Kurt Eggenstein

De profeet Jakob Lorber

verkondigt ophanden zijnde rampen en het ware christendom

Uitgeverij Ankh-Hermes bv – Deventer

 


 

Oorspronkelijke titel: Der Prophet Jakob Lorber verkündet bevorstehende Katastrophen und das wahre Christentum, uitgegeven door Verlag Waldemar Proske, Keulen

 

Vertaling: Ellen Ernst-Zeij

 

CIP-GEGEVENS KONINKLIJKE BIBLIOTHEEK, DEN HAAG

 

Eggenstein, Kurt

 

De profeet Jakob Lorber : verkondigt ophanden zijnde rampen en het ware christendom I Kurt Eggenstein; (vert. uit het Duits). - Deventer: Ankh-Hermes

Vert. van: Der Profhet Jakob Lorber verkündet bevorstehende Katastrophen und das wahre Christentum. ­Bietigheim: Lorber, 1975. - Met lit. opg.

ISBN 90-202-4637-2 geb.

SISO 232.49 UDC 231.75 UGI 530

Trefw.: Lorber, Jakob / christendom; profetieën.

 

Oorspronkelijke uitgave (5e druk 1984) Verlag Waldemar Proske, Keulen  Nederlandse vertaling 1985 Uitgeverij Ankh-Hermes bv, Deventer


Inhoud

 

Inleiding.

Deel I

 

De opdracht die de profeet Jakob Lorber door de innerlijke stem ont­ving.

Over de mens Jakob Lorber

Het schrijfprocédé bij Lorber door het innerlijke woord

De voorspelde grote verspreiding van de NO in de huidige eindtijd. .

De bewijzen voor de echtheid van Jakob Lorbers profetie

Lorbers verkondigingen over de opbouw van het heelal en de bevesti­ging daarvan door de moderne astronomie.

De uitspraken van de Nieuwe Openbaring over de elementaire deeltjes en de resultaten van modern wetenschappelijk onderzoek.

Lorber beschrijft het tweevoudige karakter van het licht.

De dwaalweg van de materialistische wetenschap.

De uitspraken van de Nieuwe Openbaring over de voormens

Lorber voorspelt technische verworvenheden.

 

Deel II

 

De Nieuwe Openbaring verklaart het evangelie en vult dit aan.

De kerken en de Nieuwe Openbaring.

De verkondigingen van de Nieuwe Openbaring over de evangelisten en hun evangeliën.

Het lot dat het evangelie in de handen van de katholieke kerk beschoren was.

Individuele vergelijkingen tussen de Nieuwe Openbaring en de weten­schappelijke hypothesen.

De research van de liberale bijbelcritici.

 

Deel III

 

De belangrijkste uitspraken van de Nieuwe Openbaring aangaande de heilsleer.

De schepping van de geesten.

De val van een deel van de geesten onder de leiding van Lucifer

De schepping van het universum als gevolg van Lucifers val.

'De verloren zoon'. De voorexistentiële menselijke afstamming van de gevallen eerste geesten.

De duivels.

Toen God Adam schiep. De dwaling van de evolutietheorie.

Het paradijs in zijn werkelijke gedaante.

Adams val. De Nieuwe Openbaring verklaart het zinnebeeldig be­richt in het Oude Testament.

De zondvloed zoals de Nieuwe Openbaring deze voorstelt.

Lorber beschrijft reeds in 1864 de vooradamitische diermensen (homini­den)

De mens is een drie-eenheid van lichaam, ziel en geest.

Het geheim van de ziel.

Het doel en de taak van de mens.

Het eeuwige leven in het hiernamaals.

  1. In het middenrijk en in de hemelen.
  2. De verdere ontwikkeling van de ziel in het hiernamaals.
  3. De hel in de leer der kerken en in de Nieuwe Openbaring.

Citaten uit de Nieuwe Openbaring over de hel.

De opstanding van het vlees volgens de ideeën van de katholieke kerk en volgens de verkondigingen van de Nieuwe Openbaring.

De 'dag des oordeels' in zijn werkelijke betekenis.

De reïncarnatieleer. De leer betreffende de her belichaming en verschil­lende levens van de mens.

De goddelijke drie-eenheid. De verklaring van het mysterie.

Jezus – ware mens en ware God.

Het geheim van de verlossing door Jezus' dood aan het kruis.

De Nieuwe Openbaring geeft verhelderende verklaringen van moeilijk te begrijpen en misleidende evangelieteksten.

De Nieuwe Openbaring leert ons goed bidden.

De vergeving van de zonden. Wat Jezus Zijn apostelen hierover werke­lijk heeft gezegd

 

Deel IV

 

Jezus' verblijf op aarde. Verhelderende aanvullende verkondigingen van de Nieuwe Openbaring ten aanzien van het evangelie.

De resultaten van bijbelkritisch wetenschappelijk onderzoek, bezien door de Nieuwe Openbaring.

1.    De invloed van het secularisme en materialisme op het weten­schappelijk onderzoek

2.    De Verlichting, oorzaken en gevolgen.

3.    Het onderzoek in de negentiende eeuw.

4.    De historisch-kritische methode van bijbelwetenschap

5.    De vormhistorische methode van bijbel wetenschappelijke re­search

6.    Vormgeschiedenis - kerygma - ontmythologisering.

7.    Was Jezus een Esseeër of leider van een opstand tegen de Romei­nen?

8.    Was Jezus een sociale revolutionair?

9.    De eindeloze reeks negatieve Jezus boeken - bespreking van Augsteins Jezus boek.

10. De nieuwe theologie zonder God.

 

Deel V .

 

Is het evolutionisme een wetenschappelijk gefundeerde theorie?

  1. De menswording, bezien vanuit het standpunt van het evolutionis­me en van de Nieuwe Openbaring.
  2. De twijfel van de wetenschappers aan de juistheid van de evolutie­theorie.

 

Deel VI

 

Jakob Lorbers verkondigingen over de katholieke kerk.

Jakob Lorber voorspelt vóór het einde van deze eeuw steeds grotere en verschrikkelijke catastrofes.

De rampen die de mensheid als gevolg van milieuschade te wachten staan.

  1. De luchtvergiftiging
  2. De smog.

De vergiftiging van rivieren, meren en zeeën.

  1. De vergiftiging van rivieren en meren. 
  2. De vergiftiging van het grondwater.
  3. De vergiftiging van de oceanen. .

Toenemende ziekten als gevolg van de gifstoffen in het milieu en van andere factoren

Jakob Lorber waarschuwt voor de vernietiging van de bossen.

De dreigende verandering van het klimaat.

Vernietiging van de ozonlaag rondom de aarde en uitwissing van alle leven op aarde?

De profeet voorspelt hongersnood op de gehele wereld door menselijk falen. Lorber voorspelt inflatie en werkloosheid.

De weerstand tegen de bestrijding van milieuschade.

De voortekenen van de beginnende eindtijd.

De fase van de rampen van apocalyptische omvang.

De uitlegging van de Openbaring van Johannes door de Nieuwe Open­baring.

Het verkeerde gedrag van de mensen van het industriële tijdperk en de gevolgen daarvan, bezien door de Nieuwe Openbaring.

Zal de mensheid acht slaan op Gods waarschuwingen?

 

Noten.

 

Kaart van Palestina.

 

 


 

Verklaring van de afkortingen

 

Jakob Lorber

 

Gr = Das grosse Evangelium Johannes*

Ha = Die Haushaltung Gottes (de oergeschiedenis van de mensheid)

EM = Erde und Mond

VdH = Von der Hölle bis zum Himmel

Hi= Himmelsgaben

JEU.= *De Jeugd van Jezus

           (het evangelie naar Jacobus, in het Ne­derlands vertaald).

GS = Die geistige Sonne

NS = Die natürliche Sonne

Schriftt. = Schrifttexterklärungen

BM = Bisschof Martin

 

Gottfried Mayerhofer

 

Pr = Predigten des Herrn

LGh = Lebensgeheimnisse

SGh = Schöpfungsgeheimnisse

 

 

* De 10 delen van Das grosse Evangelium Johannes bevatten uitsluitend verkondigingen van Ja­kob Lorber. Het 11e deel bevat op blz. 225 t/m 339 eveneens verkondigingen van Lorber, terwijl de mededelingen op blz. 1-224 van Leopold Engel afkomstig zijn.

 


 

Inleiding

 

Steeds meer mensen krijgen in onze dagen het gevoel dat de veranderingen die zich binnen luttele jaren op velerlei gebied op de aarde hebben voorgedaan niet als verschijnselen van voorbijgaande aard kunnen worden beschouwd. Nog slechts enkele jaren geleden geloofde men dat de arbeidsplaatsen nooit in gevaar zouden komen; doch miljoenen banen gingen over de hele wereld ver­loren. Alle pogingen tot bestrijding van de werkloosheid hadden geen succes. In vele landen smelt de waarde van het geld als sneeuw voor de zon. De grond­stoffen en energievoorraden beginnen schaars te worden. Dit heeft tot gevolg dat de ontwikkelingslanden niet meer als bedelaars doch als eisers gingen op­treden. Zodoende kwamen er spanningen in de dialoog tussen Noord en Zuid bij de reeds bestaande spanningen tussen Oost en West. Wetenschap en tech­niek schijnen hun greep op de door hen in het leven geroepen kunstmatige wereld te verliezen. Een ware stortvloed van gif heeft zich over de wereld ver­spreid en de mensen worden bij voortduring door nieuwe gebeurtenissen op­geschrikt. Het enthousiasme over de vooruitgang die, naar aanvankelijk werd beweerd, niet mocht worden opgehouden, is door een ommekeer in de stem­ming uitgevaagd. Zorgen en angst voor de toekomst grijpen om zich heen. Het net van de sociale zekerheid heeft het zwaar te verduren en vertoont de eerste scheuren. Hoewel de levensstandaard verbijsterend snel steeg heerst er nog steeds alom ontevredenheid, haat en nijd. Geestelijke en morele verwildering grijpen om zich heen. Moorddadige gruweldaden nemen toe. Binnen tien jaar heeft zich binnen de kerken een ommekeer voltrokken die tevoren niet voor­stelbaar scheen. De jonge generatie heeft de kerk bijna in haar geheel de rug toegekeerd. Tegelijkertijd neemt het materialisme bezit van de wereld, zoals dit in de geschiedenis van de mensheid nimmer is geconstateerd. Steeds meer mensen komen tot nadenken en vragen zich af of de voortdurende toename van natuurrampen, zoals aardbevingen, overstromingen, droogte, orkanen en veranderingen van het klimaat symptomen zijn van een onheilspellende ont­wikkeling.

In deze situatie, waarin het economische, maatschappelijke en religieuze land­schap voortdurend verandert, wordt de mensen van het industriële tijdperk een profetische boodschap uit de negentiende eeuw verkondigd die onze aan­dacht verdient. Deze boodschap uit het bovennatuurlijke, waarvan de echt­heid op overtuigende wijze is bewezen, heeft verschillende aspecten. Zij laat er geen twijfel over bestaan dat de mensheid aan het begin van een nieuwe tijd staat en dat verschrikkelijke catastrofes de mensheid van deze aarde zullen teisteren. Deze mededelingen zijn verbonden met de dringende waarschuwing aan de mensen van onze tijd om de weg van het theoretische en praktische materialisme te verlaten. Nogmaals wordt de volkeren vóór de catastrofe, die de wereld zal omspannen, bij monde van de profeet Jakob Lorber de ware leer van Jezus, zoals deze aan de apostelen werden gegeven, in onvervalste vorm verkondigd.

Algemeen gesproken zijn de mensen van het industriële tijdperk van Jezus' boodschap vervreemd. Dat heeft vele redenen, waarop later nader wordt inge­gaan. Bij velen is de relatie tot het transcendente volledig teloorgegaan; bij anderen, bij wie nog wel religieuze substantie te vinden is, steunt het geloof niet meer op een solide grondslag. Het vertrouwen in kerkelijke uitspraken heeft ernstig te lijden gehad. Te lang heerste er geestelijke terreur en buitte men de angst uit. Protestantse theologen worden soms door hun gemeenten van atheïsme verdacht. De vormen van vroomheid die de katholieke kerk te bieden heeft spreken de jonge generatie weinig meer aan. Overal vindt de ge­ruisloze afbraak plaats.

Het beeld dat het christelijke avondland biedt, is schrikwekkend. Prof. Karl Rahner S.J. kenmerkte de situatie treffend toen hij zei: 'Wij leven in een hei­dens land met een christelijk verleden en christelijke restanten.'l

Desalniettemin is religieuze substantie bij zeer vele mensen nog latent voor­handen. Maar zij zijn radeloos en stellen de Pilatus vraag: 'Wat is waarheid?' In de diepte van sommige zielen is vaak een honger naar religieuze waarheid te vinden. Deze zoekenden beoogt dit geschrift aan te spreken. Wij brengen hun een niet-alledaagse boodschap. Zij wijkt af van de overige literatuur over de christelijke godsdienst en in het bijzonder van de talrijke bijbelkritische ge­schriften van de liberale theologen als een boodschap sui generis. Hierbij zij aan een uitspraak van de bekende katholieke theoloog Prof. Hans Küng herin­nerd: 'Er zijn vaak merkwaardige bijzondere gaven te vinden, roepingen tot een zeer bijzonder profetisch getuigenis. '2

Deze uitspraak is van toepassing op een werkelijk buitengewone gebeurtenis, die in de vorige eeuw plaatsvond, maar eerst voor onze tijd haar volle beteke­nis zal krijgen. Vele mensen stellen in onze tijd, waarin het verval van tradities en ontelbare ideeën en ideologieën de geest verwarren, de vraag: Waarom zwijgt God? Maar Hij zwijgt niet! God heeft door de eeuwen heen met bepaal­de tussenpozen boodschappen en waarschuwingen aan de mensheid gestuurd. Deze werden echter slechts zelden aanvaard, zelfs niet destijds, toen Jezus, de geïncarneerde zoon van God, het evangelie verkondigde. De geestelijkheid heeft zich steeds tegen dergelijke boodschappen verzet.

Het zaad van de omvangrijke openbaring, die voor de huidige mensheid be­stemd is en die zowel de verklaring en aanvulling van het evangelie als ook profetische voorspellingen van ontzaglijke catastrofes omvat, die nog vóór het einde van deze eeuw de gehele mensheid zullen teisteren, werd van 1840 t/m 1864 uitgestrooid. Toentertijd hoorde Jakob Lorber in Graz de innerlijke stem en schreef een werk van monumentale omvang, waarvan men de inhoud nu pas gaat begrijpen. Weliswaar zijn deze openbaringen in de loop van deze lan­ge tijd door de verkoop van ca. een miljoen geschriften van Jakob Lorber veel mensen geheel of ten dele bekend geworden, doch de inhoud van het openba­ringswerk laat er geen twijfel over bestaan dat de gevolgen pas in onze eindtijd zichtbaar zullen worden. Jakob Lorber kreeg in dit verband het volgende ge­dicteerd:

'God laat nimmer af zich de mensen op menigvuldige wijze zo te openbaren dat de mens met slechts enig nadenken spoedig kan vaststellen dat zich dit niet op natuurlijke wijze heeft toegedragen.' (Gr VI 149, 15).

'Over het algemeen maakt God zich bij monde van door Hem geroepen profe­ten openbaar. Zulke profeten zijn voor de geestelijk ontwaakte mensen te al­len tijde zeer goed te herkennen - ten eerste door hun geschreven en gespro­ken woord, ten tweede door zo menige wonderdoende gave, bijvoorbeeld het feit dat zij de mensen in tijden van nood toekomstige gebeurtenissen van tevo­ren verkondigen, zodat de mensen alsdan tot inkeer en betering kunnen ko­ men en God kunnen smeken het aangekondigde onheil van hen af te wen­den...' (Gr VI 150, 1).

'Dat echter een echte profeet voor de wereld het ene oordeel na het andere verkondigt komt eenvoudig daardoor, dat God slechts dan een profeet op­roept wanneer de wereld Hem is vergeten en zich aan alle ondeugden ter we­reld te buiten gaat.' (Gr 11 108, 8).

Jezus zei volgens de Openbaring tot Zijn apostelen: 'Dit echter kunt Gij als volkomen waar aannemen, dat namelijk eens in de tweeduizend jaar op aarde een grote verandering geschiedt. En zo zal het ook, van nu af gerekend, zijn.'

(Gr VI 76, 10).

'Tegen het einde van de aangekondigde tijd zal Ik steeds grotere profeten wek­ken, en met hen zullen ook de bezoekingen talrijker en langduriger worden.'

(Gr VI 150, 15).

Doch volgens alle ervaringen zal het woord van Goethe wel bewaarheid wor­den: 'Hoe weinigen worden door datgene in geestdrift gebracht wat eigenlijk alleen aan de Geest verschijnt.' Datgene wat buiten onze beleveniswereld ligt wordt in onze tijd van rationele berekening, waarin ieder bovennatuurlijk we­reldbeeld algemeen als verdacht wordt beschouwd, van de hand gewezen. Het gif van het materialisme is reeds diep in het Christendom binnengedrongen. De vraag in hoeverre nog aanknopingspunten voorhanden zijn om de openba­ring van God als zodanig te kunnen beschouwen, blijft onbeantwoord. Een zeker religieus vermogen tot het opnemen en geestelijk verwerken van de heilsboodschap is hiertoe een onmisbare voorwaarde.

Niemand moge overhaast een oordeel over de verkondigingen van de profeet Jakob Lorber vellen voordat hij de profetische uitspraken van Lorber over de werkelijke feiten op het gebied van astronomie, atoomfysica en antropologie in het hoofdstuk 'De bewijzen voor de echtheid van Jakob Lorbers profetie' heeft gelezen. De profetieën, die na meer dan honderd jaar door de resultaten van wetenschappelijk onderzoek zijn bevestigd, zullen ook sceptici tot naden­ken brengen.

 

 


 

 

DEEL I

 

De opdracht die de profeet Jakob Lorber door de innerlijke stem ontving

 

Op 15 maart 1840 beleefde de musicus Jakob Lorber in Graz iets wat hem vol­ledig van zijn stuk bracht. Hij hoorde in de vroege ochtend van deze dag een stem die uit de buurt van zijn hart kwam. Helder en duidelijk vernam hij een bevel: 'Neem je griffel en schrijf!' Het bevel dat hij kreeg zou zijn leven in een andere richting leiden. Op deze gedenkwaardige dag wilde hij het theater in Triëst, dat hem een functie als tweede dirigent had aangeboden, mededelen dat hij deze betrekking, die hij als een levenspositie kon beschouwen, aan­nam. Nadat hij echter dat wat hij in de loop van de dag had vernomen, opge­schreven had, werd hem duidelijk dat hem een zeer bijzondere opdracht uit het bovenaardse ten deel was gevallen, welks vervulling hij niet met zijn taken aan het theater in Triëst kon verbinden. Daarom zag Lorber van het aantrek­kelijke aanbod af, en hij ontzegde zich tevens het huwelijk. Hij voorzag in zijn levensonderhoud - hij bewoonde steeds slechts één kamer - met het karige inkomen dat hij als pianoleraar verdiende. Nauwelijks door zijn medemensen opgemerkt ging hij door het leven.

Vanaf de genoemde dag schreef hij nu dat wat de Stem hem dicteerde iedere dag enkele uren lang op. In de loop van 24 jaar werden de manuscripten steeds talrijker. Bij de latere druk na zijn dood bleek zijn werk uit meer dan 10000 gedrukte bladzijden te bestaan. In het laatst van zijn leven was Lorber ziek en moest hij datgene wat hij hoorde aan vrienden dicteren.

In de omvangrijke manuscripten van Lorber zijn geen veranderingen te vin­den. Hij behoefde ze niet te verbeteren of aan te vullen, want wat hij opschreef was niet het produkt van zijn eigen geest. Wie zijn aantekeningen over de ato­men en elementaire deeltjes leest of over de paleontologische feiten, die de vóór - en oermensen betreffen, kan onmogelijk aannemen dat hetgeen wat daarin wordt verklaard uit zijn verstand is voortgekomen. Niemand was toen­tertijd in staat zelfs maar bij benadering zo verbazingwekkend exacte bewerin­gen over wetenschappelijke details te doen, die de moderne wetenschap pas in de jaren vijftig en zestig van onze eeuw heeft kunnen bewijzen. Wie de inhoud van Lorbers natuurkundige verklaringen onbevooroordeeld beziet, moet tot de conclusie komen dat wij hier met echte profetie te maken hebben. Wie deze getuigenissen verwerpt, verwerpt daarmee ieder menselijk getuigenis.

Maar ook heden ten dage geldt toch het woord van het evangelie nog voor een niet gering aantal mensen: '.. .zullen zij ook, indien iemand uit de doden op­staat, zich niet laten gezeggen.' (Lc 16, 31). Voor mensen die steeds alles ont­kennen werd Lorber niet vierentwintig jaar lang de heilsboodschap gedic­teerd, en voor hen is ook dit boek niet geschreven. 'Van de heerschappij van het zuivere verstand leidt geen weg naar de kribbe, naar het kruis en naar de opstanding. '3

Diegenen echter die een onverzettelijke waarheidsdrang bezitten, zullen vast­stellen, dat de waarheid van deze boodschap onweerstaanbaar over hen komt. Daarom: 'Onderzoekt alles en behoudt het goede.' (1 Thess 5, 21).

De manuscripten van de nu in drukvorm ter beschikking staande geschriften, die samenvattend als Nieuwe Openbaring (NO) worden genoemd, hebben de vele troebelen der tijden doorstaan; zij bevinden zich bij de Lorber-Uitgeverij in 712 Bietigheim (Württemberg, Duitse Bondsrepubliek), waar zij door be­langstellenden kunnen worden ingezien. Voorts zijn daar tevens de eerste uit­gaven van Lorbers aantekeningen te vinden, die in de vorige eeuw gedrukt werden. In die tijd waren Lorbers beweringen over atomen, elementaire deel­tjes enz. in wetenschappelijke kringen nog volkomen onbekend.

Men vraagt zich af waarom behalve de omvangrijke uiteenzettingen over de heilsboodschap van Jezus, d.w.z. de verklaringen en aanvullingen van het evangelie, die het grootste gedeelte van de Nieuwe Openbaring omvatten, ook profetische bekendmakingen over natuurwetenschappelijke onderwerpen in de Nieuwe Openbaring voorkomen. De verklaring ligt voor de hand. In het openbaringswerk wordt onder meer voorspeld dat de mensen in onze tijd hun geloof bijna geheel zullen kwijtraken. Een schrikbarend groot aantal mensen - en niet in de laatste plaats vele wetenschappers - wijst alles wat niet proefon­dervindelijk kan worden aangetoond als niet-bestaand van de hand. Omdat het christelijke geloof nu eenmaal een transcendente dimensie heeft, leidt de­ze geesteshouding tot een verwerpen van het bovennatuurlijke.

Dit zogeheten positivisme, dat zich in de loop van tweehonderd jaar steeds meer heeft uitgebreid, is tegenwoordig grotendeels identiek met de tijdgeest. Indien men de hoop wil koesteren dat de aan de huidige mensheid gerichte Nieuwe Openbaring wordt geaccepteerd, dan moeten overtuigende bewijzen zodanig worden geleverd, dat de profeet Jakob Lorber meer dan honderd jaar geleden uitspraken heeft gedaan waarvan destijds geen wetenschapper ook maar de geringste notie had, die nu echter door de moderne wetenschap tot in het subtielste detail op verbazingwekkende wijze worden bevestigd. Men kan deze met bewijzen gestaafde feiten niet terzijde leggen. Als consequentie dient men ervan uit te gaan dat de overige aankondigingen, die waardevolle verklaringen en aanvullingen van het evangelie vormen, als een werkelijke openbaring Gods aan de mensen van de eindtijd moeten worden beschouwd. Dezelfde indruk die de protestantse dominee Hermann Luger van de Nieuwe Openbaring heeft gekregen zullen ook vele andere lezers van dit geschrift krij­gen. Luger schreef: 'Zowel de Nieuwe Openbaring als ook de Oude Openba­ring (het evangelie, Egg.) staan op dezelfde goddelijke bodem. Lorbers ge­schriften ademen beslist de Geest Gods.'4

 

Over de mens Jakob Lorber

 

Over de mens Jakob Lorber valt niet veel te berichten. Profeten en gezanten van God zijn steeds eenvoudige mensen. 'Om iedere pretentie van eigen ver­dienste van tevoren uit te schakelen', zegt de mysticus Jakob Böhme, 'bedient God zich soms van de meest onbeduidende mensen om zijn geheimen te open­baren, zodat het des te duidelijker wordt, dat deze slechts van Hem afkomstig kunnen zijn.' 'Ik zou het niet gekund hebben', gaat Böhme voort, 'wanneer ik niet eenvoudigweg datgene had opgeschreven wat God mij ingaf.'5

Hetgeen Böhme over zichzelf zegt is ook volledig van toepassing op Jakob Lorber. Zoals men in de bondige Lorber biografie van Ridder von Leitner kan lezen was Lorber een eenvoudig, ongecompliceerd en onschuldig mens. Hij stamde uit een boerengeslacht, dat in het plaatsje Kanischa in het wijnbouw­gebied van de Drau, nabij de Neder-Stiermarkse districtshoofdstad Marburg, het tegenwoordige Maribor in Joegoslavië, leefde. Hij werd daar op 22 juli 1800 geboren. Nadat hij een kweekschool had bezocht, werd hij eerst dorps­onderwijzer. Hij onderbrak toen deze werkzaamheden om vijf klassen van het Marburgse gymnasium te doorlopen en vervolgens aan een cursus voor leraren aan het voortgezet onderwijs deel te nemen. Hoewel hij zijn eindexa­men met goed resultaat aflegde kreeg hij niet onmiddellijk een aanstelling als leraar bij het voortgezet onderwijs. Waarschijnlijk bracht deze omstandigheid hem ertoe van beroep te veranderen en munt uit zijn muzikale talent te slaan. Na zijn opleiding trad hij als solist in concerten op en schreef ook voor provin­ciale kranten recensies over opera - en concertuitvoeringen. Zijn connecties met de wereldberoemde vioolvirtuoos Paganini, bij wie hij les nam om zijn kunnen te perfectioneren, hadden kennelijk zijn aanzien verhoogd, zodat hij aan de beroemde Scala van Milaan een vioolconcert kon geven. Ook met de directeur van de Stiermarkse Muziekvereniging, de componist Anselm Hüt­tenbrenner, verbond hem tot aan het einde van zijn leven een nauwe vriend­schap, alsook met diens broer, de burgemeester van Graz, Andreas Hütten­brenner. Anselm Hüttenbrenner was op zijn beurt met Franz Schubert be­vriend. Waarschijnlijk hebben zijn aanzien en zijn connecties ertoe geleid dat Lorber in 1840 door het theater in Triëst een betrekking als dirigent kreeg aan­geboden. Zoals reeds in de inleiding werd vermeld, maakte hij van dit aanbod geen gebruik, omdat hij de opdracht die hij op 15 maart 1840 van de Stem had gekregen met een dergelijke vaste positie niet verenigbaar achtte. Zo koos hij voor een onafhankelijk en teruggetrokken leven, waarvan maar weinig mate­rieel succes te verwachten viel. Van nu af aan gaf hij alleen nog maar muziekles aan de kinderen van Graz. De enige verstrooiing die Lorber had was het glaas­je dat hij zich iedere avond met vrienden vóór het eten gunde. Ridder von Leitner vermeldt dat hij ondanks zijn armoede een vrijgevig man was, voor zover hem dit mogelijk was. In de laatste jaren van zijn leven ging het lichame­lijk steeds meer bergaf met hem en ook met zijn financiën was het erg slecht gesteld, zodat zijn vrienden hem moesten helpen om te voorkomen dat hij ge­brek zou lijden. In 24 jaar tijds had hij meer dan 10000 gedrukte bladzijden volgeschreven zonder dat hij daarvoor inkomsten verwachtte of ontving.

Het innerlijke woord deed Lorber weten dat er later een tijd zou komen, waar­in alles wat hij had opgeschreven zou worden gedrukt en te zijner tijd ook de mensheid bekend zou worden. Tijdens zijn leven werden slechts enkele blad­zijden van zijn geschriften gedrukt en zonder vermelding van zijn naam gepu­bliceerd.

Hoewel hij veel van hetgeen hem werd gezegd niet kon begrijpen en destijds ook niemand hem de verkondigingen over atomen, elementaire deeltjes enz. had kunnen uitleggen, vertrouwde hij er volledig op dat dit alles een zin had en door later levende mensen wel zou worden begrepen en met verbazing zou worden opgenomen.

Terwijl Jakob Lorber in weinig meer dan twintig jaren een monumentaal werk schreef, dat diepe inzichten in de schepping en het heilsplan Gods toont en bovendien op hoogst belangwekkende wijze het evangelie uitbreidt, bleef hij zelf volledig op de achtergrond. Zo blijkt ook in dit geval weer de uitspraak van Joachim von Fiore van kracht te zijn, dat alle grote dingen in de eenzaam­heid ontstaan. Slechts eenmaal schijnt iets van zijn schrijven tot de buitenwe­reld te zijn doorgedrongen, want hij werd gewaarschuwd dat de politie voor­nemens was bij hem een huiszoeking te doen. Hierop verwijderden zijn vrien­den voor alle zekerheid de manuscripten uit zijn kamer. De verwachte huis­zoeking vond echter niet plaats, en tot aan zijn dood bekommerde niemand zich om hem. Tientallen jaren lang - ook nog na zijn dood - werden de be­schreven vellen tot aan het drukken op een geheime plaats bewaard. In Oos­tenrijk bleek het uitgeven van de Lorber geschriften destijds onmogelijk. Zij werden later in Duitsland uitgegeven. Pas in het jaar 1877 waren alle boeken ­op twee na - gedrukt.

Reeds spoedig na de eerste dictaten deelde Lorber zijn vrienden mede dat hij een stem in zijn binnenste vernam en een openbaring uit het hemelrijk moest opschrijven. Zijn vrienden achtten dit bedenkelijk en vreesden dat zich een geestelijke stoornis bij hem openbaarde. Hoewel zij Lorber nauwlettend ga­desloegen, slaagden zij er niet in veranderingen bij hem waar te nemen die aanleiding tot bezorgdheid hadden kunnen zijn. Ridder von Leitner nam de taak op zich Lorber bijna iedere dag te bezoeken; daarbij keek hij telkens urenlang bij diens schrijfwerk toe. Ook de andere vrienden sloegen hem arg­wanend gade en lieten hem soms dicteren wat hij hoorde. Dat alles scheen hun echter nog veel raadselachtiger, omdat zij wisten dat hetgeen zij daar te lezen kregen onmogelijk van Lorber zelf afkomstig kon zijn. De vrouw van één van zijn vrienden meende voor opheldering te kunnen zorgen. Zij was er vast van overtuigd dat Lorber dat was hij naar haar mening zogenaamd hoorde, in boe­ken had gelezen en van buiten had geleerd. Zij verheelde haar enigszins ge­ringschattende mening niet, dat de vrienden eigenlijk allang op de enig moge­lijke oplossing van het fenomeen hadden moeten komen. Bij het eerste daar­opvolgende bezoek van de vrienden was ook zij in Lorbers kamer aanwezig. Nauwelijks was Lorber even de kamer uitgegaan, of zij opende haastig de kast met kleding en linnengoed, om naar de wetenschappelijke boeken te zoeken. Tot haar verbazing vond zij slechts één boek - de Bijbel.

 

Het schrijfprocédé bij Lorber door het innerlijke woord

 

Lorbers biograaf Ridder van Leitner bericht naar aanleiding van zijn waarne­mingen het volgende: 'Lorber begon met deze schrijfbezigheid, die van nu af aan de belangrijkste taak van zijn leven was, bijna iedere dag reeds 's morgens vóór het ontbijt, dat hij in het vuur van zijn werk niet zelden onaangeroerd liet staan. Daarbij zat hij, meestal met een muts op zijn hoofd, aan een klein tafel­tje, in de winter vlak naast de kachel, en schreef volledig in zichzelf gekeerd, niet al te snel doch zonder dat hij ooit pauzeerde om na te denken of een passa­ge te verbeteren, zonder enige onderbreking, zoals iemand aan wie door een ander wordt voorgezegd. Wanneer hij over deze werkzaamheden sprak ver­meldde hij ook herhaaldelijk, dat hij tijdens het dictaat door deze innerlijke stem het gehoorde ook voor zijn geestesoog kon zien. Hij vertelde echter dat hij dat wat hij uit zijn binnenste vernam, nog gemakkelijker kon mededelen wanneer hij het een ander mondeling kon berichten. En inderdaad dicteerde hij enkele vrienden enige artikelen, zelfs hele werken van honderden beschre­ven vellen. Hij zat dan naast de schrijvende persoon en keek daarbij rustig voor zich uit, zonder ooit te haperen of een zinswending of zelfs ook maar een uitdrukking te veranderen.'6

'Het is toch wel opmerkelijk dat Lorber die innerlijke stem, die hij de Stem des Heren noemde, steeds in zijn hart, de stemmen van andere geesten echter al­tijd in zijn achterhoofd beweerde te horen. Hoewel Lorber duizenden vellen mediamiek volschreef kan men hem toch niet als een echt schrijfmedium beti­telen - een medium wiens hand mechanisch door een vreemd intellect wordt geleid. Integendeel, hij schreef steeds zelf op wat een vreemd intellect hem influisterde en wat hij meende te horen zoals men met de oren hoort.'7

Aan een vriend schreef Lorber in 1858 over de in hem sprekende, geestelijke bron die hij als de stem van Jezus Christus, het levende woord, beschouwde: 'Over het woord uit mijn binnenste en hoe ik het hoor kan ik, als ik over mezelf spreek, alleen maar zeggen dat ik het heiligste woord van de Heer steeds in de hartstreek als een uiterst duidelijke gedachte, licht en zuiver, als gesproken woorden verneem. Niemand, hoe dichtbij hij ook moge staan, kan een stem horen. Voor mij klinkt deze stem van de genade echter duidelijker dan alle andere stoffelijke klanken, hoe luid deze ook mogen zijn. Maar dat is dan ook alles wat ik U naar aanleiding van mijn ervaringen kan zeggen'.'8

Vreemde woorden die Lorber niet kende werden niet voor hem gespeld. Zijn vrienden legden hem de betekenis van deze woorden uit of moesten ze soms zelf ook in een woordenboek opzoeken.

Bij Jakob Lorber herhaalde zich wat andere mensen wisten te berichten, die vóór hem eveneens openbaringen verkondigden. De H. Catharina van Siena (+ 1347) liet er geen twijfel over bestaan dat hetgeen zij verkondigde haar door God was geopenbaard. Daarom staat er op de titelpagina van haar geschrift 'Door God gedicteerd'. 9

Swedenborg verzekerde in het uur van zijn dood dat al zijn openbaringen waar en van de Heer afkomstig waren.10

Voor Lorber was de taak een belasting, en soms verzocht hij God hem ervan te willen ontheffen, omdat hij deze niet dacht aan te kunnen. Maar het dictaat werd voortgezet, en Lorber heeft soms misschien wel aan de profeet Jeremias moeten denken, die zei dat hij steeds weer voor de hoogste wil heeft moeten bezwijken

(Jer XX 7-11).

Het is opmerkelijk, dat God zowel in het Jodendom alsook in het Christendom voor openbaringen slechts zelden gebruik maakte van de hoge of lage geeste­lijkheid, doch leken voor het verkondigen van Zijn boodschap uitzocht. Vol­gens Jakob Böhme moet het juist daardoor 'des te duidelijker worden dat deze van God afkomstig zijn'. 'In onze tijd', merkt de katholieke theoloog Jean Guitton op, 'schijnt het "profetenambt" meer en meer op leken over te gaan.'11 En een andere katholieke theoloog, prof. H. Fries, heeft vermoede­lijk één van de redenen hiervoor opgespoord toen hij zei: 'De christelijke boodschap is de mensen vreemd geworden omdat zij uiterst ontoereikend is doorgegeven.'12

Dat in onze tijd de grote openbaringen uitsluitend aan mensen worden gege­ven die aan de macht van de hiërarchie zijn onttrokken, ligt onder meer ook voor de hand, omdat bewezen is dat talrijke openbaringen, zoals bijvoorbeeld de geschriften van de H: Hildegard van Bingen l3, de H. Johannes van het Kruis I4 en de H. Theresia van Lisieux l5, door de dienaren van de kerk door middel van doorhalingen en veranderingen verminkt zijn. Alles wat niet in het schema past wordt afgewezen. Niet de geest Gods geeft de doorslag doch de menselijke rede en het systeem. In de Nieuwe Openbaring wordt ook uitdruk­kelijk gezegd dat 'sommigen over het geweldige licht van de NO vertoornd zullen zijn, omdat het hun lange tijd in de duisternis gehouden bouwwerk ver­licht. Edoch, het moet licht worden' (Pr 288). Er wordt echter tevens de na­druk op gelegd dat deze openbaring ondanks 'de vossen die schade ruiken' , die slechts willen vernietigen, zonder verdraaiingen zal worden verspreid. (Pr 108 en 288)

Jakob Lorber was geen schrijfmedium, wiens hand automatisch door een gees­teswezen wordt geleid. Hij verviel nooit in trance en geraakte evenmin in exta­se. Hij schreef iedere dag ettelijke uren in wakende toestand datgene op wat de innerlijke stem hem zei. De geestelijke impuls moest eerst door het gehele : zielsspectrum van Lorber lopen, pas daarna kon hij datgene wat hij gehoord had op zijn eigen manier formuleren. Zo is het te verklaren dat het geschre­vene in de eigen stijl van de schrijver en met de destijds gebruikelijke uitdruk­kingen is verwoord. (Om die reden moest in enkele gevallen de wijze van uit­drukken die Lorber gebruikte en die men heden ten dage in Nederland niet zou begrijpen, door synonieme benamingen worden vervangen.)

Friedrich Christoph Oetinger heeft de omzetting van de verbale inspiratie in het taalgebruik van de betrokken mens van het volgende commentaar voor­zien: 'Zo groeit het koren van de hemelse openbaring steeds weer op de halm van de menselijke visie.'16 Ook de ziener Swedenborg heeft over dit proces zijn mening laten horen: 'Als een engel een mens, door wie woorden van inspi­ratie uitgesproken of opgeschreven moeten worden, het woord des Heren in­fluistert, dan wordt deze daardoor tot een denkproces aangezet, dat in norma­le menselijke bewoordingen kan worden uitgedrukt. Dit zijn de uitdrukkingen welke deze mens die wordt geïnspireerd gewoon is te bezigen; zij passen steeds bij zijn eigen verstandelijke vermogens en zijn specifieke manier van leven.' (Adversia III 6865-6966)

De expert Viktor Mohr gaat in het tijdschrift Das Wort 8/1972 uitvoeriger op dit gebeuren in en schrijft: 'Een bijzonder soort mediamieke begaafdheid, d.w.z. bemiddelend vermogen is het opnemen van zeer hoge geestelijke stra­lingen door het woord in iemands binnenste, waarbij God, als het eeuwige woord zelf, in en tot de mens spreekt. Dit goddelijke woord in het menselijke hart is een uiterst subtiele, op aardse wijze geenszins definieerbare geestelijke trilling: een doordringen van ontvankelijke zielen door de daarin wonende Christus straal, de met God de Vadergeest steeds verenigde geestelijke vonk. Dit ware, onvergankelijke Ik is het mensdeel in de Godheid; om deze reden uit Hij zich als deel van het eeuwige IK BEN terecht dikwijls in de ik-vorm.

Het is een misvatting te geloven dat de Vadergeest daarbij die aardse bewoor­dingen bezigt, die de middelaar of middelares vervolgens uitspreekt of op­schrijft. Deze zeer hoge geestelijke straling kan namelijk pas in aardse taal worden omgezet, wanneer zij eerst door het zielsspectrum van de geïnspireer­de persoon is gegaan. Dat is de reden waarom al zulke goddelijke boodschap­pen het specifieke taalgebruik van de middelaar vertonen. Derhalve dient men zulke verkondigingen niet aan hun uiterlijk woordgebruik te toetsen, doch aan hun innerlijk gehalte in de betekenis van de geestelijke waarheid' (blz. 296).

Eventuele pogingen om Lorbers profetie met hallucinatie te willen verklaren zijn tot mislukken gedoemd. De psychiatrie weet sedert lange tijd dat bij het optreden van taalhallucinaties na een bepaalde tijd onafwendbaar een verval van het ego begint.17 Geen mens kan tientallen jaren lang dag in dag uit aan gehoorhallucinaties lijden, zonder dat zich psychische en fysieke symptomen van verval manifesteren. Lorber echter was tot aan zijn dood een evenwichtig en psychisch volkomen gezond mens.

Het raadsel rond Jakob Lorber kan evenmin met dieptepsychologische inter­pretaties worden opgehelderd. De wetenschappelijke verkondigingen, die herhaaldelijk uiterst exacte en juiste verklaringen over de levensduur van de elementaire deeltjes en andere pas sedert enkele jaren bekende feiten op het gebied van de astronomie bevatten, sluiten zulke mogelijkheden volledig uit. De overleden theoloog en auteur Hellmuth von Schweinitz merkt in dit ver­band treffend op: 'Het fenomeen Lorber kan niet overtuigend worden ver­klaard doordat men het met de interpretatie van de dieptepsychologie van de tafel tracht te vegen. Wat namelijk in zijn geschriften aan het oppervlak van zijn bewustzijn treedt zijn inzichten, die niet uit de sfeer van zijn beperkte menselijke kennis afkomstig kunnen zijn. Om zich deze eigen te maken zou een mensenleven niet voldoende zijn en zou alle scheppende fantasie tekort schieten.' 'De dieptepsychologie is niet de geschikte weg die men moet bewan­delen om een aangelegenheid te begrijpen, die met psychoanalytische argu­menten eenvoudigweg niet kan worden verklaard. Evenmin kan het levens­werk van Lorber met filosofische of theologische speculaties worden ver­klaard. Zoals bij alle profetische fenomenen blijft er ook bij hem een onver­klaarbaar restant, dat men moet ontkennen of aanvaarden.'18

Wanneer men de nog bewaard gebleven brieven van Jakob Lorber aan zijn vrienden met de Nieuwe Openbaring vergelijkt valt het op, dat zijn manier om zich uit te drukken in deze brieven dezelfde is als in de aantekeningen die hem door de Stem werden geciteerd en dat ook de stijl waarin hij schrijft sterk op die van deze aantekeningen lijkt. Simpel en eenvoudig, zoals het karakter van Lorber, is ook zijn manier van schrijven. Zij heeft helemaal niets weg van de koude en abstracte manier waarop theologische geschriften zijn geformu­leerd. In zijn aantekeningen vindt men geen dialectische kunststukjes en geen gecompliceerde zinnen die slechts met moeite te begrijpen zijn. Zijn verkondi­gingen stralen warmte uit. Wanneer men Lorbers geschriften met de theologi­sche literatuur vergelijkt wordt het duidelijk waarom de laatstgenoemden zo weinig door het volk worden gelezen. Zoals Kardinaal Newman zegt, heeft het nu eenmaal 'God niet behaagd zijn Volk met dialectiek te redden' 19.

Voor zover Lorber profetische uitspraken over de wetenschappelijk-techni­sche materie doet kleedt hij zijn blik in de toekomst in omschrijvingen, zoals dit bij nagenoeg alle profetische verkondigingen steeds is geschied. Wanneer Lorber bijvoorbeeld schrijft dat de mensen van de twintigste eeuw met behulp van de 'bliksem' over de oceanen zullen communiceren, dan bedoelt hij daar­mee de radiotelegrafie. Als hij in verband met de astronomie over reusachtige 'kunstmatige ogen' spreekt, weten wij dat daaronder de optische en radiotele­scopen moeten worden verstaan.

Na de dood van Jakob Lorber was het werk nog niet geheel voltooid. Enkele jaren later vernam Gottfried Mayerhofer (1807-1877) in Triëst eveneens het innerlijke woord en schreef nog enkele verdere delen. Mayerhofer was een Duits officier. Toen de Beierse prins Otto de Griekse troon besteeg volgde Mayerhofer hem in een militaire erefunctie. Ook Mayerhofer is overtuigend als uitverkoren profeet, doordat hij op verbazingwekkende wetenschappelij­ke ontdekkingen vooruitliep. Zo vermeldt hij bijvoorbeeld dat het licht zowel corpusculair (materieel) als ook golfkarakter heeft. Hij verklaart de oorzaken van het ontstaan van het witte, violette en rode licht in een tijd waarin deze kennis nog in het verre verschiet lag.

 

De voorspelde grote verspreiding van de Nieuwe Openbaring

in de huidige eindtijd

 

De Lorber-Gesellschaft, Bietigheim, Württemberg, Duitse Bondsrepubliek, heeft zich tot taak gesteld de Nieuwe Openbaring in de huidige eindtijd - waar­over in de NO duidelijk en zonder ruimte voor twijfel wordt gesproken - in zeer grote kringen te verspreiden. Men vestigt er uitdrukkelijk de aandacht op dat er 'miljoenen mensen zijn die naar de deur van het licht moeten worden geleid' (Pr 132). Er wordt over het noodzakelijke 'vuur van de werkers (ter verspreiding van de Openbaring) in de avond' gesproken (Pr 66).

De Lorber-Gesellschaft is een losse gemeenschap van duizenden geestesvrien­den. Dit is geen sekte, heeft geen lidmaatschap, int geen contributie en kent geen godsdienstoefeningen of erediensten. Het is een geestelijke gemeen­schap, die geen enkele dwang kent. Lorber-vrienden, die door missionaire geest bezield zijn, verlenen geheel vrijwillig financiële hulp ter verspreiding van de Nieuwe Openbaring. Bijna alle vrienden van Jakob Lorber behoren tot één van de grote christelijke kerken.

Sektarisch streven dat nu en dan bij een enkeling voorkomt of uitwassen in het mysticisme worden in navolging van de aanwijzingen in de Nieuwe Openba­ring tegengegaan.

De verspreiding van de geschriften van de Nieuwe Openbaring geschiedt door de Lorber-Uitgeverij, 712 Bietigheim, Württemberg. Het feit dat het comple­te oeuvre van de Nieuwe Openbaring zeer omvangrijk is vormt een zekere moeilijkheid voor een uitgebreide verspreiding. Om velen de religieuze ver­kondigingen, alsook de waarschuwingen voor de catastrofes die de mensheid in de eindtijd zullen teisteren te doen weten, heeft schrijver dezes in 1973 eerst het kleine geschrift Der unbekannte Prophet Jakob Lorber - Eine Prophe­zeiung und Mahnung für die nächste Zukunft* (* Lorber-Verlag, 712 Bietigheim (Württemberg)) uitgegeven. Aan de behoefte naar uitgebreidere informatie over de mededelingen van Lorber, in het bijzon­der betreffende de verklaringen en aanvullingen van het evangelie, wordt nu met de publicatie van dit langere en uitgebreide geschrift tegemoetgekomen.

Omvangrijke openbaringen komen zelden voor; zij worden uitsluitend vóór een keerpunt in de tijden gegeven. Zij dienen als geweldige gebeurtenissen te worden beschouwd. Dikwijls duurt het geruime tijd tot de betekenis van deze openbaringen en de meningen die zij bevatten tot in het bewustzijn van de mensen doordringen.

Dit soort boodschappen heeft dikwijls ook de werking van een prikkel; om die reden worden zij vaak - net zoals destijds met de leer van Jezus gebeurde toen Hij nog leefde - door velen verworpen.

Desalniettemin is uit vele criteria op te maken dat er nog meer religieuze sub­stantie aanwezig is dan men algemeen aanneemt. Het stille kwijnen van ker­ken die niet meer het zuurdeeg in de maatschappij vormen, is nog geen bewijs voor het tegendeel. Er bestaat beslist nog bij veel mensen een verlangen naar openbaring en religieuze waarheid, die van middeleeuwse ballast is bevrijd. Zij voelen intuïtief dat de moderne mens steeds meer in een toestand van uiterste verwarring en bedreiging verzeild raakt, omdat hij de weg is kwijtge­raakt en gevaar loopt door donkere machten te worden overmeesterd.

Er bestaat geen twijfel over, dat de eeuwenoude strijd tussen Christendom en atheïsme, tussen God en Zijn vijand binnenkort een beslissend eindstadium zal bereiken. 'Het brute geweld', schrijft Albert Schweitzer, 'zit, gekleed in leugens, onheilspellend als nooit te voren op de troon van de wereld.20 De verschijnselen van ontaarding, het verval van de zeden, het brute geweld en de ongebreidelde zucht naar genot en 'meer willen hebben' bij tegelijkertijd toe­nemende haat en nijd doen niets goeds vermoeden.

In de Nieuwe Openbaring wordt dan ook overduidelijk uitgesproken dat de mensheid een catastrofe tegemoet gaat. 'De reden dat reeds sedert enkele ja­ren Mijn directe mededelingen veelvuldiger zijn dan in vroeger tijden en dat Ik zoveel brood des hemels geef als niet meer is geschied sedert de dagen dat Ik op de aarde wandelde, is die, dat juist nu het tijdstip nabij is waarop de wereld haar hoogtepunt aan dwalingen en in het afwijken van Mijn scheppingsdoel zal bereiken.' (Pr 163)

'Mijn woorden zijn eenvoudig en duidelijk; slechts de eigenliefde van de tol­ken en valse uitleggers mogen er niet aan te pas komen.' (Pr 164)

Over de grote rampen die 'bijna 2000 jaar' na Jezus tijd in steeds toenemende mate de mensheid zullen teisteren, zijn in de Nieuwe Openbaring veelvuldige mededelingen en waarschuwingen geuit. In het laatste hoofdstuk van dit ge­schrift wordt daar uitvoerig op ingegaan.

 

De bewijzen voor de echtheid van Jakob Lorbers profetie

 

In de eerste plaats zullen wij ons met die verkondigingen van de Nieuwe Open­baring bezighouden die betrekking hebben op de natuurwetenschappelijke beschrijvingen van het universum, de atomen en elementaire deeltjes alsmede van de voor- en oermensen. Deze beschrijvingen, die in het midden van de vorige eeuw werden opgeschreven, zijn pas in de laatste tientallen jaren, en ten dele zelfs pas enkele jaren geleden door de researchresultaten van de di­verse wetenschappelijke vakrichtingen bevestigd.

De overeenstemming tussen de voorspellingen en de huidige wetenschappelij­ke kennis tot in het kleinste detail is zo frappant dat bij objectieve beschou­wing het menselijk verstand van de profeet als bron van de aantekeningen niet in aanmerking komt. De volgende sectie is derhalve ter beoordeling of Jakob Lorber een echte, door God geïnspireerde profeet is, van fundamenteel be­lang.

Dit hoofdstuk is uit het kleine geschrift van de hand van de schrijver dezes Der unbekannte Prophet Jakob Lorber overgenomen. *(*Kurt Eggenstein, Der unbekannte Prophet Jakob Lorber - Eine Prophezeiung und Mahnung für die nächste Zukunft, 712 Bietigheim, 1973.

 

Lorbers verkondigingen over de opbouw van het heelal

en de bevestiging daarvan door de moderne astronomie

 

Tot in de jaren twintig van onze eeuw huldigden de astronomen op de hele wereld de opvatting dat er slechts één galaxie (eiland van werelden) in de kos­mos bestaat, namelijk onze melkweg. De competente autoriteiten sloten in de negentiende eeuw 'de mogelijkheid van verdere galaxieën uit '21. Astronomen die ook maar het vermoeden uitten dat er eventueel nog andere galaxieën zou­den kunnen bestaan, werden als 'ketters' beschouwd en in de vaktijdschriften door de coryfeeën van de astronomie heftig aangevallen. Toen de astronoom H.D. Curtis verklaarde dat hij onomstotelijke bewijzen kon leveren dat de met de telescoop waargenomen neveltjes geen nevels maar galaxieën waren was het merendeel van de wetenschappers niet bereid zijn stelling te aanvaar­den. Doch degenen die zich bij Curtis mening aansloten werden van jaar tot jaar talrijker, en zo stonden van 1917 tot 1924 al spoedig twee groepen tegen­over elkaar die elkaar heftig bestreden. In het jaar 1925 kwam toen de beslis­sende ommekeer. De vertegenwoordigers van de anti-galactische groep moes­ten toegeven dat hun ideëen niet met de werkelijkheid strookten. Met de nieu­we 2.57 m-telescoop op de Mount Wilson, destijds de grootste ter wereld, was het onomstotelijke bewijs geleverd, dat er behalve onze melkweg nog andere galaxieën zijn. De astronoom Edwin Hubble berichtte in januari 1925 op een astronomencongres dat de nevels in het gebied M 31, NGC 6822 en M 33 met de nieuwe telescoop onmiskenbaar als galaxieën waren geïdentificeerd.

Het is aardig eraan te herinneren dat sommige autoriteiten op astronomisch gebied, die de verwerping van de hypothese als zouden er talrijke galaxieën bestaan tot een dogmatisch strijdpunt hadden gemaakt, de deugdelijkheid van de nog onvoltooide reuzetelescoop in twijfel trokken en er uitgebreid de spot mee dreven.22

Hubble's resultaat werd al spoedig door talrijke astronomen bevestigd. Enke­le galaxieën waren klein, andere daarentegen groot. Ondanks de ontdekking dat hier geen sprake is van nevels doch van galaxieën, worden zij ook nu nog wel ten onrechte spiraalnevels genoemd. Binnen een kort tijdsbestek werden 800 ontdekte galaxieën geregistreerd. In het jaar 1949 was dit aantal reeds tot 100 miljoen gegroeid. Na de voltooiing van de 5 m-telescoop op de Mount Palomar werd het geweldige aantal galaxieën pas goed zichtbaar - het zijn er vele miljarden.

