Sterven en situatie van de ziel

 

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer]: Als de mens sterft, wordt de ziel uit het lichaam genomen. De ziel komt dan als een zelfstandig geestelijk mens op een plaats, die geheel overeenkomt met haar innerlijke gesteldheid. Op die plaats kunnen slechts de vrije wil en de liefde haar helpen. Zijn de wil en de liefde goed, dan zal de plaats ook goed zijn, die de ziel voor zichzelf gereedmaakt met de kracht en macht, die God haar heeft gegeven. Zijn de wil en de liefde echter slecht, dan zal hun werk ook slecht zijn ‑net zoals op de Aarde een slechte boom geen goede en een goede boom geen slechte vruchten geeft. Ga en versier een doornstruik met goud en edelstenen, en zie of u er daarom druiven van zult oogsten! Of u echter de druif met goud versiert of niet, ze zal u toch zoete lekkere vruchten geven. bron: GJE2‑18

 

Ieder moet er echter naar streven om reeds hier gewekt te worden; want wie reeds hier in het vlees gewekt wordt, die zal de vleselijke dood niet voelen of beleven, en zijn ziel zal niet beangst worden. Maar wee deze en alle latere vijanden van Mijn orde! Waarlijk, die zullen duizendvoudig voelen Wie het was Die zij weerstreefden en met Zijn echte volgelingen met alle vloeken belaadden! GJE1-149 [3,4]

Ik zeg: 'God heeft ook het sterven van het lichaam in een onver­mijdelijke en onveranderlijke wet vastgelegd, en ondanks al het gejammer van de mensen neemt Hij Zijn heilige woord niet terug! Je kunt daarover praten en redetwisten zoveel je maar wilt, maar aan het eind moet je toch sterven! Pas in het hiernamaals zul je beseffen, dat dit sterven heel noodzakelijk voor je was. GJE1-164 [2]

 

Wie dus nog een grote vrees heeft voor de lichamelijke dood, heeft een ziel die sterk verbonden is met het vlees en uiterst zwak verbonden is met de geest. Een grote liefde voor het leven op deze wereld is een zeker teken, dat de ziel zich nog weinig bekommerd heeft om het eeuwige leven van haar geest in haar, en dat is de schuld van het oude litteken, dat Adam zichzelf en daardoor alle in zijn vlees verwekte zielen heeft toegebracht.

 

Maar toch kan iedere ziel, als zij werkelijk wil, ook volledig genezen van dat kwade litteken. Want daarvoor heeft God al meteen in het bijzijn van Adam betrouwbare maatregelen getroffen, en Adam is zelf op het laatst van zijn leven weer bijna geheel genezen. Daarom is hij ook lichamelijk getransformeerd, net als nog een paar aartsvaders van de Aarde. Omdat hun nakomelingen zich echter vermengd hebben met de kinderen van niet genezen vaderen, bleef het oude kwaad van Adam toch, meer of minder krachtig zich manifesterend, als een kwelling steeds onder de mensen.

 

Dat is ook de reden van de pijnlijke bevallingen bij de vrouwen, en ook van de meestal zeer pijnlijke wijze waarop het sterven bij mensen plaatsvindt. Want een natuurziel die al door de zaadstroom van de man verwond is, verbindt zich direct heel hardnekkig met het vlees van de moeder en moet tijdens de geboorte steeds met geweld, onder het verscheuren van allerlei banden, uit haar lichaam ter wereld komen. Maar kinderen zoals Isaäk en nog een aantal anderen op deze wereld zijn volledig zonder dat de moeder pijn voelde ter wereld gekomen. [Opmerking: de geneeskunde zou hier nog veel onderzoek kunnen doen!]

 

Zo gaat het ook bij het sterven. Mensen, die erg aan het aardse leven hangen, en bij wie al hun zorgen daarop gericht zijn, hebben al gedurende hun korte aardse leven veel te lijden. Vaak worden zij geestelijk en snel daarna zeker ook lichamelijk ziek en zeer beklagenswaardig, en voor het afscheid van het lichaam hebben zij altijd met vaak onverdraaglijke pijnen te kampen, en zij nemen onder een zware, alles verdovende pijn afscheid van hun lichaam. Die pijn blijft hen vaak na het scheiden van het lichaam nog zeer lang bij, vooral bij die zielen, die het op de wereld in hun lichamen heel goed en behaaglijk hadden. Geheel anders gaat het met de zielen, die op de wereld tot de heilzame overtuiging zijn gekomen, dat alle schatten der Aarde geen enkel nut hebben voor de ziel, omdat ze evenals het lichaam in de dood ondergaan, en zich daarom van het oude litteken van Adam zo veel mogelijk vrij hebben gemaakt. Als zij in plaats daarvan hun geest, de adem van God, in zich gevonden en met alle zorgvuldigheid verzorgd hebben -, behoeven zij voorlopig nog maar weinig lichamelijke ziektes door te maken.

 

Als het leven van de ziel eenmaal met haar geest verbonden is, zal haar lichaam ook langzaam maar zeker een geestelijker richting inslaan, en daarom ongevoeliger worden voor de indrukken van de uiterlijke materiële wereld; want iedere ziekte ontstaat gewoonlijk door het verbreken van een band met de wereld. In het kort gaat het zo: het lichaam wordt door de naar leven smachtende ziel gevuld met duizenden behoeften allerlei aard. Als het als gevolg van klimatologische en vanwege duizend andere omstandigheden niet bevredigd kan worden, moet de een of andere band verbroken worden, en het lichaam wordt daarop al gauw ziek en lijdend, maar de ziel lijdt daar ook onder, omdat zij met haar lichaam de eigenlijke en ook de voornaamste draagster van pijn is. [notie: dus de ziel en het lichaam is dan in een overgangsfase: afscheid nemen van de materie en zich meer en meer vergeestelijken, dat eerst nogal reacties kan oproepen!]

