, zullen jullie vragen: 'Is het voor U dan echt noodzakelijk om de mensen zoveel vrijheid toe te staan dat zij die gebruiken voor moord en doodslag, en zou het niet beter zijn die vrijheid dan tenminste in zoverre te beperken, dat die niet gebruikt wordt voor zoveel onredelijk verdriet en leed op aarde?'

 

Ja, jullie zullen vragen: 'Kan de Godheid, die de waarachtige liefde is, dan rustig toezien bij zo oneindig veel ongeluk en vreselijke ellende, die de mensen zichzelf aandoen, zonder te hui­veren of het een halt toe te roepen? Moet die zo liefdevolle Godheid dan niet een gevoelloze Godheid zijn, die er een soort vreugde aan beleeft om rustig toe te kijken hoe haar schepselen elkaar verscheuren?

 

‘Geen enkel mens zou rustig toezien bij zoveel ellende, als hij de kracht ervoor had, maar alleen zijn medelijden al zou hem dwingen er op af te springen en met heilige ernst de strijdende partijen een halt toe te roepen. Waarom doet de Godheid dat dan niet, terwijl Ze toch over alle krachten gebiedt?' 

 

[6] Kijk, dat vraagt menig weifelende ziel zich af, waar al veel van Mijn hel­dere licht is binnengevloeid, en dan begint ze te twijfelen aan de ware liefde en zelfs aan de aanwezigheid van een God van liefde, verdwaalt in allerlei afgronden van twijfel en wordt tenslotte afvallig van het ware geloof.

 

[7] Maar Ik zal jullie een licht geven dat al die vragen voldoende belicht. Luister dus!

[8] In eerste instantie moet er gekeken worden hoe de ene mens zich tegen­over de andere mens opstelt, en daarna hoe hij, terwijl hij in de materie leeft, zich tegenover God opstelt -of anders gezegd: waarheen neigt hij in zijn voorstellingen, met betrekking tot het zichtbare en het onzichtbare?

[9] Nu is het heel natuurlijk dat een eenvoudig mens, wiens ziel nog niet zo ontwikkeld is, zijn gedachten in eerste instantie alleen op het uiterlijke richt dat hem omringt, en ook alleen maar oordeelt naar hetgeen hij ziet en hoort.

Het puur uiterlijke van de verschijnselen zal hem in eerste instantie aantrek­ken; hij zal dat beoordelen, zijn conclusies trekken en vanuit zijn opgedane ervaringen zich de uiterlijke omgeving ten nutte weten te maken.  

 

Pas wan­neer hij zover is gekomen dat hij het uiterlijke van de natuurlijke gebeurte­nissen kan beheersen, zal zijn verstand hem aansporen naar het 'waarom' te vragen en daarnaar op zoek te gaan.

De loop van de ontwikkeling in de mate­riële wereld is echter steeds zo, dat eerst het uiterlijke omhulsel bestudeerd wordt en de geestelijke kern er daarna vaak met veel moeite uit wordt gepeld.  

[10] Jullie weten echter dat de ontwikkeling van het dierenrijk alsook van het voorafgaande plantenrijk berust op de vernietiging van de uiterlijke vorm, ongeacht het daarin heersende innerlijke levensbeginsel, dat naar vervolma­king streeft.

Dit uiterlijke natuurvoorbeeld blijft natuurlijk ook niet verbor­gen voor een mens wiens ziel nog niet zo ontwikkeld is,ja, het is in hem aan­wezig als een zielenkracht die overwonnen moet worden, omdat zijn levensloop die neiging om te vernietigen in zich bevat. Hij bootst het dus ook in zoverre na, dat hij aanspraak maakt op het recht van de sterkste en het ook uitoefent, zolang hij zich in een toestand bevindt die de innerlijke ont­wikkeling van zijn ziel nog belemmert.

 

Pas wanneer er perioden aanbreken waarin de ontwikkeling van de ziel voorop staat, waarbij in zekere zin het puur uiterlijke, materiële waarnemen als een overwonnen standpunt wordt beschouwd, kan die hardheid van de ziel niet meer optreden en kan het recht van de sterkste in de mens geheel en al verdwijnen. Dan treedt het recht van de verlichte menselijke geest in werking, dat veel onoverwinnelijker is dan die eerste fysieke kracht. 