Voor vele geleerden was er een wereld ineengestort. Zij konden maar niet begrijpen dat wij in de kosmologie met de wetenschap van de irrationaliteit van de wereld in haar geheel te maken hebben. Doch zelfs tegenwoordig komt het nu en dan nog voor dat men de voor de hand liggende werkelijkheid niet kan gebruiken, omdat zij niet met de leerstellingen strookt.

Als astronomen in het begin van de twintigste eeuw Lorbers verkondigingen hadden vernomen dan had men dus slechts hoon en spot kunnen verwachten, want datgene wat door middel van de reuzetelescopen in 1925 en later werd geconstateerd heeft Lorber reeds in het midden van de vorige eeuw uitvoerig beschreven. Wat is aan Lorber nu over de situatie in de kosmos gedicteerd? De verklaringen kunnen hier slechts beknopt worden weergegeven. In de ge­schriften Von der Hölle bis zum Himmel, deel II en Das grosse Evangelium Johannes, deel VI, wordt o.a. het volgende uiteengezet:

'De orde van de zonnestelsels dient gij u als volgt voor te stellen: de vele mil­joenen planetaire zonnen om welke planeten zoals uw aarde draaien, vormen met hun gemeenschappelijke middenzon een zonnengebied. De middenzon daarvan is steeds zo groot dat zij de inhoud van de in een baan om haar draaiende zonnen met de daarbij behorende planeten soms honderd - of zelfs duizendmaal, soms zelfs een miljoen maal overtreft, want er zijn grotere en kleinere gebieden. Doch hoe groter een zonnestelsel is, des te groter moet ook de middenzon zijn.'

Een groot aantal van deze zonnengebieden wordt door Lorber als zonnenheel­al betiteld. Het zonnenheelal heeft op zijn beurt een nog veel grotere almid­denzon tot middelpunt (VdH II 298, 5). Het volgende niveau in opgaande rich­ting is het zonnen-al-al. Zeven miljoen zonnen-al-allen draaiden op hun beurt rond een reusachtige hoofd- en oermiddenzon (VdH II 299, 8).

'Zulke zonnen-al-allen', wordt er in Gr VI 245, 3, gezegd, 'hebben in een ein­deloze diepte een allerreusachtigst grote oercentrale zon (die ook hoofd- of oermiddenzon wordt genoemd). Laten wij zulk een wereldstelsel een wereld­hulsglobe noemen, omdat al deze al-allen, die in alle richtingen rond de oer­centrale zon cirkelen, een onmetelijk grote bol vormen en als gevolg van hun beweging die bijna zo snel als een gedachte moet zijn, in een door niet meetba­re diepte en verte een soort huls vormen' (Gr VI 245, 8). 'Vraagt echter niet naar de grootte en de diameter van een hulsglobe, want mensen kunnen zich maar moeilijk een getal voorstellen waarmee deze afstand toereikend kan worden uitgedrukt.' (Gr VI 245,13) 'Doch zo'n hulsglobe is eigenlijk slechts één punt in Mijn grote scheppingsruimte.'

(Gr VI 245, 14)

'In de oneindig grote scheppingsruimte is er een onmetelijk groot aantal van deze hulsglobes, die alle volgens Mijn systeem in hun totale omvatting exact een volmaakte mens voorstellen. Hoe geweldig groot moet dan niet deze kos­mische mens zijn, als reeds een hulsglobe zo oneindig groot is en de afstand van één hulsglobe tot de andere nog aeonen maal aeonen malen groter is.'

(Gr VI 245, 16 en 17)

De kwestie van de afmetingen van het heelal heeft de astronomen steeds be­zig gehouden en tot de meest uiteenlopende theorieën gebracht, waarop wij hier niet nader willen ingaan. 'Wat ligt er buiten het heelal?' vraagt de astro­noom dr. Karl Schaifers van de Sterrenwacht Heidelberg. Hij beschouwt deze vraag als paradox omdat, zoals hij schrijft, 'zulke vragen principieel niet meer kunnen worden beantwoord. '23 Lorber beantwoordde deze vraag als volgt: 'Buiten deze wereldmens zet de vrije ether (ruimte) zich in alle richtingen eeuwig voort; deze mens vliegt er in een eindeloos grote cirkel, door Mijn wil voortgestuwd, met een voor uw begrippen onvoorstelbare snelheid doorheen, en wel door de voedingsstof uit de eindeloze etherzee, waar hij bij wijze van spreken als een vis doorheen zwemt.' (Gr VI 245, 19)

'Niemand behalve God kan de oneindigheid van de eeuwige ruimte bevatten, zelfs de grootste en meest volmaakte engelen kunnen de eeuwige diepte van de ruimte niet bevatten.' (Gr IV 56,9)

De kosmologen betwisten niet dat het menselijke bevattingsvermogen de oneindigheid van de ruimte niet kan begrijpen. Zo schrijft de astronoom dr. Heinrich Faust dat 'de wereld geenszins zo geconstrueerd behoeft te zijn dat ons kleine verstand haar kan bevatten '24.

Wat hebben de astronomen tegenwoordig ten aanzien van de door Lorber be­schreven trapsgewijze opbouw van de kosmos precies te zeggen? Lorber noemt de zonnengebieden als onderste niveau. In zijn terminologie komt een zonnengebied met een galaxie overeen. Volgens Lorbers verklaring zijn er grote en kleine zonnengebieden (VdH 11 298,4). De gerenommeerde Zwitser­se astronoom Zwicky, die aan de sterrenwacht Mount Palomar in Californië is verbonden, heeft de verspreiding van galaxieën in het heelal (d.w.z. volgens Lorber in onze hulsglobe, Egg.) systematisch onderzocht en daarbij geconsta­teerd dat er allerlei soorten opeenhopingen van sterren bestaan, 'van de kogel­sterrenconcentratie en de dwerggalaxieën tot en met de reusachtige, uit vele miljarden zonnen bestaande spiraalnevels, en tot en met kleine en grote ga­laxieën '25. Ook Ducrocq wijst erop dat het 'kuddekarakter' van de galaxieën geen misleiding is. 'De verdeling in groeperingen', concludeert hij, 'gebeurde niet bij toeval doch volgens een wetmatigheid '26 Het spontane optreden van orde is eenvoudigweg niet voorstelbaar.'27 'De natuurkundige weet thans', stelt Ducrocq vast, 'dat het volmaakte toeval niet bestaat. '28

Prof. Alfven, Stockholm, spreekt in zijn boek Kosmologie en Antimaterie over overkoepelende galactische stelsels, zg. metagalaxieën, en Charlier gaat er in zijn geschrift Model van het universum zelfs van uit dat dezelfde stelsels die ook Lorber vermeldt 'in viermaal vergrote trap voorkomen. '29 Volgens P. von der Osten-Sacken ligt bijvoorbeeld in het sterrenbeeld Maagd een zeer groot conglomeraat van galaxieën. 'Men schat het aantal galaxieën dat zich daarin bevindt op ongeveer 3000. '30 'In de Grote Beer bevindt zich, 650 miljoen licht­jaren verwijderd, een kleinere opeenhoping met ongeveer 300 galaxieën. '31

In zijn geschrift God - mens - universum schrijft de Franse wetenschapper Bi­vort de la Saudée hierover: 'De galaxieën zijn in grote groepen en concentra­ties gerangschikt.'

In het wetenschappelijke blad Bild der Wissenschaft/1980 wordt geconsta­teerd: 'Onze melkweg behoort tot de lokale groep die uit twee à drie dozijn galaxieën bestaat. Het spectrum van opeenhopingen loopt op tot duizenden leden. Er zijn zelfs tekenen dat de hiërarchische orde van de wereld nog verder gaat. Opeenhopingen van galaxieën kunnen op hun beurt weer tot 'superop­eenhopingen' worden samengevat. '32

Het totale aantal galaxieën wordt volgens gegevens van Pascal Jordan thans op 10 miljard geschat.33 Dit zijn getallen waarbij ons voorstellingsvermogen te­kort schiet. En dat terwijl het hier, naar Lorber bericht, alleen nog maar om de galaxieën van onze hulsglobe gaat. Talrijke astronomen hebben reeds lange tijd vermoed dat er nog andere universa zijn. In het jaar 1963 berichtte de Naturwissenschaftliche Rundschau dat de natuurkundige P.L. Brown in het Engelse Tijdschrift Nature de hypothese van een oneindig groot aantal univer­sa naar voren had gebracht, wat met Lorbers stellingen over 'ontelbare huls­globes' overeenkomt. Volgens Brown kan ieder deelgebied van de kosmos 'als elektron van een volgend hoger deelgebied worden beschouwd, zonder dat zich tegenstrijdigheden, van welke aard ook, met de bestaande wetten van de theoretische fysica voordoen '34.

In het jaar 1969 gaf de president van de Internationale Astronomische Unie, prof Heckman, Santiago, in overweging dat het de mens niet is gegeven de wereld als geheel te begrijpen, dat steeds slechts deelgebieden kunnen worden doordrongen. Hij sprak over het met astronomische methoden overzienbare deel van het universum.35

Lorber heeft aan de geciteerde verkondigingen nog het volgende toegevoegd:

'Al zulke complexen van zonnen - en werelduniversa, die in zeer grote cirkels rond een oermiddenzon draaien, zijn op grote afstand van al die zonnenuni­versa door een vaste huls omgeven die voor geen stoffelijk wezen doordring­baar is. Deze huls bestaat uit een diamantachtige, doorzichtige materie en is naar binnen toe volkomen spiegelglad. Al het licht nu dat van de talloze zon­nen uitgaat en door geen aarde of zon wordt opgevangen wordt dan door deze huls opgevangen en weer teruggekaatst.' (VdH 11 300, 6)

De astronomen zullen dus, hoe ver zij de reikwijdte van hun optische en radio­telescopen ook vergroten, steeds slechts een minuscuul gedeelte van de kosmos kunnen gadeslaan. Deze begrensde overzichtelijkheid van het heelal komt reeds in de geciteerde opmerkingen van professor Heckmann tot uitdrukking. De astronoom dr. Faust gaat nog concreter op deze stand van zaken in. Hij schrijft: 'Als het universum, zoals wij het kunnen doorgronden, werkelijk ein­dig in zichzelf gekromd is (zoals Einstein beweert; Egg.), dan bestaat de waar­schijnlijkheid dat er behalve dit universum nog andere universa (lees hulsglo­bes, Egg.) zijn. Nooit of te nimmer kan een intelligent wezen uit een zichzelf gekromd universum iets over het bestaan van een ander eindig universum te weten komen. '36 Ook de astronoom Jakob Korn verklaart dat het heelal in zijn universaliteit niet waarneembaar is; hij voegt eraan toe: 'De astronomen zijn zich terdege van de problematiek van de kosmologie bewust.'37

De nauwelijks nog te bevatten numerieke overmacht van de grootte van de kosmos, zoals deze door de moderne astronomie wordt aangegeven, blijft bin­nen de uitspraken en denkcategorieën van de Nieuwe Openbaring en bevestigt deze op frappante wijze.

Nadat de astronomen in de jaren twintig en dertig van onze eeuw door volko­men nieuwe ontdekkingen betreffende de grootte van het heelal waren ge­schokt, herhaalde dit zich op soortgelijke wijze toen in het jaar 1961 met be­hulp van de nieuwe radiotelescopen reuze zonnen werden ontdekt, die alle tot op dat moment gebruikelijke ideeën over de mogelijke afmetingen van sterren omver wierpen. De grootte en de lichtsterkte van deze objecten was zo fantas­tisch dat het alles te boven ging wat men zich tot dusver had voorgesteld. Vol­gens Einsteins berekeningen bestaat er geen zon die meer dan honderd maal groter is dan onze zon. 38 Desondanks waren er reeds in 1935 zonnen bekend die een vele honderden malen grotere doorsnede, een duizend maal zo groot gewicht en een tienduizend maal zo grote lichtsterkte hebben. De ster Beteig­neuze in het sterrebeeld Orion bijvoorbeeld heeft een 500 maal zo grote door­snede en een 17000 maal zo grote lichtsterkte als onze zon. 39 De ontdekking van de tot nu toe grootste ster R136a in 1982, die honderd miljoen maal zo veel licht geeft als onze zon, wierp de vroeger bestaande mening omver dat de maximale afmetingen van een zon aan beperkingen onderhevig waren.40

Sedert het begin van de jaren zestig nu wordt het heelal niet meer uitsluitend door middel van optische telescopen onderzocht; met behulp van de nieuwe radiotelescopen kan men veel dieper in de ruimte doordringen dan met de op­tische telescopen. Met de radiotelescopen ontdekte men objecten, die de astronomen door hun afmetingen en lichtsterkte buiten zichzelf brachten. In vergelijking daarmee zijn de tot dusver bekende reuzesterren klein en onbe­langrijk. De objecten stelden de astronomen voor een raadsel en aangezien men eerst niet wist of hier sprake was van sterren of van galaxieën, noemde men ze quasistellaire objecten of verkort quasars. Soms worden zij ook als radiosferules aangeduid.

Toen Australische radioastronomen in 1961 de exacte positie van de sterke radiobron 3C-147 hadden vastgesteld, bepaalden de astronomen Maarten­Schmidt en Thomas Matthews het object met de 5 m-spiegeltelescoop op de Mount Palomar op optische wijze en identificeerden het als een reusachtige ster. Deze straalde sterker dan alle 100 miljard zonnen in ons melkwegstelsel samen. Tot 1968 werden er met de 5 m-telescoop bijna 100 zulke mysterieuze objecten ontdekt. Daartoe behoorden enkele quasars die hun ontdekkers in steeds groter worden de mate verbijsterden. Quasar 3C-48 bijvoorbeeld heeft een 150 maal grotere lichtsterkte dan de honderd miljard zonnen van onze melkweg. Quasar 3C-273 heeft zelfs de energie van 1000 grote galaxieën met elk 100 miljard zonnen.41 Het bestaan van zulke zonnen was geheel in tegen­spraak met de tot dusver geldende wetenschappelijke opvattingen. Ook nu waren de vakmensen weer volkomen verbluft. De wetenschappers beschikten niet over de juiste superlatieven voor de geweldige grootte en lichtsterkte van deze objecten. Een merkwaardige eigenschap van deze quasars is de sterke roodverschuiving, die op afstanden van zes tot tien miljard lichtjaren wijst. De waarde van afstandsbepalingen op basis van roodverschuiving en van het zoge­heten Dopplereffect echter wordt sinds korte tijd in twijfel getrokken. Som­mige wetenschappers waren van mening dat hier geen sprake was van reuze­sterren maar van galaxieën. Deze hypothese was echter geen lang leven be­schoren. Sinds 1965 namelijk werden er bij de quasars sterke energieschom­melingen geconstateerd. Prof. Sandage berichtte in The Astrophysical Journal dat hij bij Quasar 3C-371 binnen iets minder dan 24 uur regelmatige schomme­lingen in de lichtsterkte had waargenomen. Soortgelijke ontdekkingen deden ook andere astronomen bij de meest verschillende quasars. De Sovjetrus­sische astronoom Kardasjev berichtte over periodieke schommelingen tot 20%. Zulke schommelingen in lichtsterkte zijn bij sterren bekend, bij galacti­sche stelsels echter zijn zij ondenkbaar.

Sterren van het formaat van quasars kunnen volgens de astrofysische theorie niet bestaan, omdat 'stralingsdruk en centrifugale druk samen het bestaan van meer dan 1032 kg praktisch uitsluiten '42. Maar enkele tientallen jaren geleden kon men zich ook geen energiebron voorstellen die groot genoeg is om de in­tensieve zonnestraling miljarden jaren lang te handhaven. Pas veel later kwam men ertoe aan te nemen, dat deze straling door atoomenergie wordt opge­wekt. Tegenover de these van de onmogelijkheid van het bestaan van quasars stelt prof. Tirala het volgende: 'De reuzester moest volgens Einsteins ideeën allang in stukken zijn gereten; maar dat gebeurt niet, hij straalt nog steeds onophoudelijk een geweldige hoeveelheid energie uit. '43 In het verleden be­stond er een groot aantal hypothesen die als onomstotelijk werden beschouwd en die men desondanks heeft moeten opgeven, omdat de feiten zwaarder wo­gen. Het is overbodig op de vele pogingen tot verklaring en uitlegging van qua­sars in te gaan, omdat zij op de astronomische congressen niet eens door de eerste ronde heen kwamen. 'Nergens', zegt K. Rudzinski, 'wordt er zoveel ge­speculeerd als in de kosmologie. '44

Jakob Lorber sprak ook over de quasars lang voordat de huidige wetenschap er weet van had. Net zoals hij het heelal heeft beschreven dat zijn reusachtigste afmeting in de grote wereldmens heeft, zo gaat hij ook gedetailleerd op de quasars in. Hij toont een aanschouwelijk beeld van de geweldig toenemende orde van grootte en de lichtsterkte van de verschillende soorten centrale zon­nen. Het is heel goed mogelijk dat vroegere generaties deze voorstellingen als het produkt van een levendige fantasie, als een soort gigantomanie beschouw­den. De lezers van onze tijd echter, die de resultaten van astronomische on­derzoekingen kennen, zullen de volgende uitspraken met verwondering lezen en misschien tot nadenken worden gebracht.

Lorber schrijft dat elk zonnengebied (=galaxie) een gebiedsmiddenzon heeft. 'Deze middenzon is steeds zo groot dat zij de inhoud van de in een baan om haar draaiende zonnen met de daarbij behorende planeten soms honderd - of zelfs duizendmaal, soms zelfs een miljoen maal overtreft, want er zijn grotere en kleinere gebieden.' - 'Naarmate echter de grootte van deze middenzonnen toeneemt, neemt ook het licht toe dat zij afstralen.'... 'Wanneer bijvoorbeeld de doorsnede van een planetaire middenzon één biljoen aardse mijlen be­draagt (1 Duitse mijl = 7,4 km), dan bedraagt de doorsnede van een zonnen­gebiedsmiddenzon het miljoenvoud van de doorsnede van een planetaire mid­denzon. Een almiddenzon... groeit dan weer een miljoen maal, soms zelfs een biljoen maal in grootte en lichtsterkte.'

(VdH 11 298, 4 e.v.) Dit lijkt een enor­miteit, maar laten wij eens luisteren naar wat de thans competente astronomen hebben ontdekt en over deze materie te vertellen hebben. Prof. Sandage ver­klaart: 'Volgens een grove schatting is de door CTA-1O2 afgegeven straling honderd biljoen maal zo sterk als de energie van onze zon. '45 Eenzelfde licht­sterkte werd bij quasar 3C-273 B geconstateerd. 46

De astrofysici kunnen zich nog steeds niet voorstellen, dat er sterren zouden zijn die een stralingscapaciteit van 1046 erg per seconde hebben. In ieder geval is de waterstoffusiereactie niet toereikend om deze toename en afgifte van energie te verklaren. De wetenschap beschikt momenteel niet over een plausi­bel natuurkundig model, waarmee deze enorme omzet van energie kan wor­den beschreven. 47

De wetenschappers zijn ook uit het veld geslagen over de vaststelling dat deze objecten, die men vroeger als kleine en onbetekenende zonnen van onze melkweg beschouwde, volgens de jongste ontdekkingen van de onderzoekers honderdduizend maal verder, namelijk vele miljarden lichtjaren ver in het heelal staan. Niet voor niets zegt de astronoom H. Fahr dat 'wellicht al onze voorstellingen van het universum moeten worden herzien, omdat dit reeds in de resultaten van experimenten naar voren schijnt te komen '48.

Reeds in 1964 verklaarde de Sovjetrussische astronoom V.A. Amberzumian in Erivan (Armenië): 'Hoewel bij de quasars een groot aantal dingen nog niet kon worden verklaard, moeten wij er toch in ieder geval van verzekerd zijn dat de kernen van de galaxieën voor het ontwikkelingsproces van de grote wereld­eilanden (galaxieën, Egg.) van veel groter belang zijn dan men tot dusver heeft aangenomen. Het lijkt er toch op dat de ontwikkeling van een galaxie van een kern met een buitengewoon grote massa en dichtheid uitgaat. '49 Ook de Ame­rikaanse astronomen Hoyle en Fowler nemen aan dat de kernen van de ga­laxieën helemaal niet, zoals men tot dusver als vanzelfsprekend heeft aange­nomen, uit afzonderlijke sterren bestaan, maar uit een megaster, dus uit een quasar met ongeveer 100 miljoen zonnemassa.50

De ontdekking van quasar M 82 maakte dit voor het eerst duidelijk. Reeds in 1964 ontdekte men dat het centrum van spiraalnevels (galaxieën) niet meer in afzonderlijke sterren is onderverdeeld, doch dat het uit één enkele sterreachti­ge formatie bestaat. 51 Sedert 1982 staat volgens het Duitse tijdschrift Bild der Wissenschaft het volgende vast: 'Het is nu zeker dat de quasars de kernen van ver verwijderde galaxieën zijn. '52

De door enkele astronomen naar voren gebrachte, tot dusverre echter onbe­wezen hypothese dat de quasars zwarte gaten zouden zijn strookt niet met het volgende feit. Volgens de heersende mening kan er geen licht uit zwarte gaten dringen; derhalve kunnen zij ook niet met lichttelescopen worden waargeno­men. Volgens een artikel in Bild der Wissenschaft 4/1982 echter is het licht van quasars door opnamen met de 3,6 m-telescoop van de Europese Zuidsterren­wacht in Chili opgevangen.

De astronomen E. Bedlin en G. Neugebauer van het California Institute of Technology zijn erin 'geslaagd door middel van omvangrijke ultrarood-stra­lingsmetingen vast te stellen, dat ook de kern van onze melkweg met een mas­sa van 30 miljoen zonnen overeenkomt. 53

Een verdere gebeurtenis die men onlangs op de centrale zonnen heeft waarge­nomen wordt door Lorber eveneens zeer exact beschreven: prof. Allan Sanda­ge maakte opnamen van M 82 die aantoonden dat uit de kern grote gaswolken wild werden uitgebraakt. Bij dit object, dat tot dusver eveneens ten onrechte als deel van onze melkweg werd beschouwd, kon men duidelijk een kern en een lange straal onderscheiden, die eruit ziet alsof hij uit de ster wordt gescho­ten. 54 Ook de reusachtige M 87 in de opeenhoping van het sterrebeeld Maagd slingert geweldige protuberanties in het heelal, 'schitterende configuraties die net zo lang zijn als hele galaxieën '55. Volgens een artikel in het Duitse week­blad Die Zeit d.d. 21 juli 1972 hebben de astronomen Schaffer, Cohen, Jauncy en Kellermann onlangs vastgesteld, dat ook de kern van de Seyfert-galaxie 3C­120 gaswolken uitstoot. De toenemende observaties laten er bij vele astrono­men geen twijfel meer aan bestaan dat in de kern van de galaxieën, d.w.z. in de reusachtige centrale zonnen, nieuwe materie wordt geschapen. 56

Ook ditmaal waren de astronomen met een nieuwe situatie geconfronteerd; velen van hen wisten dan ook geen verklaring voor het fenomeen. Sommigen waren van mening dat men hier met een nova te maken had, hoewel nova­uitbarstingen slechts enkele uren of ten hoogste een paar dagen duren. Ande­ren oordeelden dat de gebeurtenissen de kettingreacties van exploderende sterren moesten zijn. Deze theorie heeft de astronoom D. Sidney van der Berg na zorgvuldig onderzoek van de hand gewezen; naar aanleiding van foto's van de kern van M 82 heeft hij de mening naar voren gebracht, dat de expansie van de materiewolken het gevolg is van de stralingsdruk van zeer hete en zeer grote sterren .57 Daar worden dus de geregistreerde zwaartekrachtgolven hoofdza­kelijk teweeggebracht. In een bericht uit 1970 werd er de nadruk op gelegd dat met zekerheid kon worden aangenomen, dat in de kern van de galaxieën 'on­gewone kosmische veranderingen plaatsvinden'. 'Misschien vinden hier ook processen plaats die sterren voortbrengen. '58 Voor Ducrocq is het boven twij­fel verheven: 'De sterren slingeren in verschillende fases van hun ontwikkeling en in onregelmatige tijdsafstanden materie in het heelal. '59 In overeenstem­ming daarmee verklaart Von der Osten-Sacken: 'Men kan aannemen dat in de nabijheid van de kernen zonnen ontstaan. '60 Deze opvattingen komen precies overeen met de verkondigingen van de Nieuwe Openbaring. Jakob Lorber be­richt over deze gebeurtenissen en beschrijft deze als de geboorte van zonnen uit het lichaam van de centrale zonnen (quasars) als volgt: 'Op deze reusach­tige zon brandt het allerzuiverste gas, en dit moet steeds in de grote gasmeters onder de zonnen in grote hoeveelheid voorradig zijn.' (VdH II 298,15) Deze gassen worden volgens Lorbers stellingen 'als heftig gloeiende bollen in de oneindigheid geslingerd'. 'In de een of andere diepte van de ruimte worden zij dan tot zonnen in het gebied van een middenzon. '61

De schildering in de Nieuwe Openbaring komt volledig overeen met de door de astrofysicus Fred Hoyle naar voren gebrachte theorie van het tijdsconstante universum, in zoverre als deze zogeheten 'Steady-state-theorie' ervan uitgaat dat er voortdurend nieuwe kosmische massa's worden bijgemaakt. Ook vol­gens de verklaringen van Pascual Jordan komen er, in overeenstemming met de verkondigingen van de Nieuwe Openbaring, 'voortdurend nieuwe sterren' uit de uitgestoten plasmawolken (gassen).62

Lorber bericht overigens dat onze aarde niet door de zon maar door de reus­achtige oercentrale zon van onze hulsglobe is afgestoten. Letterlijk wordt er gezegd: 'Met deze aarde is het een hoogst merkwaardige zaak. Zij behoort weliswaar als planeet bij deze zon; echter, op de keper beschouwd is zij niet zoals de andere planeten uit deze zon voortgekomen, doch is zij oorspronke­lijk reeds uit de oercentrale zon ontstaan.' (Gr IV 106, 8)

Enkele tientallen jaren geleden was het voor de astronomen volkomen van­zelfsprekend aan te nemen, dat de aarde van onze zon afkomstig is. Thans is men het erover eens dat deze theorie niet houdbaar is. De wetenschappers hebben inmiddels het volgende ontdekt: 'De wijdverbreide mening dat de aar­de voor meer dan de helft uit zonnemateriaal zou bestaan is onjuist. Onze pla­neet bestaat namelijk voor meer dan de helft uit zware elementen (ijzer, nik­kel, koper, zink, lood, uranium; Egg.), die in de zon niet voorkomen. Door de sterk afwijkende chemische samenstelling is het vrijwel uitgesloten, dat de aarde uit een fragment van de zon is ontstaan.' 'De temperatuur van de zon is veel te laag - en ook altijd veel te laag geweest - om de opbouw van de zware elementen mogelijk te maken die het belangrijkste bestanddeel van onze aar­de vormen. De aarde is beslist van een ander, ten minste tienmaal zo groot gesternte afkomstig. Want alleen een superreus ontwikkelt de hitte die nodig is om de 92 elementen te doen ontstaan, die in hun natuurlijke toestand op onze planeet voorkomen. '63 Zo is ook in dit geval weer een oorspronkelijk volledig zeker lijkend vermoeden als vergissing ontmaskerd en de wetenschappelijke mening met de getuigenis van de Nieuwe Openbaring in overeenstemming ge­bracht.

De door Jakob Lorber uiteindelijk beschreven oercentrale zon van onze huls­globe gaat ieder begripsvermogen te boven wat haar grootte en lichtsterkte betreft. Volgens de gegevens van Lorber is deze oercentrale zon identiek met de ster Regulus in het sterrebeeld van de Leeuw. Voor de astronomen schijnt deze ster niet bijzonder groot en ook niet ver verwijderd te zijn. Lorber spreekt daarentegen van een 'afstand, zo groot dat hij niet te berekenen is'. Welnu, de astronomen weten dat hun afstandsopgaven op een zwakke grond­slag staan. Dat is de laatste tientallen jaren herhaaldelijk gebleken. Ducrocq merkt op dat in het jaar 1960 de tien jaar tevoren vastgelegde waarden aan­zienlijk moesten worden gewijzigd, omdat zij zonder uitzondering onjuist wa­ren. Na de ontdekking van de quasars moesten er opnieuw veranderingen wor­den aangebracht, die ditmaal rondweg overweldigend waren. De verklaring van prof. Maarten-Schmidt, Pasadena, op het congres van het Astronomisch Genootschap in 1969 in Nürnberg bewijst dat wat betreft de schatting van af­standen alle mogelijkheden nog openstaan. Hij zei dat het natuurraadsel be­treffende de afstanden van quasars nog volledig onopgehelderd is. Na vijf jaar werk bestond er nog steeds geen mogelijkheid om de afstand van deze merk­waardige objecten te bepalen. 64

De Regulus wordt door de astronomen tot de laagste vijfde categorie van de dwergen of hoofdreekssterren, waartoe ook onze zon behoort, gerekend. (De quasars zijn nog niet geclassificeerd.) Maar ook de quasars, die ten dele een biljoenen malen grotere lichtsterkte dan onze zon hebben, werden vroeger als onbelangrijke en zwakke sterren beschouwd! In dit verband is de constatering van de astronoom dr. Karl Schaifers (Sterrewacht Heidelberg) van betekenis dat men bij de kleurverschilmethode, die meestal alleen kan worden gebruikt, nooit kan uitmaken of de onbeduidende ster van de vijfde categorie niet in werkelijkheid een enorme reuzester is. Schaifers zegt woordelijk: 'Men kan aan de hand van een kleurindex niet met zekerheid zeggen of wij met een reu­zester of met een dwergster te maken hebben. '65 Hierdoor wordt het begrijpe­lijk dat de astronoom Matthews voor quasar 3C-48 een afstand van één mil­joen lichtjaren aangeeft, terwijl anderen het object op een afstand van vijf mil­jard lichtjaren plaatsen. 66

De astronomen hebben zich de laatste tientallen jaren verschillende malen ge­noodzaakt gezien hun ideeën over de afstand en grootte van de sterren alsook over de uitgestrektheid en de leeftijd van het heelal fundamenteel te wijzigen en iedere keer brachten deze nieuwe inzichten met zich mede, dat men weer een stapje dichter bij de verkondigingen van de Nieuwe Openbaring kwam. Daardoor kan men ervan uitgaan dat deze ontwikkeling ook in de toekomst in deze richting zal blijven voortschrijden.

 

De uitspraken van de Nieuwe Openbaring over de elementaire deeltjes

en de resultaten van modern wetenschappelijk onderzoek

 

Op soortgelijke wijze als waarop de Nieuwe Openbaring op de kennis is voor­uitgelopen die de astronomie in de laatste tientallen jaren heeft opgedaan, zijn er in dit werk tevens al evenzeer treffende uiteenzettingen over atomen en ele­mentaire deeltjes te vinden. Weliswaar wordt het betoog niet in de terminolo­gie gehouden die ons heden vertrouwd is, maar het geeft desondanks een na­tuurgetrouw beeld van de geheimzinnige gebeurtenissen bij het ontstaan van de materie. Het frappante is daarbij dat ook zeer exacte opgaven over belang­rijke details worden gedaan, die door de resultaten van wetenschappelijk on­derzoek exact zijn bevestigd.

In het kader van de bewijsvoering is het onvermijdelijk dat de lezer zich op zijn minst vluchtig met de atoomfysica bezighoudt. Wij hebben ons alle moeite ge­geven een en ander zo te beschrijven dat de lezer de uiteenzettingen kan vol­gen. Met betrekking tot Lorbers verkondigingen dient men er rekening mee te houden dat de profetie steeds gebruik maakt van een volledig eigen wijze van uitdrukken. Voorts moet worden opgemerkt dat de Nieuwe Openbaring in het subatomaire gebied gebeurtenissen ziet, die ten dele in het geestelijke vlak liggen en in de elementaire deeltjes de eerste ontwikkelingstrappen van het dierlijk leven ziet. 'Een geestelijk partikel van Mijn Ik' , staat er geschreven, 'komt in ieder atoom voor.' (LGh, blz. 163). 'In al het geschapene is een gees­telijk gedeelte gecondenseerd, in een groter volume samengeperst... Op deze wijze is alles ontstaan wat gij materie noemt.' (LGh, blz. 84) Op analoge wijze bericht overigens ook de ziener Swedenborg: 'Een natuurlijk iets dat niet zijn oorsprong in het geestelijke gebied heeft, bestaat niet.' In tegenstelling daar­mee wijst de materialistische wetenschap in Oost en West God als schepper alsook de transcendente wereld van de geesten af. 'De materialisten', schrijft Birjukow, 'beschouwen de materie als de grondslag van alles wat er op de we­reld bestaat. Geest en ziel zijn produkten van een bijzondere vorm van hoog ontwikkelde materie. '67 Derhalve staan de Nieuwe Openbaring en de materia­listische wetenschap in hun fundamentele uitspraken lijnrecht tegenover el­kaar. Zoals nog blijken zal, zijn in de wetenschap echter tekenen van een om­mekeer te ontdekken.

Bij de behandeling van atomen en elementaire deeltjes spreekt de Nieuwe Openbaring volgens hetgeen tevoren is gezegd over 'atomen', 'etheratomen', 'atoomdiertjes', 'monaden' en 'geestendeeltjes'.

Reeds 2300 jaar geleden hadden de Griekse filosofen Leucippus en Democri­tus het idee uitgewerkt dat de materie uit miniscule deeltjes bestaat die ondeel­baar zijn. Van het Griekse woord 'atomos' (ondeelbaar) is het begrip 'atoom' afgeleid. De opvatting dat het atoom niet deelbaar zou zijn bleek echter in de twintigste eeuw onjuist. Het atoom bestaat op zijn beurt uit nog veel kleinere deeltjes, die elementaire deeltjes genoemd worden. Deze vormen de substruc­tuur van de materie. 'In het begin van deze eeuw', schrijft Kenneth W. Ford, 'wist men dat er atomen bestaan. De structuur van het atoom echter en het verband van de atomen tegenover elkaar bleven een raadsel, zoals de elemen­taire deeltjes nu voor ons een raadsel zijn. '68 In het jaar 1910 was de structuur van het atoom nog onbekend, en de eigenlijke fysica van de elementaire deel­tjes ontstond pas omstreeks 1930. Meer dan dertig jaar na Lorbers dood werd het eerste elementaire deeltje, het elektron, ontdekt; daarop volgden in 1920 het proton en in 1932 het neutron. (De elektronen zijn de huls van het atoom, proton en neutron zijn de kernbestanddelen.) Nu geloofde men dat de bouw­stenen van de materie gevonden waren en noemde de onvoorstelbaar kleine deeltjes elementaire deeltjes. Deze deeltjes werden echter steeds talrijker, thans zijn het er reeds 200. Weldra bleek dat alles veel gecompliceerder en geheimzinniger is dan men aanvankelijk had aangenomen. Met het oog op de hoeveelheid deeltjes bleek de benaming 'elementaire deeltjes' al spoedig on­juist te zijn, maar in de wetenschappelijke literatuur blijft zij desondanks ge­handhaafd. De blik in de wereld van het kleinste is interessant en leidt er al gauw toe, dat men over de grootte en wijsheid van de Schepper gaat naden­ken. ­

Niet voor niets staat er in Lorbers werk: 'De mens heeft een goed inzicht in de

natuur van node. Immers, hoe wilt gij God liefhebben wanneer gij hem niet in de werken van Zijn Schepping herkent.' De Nobelprijs winnaar en grondlegger van de quantumtheorie, Max Planck, sprak in dit verband eens van een indi­recte en een directe weg tot God, de eerstgenoemde door middel van de na­tuurwetenschappen, de laatstgenoemde in het sacrament of het geweten.

Sedert de ontdekking van de kerndeeltjes (nucleonen), namelijk proton en neutron, alsook van het elektron, wordt volgens een model van de Deense geleerde Niels Bohr de opbouw van het atoom dikwijls met het zonnestelsel vergeleken. Ook wanneer deze vergelijking slechts ten dele opgaat is zij in dit verband toch voldoende om de aangelegenheid te kunnen bevatten. Net zoals de planeten om de zon cirkelen, stuiven de elektronen met enorme snelheid om de atoomkern.

Het atoom is zo klein, dat ongeveer 100 miljoen atomen een lengte van één centimeter opleveren. En nog honderdduizend maal zo klein als het atoom is de atoomkern zelf. 69 Een speldeknop en een ballon geven een idee van de doorsnede van een atoomkern in vergelijking met het gehele atoom, d.w.z. inclusief de huls.70

Vele tientallen jaren vóór de eeuwwisseling, dus lang voordat de wetenschap erin slaagde in het atoom te kijken, leerde de Nieuwe Openbaring dat het atoom uit nog kleinere, subatomaire deeltjes bestaat. In het geschrift Schöp­fungsgeheimnisse wordt in dit verband op blz. 227 gezegd: 'Een gedachte moest aan de schepping van een atoom voorafgaan dat, voordat het een atoom werd, uit nog kleinere deeltjes bestaat, die tot aan de grens van de lucht -, gas­ of geestenvorm reiken.'

Hoe gering de massa van het atoom is blijkt uit het volgende: 'Pas ongeveer drie miljard biljoen van de zwaarste bekende atomen wegen samengenomen één gram.'71 De atoomkern, die slechts een honderdduizendste van de grootte van het atoom heeft, neemt echter 99,95% van het atoomgewicht voor haar rekening. Het elektron, de bouwsteen van de atoomhuls, is 1836 maal zo licht als het proton. Het weegt een duizendkwadriljoenste (10-27) deel van een gram. Mathematisch voorgesteld ziet dit er als volgt uit:

mo = 0,9107 . 10-27 gram of een 1 met 27 nullen! 72

De wetenschappers vragen zich terecht af wat de eigenlijke natuur van het elektron is. De nobelprijswinnaar Heisenberg spreekt in dit verband over 'spookachtige toestanden', en Lincoln Barnett beweert: 'Het elektron is slechts een schijnsel - zo vaag als een windstoot, een geluidsgolf in de nacht. '73 Desondanks is het elektron, dat met een snelheid van 2000 km per seconde om de atoomkern beweegt, bewijsbare werkelijkheid. 74

Volgens de stellingen van de Nieuwe Openbaring bevindt het elektron zich op de grens tussen het materiële en het geestelijke. Lorber kreeg hierover het volgende gedicteerd: 'Het elektron is bijgevolg niets anders dan ten eerste de door een druk en door een wrijven gestoorde rust, en ten tweede de opgewek­te activiteit van de ethergeesten als een ten dele zuiver geestelijke stof en ten dele ook als de natuurlijke licht- en levensstof in de lucht van de aarde.' (Gr VIII 144,1) Elders wordt er gezegd: 'Een etheratoom is volgens uw begrippen een niet-lichamelijk, of met een geleerde uitdrukking benaamd, een impon­derabiel iets; maar desondanks is het een afgesloten, begrensd geheel. Zulk een atoom heeft ondanks zijn kleine formaat toch diepte - en lengteafmetin­gen, evenals ieder ander lichaam.'

(LGh blz. 163). Terwijl de atoomfysici thans de om de atoomkern snellende elektronen 'materiewolk' of 'ladings­wolk' noemen, staat in de Nieuwe Openbaring de net zo toepasselijke uitdruk­king 'dampomhulsel'. In verband met de in de Nieuwe Openbaring beschre­ven aantrekkings - en afstotende krachten staat daar voorts te lezen: 'Zo ont­wikkelde zich tussen de atomen door middel van hun omhullend dampomhul­sel (= elektronen, Egg.) een assimilatie, waarbij de dampomhulsels het homo­gene aantrekken en het heterogene afstoten.'

(LGh, blz. 164) Deze benade­ringswijze komt overeen met de ideeën over de aantrekkings- en afstotende krachten in het atoom, die de wetenschap in de twintigste eeuw heeft ontwik­keld.

Nog staat de materialistische wetenschap afwijzend tegenover hetgeen de Nieuwe Openbaring stelt, namelijk dat de atomen resp. elementaire deeltjes ten dele van geestelijke aard zijn. Er zijn echter ook geleerden die de zienswij­ze van de Nieuwe Openbaring reeds heel dicht benaderen. Zo schrijft bijvoor­beeld Jean Mussard in zijn driedelige werk God en het toeval: 'Misschien is een atoommaterie niets anders dan een partikel geest. '75 Teilhard de Chardin hul­digt de opvatting dat ieder stoffelijk partikel een atoom ziel heeft gekregen. 76 De natuurkundige prof. Siegfried Müller-Markus schrijft: 'De niet waarneem­bare ziel van het elementaire deeltje controleert de waarneembare energie. De ziel van de deeltjes speelt in de atoomfysica een fundamentele rol. Wij weigeren alleen de realiteit ervan in te zien.'77

De ten dele geestelijke structuur van de elementaire deeltjes is vermoedelijk de reden, waarom de wetenschappers de volgende bekentenis moeten doen: 'Hoewel wij zo bewonderenswaardig veel over de wetmatigheid van de elek­tronen en van hun wisselwerking met andere deeltjes weten, vermogen wij toch nauwelijks hun eigenlijke structuur te bevatten.'78

Terwijl tot in de jaren dertig van de twintigste eeuw alles wat het atoom betrof zo keurig geordend en enigszins overzichtelijk scheen, moesten de weten­schappers in de daarop volgende tientallen jaren onderkennen, dat de materie niet bij het atoom begint maar dat de in groten getale ontdekte elementaire deeltjes de stam van alle kosmische materie vormen. Het atoom is alweer een aftakking. 79 Wat echter zijn deze minuscule deeltjes nu werkelijk? Het gissen naar de natuur van de deeltjes, dat destijds begon, is ook nu nog in volle gang. 80 Zij hebben bijna allemaal dezelfde grootte, maar een verschillend ge­wicht. Sommige zijn zo licht dat zij 'nietsen' worden genoemd. Zij schieten met de onvoorstelbare energie van wel 1021 (= één triljard) elektronenvolt uit het heelal. 81 Zij hebben dus een miljoenen malen zo grote energie als de pro­tonen, die door de reusachtige aardse versnellers worden gejaagd. Op hun reis door het luchtomhulsel van de aarde veranderen zij in een fractie van een se­conde in andere deeltjes. De zware elementaire deeltjes vallen steeds uiteen; zij veranderen zich daarbij in lichtere deeltjes. De levensduur van de deeltjes is zo onvoorstelbaar kort, dat deze zich aan de menselijke begrippen van tijd onttrekt. En juist op dit punt worden de uitspraken van Lorber, die in de tijd dat hij ze opschreef door niemand als reëel werden beschouwd, thans met gro­te exactheid door de wetenschap bevestigd. Lorber voert slechts enkele voor­beelden aan, net zoals er ook thans in de wetenschappelijke literatuur van de circa 200 elementaire deeltjes slechts een handvol worden behandeld.

In het geschrift Himmelsgaben, deel I, blz. 82, dat in 1840 ontstond, beschrijft Lorber de verandering van de elementaire deeltjes als volgt: 'Gij gelooft wel allen dat het water de moeder van de dieren is. Echter, dit is niet zo. De eerste categorie van de dierenwereld zijn de oneindig kleine bewoners van de ether. Daarin zijn zij ongeveer datgene wat gij in uw taal 'atomen' noemt. Wanneer gij zulke diertjes met eigen ogen wilt ontdekken moet gij zulk een punt een tril­joen maal kunnen vergroten, iets waarin gij in dit aardse leven wel nimmer zult slagen. Een sterfelijk oog zal de dingen in hun waarheid nimmer kunnen aan­schouwen - alleen het oog van de geest vermag dit te doen.'

'Deze diertjes hebben de gedaante van een bol, welks oppervlak volkomen glad is. Zij voeden zich met de essentie van het licht. Hun levensduur bedraagt een triljoenste deel van een seconde, waarna zij - terwijl zij zich na hun dood bij triljoenen verenigen - een tweede categorie wezens beginnen te vormen, die zich echter wat hun grootte betreft niet zeer van hun voorgangers onder­scheiden.' 'Met de uitdrukking "monaden" worden deze wezens bedoeld.'

'Deze diersoort heeft haar levensgebied reeds in de planetensfeer. Hun le­vensduur bedraagt een duizendbiljoenste deel van een seconde.' 'Op dezelfde wijze wordt in vrijwel gelijke gedaante de ene categorie na de andere met tel­kens meer gepotentieerd leven gevormd. De levensduur van deze wezens is dan geleidelijk aan gegroeid tot een duizendmiljoenste miljardste) deel van een seconde.'

Ten tijde van Lorber was het voor de wetenschappers onvoorstelbaar dat er een subatomair gebied bestaat en dat er een triljoenvoudige vergroting nodig zou zijn om de kleinste bouwstenen van de materie te kunnen waarnemen. De fantastisch aandoende uitspraak van Lorber is echter inmiddels ten volle be­vestigd. De onvoorstelbaar nietige deeltjes, die triljoenen malen moeten wor­den vergroot om voor het oog zichtbaar te zijn, bestaan wel degelijk. Bij het grote aantal elementaire deeltjes dat hoofdzakelijk vanaf het einde van de ja­ren veertig is ontdekt, zijn er enkele die alles wat tot dusver was gevonden in de schaduw stellen. Bijvoorbeeld het neutrino, dat zo klein is dat het elektron daarmee vergeleken een reus is. Het heeft een straal van 170 kwadriljoenste cm en een enorm indringingsvermogen. Op zijn weg van de zon naar de aarde dringt het zonder meer door deze heen. Zelfs een lichaam van de grootte van de zon zou voor een neutrino geen hindernis betekenen.82 'Zodra wij met de orde van grootte tot op ongeveer 10-6 cm gaan', schrijft D. ter Haar, 'betreden wij een gebied waar ons geen enkele verscherping van de zintuigen (door de elektronenmicroscoop, Egg.) meer kan helpen.'83 Ook het binnenste van het atoom is nooit aanschouwd en zal nooit aanschouwd kunnen worden. 84 Des­ondanks zijn de natuurkundigen Cowan en Reines er met een lastig en geraffi­neerd uitgekiend experiment in geslaagd het neutrino te vinden. 'Enkele na­tuurkundigen beschouwden het slechts als de geest van een deeltje', merkt Asi­mov in zijn geschrift Het neutrino-spokenjacht in de natuurkunde op, maar hij voegt eraan toe dat het toch niet alleen 'een uitwas van wetenschappelijk mys­ticisme is '85.

Lorber bericht dat de 'atomen een bolvormige gedaante hebben, wier opper­vlak volkomen glad is'. Ook deze details heeft de wetenschap inmiddels beves­tigd. 86 Asimov zet uiteen dat 'wij ons ook een foton van het zichtbare licht als een bol kunnen voorstellen '87. Van het pas kortgeleden ontdekte elementaire deeltje nullitron wordt in een artikel in het wetenschappelijke tijdschrift X­Magazin 8/1972 gezegd dat het 'volkomen rond is' en 'een tamelijk glanzend oppervlak heeft'. Het is duidelijk dat met de synonieme uitdrukkingen 'volko­men glad oppervlak' (Lorber) en 'tamelijk glanzend oppervlak' (X-Magazin) dezelfde feiten worden beschreven.

De elementaire deeltjes, zo schrijft Lorber verder, voeden zich met 'de essen­tie van het licht'. (Hi I, blz. 83). Ook op dit gebied zijn er in de atoomfysica aanwijzingen te vinden, waardoor de slotsom van een analogie op zijn minst voor de hand komt te liggen. Er wordt gezegd: 'Een lichtfoton (lichtdeeltje of corpusculum, Egg.) heeft te allen tijde contact met ongeveer een miljard ato­men, die ieder op zich het foton proberen te vangen en te absorberen. '88

Betreffende de levensduur van de elementaire deeltjes levert Lorber verbluf­fend exacte verklaringen, die volkomen met de resultaten van onderzoek door de atoomfysici overeenkomen. 'Hun levensduur', schrijft Lorber, 'bedraagt een triljoenste deel van een seconde' (Hi I, blz. 83). De levensduur van het sigma-deeltje Er wordt door D. ter Haar volledig conform met 10-18 seconden aangegeven, d.w.z. een triljoenste seconde. 89 Het positron heeft eveneens een levensduur van een triljoenste seconde. 90 Na de overgang in de volgende cate­gorie geeft Lorber de levensduur als een duizendbiljoenste seconde aan (Hi I, blz. 83). Dit komt overeen met de levensduur van het neutrale pion, die 10-15 bedraagt, d.w.z. een duizendbiljoenste seconde.91 'De levensduur van deze wezentjes', gaat de Nieuwe Openbaring voort, 'is dan geleidelijk aan gegroeid tot een duizendmiljoenste (= miljardste, Egg.) deel van een seconde.' (Hi I, blz. 83) Ook deze levensduur wordt door D. ter Haar bevestigd. Het xi-deeltje g heeft een levensduur van 10-9 seconden (= een miljardste seconde). 92 Ford schrijft hetzelfde over het lambda-deeltje. 93 Bij verdere veranderingen neemt de levensduur steeds meer toe, van bijvoorbeeld 10-8, 10-6 en 10-3 seconden. 94 Hoe dergelijke veranderingen 'in bijna gelijke gedaante van één categorie in de andere' volgens de verkondigingen van Lorber plaatsvinden, wordt verdui­delijkt door een voorbeeld uit het geschrift van een toonaangevende Ameri­kaanse geleerde op het gebied van de kernfysica en de fysica van de elementai­re deeltjes, Kenneth W. Ford. Nadat het lambda-deeltje in minder dan een miljardste deel van een seconde spontaan in een nucleon en een pion uiteen is gevallen beschrijft Ford het verdere verloop als volgt: 'Het pion valt nu op zijn beurt na iets langere tijd (dan een miljardste seconde, Egg.) in een myon en een neutrino uiteen. Kort daarna is ook het myon verdwenen en zijn op zijn plaats een elektron, een neutrino en een antineutrino ontstaan. Dit alles ge­schiedt binnen een miljoenste seconde. '95

'Normaliter vallen de elementaire deeltjes uiteen en veranderen daarbij in lichtere deeltjes. '96 In de Nieuwe Openbaring wordt analoog hiermee gezegd: 'Het grovere wordt in het steeds lichtere opgelost.' (SGh, blz. 92) 'In de natuur gaat steeds het ene ongemerkt in het andere over, net als een golf in de volgen­de overgaat.'