 

Als de ziel echter haar lichaam, en daardoor zichzelf, gewend heeft aan zoveel mogelijk ontberingen uit het gebied van de wereldse dood, zullen er op het eind nooit zoveel banden tussen de dode goederen van de aarde en het lichaam meer aanwezig zijn, en dan is er dus maar weinig om onder veel pijn te verbreken. Als daardoor echter zoveel mogelijk redenen voor de ziekten van het lichaam zijn opgeheven, zou Ik wel eens willen weten waarvandaan deze dan nog in het lichaam en de gevoelige ziel zouden moeten komen. Ja, bij zulke mensen voelt het lichaam vrijwel geen pijn meer, ook al wordt het erg door gemene middelen uiterlijk gemarteld en gepijnigd.

 

Kijk eens naar de bekende jongemannen in de vurige oven! Zij zongen heel levenslustig en prezen God. En ook al werden hun lichamen mettertijd door het kwade geweld van buiten vernietigd, toch voelden zij daarbij geen pijn, want zij waren reeds lang daarvoor vrij van alle banden met de wereld en waren één met hun goddelijke geest. Dan voelt zo'n geheel met haar geest vereende ziel bij het verlaten van het lichaam, waarmee zij reeds lang niet meer met materiële banden, maar alleen met een zeer tere geestelijke band in verbinding stond, zeker geen pijn. Zij voelt alleen een haar gehele wezen doortrillend zalig welbehagen en het is niet mogelijk dat zij bij de scheiding het bewustzijn of het licht van het geestelijk schouwen van de ziel kwijtraakt, en net zo min het gehoor, de reuk, de smaak en de edelste en aller teerste tastzin, zoals onze engel Rafael die nu heeft.

 

Maar zoals gezegd, om dat te bereiken moet de mens eerst de oude Adamitische zonde kwijtraken, en dat gaat op geen andere manier dan op die, welke Ik jullie zoeven getoond heb: De wereldse zorgen moeten door de ziel uit zichzelf over boord geworpen worden, een ander middel is er niet! Als die afgedankt worden, komt bij de mens alles weer in de oude goddelijke orde terug, en de mens is dan weer geheel mens volgens de orde van God. Wel, dat is het wat men met recht 'erfzonde' noemt!

 

Op zichzelf gezien noemt men het vlees volkomen terecht de erfzonde; overeenkomstig geestelijk gezien is alleen de veelvoudige zorg voor het vlees de moeilijk uit te roeien zonde van Adam bij al zijn nakomelingen. Dit litteken der ziel kan echter door geen ander middel volledig verdwijnen dan alleen maar door dat wat Ik aangegeven heb, en door nog een middel, dat de mensen echter pas na beëindiging van Mijn zending in deze wereld getoond wordt, en dat gegeven zal worden tot heil van hun zielen. Johannes de doper in de woestijn was reeds de voorloper van dit middel." GJE2-226 [2-11]

 

Het sterfproces

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer]: In het sterfproces treffen wij een verzameling aan van de zenuwgeest. Dit zijn fijnstoffelijke zenuwbanen, ook wel fluïdum genoemd, zwevend tussen ziel en lichaam. Eerst worden deze etherische zenuwbanen van elkaar gescheiden, gevolgd door een definitief afbreken van de ziel uit het lichaam, waarbij gezorgd wordt voor verdere begeleiding in de geestelijke wereld. Want de ziel heeft een substantie die bijna geestelijk is en het lichaam dan moet verlaten. Als het hart nog warm is, dan is de mens nog helemaal niet dood. De wetenschap maakt juist van deze warmte gebruik en past deze toe voor orgaanexplantatie.

 

Maar de hersendode, wiens organen ontnomen worden, is dus helemaal niet dood. Er gebeurt veel meer in de afsluitende fase van het sterven. In het navolgende beschrijft Jacob Lorber in de Grote Openbaringen 4-128, hoe dit precies in zijn werk gaat. De jonge helderziende Mathael observeerde bij iemand het sterven. Zijn geestelijke gids zei: ´'Kijk eens naar de stervende! Haar ziel stijgt reeds op uit haar borstkuil, de plaats waar de ziel het lichaam gewoonlijk verlaat!" Hij keek nu beter naar de stervende.

 

Uit de borstkuil verhief zich een soort witte nevel, deze breidde zich steeds meer over de borstkuil uit en werd ook steeds dichter; maar van een of andere menselijke vorm merkte hij lange tijd niets. Toen hij dat zo wat zorgelijk bekeek, zei de gids tegen hem: 'Let maar eens op hoe een ziel haar aardse woning voor altijd en eeuwig verlaat!. Maar hij zei: ´Waarom heeft deze scheidende ziel dan geen gestalte, terwijl jullie, die ook pure zielen zijn, toch heel gewone mensengestalten hebben?' De geestelijke gids antwoordde: 'Wacht nog maar even; pas als de ziel helemaal uit het lichaam is, zal zij alles wel netjes bij elkaar rapen en heeft het dan ook een mooi en vriendelijk uitzien!‘

 

Terwijl hij die nevel zich steeds meer zag uitbreiden en verdichten boven de borstkuil van de zieke, leefde het lichaam nog steeds en kreunde zo nu en dan als van iemand die door een nare droom wordt geplaagd. Na ongeveer een kwartier zweefde de nevel ter grootte van een twaalfjarig meisje ongeveer twee handbreedten hoog boven het lichaam van de stervende vrouw, en was met haar borstkuil alleen nog door een vingerdikke nevelkolom verbonden. De kolom had een roodachtige kleur, werd nu eens langer en dan weer korter; maar na iedere keer langer en weer korter worden, werd de nevelkolom dunner en het lichaam vertrok zichtbaar van pijn tijdens het langer worden. Na ongeveer twee uur raakte de nevelkolom helemaal vrij van de borstkuil en het onderste deel zag eruit als een gewas met zeer veel wortelvezels.