 

[11] Die soldaten staan echter allemaal op het niveau van het puur uiterlijke waarnemen van de natuur, dat hun het recht van de sterkste leert -ze bekom­meren zich nog niet om de ontwikkeling van hun ziel - en bootsten dus ook die strijd in de natuur na, en voelen voorlopig ook helemaal geen leegte in zichzelf. Ja, ze kunnen daarbij zelfs heel goede mensen zijn, zelfs goedmoedig, zolang ze geen ingebeelde vijand voor zich hebben in de gedaante van een andere oorlogszuchtige soldaat uit een ander land, waar ze als een verbitterde vijand tegenover staan, zodra de trompet tot de strijd oproept.  

 

[12] Die opvoeding moet Ik echter laten gebeuren, omdat het herkennen van de innerlijke kern alleen mogelijk is door het doordringen van de harde uiterlijke schillen, en de menselijke geest niet op een andere manier te wek­ken is dan door ervaring.

[13] 'Experientia docet'* (* Latijn voor (letterlijk): 'De ervaring leert', ofwel' Al doende leert men' c.q. 'Door erva­ring wordt men wijs'), is hier het parool, en jullie weten hoe waar dit gezegde is; want door ervaring leert een leerling meer dan door honderd van buiten geleerde, onbeproefde regels.

 

De aarde is echter een school, waar gees­ten door ervaring wijs moeten worden; daarom is hun hier ook de meest uit­eenlopende gelegenheid gegeven om de ene ervaring na de andere op te doen, om de geest snel te laten rijpen. Maar hoe het totaal aan moeilijk, bitte­re en onaangename ervaringen, die op een woeste bergbeek lijken, beteugeld worden tot een rustig voortstromende, kalme rivier, dat vertelt Mijn leer, en Mijn leven moet en zal steeds een voorbeeld blijven dat laat zien hoe alle ervaringen ertoe dienen om de geest in de mens dicht, ja innig dicht bij God te brengen.   

 

[14] Als jullie dus je ervaringen veronachtzamen, zullen jullie nooit verstandige bouwlieden in het rijk Gods kunnen worden; want bij Mij is het altijd zaak de mensen langs praktische weg op te voeden. Mijn stem kan echter meestal pas helder weerklinken in de ziel van de mens, wanneer de ziel door vele bittere ervaringen van allerlei aard verinnerlijkt is en zich van het uiter­lijke heeft afgewend.’ … (GJE.11_059,01ff) 

 

3. ‘Ook een soldaat is mijn broeder‘

 

3.1.

"Kijk, een soldaat is weliswaar op zichzelf beschouwd een vuur, dat verwoest, kapot en dood maakt. Als er echter in een grote volksstaat geen wapenmensen bestonden, waar was dan de beveiliging van het eigendom, van het leven en de handhaving van de wetten over de orde? Wat aan het leven weliswaar in overmaat gevaarlijk kan worden, moet hoofdzakelijk het leven ook ontvangen!

 

En daarom is het soldatenniveau zeker niet zo slecht als je denkt. Daarom moet je hen niet meer met vijandelijke ogen bekijken, maar bij jezelf denken: Ook een soldaat is mijn broeder! Dat hij een machine van de wet is,  dat moet je om het even zijn. Want er moet immers zulke existeren, opdat er onder de wet een ware en blijvende vrijheid kan ontstaan.’ (RB.02_234,08)

 

3.2.

[4] Met liefde bereik je alles, het geweld haalt alleen de duivel maar uit zijn slaap! En als die wakker is, kun je niet veel goeds voor de aarde verwachten! [5] Daarom is het veel beter, dat de liefde en de zachtmoedigheid in de mensen groeit en altijd wakker blijft en dat daardoor de duivels de kans krijgen om te slapen en te rusten zodat ze de aarde geen kwaad doen, dan dat men de duivels met het dreunende lawaai van het geweld wakker schudt, waarna zij dan de aarde en alles wat daarop is te gronde richten! (GJE.01_076,04 f)

 

Homepage auteur: www.jesus2030.de

 

UpToDate 202-2025