(Hi I, blz. 241, 9)

Wanneer voorts in de Nieuwe Openbaring wordt gezegd, dat de 'verschillende categorieën van wezens (elementaire deeltjes, Egg.). . . wat hun grootte betreft niet zeer van hun voorgangers onderscheiden' (Hi l, blz. 83, 11), dan komt ook deze verklaring overeen met hetgeen door de moderne wetenschap werd vast­gesteld: 'De elementaire deeltjes zijn allemaal ongeveer even groot.' 'De pro­dukten van het uiteenvallen zijn weer elementaire deeltjes en zo groot als het uitgangsproduct. '97

De resultaten van wetenschappelijk onderzoek in de twintigste eeuw laten zien dat materie in rusttoestand niet bestaat, zoals de wetenschappers in de negentiende eeuw hadden aangenomen. In het subatomaire bereik speelt zich, voor ons niet waarneembaar, een voortdurend bliksemsnel, catastrofe-achtig, geheimzinnig gebeuren van vernietiging en ontstaan af, aan het einde waarvan ten slotte stabiele elementaire deeltjes staan. Uit een nauwelijks te bevatten chaotisch proces ontstaat de materie. Op deze gebeurtenissen, die tot op he­den nog niet eens bij benadering verklaard en ontdekt zijn, is Lorber meer dan honderd jaar geleden op werkelijk spectaculaire wijze met zijn geschrift voor­uitgelopen, dat hij door het innerlijke woord gedicteerd kreeg. In sobere be­woordingen wordt in de Nieuwe Openbaring samenvattend naar deze geheim­zinnige scheppingsgebeurtenissen verwezen, waarvan de negentiende-eeuwse lezers beslist maar zeer weinig konden begrijpen. Zo wordt er gezegd: 'Waar gij met uw ogen weinig of niets waarneemt, daar gebeuren waarlijk grote din­gen, en het is zoals eens een wijze heeft gezegd (hiermee is Shakespeare be­doeld, Egg.): "Tussen de aarde en de zon geschieden dingen waarvan het men­selijke verstand zich geen voorstelling kan maken." (EM, blz. 85)

In het kader van de veelvoudige veranderingen van de elementaire deeltjes blijven er op het laatst, zoals reeds werd gezegd, deeltjes over die een onbe­grensde levensduur hebben. Het feit, dat de in de atoomkern voorkomende protonen en neutronen niet eveneens uiteenvallen, is aan een ontdekte, bui­tengewoon sterke 'uitwisselkracht' te danken, die men ook wel 'wisselwer­king' noemt. Het begrip 'wisselwerking' speelt in de natuurkundige beschou­wingen van de Nieuwe Openbaring een even belangrijke rol als in de huidige kernfysica. Wij zullen daarop nog uitvoeriger terugkomen. Ten tijde van Lor­ber kende men het begrip 'wisselwerking' in verband met de vernietiging en de schepping nog niet. Ook de elementaire deeltjes waren nog volledig onbe­kend. Wat is nu wisselwerking? Ford beantwoordt deze vraag als volgt: 'Alle normale krachten waarbij een voorwerp door een ander voorwerp wordt aan­getrokken zijn wisselwerkingen. Zo komt ook in het uiteenvallen van een in­stabiel elementair deeltje een wisselwerking tot uitdrukking. '98

Het omhulsel en de kern van het atoom worden door de elektromagnetische wisselwerking bijeengehouden. Deze kracht is echter niet sterk genoeg om beide kerndelen, het proton en het neutron, bijeen te houden. Er moet dus nog een andere kracht bestaan, die honderdmaal sterker is dan de elektromag­netische kracht. Prof. Hedeki Yukawa kon in 1935 door middel van bereke­ningen voorspellen, dat er een bepaald elementair deeltje moet bestaan dat vliegensvlug tussen de protonen en neutronen heen en weer vliegt, zodat de protonen en neutronen door dit snelle ritme 'geen tijd' zouden hebben om el­kaar af te stoten. Dit deeltje werd twaalf jaar later inderdaad in de kosmische straling gevonden en pi-meson of ook wel pion genoemd. Het snelt binnen een seconde 5 x 1017 maal (dus bijna een triljoen maal) tussen de protonen en neu­tronen heen en weer. 99 Hoe de wisselwerking echter deze kracht tot stand doet komen kunnen de kernfysici zich nauwelijks voorstellen. 100 Dat is ook niet mogelijk, want de oorzaak van de werking van de aantrekkingskracht is vol­gens Lorbers verkondigingen van metafysische aard. In de Nieuwe Openba­ring wordt hiertoe opgemerkt: 'Mijn wilskracht is de grote band die alle we­reldlichamen aan elkaar bindt en hen alle om en door elkaar draagt, .. .zo is aldus Mijn wil tevens de grondslag van alle dingen.' (EM. blz. 250). Omdat de stof uiteindelijk van geestelijke oorsprong is moeten de wetenschappers, on­danks het feit dat zij diep in de wereld van de atomen en elementaire deeltjes zijn doorgedrongen, toegeven dat zij de stof in zijn eigenlijke wezen nog steeds niet hebben ontdekt. 101

Tot de ontdekking van de atomen en elementaire deeltjes in de twintigste eeuw huldigden de wetenschappers de opvatting dat de stof onbeweeglijk is verstard, zoals ogenschijnlijk ook het geval is. Niemand vermoedde in de ne­gentiende eeuw dat in ieder gesteente, hout of ijzer, onopgemerkt door onze zintuigen, een turbulente beweging heerst. Thans weten wij: 'De protonen in de kern van het atoom moeten als een centrum van constante activiteit worden beschouwd.102 De protonen trillen met een frequentie van ongeveer 1020 per seconde (honderd triljoen maal per seconde, Egg.) .103 'Iedere molecule, zelfs ieder partikeltje... oefent trillingen uit.'104

In de Nieuwe Openbaring wordt hierover het volgende gezegd: 'Ook de schijnbaar vaste materie bevindt zich niet in een rusttoestand, ook daar be­weegt alles, en wel met een snelheid die geen menselijk zintuig vermag te be­vatten' (SGh, blz. 185). 'Waar rust schijnt te heersen, neemt het geestesoog een koortsachtige activiteit waar.'

De 'koortsachtige activiteit' wordt in de wetenschappelijke literatuur tegen­woordig zo beschreven: 'De frequentie van het rode licht bereikt ongeveer 400 biljoen trillingen per seconde. Het gemiddelde trillingsgetal van het zichtbare witte licht bedraagt 600 biljoen trillingen, en violet licht bereikt zelfs meer dan 800 biljoen trillingen per seconde. '105

Op deze constatering van wetenschappelijke zijde dat rood, wit en violet licht door verschillende biljoenvoudige trillingen per seconde ontstaat, loopt de Nieuwe Openbaring eveneens vooruit, en wel als volgt: 'Licht ontstaat door trilling van atomen, de kleuren ontstaan eveneens door biljoenen vibraties van de materie, en afhankelijk van het aantal trillingen kunnen uw ogen deze kleu­ren ontwaren'

(SGh, blz. 159).'

Kan men nu bij objectieve beschouwing van het fenomeen van deze verkondi­gingen aannemen, dat de auteur deze exacte kennis van de getoonde, volko­men uiteenlopende geheimzinnige gebeurtenissen in de subatomaire wereld uit zijn eigen geest heeft geput, in een tijd waarin dit alles nog volledig onbe­kend was?

Weliswaar zijn de prestaties van de wetenschap te bewonderen, maar de ge­leerden zijn thans bij een grensgebied aangekomen waarin zij niet kunnen doordringen. Met de reusachtige deeltjesversnellers, met de synchrotrons, bê­tatrons en cyclotrons, die tot 400 miljard elektronenvolt opwekken is hetgeen achter de materie staat niet te doorgronden. 'Wij hebben niet het geringste vermoeden', zegt Mussard, 'wat de essentie van de golven en trillingen is. De wetenschap leert ons dat zij een energie-equivalent voor niet-geschapen mate­rie omvatten. Zij zijn voor ons even transcendent als de menselijke ziel. '106

Hier geraakt de moderne wetenschap in de onmiddellijke nabijheid van de Nieuwe Openbaring. Op verscheidene plaatsen wordt in het werk op de dwaalweg van de materialistische wetenschap gewezen. Eén van deze passages luidt: 'Datgene wat de geleerden gadeslaan zijn allemaal grove processen in retorten en distilleerapparaten; zij kunnen weliswaar algemene consequenties trekken, doch deze niet begrijpen... De geest willen zij niet vinden.' (LGh, blz. 80 e.v.) 'Zij wensen geen wetgever te erkennen, hoewel zij bij iedere stap zijn sporen aantreffen. Zo zij geen vooroordelen hadden, zouden zij hem voorzeker niet kunnen verloochenen.' (SGh, blz. 35) 'Zo voegen zij de intelli­gentie bij de stoffen en zeggen: zij volgen slechts deze en gene impuls, net zoals zij zelf hun eigen materialistische voorstelling, d.w.z. hun waan, volgen.' (LGh, blz. 81) 'Doch het leven is geestelijk, en om dat in zijn invloedssfeer te beluisteren, heeft men geen microscoop van node.' (Hi I, blz. 94)

 

Lorber beschrijft het tweevoudige karakter van het licht

 

Laten wij nog wat meer uitspraken van de Nieuwe Openbaring met de ontdek­kingen van de natuurkundigen vergelijken en daarbij niet uit het oog verlie­zen, dat deze ontdekkingen vele tientallen jaren na het tijdstip werden ge­daan, waarop Lorber zijn verkondigingen opschreef.

De Engelse natuurkundige Maxwell heeft in 1862 door middel van vergelijkin­gen een theoretische grondslag voor het bestaan van elektromagnetische tril­lingen gelegd. H. Hertz volvoerde in 1882 als eerste een experiment waarmee hij snelle elektromagnetische trillingen opwekte en onderzocht. G. Marconi benutte deze in 1896 voor het overbrengen van mededelingen. Nadat Maxwell had ontdekt dat de elektriciteit en het magnetisme twee verschijningsvormen van één en dezelfde kracht zijn, wees hij er enkele jaren later op dat het licht uit elektromagnetische golven bestaat.

Reeds 35 jaar voordat de elektromagnetische golven werden verklaard ver­meldde Jakob Lorber in het in 1850 ontvangen geschrift Von der Hölle bis zum Himmel, deel 11, blz. 480, dat 'het licht zich met elektromagnetische snelheid voortbeweegt'. In de bijzondere uiteenzetting van de Nieuwe Openbaring over het licht, die later werd opgeschreven, zegt hij: 'Hier hebt gij in kleine contouren het proces dat het licht als werking van elektriciteit en magnetisme doormaakt.' (SGh, blz. 199) 'Licht is een emanatie, voortgebracht door snel, zelfs biljoenvoudig vibreren van de kleinste atomen in één ogenblik.' (SGh, blz. 158)

Sedert 1925 weten wij echter door de opmerking van De Broglie, dat het licht een tweevoudige eigenschap heeft, die varieert in afhankelijkheid van het ex­periment waaraan men het licht onderwerpt. Het heeft zowel een corpusculair (materieel) als golfkarakter. Dat licht ook materie is blijkt eveneens uit de Nieuwe Openbaring. 'Licht is materie', wordt er uitdrukkelijk in Schöpfungs­geheimnisse, blz. 121, geschreven. Dit wordt door de natuurkunde van onze tijd bevestigd: 'Het licht bestaat uit kleine projectielen en heeft massa. Het foton (een lichtquantum of corpusculum) is weliswaar een zeer klein, echter volgens de formule m = h exact berekenbaar materiepartikel.'

Aan de verwantschap in wezen van licht en massa kan in zoverre geen twijfel bestaan als beide een corpusculair karakter vertonen. '107 Wanneer de weten­schap van de verwantschap in wezen tussen licht en materie spreekt, dan dekt dit zich met de verdere uiteenzettingen in de Nieuwe Openbaring, waar het volgende te lezen is: 'De substantie is als het van de zon uitgaande licht, dat voor de materie absoluut niets lijkt te zijn en dat desondanks de grondstof van de materie is, zonder dat zij één en dezelfde is, want al de oerstof is vrij en ongebonden.' (Gr VII 209, 20)

Bernhard Bavink stelt in zijn geschrift Resultaten en problemen van de natuur­wetenschap, dat de moderne natuurkunde uiterst dicht bij de uitspraak van de middeleeuwse mystici komt dat 'de wereld uit bevroren licht bestaat.'108

 

De dwaalweg van de materialistische wetenschap

 

Sommige lezers, die niet vertrouwd zijn met het idee dat de materie bevroren licht is, zullen eventueel wat moeite hebben met deze constatering. Des te moeilijker zal het nog vallen om het getuigenis van de Nieuwe Openbaring te aanvaarden, die erop wijst dat de materie gestolde of bevroren geest is. Maar de onvoorstelbare wijsheid van de Schepper is niet gebonden aan hetgeen de mensen als verstandig beschouwen. Volgens Sir Arthur S. Eddington schijnt iedere ware natuurwet de rationeel denkende mens irrationeel toe. 109 De ver­rassende ervaringen die de wetenschappers van de twintigste eeuw op astrono­misch, atomair en subatomair gebied hebben opgedaan zouden ons aan de uit­spraak van Lichtenberg moeten herinneren: 'Wat iedereen als vanzelfspre­kend beschouwt verdient het meeste te worden onderzocht.'

Ook de Nieuwe Openbaring geeft in overweging: 'Gij kunt het geestelijke niet aanschouwen, omdat gij uzelve nog niet in de geestelijke polariteit bevindt. Daarom behoeft het u niet al te zeer te verbazen wanneer gij in het verloop van deze mededelingen hier en daar uitspraken tegenkomt die u nog niet duidelijk kunnen zijn.' (Hi I, blz. 46). 'Waar uw geleerden natuurwetten vermoeden, juist daar leeft en ontwikkelt zich slechts een geestelijk leven, dat boven al het bevattelijke oneindig veel hoger staat dan waartoe uw geleerden met hun ideeën en begrippen in staat zijn. En omdat het geestelijke zich niet aan hun wil onderwerpt hebben zij besloten het bestaan ervan geheel en al te ontken­nen.' (LGh, blz. 85). De tijd, waarin de Nieuwe Openbaring werd geschreven is tevens ongeveer de periode waarin de materialistische wetenschap ontstond, en het materialisme verbreidde zich als een vloedgolf over de gehele aarde.

Het metafysische element is in de natuurwetenschap taboe; wanneer voor de oplossing van ondoorgrondelijke problemen naar een Schepper wordt verwe­zen, wijst men dit als onwetenschappelijk van de hand. De mooie uitspraak van Goethe: 'De werken der natuur zijn steeds een eerst door God uitgespro­ken woord' wordt in het bereik van de poëzie teruggedrongen. Als het toppunt van wijsheid geldt thans de bewering dat het heelal en het leven door puur toeval zouden zijn ontstaan. Maar, zo zegt prof. Viktor von Weizsäcker, 'waarom zou slechts de onzin, het toeval, in het gelijk worden gesteld, waarom niet ook de zin?'110 Von Weizsäcker onderkent dat de ontgoddelijking van de wereld ook direct de ontgeestelijking van de natuur ten gevolge moest heb­ben. 111 In het Oosten is de mechanistisch-materialistische leer in een starre politieke doctrine verankerd. Research zonder vooringenomenheid is daar nauwelijks denkbaar. Achter alle theorieën staat de ideologie in plaats van het wetenschappelijk belang; zij krijgt prioriteit boven de waarheid.

In de Nieuwe Openbaring wordt in dit verband gezegd: 'Gij zult Mijn naam (in de wetenschappelijke literatuur, Egg.) weinig aantreffen. Zij wroeten slechts in de materie en juist omdat hun zoeken materieel is, vinden zij niets dan op­nieuw materie.' (SGh, blz. 223) Elders wordt voorspeld, dat er door de mate­rialistische wetenschap 'een volledige geloofsleegte bij de mensheid zal ont­staan'. De laatste tientallen jaren is echter onmiskenbaar duidelijk geworden, dat het verloochenen van de Schepper de wetenschap op een dood spoor heeft geleid. Sedert de ontdekking van atomen en elementaire deeltjes begint zich een verandering te voltrekken. De hoop dat de natuurwetenschap alle proble­men zou kunnen oplossen is vervlogen. Volgens de atoomfysicus Leonhard Weigand is 'onze materiële wereld in haar diepste wezen voor ons een groter raadsel dan ooit tevoren' .112 Prof. Heinz Haber wijst erop dat 'de stof van de schepping een metafysisch karakter is verleend en dat derhalve de kennis van de wetenschap begrensd is' .113 'Waar blijft eigenlijk datgene', vraagt Von der Osten-Sacken, 'wat wij materie noemen?' 'De materie vervloeit in mathema­tische begrippen. '114 Barnett huldigt dezelfde mening wanneer hij constateert dat 'de wetenschappers alleen nog maar dieper in het donkere rijk van symbo­len en abstracties worden gedreven'.

De mechanische interpretatie van natuurlijke gebeurtenissen door de materia­listische wetenschap raakte reeds bij het verschijnsel licht aan haar eerste grenzen: het bleek onmogelijk dit in de modelideeën van de mechanica te dwingen. De quantentheorie volvoerde een nog radicalere verwijdering van de aanschouwelijkheid in de zin van de klassieke fysica. Het wetenschappelij­ke dogma van de bestendigheid en continuïteit van de natuurverschijnselen is in het atomaire gebied volledig weerlegd. Alle ontdekkingen die de moderne wetenschap op natuurkundig gebied heeft gedaan wijzen op geheimen buiten de zichtbare wereld. Steeds meer leiden, zoals Barnett zegt, 'alle wegen van theorie en vermoeden naar afgronden die de menselijke geest niet meer ver­mag te overbruggen' 115. De nobelprijswinnaar Heisenberg zegt dan ook: 'Al onze kennis zweeft boven een afgrond van niet-weten.'

Eens zullen de materialistische wetenschappers zich aan een uitspraak van de Griekse filosoof Plato moeten herinneren, die een feilloze intuïtie bezat. Hij zei 2300 jaar geleden: 'De echte wijze streeft meer naar het inzicht van het zijn... hij beperkt zich niet tot de wereld der verschijnselen, wier zijn slechts schijn is.' Het is verheugend dat steeds meer geleerden dichter bij de uitspra­ken van de Nieuwe Openbaring komen te staan. Concreet stelt bijvoorbeeld Jean Mussard zich als volgt op bij de vraag wat materie in werkelijkheid is: 'Het belangrijkste resultaat van dit onderzoek is de constatering dat het onmo­gelijk is een scheidslijn tussen onze denkbeelden van geest en materie te trek­ken. De materiële wereld schijnt ons na alle inspanningen zo vergeestelijkt, zo van alle stoffelijke werkelijkheid ontbloot, dat het begrip van substantie tot niets is vervaagd. Het is in het transcendente opgelost en uiteindelijk blijven er slechts mathematische abstracties over.' 'De natuur geeft ons een vingerwij­zing die aan duidelijkheid niet te wensen overlaat, dat de wereld een geeste­lijke structuur heeft. '116

Paul Chauchard merkt op: 'Ieder schepsel is tegelijkertijd materie en geest; het geestelijke komt niet alleen in het menselijk brein tot uiting maar in de gehele materiële wereld, proportioneel met de hoogte van organisatie, com­plexiteit en orde.'117

R.E. Vestenbrugg verklaart: 'De materie schijnt in principe een toestand te benaderen, die enkel en alleen uitsluitend geest is en dat pleit voor de grote geestelijkheid van de wereldorde.'118 Bernhard Bavink schrijft: 'De stoffelij­ke wereld schijnt ons heden als een wellicht voorbijgaande materialisering van een alleszins geestelijk concept.'119

Richard Feynman van het California Institute of Technology (Nobelprijs 1965) sprak over het universum als een 'hiërarchie, die van de eenvoudigste atomaire structuren via de meest subtiele geestelijke begrippen tot aan het be­sef van God reikt'. 120

De vooraanstaande Engelse astronoom Sir Arthur Eddington, die veel voor de research op het gebied van de astrofysica heeft gedaan, verklaart: 'De onomwonden bekentenis dat de fysica zich met een wereld van schaduwen be­zighoudt is één van de meest frappante vorderingen van de moderne tijd.'121 Eddington huldigde de opvatting: 'De stof van de wereld is de stof van de geest. '122

De astronoom en natuurkundige Sir James Jeans stelt vast: 'Tegenwoordig is men het er algemeen over eens en in het natuurkundige gebied van de weten­schap vrijwel volledig over eens, dat de stroom van kennis naar een niet-me­chanische werkelijkheid toeloopt; het heelal lijkt zo langzamerhand meer op een grote gedachte dan op een grote machine.'123

V.A. Firsoff schreef in 1967: 'Het is hoogst onlogisch te stellen dat er alleen materie bestaat en geen geest; dit is ver verwijderd van de inzichten die de moderne natuurkunde heeft opgedaan en die aantonen dat materie in de tradi­tionele betekenis van het woord niet bestaat. '124

Door de kennis die de natuurkundigen in het subatomaire gebied hebben op­gedaan is de mechanistische wereldbeschouwing een anachronisme geworden. Bepaalde elementaire deeltjes, zoals bijvoorbeeld het neutrino, waarbij men fysische eigenschappen welhaast vergeefs zal zoeken, hebben iets spookach­tigs. (Het neutrino heeft bijvoorbeeld geen massa en geen elektrische lading, het wordt ook niet door de zwaartekracht aangetrokken en 'wordt niet door de elektrische en magnetische velden van andere deeltjes aangetrokken of afge­stoten, waaraan het voorbijvliegt'.) De wetenschappers vinden sommige deel­tjes zo eigenaardig en spookachtig dat zij hen de term strangeness, 'vreemd­heid' hebben toegekend. Deze deeltjes zouden evenals de theoretisch voor­spelde 'quarks' de verbindende schakel tussen geest en materie kunnen vor­men. De natuurkundige V.A. Firsoff schrijft hierover: 'De geest is een univer­sele wezenheid of wisselwerking van dezelfde soort als elektriciteit of zwaarte­kracht, en er moet vrijwel analoog met Einsteins beroemde formule E = mc2 een transformatiemodule bestaan, waarmee de 'geestesstof' met andere een­heden van de natuurkundige wereld gelijkgesteld kan worden.'125

Arthur Koestier bericht dat Firsoff vermoedde dat er 'elementaire deeltjes van de "geestesstof" kunnen bestaan die neutrino-achtige eigenschappen kunnen hebben; hij stelde voor deze "mindons" te noemen. '126

Arthur Eddington huldigde de opvatting van een 'ordelijk gedrag van de af­zonderlijke materiedeeltjes, dat optreedt wanneer materie met geest is ge­lieerd.' 'Het gedrag van deze materie', zegt hij verder, 'zou in scherpe tegen­stelling tot het niet-ordelijke of toevallige gedrag van de deeltjes staan, dat in de fysica voorop wordt gesteld. '127

De nobelprijswinnaar Wolfgang Pauli schrijft: 'Sedert de ontdekking van het werkingsquantum was de natuurkunde geleidelijk aan gedwongen, haar trotse pretentie dat zij de gehele wereld wilde begrijpen, te laten varen. Juist deze omstandigheid zou echter als correctie van de vroegere eenzijdigheid de kiem van een vooruitgang in zich kunnen dragen, die tot een uniform totaal wereld­beeld kan leiden, waarvan de natuurwetenschappen slechts een onderdeel zijn.'128

En de fysica-nobelprijswinnaar Percy W. Bridgman constateert: 'Wij bevin­den ons op de drempel naar een nieuwe periode van menselijk denken.'129 Eén van de belangrijkste natuurkundigen van de moderne tijd, de schepper van het werkingsquantum van Planck, de nobelprijswinnaar Max Planck, uitte zich in een lezing, die hij in Florence hield, als volgt: 'Als natuurkundige, dus als man die zijn hele leven lang de nuchterste wetenschap, namelijk het door­gronden van de materie heeft gediend, zal beslist niemand mij ervan verden­ken een dweper te zijn. En dus zeg ik u na mijn research aangaande het atoom: Er bestaat geen materie op zichzelf! Alle materie ontstaat en bestaat slechts door een kracht, die de atoomdeeltjes tot trillen brengt en ze in het nietigste zonnesysteem van het atoom bijeenhoudt. Aangezien er echter in het gehele heelal geen intelligente kracht en evenmin een eeuwige kracht op zichzelf be­staat, moeten wij achter deze kracht een bewuste intelligente geest vermoe­den. Deze geest is de oergrond van alle materie.' 'Aangezien geest op zichzelf niet kan bestaan, maar iedere geest bij een wezen behoort, moeten wij beslist aannemen dat er geestwezen bestaat.' 'Het atoom opent de mensheid de deur naar de verloren en vergeten wereld van de geest. '130

Deze veelbetekenende uitspraak van de beroemde geleerde komt volledig overeen met de verkondiging, die meer dan honderd jaar geleden in de Nieu­we Openbaring tot uiting is gekomen. Daar is te lezen: 'Kracht als zelfstandig iets, zoals de geleerde materialisten haar wensen, bestaat in het geheel niet. De geest is opwekker van de kracht en houdt de stof bijeen; zodoende is hij de voornaamste factor van het gehele leven. Zonder geest bestaat er geen leven, zonder leven geen stof.'

(LGh, blz. 78) 'Achter deze materiële wereld staat de nog grotere geestenwereld.' (SGh, blz. 171) 'Alle wezenachtige realiteit is eigenlijk alleen in het zuiver geestelijke te zoeken en te vinden.' (Gr VII 75,1) In overeenstemming daarmee verklaart de wetenschapper Carl Friedrich von Weizsäcker, dat de 'substantie het eigenlijke van het werkelijke dat ons we­dervaart, de geest is. '131

Met het oog op de ontwikkeling in de natuurwetenschappen trekt Arthur Koestler de conclusie: 'Wij hebben een heel legertje van fysica-nobelprijswin­naars ondervraagd, die ons hebben verkondigd dat de materie, de causaliteit en het determinisme dood zijn. Als dat waar is zullen wij ze met een elektro­nisch requiem waardig ten grave dragen. Het wordt tijd dat wij uit de na me­chanistische natuurwetenschap van de twintigste eeuw iets leren en het dwang­buis afrukken, dat het materialisme van de vorige eeuw ons filosofische we­reldbeeld heeft opgedrongen.'132

Het is waarlijk tijd, dat het materialisme wordt overwonnen. De gevolgen die uit deze wereldbeschouwing zijn voortgekomen worden in het laatste hoofd­stuk over de ophanden zijnde catastrofes uiteengezet. Toonaangevende we­tenschappers, zoals bijvoorbeeld de nobelprijswinnaar Werner Heisenberg, hebben het verband tussen oorzaak en uitwerking van de symptomen des tijds, die steeds verontrustender worden, reeds lang duidelijk onderkend. Heisen­berg schrijft in dit verband: 'De godsdienst is de basis van de ethica, en de ethica is de voorwaarde voor het leven.' 'Waar ideale voorbeelden niet langer de juiste weg aangeven, gaat met de maatstaf voor waarden ook de zin van ons doen en lijden teloor, zodat ten slotte slechts negatie en wanhoop overblijven.' 'Deze ideale voorbeelden komen niet uit het aanschouwen van de direct zicht­bare wereld voort, doch uit het gebied van de daarachter liggende structuren, dat Plato het rijk der ideeën noemde en waarover in de Bijbel de zin 'God is geest' te lezen staat. '133

Er zal een tijd komen dat men beseft dat het materialisme een dwaalweg is. De verkondigingen van de Nieuwe Openbaring laten er geen twijfel over bestaan, dat de resultaten van wetenschappelijk onderzoek steeds dichter bij Lorbers uitspraken zullen komen. 'Met de gereinigde wetenschap', wordt er voor­speld, 'zal Mijn levensleer goed overeenkomen en de mensen een vol levens­licht schenken.'

(Gr IX 90, 11)

Wij moeten Lincoln Barnett gelijk geven, wanneer hij constateert dat de we­tenschappers zich ervan bewust zijn, dat de na hen komende generaties ertoe in staat zouden kunnen zijn hun zienswijzen evenzo omver te werpen als zij zelf de opvattingen van hun voorgangers hebben achterhaald. 134

 

De uitspraken van de Nieuwe Openbaring over de voormens

 

Lorber liep niet alleen op verbazingwekkende wijze vooruit op de ontdekkin­gen van de astronomen en de atoomfysici, maar ten dele ook op de resultaten van onderzoek in andere takken van wetenschap, die in het midden van de vorige eeuw nog niet eens bestonden. Bedoeld is de paleontologie, d.i. de we­tenschap van de versteende dieren - en plantenresten, en de antropologie, d.i. de leer van de mens, zijn afstamming enz.

In 1856 werd in het Neanderdal bij Düsseldorf een merkwaardig gevormde schedel gevonden. Deze was groter dan de schedels van de mensen die thans leven. Het voorhoofd liep tamelijk schuin naar achteren en boven de ogen be­vonden zich sterke botverdikkingen, zoals bij de thans levende grote apen. De meest vooraanstaande Duitse antropoloog, prof. Virchow, Berlijn, wees in 1872 de stelling dat dit de schedel van een voormens zou zijn, als belachelijk van de hand. Naar zijn mening waren Artritis deformans en Rachitis de oor­zaak van de vreemde schedelvorm. Tientallen jaren lang bezat niemand de moed om de vondst anders te verklaren. Daar kwam pas langzaam verande­ring in toen in 1886 in België en in 1887 in Frankrijk en Spanje eveneens zulke schedels samen met stenen werktuigen werden gevonden, die het bepalen van de ouderdom mogelijk maakten. Nu bestond er geen twijfel meer dat men met een voormens te maken had, die 40000 à 60000 jaar geleden in Europa had geleefd. In 1907 werden bij Heidelberg en later in Azië en Afrika steeds meer menselijke fossielen gevonden, welks ouderdom op enkele honderdduizenden jaren moest worden geschat. Nu heeft men de grens van een miljoen jaar al­lang overschreden, doch ondanks het grote aantal vondsten heeft men de ge­beurtenissen niet kunnen ophelderen. In de loop der tijden werden er verschil­lende theorieën naar voren gebracht, en af en toe werden er ook pogingen in het werk gesteld een theorie met geraffineerde vervalsingen te steunen. De lang gezochte missing link, de ontbrekende schakel, werd ondanks rijke vond­sten in de loop van honderd jaar niet gevonden.

Het behoort niet tot onze taak ons met de verschillende theorieën bezig te houden, doch wij willen aantonen dat de Nieuwe Openbaring ook op dit we­tenschappelijke gebied op de kennis van de belangrijkste feiten is vooruitgelo­pen, die later uit resultaten van onderzoekingen bleken. Niemand zou in het midden van de vorige eeuw op het idee zijn gekomen, dat er sinds miljoenen jaren voormensen of vroege mensen op de aarde leefden, die rechtop liepen, maar nimmer boven een bepaald, primitief ontwikkelingsniveau uitkwamen, tot dan plotseling ongeveer 6000 jaar geleden een volledig nieuwe mens op het toneel verscheen, die geesteskracht bezat en in verrassend tempo culturen schiep, staten oprichtte, piramides bouwde, het schrift uitvond en recht en wetten in het leven riep. Terwijl zich miljoenen jaren tevoren nauwelijks noe­menswaardige veranderingen hadden voorgedaan, werden nu in zeer korte tijd enorme vorderingen gemaakt. Plotseling straalde een tot op dat moment volledig onbekende kracht van de mens. 'Pas de adamitische mens' , benadrukt de Nieuwe Openbaring, 'bezit een geestelijk gevoel, de realisatie van een macht die de ziel opwekt om haar Schepper te beseffen en te zoeken.' 'En dat is de goddelijke vonk, die als geest in de ziel wordt gelegd.' (Gr XI 10,6) 'Zon­der God is geen daad mogelijk.' (Ha I 116, 8) 'De werkende kracht kan een wereldmens echter niet zien.' (Gr X 173, 9)

In de Nieuwe Openbaring worden de voormensen of vroege mensen 'voorada­mieten' genoemd. Over hun uiterlijk en hun kunnen worden zeer leerrijke dingen gezegd.

Allereerst wordt echter duidelijk gemaakt dat de schepping, die door Mozes in het Boek Genesis met zes dagen wordt aangegeven, niet letterlijk moet wor­den opgevat, zoals de kerken nog vrij kortgeleden dogmatisch deden. In Gr VIII 72 worden de zes perioden van het ontstaan van de aarde en de tijdsduur van de afzonderlijke perioden als 'zeer vele miljoenen jaren' aangegeven. In de derde periode wordt op omschrijvende wijze op het bestaan van saurussen gewezen: 'De vegetatie wordt nog vele malen gevarieerder en reusachtiger; dit geldt zowel voor de dieren als voor de plantengroei.' Tegen het einde van de vierde periode 'werd weer alles op de aarde omvergeworpen en grotendeels alles begraven wat gij destijds een schepsel zoudt hebben genoemd. Gij vindt uit deze periode allerlei onder de aardbodem, dat echter reeds in belangrijke mate van de produkten van de drie eerste perioden afwijkt'.

Na het begin van de 'vijfde periode duurde het wel meer dan duizend maal duizend jaar tot alle goedgelegen aardbodem weer volledig voor een nieuwe schepping van een groot aantal der meest uiteenlopende planten - zoals gras­soorten, kruiden, struiken en bomen - alsmede voor allerlei dieren en de voor­adamitische mensen geschikt was'.

Deze beschrijving van de 'nieuwe schepping van dieren en planten' is van zeer groot belang. Het abrupte verdwijnen alsook het na zeer lange tijd plotselinge verschijnen van nieuwe diersoorten en gewassen wordt thans door de weten­schap bevestigd. 135 Het feit dat een volledige onderbreking heeft plaatsgevon­den, is niet met een aanhoudend evolutieproces te verenigen, d.w.z. het is niet denkbaar dat dieren en planten door mutaties zonder een scheppingsdaad van God zijn ontstaan. Deze stelling van de materialistische wetenschappers leert, dat alle nieuwe vormen uit zichzelf zijn ontstaan. Dit autonomisme of de auto­genese heeft door de grote tijdsonderbreking, door de diepe kloof die ertussen ligt, geen basis meer. Het nieuwe kan niet met de structuren van het vooraf­gaande worden verklaard. Weliswaar bestaat er - zoals de Nieuwe Openba­ring duidelijk naar voren brengt - in de ontwikkeling een trapsgewijze vor­ming na elkaar, doch geen traploze evolutie zonder hiaten. 'Een blinde kracht', wordt er in de Nieuwe Openbaring opgemerkt, 'heeft nimmer ook maar een moerasplant je voortgebracht.' (Gr VI 87,7) 'Al het leven is van dien aard dat het door Mijn voortdurende invloed zonder ophouden kan verande­ren en groeien.'

Ten aanzien van de vijfde aardeperiode wordt dan verder gezegd: 'In het begin van deze periode wordt de aarde in een geordende baan rond de zon gebracht. Dag en nacht wisselen elkaar nu al regelmatig af. Desalniettemin geschiedt er nog menige verandering, omdat de schommelingen van de aardpolen nog steeds aanzienlijk zijn.'

Bij de uiteenzetting over de vijfde aardeperiode is er nu voor de eerste maal sprake van de voormens. In het Gr VIII 72 wordt hiertoe onder meer het vol­gende medegedeeld: 'Van akkerbouw is bij deze voormensen weliswaar nog geen sprake, doch zij benutten reeds bepaalde dierenkudden, leiden een ruw nomadenleven, hebben geen kleding en bouwen evenmin huizen en hutten. Doch op dikke boomtakken bouwen zij woon - en rustnesten en leggen levens­middelenvoorraden aan, die zij geleidelijk aan verbruiken. Wanneer het be­gint te vriezen... trekken zij naar warmere streken.' 'Een taal zoals zij thans bij de mensen gebruikelijk is, hebben zij niet; maar zij hebben beter gearticu­leerde geluiden, tekenen en gebaren dan zelfs de meest ontwikkelde dieren en kunnen hun behoeften aan elkaar duidelijk maken.' 'Hoewel deze vijfde voor­ontwikkelingsperiode zeer vele duizenden maal duizend jaar (= miljoenen ja­ren) duurde, was bij deze mensen toch nog geen cultuurontwikkeling, van wel­ke aard ook, te bespeuren, doch zij leidden verder hun eenvoudige nomaden­bestaan.'

'De kleur van hun nog vrij sterk behaarde huid hield het midden tussen don­ker - en lichtgrijs, slechts in het Zuiden waren ook onbehaarde stammen aan te treffen. Zij plantten zich in het laagland tot Adam voort.' 'Ten tijde van Adam, met wie de zesde aardeperiode een aanvang neemt, werd een gedeelte van de aarde weer door enorme vuur - en watermassa's geteisterd, en daarbij ging het reeds beschreven geslacht der vooradamieten met zijn huisdieren wel­haast volledig onder.'

Lorber spreekt over het bestaan van voor - of oermensen gedurende 'zeer vele miljoenen jaren'. Tot voor enkele jaren lieten de wetenschappers het voorko­men van oermensen pas in het quartair beginnen, zodat de voormensen in een tijdsbestek van ongeveer één miljoen jaar geleefd zouden hebben. Pas door de resultaten van wetenschappelijk onderzoek door de bekende antropoloog dr. Louis Leakey werd in 1966 duidelijk, dat dit uitgangspunt onjuist was en dat de voormensen in feite reeds in het tertiair leefden. De fossielen die dr. Leakey heeft gevonden zijn vele miljoenen jaren oud. Enkele vroege vondsten van menselijke beenderen zijn tot twintig miljoen jaar oud (Frankfurter Allgemei­ne Zeitung dd. 3 oktober 1972). Aldus zijn Lorbers verkondigingen ook in dit opzicht onlangs volledig bevestigd.

Behalve de algemene uiteenzettingen over de voormensen vermeldt Lorber ook details die in de wetenschappelijke literatuur eveneens als correct worden bevestigd. Zo wordt er bijvoorbeeld over een bepaald soort voormensen ge­zegd: 'Als mens waren zij enorm groot en sterk, en zij hadden zulk een sterk gebit, dat zij het als snijwerktuig konden gebruiken.' (Gr VIII 72, 17)

Glowatzki weet dienaangaande te berichten, dat men de Duitse paleontoloog Von Koenigswald in 1925 in China tanden liet zien die 'qua vorm op menselij­ke tanden geleken'. 'De gevonden tanden waren zo groot dat, wanneer men aan de hand van hun grootte gevolgtrekkingen betreffend de kaak en daardoor de gehele Gigantopithecus wilde maken, deze ongeveer drie meter vijftig lang moest zijn geweest.'136 Evenzo duiden de vondsten die in 1939 en 1941 in Oost-Java werden gedaan erop dat daar 'voormensen hebben geleefd, die ech­te reuzen waren '137. Van de vele vondsten die dr. Leakey heeft gedaan is de beroemdste de zogenaamde 'notekrakermens' uit 1959, die men wegens de ongewoon sterke tanden van deze schedel zo noemde (R.N.z. dd. 3 oktober 1972).

In het door Lorber in 1864 vervaardigde geschrift Haushaltung Gottes, deel 111, blz. 453, wordt over een ander detail het volgende bericht: 'Wat de voora­damitische, zogeheten diermensen, betreft, van hen zijn zeker hier en daar nog versteende resten te vinden. Van alle diersoorten hadden zij de grootste instinctieve intelligentie en zij bouwden her en der hun uiterst eentonige wo­ningen. Ook legden zij op minder brede plaatsen van beken en rivieren stenen neer en bouwden aldus een soort bruggen over zulke plaatsen. . . Niet zelden gingen zij met dit werk zo lang door, tot er in grof terrasvormige richting dik­wijls tien of meer zulke bruggen ontstonden... Deze mensen hebben dus de muren gebouwd waarvan men thans nog sporen vindt en waarvan men aan­neemt dat zij zeer oud zijn.'

Hoe onwaarschijnlijk het ook moge klinken, zulke muren heeft men gevon­den! Een van de bekendste Duitse antropologen, prof. Gerhard Heberer, be­richt daarover in een verzamelwerk aangaande de menselijke afstamming van de Australopethicinen, dat het A-type van deze pygmeeënachtig kleine we­zens 'kleine muurtjes konden bouwen', die zij, naar hij vermoedt, als bescher­ming tegen de wind gebruikten. 138

Het is niet verwonderlijk dat Lorbers vrienden in heel Oostenrijk geen uitge­ver bereid vonden om zijn geschriften te drukken! Vanuit het toenmalige standpunt bezien moest men de verkondigingen van de ware profeet wel als fantasmagorieën beschouwen. Wanneer Lorbers werk destijds in brede kring bekend was geworden, had het ongetwijfeld vernietigende kritieken gekre­gen. Uit het perspectief van onze tijd, nu wij vluchten naar de maan al niet meer zo bijzonder vinden en aan de geweldige dimensies van het heelal ge­wend zijn geraakt, lijken ook de bovengenoemde uitspraken van Lorber vol­komen vanzelfsprekend, sinds van wetenschappelijke zijde reeds alle scholie­ren in hogere onderwijsinstellingen in deze materie zijn ingewijd. Meer dan honderd jaar na Lorbers dood kunnen wij, in tegenstelling met zijn tijdgeno­ten en de volgende generatie, de waarheid van zijn uitspraken inzien.

 

Lorber voorspelt technische verworvenheden

 

Wanneer iemand met kennis van zaken het omvangrijke werk van de Nieuwe Openbaring doorleest vallen hem steeds weer speciale verkondigingen op, die door de moderne wetenschap en techniek in onze eeuw werden bevestigd.

In de Lorber-boekenserie Das Weltbild des Geistes V, blz. 32, is onder meer de volgende passage te lezen: 'Wanneer gij het willige water onder hoge druk zet zal het resultaat een ijsklomp zijn.' In 1966 werd volgens een artikel in de Stutt­garter Zeitung Nr. 187/1966 voor de eerste keer een dergelijk experiment uit­gevoerd, waarbij de meest moderne natuurkundige apparatuur werd gebruikt om de noodzakelijke hoge druk te bereiken. Bij een temperatuur van +400 °C slaagde men erin onder een druk van 200000 atmosfeer ijs te maken.

Lorber heeft ook de radiotelegrafie en het vliegen over de oceanen voorspeld, zij het in de wijze van uitdrukken die de profetie steeds gebruikt. 'Ik zeg u dat mensen zullen spreken als met een tong van bliksem van het ene einde der wereld naar het andere, en zij zullen in de lucht rondvliegen gelijk vogels, ver over zeeën en landen.' (Gr V 46,1) Ten aanzien van de uitvinding van de ra­diotelegrafie moet worden gezegd dat Maxwell in 1867 - dus drie jaar na de dood van Lorber - het bestaan van elektromagnetische golven voorspelde. Hertz vindt deze in 1887. In 1896 gebruikt Marconi ze in de praktijk en in 1903 telegrafeert hij ermee over de Atlantische Oceaan.

Nog in de eerste tientallen jaren van onze eeuw moesten Jakob Lorbers uit­spraken over het heelal, de atomen, de voormensen en de technische uitvin­dingen volledig ongeloofwaardig schijnen. Dit is inmiddels totaal veranderd. Doch lange tijd gold de uitspraak die in de Nieuwe Openbaring te vinden is, en wel: 'De wereld zal hen (de schrijvers van de Nieuwe Openbaring) voor waan­zinnige dwepers uitmaken, zoals dat reeds bij de profeten is geschied.'

Wanneer men het werk van de Nieuwe Openbaring een grondthema zou wil­len geven is een uitspraak van Heraclitus (500 v. Chr.) misschien passend: 'Omdat de waarheid zo ongeloofwaardig is blijft zij onbekend.' Thans is er geen twijfel meer mogelijk: de Nieuwe Openbaring is een geweldige door­braak van het bovennatuurlijke in het natuurlijke, een goddelijke openbaring aan de mensen van de 20e en 21e eeuw. Hetgeen voorheen is gezegd kan ech­ter niet alleen voor de natuurkundige uiteenzettingen en uitspraken van de Nieuwe Openbaring gelden, maar ook voor het resterende gedeelte van het werk dat het eigenlijke doel van de Openbaring vormt. De Nieuwe Openba­ring is in de eerste plaats een heilsboodschap aan de tegenwoordige mensheid, die ver van God, ongelovig en in materiële geneugten leeft. Op dit gedeelte van het werk zal nog nader worden ingegaan. De voorspellingen over de na­tuurwetenschappelijke feiten hebben ongetwijfeld ten doel om de kritisch en sceptisch ingestelde mens van onze tijd ervan te overtuigen, dat ook dat ge­deelte van de Nieuwe Openbaring wat op de heilsgeschiedenis betrekking heeft als goddelijke ingeving moet worden beschouwd.

 

 

DEEL II

 

De Nieuwe Openbaring verklaart het evangelie en vult dit aan

 

De Nieuwe Openbaring beperkt zich niet tot de aankondiging van de catastro­fes die de mensheid weldra zullen teisteren, doch zij is in de eerste plaats een heilsboodschap. Tijdens zijn leven kon Jezus het volk destijds maar betrekke­lijk weinig over de geheimen van de schepping enz. zeggen. Zijn apostelen daarentegen werd een diepe inblik vergund, die zij echter vaak slechts met moeite konden begrijpen. Veel werd hun dan ook in bedekte vorm gezegd. Bovendien had Jezus hun de arcaandiscipline opgelegd, d.w.z. zij mochten bepaalde kennis alleen onder het zegel der geheimhouding aan hun opvolgers doorgeven. In de eerste eeuwen was dit in de leidende kringen van de kerk ook nog gebruikelijk, wat uit geschriften uit die tijd duidelijk blijkt. De grote bij­beige leerde Origenes (250 n.Chr.) schrijft dat er een geheime leer, de hogere 'discipline arcani' bestaat. Slechts de priesters en leraren werden de diepste geheimen toevertrouwd.

(Hom. V. 1 in Num. p. 39 f 22-39)

Uit de Nieuwe Openbaring kan worden opgemaakt, dat Jezus zijn apostelen ettelijke malen aanwijzingen heeft gegeven om bepaalde leringen geheim te houden. Daar staat geschreven: 'Het buitengewone behoeft gij niet aan alle mensen te verkondigen maar slechts diegenen die u in het ambt zullen opvol­gen.'

(Gr VIII 77, 17)

'Ik zeg u allen dat gij voorshands de volkeren niet al datgene dient te leren wat Ik u thans heb gezegd.' (Gr V 117,7) 'Johannes en Mattheüs vroegen Mij of zij dit alles dienden op te schrijven. Ik zeide hun: "Dat kunt gij voor uzelve doen, doch voor het volk behoeft gij dit niet te doen, want dat is nog 2000 jaar te jong om het te kunnen bevatten".' (Gr 11 218, 14)

'Ik zal echter in de verre toekomst dienaren opwekken en zal hun door de Geest in hun harte dit alles tot neerschrijven dicteren, wat nu sedert de tijd geschied en geleerd is waarin Ik het leerambt op Mij nam en u tot mijn eerste apostelen maakte, en ook datgene wat zal nakomen en nog vele zaken meer.' (Gr VIII 79, 3-4)

'Wanneer de juiste tijd is gekomen zal er ook veel geschreven worden.'

(Gr VIII 79, 8)

'In gene tijden zal Mijn lering de mensen niet in bedekte vorm doch geheel en al volgens de hemelse en geestelijke bedoeling onthuld worden gegeven, en daaruit zal het Nieuwe Jeruzalem bestaan, dat uit de hemelen op de aarde zal nederdalen. In zijn licht zal de mensen pas duidelijk worden hoe zeer hun voorgangers door de valse profeten, gelijk de Joden door de Farizeeërs, zijn misleid en bedrogen.'

(Gr IX 90, 2)

Op de vraag van de apostelen waarom zij de leer niet reeds (volledig) onthuld konden vernemen kregen zij van Jezus ten antwoord: 'Ik zou u nog vele dingen te zeggen en te onthullen hebben, maar gij allen kunt dat nog niet verdragen.'

(Gr IX 90, 6)

Voorts werd hun gezegd dat zij de lering destijds 'gelijk aan kinderen' moesten verkondigen en dat zij 'nog in het geheel niet konden bevroeden tot welke omvattende wetenschappen en (technische) kunsten de mensheid het eens zou brengen' (Gr IX 90, 8).

De gedeeltelijke versluiering van de inhoud van het evangelie, die tot de vele verkeerde interpretaties heeft geleid, werd door de Heer gedoogd. Op een vraag van de evangelist Johannes (die Zijn apostel was, Egg.) antwoordde Je­zus het volgende: 'Het is beter dat de zaak (het evangelie betreffend, Egg.) de wereld in volkomen versluierde vorm worde gegeven; zij kan dan slechts met het omhulsel strijden terwijl de levenskern daarbinnen ongedeerd blijft.' 'Wanneer het eens van node zal zijn, zal Ik opnieuw mensen bekeren en hun alles verkondigen wat hier is geschied en wat de wereld te verbeiden heeft, ter wille van haar onverbeterlijke slechtheid.' (Gr I 216, 13-14)

Christus had de mensheid vóór Zijn hemelvaart een trooster toegezegd. In de Nieuwe Openbaring is deze 'trooster' door de Heer voor de huidige mensheid als volgt verklaard: 'Wat Ik mijn discipelen als de "trooster" beloofde, die Ik hun zou zenden, was reeds besloten in deze woorden, die mijn lievelingsapos­tel Johannes heeft opgetekend. Mijn apostelen begrepen ze niet; doch gij, die thans toch reeds tamelijk geschoold en voorbereid zijt om Mijn lering te be­grijpen en te bevatten, zoals Ik haar begrepen en uitgevoerd wens te zien, gij kunt in deze nagelaten woorden (van de Nieuwe Openbaring, Egg.) de troos­ter vinden die u kan verlichten, verheffen en tegen al wat komt sterk kan ma­ken, zoals ook eens Mijn geest de apostelen de kracht gaf om hun toekomstig lot met de zielskracht te verdragen die voor hun zending van node was.' (Pr 157)

Aan de raadsheer Nicodemus heeft Jezus voorspeld dat er in de tijd na Zijn verblijf op aarde tot aan de tijd waarop de trooster in de vorm van de 'ware grote lering van licht en leven' zal komen, 'weinig licht onder de mensen op aarde zal zijn'

(Gr VII 54, 5-6).

Zij (de mensen) moeten leren denken, dan zoeken en zelf vinden.' 'De wereld­mensen scheppen behagen in zichzelf in de wereld, en derhalve moet (voor hen) een goddelijke leer er volkomen werelds uitzien om bij hen in goede aar­de te vallen.' 'En zo zullen wij de mensen van deze aarde (ten tijde van Jezus, Egg.) de volle waarheid nog lange tijd niet kunnen openbaren.' (Gr VI 204, 2­4)

Jezus voorspelde temidden van zijn apostelen dat Zijn lering in de loop der tijden door veranderingen van het evangelie en door onjuiste interpretaties zou worden verduisterd. 'Dat Mijn lering bij alle volkeren in latere tijden niet zo zuiver zal blijven als zij nu uit Mijn mond tot u is gekomen, kunt gij nu reeds als volkomen zeker aannemen.' (Gr V 120, 6) 'Maar de innerlijke Geest zal nochtans blijven bestaan.' (Gr V 120, 6)

'Vooral de gemeentehoofden', wordt er elders gezegd, waar Jezus in de Nieu­we Openbaring over de mensen van onze tijd spreekt, 'begonnen Mijn leer, wier opbrengst hun in haar zuivere vorm als hemelse waarheid te gering scheen, te verdraaien en met de oude onzin te vermengen.' (Gr X 25, 4)

'Zij hebben voor Mijn oerlicht uit de hemelen een graf gegraven om het daarin voor de mensen te verbergen en hen tot hun eigen wereldlijk voordeel in de duisternis te houden.' 'Het is gemakkelijk te begrijpen, dat iets dergelijks (het evangelie van alle onjuiste bijkomendheden te ontdoen, Egg.) niet in één ogenblik kan geschieden, evenmin als de nacht geheel plotseling plaats kan maken voor het volle daglicht, doch alles moet in de wereld zijn tijd hebben.' (Gr X 25, 8 en 10).

Om die reden zullen er 'in zeer late tijd kort vóór een groot oordeel zieners worden gewekt en toegelaten die de korte en zware taak hebben de zeer onrein geworden leer te reinigen' (Gr VI 176, 10).

'De arbeiders in Mijn wijngaard zullen niet door grote wonderdaden, doch alleen door het zuivere woord en de schrift werken, zonder dat zij een andere opvallende openbaring krijgen dan slechts het levende woord in hun binnen­ste, in hun gevoel en in de gedachten huns harten.' (Gr VI 176, 10)

'Wanneer duizend en nogmaals welhaast duizend jaar van nu af aan (vanaf Je­zus' lering op aarde, Egg.) zijn verstreken en Mijn lering volkomen onder de vuilste materie is begraven zal Ik weer mannen bekeren die datgene wat hier (bij de apostelen, Egg.) is besproken en geschied, volkomen woordgetrouw opschrijven en in een groot boek (de Nieuwe Openbaring omvat 25 delen, Egg.) aan de wereld openbaren, wier ogen daardoor op vele gebieden weer worden geopend.'

(Gr IV 112, 4)

'Dat echter Mijn leringen door de eigenlijke wereld, die niet zal sterven (d.w.z. steeds dezelfde zal blijven, Egg.) te allen tijde zal worden betwist, dat weet Ik reeds een eeuwigheid van tevoren.' (Gr 11 172, 8)

In dit verband wijst de Heer op het evangelie van de zaaier en zegt: 'Voor allen die naar levenswater dorsten zijn zij (de verkondigingen, Egg.) bestemd.' 'Om dezen de evangeliën, die met meer dan zeven zegelen zijn gesloten, te openen en door deze boeken de weg naar Mij en Mijn hemelen te banen zend ik u deze verklaringen.'

(Pr 229)

'Slechts voor Mijn ware kinderen van deze aarde is deze leer bestemd. . .'

(Ri I blz. 390) 'Echter, laat af van de echte kinderen van de wereld en roept hen niet.' (Gr VI 151, 3. 11)

'Want zodanig zijn de zinnen der mensen dwalende dat hun het grootste won­der van het door een bekeerde ziener en knecht des woords gegeven levende woord zo weinig deert als een willekeurig ander alledaags verschijnsel op de wereld.'

(Hi II blz. 106)

De meeste wandelaars des levens verkiezen in het dal van hun dierlijke wezen te blijven in plaats van eens de moeite te doen om een berg te beklimmen om aldaar ten minste het uitzicht op een ware mens te genieten.' (Hi II blz. 361)

 

De kerken en de Nieuwe Openbaring

 

Zowel de protestantse als de katholieke kerk staan afwijzend tegenover open­baringen die een nieuwe respectievelijk aanvullende heilsboodschap verkon­digen. De protestantse kerk wijst zelfs iedere openbaring volkomen af. Vol­gens Luthers uitspraak 'Sola scriptura' ('alleen de Heilige Schrift') leert zij dat de heilsopenbaring met het Nieuwe Testament is afgesloten. De katholieke kerk geeft onder verwijzing naar Lc 17, 21; Joh 6, 45; 14, 15-21; 16, 12-15; 1 Cor 14, 1,5,19 e.v. toe dat er na Christus nog openbaringen zullen plaatsvin­den. De katholieke kerk noemt zulke openbaringen 'privé-openbaringen' , die volgens haar meer aan bepaalde mensen individueel zouden zijn gericht, niet aan de gehele Christenheid. De voor het heil noodzakelijke christelijke open­baring zou echter ten tijde van de apostelen afgesloten zijn. Daar zou gezegd zijn dat God door Zijn zoon 'nu in het laatst der dagen tot ons heeft gesproken' (Hebr 1, 2). Dat voorts Paulus (1 Cor 10,11) en Petrus (2 Petr 3,3; vergelijk 1 Petr 4,7) en 1 Joh 2,18 over de laatste dagen, 'het einde aller dingen', zelfs van de 'laatste ure' hebben gesproken. Deze uitspraken van de apostelen zijn geen bruikbare basis voor de afwijzende houding van de kerken, omdat de Christe­nen het in de eerste eeuw als een dogma beschouwden dat de ondergang van de wereld nog tijdens hun leven zou plaatsvinden. Dat bewijst onder meer de ge­citeerde tekst van de brief aan de Hebreeën 1, 2: 'Nu in het laatst der dagen', en van 1 Cor 10,11 'dat het einde der eeuwen over ons gekomen is'. 'De tijd is kort.' (1 Cor 7,29) Na verloop van tijd moest men ten slotte de dwaling van de profeten toegeven.