 

Maar op het ogenblik dat de nevelkolom loskwam van de borstkuil zag hij twee verschijnselen. Het eerste bestond uit het volledig dood gaan van het lichaam, en het andere was dat de gehele, witte, nevelachtige massa in een oogwenk veranderde in de hem maar al te bekende vrouw van de buurman. Meteen omhulde zij zich met een wit, geplooid hemd, groette de rondom aanwezige, vriendelijke geesten, vroeg echter ook meteen duidelijk waar zij nu was en wat er met haar gebeurd was. Ook toonde zij zich direct erg verbaasd over de mooie omgeving waarin zij zich nu bevond. Mathael vroeg aan zijn grote lichtgrijze geest, waar die mooie omgeving dan te zien was.

 

Toen zei de geest: 'Die kun jij vanuit je lichaam niet zien, want die is slechts een product van de levensfantasie van de gestorvene en zal pas langzamerhand in een grotere en meer degelijke werkelijkheid overgaan!' Met deze woorden werd ik afgescheept en de geest sprak daarna in een mij geheel onbegrijpelijke taal. Hij moet echter iets heel prettigs tegen de nu vrije ziel gezegd hebben, omdat haar gezicht daarna zo blij werd. Het kwam Mathael echter merkwaardig voor dat de ziel, die nu vrij was, zich helemaal niet meer scheen te bekommeren over wat er met haar vroegere lichaam gebeurd was; zij onderhield zich zichtbaar heel aangenaam met de geesten, maar dit alles in een voor mij volkomen vreemde taal. Na verloop van tijd werden ook de beide gestorven dochters en de beide dienstmaagden bij haar gebracht.

 

En zij begroetten hun vroegere moeder en meesteres heel vriendelijk, - maar niet alsof de eerste twee haar dochters en de andere twee haar vroegere dienstmaagden zouden zijn geweest, maar als echte, ware, goede vriendinnen en zusters, en dat deden zij in een voor mij vreemde en totaal onbegrijpelijke taal. Maar geen van hen scheen zich in het minst om haar vroeger toch zeker zeer in ere gehouden lichaam te bekommeren; ook schenen zij niemand van ons stervelingen te zien. Merkwaardig was het dat de ziel van de zojuist gestorven vrouw meteen na het verlaten van het lichaam wél nog helemaal in het Hebreeuws haar vreugde over het zien van de mooie omgeving te kennen gaf, maar zich, toen zij zich in zekere zin meer geconcentreerd en verdicht had. bediende van een taal die volgens mijn geringe kennis nu op de hele aarde en onder al haar stervelingen hoogstwaarschijnlijk nergens voorkomt.

 

Hij richtte zich daarom weer tot zijn lichtgrijze geest en vroeg hem: 'Waarover gaat het, wat die vijf die zojuist in jullie rijk zijn aangekomen, nu met elkaar bespreken en welke taal is dat?' De geest antwoordde: 'Wat ben jij toch een nieuwsgierige jongen! Zij spreken juist vanwege jou deze speciale geestentaal, omdat zij niet door jou verstaan willen worden; want zij weten en voelen precies dat jij hier bent als iemand die vanuit zijn lichaam de geesten kan zien en met hen kan spreken als een Birmaan in Groot Indië. Zij weten en voelen ook dat hun lichamen nog hier zijn; maar daar bekommeren zij zich net zo min nog over als jij over een oude mantel die je totaal verscheurd hebt weggegooid. Je zou hun nu alle wereldrijken kunnen aanbieden met daarbij uitzicht op een duizend jaar lang leven vol gezondheid, dan zouden zij toch nooit meer in hun lichaam terugkeren! Maar dat waarover zij met elkaar spreken, zou je niet begrijpen ook al zou het in jouw taal gebeuren; want zij zien nu juist in deze tijd dat de grote Beloofde zich reeds als mens, ook al is het nog pas als een teer kind, in de stoffelijke wereld bevindt­. (gebeurtenis ca. 2 v. Chr.)

 

Opmerking van de schrijver JL:

Het nevelige uiterlijk­ dat echter altijd nog een menselijke vorm heeft (weliswaar gerafeld, maar met de grootte en de globale vorm van een mens) is het gevolg van de grote benauwdheid van de ziel tijdens het moment van scheiding, waarbij zij van pure vrees en ontzetting enige ogenblikken helemaal buiten bewustzijn raakt. Het is een buitengewone krachtsinspanning van de scheidende ziel om zichzelf te handhaven in het haar bewuste bestaan. Al haar delen worden daardoor in een buitengewoon heftige trilling gebracht, wat maakt dat ook het geoefendste oog dat in staat is geesten te zien, geen herkenbare vorm kan ontdekken.

 

Een natuurkundig voorbeeld hiervan zou de bassnaar van een harp kunnen zijn. Als je haar hard hebt aangeslagen zal zij gedurende enige tijd zo snel heen en weer gaan, dat je haar slechts als een doorzichtige nevelige draad zult zien. Als de snaar opgehouden is met trillen, wordt door de rust ook haar eigenlijke vorm weer zichtbaar. Een soortgelijk verschijnsel geeft ook de aanblik van een zoemende vlieg, waarvan je de vleugels pas dan kunt waarnemen wanneer de vlieg is opgehouden met vliegen en daardoor ook met zoemen; in vliegende toestand heb je haar slechts als met een klein nevelwolkje omgeven gezien. Als de ziel op het moment van scheiden het verwoeste, verscheurde en verder niet meer bruikbare lichaam verlaat, vibreert zij vaak met trillingen ter grootte van een handbreedte en wel zo snel, dat je kunt aannemen dat zij in een enkel ogenblik duizendmaal heen en weer en op en neer gaat.

 

Zolang de ziel zo in trilling is, is het voor een eventuele toeschouwer totaal onmogelijk ook maar iets van de menselijke vorm van de ziel waar te nemen. Na verloop van tijd komt de ziel meer en meer tot rust en wordt daardoor ook als menselijke vorm zichtbaar. Is zij echter ten slotte geheel in de rusttoestand gekomen die direct na de volledige afscheiding intreedt, dan is zij ook meteen in volmaakte menselijke vorm zichtbaar, vooropgesteld dat zij voordien door allerlei zonden niet te veel misvormd is.

 

Sterven moeten, eens

Als de mens sterft, wordt de ziel uit het lichaam genomen. De ziel komt dan als een zelfstandig geestelijk mens op een plaats, die geheel overeenkomt met haar innerlijke ges­teldheid. Op die plaats kunnen slechts de vrije wil en de liefde haar helpen. Zijn de wil en de liefde goed, dan zal de plaats ook goed zijn, die de ziel voor zichzelf gereedmaakt met de kracht en macht, die God haar heeft gegeven. Zijn de wil en de liefde echter slecht, dan zal hun werk ook slecht zijn ‑ net zoals op de aarde een slechte boom geen goede en een goede boom geen slechte vruchten geeft. Ga en versier een doornstruik met goud en edelstenen, en zie of u er daarom druiven van zult oogsten! Of u echter de druif met goud versiert of niet, ze zal u toch zoete lekkere vruchten geven. Ieder moet er echter naar streven om reeds hier gewekt te worden; want wie reeds hier in het vlees gewekt wordt, die zal de vleselijke dood niet voelen of beleven, en zijn ziel zal niet beangst worden.

 

Maar wee deze en alle latere vijanden van Mijn orde! Waarlijk, die zullen duizendvoudig voelen Wie het was Die zij weerstreefden en met Zijn echte volgelingen met alle vloeken belaadden! Ik zeg:'God heeft ook het sterven van het lichaam in een onver­mijdelijke en onveranderlijke wet vastgelegd, en ondanks al het gejammer van de mensen neemt Hij Zijn heilige woord niet terug! Je kunt daarover praten en redetwisten zoveel je maar wilt, maar aan het eind moet je toch sterven! pas in het hiernamaals zul je beseffen, dat dit sterven heel noodzakelijk voor je was. Wie dus nog een grote vrees heeft voor de lichamelijke dood, heeft een ziel die sterk verbonden is met het vlees en uiterst zwak verbonden is met de geest. Een grote liefde voor het leven op deze wereld is een zeker teken, dat de ziel zich nog weinig bekommerd heeft om het eeuwige leven van haar geest in haar, en dat is de schuld van het oude lidteken, dat Adam zichzelf en daardoor alle in zijn vlees verwekte zielen heeft toegebracht.

 

Maar toch kan iedere ziel, als zij werkelijk wil, ook volledig genezen van dat kwade lidteken. Want daarvoor heeft God al meteen in het bijzijn van Adam betrouwbare maatregelen getroffen, en Adam is zelf op het laatst van zijn leven weer bijna geheel genezen. Daarom is hij ook lichamelijk getransformeerd, net als nog een paar aartsvaders van de aarde. Omdat hun nakomelingen zich echter vermengd hebben met de kinderen van niet genezen vaderen, bleef het oude kwaad van Adam toch, meer of minder krachtig zich manifesterend, als een kwelling steeds onder de mensen. Dat is ook de reden van de pijnlijke bevallingen bij de vrouwen, en ook van de meestal zeer pijnlijke wijze waarop het sterven bij mensen plaatsvindt. Want een natuurziel die al door de zaadstroom van de man verwond is, verbindt zich direct heel hardnekkig met het vlees van de moeder en moet tijdens de geboorte steeds met geweld, onder het verscheuren van allerlei banden, uit haar lichaam ter wereld komen.

 

Maar kinderen zoals Isaäk en nog een aantal anderen op deze wereld zijn volledig zonder dat de moeder pijn voelde ter wereld gekomen. Zo gaat het ook bij het sterven. Mensen, die erg aan het aardse leven hangen, en bij wie al hun zorgen dáárop gericht zijn, hebben al gedurende hun korte aardse leven veel te lijden. Vaak worden zij geestelijk en snel daarna zeker ook lichamelijk ziek en zeer beklagenswaardig, en voor het afscheid van het lichaam hebben zij altijd met vaak onverdraaglijke pijnen te kampen, en zij nemen onder een zware, alles verdovende pijn afscheid van hun lichaam. Die pijn blijft hen vaak na het scheiden van het lichaam nog zeer lang bij, vooral bij die zielen, die het op de wereld in hun lichamen heel goed en behaaglijk hadden.

 

Geheel anders gaat het met de zielen, die op de wereld tot de heilzame overtuiging zijn gekomen, dat alle schatten der aarde geen enkel nut hebben voor de ziel, omdat ze evenals het lichaam in de dood ondergaan, en zich daarom van het oude lidteken van Adam zo veel mogelijk vrij hebben gemaakt. Als zij in plaats daarvan hun geest, de adem van God, in zich gevonden en met alle zorgvuldigheid verzorgd hebben -, behoeven zij voorlopig nog maar weinig lichamelijke ziektes door te maken. Is het leven van de ziel eenmaal met haar geest verbonden is, zal haar lichaam ook langzaam maar zeker een geestelijker richting inslaan, en daarom ongevoeliger worden voor de indrukken van de uiterlijke materiële wereld; want iedere ziekte ontstaat gewoonlijk door het verbreken van een band met de wereld. In het kort gaat het zo: het lichaam wordt door de naar leven smachtende ziel gevuld met duizenden behoeften allerlei aard.