De Heer deelde Jakob Lorber mede dat Hij tijdens Zijn leven tegen Zijn apos­telen had gezegd 'dat Ik vanaf heden tot aan het einde der wereld Mijn boden uit de hemelen zend, opdat door de in zonde levende kinderen der wereld Mijn woord niet al te zeer worde verdelgd en gesmaad. Doch ook deze (boden) zul­len ter wille van Mijn naam in meerdere of mindere mate worden vervolgd' (Gr X 115, 9).

'Na Mij blijft de poort des hemels immer open en datgene wat wij hier (met de apostelen, Egg.) bespreken, zal na veel meer dan duizend jaren evenzeer van woord tot woord kunnen worden vernomen en (door Lorber, Egg.) worden opgetekend alsof dat alles voor de ogen van diegenen geschiedde die de aarde 2000 jaar (!) na ons betreden.' (Gr III 15, 6)

'Opdat niet alle mensen verloren gaan heb Ik bepaald dat van nu af aan enke­len, zoals het eens met Mijn apostelen is geschied, Mijn woord en Mijn leer onvervalst zullen vernemen, niet in versluierde vorm zoals bij de profeten doch duidelijk en begrijpelijk, zoals Mijn apostelen eens de volkeren onderricht­ten.' 'Ik wil thans de ongelovigen de ogen openen en degenen die de letter van Mijn Bijbel uitleggen de eigenlijke zin verklaren.' (Pr 163)

Hieruit blijkt duidelijk, dat de bewering van de zijde van de kerken dat de openbaring met de boodschap van Jezus en de apostelen afgesloten zou zijn, niet juist is. Pas wanneer de horizon van het menselijk besef breder is gewor­den 'dan pas worden grotere openbaringen en exactere bepalingen toegela­ten. . .' 'Wie de openbaring dan als waar aanneemt en ernaar handelt bereikt ook een steeds helderder besef en het ware zelfstandige vrije leven.' (Gr VI 204, 9-10)

In de afgelopen 1900 jaar heeft de mensheid geestelijke vooruitgang geboekt en zij heeft thans een krachtiger geestelijk voedsel nodig. In het evangelie wor­den slechts brokstukken van Jezus' toespraken weergegeven en met de inter­pretaties daarvan is het - zoals de resultaten van bijbelkritisch wetenschappe­lijk onderzoek aantonen - zeer slecht besteld. De verwarring en de verdraaiing van Jezus' leer kan ook nauwelijks nog groter worden. Anderzijds hebben de kerken met hun leer, dat de volledige tekst van het Oude alsmede het Nieuwe Testament zonder uitzondering letterlijk dient te worden geloofd, zichzelf na de opkomst van de natuurwetenschappen op pijnlijke wijze in diskrediet ge­bracht. De katholieke kerk heeft in het geval Galileï (zeventiende eeuw) en met betrekking tot de vroegere uitleg van het scheppingsverhaal het vertrouw­wen in haar exegeten vooral bij de ontwikkelde katholieken sterk ondermijnd. Maar ook Luther gedroeg zich niet anders. Toen Copernicus de theorie aan­voerde dat de aarde om de zon draait en niet omgekeerd, wond hij zich daar­over op: 'Deze dwaas wil nu de gehele astronomie omkeren.' En Melanchton wilde 'deze onzin, die een publiek gevaar vormt, door de overheid laten ver­bieden' .1

In de beginperiode van het Christendom was - zoals de oud-christelijke litera­tuur bewijst - het profetenambt alleszins geacht. Zo schrijft Paulus: 'Elk van God ingegeven schriftwoord is ook nuttig om te onderrichten, te weerleggen, te verbeteren en op te voeden in de gerechtigheid, opdat de mens Gods volko­men zij, tot alle goed werk volkomen toegerust.' (2 Tim 3, 16-17)

De profeten worden in de literatuur van de eerste eeuw nog vóór de bisschop­pen genoemd. De taak die de bisschoppen hadden was destijds niet leidingge­vend doch ondergeschikt. Zij waren hulpelingen van de presbyters en oudsten. De uitdrukking episcopus (het Latijnse woord voor bisschop) stamt uit het antieke gemeentebestuur. De episcopus was de stedelijke penning­meester, en een soortelijke functie hadden de episcopi ook in de christelijke gemeenten. De in de tweede eeuw n. Chr. geschreven didache Leer van de twaalf apostelen zegt uitdrukkelijk:'De profeten zijn uw hogepriesters' (!). (Didache 13, 3)

In de eerste brief aan de Corinthiërs verklaart Paulus: 'En God heeft sommi­gen aangesteld in de gemeente, ten eerste apostelen, ten tweede profeten' (12, 28).

Toen zich later de priesterhiërarchie vormde kwamen de bisschoppen op de eerste plaats te staan. In die tijd werd verkondigd, dat er geen nieuwe openba­ringen door God meer zouden plaatsvinden. De merkwaardige opvatting dat God na de apostelen met openbaringen aan de mensheid was gestopt verte­genwoordigen volgens prof. Walter Nigg 'slechts die theologen die de begrij­pelijke vrees koesterden, dat hun dogma's door profetische activiteiten omver kunnen worden geworpen. '2

De tegenwerping, dat de Nieuwe Openbaring een aantal zaken anders voor­stelt dan de kerken leren, is geen argument om deze verkondigingen van de hand te wijzen. Thans huldigen de geleerden, die zich met de exegese en de bijbelvorsing bezighouden, unaniem de opvatting dat sommige tekstgedeelten van het Nieuwe Testament niet met de originele schriften overeenstemmen, die verloren zijn gegaan. Daarvan zijn thans ook de katholieke wetenschap­pers overtuigd, ofschoon dit in kerkbladen het katholieke volk niet zo duide­lijk wordt gezegd. Reeds Paulus spreekt er in de brief aan de Galáten over dat 'sommigen u in verwarring brengen en het evangelie van Christus willen ver­draaien' (Gal 1, 7).

Het feit dat het evangelie invoegingen, weglatingen en tekstveranderingen heeft ondergaan geven thans na het concilie ook katholieke bijbelgeleerden onomwonden toe. Zo schrijft bijvoorbeeld de katholieke theologieprofessor Geiselmann: 'De huidige tekst van het evangelie is beslist meermalen geredi­geerd. '3

Pater Norbert Lohfink S.J. bericht dat het reeds de geleerde monniken van de middeleeuwen niet is ontgaan dat het Nieuwe Testament onechte teksten be­vat. 4 Dat is ook de reden waarom de katholieken het Nieuwe Testament eeuwenlang niet mochten lezen. De katholieke geleerden waren van dit alles reeds lang op de hoogte, maar vóór het concilie durfden zij er niet openlijk over te spreken. Zoals Pater Lohfink mededeelt vormde zich derhalve onder de theologische vakgeleerden 'een geheime leer' 5. (!)

Tot 1962 stond de katholieke kerk erop, dat haar gelovigen zonder meer aan­nemen dat de Bijbel geen vergissingen bevat. Het feit, dat de Nieuwe Openba­ring hier en daar van de kerkelijke leringen afwijkt, is derhalve geen reden om de Nieuwe Openbaring niet als goddelijke openbaring te erkennen. God laat zich door de mannen van de kerk niets voorschrijven. Zijn Geest waait waar en wanneer Hij dat wil. Overigens heeft het Romeinse Ex-St.-Officium naar aanleiding van Hans Küngs onfeilbaarheidsboek in de verklaring 'Mysterium Ecclesiae' (1973) uitdrukkelijk bevestigd dat de dogma's 'van de situatie af­hankelijk, voor verbetering vatbaar, aanvulbaar en vervangbaar zijn' 6.

Deze belangrijke verklaring van de geloofscongregatie dienen katholieke le­zers van dit geschrift steeds voor ogen te houden.

De centrale kwestie is in dit verband of Jakob Lorber een echte profeet is, die voor waardig werd bevonden om een openbaring Gods aan de mensen van de eindtijd op te schrijven. Behalve de reeds vermelde natuurkundige voorspel­lingen van Lorber moet ook zijn geestelijke houding worden onderzocht. Volgens Joh 7, 17 en 18 wordt er van een ware profeet verlangd: 'Wie uit zichzelf (d.w.z. uit zijn aards menselijk wezen) spreekt, zoekt zijn eigen eer, maar wie de eer zoekt van zijn zender, die is waar en er is geen onrecht in hem.' (Joh 7, 17 e.v.)

Dit is op Lorber volledig van toepassing. Het is moeilijk om zich een nederi­ger, minder veeleisend en meer teruggetrokken levend, onopvallender mens voor te stellen dan Jakob Lorber. Hoewel hij het vermoedelijk belangrijkste religieuze werk aller eeuwen heeft geschreven trad hij naar buiten allerminst op de voorgrond. Hij streefde niet naar publieke erkenning of materiële voor­delen. De instelling die hij ten opzichte van zijn opdracht en zijn werk had blijkt uit een brief die hij op 21 april 1848 aan zijn vriend Anselm Hüttenbren­ner schreef: 'De wereld wil mij niets geven, en daarover verheug ik mij.'

In de Nieuwe Openbaring wordt bovendien als kenmerkende eigenschap van een profeet genoemd dat 'de echte profeten steeds in armoede zullen leven'

(Gr VI 179, 3). En voorts: 'De echte profeet is nimmer zelfzuchtig en iedere hoogmoed is hem vreemd.' (Gr 111 204,12). Elders werd reeds gezegd, dat een mens in een stad van een beschaafd land wel nauwelijks behoeftiger door het leven kan gaan dan bij Lorber het geval was. Zelfzucht en hoogmoed waren deze onschuldige man even vreemd als een klein kind.

Voor ieder die de waarheid zoekt moet bij het lezen van de Nieuwe Openba­ring duidelijk worden, dat Lorber over charisma beschikte en dat datgene wat hem gedurende 24 jaar dagelijks werd gedicteerd een geschenk des hemels, een echte bron van goddelijke boodschappen en - zoals er in de Nieuwe Open­baring wordt gezegd - 'de sleutel tot het begrijpen van het evangelie is'.

Lorber is zonder moeite van de vele gewichtig doenerige en hebzuchtige char­latans te onderscheiden, die zich 'vadermedia' noemen. Helaas worden vele onschuldige en niet-kritische mensen, die onder de invloed van deze valse pro­feten komen, misleid en, zoals vele voorkomende gevallen bewijzen, ook fi­nancieel uitgebuit.

Hoewel het na het bovenstaande volkomen duidelijk is dat Jakob Lorbers ver­kondigingen een boodschap van God bevatten, is het goed voorstelbaar dat deze onvervalste wijsheid, die nieuwe perspectieven opent en heel wat theolo­gisch stof wegveegt, velen niet behaagt en dat vooral het strenge oordeel en het lot dat de dwalende katholieke kerk wordt voorspeld, verstrekkende gevolgen voor de starre en zelfgenoegzame ideeën van haar hiërarchie zal hebben. De Nieuwe Openbaring maakt maar al te duidelijk, dat de katholieke kerk en de leer van Jezus niet steeds dezelfde zijn.

In de Nieuwe Openbaring is voorspeld dat 'wanneer de behoefte aan levens­waarheid zich ten slotte steeds algemener doet gevoelen en de mensen niet langer genoegen nemen met het zuiver autoritaire geloof, dat steeds een basis vormt voor traag en duister bijgeloof, het dan ook tijd is om hen een groot een grijpbaar levenslicht vol klaarheid en waarheid te geven' (Gr VIII 162, 18).

In overeenstemming met de ervaringen die alle profeten hebben opgedaan, is het zeker dat er weerstand zal komen tegen de openbaring die bij monde van Lorber door de Heer is gegeven. In de Nieuwe Openbaring is voorspeld dat de weerstand zal groeien naarmate de Openbaring meer bekendheid geniet. Maar er wordt ook gezegd dat er reeds een 'geestelijke wind' staat. 'Hij komt uit de hemelen om uw geestelijke lucht te reinigen, die met allerlei kwade dam­pen is bezwangerd.' Inderdaad blaast de geestelijke wind van de Nieuwe Openbaring in toenemende mate door de harten van vele lezers. Zij beseffen met verwondering hoe deze openbaring Gods heilsplan in zijn volledige diepte ontsluit en dat dit veelomvattender is dan priesters zich ooit hebben kunnen voorstellen. Hier wordt het woord 'God is liefde' in zijn werkelijke betekenis voelbaar. De Nieuwe Openbaring is van goddelijke oorsprong en daarom ver­kondigt en eist zij onvoorwaardelijk de zuiverste liefde tot God en de naasten, alsmede het Christendom van de daad. De kracht waarmee de maningen aan de mensheid van onze eindtijd worden geuit beroert waarlijk het hart.

Het is verstandige theologen niet ontgaan, dat het profetische momenteel in de wereld de kop begint op te steken en dit een door God gewilde betekenis in het heilsplan heeft. Zij onderkennen dat de bodem voor een nieuw zaad is opengegaan.

Zo is het bijvoorbeeld opmerkelijk wat dr. Norbert Lohfink van het Pauselijk Bijbelinstituut in Rome in een serie lezingen Profeten gisteren en vandaag (zonder verwijzing naar Jakob Lorber) zegt: 'Wanneer wij tot de mensen be­horen die zich zorgen maken over onze wereld, dan kan ons niets ter wereld meer bedrukken dan Gods zwijgen. En hier ontmoeten wij een mens die Gods stem heeft gehoord.' 'Wanneer wij de grens van het profetische maar niet al te nauw trekken zullen wij het zeker ook in onze tijd aantreffen. En wij weten ook niet in welke volkomen nieuwe vormen het zich wellicht al over twintig jaar tot verbazing van ons allen zal manifesteren. . . Hoe meer de kerk bereid is op de profeten in te gaan die God heeft gezonden, des te urgenter wordt het voor haar om het kaf van het koren te scheiden en dat is beslist niet eenvoudig. Doch wij dienen ons tevens, ten minste in het christelijke Europa, steeds voor ogen te houden dat het beslist wel christelijke wantrouwen tegen de profeten ons eigenlijk in het bloed zit.' 'Wij moeten er echter op voorbereid zijn, dat zulke profeten wellicht een boodschap te verkondigen hebben die van onze kerk had moeten uitgaan, wat echter door onze eigen zondige zelfinkapseling niet mogelijk was. Wat kunnen wij dan doen? Wij behoeven ons niet te scha­men om ons ook tot deze profeten te wenden en van hen te leren.' 'Wij staan steeds weer bloot aan de verzoeking om niet onszelf aan de profeten doch de profeten aan ons aan te passen.' (!) 'Wij hebben dikwijls de kwellende indruk dat God in onze wereld zwijgt. De profeten laten ons niet met rust, omdat zij volhouden dat zij God horen spreken. Zo is het van enorm belang dat er thans weer profeten zijn.'7

De bekende concilietheoloog prof. Karl Rahner S.J. constateert, dat de kerk

aangaande de beoordeling van privé-openbaringen geenszins onfeilbaar is. (Zie in dit verband de verklaring van het Romeinse bestuur 1877 ASS XI blz. 509 e. v.) In principe staat het voor Rahner vast, dat 'wanneer God gesproken heeft en dit feit vaststaat, dat wil zeggen wanneer daarvan voldoende getuige­nis is afgelegd, dan brengt dit voor mij zonder beperking de plicht met zich mede te luisteren, te gehoorzamen en te geloven, voor zover de inhoud mij ook maar enigszins betreft.' 'In principe kan de Geest Gods ieder lid van de kerk invloed op haar doen uitoefenen en haar zeggen wat hij van haar ver­langt, welke dringende eisen Hij aan haar stelt .'8

Protestantse theologen hebben soortgelijke uitspraken gedaan. 9

Al deze uitingen maken beslist indruk en zouden menig voorbarig oordeel over de profeet Jakob Lorber kunnen veranderen. Op de leidende kringen van de kerk zullen zij vermoedelijk echter nauwelijks van invloed zijn. De repres­sieve maatregelen van het Vaticaan, die sedert jaren kunnen worden geconsta­teerd, laten geen twijfel bestaan over de tendensen die in de Curie heersen.

'Hoe meer Mijn leer (van de Nieuwe Openbaring Egg.) veld wint, des te meer zullen hindernissen tegen haar worden opgehoopt, want zij betekent voor ve­len een ingrijpende verandering van het goede leventje dat zij op materieel en vooral geestelijk gebied leiden en ondermijnt hun gebruikelijke denkwijze' (Pr 108)

'Menigeen zal stenen op Mijn leer werpen, uit harde woorden bestaande ste­nen, die de tedere leer der liefde onder hun last kunnen verpletteren. Doch vreest niet dat zij zullen overwinnen.' (Pr 107)

Een profeet is steeds een man die een omwenteling teweeg wil brengen. Dit geldt zowel voor de kerken als voor wereldlijke zaken. Zoals Amos indertijd profeet des oordeels in Samaria werd, zo zal Jakob Lorber dat voor onze tijd zijn. Amos zei destijds de priesters bittere waarheden in Gods opdracht. (7, 12-13) Dat wilden zij niet horen en zij spraken tot hem: 'Ziener! Ga heen, vlucht naar het land van Juda; eet daar brood, en profeteer daar. Maar in Bet­hel moogt Gij voortaan niet meer profeteren, want dit is een koninklijk heilig­dom en het is een rijkstempel.'

Tegenwoordig is het al niet anders. 'Zij beminnen Mijn licht niet', sprak de Heer tot Lorber, en Hij doelde daarmee op de huidige priesters (Gr III 225, 9). Om te bereiken dat zoveel mogelijk mensen van de Nieuwe Openbaring ken­nis krijgen, wordt allen die voor de verspreiding van de Nieuwe Openbaring geschikt schijnen daarin het volgende gezegd: 'Draagt er met al uw krachten toe bij uw medemensen de weg naar hetzelfde doel te tonen, dan zijn Mijn woorden aan u welbesteed.'

(Pr 132)

Terwijl de katholieke kerk in vroeger eeuwen de openbaringen steeds volgens haar opvattingen veranderde of onderdrukte, zal zij in het geval van de Nieu­we Openbaring niet kunnen verhinderen dat deze onder de mensen wordt ver­spreid, omdat - zoals de Heer Lorber uitdrukkelijk heeft gezegd -'. . . dit thans en in de dagen die komen in het geheel niet door Mij is beschikt.' 'Te rechter tijd zal Mijn woord wel tot allen komen die daarnaar in hun hart verlangen.' (Hi II blz. 276)

'Mijn werk zal ongehinderd verschijnen als een grote magneet, die alles zal aantrekken.' (Hi I blz. 99)

 

De verkondigingen van de Nieuwe Openbaring (NO)

over de evangelisten en hun evangeliën

 

De Nieuwe Openbaring geeft niet alleen opheldering over de juiste tekst en de betekenis van Jezus' boodschap, doch stelt ook verklaringen ten aanzien van de evangelisten ter beschikking. Wat betreft de schrijvers van de verschillende evangeliën lopen de meningen van de onderzoekers sterk uiteen. De protes­tantse theologen zijn nagenoeg allemaal van mening dat geen van de evange­listen oog- en oorgetuige is geweest. De katholieke kerk daarentegen be­schouwt de evangelist Johannes als de lievelingsapostel van Jezus. Deze opvat­ting wordt door de Nieuwe Openbaring bevestigd. Terwijl sommige auteurs aan het Evangelie naar Johannes generlei betekenis toekennen l0, wordt in de NO juist dit evangelie het betrouwbaarste genoemd. Clemens van Alexandrië (derde eeuw) oordeelde juist, toen hij het Johannes-evangelie 'het geestelijke evangelie', 'het kernstuk, het hoogtepunt, het heilige der heiligen van het Nieuwe Testament' 11 noemde. Johannes bericht over de geheime gesprekken tussen Jezus en Nicodemus en vermeldt exact waar deze plaatsvonden, iets wat alleen een ooggetuige kan weten.

De enkele inleidende zinnen die een ietwat filosofisch karakter vertonen heb­ben sommige critici tot de misvatting geleid dat Johannes een hellenist zou zijn. Naar uit de NO blijkt zijn deze zinnen uit het Johannes-evangelie van Jezus afkomstig. Deze luttele verzen zijn overigens geen reden om zwaar de nadruk te leggen op het filosofische karakter van het Johannes-evangelie. In de literatuur worden somtijds over de persoon van de evangelist Johannes de vreemdste en avontuurlijkste stellingen naar voren gebracht. De katholieke auteur Paillard zegt: 'Johannes' vader leidde een visserijbedrijf en had ettelij­ke dagloners in dienst. Naar het schijnt was de familie tamelijk vermogend en had zij connecties met de hoogste kringen van Jeruzalem. '12 Uit de NO verne­men wij daarentegen dat Johannes de zoon van zeer arme mensen was, die de grootste moeite hadden om hun kinderschaar te eten te geven. In dit verband wordt het volgende gezegd: 'De kinderen van Jozef, zowel de eigen als de aan­genomen kinderen, leefden in de diepste armoede en volgden Mij welhaast allen. Onder hen nu bevond zich ook Johannes, die veel in Jozefs huis verkeer­de en daar leerling was. Want zijn vader was nog behoeftiger dan Jozef zelf en had derhalve zijn zoon daarheen uitbesteed om het vak van Jozef te leren. Hij leerde dit ook en was een goede timmerman en houtdraaier. Bovendien koes­terde hij grote liefde voor Maria, Mij en Jozefs gehele gezin Er was niemand die beter en trouwer voor haar kon zorgen dan deze zoon van Zebedeüs (later) deed.'

(Schriftt. 32, 4)

Hoewel Johannes tijdens de lerende periode van Jezus volkomen op de hoogte was met alles wat er gebeurde en alle redevoeringen die Jezus hield, heeft hij maar weinig opgetekend. Hij kreeg de uitdrukkelijke instructie om alleen het belangrijkste op te schrijven: 'Zo schreven ook Johannes en Mattheüs het evangelie op, doch alleen de hoofdzaken en met weglating van de meeste bij­komende omstandigheden.' (Gr VI 148, 20) Johannes vroeg nu en dan of hij mocht noteren wat hij zoëven had gehoord, waarop hij eenmaal ten antwoord kreeg: 'Laat dat maar rusten. In gene tijd (d.w.z. in Lorbers tijd, Egg.) zal Ik, indien zulks noodzakelijk is, deze zaken bij monde van nieuw te wekken die­naren, zieners en profeten aan de mensen doen openbaren die van goede wil zijn.' 'Gij zult, behalve de belangrijkste gebeurtenissen uit Mijn onderricht op deze aarde, in het door u te schrijven evangelie nog betreffende de buitenge­wone leringen en daden opmerken, dat Ik zeer veel onderwezen en gedaan heb wat niet in deze boeken staat geschreven; en zo men dit in boeken zou opschrijven, de wereld, d.w.z. de mensen, zou het niet bevatten.' (Gr X 157,2 en 3)

Opmerkelijk is de verhelderende nazin, waarin wordt verduidelijkt dat de mensen de inhoud niet zullen begrijpen. De verminkte en daardoor merk­waardige tekst van het huidige evangelie naar Johannes (21, 25), die zegt dat de wereld de boeken (ruimtelijk) niet kan bevatten wordt door de NO op zin­volle wijze aangevuld en verklaard. Elders in de NO is de weg naar het begrij­pen van deze passage door toevoeging van het woord 'nog' geëffend. De volle­dige en zeer zinvolle tekst luidt derhalve zo, dat de mensen van die tijd datgene wat Jezus Zijn apostelen aan geheime kennis had medegedeeld niet hadden kunnen bevatten. 'In de huidige tijd echter... is het culturele niveau van de mensen en hun verstandelijk leven geheel anders dan toentertijd.' (Pr 24) 'Mijn apostelen waren nog gelijk onmondige kinderen, die aanvankelijk niet de verheven begrippen betreffende Mij en Mijn rijk konden bevatten, die zij na de uitstorting van Mijn geest konden opnemen.' 'Als nu Mijn apostelen nog zo konden vragen, kunt gij u voorstellen hoeveel minder de anderen, minder ingewijden begrepen.' (Pr 296)

Johannes schreef op het eiland Patmos ook de 'Geheime Openbaring'. Hij was toen reeds meer dan honderd jaar oud en kreeg bij het schrijven hulp van een vriend, die zijn Griekse naam had afgelegd en zich eveneens Johannes noem­de.

(Gr XI blz. 264)

Johannes beëindigde volgens de NO zijn evangelie 'welhaast juist omstreeks de tijd dat Jeruzalem door de Romeinen werd verwoest' (70 n. Chr., Egg.). Johannes, die al over de honderd was, schreef toen 'zijn visioenen onder de titel Openbaring van Johannes op het perkament' (Gr XI blz. 264).

Bij het Evangelie naar Mattheüs weten de onderzoekers nog steeds niet wie de schrijver was. Men heeft ontdekt dat het Mattheüs-evangelie in zijn huidige vorm uit oudere elementen is samengevoegd; velen nemen aan, dat de schrij­ver van dit evangelie het Marcus-evangelie alsook een onbekende bron, die algemeen als B wordt betiteld, ter beschikking had. Deze these wordt de twee­bronnen theorie genoemd. De meningen over deze theorie zijn verdeeld. Som­mige auteurs beweren dat dit de gangbare mening is, anderen zijn het daarmee niet eens. Volgens Paillard zijn de moderne onderzoekers het erover eens dat de twee-bronnentheorie 'al te eenvoudig is '13. De verschillende meningen be­hoeven hier niet verder te worden besproken, omdat de NO ons in dit geval uitgebreide inlichtingen verschaft. Zij verhaalt dat Mattheüs eertijds bij een grote tol aan het Meer van Galilea 'als schrijver in dienst stond van de Romei­nen' (Gr IX 114, 1). (Deze Mattheüs, die onzelfstandig schrijver bij een tol was en bovendien een herberg exploiteerde, is niet met de zelfstandige belas­tinginner (tollenaar) Mattheüs te verwarren.) 'Hij werd door Mij opgenomen toen Ik hem op Mijn reis naar Kis in een station op de weg tussen Kapernaüm en Kis aantrof, weshalve men Mij verweet dat Ik met tollenaars en zondaars omgang pleegde.' 'Aangezien echter deze Mattheüs de pen goed voerde en niet meer van Mij wilde scheiden heb Ik hem als schrijver opgenomen, doch meer voor de feiten, terwijl Mijn Johannes het woord, d.w.z. datgene wat Ik onderwees, moest optekenen en Mattheüs nu en dan minder geestelijke ge­deelten van Mijn lering en preken voor zichzelf optekende, maar deze bij tus­senpozen telkens weer door Johannes liet verbeteren; want Mattheüs had een goed geheugen voor de feiten doch een slecht geheugen voor de lering.

Over de aangelegenheden welke Mijn familie betroffen wist hij, zolang hij met Mij verkeerde, zeer weinig, en wat hij wist deelden Jacobus, Simon en Johan­nes hem nu en dan mede. Dit schreef hij echter niet onmiddellijk op, doch pas enige jaren na Mijn opstanding, toen hij in de plaats van Judas Iskarioth tot apostel werd gekozen.

Deze apostel Mattheüs zelf, als evangelist, had zijn evangelie heel ordentelijk en juist samengesteld en aanvaardde daarmede zijn reis naar het Zuidoosten van Azië.

In Jeruzalem, Galilea en Samaria en later ook in Tyrus en Sidon stonden vijf verschillende mannen met de naam Mattheüs op, die ieder een evangelie naar Mattheüs schreven; het meest aannemelijk was zonder twijfel nog datgene wat in Sidon is verschenen. De andere vier werden bij de grote kerkvergadering in Nicea als daarmede geheel niet alsook onder elkaar niet overeenstemmend als apocrief verworpen, terwijl het evangelie uit Sidon als mogelijk echt bewaard bleef. En zo is dit ook gedeeltelijk apocrief, hoewel de schrijver zich de grootst mogelijke moeite heeft getroost, om de zaak zo waar mogelijk uit te beelden.

Hij zelf schreef eigenlijk - in plaats van dit éne - veertien evangeliën, al naar gelang hem de aangelegenheid door zogenaamde ooggetuigen werd bericht. Uit deze veertien evangeliën stelde hij toen een vijftiende samen, dat na de beoordeling door vele deskundigen als het belangrijkste en waarste werd ver­klaard; en deze pseudo-Mattheüs, die eigenlijk l'Rabbas heette, is de schepper van het tegenwoordige Mattheüs-evangelie. Het werkelijke evangelie bevindt zich thans nog in een grote verzameling van boeken en geschriften, die in een belangrijke bergstad in Achter-Indië te vinden is.' (Gr XI blz. 241-242)

Jezus had de apostel Mattheüs het volgende voorspeld: '...een ander, die in uw naam zal schrijven, zal u vervangen en zijn geschrift zal bewaard blijven.' (Gr X 157, 6) Wij hebben dus met het evangelie van deze pseudo- Mattheüs te maken, die l'Rabbas heette en onder het pseudoniem 'Mattheüs' schreef. Over hem wordt in de NO het volgende gezegd: 'De pseudo-evangelist Mat­theüs was weliswaar een goudeerlijke man die de waarheid zocht, en hij zocht met grote ijver naar de waarheid van hetgeen er gebeurde, ongeveer twintig jaar lang, tot hij met het samenstellen en schrijven van zijn evangelie begon. In deze tijd was er in het joodse land geen apostel van Mij te vinden, hoewel er genoeg andere getuigen van deze tijd waren. Zoals het echter in dergelijke gevallen pleegt te gaan wisten zeer vele mensen uit de talrijke plaatsen die Ik had bezocht, menige dingen over Mij te vertellen, doch meestal datgene wat zij zelf in hun woonplaats van Mij hadden vernomen en gezien. Zo is het dan ook begrijpelijk dat een l'Rabbas, zoals ook vele andere evangelisten, er met de beste wil van de wereld niet in kon slagen alles wat Ik deed, onderwees en volbracht volkomen in te zien.'

'Men zal hier wellicht de vraag opwerpen waarom Ik niet zelf zulke mensen een beter inzicht heb gegeven, zodat zij in staat waren slechts de volkomen zuivere waarheid aan het perkament toe te vertrouwen? Ik zeg u dat Ik hierin bij volkomen eerlijke mensen, die daarnaar streefden, ook nimmer in gebreke ben gebleven. Wat echter de reeds zelfzuchtig geworden wereld dan later van zulke eerlijke overleveringen heeft gemaakt is niet aan mij te wijten, omdat ieder mens tenslotte over een volledig vrije wil beschikt. Dat Ik steeds genoeg gelegenheid heb geschapen om het kaf van het koren te scheiden, merkt gij reeds aan al de grote vergaderingen die sinds Mijn tijd hebben plaatsgevon­den, aan wie door Mijn geest de taak was opgelegd om de ingeslopen leugen van de waarheid te scheiden en voor de voltallige gemeente te verwerpen. Om­dat het onkruid echter overal tussen het tarwe woekerde zijn zij er niet in ge­slaagd het volledig te vernietigen.' - En zo wordt er ook in deze tijd (van Lor­ber, Egg.) evenals hier - en ook elders - geweldig gezeefd en de vijand der waarheid zal niet meer in staat zijn het te verhinderen. Ik bouw thans geweldi­ge dammen tegen de vloed van de leugen en richt de ware rots van Petrus op, die de poorten van de hel niet zullen overwinnen.'

(Gr XI blz. 262/263)

Over Lucas en zijn evangelie komen wij uit de NO eveneens vele interessante details te weten. 'Wat zijn evangelie betreft, dit is een verzameling van daden, die door zijn onderzoek zowel in als ook rondom Jeruzalem over Mij en Mijn daden en leringen door verschillende mensen tot stand is gekomen. Hij zelf heeft ze vervolgens op zijn eigen manier geordend en in hoofdstukken en ver­zen gerangschikt, waarbij hij zich natuurlijk niet aan het aantal hoofdstukken en verzen van een ander evangelie kon houden; om die reden komt bij hem het een en ander in een volledig ander hoofdstuk en in andere verzen voor dan bij andere evangelisten, wat ieder van u bij een vergelijking van de aangegeven parallel verlopende passages kan vaststellen.

Over zijn persoonlijkheid kan gezegd worden dat hij vormen schilderde en tekende; hij leverde zijn ontwerpen aan tapijt - en linnenwevers; ook de patro­nen op joodse sjaals en gordijnen waren dikwijls van hem afkomstig. Daar­naast was hij ook schoonschrijver (kalligraaf); wie een document bijzonder fraai en regelmatig wilde laten schrijven wendde zich tot hem; hij verstond en sprak Grieks, Latijn en Hebreeuws en kon zich in geval van nood ook in de andere talen redden die rondom Juda werden gesproken.

Bovendien was hij, zoals er wel meer mensen zijn en altijd zijn geweest, zeer op nieuwtjes belust en informeerde daarom naar alles wat er in het bijzonder in Mijn tijd geschiedde en bij de mensen veel stof deed opwaaien. Hij schepte er behagen in om de vele nieuwsgierige mensen die hij kende een buitenge­woon nieuwtje te kunnen vertellen; daarbij was hij geenszins een eclecticus (iemand die streng uitkiest) doch hij vond het eerste beste nieuws goed ge­noeg, als het maar de schijn van iets buitengewoons bezat.

In de eerste tijd is ook veel uit zijn vertellingen, vooral wanneer hij niet over werkelijke gegevens beschikte, aan zijn eigen fantasie ontsprongen. Pas in de tijd dat de apostel Paulus Mijn woord hier en daar in Griekenland had ge­preekt drong zijn vriend Theophilus, die eveneens in Griekenland woonde, er sterk op aan betrouwbare inlichtingen over Mij in te winnen, deze op te schrij­ven en hem vervolgens toe te zenden. Hij had, zo sprak Theophilus, over de betrokken Nazarener zowel van de Joden als ook van Grieken zo uiteenlopen­de dingen gehoord, dat hij er zich eigenlijk nog geen oordeel over kon vormen wat het bijzondere aan deze mens was. Het was de vraag of hij een bovenaards wezen dan wel een door zijn uit vele boeken opgedane wijsheid ontwikkeld mens was.

Pas toen Lucas deze brief in Jeruzalem in handen kreeg, begon hij zich ernstig met deze zaak bezig te houden en begon inlichtingen over alles in te winnen wat vooral op Mijn persoon en lering betrekking had; doch alles wat hij op­schreef vernam hij niet eenvoudig uit de mond van Mijn eigen apostelen, doch meestal van andere mensen die in Mij en Mijn leer geloofden en die Mij soms persoonlijk kenden, meestal echter door wat Mijn apostelen over Mij hadden gehoord. Want tussen Mijn bestaan als mens dezer aarde en de beëindiging van het evangelie naar Lucas verstreken vijfendertig jaar (dus anno 68), waar­na hij het pas aan zijn vriend Theophilus in Griekenland kon zenden; Theophi­lus vergeleek dit evangelie vervolgens met zijn eigen aantekeningen.

Wanneer dit echter reeds voor zijn evangelie geldt, is het in nog sterkere mate van toepassing op zijn apostelgeschiedenis, die hij eveneens op aandringen van zijn vriend Theophilus aan het perkament toevertrouwde, en wel pas in het laatst van zijn leven, derhalve in een tijd waarin zich geen enkele van Mijn eerste apostelen en discipelen meer in Jeruzalem bevond. Ook deze apostelge­schiedenis werd door zijn vriend aanzienlijk gewijzigd en zelfs de data die hij in het land der Joden had verzameld waren niet zelden fantasieën van deze discipelen en verspreiders van Mijn woord, die zich ook zonder innerlijke roe­ping als mensen met zulk een roeping voordeden, en die allen meenden het beter te weten dan de anderen.

Zo geschiedde het dan ook, dat zowel in het evangelie naar Lucas als nog meer in zijn latere apostelgeschiedenis fantasieën en overdrijvingen voorkwamen, waarvan Mijn echte apostelen en discipelen zelf weinig of niets afwisten; want zij verbleven zelden in Jeruzalem en waren meer in Galilea, Samaria en andere streken te vinden die ver van Jeruzalem waren verwijderd.

Nu gij dit alles weet zult gij ook wel inzien dat de beschreven aardbeving en de duisternis bij Mijn dood aan het kruis, de geopende graven in het dal Josafat, Mijn hemelvaart vanaf twee verschillende bergen als ook de zending van de Heilige Geest voor het overgrote deel produkten van de toenmalige fantasie van mijn verschillende aanhangers en vereerders zijn, en ook zelfs moeten zijn, omdat de betrouwbaarste van alle evangelisten (Johannes), die bij iedere zeer belangrijke gebeurtenis aanwezig moest zijn, dit alles niet vermeldt. Ook bericht Lucas niet of hij zelf bij de uitstorting van de Heilige Geest aanwezig was of niet.

Het heeft dan ook bij de grote kerkvergadering in Nicea maar heel weinig ge­scheeld, of zijn evangelie en zijn apostelgeschiedenis waren als apocrief ver­oordeeld. Maar de bisschoppen van het avondland verzetten zich ertegen en zodoende werd alles wat Lucas heeft geschreven automatisch als authentiek erkend; deze Lucas wordt ook heden nog tot de geloofwaardigste evangelisten gerekend en men maakt tot op heden nog meer ophef van hem dan van Johan­nes.' (Gr XI blz. 271-273)

'Waarom zou Ik bij Mijn dood de zon volledig hebben verduisterd, en dat drie volle uren lang? En als dat al het geval was geweest, dan had de zon in die tijd ook in andere landen niet kunnen schijnen, wat de schriftgeleerden van die volkeren beslist zouden hebben opgetekend. Thans echter hebben zelfs de Ro­meinse geschiedschrijvers over zulk een voorval niets weten te vermelden. Dientengevolge had het alleen in Jeruzalem moeten geschieden dat door Mijn toedoen ter plekke alle aanwezige mensen drie uur lang blind werden, terwijl enkel Johannes ziende bleef, omdat hij niets over zulk een zonsverduistering vermeldt.

Zoals het met de zonsverduistering gesteld is, evenzo is het ook met Mijn zoge­naamde hemelvaart gesteld; want waar moet die hemel dan wel zijn, waarin Ik ben opgevaren?! Of waarheen moet de Alomtegenwoordige varen om de mensen daarmede te kennen te geven waar Hij eigenlijk woont?!

Ik ben echter van mening dat Ik in de gehele oneindigheid overal in gelijke mate thuis ben, omdat Ik in alles en iedereen het oerprincipe van leven en behoud ben en zonder Mij nergens iets is of bestaat!' (Gr XI blz. 273/274) Zoals uit het citaat uit het hoofdstuk 'Jezus' weg op de aarde' blijkt, viel Jezus' lichaam in zijn atomen uiteen en was plotseling niet meer zichtbaar. Hij kwam, zoals het in Gr VII 129,9 wordt voorgesteld, 'in Zijn volledig goddelijke ge­daante'.

'Erger u dus niet over deze man vanwege enkele onjuistheden, die in zijn ge­schriften voorkomen, want in de eerste plaats was niet hij de eigenlijke schep­per van dit alles doch is veel aan degenen toe te schrijven die zijn werk na hem verbeterden, waarvan Ik u er veel meer dan een vol dozijn zou kunnen noe­men. En bovendien was hij vooral in zijn latere leven vol van goede wil en had vaste voornemens om voor de na hem komende mensheid de volledige rein­heid in zijn geschriften achter te laten. Hem treft geen schuld aan datgene wat de latere hebzuchtige leiders van de gemeenten uit het evangelie hebben ge­maakt. Zij hebben onkruid in zijn tarwe gezaaid, dat gelijk met de tarwe is opgegaan.'

(Gr XI blz. 274)

'Om die reden wil Ik Lucas noch Marcus noch Mattheüs veroordelen, want zij hebben in hun tijd ten minste moeite gedaan om uit Mijn reeds op menige wijze verminkte leer het reinste en beste te zoeken. Doch waar het de stoffelij­ke feiten betreft, daar hebben zij ten dele zelf gefantaseerd en voor het over­grote deel moesten zij dan uiteindelijk toch van datgene uitgaan wat zij uit de mond van mensen hadden vernomen die niet zelden driest beweerden, dat zij oog- en oorgetuige waren geweest. Vervolgens vergeleken zij dat met de pas­sages uit de oude profeten, die zij kenden, en constateerden dat wat zij hadden geschreven daarmee overeenstemde; daarmee stond het voor hen onomstote­lijk vast dat in hun geschriften slechts de waarheid werd gesproken.

Als men het daarbij met betrekking tot de evangeliën nog maar had gelaten zou alles nog veel beter zijn dan het nu is; want in deze evangeliën kwam veel te weinig voor over voor de mensheid wonderbaarlijke, gruwelijke en ver­schrikkelijke zaken. Om die reden achtte men het later noodzakelijk, vooral bij sommige joodse Christenen, Grieken en Romeinen, reeds honderd jaar vóór de grote kerkvergadering te Nicea, de evangeliën van een groot aantal toevoegingen te voorzien; hierbij voegde men vooral tekstgedeelten toe die sterk aan wonderen doen denken en die een sterk strafrechtelijk karakter heb­ben om Mij als geluksbrenger der mensen, die de mensen niets zozeer aan het hart heeft gelegd als liefde en waarheid, juist tot het tegendeel te maken.' (Gr XI blz. 275 e.v.)

'De meeste en verschrikkelijkste veranderingen zijn echter pas na de grote kerkvergadering van Nicea door de Griekse, doch meer nog door de Romein­se aartsbisschoppen uitgevoerd; deze hebben zich namelijk alle moeite ge­troost het laatste oordeel, het vagevuur en de hel met aanvullingen uit de hei­dense Tartarus alsook uit de oude joodse Sjeol, zo kleurrijk mogelijk uit te beelden en zij hebben uit Mij in één persoon de u welbekende Aeacus, Minos en Rhadamantus gemaakt, die in het hiernamaals over de zielen der gestor­venen recht spreken. Bijgevolg zou Ik allen die de voorschriften en bevelen van de zogenaamde 'heilige vader' in Rome niet opvolgen, hoogst onverbidde­lijk en onbarmhartig moeten veroordelen, verdoemen, voor eeuwig vervloe­ken en in de hel verbannen.

Naar Mijn mening heb Ik u thans voldoende duidelijk gemaakt, dat Ikzelve noch één van Mijn echte evangelisten de uitvinders en leraren van dit alles zijn of kunnen zijn. Want Ik kan toch van Mijzelve niet beweren dat Ik de hoogste liefde en het diepste erbarmen ben en morgen Mijn kinderen met de hevigste wraakzucht, de onverbiddelijkste onbarmhartigheid en zucht naar eeuwige straf en marteling dreigen als antwoord op hun vergrijpen, waaraan zij eigen­lijk vaak maar voor een honderdste gedeelte schuldig zijn. Ik ben ten slotte niet gekomen om datgene wat verloren was nog meer verloren te laten gaan, doch om het in alle liefde op te zoeken en weer aan het licht te brengen, opdat het niet verloren zal gaan.'

(Gr XI blz. 246)

Nu doet zich de vraag voor waarom God de vervalsingen niet heeft verhin­derd. Deze vraag wordt ook in de NO gesteld en als volgt beantwoord: 'Waar­om heb Ik als alwetende en almachtige God en Heer toegelaten dat Mijn reine woord dat de apostelen en zelfs vele andere mensen werd gegeven, door dezen en zo vele evangelisten niet zelden op de meest tegenstrijdige wijze werd door­gegeven, en dat door Mij slechts zeer weinig waarneembare stappen werden genomen om zulks te verhinderen?' 'Deze vraag is even dwaas als wanneer men Mij zou vragen waarom Ik op deze aarde niet slechts tarwe, koren en gerst en edele fruit - en vruchtbomen (en geen onkruid) uit de aardbodem laat groeien.' (Gr XI blz. 251)

'Zoals het hier is besteld, dat dus alles zijn nut en doel heeft, zo hebben ook de vele ketterse en bijgelovige mensen op deze aarde hun nut en hun doel; want als allen reeds bij hun intrede in deze wereld gelijk een aartsengel Rafaël ver­licht, doch nog in hun trage lichamen gevangen zouden zijn, dan zou ook geen mens de moeite nemen om ergens over na te denken en ernaar te streven de reine waarheid te zoeken en te vinden. Al spoedig zou er een algemene lethar­gie optreden, omdat geen mens een ander zou kunnen schaden noch van nut zou kunnen zijn. Zo echter worden die mensen die een helderder verstand bezitten pas door de dommen tot het streven aangezet om de domheid en de duisternis, naarmate deze meer en meer om zich heen dreigen te grijpen, des te ijveriger en energieker te bestrijden en zij beleven er dan grote vreugde aan, wanneer zij door hun ijver vele blinden naar de weg des lichts hebben geleid. Hiervoor zijn ook de evangeliën geschikt, ook al spreken zij elkaar in stoffelij­ke zin of in de letter tegen; de reine geest bevatten zij toch en een ieder die door Mij ook maar enigszins is bekeerd kan deze vinden.

Wat echter de zogenaamde gewone mensheid betreft, die in haar blinde sim­pelheid van geest gelijk kinderen ook een koperen tantes voor een hele dukaat aanneemt, dit schaadt haar niet; want gij weet immers dat er in het huis van Mijn Vader vele woningen en scholen zijn, waarin zulke hier geestelijk ver­armde zielen het juiste licht kunnen en zullen ontvangen. En daarin is ook de reden te zoeken waarom Ik geduld heb met de stadhouderschappen Gods op deze aarde, die vaak zonder verstand en inzicht worden geleid, en deze nog laat begaan. Doch alles heeft zijn tijd en duur.' (Gr XI blz. 252)

'Lucas en de pseudo-evangelist Mattheüs (l’Rabbas) zijn met het optekenen van hun evangeliën slechts luttele jaren na Mij begonnen en gingen deson­danks bij sommige beweringen zo ver, dat hun ten slotte zelf had moeten op­vallen hoe tegenstrijdig enkele van de belangrijkste mededelingen waren. In die tijd voerde niemand een onderzoek naar het waarheidsgehalte van de evangeliën uit, want iedere evangelist had zijn eigen lezers en luisteraars en bekommerde zich weinig om andere evangelisten, terwijl de evangelisten zich zelf ook uitsluitend aan datgene hielden wat zij zelf hadden opgeschreven. Zij beleefden soms zelfs regelrecht vreugde aan iets wat de een of andere in zijn evangelie (alleen) bezat.

Zo bekommerde I'Rabbas (Mattheüs) zich dan ook maar weinig of niet om Jezus, die na de achtste dag na zijn geboorte in de tempel was besneden en evenmin om de drie wijzen uit het Oosten, om de vlucht naar Egypte en de wrede kindermoord door Herodes in Bethlehem. L'Rabbas (pseudo-Mat­theüs) ontving deze tijding in Tyrus en Sidon en tekende haar op zijn manier ook op. Daar hij echter zelf, ten minste eertijds, meer heiden dan jood was, bekommerde hij zich ook weinig om de besnijdenis van het kind Jezus en zo­doende vertonen deze twee evangelisten één van de merkwaardigste tegen­spraken tegenover elkaar, terwijl zij in vele andere gedeelten tot aan de ver­melding van plaats en tijd met elkaar overeenkomen.

Volgens Lucas bestaat er dus een in overeenstemming met alle joodse wetten en gebruiken besneden Jezus, die in Bethlehem in een schaapsstal werd gebo­ren en slechts door herders welkom werd geheten, geen bezoek kreeg van drie wijzen uit het morgenland, niet naar Egypte behoefde te vluchten doch juist in alle rust naar Nazareth terugkeerde, daar volkomen ongestoord kon wachten tot hij twaalf jaar was, zonder dat Herodes Hem vervolgde en toen met Zijn ouders naar Jeruzalem toog.

Bij Mattheüs zien wij Jezus in een echt huis ter wereld komen, waarna Hij niet door de herders maar door de drie wijzen uit het Oosten welkom wordt gehe­ten (waarover Lucas in zijn evangelie niets vermeldt, evenmin als over de vlucht naar Egypte, Herodes' wrede kindermoord in Bethlehem of Jezus' te­rugkeer uit Egypte naar Galilea onder koning Archelaüs).' (Gr XI blz. 277 e.v.)

Uit de opmerking dat iedere evangelist zich uitsluitend aan datgene hield wat hij had vernomen en zich weinig bekommerde om datgene wat anderen had­den geschreven, valt op te maken dat de geleerdenstrijd wie er nu van wie heeft overgeschreven, op niets berust. De evangelisten hebben niet van elkaar overgeschreven, maar wel kregen zij in sommige gevallen hun informatie van dezelfde zegslieden, zodat hun berichten bijgevolg op elkaar moeten lijken. Dat bewijst hoe snel speculaties tot dwalingen leiden.

'Nu vrage een ieder zich af: Welke van de twee evangelisten heeft zich aan de waarheid gehouden? Het antwoord daarop luidt: eigenlijk geen van beiden, want een ieder deed slechts van datgene kond waarover hij had horen spreken. In Jeruzalem durfde niemand, uit vrees voor de straf, over de verschrikkelijke wreedheid van Herodes te spreken; in Sidon en Tyrus echter, in het toenmali­ge Seleussyrië, verafschuwde men Herodes hevig en verzweeg zijn wreedheid niet, evenmin als de aanleiding die hem ertoe had gebracht.

Evenzo kunt gij bij nauwkeurige vergelijking tijdens het lezen van de beide evangeliën nog zo menige belangrijke tegenstrijdigheden en onregelmatighe­den tegenkomen, die echter desondanks nog eerder tot op zekere hoogte kun­nen worden gecompenseerd en gecorrigeerd, dan de joods besneden en hei­dens onbesneden Jezus. Daarom moet echter juist in deze tijd niet alleen de oude, doch meer nog de nieuwe onzin in al datgene in deze evangeliën wat Mij tegenspreekt volledig worden geschrapt, waarbij Ik Mijzelve niet uitsluit, op­dat het enige en blijvend ware evangelie naar Johannes volledig tot zijn recht kan komen.

Want een ieder zal gemakkelijk begrijpen en bevatten, dat Ik met het oog op deze vier thans bestaande evangeliën alsook zo menige brief van Paulus en van de andere apostelen niet tot in alle eeuwigheid boven kritiek verheven ben, omdat iedere ongerijmdheid die daarin voorkomt Mij in de ogen van de ge­leerden op de wereld zelf onwaarschijnlijk doet schijnen - dus evenzo als bij de huidige christelijke sekten, waarbij ook iedere sekte haar eigen Christus heeft, die de vrijheid neemt om iedere andere Christus van een andere sekte steeds te verdoemen.' (Gr XI blz. 278)

'Hoewel de evangelisten alles onder de leiding van Mijn geest hebben geschre­ven was hun wil desondanks volkomen vrij evenals hun oordeel en de conclu­sies die zij daarmee konden trekken.' (Gr XI blz. 296)

 

Het lot dat het evangelie in de handen van de katholieke kerk beschoren was

 

De verkondigingen van de Nieuwe Openbaring hebben een volledig nieuw licht op het ontstaan van de evangeliën en op hun verder lot geworpen. Vele onjuiste theorieën kunnen worden begraven. Van groot belang is het feit dat de mededelingen van de Nieuwe Openbaring betreffende de willekeurige en zinstorende veranderingen die de bisschoppen in de eerste eeuwen in het evan­gelie hebben aangebracht na het tweede Vaticaanse concilie eindelijk ook door katholieke geleerden in het openbaar mogen worden toegegeven. De re­sultaten van historische onderzoekingen bevestigen ook in dit geval de juist­heid en betrouwbaarheid van de uitspraken die de Nieuwe Openbaring heeft gedaan.

Over de eerste eeuwen van het Christendom ligt voor een niet gering gedeelte diepe duisternis. De originelen van de evangeliën waren reeds rond het jaar 200 niet meer voorhanden. 'Ook in de eerste eeuw vinden wij geen zekere sporen die erop wijzen dat de oorspronkelijke exemplaren nog voorhanden waren.'14

De oudste volledige afschriften die de basis van het Nieuwe Testament vormen stammen uit de vierde eeuw. Bij het kopiëren werden ontelbare kleine fouten gemaakt. Men schat deze over het algemeen op 250000, waarvan volgens de katholieke theoloog Henri Daniel-Rops ca. 250 substantiële veranderingen zijn.15 Onaangename feiten werden soms in het tegendeel veranderd. Toen Paulus in Jeruzalem met Petrus en enkele andere 'toonaangevende apostelen' een heftige uiteenzetting had, erkende hij Petrus' hogere rang niet, doch ver­klaart in de eerste brief aan de Galáten 2, 5: 'Wij zijn voor hen geen ogenblik gedwee uit de weg gegaan.' In verschillende codices, zoals bijvoorbeeld in Co­dex D (die ongeveer uit 500 dateert) is de afloop van dit dispuut juist omge­keerd voorgesteld. 16 In deze afschriften veranderde men het woord 'geen' in 'een' , om de autoriteit der pausen, waarnaar in 500 reeds werd gestreefd, niet in gevaar te brengen. (Deze verdraaiingen zijn echter niet in het Nieuwe Tes­tament opgenomen, zoals wij het nu kennen.)

De gelovigen werden lange tijd in onwetendheid gehouden over het feit dat de evangelisten in talrijke gevallen over dezelfde gebeurtenissen verschillend be­richtten, hoewel reeds de H. Ambrosius, bisschop van Milaan in de vierde eeuw, de uiteenlopende berichtgevingen in zijn commentaren op de evange­liën heeft besproken.