 

Als het ingevolge klimatologische en vanwege duizend andere omstandigheden niet bevredigd kan worden, moet de een of andere band verbroken worden, en het lichaam wordt daarop al gauw ziek en lijdend, maar de ziel lijdt daar ook onder, omdat zij met haar lichaam de eigenlijke en ook de voornaamste draagster van pijn is. Is de ziel echter haar lichaam, en daardoor zichzelf, gewend heeft aan zoveel mogelijk ontberingen uit het gebied van de wereldse dood, zullen er op het eind nooit zoveel banden tussen de dode goederen van de aarde en het lichaam meer aanwezig zijn, en dan is er dus maar weinig om onder veel pijn te verbreken. Als daardoor echter zoveel mogelijk redenen voor de ziekten van het lichaam zijn opgeheven, zou Ik wel eens willen weten waarvandaan deze dan nog in het lichaam en de gevoelige ziel zouden moeten komen. Ja bij zulke mensen voelt het lichaam vrijwel geen pijn meer, ook al wordt het erg door gemene middelen uiterlijk gemarteld en gepijnigd. Kijk eens naar de bekende jongemannen in de vurige oven! Zij zongen heel levenslustig en prezen God.

 

En ook al werden hun lichamen mettertijd door het kwade geweld van buiten vernietigd, toch voelden zij daarbij geen pijn, want zij waren reeds lang daarvoor vrij van alle banden met de wereld en waren één met hun goddelijke geest. Dan voelt zo'n geheel met haar geest vereende ziel bij het verlaten van het lichaam, waarmee zij reeds lang niet meer met materiële banden, maar alleen met een zeer tere geestelijke band in verbinding stond, zeker geen pijn. Zij voelt alleen een haar gehele wezen doortrillend zalig welbehagen en het is niet mogelijk dat zij bij de scheiding het bewustzijn of het licht van het geestelijk schouwen van de ziel kwijtraakt, en net zo min het gehoor, de reuk, de smaak en de edelste en aller teerste tastzin, zoals onze engel Raphaël die nu heeft.

 

Maar zoals gezegd, om dat te bereiken moet de mens eerst de oude Adamitische zonde kwijtraken, en dat gaat op geen andere manier dan op die, welke Ik jullie zoëven getoond heb: De wereldse zorgen moeten door de ziel uit zichzelf over boord geworpen worden, een ander middel is er niet! Als die afgedankt worden, komt bij de mens alles weer in de oude goddelijke orde terug, en de mens is dan weer geheel mens volgens de orde van God. Wel, dat is het wat men met recht 'erfzonde' noemt! Op zichzelf gezien noemt men het vlees volkomen terecht de erfzonde; overeenkomstig geestelijk gezien is alleen de veelvoudige zorg voor het vlees de moeilijk uit te roeien zonde van Adam bij al zijn nakomelingen.Dit lidteken der ziel kan echter door geen ander middel volledig verdwijnen dan alleen maar door dat wat Ik aangegeven heb, en door nog een middel, dat de mensen echter pas na beëindiging van Mijn zending in deze wereld getoond wordt, en dat gegeven zal worden tot heil van hun zielen. Johannes de doper in de woestijn was reeds de voorloper van dit middel." bron: GJE2‑18, 2-226 [2-11]  1-149 [1-3]  en 1-164 [2]

 

Wat gebeurt er tijdens het sterfproces?

 

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer]: De ziel heeft een substantie die bijna geestelijk is; zij zal vroeg of laat het lichaam moeten verlaten. Zolang het hart nog warm is van stervende is de mens nog niet helemaal dood. De wetenschap speelt hier ‘handig’ op in en maakt van deze warmte gebruik bij de explantatie van organen. Een hersendode, wiens organen worden ontnomen, is helmaal nog niet dood. In de afsluitende fase van het sterven gebeuren er heel veel dingen. De etherische of de fijnstoffelijke zenuwbanen worden van elkaar gescheiden en gevolgd door een definitief afbreken van de ziel uit haar lichaam. Jakob Lorber beschrijft het een en ander in de Grote Nieuwe Openbaringen [4-128] hoe dit precies in zijn werk gaat. 

 

De ziel stijgt op uit haar borstkuil, de plaats waar de ziel het lichaam gewoonlijk verlaat. Door helderzienden wordt dit vaak gezien als een soort nevel. Het heeft dan nog geen mensenvorm. Pas wanneer de ziel helemaal uit het lichaam is, zal zij alles wel netjes bij elkaar rapen en begint dan ook geleidelijk weer een mensenvorm te krijgen. De gestorvene komt dan meteen in een sfeer terecht die in overeenstemming is met zijn/haar denkwijze [of fantasie]. Geleidelijk echter zal deze in een degelijke werkelijkheid overgaan.

 

Het sterfproces van de mens

 

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer]: Als de mens sterft, heeft hij tenminste nog twee dagen nodig om in het andere leven te komen, dat een voortzetting is van zijn vorig bestaan. [Hosea 6:2,3] Bij de mens zijn er altijd twee engelen bij het sterven aanwezig. De materialistisch ingestelde mens is een slaaf van zichzelf. Hij heeft vrees voor de wet en voor het verlies van zijn leven, van zijn rijkdom en zijn goede naam. Wanneer de Engelen waarnemen, dat hun gelaat wordt aangenomen [van de stervende!] dan weten zij, dat de mens gestorven is. De stervende krijgt terstond een lijkengeur, maar die wordt in de geestelijke wereld als aromatisch waargenomen, zodat boze geesten dit ruiken, en de stervende niet kunnen naderen. 

 

De gedachten van de stervende op het laatste moment worden door de engelen vastgehouden. Van de levensbestanddelen kan niets achterblijven. De engelen doen alle bedrieglijkheden en valsheden in de mens te niet.  Dan duurt het nog een tijd – als die tijd gekomen is, dat de gestorvene aan de geestelijke engelen worden toevertrouwd. De twee engelen treden dan terug zodra de geestelijken in de hemel genaderd zijn. De mens is volgens Swedenborg zo geschapen, dat hij gedurende zijn leven op Aarde tevens in de hemel is. De eerste drie hoofdstukken van de Bijbel gaan in principe over de oudste kerk, die Mens wordt genoemd.

 

Onder naamgeving wordt op veel Bijbelse plaatsen nooit echt namen bedoelt, maar wel van welke aard deze zijn. In de hemel wordt ook nooit iemands naam geweten, wel van welke aard iemand is.  Als men echter wist, hoeveel verborgenheden in elk kleinste vers ligt besloten, dan zou men versteld staan.

 

Swedenborg en Lorber hebben elkaar nooit gekend, want Swedenborg leefde 100 jaar eerder dan Jakob Lorber. Er kan dus nooit sprake zijn van wederzijdse invloed. Nagenoeg vertellen beiden hetzelfde, maar in andere woorden gegoten. Swedenborg: direct en confronterend, Lorber zacht en ook confronterend.

 

Afscheid nemen en de overgang naar een nieuw leven

                                          Klaus Opitz

Het afscheid van een mens uit dit leven is voor de achtergeblevenen vanzelfsprekend altijd iets pijnlijks, want er ontstaat een kloof, een nieuwe situatie.

 

Tijdens de jeugdperiode en gedurende het verdere leven willen we niets afweten van de dood, hoewel veel dingen ons daaraan herinneren, dat al het zichtbare blijkbaar vergaat of nog juister gezegd, dat het onderworpen is aan transformaties en hogere ontwikkelingen: een ontwikkeling via het rijk der mineralen, de plantenwereld, de dierenwereld tot aan de mens toe als afsluiting en hoogst mogelijke vorm van de ontwikkelingsfasen.

 

In een tekst van de Nieuwe Openbaringen werd aan Jezus  gevraagd: waarom wij mensen eigenlijk toch leven, en hoe het bij ons na de dood zal zijn en hoe wij het beste in alle wijsheid van het leven kunnen worden ingewijd… En Jezus antwoordde:

 

'Mijn beste Mucius, juist deze drie vragen, die jij stelt, omvatten in zich de gehele wijsheid van alle hemelen en de redenen voor Mijn leraarschap op deze Aarde

De mens leeft vanuit tweeërlei werelden, die hij in zichzelf dient te verenigen. Enerzijds is hij de sluitsteen van de uiterlijke, materiële schepping, waarin hij de kroon van  de  schepping wordt genoemd en als zodanig wordt geprezen, anderzijds is hij het beginpunt van de zuiver geestelijke wereld, die met hem de eerste fase van het volledig vrije zelfbewustzijn heeft bereikt. Hij is dus aan de ene kant het begin, aan de andere kant het einde van een keten en dient in zichzelf, door zijn daartoe geëigende leven en de vrije ontwikkeling, de juiste schakel te vinden waarmee hij die twee ketenen tot één kan maken.  (GJE.11_009,07 e.v.)


Er wordt in de volgorde de bovengenoemde vragen dan door Jezus uitvoerig beantwoord.  De complete tekst is te vinden onder GJE.11_009,01e.v. De gehele tekst met dezelfde vraagkwestie is daar te lezen waarbij  nu een kort citaat:

 

‘Zie, ieder sterfgeval is een overgang van het ene extreme naar het andere, van het leven naar de dood, een verandering van het vaste lichaam in eenvoudige elementen, een afscheiding van het geestelijke van het materiële of, wanneer u het nog beter wilt uitdrukken, het begin van het geestelijke en het einde van het materiële leven.(Predikingen01_041,08)

 

Waarom vragen zich velen toch af, hoe het met de zo vaak erge en pijnlijke overgang is van de Aarde naar het geestelijke gebied?

 

‚Kijk, wat is de dood van een mens eigenlijk?! Niets anders dan dat de rijpe vrucht van de boom valt, en dat vallen gebeurt ook vanzelf, zonder veel toedoen van de vrucht…Als een mens volkomen gelovig is geworden, en als Ik hem in het hart heb gelegd dat het zijn tijd is om de banden met zijn vlees los te maken, omdat zijn aardse dagtaak volbracht is, zal Ik hem zelfs de kracht geven om zelf die banden te verbreken, en dan ontslaapt hij zacht en in vrede voor de ogen van de zijnen.

Dat is de dood zoals hij moet zijn, maar zoals hij slechts in de meest zeldzame gevallen

kan intreden, omdat de mensen het ogenblik dat ze weggeroepen worden meer vrezen dan al het andere en hun overgang niet veroorzaken door normale slijtage, maar door de lichamelijke machinerie met geweld te verwoesten. Het verkeerde leven heeft daarom ook de vele ziekten teweeggebracht, die met de eigenlijke dood niets te maken zouden moeten hebben, omdat niet deze ziekten, maar de volledige rijpheid van de ziel [de dood] de overgang moet bepalen.’ (GJE.11_030,14e.v.)