Hier worden slechts enkele voorbeelden gegeven die voldoende bewijzen dat het evangelie niet op een onfeilbare verbale inspiratie door de Heilige Geest kan berusten.

De sterfdag van Jezus wordt door de synoptici (Mattheüs, Marcus, Lucas) enerzijds en door Johannes anderzijds verschillend aangegeven. De synoptici berichten dat Jezus op een zaterdag zou zijn gekruisigd, wat volledig ondenk­baar is, omdat deze dag op een belangrijke feestdag viel. Volgens het evange­lie naar Johannes stierf Jezus op een vrijdag. Wat de tijd van de kruisiging betreft is in Marcus 15, 25 te lezen: 'Het was het derde uur (9 uur), toen zij hem kruisigden.' Volgens mededeling van de getuige Johannes (19, 14) vond de veroordeling van Jezus door Pilatus pas rond het zesde uur (12 uur) plaats.

Ook de opgaven omtrent het tijdstip waarop de vrouwen op Paasdag naar het graf gingen stroken geenszins met elkaar. Johannes schrijft: 'Terwijl het nog donker was' (20, 1); Marcus daarentegen: 'Toen de zon opging' (16, 2).

Volgens Mattheüs zagen de vrouwen een engel op de wegge rolde steen vóór het graf zitten (28, 2). Marcus bericht dat de vrouwen de engel pas binnenin het graf zagen (16, 5).

Uit datgene wat Lucas heeft opgetekend is op te maken dat Jezus tijdens Zijn onderwijzende periode slechts éénmaal in Jeruzalem was, terwijl Hij volgens het Johannes-evangelie - in overeenstemming met de NO - er in de loop van drie jaar meermalen is geweest. Mattheüs (27,44) en Marcus (15, 32) vermel­den dat de twee andere gekruisigden Jezus smaadden. Lucas zegt het tegen­deel. Slechts één van beiden zou Jezus hebben gelasterd, waarop de andere hem terechtwees.

Volgens Lucas (24, 5) vond Jezus' hemelvaart bij Bethanië plaats, volgens de Handelingen der apostelen 1, 11-12 op de Olijfberg bij Jeruzalem.

De uiteenlopende uitspraken over dezelfde gebeurtenissen bevestigen het­geen in de NO wordt gezegd, dat de evangelisten niet altijd betrouwbare zegs­lieden hadden.

Ook over de interpolaties en veranderingen die in het evangelie zijn aange­bracht en zoals deze door de NO worden geschilderd, zijn de experts het allang eens. Dit is geen nieuws, doch deze feiten werden lange tijd voor het kerkvolk geheim gehouden. Reeds de beroemde bijbelgeleerde Origenes (250 n. Chr.) was tot de slotsom gekomen dat sommige bijbelse berichten verzinsels zijn.17

Na het tweede Vaticaanse concilie konden eindelijk ook de katholieke geleer­den de waarheid huldigen en datgene in het openbaar uitspreken, wat zij al­lang wisten. Vóór die tijd maakten de Encycliek van Leo XIII (t 1903) en de overige decreten van de katholieke kerk dat onmogelijk. De bedoelde antimo­dernisten-encycliek van Leo XIII 'Providentissimus Deus' leerde dat de evan­geliën 'met onfeilbare waarheid alles(!) uitspreken wat God hun (de evangelis­ten) beval te schrijven en wel uitsluitend datgene wat Hij hun beval' 18. Deze methode bracht Albert Schweitzer ertoe kort en krachtig op te merken: 'Men liet de waarheid niet tot haar recht komen... doch zij werd vermeden, ver­draaid of onder de tafel geveegd.'19

Zelfs in 1962 moest prof. Karl Rahner S.l., rekening houdende met de lering van Leo XIII, Benedictus XV en Pius XII, in theologische lexica schrijven dat de inspiratie alle gedeelten van de Schrift omvat en wel ook die passages, die niet op de heilsleer, doch op natuurkundige stellingen betrekking hebben.(!) Dit alles zou door God verklaard zijn en dus vergissingen uitsluiten.20 Uiter­aard wisten de experts Rahner, Brinkmann enz. dat de geschriften van het Nieuwe Testament talrijke tegenstrijdigheden en vergissingen bevatten. Der­halve waren zij genoodzaakt deze problemen op sofistische wijze op te lossen.

Na een verbitterde strijd met de Curie vond toen na vele eeuwen bij het laatste concilie een ommekeer plaats. Talrijke bisschoppen verklaarden dat de tot dusverre gedane beweringen door wetenschappelijk onderzoek onhoudbaar waren geworden. Zo bracht onder meer Kardinaal König (Wenen) op het con­cilie een hele reeks van historische onjuistheden naar voren, die de Bijbel be­vat.21 Nadat men het erover eens was geworden dat niet alle teksten betrouw­baar zijn, werden de katholieke exegeten in de constitutie opgeroepen om vooral in het Oude Testament de beschrijvingen meer vanuit een historisch oogpunt te bezien. Nu mochten de katholieke geleerden openlijk uitspreken wat zij reeds lang wisten en tegen hun overtuiging indruisend in katholieke lexica anders moesten beschrijven. In het Herders theologisches Taschenlexi­kon, dat in 1972 verscheen, kon Rahner nu schrijven: 'De tekstkritiek (lage kritiek) streeft ernaar de oorspronkelijke tekst van de bijbelse boeken aan de hand van de met de hand geschreven overlevering zo exact mogelijk vast te stellen. Dit is noodzakelijk omdat de tekst bij het kopiëren talloze veranderin­gen, hetzij door fouten, hetzij door opzettelijke*(* Door mij cursief benadrukt.) correcties heeft onder­gaan. '22

In de nieuwe druk van het Katholisches Bibellexikon, uitgegeven door H. Haus S.l., Einsiedeln 1968, ontbreekt thans de in eerdere uitgaven voorko­mende zin: 'De integriteit van de evangeliën staat vast voor wat de hoofdzaak betreft.'

Prof. Geiselmann verklaart thans onomwonden dat het evangelie, zoals het nu luidt, meermalen is geredigeerd. 23

'Dit alles moet weg' , sprak de Heer tot Lorber. 'Wij zullen de wetenschap haar speelruimte laten behouden, want zij is thans een effectief schoonmaakmiddel om het vuil te verdelgen...' (Gr XI blz. 279)

Het duurde bijna een eeuw voordat deze uitspraak uit de Nieuwe Openbaring in de katholieke kerk tegen het heftige verzet van de Romeinse integralisten bewaarheid werd en men de katholieke wetenschappers toestond om re­searchwerk te doen dat kritiek op de Bijbel met zich mede bracht en de resulta­ten daarvan te publiceren.

Hoewel de hiërarchie op de hoogte was met de tegenstrijdigheden en de mani­pulaties die het evangelie had ondergaan, eiste zij onvoorwaardelijk dat ieder­een geloofde dat elk woord zonder vergissing door de Heilige Geest was inge­geven en dat de evangeliën er aanspraak op maken niet de geringste vergissing te bevatten; wie dit niet geloofde werd met eeuwige straf in de hel bedreigd. Door de verdraaiingen was de blijde boodschap tot een dreigboodschap ge­worden. De God van de oneindige liefde werd tot een wrekende God uit het Oude Testament, die bij het overtreden van kerkelijke voorschriften eeuwige straf in de hel oplegt.

Om te verhinderen dat Gods volk bij het lezen van de Bijbel zou gaan twijfelen verbood de kerk eeuwenlang het lezen van de Heilige Schrift. In Spanje stond op het bezit van de Bijbel zelfs de doodsstraf. 24

Deze feiten, die de wetenschap bekend zijn, werden Lorber reeds meer dan honderd jaar geleden gedicteerd: 'Rome heeft het volk streng verboden het gehele evangelie evenals de boeken der Joden te lezen en de overtreders van dit gebod zelfs met de dood bestraft.' (Gr XI blz. 282)

Om navorsingen aangaande het Nieuwe Testament aan de hand van de Griek­se codices te verhinderen verbood de Universiteit van Parijs (Sorbonne) zelfs de studie van de Griekse taal. Dit werd als ketterij beschouwd en met de dood bestraft.25 Het verbod om de Bijbel te lezen werd de gelovigen tot in de negen­tiende eeuw telkens weer ingescherpt. Nog rond de eeuwwisseling van de ne­gentiende naar de twintigste eeuw bestonden er, zoals de Jezuïet L. Billot (la­ter kardinaal) vermeldde, in 1902 voor theologiestudenten geen problemen in de bijbelwetenschap, omdat zulk een wetenschap (in de katholieke kerk, Egg.) in het geheel niet bestond en niet mocht bestaan. 'Sedert twintig jaar', schrijft Billot, 'doceer ik. Mijn studenten weten niet eens dat er een probleem met betrekking tot de Bijbel bestaat.'26

Een verder opmerkelijk bewijs voor de geest die de regels ademden die voor het onderwijs van jonge priesters golden, wordt geleverd door een beschrij­ving van Ernesto Buonaiuti, die in zijn studietijd in het priesterseminarie met de latere paus Johannes XXIII bevriend was. Hij bericht dat geen enkele theo­logiestudent het Nieuwe Testament mocht bezitten. De studenten kregen het pas in handen wanneer een welwillende prefect het hun bij de eerste wijding cadeau gaf. 27

De uitspraak van de H. Hiëronymus, kerkleraar (vierde eeuw), 'Wie de Heili­ge Schrift niet kent, kent Christus niet', mocht lange tijd tot in de twintigste eeuw niet worden geciteerd. Tegenwoordig mogen ook katholieken weten dat de Bijbel tegelijkertijd het woord van God en van de mensen is. Om de oudere generatie niet te verontrusten wordt er echter niet vaak en niet bijzonder in­structief over gesproken en geschreven. De breuk in het systeem wordt door de meeste gelovigen ook nog helemaal niet opgemerkt. De dogmatische con­stitutie 'Dei Verbum', die na een heftige strijd met de Curie tenslotte als com­promis tot stand kwam, heeft zich in voorzichtige formuleringen van de tot dusver geldende leer teruggetrokken. De constatering van prof. Hans Küng: 'Lang is inderdaad de lijst van punten waarin ketters achteraf gelijk hebben gekregen' 28, wordt door deze verandering, die de veranderde tijden met zich hebben meegebracht, voor de zoveelste maal bevestigd.

De schade zal echter waarschijnlijk niet meer te herstellen zijn. De jonge ge­neratie - in het bijzonder de academische jeugd - onderkent de fundamentele betekenis van dit proces, dat de vraag van de waarachtigheid onder ieders aan­dacht brengt. Zij zal ongetwijfeld haar conclusies weten te trekken.

Gevolgen van andere aard hadden zich echter door betweterij en gewetens­dwang reeds veel vroeger voorgedaan. De geschriften die in de tijd van de Verlichting (zeventiende en achttiende eeuw) ontstonden vormden in hoge mate een reactie op het verstrekken van de apologetische slaapdronk door de kerk. 'De vijand', zegt Amos N. Wilder, 'staat gelijk met domhouderij, bijge­loof, onwetendheid, dogmatisme, met alle tirannen van de ziel en de geest. '29 Bijgevolg zijn de werken van een rationalistische geest doortrokken; de gevol­gen daarvan zijn thans nog zichtbaar.

 

Individuele vergelijkingen tussen de Nieuwe Openbaring

en de wetenschappelijke hypothesen

 

Weliswaar bevestigt de Nieuwe Openbaring een groot aantal resultaten van bijbelkritisch wetenschappelijk onderzoek, zoals in het bijzonder de verande­ring van de evangeliën door de mannen van de kerk, wat de wetenschap als 'gemeentewerk' betitelt. Deze wetenschap schoot echter dikwijls haar doel voorbij en verzonk in onhoudbare speculaties.

Er bestaat bijvoorbeeld overeenstemming over wanneer E. Hirsch constateert dat het Lucas-evangelie 'bij voortduring verbeteringen, doorhalingen en aan­vullingen heeft ondergaan'. 30 Wanneer Lucas schrijft (1, 3) dat hij 'alles van meet aan nauwkeurig heeft nagegaan', dan bevestigt de NO deze ijver. De betrouwbaarheid van zijn zegslieden kon hij echter niet nagaan. De NO laat ons dan ook weten dat 'van onderzoek. . . geen sprake was' (Gr XI blz. 277). Ook katholieke theologen laten er thans geen twijfel meer over bestaan dat Lucas sommige gebeurtenissen bewust heeft vergoelijkt of verzacht, Paillard verwijt Lucas eigenmachtige chronologische wijzigingen en ontbrekende op­gaven van plaats 31

Irenaeus, Origenes, Eusebius en Hiëronymus berichten in de eerste eeuwen dat 'Mattheüs zijn evangelie in Judea voor Hebreeën... voor die gelovigen schreef die van het Jodendom naar het Christendom waren overgegaan... voordat hij wegreisde en hen verliet' 32. Zoals reeds vermeld komt dit met de werkelijke gang van zaken overeen.

In de brief aan de Colossenzen (4,14) schrijft Paulus: 'De geliefde geneesheer Lucas.' Men maakte hier zonder meer uit op dat daarmee de evangelist Lucas werd bedoeld. Uit de Nieuwe Openbaring kunnen wij zien dat deze veronder­stelling een foutieve interpretatie is. De NO bevestigt daarentegen de legende dat Lucas schilder zou zijn geweest. 33 Hoe sterk de meningen van de onder­zoekers soms door fantasie worden bevleugeld wordt door de volgende uiteen­lopende meningen aangetoond.

Paillard gaat zover de volgende bewering te uiten, die van iedere grond is ont­bloot: 'Zijn (Lucas') woordenschat getuigt van een grondige medische kennis, die op Hippocrates, Dioscorides en andere autoriteiten steunt. '34 Andere theologen bestrijden deze zwakke hypothese met beslistheid. 'Volgens oudkerkelijke overlevering uit de tweede eeuw' , is in het geschrift Sachkunde Religion te lezen, 'zou de auteur, de arts, een reisgenoot van Paulus zijn. De auteur heeft echter geen medische opleiding genoten en is ook met de theolo­gie van Paulus niet bijzonder vertrouwd.'35

Vanuit het standpunt van de NO kan men de uiteenzetting van het katholieke bijbelwerk te Stuttgart toestemmen: 'Pas de kerkelijke overlevering van de tweede eeuw (Irenaeus, Canon Muratori) noemt de naam van Lucas, be­schrijft hem als arts en identificeert hem met de begeleider van Paulus, die dezelfde naam had. Doch wij mogen aan zulke opmerkingen niet al teveel his­torische bewijskracht vastknopen.'36

Over de rol die de evangelist Marcus in verhouding tot de andere synoptici heeft gespeeld worden reeds sinds meer dan 200 jaar de meest uiteenlopende vermoedens geuit. Aangezien de evangeliën van Mattheüs en Lucas talrijke perikopen bevatten, die ook Marcus aanhaalt, gaan vele wetenschappers er­van uit dat het Marcus-evangelie de basis vormt en dat de andere evangelisten van hem hebben overgeschreven. Tegen deze stelling keerden zich in de vorige eeuw reeds dr. Fr. Strauss, Wrede en F.Ch. Baur; zij beweren dat niet Lucas en Mattheüs van Marcus afhangen, doch dat het precies omgekeerd is. 37

Weer anderen zien in Marcus een 'onbekende heidense christen, die Palestina maar slecht kent en dus geen oog - of oorgetuige is 38. Arthur Drews vertegen­woordigt de radicale hypothese: 'Marcus heeft al zijn verhalen doodeenvoudig aan het Oude Testament ontleend en met behulp van de sterrenhemel bijeen­gefantaseerd.' Aangezien Drews het bestaan van Jezus ontkent kan hij onmo­gelijk tot een andere conclusie komen.

Wanneer wij ons met de oude christelijke bronnen bezighouden vinden wij bij Papias, de bisschop van Hiërapolis ( + na 120 n. Chr.) de mededeling dat Mar­cus de tolk van Petrus was. Hijzelf zou dit van de presbyter Johannes hebben vernomen. 39

De oudste kerkauteur Eusebius bericht, dat Clemens van Rome wist dat Mar­cus tijdens het leven van Petrus schreef. Irenaeus en Papias (tweede eeuw) daarentegen beweren dat hij zijn evangelie pas na Petrus' dood opzette. Uit de talrijke en elkaar tegensprekende meningen wordt duidelijk dat men niet op de traditie kan vertrouwen. Wij weten uit de vermelde citaten uit de NO dat Marcus de zoon van Petrus was en onafhankelijk van anderen een eigen evan­gelie heeft geschreven. Hij behoefde van niemand iets over te schrijven. Een onderzoeker vraagt zich terecht af: 'Hoe is het mogelijk dat hij zo'n levende indruk maakt?40

Marcus geeft bepaalde details op de juiste wijze weer, waaruit valt op te ma­ken dat hij in Galilea gewoond heeft. Zo schrijft hij dat een lamme door het gedrang niet in het huis naar binnen kon worden gedragen waarin Jezus zich bevond: 'Na het dak opengebroken te hebben lieten zij de matras neder.' (Mc 2,4) De NO bericht dat in Galilea de daken van de hutten (die men geen 'hui­zen' in de tegenwoordige betekenis kan noemen) uit riet bestonden, dat met enkele handgrepen kon worden verwijderd. Twintigste eeuwse Bijbelcritici menen het beter te weten en beschouwen de desbetreffende passage als een vertaalfout. Hun denkcategorieën gaan kennelijk in de richting van een pla­fond van gewapend beton en derhalve is een auteur van mening dat de juiste tekst luidt: 'Zij brachten hem naar het dak.'41

Bij de beschouwing van het Marcus-evangelie moeten wij even teruggaan naar de evangelist Mattheüs, omdat datgene wat nu wordt gezegd met hem verband houdt. Er werd verhaald dat de evangelist Mattheüs naar India ging. Op zijn reis kwam hij in een stad 'die destijds Babylon heette, hoewel het oude Baby­lon tamelijk ver van deze stad verwijderd een grote puinhoop vormde.' (Gr X 162, 2)

Met de koning van dit land was Mattheüs op goede voet komen te staan, doch wegens de invloed van de priesterkaste mocht hij het evangelie niet verkondi­gen. 'Zeven jaar later', staat er letterlijk in de NO, 'kwam immers Petrus met zijn zoon Marcus naar deze koning en werd eveneens goed ontvangen.' (Gr X 161,5) Ook Petrus werd door deze koning met nadruk voor de woede van de Baäl-priesters gewaarschuwd. 'Petrus', staat er voorts, 'liet zich er weliswaar lange tijd niet toe verleiden (de leer van Jezus te verkondigen, Egg.), vooral omdat ook zijn zoon en helper Marcus hem ernstig waarschuwde.' 'Petrus ging na enkele jaren nochtans eenmaal uit de stad' en genas zieken. (Gr X 161, 9­10) Daarop werd hij in een bos gelokt, en 'in dit bos overmeesterden de pries­ters Petrus, ontkleedden hem, doodden hem en hingen hem vervolgens aan zijn voeten aan een dunne mirteboom op'

(Gr X 161, 15).

Hierop volgt een opmerkelijke mededeling: 'Ik geef u hiermede het weten over waar en hoe de eerste apostel voor deze wereld aan zijn einde is gekomen. Dus niet in Rome, nog minder in Jeruzalem, doch in de nieuwe stad Babylon, die later de Saraceense naam Bagdad ontving.' (Gr X 161, 21) Elders wordt nogmaals de bovenaangegeven mededeling bevestigd dat Petrus de stad Rome in zijn leven nimmer heeft aanschouwd (Gr XI 246).

Dit komt overeen met de eerste brief van Petrus 5, 13, waar te lezen is: 'U laat de mede uitverkorene te Babylon groeten, en mijn zoon Marcus.'

Hoewel de katholieke kerk met gestrengheid eiste dat ieder aan de letter van de Heilige Schrift geloofde, heeft zij in dit geval, om voor de hand liggende redenen, de plaatsnaam 'Babylon' als Rome geïnterpreteerd.

De onafhankelijke wetenschappers die zich in het bijzonder met het onder­zoek van deze kwestie hebben beziggehouden, zijn in overeenstemming met de NO tot de conclusie gekomen dat Petrus nooit in Rome is geweest.42

 

De research van de liberale bijbelcritici

 

De modernisten-encycliek van Pius X (1907) maakte tot medio deze eeuw op straffe van excommunicatie iedere vrije historische bijbelkritiek door katho­lieke geleerden onmogelijk. Wat er op dit gebied werd gepubliceerd was enkel en alleen van apologetische aard.

De onafhankelijke onderzoekers daarentegen houden zich sedert bijna 200 jaar met historisch kritisch bijbelonderzoek bezig. Zij gebruikten al hun scherpzinnigheid om Jezus' leer voor onze gedachten doorgrondelijker te ma­ken en de later in het evangelie aangebrachte willekeurige veranderingen van de tekst op te sporen. Bij vele auteurs moet worden toegegeven dat zij niets onbeproefd lieten om de waarheid aan het licht te brengen. In andere gevallen echter is het tendentieuze en dikwijls polemische karakter van de afhandelin­gen overduidelijk. Weliswaar is de wetenschappers duidelijk geworden dat het evangelie achteraf is gewijzigd, doch bij het schrappen van de onechte passa­ges zijn zij veel te ver gegaan. Met het onkruid hebben zij ook heel wat waar­devol gewas uitgewied.

De op de spits gedreven historische kritiek is haar grenzen te buiten gegaan; als gevolg daarvan heeft zij zichzelf steeds weer moeten corrigeren. Wanneer Zahrnt erop wijst dat het moeilijk is om 'met zekerheid te zeggen wat er van het geloof na de opstanding van de gemeente afkomstig is, en wat er van Jezus zelf komt' 43, dan kan men hem alleen maar gelijk geven. Wij kunnen hem echter niet volgen wanneer hij volhoudt dat men 'slechts met radicale kritiek het doel kan bereiken '44, en dat men aldus 'een kritisch zeker minimum ver­krijgt' 45.

Datgene wat er namelijk bij deze methode is overgebleven is een puinhoop van opgeblazen fundamenten van het christelijk geloof. Het begrip 'Christen­dom' is omgezet in iets wat met de leer en de persoon van Jezus niet veel meer gemeen heeft. De mensheid vervalt kennelijk steeds van het ene uiterste in het andere. Enerzijds heerste tot voor kort in de kerk een streng en scherp omlijnd biblicisme, dat de tegenstrijdigheden en vervalsingen niet aan het licht wilde laten komen, anderzijds valt bij de liberale onderzoekers dikwijls een wel­haast herostratische vernielzucht te constateren, die alles als een bijtend zuur aantast, zodat uiteindelijk het gehele evangelie tot een mythe oplost.

Men begrijpt niet dat het evangelie een 'nieuw soort literatuur' is en dat Jezus niet met dezelfde analytische methode kan worden benaderd die men voor een biografie van historische persoonlijkheden, zoals Alexander de Grote of Na­poleon, kan gebruiken.

Aan de hand van evangelie teksten kan men alles en niets bewijzen wanneer men ze eenzijdig uitzoekt en alle passages tot onechte interpolatie verklaart die niet met de naar voren gebrachte hypothese stroken. Zoals in een later hoofdstuk uitvoerig wordt behandeld hebben enkele auteurs deze willekeuri­ge vorm van exegese op welhaast misdadige wijze gebezigd. In vele uitspraken van de Heilige Schrift zag men uitsluitend bijgeloof, omdat de onderzoekers blind waren voor de metafysische diepte van de heilsboodschap. Bovendien trachtten fanatici al Jezus' wonderen op natuurlijke wijze te verklaren, omdat een bovennatuurlijke uitleg niet in hun kraam te pas kwam. Vrijwel geen en­kele geleerde sluit zich tegenwoordig nog bij het standpunt van de extreme negentiende-eeuwse critici aan die beweerden dat Jezus helemaal niet heeft bestaan.

In de loop der tijden werd een conglomeraat van hypothesen naar voren ge­bracht, zodat er - zoals Albert Schweitzer zegt - net zoveel meningen als pro­fessoren zijn. Men maakte Jezus tot een profeet, goed mens, religieus leraar, zedelijk voorbeeld, Esseeër, zwerver, dwaas, sociale revolutionair en opstan­delingenleider tegen de Romeinse bezettingsmacht. Slechts dat wat Hij wer­kelijk was, de Zoon Gods en Verlosser, geeft men niet toe.

Op 30 oktober 1842 werd Lorber in dit verband voorspeld: 'Wat hebben de mensen niet reeds allemaal van Mij gemaakt! Hoe vaak werd Ik niet (reeds tijdens Zijn leven, Egg.) een bedrieger, volksmenner, luilak, vagebond, zon­derling, dwaas, tovenaar, zelfs een dienaar van Beëlzebub genoemd. Zelfs in deze tijd (negentiende eeuwen daarna, Egg.) gaat het Mij op aarde nog geen haar beter.' (Hi II blz. 137)

Weliswaar heeft de research tot nieuwe ontdekkingen geleid, doch evenzo dik­wijls verviel men in nieuwe vergissingen. Thans zijn de wetenschappers het erover eens dat de historisch-kritische research geen bruikbaar resultaat te­weeg heeft gebracht. Günther Borkamm - en niet alleen hij - resumeert: 'Aan het eind van de research over Jezus' leven staat het besef dat deze gefaald heeft.' 46

De critici hebben er geen rekening mee gehouden dat 'alles wat diep ligt van versluiering houdt' 47, en dat het evangelie zowel openbaart als versluiert. 'De waarheid', benadrukt de NO, 'zal de mensen van deze aarde slechts in bedekte termen worden gegeven.' (Gr VI 204, 3) Om die reden verklaarde Franz Over­beck dat de geschriften van het Nieuwe Testament 'bijzonder goed tegen aan­slagen van de zijde van subjectieve uitleggers moeten worden beschermd' 48.

De tekst van de Heilige Schrift valt niet zo te ontleden als de liberale critici lange tijd hebben gedaan. In de NO vinden wij een hoogst opmerkelijke ver­kondiging ten aanzien van dit probleem: 'Wie door zuiver gadeslaan en aan de hand van het oordeel van zijn wereldlijk verstand de innerlijke ware en van God afkomstige wijsheid wil bereiken, vergist zich totaal, raakt op dwaalwe­gen vol afgronden, waar hij in de duisternis van zijn geest maar al te gauw en gemakkelijk in kan vallen en geheel te gronde gaan.' (Gr XI 100, 11) Wanneer men aan sommige vertegenwoordigers van de 'nieuwe theologie' denkt die als echte 'partizanen van het atheïsme' (Kahl) te werk gaan herkent men in deze verontrustende ontwikkeling een bevestiging van de juistheid van deze mede­delingen in de Nieuwe Openbaring. Het mag evenmin worden verzwegen dat katholieke theologen ook al met de kwade geest van het verval zijn besmet.

Over één vaststaand feit is thans geen discussie meer mogelijk: de wetenschap­pelijke bijbelkritiek heeft het geloof niet gesteund doch vernietigd; op zijn minst werden vele christenen in de loop der eeuwen steeds onzekerder ge­maakt. Albert Schweitzer laat geen twijfel over het falen van de liberale bijbel­vorsing bestaan wanneer hij constateert: 'Diegenen die graag over negatieve theologie spreken hebben het gemakkelijk wat de resultaten van de research over Jezus' leven betreft. Deze zijn negatief.' 49

Deze ontwikkeling, die sedert twee eeuwen op gang is, is voor de huidige situatie van de steeds minder christelijk wordende wereld van het grootste belang; wij zullen ons dan ook in een later hoofdstuk nader met elk van de verschillen­de theorieën bezighouden, die ten dele door de massamedia zijn verspreid en die veel onrust en twijfel in de harten van christenen hebben gezaaid.

 

 

DEEL III

 

De belangrijkste uitspraken van de Nieuwe Openbaring

aangaande de heilsleer

 

De Nieuwe Openbaring betekent volgens Lorbers verkondigingen dat het ze­gel van het evangelie wordt verbroken. Het is de bedoeling dat met deze Openbaring de besmeurde boodschap van Jezus weer wordt gereinigd, terwijl tegelijkertijd de mensen van de eindtijd de werkelijke zin en inhoud van de leer leren kennen. 'Daarom bleef de Bijbel behouden, om u het grootste en sterkste bewijs te geven hoe daar alles reeds is opgetekend wat zich in latere periodes trapsgewijs moest ontwikkelen.' (Pr 133)

'Deze grote, van Mij afkomstige levende gave der genade (de NO) is er welis­waar toe bestemd om door de wereld te worden opgenomen, doch pas wan­neer de bedorven wereld weer honger gevoelt naar Mijn maaltijd. De honger nu bereidt de katholieke kerk. Hoe geschiedt dit nu? Door haar slechte maal­tijd en door de bedorven zielemaag welke deze maaltijd teweegbrengt. Deze maag zal dan enige tijd niets meer willen opnemen en daardoor de nodige hon­ger krijgen, zodat hij dan Mijn ware brood des hemels gulzig zal verslinden om zich daarmede voor het eeuwige leven te verzadigen. Zie, aldus wens Ik dat het geschiede.' (Hi II blz. 275)

Dit tijdstip is nu wel gekomen. Het geluidloze kwijnen van de katholieke kerk, het gebrek aan belangstelling voor de zondagse diensten en preken evenals de onverschilligheid tegenover hetgeen de officiële kerken te zeggen hebben, is reeds ver gevorderd. Het vertrouwen in de leer en de autoriteit van de kerken wordt steeds geringer; zij worden steeds meer geïsoleerd. De Milaanse Corrie­re della Sera citeert de uitspraak van een Monsignore, die de katholieke kerk in haar huidige middeleeuwse vorm nog tien à vijftien jaar te leven geeft.!

'Ik heb u (de lezers van de Nieuwe Openbaring, Egg.) zeer veel te zeggen wat Ik zelfs de apostelen niet heb medegedeeld.' (Hi I blz. 53)

Er wordt uitdrukkelijk op gewezen dat niets wat in het geweldige werk van de Nieuwe Openbaring aan wijsheid en wetenschappelijke verkondigingen is te vinden, uit het hoofd van Jakob Lorber afkomstig is. Lorber, zo zegt de NO, weet dat hij over dit alles niets weet. 'Hij spreekt niets uit zichzelf en kan het ook niet, omdat hij minder weet over welke wetenschap ook dan ieder van u. Juist daarom dient hij Mij als een geschikt werktuig, omdat zijn hoofd bijna niets bevat, maar zijn hart bij tijden des te meer...' (Hi I blz. 174)

Desondanks zullen 'de verstandelijk georiënteerde mensen, de geleerden en priesters alles in het werk stellen om de mensheid te overtuigen van het tegen­deel van wat Ik hem (thans) zal zeggen.' (Pr 167)

Dat de Nieuwe Openbaring sommige traditionele leringen van de kerk, die door de historisch-kritische research verdacht waren geworden, bevestigt, zal wellicht brede kringen, die van de rationele en materialistische tijdgeest zijn doortrokken, ervan weerhouden deze openbaring te accepteren. Doch heb­ben profeten zich ooit om de dwalingen van de tijdgeest bekommerd? Het is ontstellend wat er in de loop der tijden door de vervalsers in vroegchristelijke tijden en door de vernielende hermeneutiek van de liberale theologen aan het evangelie is misdaan. 'Men zal slechts met moeite kunnen vaststellen', staat er geheel terecht in de Nieuwe Openbaring, 'waar eens onder enkel leugenweef­sels de reine waarheid verborgen lag.' (Pr 222)

'Een dergelijke denkwijze is echter reeds sedert het ontstaan van de mens steeds bij sommigen de grondslag van hun handelingen geweest, en in de hui­dige (onze, Egg.) tijd preken uw geleerde materialisten dit zonder schroom en vinden gehoor bij een groot publiek, dat hun mening volkomen deelt en applaudisseert.' (Pr 272)

'Welnu, tegenover deze zogenaamde sterke geesten stel Ik een oneindig grote lankmoedigheid en uiteindelijk zullen wij zien of er niet een middel te vinden is om ook hun doofheid te genezen.' (Pr 325)

De volgende verkondiging van de Nieuwe Openbaring zal in de nabije toe­komst steeds meer betekenis krijgen: 'Thans, nu spoedig de tijd nadert waarin de mensen strenger worden gevraagd waarvoor zij op de wereld zijn en of zij ook weten waarom Ik op deze aarde ben gekomen, nu is het tijd geworden om de schors van de letter en tekst van Mijn evangeliën af te halen en de mensen onder deze schijnbaar harde schors de glanzende stroom goddelijk licht te to­nen, opdat zij in deze laatste tijd nog het verzuimde aan zichzelf en anderen kunnen inhalen en zo hun zending kunnen vervullen. Dat is de reden voor Mijn vele ophelderingen en verklaringen.' (Pr 298)

 

De schepping van de geesten

 

Het geestelijke bestaan van de mensen gaat oneindig ver tot in de grijze prehis­torie terug. Het houdt direct verband met de val van Lucifer. Ook al beschou­wen sommige mensen deze boodschap thans wellicht als mythologie, zij is het niet; zij is - zoals de Nieuwe Openbaring uitdrukkelijk mededeelt - een feit. God heeft in onheuglijke tijden talloze geesten geschapen. Ook in God be­staan 'de sterkste tegenstellingen', zonder 'welke Hij praktisch in het geheel geen wezen zou zijn'. 'In God waren echter al deze tegenstellingen reeds sinds alle eeuwigheid volkomen geordend.' 'Wanneer God nu vanuit Zichzelf naar Zijn evenbeeld wezens wilde scheppen, dan moest Hij deze immers dezelfde tegenstellingen geven die Hij zelf reeds in alle eeuwigheid in zeer goede en volkomen uitgebalanceerde verhouding bezat en moest bezitten, aangezien Hij anders nimmer scheppend had kunnen bestaan. De wezens werden derhal­ve volledig naar Zijn evenbeeld gevormd en daarom was het ook onvermijde­lijk dat zij het vermogen bezaten om zichzelf in de strijd met de in hen van God afkomstige tegenstellingen te consolideren.' 'Bij vele wezens hebben de tegen­stellingen de juiste verhouding volgens Gods orde bereikt en daarom zijn deze volmaakt.' (Gr 11 229)

De periode tussen de schepping van de geesten uit de oertijd en het tijdstip waarop zij het volledige gebruik van hun vrije wil verkregen wordt in de NO als voor menselijke begrippen van 'bijna eindeloze duur' zijnde aangegeven.

 

De val van een deel van de geesten onder leiding van Lucifer

 

Over de val van Lucifer - de grootste lichtgeest - en van zijn grote gevolg wordt bericht dat 'een zeer groot aantal oergeesten... van de geboden en dui­delijk aangegeven weg van Gods orde afweken en de weg van hun eigen ver­derf betraden' (Gr 11 231).

In de Nieuwe Openbaring wordt er nadrukkelijk op gewezen dat het heilge­beuren, Gods reddingsplan en de zin van het menselijke leven niet kunnen worden begrepen, wanneer het niet duidelijk wordt wie Lucifer is. 'Pas bij goede verduidelijking van deze belangrijke kwestie is het mogelijk om de schepping, Mijn afdalen, Mijn lijden en sterven juist op te vatten.'

'Zo hore dus de wereld, volledig van iedere vooringenomenheid ontbloot, het grote geheim van Mijn scheppings- en verlossingsplan.

Toen de Godheid zichzelf door gebeurtenissen, die voor u steeds een geheim zullen blijven, had gevonden en in zichzelf de scheppende en allesomvattende wereldgeest had herkend, toen ontstond er in Haar binnenste een geweldige beroering en Zij sprak bij zichzelve: 'Ik wil Mijn ideeën buiten Mijzelve bren­gen, opdat Ik aan de hand daarvan kan zien waartoe Mijn krachten in staat zijn!' Want zolang er geen activiteit ontstaat kan de Godheid zichzelf slechts in geringe mate kennen. Eerst door middel van Haar werken onderkent Zij Haar macht steeds meer en verheugt zich daarover (evenals iedere meester pas aan zijn produkten kan zien welke begaafdheid er in hem rust en zich daarover verheugt).

Zij wilde dus scheppen en sprak verder tot zichzelve: 'In Mij is alle kracht der eeuwigheden besloten; laten Wij dus een wezen scheppen dat alle krachten bezit gelijk Ikzelve, echter zodanig dat het die eigenschappen in zich draagt waarin Ik Mijzelve kan herkennen!' En er werd een geest geschapen, die alle uit Mij voortkomende kracht ontving om Mij de in Mij rustende krachten be­spiegelend te veraanschouwelijken.' (Gr XI blz. 41)

'Wanneer Ik u thans zeg dat deze als eerste geschapen geest "Lucifer" (d.w.z. drager des lichts) heette, dan zult gij ook begrijpen waarom hij zo heette en niet anders. Hij droeg in zich het licht der kennis en kon als eerste geestelijke wezen de grenzen van de polariteiten binnen de geest zeer goed bevatten. Hij nu riep, uitgerust met Mijn volledige macht, andere wezens in het leven, die volledige gelijkenis met hem vertoonden, ook de Godheid in zich voelden en hetzelfde licht der kennis in zich voelden branden als hij, eveneens zelf schep­pend optraden en alle kracht van Mijn geest ontvingen.' (Gr XI blz. 42)

'Lucifer, die terdege wist dat hij in zichzelf de tegenpool van God behoorde te vormen meende nu ertoe in staat te zijn de Godheid in zekere zin in zich op te zuigen en viel aan de dwaling ten prooi, dat hij als geschapen en daardoor ein­dig wezen de oneindigheid in zich zou kunnen opnemen; want ook hier gold de wet: "Niemand kan God (de oneindigheid) aanschouwen en daarbij in leven blijven." Dientengevolge kon hij weliswaar het wezen van de Godheid besef­fen en Haar bevelen horen, zolang hij in het juiste middelpunt stond, doch Haar nimmer persoonlijk aanschouwen.

Zoals nu het eindige wezen nimmer de oneindigheid kan en zal begrijpen en derhalve op dit gebied steeds gemakkelijk in vergissingen kan vervallen en in neergaande richting daarbij kan blijven, zo zonk Lucifer ondanks alle waar­schuwingen steeds dieper in de waan, dat hij de Godheid in zich zou kunnen opnemen en gevangennemen. Daarmee week hij van het juiste standpunt af, verwijderde zich uit het middelpunt van Mijn hart en werd steeds meer ten prooi aan de valse wens zijn schepsels, die door hem, doch uit Mij waren ont­staan, om zich heen te vergaren teneinde de met alle soorten wezens bevolkte ruimten te beheersen.

Er ontstond nu een tweespalt, een scheiding tussen de partijen, die uiteinde­lijk tot gevolg had dat de aan Lucifer toegekende macht door Mij werd terug­getrokken en dat hij met zijn gevolg machteloos werd en niet langer vermocht te scheppen.

Vanzelfsprekend kwam nu de vraag op: Wat moet er nu geschieden met deze heerscharen van gevallen en als dood, d.w.z. niets doend schijnende geesten? Er waren slechts twee wegen mogelijk. De eerste weg was Lucifer met zijn gevolg te vernietigen en alsdan een nieuwe te scheppen, die waarschijnlijk aan dezelfde dwaling ten prooi zou zijn gevallen, omdat een volmaakte geest, die Ik vrij in de wereld laat rondwaren, die derhalve niet van Mijn wil afhankelijk was, niet kon worden geschapen. Het gaf geen problemen om machines te scheppen die willoos uitvoeren wat Ik beveel. Om echter het licht van de zelf­kennis te verkrijgen was de tot dusverre gevolgde weg de enige. Aangezien echter door, d.w.z. door middel van Lucifer ook de andere geesten waren ge­schapen, die Mij trouw waren gebleven, behoorden deze tot zijn sfeer. Een plotselinge vernietiging van Lucifer zou dus ook de vernietiging van alle leven­de wezens betekend hebben.' (Gr XI blz. 43/44)

'Waardoor echter had Lucifer, wiens val slechts door een dwaling tot stand was gekomen en dientengevolge niet uitsluit dat hij zich weer van deze dwaling afwendt, dit verdiend? Waarom hadden de trouw gebleven wezens hun vernie­tiging verdiend en ook: wat zou er van Mijn wijsheid overblijven, wanneer Ik niet van meet af aan de mogelijkheid van ontrouw had onderkend en voorzien en derhalve een herhaling van het scheppingsgebeuren uitgesloten is? En vooral: wat zou er van Mijn liefde overblijven wanneer deze niet van vernieti­ging zou hebben afgezien, doch in plaats daarvan door de wijsheid middelen zou vinden om de verloren wezens naar het licht van de kennis terug te leiden, opdat zij aldus in het oprechte evenwicht van de polaire eigenschappen blij­ven?

Dus bleef er alleen de tweede weg over, die gij in de stoffelijke schepping voor u ziet.

Stelt u een mens voor die absoluut niet wil inzien dat de koning van het land een machtig heerser is, omdat hij door deze weliswaar alle kracht en volmach­ten heeft ontvangen, doch hemzelf nimmer heeft aanschouwd! Deze mens re­belleert tegen de koning en wil zichzelf tot koning verheffen. De koning, die niet wil riskeren dat hij de trouwe onderdanen bederft, grijpt hem, berooft hem van zijn ornaat en al zijn volmachten en laat hem in een kerker werpen tot hij weer tot rede is gekomen; datzelfde zal de koning met de aanhangers van deze opstandeling doen. Al naar gelang de aanhangers boete doen en hun ver­gissing inzien worden zij bevrijd en aldus trouwe aanhangers van de koning, die voor hen nu ook zichtbaar is geworden.

Deze onvolmaakte aardse voorstelling schildert u Mijn daad; want de gevan­genschap in de kerker is de stoffelijke schepping. Om wat er thans volgt te kunnen begrijpen moet gij de gevoelens van uw ziel oproepen, aangezien het menselijk verstand tekort schiet om het te bevatten.

Een ziel bestaat uit talloze partikels; elk van deze partikels komt overeen met een uit Mij afkomstig idee. Wanneer de ziel eenmaal tot een geheel is samen­gesmolten kan zij niet anders meer worden dan zij is, omdat zij dan met het karakter overeenkomt dat zij heeft gekregen. Een uitgekristalliseerd kristal kan in zijn kern niet meer worden veranderd en kristalliseert als romboëder of hexaëder, octaëder enz., afhankelijk van de vorm die met zijn karakter, d.w.z. de opeenhoping van partikels om het middelpunt van zijn leven overeenstemt.

Wanneer hier nu een verandering moet plaatsvinden, omdat de kristallen niet helemaal zuiver zijn geworden, dan moeten deze door warmte (liefde) worden opgelost, wat met het vrijlaten van hun wil gelijkstaat, om dan bij het afkoelen van het warme liefdewater opnieuw uit te kristalliseren. Nu worden er weer nieuwe, fraaie kristallen gevormd en iedere omzichtige scheikundige zal erin slagen om zo fraai, helder en groot mogelijke kristallen te verkrijgen, die voor zijn doel geschikt zijn.

Ziet, zulk een scheikundige ben Ik! Ik loste de onzuiver geworden kristallen (Lucifer en zijn gevolg) in het warme liefdewater op en liet deze zielen weer uitkristalliseren om ze helder te laten worden. Dat dit door opstijgen door het rijk der mineralen en planten tot aan de mens geschiedt, is u bekend. Aange­zien de ziel van Lucifer echter de gehele stoffelijke schepping omvat moet ook deze zich in menselijke vorm uitdrukken. Zo verenigen zich ook steeds alle geestenverenigingen in één persoon, die door de leider van deze vereniging wordt gepersonifieerd en vormen datgene wat men diens sfeer noemt. Iets soortgelijks dat dit duidelijk uitdrukt bestaat in het stoffelijke gebied niet, daarom sprak Ik: Roept de gevoelens van uw ziel op!

Thans zal het u ook duidelijker worden dat Lucifer gelooft dat hij zo moet handelen als geschiedt, opdat de materie kon worden geschapen - een dwaling om die reden dat niet de materie het uiteindelijke doel van Mijn schepping is, doch slechts het vrije beseffen, beminnen en begrijpen van de Godheid het doel van de uit Mij voortgekomen wezens is, terwijl de materie hiertoe slechts een hulpmiddel vormt. Lucifer volhardde in deze tweede dwaling en verzonk in de einden van zijn polaire eigenschappen, terwijl hij zichzelf wijsmaakte dat hij daardoor de materie moest behouden. Hij had zoveel vrijheid ontvangen om de materie te kunnen doordringen, d. w .z. bewust in zichzelf te aanschou­wen, opdat hij als de oergeschapen geest kon zien welk leed hij zijn metgezel­len had berokkend en daardoor tot een ommekeer werd bewogen. Hij deed dit echter niet, doch wilde nu pas goed als vorst der materie heersen die hem zou toebehoren. Om die reden verduisterde hij de mensenkristallen, die zich weer vormden waar het hem mogelijk was met het doel zijn rijk te behouden; want de strijd met God scheen hem groot, verheven en het leven behoudend toe.

De mensenkristallen, die eveneens weer vrijgemaakt moesten worden om het doel te bereiken, konden zich hem of Mij toewenden; velen lieten zich echter tijdens hun leven door hem gevangennemen. Men denke aan het heidendom, waarin hij zichzelf als koning en zijn polaire eigenschappen, die eveneens zeer grote wijsheid omvatten, als goden liet vereren!

De vraag ligt voor de hand waarom Ik zulke toestanden toeliet. Dit blijft onbe­grijpelijk, wanneer men het uiteindelijke doel niet voor ogen houdt en dat is uit zijn eigen vrije wil in God zichzelf te herkennen.

Wanneer een groot volksleider in dwalingen zwelgt en zijn aanhangers met zich meesleurt, hoe kan men dan het snelste het doel bereiken om allen het oprechte licht te brengen? Natuurlijk, indien de volksleider zelf van zijn dwa­lingen aflaat; immers, zijn aanhangers zullen hem binnen korte tijd volgen. Indien men echter tracht ieder der aanhangers afzonderlijk van hem af te bren­gen, net zolang tot hij alleen overblijft, dan wordt het doel pas veel later be­reikt. Ik echter zal steeds de opvatting blijven huldigen, dat de kern moet wor­den bewerkt en wanneer deze niet kan worden veranderd, dan de omweg wordt ingeslagen!

Daar nu tijdens de gevangenschap - denkt nu aan de gelijkenis van de koning ­telkens weer het verwijt naar voren werd gebracht: 'Als ik de koning kon zien, dan zou ik ook aan hem geloven!', besloot Ik onder meer daarom tot mens te worden; in de eerste plaats voor de gevallenen en in de tweede plaats om voor de niet-gevallenen de Godheid persoonlijk zichtbaar te doen worden en hun geloof aldus te kronen.

Hierin ligt het geheim van Mijn menswording besloten, die de materie moest doorbreken die overigens steeds harder en harder moest worden voor het ge­val dat Lucifer steeds meer naar de hardheid van de tegenpool zou afdwalen. Mijn menswording riep dit alles een halt toe en wees de juiste weg naar het losmaken van de afgodenverering en de verering van de polaire eigenschappen en moest nu ook het bewijs leveren, dat ten eerste - als het hoogste bereikbare goed - de dood, waardoor de mensen aan de materie en de geneugten daarvan gebonden waren, kan worden overwonnen en dat ten tweede het leven niet in de materie, doch in de geest geschiedt en de eerstgenoemde slechts een gevan­genis van de laatstgenoemde is.' (Gr XI, blz. 44-46)

'De gevallen geesten, die zich vrijwillig van Mij afwendden en de verkeerde weg hadden ingeslagen, konden of wilden niets over de vervolmaking, over vooruitgang weten. Om echter ook hen de weg niet volledig af te snijden, moesten zij in omstandigheden worden gebracht waar zij, ongehinderd in hun eigen vrijheid, kunnen omkeren wanneer zij willen.'

 

De schepping van het universum als gevolg van Lucifers val

 

'Voor dit doel nu werd de stoffelijke wereld of het gehele universum of de stoffelijke scheppingsmens geschapen. Daarin werden de geesten overeen­komstig hun mate van boosaardigheid in de materie gehuld, aan strijd, verzoe­kingen en lijden blootgesteld; ten eerste om hen er geleidelijk aan toe te bren­gen dat zij door de invloed van de gebeurtenissen om hen heen hun eigen fou­ten gaan inzien en bovendien, om aldus hun vrijwillige terugkeer zelf voor te bereiden.' '... Overal staat het beginsel van de vrijheid op de eerste plaats en het beginsel van de vervolmaking op de tweede plaats.' (Sgh, blz. 91 e.v.)

'Aldus zijn de gehele vaste aarde en de talloze andere hemellichamen uit die éne grote ziel van Satan gevormd, die in deze hemellichamen in ontelbare compendia werd verdeeld. De ziel is deelbaar en dus ook de oerziel van de eerste geschapen oergeest. Uit deze éne ziel wordt bij voortduring een onein­dig groot aantal zielen gewonnen.' (EM 53.9, 19-20)

'De gehele zichtbare schepping bestaat uitsluitend uit partikels van de grote gevallen en in de materie gevangen geest Lucifer en zijn gevolg.' (Hi II blz. 1)

Lucifer kon door God 'als gevolg van Zijn eeuwige liefde en erbarmen' niet vernietigd worden, want 'wat God eenmaal in het leven heeft geroepen kan wel van vorm veranderen en uit een minder edele in een edeler vorm overgaan of ook wel omgekeerd, doch nimmer vernietigd worden' (Gr II 232, 7).

Om die reden wordt elders nogmaals de nadruk op het volgende gelegd:

'Alles wat deze aarde vanuit haar middelpunt tot ver buiten haar hoogste luchtlaag bevat is zielesubstantie, en wel tot aan een zekere oplossingstijd in een veelsoortige harder of zachter gerichte toestand, wat ook de reden is waar­om zij voor het oog of de tastzin van de mens als hardere of zachtere materie zicht- of voelbaar wordt. Hiertoe behoren alle steensoorten, mineralen, aard­soorten, water, lucht alsmede alle nog daarin voorkomende ongebonden stof­fen.' Daarbij 'komt alle flora in het water en op de aarde alsook de tussensta­dia tussen flora en fauna' (Gr X 21, 1).

'Alles wat nu materie is, is ooit geestelijke substantie geweest, die vrijwillig uit Gods goede orde is getreden, zijn basis in de verkeerde stimulansen zocht en daarin volhardde. Bijgevolg is de materie niets anders dan een veroordeelde en uit zichzelf verharde geestelijke substantie. Nog duidelijker uitgedrukt is zij een zeer grof en zwaar omhulsel van het geestelijke.' (Gr IV 103, 4)

'Het geestelijke kan echter. .. nimmer zelf geheel en al tot materie worden, doch leeft en bestaat in de materie.' (Gr IV 103, 5)

Toen Jezus het zoëven gezegde aan een hooggeplaatste Romein trachtte uit te leggen, antwoordde deze enigszins van zijn stuk gebracht dat het niet zo ge­makkelijk was deze voor hem volkomen nieuwe leer te begrijpen. Daarop gaf Jezus hem ten antwoord: 'Beste vriend, Ik heb u immers voorspeld dat deze dingen in hun volle omvang maar moeilijk te begrijpen zijn.' (Gr II 230, 5)

'Een zuiver werelds verstand. .. gelooft aan niets wat het niet kan zien en met zijn handen kan grijpen.' (Gr IV 109, 11)

De Romein kon dat destijds niet begrijpen. De geleerden van onze tijd komen er met hun kennis van de atoomfysica al heel dicht bij deze uitspraak van Jezus te begrijpen. Dat blijkt duidelijk uit de in de sectie 'De dwaalweg van de mate­rialistische wetenschap' geciteerde uitspraak van de nobelprijswinnaar Max Planck.

De geest is de opwekker van de kracht, zegt prof. Planck 2 en stemt daarmee bijna woordelijk overeen met hetgeen hierover in de Nieuwe Openbaring te lezen is: 'Kracht als zelfstandig iets, zoals de geleerde materialisten bedoelen, bestaat helemaal niet. De geest is de opwekker van de kracht, bijeenhouder van de stof en aldus de hoofdfactor van het gehele leven. Zonder geest is er geen leven mogelijk, zonder leven geen stof.' (Lgh, blz. 78)

Er bestaat in de natuur een analogie, die de verandering van geest in materie ook voor de leek duidelijker kan maken. Een dichtgevroren vijver bestaat uit zeer hard ijs, in het voorjaar lost het ijs in zacht water op, in de hitte van de zomer droogt de vijver uit en is het water in de vorm van een luchtige wolk zichtbaar. De wolk lost op haar beurt in waterstofmoleculen op, en voor het oog is er niets meer zichtbaar. In de daaropvolgende herfst en winter speelt dit alles zich in omgekeerde volgorde af. Uit het schijnbare 'niets' wordt weer uiterst harde materie. Dit aan het wonderbaarlijke grenzende proces van de verandering van de aggregatietoestanden van de materie komt ons helemaal niet absurd voor; wij vinden het zelfs zo vanzelfsprekend, dat wij er nauwelijks bij stilstaan. De vele geweldige processen die in de natuur plaatsvinden be­schouwen wij als iets heel gewoons, omdat wij deze voortdurend waarnemen en niet kunnen ontkennen, ook al kunnen wij ze niet begrijpen. Is het aan te nemen dat Gods scheppingsmogelijkheden ophouden waar ons bevattingsver­mogen tekort begint te schieten?