 

‘Als de mensen maar zouden leven volgens de orde die hun reeds sinds het oerbegin heel duidelijk geopenbaard is, dan zou er niet één mens zijn die zich over het bittere van de dood kon beklagen…Ik weet wel dat de mensen als gevolg van hun grote blindheid nu en al sinds lange tijd met name bij het sterven heel veel lijden, en wel ten eerste omdat ze voor het grootste deel geen enkele zekerheid hebben over het voortleven van de ziel na de dood van het lichaam en zeer velen reeds het geloof van de Sadduceeën [onderdanen van een oud-joodse partij, redaktie] aanhangen, en in de tweede plaats omdat de mensen door hun uiterst ongeregelde leefwijze hun lichaam met allerlei onreine geesten hebben gevuld, waaruit mettertijd onvermijdelijk ook allerlei verschrikkelijke en pijnlijke ziekten moeten ontstaan, die een vroege dood tot gevolg hebben.

En daarom ben Ik ook Zelf in het vlees op deze Aarde gekomen, om de mens de wegen te laten zien die hij moet bewandelen om zich er ten eerste weer echt bewust van te worden  dat en hoe zijn ziel, zijn eigenlijke ik, na de dood van het lichaam verder leeft, en ten tweede om te laten zien hoe hij, zolang hij op deze aarde moet leven, tot op hoge leeftijd gezond en krachtig blijft en zijn heengaan

En zo kan Ik jullie als Heer van het leven de volledige verzekering geven, dat degene die - volgens de werkelijke betekenis van het woord! -Mijn brood zal eten en Mijn wijn zal drinken, de dood niet zal zien, voelen en smaken.

Met andere woorden: wie volgens Mijn leer zal leven, zal haar alles zalig makende werking ook ondergaan…’ (GJE.08_082,01/08_082,07ff)


Velen zullen zich nu afvragen, hoe ze er van verzekerd zijn, dat er daadwerkelijk een leven na de dood bestaat?

 

(De Heer:) 'Maar dat de zielen van alle mensen, goed of slecht, na de dood van het lichaam voortleven, daarvan hebben bepaalde meer in zichzelf gekeerde mensen bij alle volkeren op Aarde meer dan vele duizendmaal duizenden van de meest sprekende en overtuigende voorbeelden meegemaakt, doordat ze vaak jarenlang contact en leerzame omgang hadden met de zielen van lichamelijk gestorven mensen.

 

Maar als pure en geheel materiële wereldse mensen daar niet in willen geloven, omdat zij nog nooit iets dergelijks gezien hebben, kan dan soms aan God de schuld gegeven worden? Deze wereldse mensen zoeken het immers nooit en dus vinden ze het ook niet; maar zij die het zoeken, vinden het ook onder alle volkeren op Aarde. (GJE.08_129,01 e.v.)

 

Er bestaat in de Nieuwe Openbaringen een hele rij van berichten over het sterfproces, over het opnieuw ontwaken en eveneens het verdere leven in de geestelijke wereld. Hier moet vooral gewezen worden op het bericht van Mathael, die helderziend was en zelfs omgang kon hebben met engelen en die een sterfteproces beschilderd tot en met de ontvangst in de engelenwereld. Een kort uittreksel:

 

‚Een grote geest die een lichtgrijs, plooiend gewaad droeg [een engel], zei tegen mij, toen Ik hem op wens van mijn vader naar een geneesmiddel vroeg: 'Kijk eens naar de stervende! Haar ziel stijgt reeds op uit haar borstkuil, de plaats waar de ziel het lichaam gewoonlijk verlaat!" Ik keek nu beter naar de stervende. Uit de borstkuil verhief zich een soort witte nevel, deze breidde zich steeds meer over de borstkuil uit en werd ook steeds dichter; maar van een of andere menselijke vorm merkte ik lange tijd niets.

 

Toen Ik dat zo wat zorgelijk bekeek, zei de lichtgrijze, grote geest tegen mij: 'Let maar eens op hoe een ziel haar aardse woning voor altijd en eeuwig verlaat!. Maar ik zei: Waarom heeft deze scheidende ziel dan geen gestalte, terwijl jullie, die ook pure zielen zijn, toch heel gewone mensengestalten hebben?' De geest antwoordde: 'Wacht nog maar even; pas als de ziel helemaal uit het lichaam is, zal zij alles wel netjes bij elkaar rapen en er dan ook mooi en vriendelijk uitzien!

 

Terwijl ik die nevel zich steeds meer zag uitbreiden en verdichten boven de borstkuil van de zieke, leefde het lichaam nog steeds en steunde zo nu en dan als van iemand die door  een nare droom wordt geplaagd. Na ongeveer het vierde deel van een Romeins uur zweefde de nevel ter grootte van een twaalfjarig meisje ongeveer twee handbreedten hoog boven het lichaam van de stervende vrouw, en was met haar borstkuil alleen nog door een vingerdikke nevelkolom verbonden. De kolom had een roodachtige kleur, werd nu eens langer en dan weer korter; maar na iedere keer langer en weer korter worden, werd de nevelkolom dunner en het lichaam vertrok zichtbaar van pijn tijdens het langer worden.


Na ongeveer twee uur volgens de Romeinse tijd raakte de nevelkolom helemaal vrij van de borstkuil en het onderste deel zag er uit als een gewas met zeer veel wortelvezels. Maar op het ogenblik dat de nevelkolom loskwam van de borstkuil zag ik twee  verschijnselen.

Het eerste bestond uit het volledig dood gaan van het lichaam, en het andere was dat de gehele, witte, nevelachtige massa in een oogwenk veranderde in de mij maar al te bekende vrouw van de buurman. Meteen omhulde zij zich met een wit, geplooid hemd, groette de rondom aanwezige, vriendelijke geesten, vroeg echter ook meteen duidelijk waar zij nu was en wat er met haar gebeurd was; ook toonde zij zich direkt erg verbaasd over de mooie omgeving waarin zij zich nu bevond. [de volledige tekst is na te lezen in het GJE4_128.05 e.v.]