'Aan wie gelooft', wordt er in de Nieuwe Openbaring gezegd, 'zullen vele wonderen worden geopenbaard. De ongelovige echter kan bij raad en hulp geen baat vinden. Tevergeefs kijkt hij met zijn blinde ogen Mijn grote werk­plaats van het leven binnen. Ik zeg u: hij zal niets vinden behalve excrementen des doods, want het leven is geestelijk, en geen microscoop kan u in staat stel­len de invloedssfeer van het leven gade te slaan.' (Ri I blz. 94, 7)

'En ook al klinkt u dat nog zo vreemd en wonderlijk in de oren, toch is het zo. Want niemand kent Mijn wegen, ook niet een engel des hemels, behalve Ikzel­ve en de gelovige aan wie Ik het wil mededelen.' (Ri I blz. 94, 6)

'Wat er in de hele oneindigheid voorhanden is, is van God afkomstig, dus in de grond volledig geestelijk. Dat het in de wereld als vaste materie zichtbaar wordt is aan de vasthoudende onwrikbaarheid van de goddelijke wil te danken. Wan­neer deze een gedachte niet langer zou vasthouden, dan zou geen stoffelijk oog er ook maar een spoort je meer van kunnen ontdekken.' (Gr VI 107, 11) 'Alles wat voor de mensen zichtbaar is geschapen, is veroordeelde geestelijke substantie en is ertoe bestemd om door een lange reeks van allerlei vormen uiteindelijk in een vrij en zelfstandig leven over te gaan. Deze vormen begin­nen bij de stenen en gaan door de mineralen over naar het plantenrijk, door het plantenrijk in het dierenrijk en van daar uit naar de mens. Al deze vormen zijn vaten die het uit God ontstane leven bevatten.' (GrVI 53, 5-6)

'Iedere vorm komt met een bepaalde intelligentie overeen. Roe eenvoudiger de vorm is, des te eenvoudiger en geringer is ook de intelligentie die daarin huist.' (Gr VI 53, 7)

'Ieder dier weet welk voedsel hem goed bekomt en weet ook waar hij dit kan vinden. . . Zo kent ook de geest der planten precies die stof in het water, in de lucht en in de aardbodem, die zijn bijzondere eigen aard van nut kan zijn. De geest of de natuurziel van de eik zal nimmer de stof opnemen die de ceder voor zijn bestaan nodig heeft. Wie leert nu de planten dit alles? Ziet, dat alles is de werking van de hoogste en meest algemene ruimtelevensintelligentie van God. Hieruit put iedere plante- en diereziel de voor haar noodzakelijke, specifieke intelligentie en gedraagt zich dan zoals haar wordt ingegeven.' (Gr VIII 29, 8­9)

'De zielen van de planten en de dieren hebben die bestemming, die gij echter nog niet kent, dat zij eens zelf mensenzielen zullen worden. Want planten en dieren zijn volgens Mijn wijsheid en inzicht geschikte voorvaten voor het op­nemen en vormen van de algemene natuurlevenskracht, die in de onmetelijke scheppingsruimte aanwezig is en waaruit ook uw zielen afkomstig zijn.' (Gr IV 216, 1-2) Er moet wel op gelet worden dat 'een eenvoudige diereziel nimmer een mensenziel kan worden' (Gr VI 165, 11). Er worden veeleer enkele diere­zielen verenigd, waarna God talloze zielevonken toevoegt; zo ontstaat iedere menselijke ziel door Zijn hand.

Derhalve is het lichaam van een dier - zoals de Heer in de Nieuwe Openbaring zegt - maar van geringe waarde. Door de evolutieve ontwikkeling van de die­reziel komt ieder dier door zijn dood nader bij zijn doel. Wanneer een dier wordt opgegeten of sterft, d.w.z. zijn vroegere vorm (lichaam) verlaat, 'dan is het na het voorafgaande waarschijnlijk niet van groot belang wat er met de vorm geschiedt, die slechts een organisch-mechanische en voor het doel van de in haar wonende levensintelligentie geschikte huls was. Of bijvoorbeeld de vis­sen door andere dieren of door ons mensen worden opgegeten, maakt geen enkel verschil voor de grote bedoeling van de Schepper en het uiteindelijke levensdoel is desondanks onafwendbaar'

(Gr VI 53, 9). 'Alles wat uit het be­staan treedt keert te allen tijde weer in een volmaakter bestaan terug, tot aan de mensen toe en van daar uit weer terug naar Mijzelf.'  (Ha 11 124, 32)

'Zie, alle materie van deze aarde - van de hardste steen tot_aan de ether hoog boven de wolken - is zielssubstantie, doch in een noodzakelijkerwijs veroor­deelde en zodoende vast geworden toestand. Het is echter haar bestemming om weer in het ongebonden, zuiver geestelijke bestaan terug te keren, zodra zij juist door dit isolement de levenszelfstandigheid heeft bereikt. Om echter deze door een voortdurend verhoogde eigen activiteit te bereiken, moet de uit de gebonden materie bevrijde ziel alle mogelijke levensniveaus doorlopen en moet zij zich in ieder nieuw levensniveau ook weer opnieuw in een stoffelijk lichaam gelijk in een cocon inspinnen, waaraan zij dan weer nieuwe substan­ties voorleven en activiteit onttrekt en zich deze eigen maakt.' (Gr VI 133, 3)

'Het leven is en blijft zo lang een strijd met allerlei vijanden, tot het zich uit eigen kracht als overwinnaar boven alle materie heeft verheven. Dus moogt gij u over alle stoffelijke vijanden des levens niet verbazen; deze zijn immers geen vijanden van het eigenlijke leven doch slechts vijanden van het stoffelijke schijnleven, dat eigenlijk geen echt leven is doch slechts een werktuig van het ware, innerlijke, geestelijke zieleleven, door hetwelk dit zich steeds hoger en hoger naar de meest ware en eigenlijke levensvrijheid omhoog kan werken, wat zonder dit tijdelijke meeleven niet voorstelbaar zou zijn.

God kan door Zijn almacht uiteraard een geest met volmaakte wijsheid en macht uit Zichzelf voortbrengen of scheppen en zelfs ontelbare zulke geesten in een ogenblik doen ontstaan - doch al zulke geesten beschikken niet over zelfstandigheid; want hun wil en handelen is niets anders dan de goddelijke wil en het goddelijke handelen zelf, die bij voortduring in hen moeten stromen om hen overeenkomstig de goddelijke wil te doen zijn, bewegen en handelen. Op zichzelf zijn zij helemaal niets, doch slechts zuiver Gods gedachten en ideeën van het ogenblik. Mochten zij echter in de loop der tijd zelfstandig worden, dan moeten zij de weg van de materie of van de gerichte en vast geworden wil van God op de wijze doorlopen, die gij op de aarde voor u ziet. Pas wanneer zij dat gedaan hebben, zijn zij volkomen zelfstandige, zelf denkende en vrijwillig handelende kinderen Gods, die weliswaar ook te allen tijde Gods wil doen, echter niet omdat deze hen door Gods almacht is opgedrongen, doch omdat zij inzien dat deze zeer wijs is en zelf bepalen dat zij ernaar zullen handelen, wat voor henzelf in het leven van voordeel is en hun de hoogste zaligheid en vreug­de geeft.' (Gr VI 133, 9-11)

'Ik ben uw oorsprong en naar deze oorsprong zullen allen voor eeuwig terug­keren.' (Ha II 6, 31)

'Ziet wat Ik niet allemaal doe' om de wil van één enkele hoogmoedige engel! Ik zeg u, er zou nimmer een aarde noch een zon noch enig stoffelijk ding gescha­pen zijn als deze enkeling deemoedig was gebleven.' (Hi I blz. 66) 'Liefde is het grote woord van alle leven.' (Ha II 56, 25)

Op geen enkele andere plaats in de Nieuwe Openbaring wordt de vurige, alles­omvattende liefde van de hemelse Vader tot zijn schepselen op zo schokkende wijze duidelijk als in de volgende zinnen:

'Ik ben bereid om de wil van één kind miljarden zonnen en werelden van welke aard ook op te offeren, wanneer Ik het op andere wijze niet terug zou kunnen krijgen. Wanneer een kind echter alleen daardoor te redden zou zijn dat Ik voor dit kind Mijn eigen eeuwige leven geef, dan zou Ik ook dit nog eerder opofferen dan dat Ik één van Mijn kinderen zou opgeven. Kunt gij deze liefde bevatten?'

(Ha II 251, 14, 17)

'In het groeien van Mijn talloze onvolmaakte kinderen, in hun toenemende besef en volmaakter wording en in de activiteit die zij daardoor ontplooien ligt ook Mijn hoogste zaligheid besloten. Hun vreugde over een met veel moeite gewonnen, volmaaktere bekwaamheid is ook Mijn vreugde.' (Gr V 157, 7)

 

'De verloren zoon'. De voorexistentiële menselijke afstamming van de gevallen eerste geesten

 

'Waarschijnlijk is er in de Heilige Schrift geen vers en geen hoofdstuk te vin­den, dat een grotere gebeurtenis beschrijft dan de gelijkenis van de verloren zoon. Ook zal men niet licht een passage vinden die moeilijker te begrijpen is dan deze.'

(Hi I blz. 306)

'In de naam "Lucifer" ligt het gehele, voor u in eeuwigheid onbegrijpelijke en oneindige compendium van de verloren zoon besloten. Stelt u voor dat bijna alle huidige mensen niets anders zijn dan ledematen van deze éne "verloren zoon", en wel met name die mensen die van Adams ongezegende geslachtslijn afstammen. Deze "verloren zoon" heeft het gehele vermogen dat hem toe­kwam opgenomen en verkwist, dit nu in een voor uw begrippen eindeloos lang tijdsbestek.'

(Hi I blz. 307)

'Onder de "verloren zoon" wordt echter ook iedere mens afzonderlijk ver­staan.'

(Hi I blz. 315)

Ten slotte wordt daaronder echter ook de gehele kosmos verstaan met miljar­den galaxieën, waarvan ieder ca. 50 tot 100 miljard zonnen bevat. Volgens de verkondigingen van de NO vormt het universum van 'buitenaf' gezien 'een volmaakte menselijke gestalte' en 'kan in zijn soort door niemand behalve door Mij in deze werkelijkheid worden aanschouwd'. (Hi I blz. 312)

'De Godheid greep Lucifers gehele wezen, nam alle specifieke wezenheid, vormde daaruit wereldlichamen door de gehele oneindigheid, omwond de geest van deze oneindige wezensziel met de sterkste banden en bond deze geest in de diepte van de materie vast.' (EM, blz. 159)

'Deze kosmische mens die gij hier ziet is niemand minder dan de "verloren zoon" , die zichzelf heeft teruggevonden en die ook in iedere herboren mens te vinden is.' 'Denkt nu echter niet dat deze gevallen Lucifer in zijn geheel zal terugkeren. Wanneer dit mogelijk was geweest, waarlijk, dan zou er nimmer een stoffelijke schepping hebben plaatsgevonden doch: in ieder afzonderlijk mens die volgens Mijn woord leeft en door het woord en door de verlossing herboren wordt, zal deze verlorene (d.w.z. een deel van zijn wezen) worden gevonden en in het grote Vaderhuis terugkeren.' (Hi I blz. 314)

'Natuurlijk is alle materie waaruit het universum bestaat ook slechts een werk van God, en in haar ligt iets goddelijks verborgen, doch zij bevat daarenboven ook leugens, bedrog en verleiding, waaruit dan afgunst, gierigheid, haat, hoogmoed, vervolging en daaruit weer talloze en mateloze ondeugden voort­komen.* (* Hieruit valt op te maken dat het manicheïsche denkbeeld dat de materie slecht zou zijn, gedeel­telijk juist is.)

 En juist dit verkeerde, de leugen en het bedrog, vormen geestelijk gezien de "Satan", en alle verschillende ondeugden die automatisch daaruit voorkomen zijn dat wat men de "duivel" noemt.' (Gr V 94, 2-3)

Gods plan om alle van Hem afgevallen geestelijke wezens weer via de weg door de materie in het Vaderhuis terug te brengen neemt onvoorstelbaar veel tijd in beslag. Maar desondanks zal het tijdstip komen 'waarop er geen stoffe­lijke zon en geen stoffelijke aarde meer in de eindeloze ruimte zullen cirkelen, doch overal zal een meer dan geweldige, nieuwe geestelijke schepping met zalige vrije wezens de eindeloze ruimte vullen, en Ik zal eeuwig voor alle we­zens God en Vader zijn van eeuwigheid tot eeuwigheid. En aan deze allerzalig­ste toestand zal voortaan nimmer meer een einde komen. Daar zal zijn één kudde, één schaapskooi en één herder.' 'Wanneer echter dit alles zo zal ko­men, gerekend naar het aantal aardse jaren, is nimmer te bepalen. En ook al zou Ik u dit getal mededelen, gij zoudt het toch onmogelijk kunnen bevatten.' (Gr 11 63, 3-4)

De stoffelijke schepping wordt dus in de Nieuwe Openbaring duidelijk als ver­lossingsgebied van Gods liefde en erbarmen geïnterpreteerd. Het universum werd geschapen om de gevallen geesten te redden. De levensvonken van Luci­fer, die geleidelijk aan loskomen, worden volgens Gods wijze plan trapsge­wijs, d.w.z. in evolutieve vorm, door het mineralen-, planten- en dierenrijk steeds hoger geleid naar het uiteindelijk doel, de mens. 'De enorme hoeveel­heid gevallen geesten, die tegelijk met Lucifer vielen en vervolgens als dragers van de materie daarin werden vastgehouden, zij allen classificeren de gehele schepping van de wereld volgens hun geestelijke inhoud.' (Pr 317) 'Gij waart geest en tot geest zult gij wederkeren.' (Pr 121)

Gods grote doel is om alle mensen - op welke wereldlichamen zij ook leven­op een heilsweg naar de geestelijke wedergeboorte en aldus naar God terug te leiden. De aarde en haar bewoners spelen daarbij volgens de Nieuwe Openba­ring een heel bijzondere en bevoorrechte rol. Maar wel is de weg onvoorstel­baar lang en voor sommigen smartelijk.

'De mens is het meest volmaakte van de talloze verschillende schepselen, het culminatiepunt van de goddelijke liefde en wijsheid, en het is zijn bestemming om zelf een god te worden.' (Gr VII 141, 6) Om die reden sprak Jezus tot de joden: 'Weet gij niet dat gij (potentiële, Egg.) goden zijt?' 'Thans', wordt er in de Nieuwe Openbaring gezegd, 'zijt gij nog als embryo's in het moederli­chaam. '

(Gr III 180,8) Wanneer Gods uiteindelijke doel is bereikt zal de acht­ste psalm zijn gehele, nu nog verborgen stralende kracht tonen: 'Gij hebt de mens bijna goddelijk gemaakt, en hem met heerlijkheid en luister gekroond.'

Wie de uiterst geestelijke verkondigingen van de Nieuwe Openbaring in hun volledige omvang tot zich heeft laten doordringen, zal ook begrijpen wat de middeleeuwse mysticus Meester Eckehart (veertiende eeuw) met de volgende uitspraak bedoelt: 'Het bestaan en leven van alle schepselen is niets anders dan een roepen en snellen naar God, van Wie zij zijn uitgegaan.'3

Het beeld van de totale ontplooiing van het leven en het trapsgewijze opstij­gen, dat in de Nieuwe Openbaring uitvoerig wordt beschreven, is ook bij de mysticus Jakob Böhme terug te vinden, die evenmin als Jakob Lorber destijds iets over evolutietheorieën kon weten.

In de derde eeuw na Christus hing ook de grootste bijbelgeleerde, Origenes, de leer van de apocatastase aan, d.i. de terugkeer van alle dingen. Volgens deze leer verlaat de ziel de plaats van de loutering weer en duren de straffen niet eeuwig. 'De volmaaktheid is bereikt', schrijft Origenes, 'wanneer alle zielen hun redding eenmaal in het engel-worden hebben gevonden. Alle schepselen keren naar God terug.' 'De algemene heilswil is een openbaring van de God die met alles erbarmen heeft.'4 In zijn geschrift Contra Ce/sus 92-97 stelt Ori­genes Adam gelijk met de oereenheid van de menselijke natuur, die in de oer­tijd in haar geheel uit de hemel is gestort. Origenes verwijst naar een uitspraak van de profeet Jozua: 'Mijn ziel is veel rondgezworven' (Boek Jozua) en ver­volgt: 'Begrijp dus, als je kunt, wat deze omzwervingen van de ziel zijn, waar­over zij klaagt dat zij deze moet doormaken. Natuurlijk, zolang zij nog zwerft hapert het begrijpen van deze dingen en is het beneveld; pas wanneer zij in haar vaderland, haar rustplaats, het paradijs is aangekomen kan zij daarover de waarheid vernemen en duidelijker inzien wat de bedoeling van haar zwerf­tocht is geweest.'5

'Plotseling', schrijft in dit verband de katholieke theoloog en gerenommeerde auteur Hans Urs von Balthasar in zijn Geschrift Origenes - Geist und Feuer, 'komen inzichten als bliksemstralen door, die tot het meest onvervreemdbare en toch meest vergeten cultureel bezit van de christelijke denkgeschiedenis behoren.'6 'Doch toen het vat in duizend gruzelementen brak en de naam van de meester (Origenes) gestenigd en onder puin bedolven werd, stroomde de geur van zalfolie naar buiten en trok door het gehele huis.'7

In het geschrift van de H. Hildegard van Bingen Scivias ('Weet de wegen') schijnt de leer van de apocatastase ook weer door: 'Nu hoorde ik een stem die tot mij sprak: Lofgezangen komen de heilige Schepper met nimmer aflatende stem van hart en mond toe, want niet alleen de staanden en oprechten, doch ook de gevallenen en gebukten leidt Hij door Zijn genade naar de hemelse troon' (derde boek, dertiende visioen).

De leer dat de mensen gevallen geesten zijn en door de liefde Gods voor Zijn schepselen op een oneindig langzame en verre tocht door het mineralen-, plan­ten- en dierenrijk uiteindelijk zoals de verloren zoon weer naar het Vaderhuis worden teruggeleid, is niet alleen in de christelijke oudheid en in de christelij­ke mystiek te vinden, doch ook in de mystiek van andere godsdiensten, o.a. in het Parsisme, dat ook geen eeuwige hel kent, alsook in de islamitische mys­tiek, het zogeheten Sufidom. In de volgende verzen van de beroemde Perzi­sche mysticus Dsjelal ed Din Rûmi (1207-1273) wordt deze leer op prachtige wijze verwoord:

 

 

'Ik stierf als steen en spriette op als plant,

Ik stierf als plant en leefde weer in dierenland,

Ik stierf als dier en werd als mens geboren,

Ik heb geen vrees, heb ik door 't sterven ooit verloren?

Als mens beëindig ik mijn' aardse dagen,

Om dan de vleugels van een engel te dragen,

Een engel zal ik niet eeuwig blijven,

Want slechts Gods aangezicht kan beklijven.

Zo draagt mij, hoger dan 's hemels boorden,

Mijn vlucht naar ondenkbaar hoge oorden:

Dan roep mij tot niets!

Want in mij klinkt altoos een stem,

Dat wij eens weerkeren naar Hem.

 

Belangrijke denkers, zoals de natuurwetenschapper Edgar Dacqué of Leo­pold Ziegier enz., hebben de verkondigingen die Lorber op dit gebied heeft gedaan, ongetwijfeld zonder deze te kennen, wetenschappelijk geïnterpre­teerd. Dacqué schrijft bijvoorbeeld: 'De oervorm van de mensen was in het organische rijk reeds metafysisch aanwezig, d.w.z. door God "gewild", toen in de oertijd de eerste schepselen optraden. Hoewel de mens volgens de tijds­rekening pas in de laatste ijstijd als volwaardige mens optreedt, was hij toch in alle levende wezens ontelbare miljoenen jaren geleden aanwezig.' 8

Leopold Ziegier ziet eveneens het geheim van de mens in het diepere verband: 'Weliswaar is de geschiedenis de eigenlijke sfeer van de mens, doch deze ge­schiedenis speelt zich op de natuurachtige basis van vele andere levensniveaus af, die alle met elkaar in verband staan.'

De door de Nieuwe Openbaring voorgestelde evolutie van het leven is een onvoorstelbaar lange weg in de kosmogonie en antropogonie, waarop Gods plan ter redding van de gevallen geesten zal worden verwezenlijkt. De onme­telijke diepten van deze heilsdaad, die met de volgende woorden van het Jo­hannes-evangelie verband houden: 'Wanneer Ik van de aarde verhoogd ben zal Ik allen naar mij omhoog trekken', zullen in dit aardse leven nauwelijks ooit helemaal kunnen worden begrepen.

Wanneer men Gods plan volgt om alle gevallen geesten op de lange weg in het Vaderhuis naar onvoorstelbare zaligheid terug te halen, dan verwijdt de blik zich tot een grandioos voornemen, dat enkel en alleen Gods ware wezen, d.w.z. de liefde, waardig is. De scheppingsleer van de Nieuwe Openbaring geeft ons een vergeestelijkt wereldbeeld, dat een diepe betekenis toont en Gods liefde en erbarmen in de heilsgeschiedenis in stralende glorie doet uitko­men.*( *Enkele van de voorafgaande secties zijn aan het geschrift van de schrijver dezes Der unbekannte Prophet Jakob Lorber ontleend,

 

De duivels

 

De Nieuwe Openbaring onderscheidt tussen de Satan en de duivels.

'De enige die Mij zo vermetel het hoofd wilde bieden is niemand anders dan de door Mij reeds lang verstoten Lucifer of Satan, die als gepersonifieerd kwaad de tegenpool van Mijn eigen Ik vormt. Alleen deze Boze, bewust boze geest werd in de diepste duisternis gestoten, waarin geween en geknars van tanden is, of - met andere woorden - waarin hij, aan de duisternis van zijn eigen ge­moed overgelaten, zo lang kan verblijven tot een van hemzelf uitgaande ver­betering zijn terugkeer mogelijk maakt.' *(Pr 286) (*De katholieke theologieprofessor Herbert Haag vergist zich wanneer hij schrijft: 'De leer van een zondige en gevallen engel berust op een mythe.' Het is onbegrijpelijk wat hij verder zegt: 'Dat God zelf duivels zou hebben geschapen is eenvoudig niet voorstelbaar.' (Deutsche Zeitung dd. 5 januari 1973.) God heeft geesten geschapen die met een vrije wil waren begiftigd en zodoende zelf voor het goede of het kwade konden beslissen.)

 'Wat nu de Satan als per­soon is, dat is op uw aarde die soort mensen die het goede en edele zeer wel kent doch opzettelijk het kwade liefheeft en doet.' 'Dit streven is van duivelse aard, omdat de alle geesten en wezens door Mij ingegeven drijfveer naar liefde zich naar het kwade in plaats van naar het goede heeft toegekeerd.'

(Pr 286)

'Aangezien Satan zich aan niemand kan en mag vertonen en ieder mens zijn boze influisteringen zonder moeite herkent, aangezien deze de ziel altoos hardvochtig, onkuis, echtbrekend, zelfzuchtig, heerszuchtig, meinedig, gie­rig, onbarmhartig, voor al het ware en goddelijke onverschillig en tegenover armen en lijdenden gevoelloos maakt en voor alle genot ter wereld gulzig doet zijn, kan hij deze pogingen van Satan ook te allen tijde openlijk het hoofd bieden, omdat Satan zijn invloed alleen op de zintuigen van de ziel, nimmer echter op haar wil kan uitoefenen.' (Gr I  217, 4)

'Weliswaar bezit Satan nog een geweldige kracht, die slechts door de aller­sterkste ketenen, die alleen Ik als de Heer vermag te smeden, kan worden bedwongen.' (EM, blz. 157). 'Satan... is van zichzelf uit niet meer bij machte iets te doen. Doch de in hem overwonnen andere krachten rusten desondanks niet volledig, doch zijn voortdurend actief en personifiëren zich daardoor vrij­wel zelfstandig.'

(Gr II 229,12)

'Voorzover het maar enigszins mogelijk was werd hem de macht van de wil ontnomen. Daarom hebt gij ook niet het minste meer van hem te vrezen, doch behoeft u slechts voor zijn list in acht te nemen. Deze echter heeft geen macht doch is op zichzelf beschouwd machteloos.' (Ha II 158, 17,21 e.v.) 'De levens­vijand kan en mag niemand benaderen, dus kan hij ook met zijn arglist nie­mand verleiden. Wanneer echter een mens zich vrijwillig laat verleiden en hoogmoedig, heerszuchtig, gulzig naar vleselijke lusten, verslaafd aan wereld­se dingen en egoïstisch wordt, dan komt deze mens uit zijn eigen vrije wil dich­ter bij de vijand des levens en wordt hij zelf een vijand van het leven.' (Ha II 158)

In strijd met Jezus' leer dat Satan 'niemand mag benaderen', bracht in de mid­deleeuwen de grootste theoloog van de katholieke kerk, Thomas van Aquino, de mening naar voren dat Satan met vrouwen en meisjes seksuele gemeen­schap kon hebben; door deze dwaze leer vonden later bij de heksenprocessen miljoenen vrouwen een afschuwelijke dood. Wat Satan en de oorzaak van zijn diepe val betreft hebben de katholieke kerkvaders en overige mannen van de kerk de meest uiteenlopende en zonderlinge meningen gehuldigd. De kerkva­der Justinus geloofde dat Lucifer pas ten val kwam, toen Lucifer Eva in het paradijs verleidde! (Dialoog met de jood Tryphon, 124, 3). Tertullianus be­weerde: 'De duivel werd door onverdraagzaamheid verteerd toen hij zag dat de Heer alle geschapen wezens aan Zijn evenbeeld, de mens, had onderwor­pen' (De Patientia V.). Dezelfde mening vertegenwoordigden de H. Cypria­nus en de H. Gregorius van Nyssa (Discorso Catecheto). Alleen de ziener Ori­genes, wiens leer door de kerk werd veroordeeld, zag de reden van de val- in overeenstemming met de Nieuwe Openbaring - in nijd en trots en in de op­standigheid jegens God.

De andere duivels - en daarmede ook de hel - ontstonden pas, toen met ver­stand begaafde adamieten, dus de nakomelingen van Adam, in slechtheid ver­zonken. Geestelijke wezens, die vóór de schepping van het universum hadden bestaan, en wel ook de met Lucifer gevallen geesten, waren geen duivels doch werden, zoals reeds uiteengezet, in de materie gevangen en verbeiden op een lange weg hun verlossing uit de materie. De Nieuwe Openbaring gaat hier als volgt op in: 'Aangezien dit wezen daarmee echter geen genoegen nam, doch in plaats van de beloofde verbetering slechts de goddelijke orde steeds meer ver­stoorde, werd het in een nauwe kerker gedreven. Daar het echter reeds een aantal gelijkgezinde geesten uit het menselijk geslacht had ontwikkeld, oefen­de het zijn invloed vervolgens door middel van deze engelen uit; want een Dia­bolus of duivel is niets anders dan een in de school van Satan opgegroeide en opgeleide geest.

Dat moet niet zodanig worden opgevat als zouden zulke geesten werkelijk in een school van Satan zijn gevormd, doch zij vormden zichzelf volgens de ken­merken die zij door de verbinding met deze geest hebben overgenomen. Wel­iswaar worden deze geesten, omdat ook zij een slechte kern hebben, 'duivels' genoemd, waarmee 'leerlingen van Satan' wordt bedoeld, maar desondanks verschillen zij sterk van hem; want bij hen is alleen het zielebereik van dezelf­de soort als de boze geest, doch hun geest is wel gevangen maar rein, terwijl de geest van Satan het eigenlijke boze is. Om die reden kan en zal het geschieden, dat alle duivels nog worden gered voordat Satan wordt gedwongen in zichzelf de grote reis naar zijn eeuwige val te maken.' (EM, blz. 160)

'Weliswaar bestaan er geen oergeschapen aartsduivels van de soort die gij u voorstelt, doch desondanks is de gehele wereld der materie in haar oerelement even zozeer als een oergeschapen aartsduivel, en daarom maakt het geen ver­schil of iemand zegt dat hij door de wereld of door de stoffelijke lusten des vlezes in verzoeking wordt geleid dan wel door deze of gene aartsduivel. Wie zich door de wereld en door zijn vlees te zeer gevangen laat nemen, diens ziel is dan ook een duivel in persoon en leeft in voortdurende gemeenschap met de boze, nog niet gegiste materiegeesten na de dood van zijn lichaam voort.' (Gr IX 134, 7)

Aanvullend wordt er gezegd: 'Er bestaan in de gehele natuur - en geestenwe­reld geen zogenaamde oerduivels, doch slechts zulke die reeds vroeger als on­verbeterlijke, slechte en verdorven mensen ooit eens op de wereld hebben ge­leefd...' (Gr V 97, 5) 'Ook temidden van ons leven er persoonlijke duivels, die nog een vleselijke gedaante hebben en nog meer zijn er in het grote hierna­maals, die er ook bij voortduring naar streven een kwade invloed op het aardse leven uit te oefenen, en wel enerzijds door de ruwe natuurgeesten, die nog ten behoeve van hun rijping in allerlei soorten materie vertoeven, anderzijds ech­ter ook door bepaalde geheime influisteringen, bekoringen en verlokkingen. Zij merken zeer goed welke diverse zwakke punten en neigingen de mensen hebben, maken zich daarvan meester en wakkeren deze tot brandende harts­tochten aan.' 'Toen er nog geen mensen op de hemellichamen waren beston­den daar ook geen duivels in persoon, doch slechts veroordeelde ongegiste geesten in alle materievormen van een hemellichaam. Tot de materie behoort alles wat gij met uw zintuigen waarneemt. Doch dat kunt gij ook aannemen, dat er op geen hemellichaam slechtere en bozere duivels bestaan dan juist in en op deze aarde.' (Gr VIII 35, 11-17)

Wanneer echter Job - zoals in het Oude Testament staat geschreven - in ver­zoeking werd gebracht: 'Wie was dan de Satan die hem zozeer in verzoeking bracht? Het was de veroordeelde geest van zijn (Jobs) vlees, d.w.z. diens ver­schillende begeerten' (Gr VIII 34, 21)

'De verlokkingen van de duivels zijn lang niet zo machtig als gij in uw dwaze geloof aanneemt! De eigenlijke duivel is de mens zelf met zijn wereldlijke lus­ten. Daaruit komt voort: de eigenliefde - dat is een duivel -, de zucht naar een luxueus leven - nog een duivel -, de eerzucht, de hoogmoed, de heerszucht, de toorn, de wraak, de afgunst, de gierigheid, de hovaardij, de hoererij en de geringschatting van zijn medemensen - dat alles zijn duivels, die op uw eigen bodem zijn gegroeid. Daarom behoeft gij voor de duivel niet zo bevreesd te zijn...' (Gr VI 10, 12)

'Doch waarom wordt Satan ook wel een vorst van de duisternis en de leugen genoemd? Omdat alle materie niet datgene is wat zij schijnt en wie zich in zijn liefde door de schijn laat misleiden en zich door de materie gevangen laat ne­men, die bevindt zich dan ook duidelijk in het rijk van de leugen - en van de waarheid afgewend -, in het rijk van de duisternis.'

'Wie bijvoorbeeld de zogenaamde schatten uit het rijk van de dode materie (de wereldse goederen, Egg.) al te zeer bemint, hen als datgene beschouwt en waardeert wat zij schijnen, en niet als datgene wat zij in werkelijkheid zijn, die bevindt zich daardoor reeds in het rijk van de leugen, omdat zijn liefde, die de basis van zijn leven is, zich daarin gelijk een blinde heeft laten gaan en slechts met de allergrootste moeite uit deze duisternis weer naar het licht van de volle waarheid kan opstijgen.'

'Toen de mensen na verloop van tijd de materie om haar glans begonnen te waarderen en te vereren, spraken zij daardoor het oordeel over zichzelf uit, werden geestelijk blind en hard, hebzuchtig, gierig, leugenachtig, twistziek, bedriegend, hoogmoedig, slecht en oorlogs- en veroveringszuchtig en kwamen zodoende in het afgoden - en heidendom en daardoor ook in de eigenlijke hel terecht, waaruit zij zonder Mij niet konden worden bevrijd. Daarom moest Ik zelf de materie en daarmede het oordeel aantrekken en moest het doorbreken, opdat Ik aldus voor alle gevallenen tot de ingangspoort naar het eeuwige leven word, wanneer zij door deze poort het eeuwige leven willen binnengaan. Daarom ben Ik ook de deur naar het leven en het leven zelf. Wie niet door Mij naar binnen gaat komt niet tot leven in het licht van de eeuwige waarheid en vrijheid, doch blijft gevangen in het oordeel van de materie.' (Gr VIII 35, 5, 6 9 en 10)

 

Toen God Adam schiep. De dwaling van de evolutietheorie

 

In strijd met de niet bewezen beweringen van de vertegenwoordigers van de evolutietheorie dat de mens lijfelijk van het dier zou afstammen, laat de Nieu­we Openbaring er geen twijfel over bestaan dat God Adam heeft geschapen.

(De onhoudbaarheid van de evolutietheorie in de vorm van het evolutionisme, dat geen schepper wil erkennen, wordt in een later hoofdstuk uitvoerig onder de loep genomen. Een apologie van het Christendom dient zich met deze theo­rie serieus bezig te houden.)

In de Nieuwe Openbaring wordt over de schepping van Adam en diens val als volgt bericht: 'De eeuwige liefde. . . vormde met de hand van haar macht, haar kracht volgens haar orde van belangrijkheid de eerste mens en blies hem door de neusgaten de goddelijke adem in. En de adem werd hem tot levende ziel, en de ziel vervulde de mens geheel, die nu overeenkomstig de orde van belang­rijkheid werd gemaakt volgens welke de geesten en de werelden in de ruimten en de aarde en alles wat zich op haar bevindt, en de maan en de zon gemaakt waren.' (Ha I 7, 7)

'Adam is naar lichaam geschapen en gevormd uit de etherdelen van het fijnste stoffelijke aardleem door Mijn wil en volgens de vastgelegde rangorde, die Ik u nu heb getoond.' (Gr IV 162, 4)

'Wanneer Adam het positieve gebod heeft nageleefd, dan zou de mensheid resp. de volmaakte menselijke ziel, niet tot het zeer harde, zware en breekbare vleselijke lijf zijn verkomen (!), dat thans met vele gebreken en tekortkomin­gen is behept. Doch de ongehoorzaamheid aan de wet heeft de eerste mens onvermijdelijk op een verre omweg gebracht, waarop hij nu het doel veel moeizamer en veel later bereikt.'

(Gr II 224,6-7) 'En let wel: deze Adam nam de plaats in van de eerste onder de gevallen geesten (Lucifer). Hem werd ech­ter niet kond gedaan wie hij was. En zie, hij werd door verveling beslopen, omdat hij zichzelf niet kende en ook niets kon vinden wat op hem leek.' (Ha I 7,9)

De schepping van Eva uit een 'rib' van Adam wordt in de Nieuwe Openbaring als volgt verklaard: 'De rib is slechts een symbool voor datgene waar het eigen­lijk om gaat, en dat is Adams machtige innerlijke liefdeleven.' 'Eva is vanuit de overvloeiende volheid van dit uiterlijke leven van Adam, als teer lijfelijk wezen ontstaan en omdat deze levensether uit de ribben - en borststreek uitwa­semt en daarna aan alle zijden rondom de mens blijft zweven, kon Mozes, die de desbetreffende beeldspraak zeer goed beheerste, Eva volkomen juist uit een rib van Adam laten ontstaan.' (Gr IV 162, 11)

Op verscheidene plaatsen van de NO werd reeds meer dan honderd jaar gele­den, derhalve in een tijd waarin de kerken nog van hun gelovigen eisten dat zij de tekst van het Oude Testament letterlijk geloofden, duidelijk uiteengezet dat Mozes' scheppingsbericht in het boek Genesis 'alleen met een innerlijke geestelijke overeenkomst kan worden begrepen en bevat' (Gr IV 142, 2).

Terwijl in sommige geschriften vermeld wordt dat de mens vroeger androgyn* (*Androgyn, d.w.z. man en vrouw in één.) zou zijn geweest, wordt dit wat de ziel en het lichaam van Adam en Eva betreft als juist bevestigd. 'Bij de schepping van het eerste mensenpaar werd één ziel tot twee. Want er staat niet geschreven dat de Schepper ook Eva een levende adem inblies, doch Eva kwam met lichaam en ziel uit Adam voort, en in deze tweede ziel werd een onsterfelijke geest gebed, en zo werd één mens en één ziel tot twee, en desondanks bleven zij één vlees en één ziel.' (EM blz. 150)

'De geest is echter niet deelbaar, doch waar hij als een eenheid in een grote of kleine ziel is gebed blijft hij ook als eenheid bestaan. Ook al was Lucifers ziel eens nog zo groot, toch kon daarin niet meer dan één geest wonen.' (EM blz. 151)

Uitdrukkelijk wordt er in de Nieuwe Openbaring op gewezen dat 'in den be­ginne slechts één mensenpaar op de aarde werd gebracht.' 'Ik kan in dit ver­band slechts zeggen dat van de mensen die ertoe waren bestemd om kinderen Gods te worden, slechts één paar, namelijk Adam en Eva, op de aarde werd gebracht. Met dit paar begon ook de geestelijke opvoeding vanuit de hemel, die nog heden ten dage voortduurt.

Dat er echter ook reeds lang vóór Adam mensachtige wezens bestonden is vol­komen zeker en waar, en zulke wezens bestaan er ook thans nog op de aarde. Doch tussen hen en de eigenlijke vrije mens (sedert Adam, Egg.) bestaat een zeer groot verschil.

De ware mens kan zichzelf tot een volledige gelijkenis met God ontwikkelen en God alsmede Zijn werken door en door kennen, vergelijken, beoordelen en hun doel begrijpen. Doch de diermens (oermens en vroege mens, Egg.) zal daartoe nimmer in staat zijn.' (Gr VII 221, 4-6)

'God gaf dit eerste mensenpaar alle bekwaamheden. Deze mensen hadden diepe inzichten, een uiterst helder verstand en een zeer sterke vrije wil, waar­voor alle andere schepselen (waartoe bijvoorbeeld ook de roofdieren behoor­den, Egg.) moesten buigen.' (Gr VII 121, 7)

Het is opmerkelijk, dat in de Nieuwe Openbaring het monogenische stand­punt van paus Pius XII wordt bevestigd. De paus beriep zich op de Handelin­gen der Apostelen 17, 26 en verklaarde dat het een katholieke leer zou zijn dat het mensdom slechts van één mensenpaar afstamt. Desondanks brengen thans ook katholieke geleerden op conferenties van de katholieke academiën de me­ning naar voren, dat uit de Bijbel qua getal geen beperking van het 'eerste ouderpaar' op te maken zou zijn. Dit is op zijn minst in zoverre onjuist als in Hand. 17, 26 te lezen is: 'God heeft uit één mens het gehele menselijke ge­slacht doen ontstaan.'9

Helaas heeft een niet gering aantal katholieke geleerden voor de niet met be­wijzen gestaafde beweringen van de evolutie theoretici het vaandel gestreken, terwijl zij niet hadden behoeven te capituleren.

 

Het paradijs in zijn werkelijke gedaante

 

De gelovigen hebben vaak enigszins vreemde voorstellingen over het paradijs. De NO geeft ons over de levensomstandigheden van de eerste mensen in het paradijs een duidelijke en nuchtere beschrijving.

'Op de aarde bestond er nergens een stoffelijk paradijs, waarin de gebraden vissen de mens in de mond zwommen, doch hij moest ze, net zoals nu, eerst vangen en braden en kon ze dan met mate verorberen. Wanneer echter de mens zich onledig hield en de vruchten verzamelde die hij van de aarde kon oogsten en zich daarmede een voorraad aanlegde, dan was ieder gebied op de aarde dat de mens had ontgonnen, een werkelijk aards paradijs. Wat zou er ook van de mens en zijn geestelijke ontwikkeling zijn geworden, wanneer hij zich in een werkelijk luilekkerland om niets meer had hoeven te bekommeren en nergens meer zorgen over had hoeven te maken!' (Gr IV 142, 4 en 5) (Op de klimatologische omstandigheden, die pas na de laatste ijstijd - omstreeks 4000 jaar v. Chr. - beter werden, wordt in het hoofdstuk over de evolutietheorie nader ingegaan.)

'Het spreekt vanzelf dat God en de engelen het eerste mensenpaar volkomen bewust in één van de vruchtbaarste streken van de wereld deden ontstaan.' 'Toen Adam en zijn vrouwen zonen ontdekten dat er op de wijde wereld bijna overal iets te eten was, begonnen zij grotere reizen te maken. In het geheim door de geest Gods geleid, kwamen zij naar hun eerste Eden terug en bleven daar, van waaruit de bevolking van de gehele aarde voortkwam.' (Gr IV 142, 8-13)

Het leven in het paradijs was wat minder prettig dan velen aannemen. Adam en Eva waren naakt.

'In de warme jaargetijden voorjaar, zomer en herfst konden zij hun naaktheid goed velen, doch in de winter liet zich de koude sterk gevoelen.' Zij begonnen hun lichaam met 'allerlei loof van het geboomte te bedekken.' (Dus niet pas na de zondeval, Egg.) 'Nadat de eerste mens op deze aarde eenmaal in de grot in het gebergte had overwinterd, dat het noordoostelijke deel van het Beloofde Land, waartoe ook Galilea behoort, begrenst (De Golanhoogten, Egg.), had hij gelegenheid om met zijn vrouw diep in zijn eigen wezen te kijken.' (Gr IV 142, 9)

 

 

Adams val. De Nieuwe Openbaring verklaart het zinnebeeldig bericht in het Oude Testament

 

'Zie Adam, Ik heb de tijd geschapen, opdat uw beproeving slechts van korte duur zou zijn en het verworven leven eeuwig zou duren.' 'Gij behoeft geen vreemde macht te bestrijden, slechts uzelve, want Ik heb alles aan u onderge­schikt gemaakt.' 'De worm echter is van nature kwaadaardig en draagt de ste­kel des doods in zich, bijt daarom niet in de stekel van de worm.' (Ha I 40, 33 en 35)

'Ziet nu, gij leert nu alles, kent nu alles en kunt van alles behalve één ding gebruik maken, en dit laatste zal ik u nu leren en de kracht tot voortplanting van uws gelijken in u planten. Doch gij moogt daarvan pas gebruik maken wanneer Ik terugkom en u in het gewaad van de gehoorzaamheid, de dee­moed, de trouwen de rechtvaardige onschuld gekleed aantref. Wee u echter, wanneer Ik u naakt aantref (d.w.z. zonder de vereiste deugden, Egg.). Ik zal u verstoten, en de dood zal uw lot zijn.' (Ha I 7, 15)

Af en toe heeft een theoloog tot dusverre reeds het 'eten van de appel' net zo geïnterpreteerd als de NO de zinnebeeldige voorstelling van het Oude Testa­ment verklaart. Doch vreemd genoeg vindt men ook thans nog steeds in de literatuur de merkwaardigste en onwaarschijnlijkste theorieën over het eten van de appel.10 Over een appel wordt in Genesis 3, 1 overigens met geen woord gerept. Middeleeuwse monniken hebben deze versie bij de paradijsspe­len in die tijd voor het eerst naar voren gebracht. In het boek Genesis staat geschreven: 'Alleen de vruchten van de boom in het midden van de hof zult gij niet eten, zelfs niet eens aanraken.' 'En de vrouw zag dat de boom goed was om van te eten, en dat hij een lust (!) was voor de ogen...' Deze tekst doet reeds vermoeden wat de beeldspraak van de 'boom in het midden van de hof (in het midden van het lichaam!) wil uitdrukken. De mysticus Jakob Böhme schrijft toepasselijk over de zondeval: 'Adam heeft de maagd verloren en in plaats daarvan de vrouw gekregen.'

In de Nieuwe Openbaring is verder te lezen: 'Dit ging enige tijd goed, doch spoedig zegevierde de zinnelijke begeerte onder het door Mozes in het leven geroepen zinnebeeld van een slang over de kennis van het goede en ware uit de goddelijke openbaring, en het eerste mensenpaar overtrad het gebod om te weten te komen wat er zou gebeuren. En zie, wat het eerste mensenpaar deed, dat doen thans bijna alle mensen.' (Gr VII 121, 9) 'Adam nam de vrucht uit Eva's schoot, werd zijn liefde (tot God) ontrouw en genoot van de verboden vrucht uit Eva's schoot met wellustige begeerte; en bij dit genot besefte hij, dat hij de eerste was die verloren ging (Lucifer, Egg.) door de grote ijdelheid van zijn blinde zelfzucht...' (Ha I 8, 11)

'Wanneer in de Schrift te lezen is dat Satan in de gedaante van een slang het eerste mensenpaar zou hebben verleid, dan betekent dat: het eerste mensen­paar, dat God en Zijn wil zeer goed kende, heeft zich door de bekoring van de materiële wereld laten verleiden en de begeerte en de stem van hun verdoem­de vlees sprak: 'Laat ons eens zien wat er gebeurt wanneer wij een keer bewust in strijd met Gods wil handelen." (Gr VIII 34, 13)

'Het werd hun toen zeer goed bewust dat in hun vlees het onontkoombare laatste oordeel en de dood wonen, die bij de toenemende liefde tot wereldse zaken ook de vrije ziel onder zijn oordeel en zijn onvrijheid kan begraven, en zo verloren zij dan ook het zuivere paradijs, dat uit de volledige overeenstem­ming tussen hun ziel en hun geest bestond. Uit zichzelf konden zij dit waar­schijnlijk niet volledig terugvinden, want hun ziel was door de stekel van de materie verwond en had handenvol werk om nog zo vrij mogelijk boven het oordeel als de geschapen dwang te blijven bestaan, zoals thans bij alle mensen het geval is - en Ik ben op deze wereld gekomen om de mensen weer de ware levensweg te tonen en hun het verloren paradijs door Mijn leer terug te geven.' (Gr VIII 34, 15)

God sprak: '. . . Ik heb geteld Adams rouwdruppels en Eva's treurdruppels en werd door het grote erbarmen van de liefde van medelijden vervuld.' '... zij dienen het gebod van liefde en trouw tot aan het einde hunner dagen te eerbie­digen; Ik zal hun dan een bemiddelaar tussen hen en Mij zenden op een tijdstip dat Ik zal bepalen, om de grote schuld en de grote, zware last van hun onge­hoorzaamheid af te lossen en te verlichten.' (Ha I 9, 25 en 27)

Adam en Eva wekten volgens de verkondigingen van de NO later nogmaals Gods toorn op doordat Adam op Sabbat God vergat en het ouderpaar zich met zijn dertig kinderen een roes dronk, waarna zij zich allen seksueel zwaar be­zondigden

(Ha I 13, 13).

Pas nu werd tot Adam_ gezegd: 'Gij hebt het paradijs voor uzelve en voor al uw nakomelingen tot aan de grote tijd der tijden verloren.' (Ha I 13, 23)

De verjaging van het eerste mensenpaar uit het paradijs door een engel met een vlammend zwaard is een mythische voorstelling. De NO verklaart het ge­beuren als volgt: 'Gelooft gij nu werkelijk dat God Adam uit het paradijs liet verjagen door een engel, die in zijn rechterhand een vlammend zwaard hield als wapen tot verjaging? Ik zeg u: Ook al is dit Adam als verschijning voorge­steld, dan was dit slechts een overeenstemmende vorm van datgene wat in Adam zelf geschiedde en behoorde nu eenmaal bij zijn opvoeding en de op­richting van de eerste godsdienst en oerkerk temidden van de mensen op aar­de.' (Gr IV 143, 2)

Bij Kaïns geboorte werd de stamouders bij monde van een engel gezegd: 'De­ze vrucht is voor u geen zonde meer (Kaïn was de vrucht van de verboden en niet-gezegende verwekking, Egg.), doch zij is het gevolg van de drievoudige ongehoorzaamheid aan God en is de dood van uw vlees, die gij in uw vlees verwerkt hebt door uw begeerte in de zelfzuchtigheid.' 'Deze vrucht echter zult gij "Cahin" of "brenger des doods" noemen.' (Ha III, 9)

Adams val bestond, zoals boven te lezen is, in 'begeerten en in zelfzuchtig­heid'. De eigenlijke paradijselijke toestand bestond in 'de volledige overeen­stemming tussen hun ziel en geest'. Begeerte en zelfzucht maken deze toe­stand onmogelijk. Hierop wordt in het hoofdstuk 'Het doel en de taak van de mens' nader ingegaan. Begeerten en zelfzuchtigheid zijn het eigenlijke euvel van de erfzonde. In dit verband wordt in de NO het volgende gezegd: '... de oude adamitische zonde uit te roeien, dat gaat slechts op deze éne wijze: de wereldse zorgen (en begeerten) moeten door de ziel zelf overboord worden geworpen, een andere mogelijkheid is er niet! Wanneer deze echter verwij­derd zijn, dan komt bij de mens weer alles in Gods vroegere goddelijke orde. En ziet, dat is wat men terecht de 'erfzonde' noemt. Eigenlijk is het blijkbaar het vlees dat men volkomen terecht de erfzonde noemt; in overeenstemming daarmede geestelijk opgevat echter is juist de veel voorkomende zorg voor het vlees (en de geringe zorg voor de ziel, Egg.) de moeilijk af te lossen zonde van Adam bij al zijn nakomelingen.' (Gr II 226, 10)

 

De zondvloed zoals de Nieuwe Openbaring deze voorstelt

 

De grote vloed overstroomde niet, zoals in het Oude Testament wordt gezegd, de 'gehele' aarde, doch volgens de gegevens van de Nieuwe Openbaring voor­al 'Midden-Azië, waar heden ten dage het Aralmeer en de Kaspische Zee de meest opmerkelijke overblijfselen zijn, want waar nu de Kaspische Zee is, be­vond zich eens het zeer grote en trotse rijk Hanoch. Vanuit dit hoofdpunt stroomden de wateren naar Siberië alsook naar Europa, dat echter destijds nog onbewoond was; een deel stroomde naar het Zuiden, naar het tegenwoor­dige Oost-Indië en het hevigste over Arabië. Ook het Noorden van Afrika werd overstroomd tot aan het hoogland (Ethiopië, Egg.), waar slechts kleine overstromingen plaatsvonden. Amerika werd alleen vanuit Siberië in het Noorden enigszins geteisterd, terwijl het Zuiden van Amerika, evenals de meeste eilanden van de grote zee (de Grote Oceaan, Egg.) volledig vrij ble­ven.' 'Ook al wordt er in het Oude Testament gezegd: "Boven alle bergen der aarde en behalve datgene wat de ark droeg bleef niets levends op de aardbo­dem behouden" , dan behoeft dat niet letterlijk voor onze natuuraarde te wor­den opgevat, want onder "bergen" wordt alleen de hoogmoed en de heers­zucht van de kant van de mensen verstaan. En dat er op de aarde geen leven overbleef, behalve in de ark, betekent dat alleen Noach een geestelijk leven in God en uit God getrouw behield'. (Ha III 357 en 358)

 

Lorber beschrijft reeds in 1864 de vooradamitische diermensen (hominiden)

 

Sedert ongeveer honderd jaar is door talrijke fossielvondsten bekend dat er reeds lange tijd voor - en oermensen bestonden.

Reeds in 1864 heeft Jakob Lorber naar aanleiding van het dictaat de voor - en oermensen beschreven. Hij spreekt over 'voormensen', 'diermensen' en 'vooradamieten'. Hierover werd reeds in deel I van dit geschrift bericht. Deze hominiden - de mensachtigen - verschillen totaal van Adam en zijn nakome­lingen. De hominiden hadden geen goddelijke geestesvonk. In zoverre ston­den zij op het niveau van de dieren, hoewel zij iets intelligenter waren. Een evolutieve overgang van de hominiden naar de homo sapiens, ongeveer 4000 jaar v. Chr., is niet vast te stellen. De verandering geschiedde rond die tijd abrupt. De hominiden waren er absoluut niet toe in staat de schrift uit te vin­den, staten te stichten, wetten uit te vaardigen, reusachtige piramiden en tem­pels te bouwen enz. Dit alles ontstond geheel plotseling na de schepping van Adam. De goddelijke geestesvonk in de mens lichtte op en de aarde werd her­schapen. (Hierover meer in het hoofdstuk betreffende de evolutietheorie.)

'De mens (de homo sapiens, Egg.) leeft om twee redenen op deze aarde, die hij als bemiddelende persoon in zich moet verenigen. Ten eerste als sluitstuk van de uiterlijke, stoffelijke schepping, waarin hij als bekroning van de schep­ping wordt geprezen en genoemd, ten tweede als het uitgangspunt van de zui­ver geestelijke wereld, die met hem de eerste trap van de volledige vrije zelf­kennis heeft bereikt.' 'Alle wezens vanaf het kleinste schepsel vormen een stij­gende reeks van categorieën, en wel dusdanig dat de één steeds de andere aan­vult, grotere volmaaktheden biedt en daardoor ook een steeds grotere intelli­gentie kan ontwikkelen.' (Gr XI 9, 8 en 9)

'Alles in het universum moet (ten slotte) geestelijk worden, moet omhoog schrijden.' (Pr 186)

 

De mens is een drieëenheid van lichaam, ziel en geest

 

'Gij zijt een geschapen mens, als zodanig bestaat gij uit een lichaam en een levende ziel, waarin de geest der liefde woont.' (Ha 11 250, 10)

'De mens is volledig naar Gods evenbeeld geschapen, en wie zichzelf volko­men wil kennen, die behoort te weten en in zichzelf te beseffen dat hij als één en dezelfde mens eigenlijk ook uit drie persoonlijkheden bestaat! Ten eerste hebt gij een lichaam, dat van alle benodigde zintuigen en andere voor een vrij en zelfstandig leven noodzakelijke ledematen en bestanddelen van het groot­ste tot het nauwelijks voorstelbaar kleinste is voorzien. Dit lichaam heeft ten behoeve van de ontwikkeling van de geestelijke ziel in hem een geheel eigen natuurleven, dat in alle opzichten sterk verschilt van het geestelijke zieleleven. Het Lichaam leeft van het stoffelijke voedsel, waaruit het bloed en de andere voedingssappen voor de verschillende bestanddelen daarvan worden ge­vormd.' (Gr VIII 24, 6)

'Wanneer wij de ziel op zichzelf beschouwen, dan zullen wij ontdekken dat ook deze op zichzelf een compleet volmaakte mens is, die substantieel-geeste­lijk (zie Duitse boek, 5e druk p. 126) ook in zichzelf en voor zichzelf dezelfde bestanddelen bevat als het lichaam en zich daarvan op hoger geestelijk niveau net zo bedient als het lichaam dat met zijn onstoffelijke bestanddelen doet.