 

Nog verder een korte tekst betreffende het thema sterfteproces:

 

‘Als wij echter door God geroepen worden de wereld te verlaten, dan zal een engel van God vooraf….in één ogenblik al het geestelijke uit de materie vrij maken. De materie  geeft hij over aan de volledige ontbinding, maar de ziel en haar levensgeest en ook alles wat zich in de materie bevindt en bij de ziel behoort, zal hij, terwijl hij het samenvoegt tot een volmaakte mensenvorm, volgens de eeuwige onveranderlijke wil van God, naar de geestelijke wereld overbrengen!...’ [GJE2-195-2]

 

De vraag blijft nog over, hoe de betroffene dit sterfteproces zelf ervaart?

De bekende Lazarus uit het Nieuwe Testament zegt hierover na zijn opwekking door Jezus:

 

'O, ik zie nu in de geest opnieuw helder en duidelijk wat ik in dat uur van de dood voelde en dacht!

In het begin had ik een onnoemelijke angst, toen ik merkte dat het leven in mij wilde uitdoven. Daarna trad er echter een kalmte in, en ik voelde de behoefte om diep te slapen. Het huilen van mijn zusters, die bij mijn bed stonden, kwam mij zinloos voor; want ik wist immers dat ik weer wakker zou worden. Toen sliep ik in. (GJE.11_064,06 e.v.)

 

Er bestaat rijkelijke informatie, welke ons nu met betrekking tot de geestelijke zielstoestanden over de hemel en hel verder kunnen leiden. Enkele tekstvoorbeelden:

 

"Als de mens sterft, wordt de ziel uit het lichaam genomen. De ziel komt dan als een zelfstandig geestelijk mens op een plaats, die geheel overeenkomt met haar innerlijke gesteldheid. Op die plaats kunnen slechts de vrije wil en de liefde haar helpen. Zijn de wil en de liefde goed, dan zal de plaats ook goed zijn, die de ziel voor zichzelf gereedmaakt met de kracht en macht, die God haar heeft gegeven. Zijn de wil en de liefde echter slecht, dan zal hun werk ook slecht zijn…’’ (GJE.02_018,01)

 

‘Pas aan gene zijde treedt hij een nieuwe wereld binnen, die hem de wonderen Gods en  het heelal steeds meer onthult, waar hij met zijn geestelijk oog ziet en niet met zijn zwakke lichamelijke ogen, die hem de materiële wereld tonen. Bij het aanschouwen van de grote


wonderwerken ziet hij nu echter in, dat de echte zaligheid alleen gelegen is in werkzaamheid, en dat God Zelf het meest werkzame Wezen is. Al naargelang zijn vooruitgang kan hem dan ook een passend werkterrein worden gegeven, dat hij met grote ijver behartigt; en in die bezigheden en bij het zien van zijn nuttige werk zal hij de ware vreugde en hoogste zaligheid genieten.’ (GJE.11_011,07f)

 

De evangelist Johannes: „schouw naar de natuurwetmatige sferen van jullie Aarde of het geestelijke Middenrijk, die ook wel de naam ‚Hades‘ heeft, en ongeveer datgene is,  wat  jullie  als  Romeinse   gelovigen,  evenwel  behoorlijk  onjuist,  onder        het

vagevuur‘ verstaan. Het beste kan dit Rijk vergeleken worden met een grote toegangskamer, waar allen zonder verschil van rang of stand binnentreden en zich daar tot de verdere toetreding in de eigenlijke gastvertrekken zich min of meer voorbereiden.’

Dus dit Hades is daar ook de eerste natuurwetmatig en geestelijke toestand van de mens, waarin hij direct na de dood terechtkomt. Want niemand komt of meteen in de hemel noch in de hel [trapsgewijs in de drie sferen], tenzij hij in het eerste geval iemand is op de Aarde, die of volkomen is wedergeboren uit pure liefde tot de Heer, of hij moet in het tweede geval een kwaadwillige boosdoener zijn tegen de heilige Geest.

 

‘In het eerste geval zou het dus de hemel zijn zonder intrede in het middenrijk, in het tweede geval zou echter onmiddellijk de onderste hel te verwachten zijn. De hemel in het eerste geval daarom, omdat zulk een mens de hoogste volmaking in zich draagt, en in het tweede geval daarom de hel, omdat in zo iemand al het hemelse is verdwenen…’ (De Geestelijke Zon.02_120,02 e.v.)

 

‘Wees daarom voor niemand in de wereld aan gene zijde al te zeer bezorgd; want Gods liefde, wijsheid en grote ontferming heersen overal, ook in de grote wereld aan gene zijde. Zij die ze grijpen en zich ernaar zullen voegen en richten, zullen niet verloren gaan; maar voor degenen die dat hier en ook aan gene zijde niet zullen doen geldt de stelregel dat hem, die het kwade dat hem schaadt zelf wil, geen onrecht geschiedt(GEJ.10_002,06)

 

„Wanneer jullie de wereld eens de rug zullen toekeren, dan zullen jullie haar eerst herkennen, met welk lachwekkende belangrijkheid haar vaak dingen of betrekkingen zijn opgelegd, die het niet waard waren, en jullie om deze reden zomaar een minuut laten bezighouden of ongerust te maken.(Levensgeheimen.01_029,90)

 

www.zelfbeschouwing.info  - bron: Jakob Lorber Bulletin Internationaal, oktober 2016 – maandelijks gratis tijdschrift voor de bewuste mens