Hoewel echter eensdeels het lichaam en anderdeels de ziel ieder op zich twee volkomen verschillende mensen of personen vormen, van wie ieder op zich een eigen specifieke activiteit omvat, waarvan hij uiteindelijk niet eens het hoe en waarom kan verklaren, vormen zij in het wezen van hun eigenlijke levens­doel desondanks slechts één mens, zodat eigenlijk niemand over zichzelf noch over iemand anders kan beweren, dat hij geen één mens doch een tweemens is. Want het lichaam moet in dienst staan van de ziel, terwijl deze met haar ver­stand en wil het lichaam behoort te dienen; dat is ook de reden waarom de ziel ook voor de handelingen waartoe zij het lichaam heeft benut evenzeer verant­woordelijk is als voor haar eigen handelingen, die uit allerlei gedachten, wen­sen, verlangens en begeerten bestaan.

'Wanneer wij echter het leven en bestaan van de ziel op zichzelf nog nader be­zien, dan zullen wij ook spoedig en zonder moeite vaststellen, dat zij ook nog een op zichzelf staand substantieel lichaam menswezen, niet hoger staat dan bijvoorbeeld de ziel van een aap. Weliswaar heeft zij een instinctmatig ver­stand van iets hogere graad dan een dier, doch van rede en een hogere beoor­deling der dingen en de verhoudingen daarvan kan geen sprake zijn.

Dit hogere en eigenlijk hoogste en volledig op God gelijkende vermogen in de ziel maakt een zuiver essentieel geestelijk derde mens, d.i. diegene die in de ziel huist.' (Gr VIII 24,9-12)

'De ziel bevat weliswaar het leven uit God, doch is nog lang niet het leven zelf.'

(Gr 111 42,5) 'Slechts een vonkje in het centrum van de ziel is datgene  dat men ge geest Gods en het eigenlijke leven noemt. ‘Dit vonkje moet met geestelijk voedsel gevoed worden, dat door het zuivere woord Gods gevormd wordt. Door dit voedsel wordt het vonkje in de ziel groter en machtiger, trekt uitein­delijk zelf de menselijke gestalte van de ziel aan, doordringt de ziel ten slotte geheel en brengt teweeg, dat deze in zijn wezen overgaat. Dan echter wordt de ziel zelf ook geheel tot leven, dat zichzelf als zodanig in alle diepte der diepten beseft.' (Gr III 42, 6)

'Ik zeg u: deze geest is datgene wat alles in de mens schept en ordent; de ziel echter is als het ware slechts een substantieel lichaam (van de geest), zoals een vleselijk lichaam een houder van de ziel is.' (Gr V 211,4)

'Ieder mens die op aarde wordt geboren ontvangt een geest vanuit Mij en kan volgens de voorgeschreven orde een volmaakt kind van God worden.'               (EM, hoofdstuk 53)

'Het geestelijke is in de mens op bijzonder godgelijke wijze voorhanden, wat ook de reden is waarom het met verstand en rede kan worden begaafd, een taal heeft en God als zijn schepper aanvankelijk kan vermoeden en later steeds zuiverder en zuiverder kan beseffen, liefhebben en zijn eigen wil volledig aan 'de ontdekte goddelijke wil ondergeschikt kan maken.' (Gr VI 32, 6)

'Wanneer de ziel de juiste mate aan rijpheid en vorming heeft bereikt dan gaat (in het hiernamaals, Egg.) de geest volledig in de gehele ziel over, en daardoor is de totale mens volmaakt, een nieuw schepsel, en wel eigenlijk vanuit God, omdat de geest in de mens eigenlijk niets anders is dan een God op zeer kleine schaal,aangezien hij volledig uit Gods hart is voortgekomen.' (Gr I 214,10) 'De geest Gods in de mens is vermoedelijk van het begin af aan een evenmatig­heid van God, doch voor de volledige actief levende gelijkenis met God moet hij zich eerst op de weg verheffen die Ik u heb getoond.' (Gr III 48, 7) 'Niemand kan weten wat er allemaal in de mens verborgen is behalve de geest, die in het binnenste van de mens is en woont, en zo weet geen enkele wijze van de wereld wat God zelf en wat er in hem is;alleen Godsgeest, die alle diepten van de Godheid doordringt, weet het.' (Gr IX 58, 6)

De goddelijke geestesvonk krijgt het kind in het moederlichaam ingegeven, 'wat bij sommige kinderen vroeger, bij anderen later gebeurt' (EM, hoofdstuk 51).

Paulus spreekt in de brief aan de Thessalonicenzen (5,23) duidelijk over geest, ziel en lichaam van de mens. Bijna alle theologen van de middeleeuwen maken een onderscheid tussen geest en ziel. Voor de middeleeuwse mystici zoals Ec­kehart, Johannes van het Kruis, Theresia van Avila enz. was het verschil tus­sen geest (spiritus) en ziel (anima) een vanzelfsprekend iets.

Eckehart in het bijzonder wijst onvermoeibaar op het zielevonkje in de mens.

Het werd in de katholieke kerk pas gebruikelijk om over lichaam en ziel te spreken, toen paus Pius IX in 1857 in een schrijven aan de kardinaal van Bres­lau zijn mening tegen de onderscheiding naar ziel en geest naar voren bracht. Deze uitspraak heeft echter voor de officiële leer van de kerk geen beteke­nis. 11

 

Het geheim van de ziel

 

Aan de beroemde patholoog geheimraad Rudolf Virchow (+1902), grondleg­ger van de cellulaire pathologie, wordt de volgende uitspraak toegeschreven: 'Ik heb sectie verricht op zeer veel lijken, doch een ziel heb ik niet gevonden.' Hij wilde daarmee uitdrukken dat een ziel niet bestaat. Deze beroemde ge­leerde heeft zich in zijn leven ettelijke malen in zijn wetenschappelijke bewe­ringen vergist, en in dit geval is het al niet anders. Maar ten slotte is de mening dat de mens enkel en alleen uit het stoffelijke lichaam bestaat in onze tijd mo­dern geworden. De meesten, zo voorspelt de Nieuwe Openbaring, weten niet eens meer dat zij een onsterfelijke ziel hebben. Demoscopische onderzoekin­gen hebben reeds jaren geleden aangetoond, dat niet meer dan de helft van de jeugdige ondervraagden nog aan een voortbestaan van de ziel na de dood ge­looft. 12

Ook met de sterkste elektronenmicroscoop kan de ziel niet worden aange­toond. Want in de Nieuwe Openbaring staat geschreven: 'De ziel is een zuiver etherische substantie, dus - zo gij dit kunt begrijpen - uit een zeer groot aantal lichtatomen of zo klein mogelijke deeltjes door de wijsheid en de almachtige wil van God tot een volmaakte menselijke vorm samengesteld, en de zuivere geest is de van God uitgaande wil die het vuur van de zuiverste liefde uit God vormt.' (Gr VII 66, 5)

'De ziel is in zekere zin door de kracht van de geest weer opgeloste materie, die in de eigen oervorm van de geest, door diens kracht gedwongen, een transfor­matie doormaakt; daarna vormt zij, met haar geest verenigd (in het hierna­maals, Egg.) als het ware diens lichtetherisch substantiële lichaam, net zoals de ziel uit de haar omringende vleselijke materie, wanneer deze (in het graf) volledig is vergaan en opgelost, door middel van de wil en haar zuivere geestes­kracht haar toekomstige gewaad vormt.' (Gr VII 66, 7)

Bijna alle 'zielen zijn direct van deze aarde afkomstig; tevoren hebben zij de drie zogeheten natuurrijken doorlopen, van de grove steenmaterie via alle mi­neraallagen, van daaruit door de gehele flora en uiteindelijk door de gehele fauna in het water, op de grond en in de lucht. Hierbij moet men echter vooral niet van het stoffelijke lichaam (van de dieren, zoals de evolutietheoretici doen; Egg.) uitgaan doch van het in diens omhulzing voorkomende psychisch­ geestelijke element. Weliswaar is de omhulzing in de ruimste zin van het woord ook psychisch geestelijk, doch deze is OR zichzelf toch nog niet hoogstaand genoeg, ... als eigenlijke ,zielesubstantie*(*Het begrip substantie mag hier niet met materie worden gelijkgesteld. Wat onder 'zielesubstan­tie' moet worden verstaan wordt in EM, hoofdstuk 41 als volgt verklaard: 'Het allerfijnste stof dat nog in de natuurmatige wereld te zien is kan zich niet met de ziel en de geest verenigen zolang het nog materie blijft. Beter dan 'stof zou 'specifiek zieleatoom' zijn, hetgeen niet meer materieel doch substantieel is. Er bestaat echter een enorm verschil tussen materie en substantie. Om dit alles goed te kunnen begrijpen moet gij dit verschil precies kennen. Neemt een magneet: alles wat daaraan zichtbaar is is de materie, wat echter de aantrekkingskracht in de magneet veroorzaakt is substantie. De substantie is met het vleselijk oog niet waarneembaar.' (EM 41, 1-2)) zal daarvan wel niets te gebruiken zijn' (Gr IV 106, 6-7).

'De ziel van de mens, deze uiterst gepotentieerde samenstelling van mineraal -, plante - en dierezielen, kan zich haar preëxistente niet herinneren, omdat de speciale zieledelen in de bovengenoemde drie rijken geen eigen en streng ge­scheiden doch voor hun soort slechts een in zekere zin aan het ruimteleven ontleende intelligentie bezaten.' 'Wanneer echter de mens eens volledig met de geest van al het leven en licht doordrongen zal zijn, dan zal hij deze orde ook kunnen aanschouwen.' (Gr VIII 29, 11-12)

'Niemands ziel is jonger dan de gehele zichtbare schepping. - Thans voelt gij u onbehaaglijk omdat ik u getrouw de waarheid zeg, dat uw zielen reeds veel meer dan aeonenmaal aeonen aardse jaren oud zijn.' (Gr IV 246,4) Door deze verkondiging wordt de passage 'Mijn ziel is veel rondgezworven' in de Heilige Schrift (Boek Jozua) duidelijk.

'Met het voortbrengen van een volledig op Mij gelijkende ziel mag Mijn al­macht slechts zeer weinig, alles echter de God in wording** (**D.w.z. de mens die door zijn medewerking, d.w.z. zijn naleving van Gods geboden, eens zelf godachtig zal worden. 'Uiteraard kan zelfs de meest volmaakte geest God in alle eeuwigheid in de meest eindeloze volheid niet bereiken.' (Gr III 3, 3)) uit Mij te maken en van node hebben. Van Mij ontvangt hij slechts het materiaal uit de geest en zo nodig ook uit de natuur. En ware dat niet zo, en indien het anders zou kun­nen zijn, dan zou Ik zeker niet, als de eeuwige oergeest, Mijzelve als gevolg van Mijn liefde de grote moeite hebben getroost om zelf vleselijk te worden om de tot aan een bepaald punt gevorderde zielen niet door Mijn almacht doch slechts door Mijn liefde verder te leiden en hun een nieuwe leer te geven en de nieuwe geest uit Mij, opdat zij nu, voor zover zij dat werkelijk willen, met Mij in de kortst mogelijke tijd volledig één kunnen worden.' (Gr IV 246, 6)

'Voor het eeuwige voortbestaan is slechts de menselijke ziel bestemd.' (Gr VI 107, 10) 'De ziel heeft dezelfde gedaante en vorm als haar lichaam, zij het ook in veel volmaaktere mate. - Doch hier is alleen sprake van een volmaakte ziel.' (Gr VII 209, 19) '.. .De ziel doordringt het gehele lichaam en verliest geen ledematen, ook al wordt het lichaam verminkt'.* (Gr VI 219, 12) (*Talloze mensen wier been is geamputeerd klagen dat zij soms pijn hebben op de plaats waar zich vroeger het been of de voet bevond. De medische wetenschap spreekt in zulke gevallen over fan­toompijn. In werkelijkheid gevoelt volgens de NO de ziel en niet het lichaam alle pijn.)

'De in een lichaam wonende ziel echter is natuurlijk aanvankelijk niet veel reiner dan haar lichaam, omdat zij ook van de onreine oerziel van de gevallen Satan afkomstig is.' 'In de ziel woont echter reeds de reine vonk van Gods geest.' (Gr II 210, 2-3)

'De ziel wordt het embryo na de verwekking door God ingeblazen. Zolang echter de zenuwen van het kind niet volledig zijn ontwikkeld en nog niet func­tioneren, werkt de ziel met zelfbewustzijn ijverig verder en vormt het lichaam volgens haar behoeften; wanneer echter de zenuwen allemaal gevormd zijn en de zich steeds meer ontwikkelende geest normaal begint te functioneren, dan begeeft de ziel zich ter ruste en sluimert volledig. Zij weet thans niets over zichzelf en vegeteert alleen nog maar, zonder enige herinnering aan een vroe­gere naakte natuurlijke toestand (zonder lichamelijke omhulling, Egg.). Pas enkele maanden na de geboorte begint zij steeds wakkerder te worden, wat aan de hand van de verminderde behoefte aan slaap goed is vast te stellen; doch er is heel wat meer tijd van node voordat de ziel enigszins bewust is. Pas wanneer een kind begint te spreken komt er ook een echt bewustzijn in de ziel, echter zonder herinnering, want deze is bij de hogere verdere ontwikkeling van de ziel helemaal niet van nut.' (Gr IV 120, 16)

'Het lichaam is de ziel slechts voor korte tijd als instrument gegeven, opdat deze bij het juiste gebruik ervan de volledige levensvatbaarheid en zelfstandig­heid voor eeuwig en altijd kan bereiken en behouden.' (Gr IX 167, 6)

'Om te bereiken dat de ziel als een zich uit de materie ontwikkelende geest met

de oergeest Gods, die "liefde" heet, volledig één wordt, moet de ziel er zelf naar streven om zich eerst van de materie te ontdoen en van alle eisen die deze stelt, en al haar streven, doen en werken moet op het zuiver geestelijke gericht zijn,. .'

'Hoe echter kan de mens gewaarworden dat zijn ziel met de in haar wonende ware geest God één is geworden? Dat is gemakkelijk vast te stellen. Wanneer gij in u geen hoogmoed, geen onnodige eerzucht, geen zucht naar roem en glans, geen eigenliefde, echter des te meer liefde voor uw naaste en voor God levend en waar in u voelt. . ., dan is de ziel reeds volledig één geworden met de in haar wonende geest Gods.' (Gr V 51, 3-4)

 

Het doel en de taak van de mens

 

'Om te eten, te drinken en groot te doen (gewichtig te doen, Egg.) is geen mens op deze aarde gebracht, doch om volgens de hem door God getrouw geopenbaarde orde uitsluitend voor het doel te leven waartoe God hem heeft bestemd.' (Gr X 16, 4)

'Tot aan de mens zorgt alleen Gods liefde, wijsheid en macht ervoor dat de ontwikkeling van het in de wereldmaterie gestolde en gevangen oergeestleven van niveau tot niveau in een steeds grotere volmaaktheid overgaat en zich ver­der ontwikkelt; doch bij de mens, het sluitstuk van de oergeest levensontwik­keling, moet dit anders verlopen. Wat zijn stoffelijke lichaam betreft is de vor­ming daarvan ook nog voor het allergrootste gedeelte van Gods liefde, wijs­heid en macht afhankelijk - wat echter niet voor de ontwikkeling van de ziel en haar geest geldt. Deze heeft verstand meegekregen, rede, een vrij denkvermo­gen, een volkomen vrije wil en de kracht om zo te handelen als de ziel goed en nuttig acht.' (Gr IX 102, 3)

'Op andere wereldlichamen zijn de (daar levende) mensen in geestelijk en in natuurlijk opzicht aan grenzen onderworpen, waar zij niet dan met zeer grote moeite overheen kunnen stappen. Gij mensen van deze aarde echter hebt in de geest evenmin een beperking als de Heer zelf en kunt doen wat gij ook maar wilt. Gij kunt u tot in Gods binnenste woning verheffen, maar om dezelfde reden kunt Gij ook zo diep vallen als Satan.' (Gr II 60, 5)

'Het nimmer te beschrijven grote verschil (met de mensen op andere wereldli­chamen, Egg.) bestaat daarin dat gij mensen van deze aarde gelijkenis met God kunt verkrijgen.' (Gr VI 190, 13) 'Het is in het geheel niet hetzelfde of men een zoon des huizes dan wel slechts een knecht is.' (Gr VI 190,15) 'Het Rijk Gods kan echter slechts met geweld en met grote offers worden veroverd. Bedenkt dat wel!' (Gr VIII 16, 3)

'Niemand kan in Gods ogen genade vinden, wanneer hij niet tevoren een rede­lijke tijd lang... de meest volledige proeve van levensvrijheid in zijn vlees heeft doorstaan.' (Gr VI 190,3) 'De mensen van deze aarde hebben de grote. bestemming om kinderen Gods met een eigen macht te worden; dat is ook de reden waarom zij vanuit zichzelf in eigen activiteit geoefend en ontwikkeld moeten worden.' (Gr VI 111, 19)

'Daarom nu is Mijn leer een waar evangelie, omdat het de mensen verkondigt en hun de weg toont hoe zij gelijkenis met God kunnen bereiken.' 'Mijn leer echter is op zichzelf zeer kort en gemakkelijk te bevatten, want zij vraagt niets van de mens, dan dat hij aan een ware God gelooft en Hem als de goede Vader en Schepper boven alles liefheeft en zijn naaste gelijk zichzelve, d.w.z. voor hen al datgene doet waarvan hij redelijkerwijs kan verwachten dat ook zijn naaste voor hem zal doen.' (Gr VII 139, 8; 140, 3)

Dat het aardse leven 'vol moeite en ontberingen is' wordt in de Nieuwe Open­baring niet ontkend, maar er wordt aan toegevoegd dat de mensen van deze aarde 'het zich voor korte tijd moeten laten welgevallen dat zij dit moeten doormaken, omdat zij daardoor dan ook voor eeuwig de triomf van de volledi­ge gelijkenis met God oogsten, en daarvoor kunnen zij zich ook wel het een en ander laten welgevallen, omdat Ikzelf toch ook uit liefde tot Mijn kinderen Mij vrijwillig zeer veel laat welgevallen en Mij nog zeer grote en bittere zaken zal moeten laten welgevallen voor het heil van Mijn kinderen' (Gr VIII 16, 2). (Jezus sprak dit tot zijn discipelen en wees in de laatste zin op zijn ophanden zijnde lijden en sterven, Egg.)

'Wie Ik beproef - en waarlijk, Ik doe zulks niet zonder reden -, die wil Ik ook tot iets maken, want hij is reeds in Mijn school.' (Hi I blz. 345,2) 'Gij echter ­hoort en begrijpt dit - zijt op Mijn universiteit.' (De aarde is de hogeschool voor Gods kinderen, Egg.) 'Ik ben voornemens zeer veel van u te maken. Om die reden dienen u ook menige bijzondere beproevingen op deze hogeschool niet te bevreemden.' (Hi I blz. 345, 6) 'Om echter dat te worden moeten in deze wereld hemel en hel onder één dak wonen. Zonder strijd is er geen zege mogelijk. Waar het hoogste kan worden bereikt moet daarvoor ook de hoog­ste activiteit worden verlangd.' (Gr III 178, 5)

'Eenieder zal weliswaar met Mij door de nauwe poort van de volledige zelfver­loochening moeten gaan, alvorens hij wordt gelijk Ik ben. Eenieder moet op­houden om zelf iets te zijn, zodat hij in Mij alles kan worden.' (Gr IV 1, 5) , 'Doch het vele weten alsook de rijkste ervaring zal u daarheen niet leiden, doch slechts de levende liefde tot God en evenzeer tot de naaste. Daarin ligt het grote geheim van de wedergeboorte besloten.' (Gr IV 1, 4)

'De hoofdzaak is en blijft het niet-aflatende streven naar de volledige weder­geboorte van de geest in de ziel.' (Gr VII 183, 13)

'De uiterlijke mens moet uiteindelijk door de innerlijke totaal worden over­wonnen, anders sterft de innerlijke mens samen met de uiterlijke.' (Gr 111 61, 5)

'Het gemeenschappelijke, eeuwige samenwonen van God en Zijn kinderen is de wedergeboorte van de geest.' (Gr XI 52, 4)

'Na Mij zullen nog velen de wedergeboorte van de ziel kunnen bereiken en derhalve ook zeer gelukkig zijn zonder dat zij dit hoogste en laatste niveau (van de wedergeboorte van de geest) deelachtig worden' (Gr XI 52, 5) (Alleen de wedergeboorte van de geest maakt het aanschouwen van God in de hoogste hemel mogelijk. Zie de uiteenzettingen in het volgende hoofdstuk 'Het eeuwige leven in het hiernamaals'.)

 

Het eeuwige leven in het hiernamaals

 

a. In het middenrijk en in de hemelen

 

De leer van de zieleslaap, volgens welke de ziel na de dood wordt vernietigd en pas aan het einde der dagen door God opnieuw wordt geschapen, wordt niet door de Nieuwe Openbaring gesteund; zij wordt door Jezus op niet mis te ver­stane wijze als onjuist verklaard. Tegen de Farizeeërs zei hij uitdrukkelijk: 'Omdat gij vol traagheid, vol zinnelijkheid en vol zelfzuchtige hoogmoed zijt is het u onmogelijk, het geheim en de waarheid van het Rijk Gods te begrijpen. Gij stelt u de verhoopte hemel als de één of andere bijzonder heerlijke en gro­te ruimte boven de sterren voor, waarin de vrome zielen na de dood van hun lichaam of - zoals enkelen van u nog onzinniger geloven - pas na vele duizen­den jaren op de door u nimmer begrepen "jongste dag" zullen worden opge­nomen en dan voor eeuwig in een paradijselijk leven zullen verblijven.' (Gr VII 194, 10)

Tot Zijn pleegvader Jozef en diens zonen sprak Jezus: 'Daar Ik nu bij u ben, waarom vraagt gij Mij dan niet hoe het met het leven van de ziel na het afvallen van het lichaam zal gaan? Ik moet het toch beter weten dan gij. Ik weet echter niets over een bijna eeuwig lange doodsnacht van de ziel na het afvallen van het lichaam, doch op het ogenblik waarop het zware lichaam van u afvalt zult gij u ook reeds in de opstanding bevinden en eeuwig voortleven en actief zijn, d.w.z. mits gij als oprecht mens voor God deze wereld hebt verlaten. Wanneer gij echter als onoprecht mens voor God sterft, dan zal waarschijnlijk een zeer lange nacht tussen de dood van uw lichaam en uw ware opstanding volgen ­doch geen vog,U! onbewuste maar een voor de ziel volledig bewuste nacht, en dat zal voor de ziel een lange dood zijn. Want een dood waarvan de ziel geen weet heeft zou voor haar geen dood betekenen, doch de dood die zij in het rijk van de kwade geesten bewust meemaakt zal voor haar een grote kwelling zijn.' (Gr VII 209, 12-13)

Alle zielen komen volgens de verkondigingen van de Nieuwe Openbaring on­middellijk na hun dood in een midden rijk terecht. Van daaruit begeven zij zich, al naar gelang zij voor de deemoed, de liefde tot God en de naastenliefde dan wel voor de eigenliefde, de hoogmoed en de heerszucht kiezen, vrijwillig in de eerste hemel of in de eerste hel. De Nieuwe Openbaring verduidelijk dit gebeuren als volgt: 'Niemand komt in de hel noch in de hemel, doch eenieder draagt beide in zich.' (GS 11 118, 10)

In bepaalde gevallen bestaat echter ook de mogelijkheid dat een ziel nogmaals op deze aarde of, wat veel vaker zal geschieden, op een ander wereldlichaam in een menselijk lichaam mag wonen. Deze laatste mogelijkheid komt vooral voor de ziel van die mensen in aanmerking die bij volkeren horen, die nog niets over Jezus' leer hebben vernomen. (Zie in dit verband het hoofdstuk: De reïncarnatieleer. )

In de Nieuwe Openbaring zijn uitgebreide uiteenzettingen over het leven na de dood te vinden. De beschrijving van geestelijke toestanden is zoals de NO uitdrukkelijk vermeldt - bijzonder moeilijk. Derhalve vormt de schildering van de toestanden in het hiernamaals 'slechts een, zij het goed doordacht, schaduwbeeld van de grote waarheid' (Pr 97) De volgende citaten vormen een nauw begrensd fragment uit het complete werk van de Nieuwe Openbaring.

'Na het afvallen van het lichaam verblijft een ziel - vooral in de eerste periode van haar bestaan - gewoonlijk op dezelfde plaats waar zij zich in het lichaam op de aarde bevond, d.w.z. wanneer zij nog niet geheel volmaakt in het niet ­vleselijke rijk van het hiernamaals overgaat. Zij ziet en hoort echter niets van de natuurlijke wereld waar zij in het lichaam gewoond heeft, ook al bevindt zij zich ruimtelijk gezien op deze wereld. Haar bestaan is min of meer als een lichte droom te beschouwen, waarin de ziel in een als het ware uit haar voort­gekomen gebied of landschap leeft en zich geheel zo gedraagt alsof zij in een volkomen natuurlijke wereld vertoeft, waarbij zij de verlaten natuurwereld in het geheel niet mist.

God laat echter dikwijls toe dat het gebied dat zij bewoont wordt vernietigd; de ziel verblijft dan in een geheel ander gebied dat zeer goed bij haar innerlijke toestand past. Bij zulk een ziel duurt het dan dikwijls zeer lang tot zij door menige belering tot het besef komt, dat alles wat zij daar meent te bezitten ijdel en zonder waarde is. Wanneer zij eenmaal door vele ervaringen en ver­schijningen tot dit inzicht is gekomen dan begint zij pas ernstiger over haar toestand en haar bestaan na te denken en tot inkeer en het besef te komen dat zij de vroegere, aardse wereld heeft verlaten, waardoor zij meer en meer het verlangen gevoelt om in een blijvender en minder vergankelijk oord te wonen. In deze toestand wordt zij door reeds volmaaktere geesten onderwezen wat haar te doen staat.' (Gr VII 66, 10-13)

'De ziel leeft dan in het hiernamaals (aanvankelijk, Egg.) slechts als in een iets lichtere droom voort en weet dikwijls niet dat zij in een andere wereld reeds éénmaal heeft geleefd, doch zij leeft en handelt volgens haar gebruikelijke zin­nelijkheid. En wanneer meer verlichte geesten haar ervan op de hoogte bren­gen en haar vermanen dat zij thans in een andere wereld vertoeft, dan gelooft zij dat toch niet en hoont en bespot degenen, die haar de waarheid duidelijk trachten te maken. Er is zeer veel tijd van node om zo'n werelds en vleselijk geworden ziel in het hiernamaals tot een lichter besefte brengen.' (Gr VII 58, 5-6)

'Het middenrijk is het voorbereidende oord, waar de zielen voor de hemel of voor de hel worden voorbereid. De ziel en geest van iedere overledene komt onmiddellijk na de dood eerst in dit gebied, waarin hij net zo voortleeft als hij op de aarde heeft geleefd.' (EM 31,4) In de Nieuwe Openbaring wordt opge­merkt dat het Middenrijk 'ongeveer datgene is wat rooms-katholieken, echter in ernstige dwaling, onder het vagevuur verstaan.' (GS 11 120, 2)

Zoals het innerlijk van de mens eruit ziet, zo zal ook in het hiernamaals de wereld eruit zien, die hij vanuit zichzelf zal scheppen en waarin en waarophij dan (aanvankelijk) zal leven, goed of slecht.' (Gr VI 33, 9)

De onvolmaakte en slechte zielen sluiten zich als gelijkgezinden in verenigin­gen aaneen, die echter niets goeds betekenen, want in goede verenigingen slui­ten zich slechts de zalige geesten aaneen.' (Gr VIII 83, 8)

Het Middenrijk heeft drie gebieden. In het derde en hoogste gebied bevinden zich de zielen van de goede en reine mensen. 'Ook al verblijven zulke reine geesten somtijds ook enkele eeuwen in het derde gebied, het is niet alleen zo dat zij daardoor niets verliezen doch zij kunnen er alleen maar beter van wor­den, want het ontbreekt hun aan totaal niets, zij zijn zeer gelukkig en zalig.' (EM 29,5)

'De geesten van het tweede gebied kunnen in het derde overgaan, wanneer hun zielen of bij wijze van spreken hun substantiële lichamen* (*Substantieel dient hier, zoals reeds werd verklaard, niet met 'lichamelijk' te worden verward (Egg.).) zich steeds meer en meer vergeestelijken en volledig één worden met de geest.' (EM 30, 2)

'Iedere ziel moet (in het hiernamaals) van niveau tot niveau worden geleid en moet rein en louter worden als het zuiverste goud, opdat zij in staat worde om de eindeloze vreugden des hemels deelachtig te worden.' (Gr VIII 106, 11)

'Ik zeg u dat geen menselijk oog ooit heeft aanschouwd, geen oor heeft ge­hoord en geen zintuig ooit heeft ondervonden, welke vreugden en zaligheden God diegenen die Hem waarachtig boven alles liefhebben, in de hemelen heeft bereid.' (Gr VIII 106, 15)

'De hemel heeft drie graden net zoals de hel drie graden of niveaus heeft.' (Gr VII 170, 14)

'Er komt niemand in de hoogste hemel (derde niveau = de liefdehemel, Egg.) behalve diegene die zijn aardse wereldwil volledig uit zichzelf heeft verdreven en daarvoor Mijn wiJ voor eeuwig in zich heeft opgenomen.' (VdH 11 288, 1) 'Wie Mij (op aarde) niet zoekt, niet vindt, niet herkent en zodoende ook niet liefheeft en ook nog jegens zijn naasten vol van liefdeloosheid is, die zal eeuwig nimmer Mijn kind worden (d.w.z. in de hoogste liefdehemel komen, Egg.)

'. . . wie op aarde Mijn leer koeltjes, onvolledig of in het geheel niet aanneemt, die zal in grote nacht in die wereld aankomen en het zal hem uiterst zwaar vallen de brug tussen de stoffelijke en de geestelijke wereld te vinden.' (Gr I 81, 11)

'Daar ieder mens, om een eeuwig levende geest te worden, over zijn meest vrije wil dient te beschikken, geschiedt het vooral in deze (onze, Egg.) tijd maar al te vaak dat de mensen hun oren door de sirenestem van de wereld laten verdoven en hun ogen door het bedrieglijke licht van de wereldse glans laten verblinden. Zo komen zulke mensen op de wereld moeilijk of helemaal niet daarheen waartoe zij geroepen zijn, doch juist daarheen waarheen zij niet moeten komen: tot eigenliefde, zelfzucht, heerszucht, hebzucht, gierigheid, nijd, vraatzucht, brasserij, wellust, ontucht en hoererij. Deze ondeugden echter verteren het leven in plaats van het te vermeerderen. Zij moeten zich dan in het hiernamaals met moeite vrijmaken van al datgene wat hun ruwe zinnen te zeer had beziggehouden, en zij moeten in grote ellende vertoeven om hun le­ven in deze geestelijke leegte en woestheid weer tot zichzelf te doen komen. Wanneer dit geschied is... dan komt ook de hulp die daarbij van node is, doch zodanig dat zij niet opgedrongen doch alleen door de behoeftige zelf gevraagd schijnt.' (VdH I 418)

'Weest daarom allen hier ijverig (in geestelijke zin, Egg.) en laat u door de schatten van deze wereld niet verblinden. . .' '.. . hoe meer geestelijke schatten gij daarin door allerlei goede werken opeenhoopt, des te beter zal het u daar­ginds gaan. Wie zich echter karig en vrekkig gedraagt, die zal het eens aan zichzelf toe moeten schrijven wanneer hij daar de voorraadkamer van zijn hart vrijwel volledig leeg aantreft.' 'Nacht, duisternis, honger, ellende en allerlei nood zullen zijn lot zijn, zo lang tot hij er noodgedwongen toe overgaat om eerst aan zichzelf te werken, teneinde daardoor voor andere dingen geschikt te worden.' (Gr IV 96, 4-5)

'De later mogelijk (in het hiernamaals, Egg.) gelouterde wereldkinderen zul­len geestelijke bewoners van die hemellichamen en de daarbij behorende gemeenschappen blijven waarop en waarin zij zijn gelouterd, doch het huis van de eeuwige Vader in het midden van de allerhoogste hemel zullen zij nimmer betreden gelijk Mijn ware kinderen, die met Mij steeds en tot in alle eeuwig­heid de gehele oneindigheid zullen vormen.' (Gr V 111, 1-2)

'Laat niemand geloven dat hij zich eens in het hiernamaals in een eeuwig ledi­ge, zoete rust zal bevinden, want dat zou juist de dood van de geest of de ziel betekenen. Hoe geestelijker een mens in zijn binnenste wordt, des te actiever wordt hij ook, en wel door en door.' (Gr VI 226, 16)

'De grote zaligheid van een volmaakte ziel bestaat eruit, dat zij ook de waarlijk goddelijke scheppingskracht heeft verkregen en vanuit bijna goddelijke wijs­heid alles teweeg kan brengen wat God zelf op dezelfde wijze teweegbrengt en voortbrengt.' (Gr VII 67, 2)

'Gij zult eeuwig steeds weer nieuwe wonderen beleven..., doch het einde daarvan toch eeuwig nooit ofte nimmer bereiken.' (Gr IV 254,3)

 

b. De verdere ontwikkeling van de ziel in het hiernamaals

 

De kerk leert dat over het lot van de mens tijdens zijn aardse leven wordt be­slist en dat na de dood de ziel hemel of hel te wachten staat. Een verandering van de zieletoestand zoals die in het uur des doods bestaat - in een toestand van genade of van doodzonde - zou na de dood in het hiernamaals niet meer mogelijk zijn. (ColI. Lac. VII. 517,550,564,567. Besluit van het Hl. Officie tegen de theosofen dd. 18 juli 1919 [D 2189].) Deze leer wordt door de Nieuwe Openbaring duidelijk weerlegd. Een verdere ontwikkeling van de ziel ten goe­de of ten kwade is ook in het hiernamaals mogelijk. Maar wel wordt er met nadruk op gewezen, dat een verzuim in het aardse leven tijdens het leven in het hiernamaals door de ziel slechts met veel grotere moeite, inspanning en in zeer lange tijd kan worden goedgemaakt. In de Nieuwe Openbaring wordt ten aan­zien van deze kwestie gezegd: 'Aan de zielen van de overledenen wordt het evangelie door Mijn ontelbare engelen verkondigd. Degenen die ernaar luis­teren, het aanvaarden en zich eraan houden zullen ook de zaligheid deelachtig worden - echter niet zo gemakkelijk als op deze aarde, waar de mens vele malen en vaak met grote inspanning strijd moet voeren met de wereld, met zijn vlees en met een groot aantal andere dingen - zij het ook slechts korte tijd - en daarbij veel geduld, zelfverloochening, zachtmoedigheid en deemoed moet opbrengen.' (Gr X 2,5)

Weliswaar wordt in het hiernamaals - zoals reeds vermeld - het evangelie ook gepreekt; 'doch weest desondanks op aarde vol ijver', staat er in de NO, 'want een echt kind van God voor Mijn binnenste en zuiverste liefdehemel kunt gij slechts vanuit de aarde worden. Voor de eerste en tweede hemel kan nog in het hiernamaals worden gezorgd.' (Gr IV 247,9)

'Het komt erop aan hoever de vervolmaking in uw binnenste is gevorderd, wanneer de ziel het lichaam verlaat. Wanneer deze toestand met de bestaande goede wetten strookt, dan is de toestand van de ziel in het hiernamaals ook meteen zodanig dat zij van daaruit onmiddellijk een hogere trap van vervolma­king van het vrije leven kan bereiken en op een hoger niveau voort kan schrij­den.' (Gr V 225,9) Tegelijkertijd veranderen de gelaatstrekken met de hogere ontwikkeling, 'zij worden jonger en edeler' (BM 30, 2).

Uiteraard verloopt de verdere ontwikkeling in de meeste gevallen 'vrij lang­zaam, doch dat is van geen belang, omdat de ziel nimmer volledig teloor­gaat. . . en zo zij al door grote verstoktheid door de tegenpool zou worden ver­slonden - wat inderdaad al zeer ernstig zou zijn -, dan zal zij het zich na een kringloop der tijden weer moeten laten welgevallen om hetzij op deze aarde, hetzij op een andere van de talloze hemellichamen in de eindeloze ruimte, we­derom een vleselijke levensproeve door te maken, zonder dat zij er weet van heeft of ook maar vermoedt dat zij reeds een vleselijke proeve heeft door­, staan. Een dergelijk weten zou ook van generlei nut zijn, omdat zij daardoor met haar eigen zinnelijkheid meteen weer in haar oude zonden zou vervallen en daardoor een tweede levensproeve volkomen vergeefs en verijdeld zou zijn.' (Gr V 232, 2)

'In het grote hiernamaals gaat alles zwaarder en moeizamer dan op deze we_ reld, en bij zeer vele zielen die te diep in het kwaad tegen Mijn orde zijn ver­zonken, zal wel een voor u ondenkbaar lange tijd van node zijn, totdat zij de weg naar Mijn eeuwige en onwankelbare orde hebben gevonden.' (Gr X 113, 2)

'Een ziel echter die reeds door haar eigen betere gedrag is gelouterd, komt snel en gemakkelijk voortwaarts.' 'Hoe zal het echter een ziel in de andere wereld gaan, die de weg uit Mijn orde nog niet eens voor een vierde of de helft heeft afgelegd en deze zodoende ook niet zal kunnen vinden? Zie, dat is dan reeds de eigenlijke hel.' (Gr X 113, 6-7) 'Zo zal ieder in zijn zwakheid en wereldse gewoonte eens een zeker kruis vinden, dat hem in de geestelijke wereld zeer veel meer pijn zal bereiden wanneer hij het niet op deze wereld met veel gerin­gere moeite geheel of grotendeels zegerijk heeft overwonnen.' (Hi II blz. 221, 6)

'Waarlijk, Ik zeg u: Hier telt één uur meer dan daar duizend jaar. Schrijft deze woorden diep in uw hart!' (Gr VI 13, 10)

'De mensen echter die nimmer gelegenheid krijgen nog in dit leven iets over Mijn leer te vernemen zullen in het hiernamaals hulp krijgen van leiders, die hen naar de brug zullen leiden die tussen deze materiële en gene geestelijke wereld ligt. Wanneer zij deze leiders volgen, dan zullen zij ook over deze brug naar het ware leven komen. Wanneer zij echter halsstarrig bij hun leer blijven, dan zal over hen aan de hand van hun levenswandel volgens hun leer slechts als schepselen worden geoordeeld en zullen zij geen kinderen Gods worden.' (Gr I 42, 12) 'Maakt u daarom geen zorgen over hen die thans en in later tijden niets over Mij kunnen vernemen, want Mijn Vader kent hen allen en heeft ook niet één van hen voor de eeuwige val, doch voor de eeuwige opstanding uit Zijn liefde en wijsheid in het leven geroepen.' (Gr XI blz. 245)

Anders is het gesteld met de zielen van de mensen die tot beschaafde volkeren behoren, die Jezus' leer hebben leren kennen: 'Ik zal weliswaar niet persoon­lijk over hen oordelen, doch de eeuwige waarheid, die ook in hen woont en waarmee zij op buitengewoon vijandige voet staan, zal over hen oordelen en hen voor Mijn aangezicht op de vlucht jagen.' (Gr X 154, 9) 'Doch zelfs voor zulke door zichzelf verworpen zielen heb Ik u (de apostelen, Egg.) twee troos­tende dingen gezegd, ten eerste in de gelijkenis van de verloren zoon, en bo­vendien door wat Ik tot u heb gezegd, dat er in het huis van Mijn Vader zeer vele woningen zijn en - om het duidelijker te zeggen - zeer vele onderwijs - en verbeteringsinstituten, waarin zelfs de meest verworpen mensenduivels op de wereld kunnen worden onderricht en verbeterd.' (Gr X 154, 10)

Mensen die geestelijk verder keken hebben intuïtief altijd al geweten, dat Gods barmhartigheid groter is dan de dienaren van de kerk willen toegeven. 'Voor Goethe bijvoorbeeld is de kosmos als goddelijke schepping een gewel­dig oefeningsoord voor een wereld van geesten, waartoe ook de geesten van overleden mensen behoren.'13

'Waar blijft nu bij Mijn leer de zo verschrikkelijk geschilderde dag des oor­deels, waarop nauwelijks een deciljoenste van de mensen in de hemel zouden komen, alle anderen echter voor eeuwig in de hel?' (Gr XI blz. 245)

Als gevolg van de verdraaiing van het evangelie door de bisschoppen in de oudheid (Gr XI blz. 246) en de in de vierde eeuw door Augustinus naar voren gebrachte leer dat 'verreweg het grootste deel van alle mensen eeuwig ver­doemd zullen worden' (Non omnes, sed multo plures non fiunt salvi; Enchiri­don ad Laurentium, c 97) evenals alle heidenen die een deugdzaam leven heb­ben geleid, is de leer van de barmhartige hemelse Vader volledig omgekeerd. 'Deze ontaarding van de leer', sprak de Heer tot Lorber, 'droeg en draagt er dikwijls schuld aan dat zeer vele mensen zich volledig van Mijn leer hebben afgewend' (Gr XI blz. 243).

De gevolgen van deze omkering van de blijde boodschap worden van dag tot dag duidelijker zichtbaar. 'De laatste autoriteit', schrijven de katholieke theo­logen prof. Karl Heinz Ohlig en Heinz Schuster, 'van het christelijke geloof kan niet in een menselijke instelling of in de autoriteit van een door mensen gedragen ambt (leerambt, hiërarchie) besloten zijn, doch uitsluitend in gene "auctor" (maker, basis) van de christelijke hoop: in Jezus Christus.'14

 

c. De hel in de leer der kerken en in de Nieuwe Openbaring

 

Ook al ontkennen de vertegenwoordigers van de 'nieuwe theologie' het be­staan van de hel: er bestaat wel degelijk een hel. De Nieuwe Openbaring laat daarover geen twijfel bestaan. Doch evenzeer staat buiten twijfel dat er geen eeuwige verdoemenis bestaat.

Alvorens de verkondigingen van de Nieuwe Openbaring weer te geven laten wij de leer van de kerken over de hel, zoals deze in de loop der tijden op ver­schillende manieren is vertegenwoordigd, aan dit thema voorafgaan. De grootste bijbelgeleerde van de katholieke kerk, Origenes (ca. 250 n. Chr.), huldigde de mening dat God in de loop van een lange tijd alle mensenzielen weer bij zich in Zijn rijk zal opnemen. De verloren zoon - die de gehele mens­heid vertegenwoordigt - zou aan het eind van de stoffelijke wereld in het god­delijke vaderhuis zijn teruggekeerd.

Deze leer, die apocatastase wordt genoemd en die door de Nieuwe Openba­ring wordt bevestigd,werd in de zesde eeuw verworpen (Denz. 211,429,531). In plaats van de verzoening tussen de mensheid en God kwam de eeuwige ver­doemenis te staan, die voordien niet werkelijk tot het culturele bezit van de kerk had behoord. Deze gebeurtenis wordt in het katholieke standaardwerk Lexikon für Theologie und Kirche, deel, 5, 1959, blz. 446, bevestigd. In die passage staat letterlijk te lezen: 'De eeuwige duur van de straffen in de hel werd als eindpunt van een lange strijd in het jaar 543 in C 9 van de Canones adv. Origenes vastgesteld' (Denz. 211). 'Door deze poging (van de leer van de apocatastase = alles verzoenende leer van Origenes [De princ. I 6, 1 en 3], Egg.) werd onder Justinianus in het kader van de algemene eliminering van het Origenisme een streep getrokken' (blz. 447). Justinianus was geen paus, doch een heerszuchtige Romeinse keizer in de zesde eeuw. Hij liet de paus in een kerker werpen en bepaalde wat de bindende leer in de katholieke kerk moest zijn!

Wordt de leer van de eeuwige hel door de Heilige Schrift bevestigd? Zeker niet! Op de plaats waar in de Nederlandse tekst van het evangelie het woord 'eeuwig' staat, is in de oorspronkelijke Griekse tekst 'aionios'. Dit woord is voor verschillende uitleggingen vatbaar, het behoeft in geen geval beslist met 'eeuwig' te worden vertaald. In het Begriffslexikon zum Neuen Testament 1971 deel lP, blz. 1459, wordt over de uitdrukking 'aionios' gezegd: 'lange tijd, tijdsduur, waarmee zowel een precies begrensde als ook een onbegrensde tijd / bedoeld kan zijn...',

Zodoende is het alleen maar een kwestie van casuïstiek respectievelijk van de invloed die bepaalde theologen of achter hen staande machtige groeperingen hebben, welke betekenis aan het woord 'aionios' wordt toegekend. Inderdaad zijn er dan ook in dit verband in de loop van de kerkgeschiedenis radicale en minder radicale leringen ontstaan. In het katholieke Lexikon für Theologie und Kirche, deel V, blz. 446, wordt er gezegd dat de begrenzing van straffen in de hel voor het eerst door Clemens van Alexandrië (ge st. vóór 215) 'werd overwogen'. (Strom. VII 16, 102 en VI 6, 46). Soortgelijke voorstellingen had­den volgens voornoemde bron ook 'Origenes, Hiëronymus, Cyprianus (Ep. 55,20), Hilarius (in Ps. 57,5), Ambro.sius (in Ps. 36,26), Gregorius van Nyssa, Didymos, Diodorus van Mopsuetia'.

De kerkleraar H. Hiëronymus (+420), die secretaris van paus Damasus was, schreef in zijn verklaring van de profeet Jesaja dat de verdoemden later in rijke mate troost deelachtig zouden worden, doch dat dit geheim moest wor­den gehouden, opdat de gelovigen uit vrees voor de eeuwige straffen in de hel niet zouden zondigen (Js. 14,2). Dit pedagogische motief was beslist één van de redenen waarom kerkelijke kringen de leer van de apocatastase van Origenes hebben bestreden en veroordeeld.

Ook Petrus Chrysologus, bisschop van Ravenna (+450), was er evenals andere bisschoppen van overtuigd dat de straffen in de hel niet eeuwig duren. In zijn geschrift Over de rijke man en de arme Lazarus zei hij: 'De eenmaal tot de hel veroordeelden zouden nimmermeer de rust van de heiligen deelachtig kunnen worden wanneer zij niet door Christus' genade reeds verlost waren, door de voorspraak van de gelovigen uit het oord van de wanhoop bevrijd, zodat dat­gene wat het strafoordeel hun onthoudt hun toch door de kerk (het gebed van de gelovigen) wordt gegeven die genade schenkt.'15

Doch de rampzalige invloed van de kerkvader Augustinus werd steeds sterker. In zijn Handboekje (29,111)16 besliste hij dat de straffen in de hel eeuwig zijn. Reeds daarmee was de leer van de apocatastase theo.logisch verworpen.

Volgens de leer van Augustinus moesten zelfs alle op de gehele wereld niet gedoopt stervende kinderen - dat waren destijds bijna alle kinderen - de eeuwige smarten van de hel ondergaan, zoals immers volgens zijn ideeën God vrijwel de gehele mensheid voor het eeuwige lijden in de hel zou hebben ge­schapen. Deze mening van Augustinus werd door het concilie van Florence (1438-1445) bevestigd. Dit concilie legde vast dat 'niemand buiten de katho­lieke kerk, heiden noch jood noch ongelovige (Islam) dan wel een van de een­heid van de kerk gescheidene het eeuwige leven deelachtig wordt, doch aan het eeuwige vuur zal worden prijsgegeven' (Denz. 714, vgL Opm. 24 en Neu­nes - Loos - Rahner, blz. 530, Opm. 43).

Onder de druk van de wereldopinie zagen de bisschoppen zich op het tweede Vaticaanse concilie in de jaren zestig van deze eeuw genoodzaakt zich van de­ze absurde leer te distantiëren.

De door Augustinus geleerde verdoemenis van de ongedoopte kinderen was zo dwaas, dat deze leer reeds na korte tijd moest worden opgegeven. Zij had de moeders in zijn diocese reeds tot wanhoop gebracht. Thans leert de kerk dat de ongedoopte kinderen in de 'voorhel' komen, waar zij niet behoeven te lijden, maar niet in de hemel kunnen komen (Denz. 410,464,693,791). Doch uit de Nieuwe Openbaring kunnen wij opmaken, dat Gods besluit in dit op­zicht geheel anders is dan de mening van de geloofsbewakers met hun telkens weer verschillende opvattingen.

Bij de eeuwige straffen in de hel is de katholieke kerk tot op heden gebleven, sinds paus Innocentius IV in de middeleeuwen deze leer officieel verkondigde (Denz. 546,211,429,531). Vóór het tweede Vaticanum waren er in de katho­lieke - en van het imprimatur-teken voorziene literatuur als motivering voor deze leer de meest zonderlinge toelichtingen te vinden. 'Een tijdelijk begrens­de beloning of straf', schrijft bijvoorbeeld Josef Staudinger (1950), 'alleen zou geen werking hebben. Daarom moet de goddelijke sanctie voor eeuwig zijn.'17 Hier vindt men het pedagogische standpunt van de kerkvader Hiëronymus te­rug, dat ter afschrikking van de zonde de leer van de eeuwige hel dient te wor­den verkondigd. Juist dit standpunt verwerpt de Heer in de Nieuwe Openba­ring (Gr VI 243, 3). Staudinger gaat dan voort en drijft zijn snode ideeën, die echter van officiële kerkelijke zijde werden goedgekeurd, op de spits: 'Ja, zelfs de liefde en barmhartigheid vereisten, hoe merkwaardig dit ook moge klin­ken, de eeuwige hel '18 'Wij kunnen ons geen voorstelling maken van de verte­rende gloed van de goddelijke haat.. '19

Katholieke auteurs deinzen er niet voor terug Gods eigenschappen te perver­teren en laten in plaats van Gods liefde, die zijn oerwezen vormt, de 'haat' domineren. Naar het getuigenis van Staudinger is ieder, die de liefde, goed­heid en barmhartigheid van God hoger acht dan Zijn 'haat' en derhalve niet aan eeuwige straffen in de hel kan geloven, zelf reeds tot eeuwige straf in de hel verdoemd. (S. 290)

Kan een kerk die Gods beeld zo vertekent nu nog verwachten dat de mensen geloof hechten aan haar leringen? De mannen van de kerk zoeken de redenen voor het teruglopen van het aantal gelovigen overal, behalve bij zichzelf. Men kan zich slechts bij het oordeel van de protestantse bisschop Schjelderups aan­sluiten, die heftig van mening verschilde met een fanatieke pastoor. Hij zei: 'Ik ben blij dat op de dag des oordeels geen theologen en kerkvorsten, doch de Zoon des Mensen zelf over ons zal oordelen. En ik twijfel er niet aan dat de goddelijke liefde en barmhartigheid groter is, dan diegene die in de leer van de eeuwige pijn in de hel wordt uitgedrukt.. , 'Voor mij behoort de leer van de eeuwige straf in de hel niet tot de godsdienst van de liefde' 20

De begrippen 'lange tijd' en 'tijdsduur' (zie blz. 152) komen exact overeen met hetgeen de Nieuwe Openbaring over deze kwestie te zeggen heeft. In de NO wordt eerst tussen de tijdsduur onderscheiden, d.w.z. de bestendigheid van de hel als zodanig en de duur van de straffen die iedere verdoemde in de hel moet ondergaan. 'Zijn "gevangenis" en "gevangenschap" dan niet twee verschil­lende dingen?' staat er in Van der Hölle bis zum Himmel, deel II, 226, 11.

Weliswaar zal de hel tot aan het einde der dagen blijven bestaan, d.w.z. totdat de gehele kosmos zal worden opgeheven, doch de verdoemden kunnen de ge­vangenis verlaten voor zover zij het kwade en verwerpelijke van hun daden inzien en zelf veranderen.

In het Lexikonfür Theologie und Kirche, 2,111,195, wordt nog beweerd dat de hel een oord is waar een stoffelijk vuur brandt, zoals ook pausen vroeger heb­ben verkondigd. Ook deze onjuiste leer is aan Augustinus' levendige fantasie toe te schrijven, die geloofde dat er in de hel een echt vuur brandt, dat de lichamen van de verdoemden pijnigt. (Over de staat Gods in de tekst van de kerkvaderen, deel 4, blz. 563)

Ook Staudinger schrijft getrouw de richtlijnen van de kerk nog in 1950: 'Er bestaat geen twijfel over dat de hel zich op een bepaalde plaats bevindt' en 'het vuur van de hel moeten wij ons als een echt en werkelijk vuur voorstellen. '21. De toenmalige theologen beweerden dat zij alles heel precies wisten, en zo spreekt Staudinger over het 'knetteren en sissen van de vlammen en het luide geween van de verdoemden' 22. Dit is helemaal in de stijl van de monniken, die bij zogeheten volksmissies tot in de jaren dertig van onze eeuw vanaf de kan­sels een lichtgelovig volk schrik aanjoegen. Sedert het laatste concilie is nu in katholieke theologische lexica en in tijdschriften te lezen, dat de hel geen oord doch een toestand is, precies zoals de Nieuwe Openbaring reeds meer dan hon­derd jaar geleden heeft verklaard! 'Er bestaat nergens een oord dat hemel of hel heet, doch dat alles is iedere mens zelf, en niemand zal ooit in een andere hemel of in een andere hel terechtkomen dan degene die hij in zijn binnenste draagt.' (GS II 118, 12) 'Er bestaat nergens een speciaal geschapen hemel noch een speciaal geschapen hel, doch dit alles komt uit het hart van de mens, en zo maakt iedereen voor zichzelf in zijn hart, al naar gelang hij goed of kwaad doet, de hemel of de hel..' (Gr 11 8, 7).

'Weliswaar heeft de wereld der geesten met de ruimte en met de tijd van deze stoffelijke, veroordeelde en daardoor onvrije wereld in het geheel niets meer te maken, doch de ruimte als buitenste omhulsel is uiteindelijk toch de drager van alle hemelen en alle geestenwerelden, omdat deze zich nergens buiten de oneindige scheppingsruimte kunnen bevinden. En zo moeten er, om dit duide­lijk en voor u begrijpelijk uit te drukken, ook bepaalde ruimten zijn waarin de geestenwerelden gelijk plaatselijk zich bevinden, hoewel een volmaakte geest net zo min iets met de plaats van deze ruimte te maken heeft als deze olijfberg, wanneer gij u Rome of Athene wilt voorstellen. Voor de geest bestaat er in deze gedaante een bepaalde ruimte noch een gemeten tijd.' (Gr VIII 33, 2)

Er bestaat in de hel ook geen stoffelijk vuur. Het 'onblusbare vuur' bestaat, zoals de Nieuwe Openbaring leert, alleen als schijn. Dit wordt als volgt ver­klaard: 'Dat is het verschil tussen de zaligheid en de verdoemenis: in de zalig­heid gaat de ziel volkomen op in de geest en dan is de geest het eigenlijke wezen. In de verdoemenis echter wil de ziel de geest uitstoten en een andere, namelijk die van Satan aannemen.' Hierbij ontstaat een reactie, en 'deze is voor de ziel de smartelijkste ervaring en daaruit komt ook het lijden en de smart in de hel voort, net zoals deze reactie als het onblusbare vuur verschijnt. En dat is nu precies de worm in de ziel, die niet sterft en wiens vuur niet uit­dooft.' (EM, blz. 166)

Welk een diepe inzichten biedt de Nieuwe Openbaring vergeleken met de on­houdbare leringen van de kerken. Op het concilie had de Belgische bisschop Charne de moed om de thans bestaande stand van zaken duidelijk uit te spre­ken door te constateren: 'De traditionele leer van de hemel en de hel is heden ten dage achterhaald.'23 Ondanks alle repressieve maatregelen zullen binnen afzienbare tijd nog menige dingen achterhaald, onhoudbaar en onjuist blijken te zijn. De mannen van de kerk hebben - naar steeds duidelijker blijkt - maar al te vaak goddelijke autoriteit op ongeoorloofde wijze opgeëist. Dat heeft al gevolgen gehad, en deze zullen steeds duidelijker tot uiting komen.

Door de eeuwen heen hebben welwillende mensen nooit met de leer van een wrekende God vrede gehad. Reeds de kerkleraar Hiëronymus schreef in de vijfde eeuw: 'Op het ogenblik van de allesomvattende verzoening, wanneer de ware arts Jezus Christus zal komen om het thans gespleten en verscheurde lichaam van de kerk te genezen, zal eenieder weer zijn plaats innemen en te­rugkeren tot datgene wat hij oorspronkelijk was' (Commentaar bij de brief aan de Efezen [16].) Ook Luther besefte: 'De hel blijft geen hel, wanneer men daarin schreeuwt en God aanroept. '24

In 1955 baarde de bekende katholieke schrijver Papini opzien met zijn boek De duivel. Hij toonde aan, dat de interpretatie van de woorden over het 'eeuwige vuur' in Mt 25,41 'te lichtvaardig geuit en te lichtvaardig geloofd' 25 is.

Papini staaft zijn uitspraak als volgt: 'In werkelijkheid heeft "aionios" de bete­kenis altijd, dat wil zeggen van iets wat in de tijd voortduurt. Dientengevolge betekent dit woord - en dat blijkt eveneens uit de oudere verklaring, die het met de duur van het menselijk leven in verband brengt - geenszins een abso­luut en metafysisch begrip van eeuwigheid, dat wil zeggen van een eeuwigheid die per definitie tijdloos is. Het vuur zal dus slechts zo lang branden als dat gene wat de Heilige Paulus "de gedaante van deze wereld" noemt, bestaat, het zal altijd branden zolang de huidige werkelijke wereld zal bestaan.' 'De hel is dus weliswaar van eeuwige duur, doch in streng aards-tijdse zin, dat wil zeggen op een lager niveau en hemelsbreed verschillend van de eeuwig­heid.'26

Het verdient bij de onderstaande citaten uit de Nieuwe Openbaring de aan­dacht, dat de interpretatie van Papini verregaand met de verkondigingen van Jakob Lorber overeenstemt.

Talrijke protestantse theologen van onze tijd staan achter de leer van de apo­catastase, o.a. P. Althaus 27, E. Brunner 28, Karl Barth (KD 1).

De Nieuwe Openbaring leert, dat het kernstuk van Jezus' boodschap de ver­kondiging van Gods oneindige liefde voor Zijn schepselen is en Hij ieder mens ook nog in het hiernamaals, ook al is het in de hel, barmhartigheid laat weder­varen, voor zover de verdoemde zijn verdorvenheid inziet en van de wil tot verbetering doet blijken. Deze ware leer zal zegevieren over de wrede leer van een instelling, die van de geest van het evangelie is afgedwaald.

 

Citaten uit de Nieuwe Openbaring over de hel

 

'Laat niemand onder u denken dat Ik ooit de hel zou hebben geschapen. Ge­looft evenmin dat deze een oord voor de eeuwige bestraffing van de boosdoe­ners van deze aarde is. Zij is vanzelf uit al die vele mensenzielen ontstaan, die op deze aarde in het vlees iedere goddelijke openbaring hoonden, God ver­loochenden en alleen datgene deden wat hun uiterlijke zinnelijkheid behaag­de...' (Gr VI 240,1)

'Volledig op de wereld georiënteerde mensen, die niet aan een God geloven en toch tot op hoge leeftijd een goede gezondheid genieten en uiteindelijk snel en zonder pijn sterven, hebben hun levensloon ook reeds op deze wereld ontvan­gen en zullen het in het hiernamaals des te zwaarder hebben. Rond zulke zie­len zal de diepste duisternis heersen, en er zal bij hen zijn geween en geknars van tanden.' (Gr VIII 16, 13)

'De zielen van de aartszondaars worden, ten minste voor het overgrote ge­deelte, in de "substantiële", psycho-etherische oerkrachtatomen opgelost en daarbij blijft er van de eigenlijke ziel na het teloorgaan van het vlees niet meer over, dan bijvoorbeeld een lichtloos en dikwijls bijna geheel vleesloos, die­ren skeletachtig grondtype, dat met het wezen van een mens niet de geringste gelijkenis vertoont. Een dergelijke ziel bevindt zich dan in een toestand die de oeraartsvaders met geestelijk gezichtsvermogen She oul a (hel = dorst naar leven) noemden en daarmee ook waar en juist benaamden.' 'Dat is de dood van een ziel die een geest is of moet worden.' 'Volgens uw begrippen zal er een oneindig lange tijd moeten verstrijken alvorens een ziel die zo in alle materie is opgegaan, een menselijk wezen wordt. En hoe lang zal het duren voordat een dergelijke ziel volledig tot mens wordt?' (Gr V 71, 6-9)

'Dat een zodanige toestand tegenover de levenstoestand van een ware wijze in Gods orde met de uitdrukking "dood" wordt aangeduid, komt toch beslist vol­ledig met de waarheid overeen.'

Elders wordt er nogmaals uitdrukkelijk op gewezen, dat de eeuwige 'dood' van de ziel in geen geval hetzelfde is als volledige vernietiging (Gr VII 190, 5), zoals sommige sekten, bijvoorbeeld Jehova's getuigen, volledig onjuist leren.

'De hel is overal waar er godsverachters, vijanden van al het goede en ware, leugenaars, bedriegers, verstokte dieven, rovers, moordenaars, gierigaards, aan de wereld verslaafde heerszucht en verstokte, liefdeloze hoereerders en echtbrekers zijn.' (Gr X 110, 10)

'In de hel wil eenieder de eerste, de hoogste en onomstreden heerser en gebie­der zijn, de hoogste autoriteit en macht hebben, alles bezitten, en allen beho­ren hem te gehoorzamen en voor het geringste loon voor hem te werken.' (Gr X 110, 12) Stel u al deze ontelbare geesten voor, die slechts met de meest gren­zeloze zelfzucht en onmetelijke hoogmoed vervuld zijn, hoe die dan met el­kaar zullen omgaan! Bedenk verder dat zij allen volkomen vrij zijn, dat zij door geen enkele wet op enige wijze gebonden zijn en dat eenieder kan doen wat hem goeddunkt. Wanneer gij dat voor uw geestesoog haalt zult gij een anarchie zien zoals die op aarde niet bestaat.' (Gr VI 238, 2)

In verband met de schildering van de gevolgen van de Lucifer-heerszucht is in de Nieuwe Openbaring een verkondiging te vinden, welke het karakter van een profetie heeft, die inmiddels bewaarheid is! De volgende zinnen werden medio negentiende eeuw geschreven. In de jaren dertig en veertig van onze eeuw zijn zij werkelijkheid geworden. Eenieder begrijpt onmiddellijk wat er gezegd wordt. 'Laat de heerszuchtige een troon bemachtigen, en hij zal volke­ren beschermen en vijanden verslaan. 0 ja, het is heel goed mogelijk dat hij daarvoor geschikt is. Maar waar is de maatstaf die hem voorschrijft hoe ver hij met zijn heerszuchtige plannen kan gaan? Wat zal het lot zijn van de mensen, die niet voor hem in het stof willen buigen? Zie, die zal hij op zo wreed moge­lijke wijze laten martelen, en hij zal aan een mensenleven even weinig waarde hechten als aan een platgetrapte grashalm (!). Doch wat is een zulke mens dan? Zie, dat is dan een Satan. Heersers en veldheren moeten er zijn, doch let wel dat deze door God uitverkoren en geroepen dienen te zijn. Doch wee ieder ander, die zijn armzalige hut verlaat en er op allerlei manieren naar streeft de scepter te bemachtigen. (!) Waarlijk, voor hem zou het beter zijn als hij nim­mer was geboren.' (Gr 11 9, 9-10)

'Net zoals een goed mens steeds beter wordt, zo wordt een slecht mens alsmaar slechter en verwijdert zijn toestand zich daardoor steeds meer van het goede, zoals dat reeds op deze wereld duidelijk te zien is. Wendt uw blik naar die mensen, wier hoogmoed hen steeds meer met brandende heerszucht vervult. Wanneer zij door hun tirannieke macht vele miljoenen mensen tot de ellendig­ste slaven hebben gemaakt, dan roepen zij nog grotere horden van krijgers bijeen, vallen de landen van andere koningen binnen, onderwerpen hen en ontrukken hun land, volkeren en schatten. En wanneer zij op deze wijze de halve wereld hebben veroverd en in het ongeluk gestort, dan wanen zij zich reeds aan God gelijk...' (Gr VI 33, 10-11)

'. ..het boze is echter aan een beperking onderworpen die hem laat weten: "Tot hier en niet verder!" Want dan moet er steeds een groot strafgericht plaatsvinden (!), opdat de bozen weer tot inkeer gebracht kunnen worden en opdat de één of ander toch zo mogelijk een betere richting kan inslaan.' (Gr VI 33, 12)

'Bij de hartstocht van de ellendige hoogmoed wordt uiteindelijk de ziel zelf tot gloeiend woestijnzand, waarop zelfs niet het nietigste moerasplant je kan groeien, laat staan een andere gezegende plant met meer sappen. Zo gaat het met de ziel van een hoogmoedige.' 'Zijn ziel geraakt steeds meer in een laaien­de brand. Uit zijn ogen sproeien vlammen des toorns in lichterlaaie en geven duidelijk te kennen: diegene die mijn eer vergeet moet mijn vreselijke wraak vrezen. En een verschrikkelijke oorlog, waarin honderdduizenden zich voor hun trotse en overmoedige koning op ellendige wijze moeten laten afslachten is het vanouds bekende treurige gevolg ervan.' 'Een dergelijke koning heeft natuurlijk ook een ziel, doch hoe ziet deze eruit? Ik zeg u: erger dan de gloeiendste plaats van Afrika's grote zandwoestijn.' (Gr VI 82, 3-4, 6) '... de dictators zullen Mij in een geheel ander gewaad te zien krijgen.' (VdH 1130, 12) 'Daarom hoedt u allen bovenal voor de hoogmoed, want niets ter wereld vernietigt de ziel meer dan de steeds van woede snuivende hoogmoed en trots.' (Gr VI 82, 7)

'Hoe echter kan een mens zich tegen deze zondigste van alle hartstochten be­schermen, terwijl toch in iedere ziel de (van Lucifer afkomstige, Egg.) kiem daarvan is besloten en dikwijls reeds bij kinderen een aanzienlijk woekerend hoogtepunt heeft bereikt? Enkel en alleen door de deemoed is dit mogelijk. En daarom is er ook op deze aarde zoveel meer armoede dan welvaart, om daardoor paal en perk aan de hoogmoed te stellen.' (!) (Gr IV 83,1-2) 'Daar­om hoede eenieder zich voor de eerzucht, omdat hij de vader van de afgunst, de zelfzucht en uiteindelijk, wanneer hij gevoed wordt, van de grootste hoog­moed is, die in de hel zijn oervaderland heeft.' (Gr VI 236, 12)

'Bij een duivel is alles door en door slecht.' 'Wanneer een duivel van binnenuit tot echte rouw in staat zou zijn, dan zou hij geen duivel zijn en zich niet in de hel bevinden. Daarom kan een duivel van binnenuit, dus vanuit zichzelf, in alle eeuwigheid nimmer worden verbeterd, doch dat is echter nog wel na on­denkbaar lange tijd door invloed van buitenaf mogelijk.' 'Daarom zijn de kwellingen van de geesten in de hel steeds als van buitenaf komend. . .' (Gr VII 93, 5-7) 'Veel is zelfs bij de meest wijze mensen onmogelijk, wat bij God in Zijn liefde toch nog allemaal mogelijk is. Gelooft gij dat?' (Gr VI 242, 14) 'Weliswaar komt de eeuwigheid met de tijdsduur in de stoffelijke werelden overeen, doch in het hiernamaals is zij in de geest wat de tijd hier is.' 'Wanneer Ik over de eeuwigheid en de oneindigheid spreek, dan moet gij dat op de juiste wijze verstaan, niet echter zoals uw kortzichtige wereldverstand het u ingeeft.' (Gr X 155, 2, 5)

'Aangezien Ikzelf echter het eeuwige leven ben kan Ik toch nimmer wezens voor de eeuwige dood hebben geschapen! Een zogenaamde straf kan daarbij slechts een middel tot het bereiken van het éne hoofddoel, nimmer echter van een als het ware vijandig tegendoel zijn, daarom kan er ook nooit sprake zijn van een eeuwige straf.' (VdH 11 226,7).

'Met het oog op de geschapenen moet er wel een eeuwig oordeel, een eeuwig vuur en een eeuwige "dood" bestaan. Daaruit valt echter niet op te maken, dat een door het oordeel gevangen geest zo lang gevangen moet blijven als dit oordeel zelf duurt - net zo min als op aarde de gevangenen worden veroor­deeld voor de gehele tijd dat de gevangenis blijft staan.' (VdH 11 226, 10)

'0 gij dwazen! Bestaat er soms een vader die zijn kinderen ook maar enigszins liefheeft, die een kind dat zijn gebod heeft overtreden levenslang in een kerker zou stoten en het bovendien nog iedere dag liet kastijden zo lang het leeft? Wanneer echter een menselijke vader dat niet zal doen, die toch eigenlijk als mens slecht is, hoeveel minder zal de Vader in de hemel het dan doen, die de eeuwige en zuiverste liefde en goedheid is.' (Gr VI 243, 9)

Verschillende delen van het werk van de Nieuwe Openbaring bevatten uitge­breide schilderingen van de lotgevallen van gestorven zielen en de gang van zaken in het hiernamaals. Daarbij is echter nimmer uit het oog te verliezen dat hierover in de NO wordt gezegd: 'Dat alles is slechts een schaduwbeeld van de waarheid, zij het ook zeer grondig doordacht.' (Pr 97) Geestelijke dingen kun­nen nu eenmaal niet anders dan in corresponderende uitdrukkingen enigszins worden verduidelijkt.

'.. .de geestelijke gang van zaken is volkomen anders dan in dit aardse be­staan.' (Gr VI 237,3) 'Ik zeg u allen dat in het hiernamaals alles anders is dan het in de beeldspraak van de geschriften (der profeten) is gegeven.' (Gr V 272, 11)

Men moet zich vooral van het zo lang door de kerk gepreekte vooroordeel ontdoen dat bepaalde bijbelpassages betreffend de hel woordelijk dienen te worden opgevat. In dit verband wordt in de Nieuwe Openbaring bijvoorbeeld gezegd: 'Ik schilderde hun (het volk, Egg.) de gevolgen van een niet naleven van Mijn leer met de uitdrukkingen "in het vuur werpen" en "eeuwige duister­nis", wat hetzelfde betekent als geestelijk pijnigende verwijten en een ver­waarloosd hart.' Ook de uitspraak 'Wijkt van Mij, gij vervloekten!' dient niet letterlijk te worden opgevat. In de Nieuwe Openbaring staat: 'Het is de vraag wie ze vervloekt heeft? De Godheid beslist niet!' 'Door wie echter? Een ieder kan slechts door zichzelf worden veroordeeld. Een vrij wezen kan zich alleen maar zelf "vervloeken", d.w.z. geheel van de Godheid afwenden.' (VdH I 29, 3 en 5)

'Wat kan de eeuwige liefde anders doen dan zeggen: Wijkt van Mij, gij die u volledig van Mij hebt afgewend en gaat in een andere school van bewaring, die voor al uws gelijken tot een mogelijke verlossing geschikt is!' (VdH I 28,8)

 

De opstanding van het vlees volgens de ideeën van de katholieke kerk

en volgens de verkondigingen van de Nieuwe Openbaring

 

De moeilijk verklaarbare passages van het Oude Testament (Boek Daniël 12) werden in katholieke theologische woordenboeken als 'eerste zekere teken' voor het geloof van de joden aan de opstanding van het vlees geïnterpre­teerd. 29 De in code gehouden verkondigingen in het boek Daniël luiden onder meer: 'Velen (niet allen?) van hen die slapen in het stof der aarde, zullen ont­waken, dezen tot eeuwig leven en genen tot versmading, tot eeuwig afgrijzen.'

'En de een zeide tot de man die met linnen klederen bekleed was en zich boven het water van de rivier bevond: "Hoe lang toeft het einde dezer wonderbare dingen?" Hij zeide: "Ga heen, Daniël, want deze dingen blijven verborgen en verzegeld tot de eindtijd."' (Dan 12, 2, 6 en 9)

Er moet geconstateerd worden: dit is geen bruikbare basis voor het vormen van leringen. Marcus 12,26-27 geeft er geen uitsluitsel over van welke aard de opstanding zal zijn over welke Jezus heeft gesproken. Daarom brengt Paulus de vraag naar voren: hoe worden de doden opgewekt? En met wat voor lichaam komen zij? (1 Cor 15, 35) 'Er wordt een natuurlijk lichaam gezaaid, en een geestelijk lichaam opgewekt.' (1 Cor 15, 44) 'Dit spreek ik evenwel uit, broeders: vlees en bloed kunnen het Koninkrijk Gods niet beërven en het ver­gankelijke beërft de onvergankelijkheid niet.' (1 Cor 15, 50)

Paulus was de onjuiste mening toegedaan dat hij het einde van de wereld zou meemaken; hij schreef dan ook: '... en het is opgetekend ter waarschuwing voor ons, over wie het einde der eeuwen gekomen is.' (1 Cor 10,11) 'De tijd is kort.' (1 Cor 7, 29) 'Zie, ik deel u een geheimenis mede. Allen zullen wij niet ontslapen, maar allen zullen wij veranderd worden, in een ondeelbaar ogen­blik, bij de laatste bazuin, want de bazuin zal klinken en de doden zullen on­vergankelijk opgewekt worden en wij zullen veranderd worden.' (1 Cor 15, 51­52) Naar wij weten heeft Paulus zich vergist. De ondergang van de wereld bleef uit. Doch er moet op gewezen worden dat Paulus over een 'geestelijk' lichaam sprak.

In de vijfde eeuw ontwikkelde Augustinus, die zo dikwijls verkeerde en onvoorstelbaar dwaze leringen heeft ontwikkeld maar desondanks eeuwen­lang de geestelijkheid van het avondland volkomen beheerste, een merk­waardig idee van de opstanding van het vlees en de lichamen in het hierna­maals.

'Wij mogen in geen geval geloven dat het slechts geesten zijn; het zijn licha­men met stoffelijk vlees.' (Civ. Dei XIII 22-23) Daarmee stelde hij zich lijn­recht tegenover de uitspraak van de apostel Paulus op. Kennelijk begon hij echter toch te twijfelen of het logge stoffelijke lichaam wel in de wereld van de geesten zou passen, doch dat bracht hem er geenszins toe zijn zonderlinge idee te laten varen, maar hij probeerde de moeilijkheid te omzeilen door de toe­voeging dat de leven schenkende geest in het hiernamaals 'geen vleselijke log­heid mogelijk maakt' (Civ. Dei XIII 23).30

Het grove idee dat Augustinus van de stoffelijke opstanding van het vlees en de intrede daarvan in de wereld van de geesten had, is gedurende de gehele middeleeuwen blijven bestaan. De kerkvergadering van Toledo (675 n. Chr.) verklaarde: 'Dit lichaam waarin wij leven, bestaan en ons bewegen, zal verrij­zen' (Denz. 287).

Paus Leo IX (1053) spreekt over een ware opstanding 'van hetzelfde vlees dat ik thans draag' (Denz. 347), en het Lateraans concilie (1215) heeft het over 'dezelfde lichamen die wij nu hebben' (Denz. 429).31

Sinds het tweede Vaticanum is in katholieke theologische lexica juist het te­gendeel te lezen van datgene wat kerkvaders, pausen en concilies hebben ge­leerd. Zo staat er in het door prof. Karl Rahner uitgegeven Herders theologi­sches Taschenlexikon 1972, blz. 255 e.v. te lezen: 'Telkens wanneer het Nieu­we Testament over de opstanding spreekt wordt daarmee "de opstanding van de doden", nimmer van het vlees bedoeld...' 'Wat de bijbelse opvatting be­treft moet uit het voorafgaande zijn gebleken, dat de eigenlijke kern ervan niet uit het idee van de teruggave van de lichamen kan bestaan, hoewel deze beel­dende voorstelling in de gehele Bijbel voorkomt.' Bijna gelijkluidend zegt Jo­seph Ratzinger: 'Thans is ook duidelijk geworden dat de eigenlijke kern van het geloof aan de opstanding helemaal niet de teruggave van de lichamen be­helst, waarop wij dit geloof echter in ons denken hebben gereduceerd.'32 Daarmee benaderen de katholieke theologen thans de uitspraken van de Nieuwe Openbaring al heel sterk.

Laten wij ons na deze wirwar van leringen, van honderden elkaar tegenspre­kende meningen die in de loop der eeuwen naar voren zijn gebracht, nu met de berichten van de Nieuwe Openbaring bezighouden:

'Wanneer de ziel rijp is geworden verlaat zij voor eeuwig dit lichaam, en dit wordt verteerd. Daarbij speelt het geen rol door wie of wat dit geschiedt. Wat daarvan nog substantie is en bij de ziel behoort, dat wordt ook aan de ziel teruggegeven. Al het overige (de substantie in fysische betekenis, Egg.) gaat weer als voedingsstof in duizend andere geschapen levensvormen over.' (Gr VI 53, 11)

'De mens heeft echter in verschillende tijden ook een verschillend lichaam.' (Gr VI 54, 5) (Hierbij moet worden opgemerkt dat alle 60 biljoen cellen van het menselijk lichaam in de loop van zeven jaren volledig worden vernieuwd.)

'Het zou met Gods eeuwige orde nimmer stroken, omdat God zelf een zuivere geest is en de mensen er uiteindelijk uitsluitend toe bestemd zijn, om voor eeuwig op Godgelijkende reine geesten te worden. Waarvoor moeten de licha­men dan dienen?' 'Ja, de mensen zullen ook daar over lichamen beschikken, echter niet deze aardse, grofstoffelijke lichamen doch geheel nieuwe, geeste­lijke lichamen, die uit de op deze aarde verrichte goede werken ontstaan vol­gens de leer die Ik u heb gegeven. Wanneer het met deze dingen zodanig is gesteld, hoe kan men dan geloven dat met de opstanding des vlezes de toekom­stige opwekking van deze aardse lichamen wordt bedoeld? De opstanding des vlezes zijn alleen de goede werken, die de ziel het ware eeuwige leven kunnen schenken en welke de ziel reeds in dit vleselijke leven aan zijn medemensen heeft volbracht. Wie dus Mijn leer hoort, aan Mij gelooft en daarnaar handelt, die zal Ik zelf opwekken op zijn jongste dag, die onmiddellijk na het uittreden van de ziel uit dit lichaam zal plaatsvinden.' (Gr VI 54, 8-11)

Onder de opstanding des vlezes zijn derhalve de goede werken van de ware naastenliefde te verstaan! Deze zullen het vlees van de ziel zijn en tezamen met haar op haar jongste (eerste) dag in de geestelijke wereld na het ware bazuin­geschal van Mijn leer tot het eeuwige leven als gedegen etherisch lichaam op­staan.

Ook al hebt gij op aarde honderdmaal een lichaam gedragen, in het hierna­maals zult gij slechts één lichaam hebben, en wel alleen het reeds vermelde.' (Gr V 238,1) 'Aangezien het vlees van de mens daarom hoofdzakelijk slechts aan een uit het oordeel geheven geest (met Lucifer gevallen geesten, Egg.) wordt gegeven, opdat hij daarin een nieuwe vrijheidsproeve gelijk in een vol­ledig eigen wereld kan doormaken, is thans gemakkelijk in te zien dat de reeds volmaakte geesten in het geheel geen lichaam van vlees nodig hebben (in het hiernamaals, Egg.), omdat het vlees slechts een middel, doch nimmer een doel is of kan zijn, daar uiteindelijk toch alles weer zuiver geestelijk en nimmer meer stoffelijk zal worden.' (Gr I 165, 9)

'Van het vlees dat de ziel hier heeft gediend zal dus ook niet het kleinste stukje in het hiernamaals met de ziel verenigd tot het eeuwige leven opstaan?' vraagt een discipel van Jezus en krijgt daarop het volgende ten antwoord: 'Wat de gedaante van de uiterlijke vorm der ziel, vooral echter haar kleding betreft, zullen de ziele-etherdeeltjes van dit aardse lichaam in geestelijke zuiverheid weer met haar worden verenigd, doch daarbij zal niet één atoom van het grove orgaanlichaam afkomstig zijn.' (Gr X 9,14-15)

 

De 'dag des oordeels' in zijn werkelijke betekenis

 

Onder de dag des oordeels (jongste dag) verstaan de kerken het einde van de wereld, dat met een laatste oordeel gepaard zal gaan. In de Nieuwe Openba­ring wordt de jongste dag niet met de dag van de opheffing van de kosmos in verband gebracht. Omdat er geen algemene opstanding van de doden bestaat zoals de kerken lange tijd ten onrechte hebben geleerd, bestaat er bijgevolg in dit verband ook geen jongste dag. De NO zegt het volgende: 'Dat Ik met u (de apostelen) nog nimmer over een algemene dag der opwekking en des oordeels heb gesproken zult gij u nog herinneren, echter wel over een speciale jongste dag voor ieder mens (afzonderlijk, Egg.), en wel op het ogenblik waarop zijn ziel het vleselijk aardse proefomhulsel zal verlaten. Het spreekt echter vanzelf dat deze opwekking niet eenieder onmiddellijk het eeuwige leven zal schen­ken, doch ook omgekeerd de eeuwige dood, waarbij echter moet worden op­gemerkt dat gij het woord "eeuwig" niet als een eindeloos voortdurende tijd moogt beschouwen.' (Gr X 155, 1)

'Met de jongste dag bedoel Ik geen aardse dag, doch een geestelijke in het hiernamaals. Wanneer gij het lichaam hebt verlaten en in het rijk der geesten ingaat, dan zal dat uw jongste dag zijn, en ik zal u uit de gevangenschap der materie verlossen, en dat is de opwekking op de jongste dag.' (Gr VII 187,6-8)

'De jongste dag is voor de in liefde rechtvaardigen een dag van de opstanding in het eeuwige leven, hetwelk de volmaakte wedergeboorte van de geest is. Doch het is tevens een dag des oordeels voor al diegenen die Mij niet in de geest en in de waarheid en aldus in alle liefde in zich willen opnemen.' (GS I 64, 15)

'Wanneer dezen naar het hiernamaals komen zullen zij aldaar het licht van het leven en de waarheid, dat hun reeds hier zo tegenstaat, nog meer mijden en gering achten dan hier. Heb Ik niet gelijk wanneer Ik zeg: Ik zal ook deze geestelijk doden, wanneer zij het vlees van deze wereld verlaten, opwekken, een oordeel over hen spreken en hun het loon hunner daden doen toekomen?' (Gr X 154, 7-8)

Dat de perikoop van de dag des oordeels aan een vervalsing is toe te schrijven, wordt in de Nieuwe Openbaring uitdrukkelijk door de Heer gezegd. Hierdoor zijn onjuistheden en tegenstrijdigheden in het evangelie terechtgekomen, 'vooral in de letterlijke betekenis van de tekst, in het bijzonder Mijn hoogst tirannieke optreden tijdens het zogeheten "laatste oordeel", die met het enige nog juiste, korte evangelie van Johannes absoluut niet overeenkomen' (Gr XI blz. 243).

De Heer noemt in dit verband de pseudo-Mattheüs (echte naam I'Rabbas) en de vervalser Theophilus (die het Lucas-evangelie veranderde), de 'wraake­vangelisten' en adviseert: 'Oriënteert u derhalve uitsluitend aan de evangelist Johannes.' (Gr XI, blz. 247) Johannes, de oog - en oorgetuige, die het zou moeten weten, schrijft niets over dit alles.

 

 

De reïncarnatieleer. De leer betreffende de herbelichaming

en verschillende levens van de mens

 

Weliswaar is de reïncarnatieleer velen ook nu nog onbekend, doch demoscopi­sche onderzoekingen hebben aangetoond dat zowel de kennis van deze leer als het geloof eraan in het avondland sterk toenemen. Uit de onderzoekingen is gebleken dat in de Bondsrepubliek Duitsland 67 procent van de ondervraag­den van de reïncarnatieleer heeft gehoord, 16 procent deze mogelijk achten en 29 procent er belangstelling voor hadden.33 Bij de Aziatische volkeren vormt deze leer een vast bestanddeel van het geloof. De christelijke kerken staan er niet (meer) achter. Uit de Nieuwe Openbaring blijkt dat de terugkeer van de ziel in een lichaam de apostelen door Jezus werd kond gedaan. Uit de tot nu toe bewaard gebleven geschriften van toonaangevende christelijke persoonlijkhe­den uit de eerste eeuwen na Christus blijkt duidelijk, dat de leer in een kleine­re kring bekend was. De kerkvader Justinus (+165 n. Chr.) antwoordt in een opgetekend en nog bestaand gesprek met de jood Tryfoon op de vraag wat er naar de mening van de christenen met de zielen van de overledenen gebeurt, dat deze weer in een lichaam worden geboren. 34

Origenes hing de leer van de herbelichaming van de ziel aan, evenals Tertullia­nus, Ruffinus, Clemens van Alexandrië, Nemesius, Synesius, Hilarius en Gre­gorius van Nyssa. De laatste schreef: 'Voor de ziel is het van nature noodzake­lijk dat zij zich door ettelijke levens reinigt.' Ruffinus verzekert in een brief aan Anastasius, dat het geloof aan herhaalde levens gemeengoed van de kerkva­ders is en aan de ingewijden van oudsher als oude traditie werd overgele­verd.35 De kerkleraar Augustinus vraagt: 'Heb ik niet reeds in een ander lichaam geleefd voordat ik in het lichaam van mijn moeder ontstond?, 35

De kerkleraar Hiëronymus schreef in een brief aan Demetrius, dat de reïncar­natieleer onder de eerste Christenen als geheime overlevering aan de uitver­korenen werd doorgegeven. 35

Volgens de navorsingen van Osthagen beschouwden de leiders van de oerchristelijke gemeenten de leer van de reïncarnatie als vanzelfsprekend; daar kwam rond 540 verandering in.36 Op het door keizer Justinianus bijeen­geroepen en geleide concilie te Constantinopel werd deze leer in 538 op bevel van de keizer veroordeeld.37 De kerk stond volledig onder Justinianus' in­vloed; deze christelijke keizer liet de paus in een kerker werpen. In 543 beves­tigde paus Vigilius - vermoedelijk onder pressie - de ban welke de keizer tegen Origenes, die deze leer had verdedigd, had uitgesproken. 38 Justinianus was op zijn beurt om politieke redenen gezwicht voor de druk van de machtige monni­kenorden, omdat hun welgezindheid hem wellicht nog van nut zou kunnen zijn.39 Ondanks deze maatregel, waarbij de waarheid geen rol speelde, bleef deze leer tot in de middeleeuwen bekend.40

Dat ook nog in de twintigste eeuw de reïncarnatieleer in de hoogste kringen van de katholieke hiërarchie niet alleen bekend was doch ook als acceptabel werd beschouwd, blijkt uit uitspraken die Mercier, kardinaal-primaat van Bel­gië, in zijn werk Psychologie heeft gedaan. De kardinaal veronderstelt als pre­misse voor zijn mening, dat de ziel het bewustzijn van haar persoonlijkheid behoudt en er een eindschakel van de herbelichaming bestaat, en verklaart dan het volgende: 'Wat deze uitzondering betreft zien wij niet dat het ver­stand, wanneer men het aan zichzelf overlaat, deze leer als onmogelijk of be­slist onjuist zou verklaren. '41

Duidelijker kan een kardinaal van de roomse kerk in dit geval zijn instemming met deze leer niet uitdrukken. Bovendien kon hij ervan uitgaan dat de grote massa van de gelovigen, die bij datgene blijft wat de kerk als erkende waarheid verkondigt, zijn boek nauwelijks in handen zou krijgen.

Toen Jezus zei: 'In het huis van Mijn Vader zijn vele woningen', konden de toehoorders niet vermoeden wat deze woorden te betekenen hadden. In dit opzicht geeft de Nieuwe Openbaring ons diepe inzichten, zoals uit de reeds vermelde citaten blijkt. God heeft echter nog meer mogelijkheden voor het langzame rijpen van de ziel tot Zijn beschikking, en daartoe behoort ook de herbelichaming van de ziel in een ander lichaam voor een verdere proeve en ontwikkeling van de ziel. 'Niemand zal beweren' , staat er in de Nieuwe Open­baring, 'dat hij in dit korte aardse leven een vervolmaking kan bereiken die hem reeds zeer dicht bij God brengt.' (Gr XI 26) Hierbij moet men vooral aan de wilde en halfwilde volkeren denken, die sinds duizenden jaren vóór en na Christus op de aarde hebben geleefd. Doch deze uitspraak geldt voor alle men­sen. De herbelichaming geschiedt volgens de NO beslist niet altijd op deze aarde; in tegendeel, de meeste reïncarnaties vinden op andere wereldlichamen plaats, die ook bewoonbaar zijn, hoewel uitdrukkelijk wordt vermeld dat daar omstandigheden heersen, waarbij een mens van de aarde reeds na luttele mi­nuten het leven zou verliezen. Woordelijk staat hierover te lezen: 'Voor de bewoners van andere wereldlichamen zou de lucht der aarde precies datgene zijn wat voor de mensen der aarde het water van de aarde is.' 'Dus moeten de mensen van andere werelden ook een zodanige gesteldheid hebben, dat zij uitsluitend op de wereld kunnen bestaan die hun is toegewezen.' (Gr VI 192, 8) Bijgevolg zijn concluderingen dat op andere planeten volkomen andere toe­standen heersen dan op de aarde, als argument voor de onbewoonbaarheid van deze planeten niet geoorloofd.

De Nieuwe Openbaring laat ook weten, dat de reïncarnatieleer bij de Aziati­sche volkeren volledig is ontaard. Volgens de leringen van de priesters in die landen kan een menselijke ziel ook weer in een dierenlichaam worden geïncar­neerd, wat volgens de NO volledig onmogelijk is. De mens heeft in tegenstel­ling met het dier en ook met de oer- en voormensen een goddelijke geestes­vonk in zijn ziel, en om die reden kan zijn ziel nimmer in een dierenlichaam worden geboren. De NO wijst erop dat de volkeren van de oudheid, onder meer de Grieken en de Indiërs, aan een herbelichaming geloofden. 'Maar', zo wordt er voorts uiteengezet, 'deze de oervaderen van de aarde alom bekende waarheid is door hun mettertijd opgestane hebzuchtige volksonderwijzers en priesters vol eer - en hebzucht volledig verminkt en verdraaid, want de ware aard van de zielsverhuizing zou hun geen offers en geen baten hebben opgele­verd, en aldus lieten zij de mensenziel naar de dieren terugverhuizen en in de dieren lijden, uit welk lijden alleen priesters hen met grote offers konden be­vrijden.' (Gr X 22, 8) (Wij hebben hier een analogie met de aflaatleer van de katholieke kerk in de middeleeuwen, die tot Luthers tijd een nimmer opdro­gende bron van inkomsten vormde.)

'Op deze wijze is de veelgoderij, al het heidendom en het volkomen verkeerde geloof aan de zielsverhuizing en aan vele duizenden andere vreselijke domhe­den ontstaan. Ook al heeft God steeds ware leraren naar het eenmaal verblin­de volk gezonden, toch hebben deze maar weinig teweeggebracht, want de vrije wil moet de mensenziel van deze aarde onaangetast kunnen behouden, zonder welke de mens tot een dier zou worden; en zo moet Ik geduld met de mensheid hebben en het grootste gedeelte ervan in een andere wereld aan een beter licht laten geraken. Doch wee alle valse onderwijzers, priesters en profe­ten, die de oude en reine leer weliswaar zelf nog goed kennen, deze echter vanwege hun heb - en heerszucht hardnekkig aan het volk onthouden; zij zul­len te zijner tijd niet aan Mijn toorn ontkomen!' (Gr X 23,9-10)

Jezus gaf Zijn apostelen nog op velerlei wijze uitleg over de reïncarnatie. Thans volgen enkele citaten uit de Nieuwe Openbaring.

'Wie echter onder u in staat is iets te bevatten, hem zij gezegd dat ook van andere werelden zielen op deze aarde in het vlees zijn geboren en ook de kin­deren van de slang op deze aarde. Weliswaar zijn zij eens gestorven, en som­migen van hen zelfs ettelijke malen, zij leefden echter te hunner vervolmaking telkens weer in vleselijke gedaante.

Gij hebt reeds vaak over een verhuizing van de zielen vernomen. Het verre morgenland gelooft er nog heden stellig aan. Doch dit geloof is bij hen sterk besmeurd, omdat zij de mensenzielen weer in dierlijk vlees laten terugkeren. Dit echter is in het geheel niet het geval. Dat de ziel van een mens van deze wereld wel uit het rijk der mineralen, planten en dieren wordt samengesteld en tot mensenziel opstijgt, dat is u grotendeels al getoond, evenals hoe dit in de vaste orde geschiedt. Doch in omgekeerde richting gaat zelfs de meest onvol­maakte mensenziel niet meer, behalve in het geestelijke middenrijk naar de uiterlijke schijn, ter vernedering en de zo mogelijk daaruit volgende verbete­ring. Wanneer deze tot op zekere hoogte is bereikt en een verdere vooruitgang bij gebrek aan hogere begaafdheid niet meer mogelijk is, dan kan een dergelij­ke ziel op een ander hemellichaam, d.w.z. in het geestelijke gebied daarvan, overgaan, dan wel, indien zij zulks wenst, nog een keer in het vlees van de mensen van deze aarde treden, op welke weg zij hogere begaafdheden kan verkrijgen en met behulp daarvan zelfs een kind van God kan worden.

Zo nemen ook zielen van andere werelden in het vlees van de mensen van deze aarde plaats, om zich daarin de talloze eigenschappen eigen te maken, die van node zijn om een echt kind van God te kunnen worden.

Omdat echter deze aarde een zodanig schoolgebouw is, daarom wordt zij ook door Mij met zoveel geduld, toegevendheid en lankmoedigheid behandeld. Wie van u dit kan bevatten, hij moge het bevatten doch er geen verdere rucht­baarheid aan geven, omdat het niet allen gegeven is de geheimen van het rijk Gods te bevatten. Indien gij echter iemand vindt die een oprechte geest bezit, dan kunt gij langzamerhand het ene geheim na het andere openbaren, doch uitsluitend voor hem zelf; want het is Mijn wil, dat een rechtvaardig mens dit alles door zijn eigen vlijt volgens Mijn leer te weten komt.' (Gr VI 61, 2-6) (Sprak Jezus tot de apostelen:)

'Ook al heeft een ziel nog zolang werk met haar vervolmaking, zij blijft deson­danks haar geheel eigen oer-ik en zal zichzelf als zodanig ook in alle eeuwigheid onfeilbaar herkennen, wat toch troostender is dan wanneer de ziel volledig gedeeld in een ander wezen zou overgaan.. .' (Gr IV 243, 7)

'Als welk een ongeluk beschouwt men het op deze aarde, wanneer iemand wordt gedood. Maar in het hiernamaals wordt het als een duizenden malen ernstiger ongeluk beschouwd, wanneer een aldaar wonende vrije ziel weer op enige wijze wordt gedwongen in een sterfelijk, stinkend en log lichaam terug te keren.' (Gr V 136, 6)

Jezus sprak tot een Griek: 'Zie, dit is reeds het twintigste hemellichaam waar­op gij lijfelijk leeft.' (Gr I 213, 1) 'Doch welk een vrijwel eindeloze tijdsduur bestond gij (tevoren) als zuivere geest (vóór Lucifers val, Egg.) in het volledige bestaan en het helderste zelfbewustzijn, in de oneindige ruimte met talloze andere geesten volkomen vrij levend en het meest vrije leven in alle kracht met volle teugen genietend.' (Gr I  213, 1)

'Ik heb nu (door Mijn menswording, Egg.) de poorten naar het (eeuwige) le­ven niet alleen voor de thans op de aarde levenden geopend, doch ook voor allen die het aardse leven reeds lang hebben verlaten. En vele van de oude zondaars zullen nog een keer het een of andere korte aards bestaan moeten doormaken.' (Gr VI 65,2)

'Er leven thans (in Jezus' tijd) mensen reeds voor de zevende keer op deze aarde, en het gaat hun telkenmale beter. Zij zullen echter nog enige hemelli­chamen met een licht lichamelijk omhulsel moeten doormaken, alvorens zij in een zuiver geestelijke sfeer worden opgenomen, die gij het "onderste para­dijs" kunt noemen van waaruit er nog vele trappen zijn tot in het innerlijke, ware hemelrijk... (Hi II, blz. 446).

'Uit dit alles kunt gij thans duidelijk genoeg afleiden hoe God op Zijn, voor geen sterveling doorgrondelijke wegen iedere ziel, ook al lijkt zij u nog zo ver­dorven toe, naar het ware leven en licht kan leiden.' (Gr V 232, 13)

'Doch Ik heb dat thans ook alleen aan u (de apostelen, Egg.) getoond, omdat gij over het daarvoor nodige bevattingsvermogen beschikt; aan de rest van de mensheid behoeft gij dit echter niet door te geven, doch alleen om hen ertoe te brengen dat zij het geloof naleven aan Mijn naam en aan Gods geboden, die de waarachtige geboden der liefde zijn.' (Gr V 233,3)

 

De goddelijke drieëenheid. De verklaring van het mysterie

 

Het geheim betreffende Vader, Zoon en Heilige Geest heeft de Christenen al heel wat hoofdbrekens gekost. Niet zonder reden sprak Jezus daarom tot Zijn discipelen: 'Wanneer gij het aardse niet begrijpt, hoe zult gij dan het hemelse kunnen bevatten?' (Gr II 32, 6)

Daarom heeft Petrus de Heer telkens weer om verdere verklaringen verzocht. Jezus heeft Zijn apostelen dan ook vele heldere verklaringen van dit mysterie gegeven, die de profeet Jakob Lorber in de vorige eeuw werden medegedeeld om ze op te schrijven en later te verspreiden.

Petrus vraagt de Heer: 'Gij spreekt altoos over de Vader in de hemel gelijk over een tweede persoon, terwijl wij U tot dusverre steeds eigenlijk ook als de Vader hebben beschouwd; wie zijt Gij nu eigenlijk?' (Gr I  109, 14)

Hierop sprak Jezus het volgende tot de discipelen: 'Gods oerwijsheid of het eigenlijke meest innerlijke godwezen woont in de liefde, gelijk het licht in de warmte (van de vlam) woont; zoals oorspronkelijk uit de liefde een grote warmte ontstaat en ontspringt en ten slotte door zijn bestaan opnieuw warmte opwekt en dit te allen tijde weer licht doet ontstaan, zo ontstaat uit de liefde, die gelijk de Vader en op de keper beschouwd de Vader zelf is, het licht van de goddelijke wijsheid, dat gelijk de Zoon of de eigenlijke Zoon zelf is, die echter niet twee doch volledig één is met Hem die "Vader" heet, evenals licht en warmte of warmte en licht één zijn, doordat de warmte bij voortduring licht en het licht bij voortduring warmte opwekt.' (Gr I 4,13) 'Ten slotte, gaat niet het licht van de vlam uit, die een vuur is? En omdat het van de vlam uitgaat, is het daarom iets anders dan de brandende vlam?' (Gr 11 32, 7)

Aanschouw de vlam van de brandende lamp! Kunt gij het licht van de vlam scheiden of de vlam van het licht? De vlam echter is datgene wat Ik 'Vader' en 'liefde' noem, en het licht haar zoon, dat door de vlam wordt uitgestraald om de duisternis van de nacht te verlichten. Zijn de vlam en het licht daarvan dan niet één wezen? (Gr VIII 138, 11)

Gelooft Mij: Vader en Zoon zijn niet twee wezens doch in alle opzichten vol­komen één wezen. (Gr I  230, 9)

'En hoe staat het dan met de Heilige Geest?' vraagt Petrus. 'Met de Heilige Geest kan niemand van ons iets aanvangen.' (Gr VI 229,6-7) Het antwoord van de Heer luidt:

'De Vader, Ik als Zoon en de Heilige Geest zijn duidelijk en eeuwig één en dezelfde. De Vader in Mij is de eeuwige liefde en als zodanig de diepste grond en de eigenlijke substantie van alle dingen, waarvan de gehele oneindigheid vol is. Ik als Zoon ben het licht en de wijsheid, die uit het vuur van de eeuwige liefde ontstaat. Dit krachtige licht is het eeuwige meest volmaakte zelfbewust­zijn en de lichtste zelfkennis van God, alsook het eeuwige woord in God, waar­door alles gemaakt is wat er bestaat. Opdat echter dat alles kan worden ge­maakt is nog Gods machtige wil van node, en dat nu is de Heilige Geest in God, door wie de werken en wezens hun volledig bestaan ontvangen. De Hei­lige Geest is het grote uitgesproken woord: "Wordt" -en (thans) is datgene er wat Gods liefde en wijsheid hebben besloten.

En ziet, dat alles bevindt zich thans in Mij: de liefde, de wijsheid en alle macht! En zodoende bestaat er ook slechts één God, en dat ben Ik, en Ik heb nu des­wege hier op aarde een lichaam aangenomen om Mij aan u mensen van deze aarde, die Ik geheel naar Mijn evenbeeld heb geschapen uit de oersubstantie van Mijn liefde, in uw persoonlijkheid nader te kunnen openbaren - zoals het momenteel geschiedt.' (Gr VI 230, 2-6)

'Laat u niet van de wijs brengen door het tekstgedeelte waarin te lezen staat: "De vader is meer dan de Zoon", want dat betekent dat de vaderliefde het eigenlijke wezen van God vormt en dat daaruit het licht en de eeuwig machtige geest voortkomt.' (GS I 74, 17)

'In de liefde ligt nog zeer veel besloten wat wijsheid niet heeft doorgrond; daarom is de Vader als de eeuwige liefde ook groter dan de Zoon, die als het licht van deze liefde hier voor u (de discipelen, Egg.) staat.' (Gr VI 242,13) 'Doch weldra komt het uur (van de opstanding, Egg.) waarop de Vader in Mij ook met zijn allerdiepste innerlijk volledig één wordt met Mij, de enige eeuwige Zoon...' (Gr IV 252, 4)

'Denkt niet dat bij Jezus' doop in de Jordaan een goddelijke drievoudige per­soonlijkheid werd geopenbaard, doch wat daarbij geschiedde was slechts een door de Heer toegelaten verschijning, opdat de mensen daardoor in de éne Heer de volledige almacht en de volledige goddelijkheid kunnen beseffen.' (Gs I 51, 21 e.v.)

 

Jezus - ware mens en ware God

 

De joden hebben zich altijd afgevraagd wie Jezus eigenlijk is. Zij hielden er uiteenlopende meningen op na. Tot de apostelen heeft Jezus in de loop van Zijn drie belerende jaren gezegd dat Hij Gods Zoon is. Daarbij vormde Judas een uitzondering, die vaak afwezig was en het ook niet mocht weten. Jezus had Zijn discipelen echter verboden er in het openbaar over te spreken (zie Gr 1 51,15 en I 89, 5). Slechts deze kleine kring wijdde Hij in over Zijn verhouding tot de hemelse Vader: 'Mijn lichaam is van een aardse moeder afkomstig, hoe­wel het niet door een aardse vader op de gebruikelijke wijze is verwekt, doch alleen door de almachtige wilsgeest van God.' 'Ik als mens, zoals Ik thans voor u sta, ben geen God doch Zoon Gods, wat eigenlijk ieder mens behoort te zijn, want de mensen dezer aarde zijn ertoe geroepen om kinderen Gods te worden en te zijn, wanneer zij in overeenstemming met Gods erkende wil leven.

Eén van hen echter is er door God eeuwig toe bestemd om de eerste te zijn, het leven in zich te dragen en het aan iedereen te geven die aan Hem gelooft en overeenkomstig Zijn leer leeft. En deze eerste ben Ik.

Ik heb een zodanig leven vanuit God niet vanuit het moederlichaam in deze wereld meegekregen. Weliswaar was de kiem in Mij gelegd, doch zij moest eerst worden ontwikkeld, wat Mij bijna dertig jaar tijd en moeite heeft gekost. Nu echter sta Ik als volmaakt voor u en kan u zeggen dat Mij alle kracht en alle macht in de hemel, alsook op de aarde zijn gegeven en dat de geest in Mij volledig één is met de geest Gods, weshalve Ik dan ook tekenen kan doen die vóór Mij nimmer een mens heeft kunnen doen.

Deze in Mij wonende geest is wel God, doch Ik als zuivere Zoon des Mensen niet, want, zoals reeds gezegd, heb Ik als zodanig ook, gelijk ieder mens, door veel moeite en oefening eerst voor Mijzelve de waardigheid van een God moe­ten verwerven en kon Ik Mij als zodanig pas met de geest Gods verenigen. Thans ben Ik wel geestelijk één met Hem geworden, doch lichamelijk nog niet. Doch ook in dat opzicht zal Ik nog volledig één met Hem worden, echter niet dan na heftig lijden en na volledige en diep vernederende zelfverlooche­ning van Mijn ziel' (Gr VI 90, 8-12)

Mijn vlees is niet Mijn Ik, doch slechts Mijn geest is Mijn waarste Ik. Met Mijn geest echter ben ik alom tegenwoordig en verricht Ik Mijn werken bij voortdu­ring door de gehele oneindigheid. (Gr VI 142, 14)

'Hoe kon Jezus nu, als het enig eeuwige Godwezen, aan wijsheid en genade bij God en de mensen toenemen, terwijl Hij toch eeuwig God was? En hoe moest dit vooral bij de mensen geschieden, aangezien Hij toch eeuwig het eindeloos meest volmaakte wezen was?

Om dit juist te kunnen bevatten dient men Jezus niet uitsluitend als de enige God te beschouwen, doch men dient zich Hem als een mens voor te stellen in wie de enige eeuwige Godheid zich net zo, schijnbaar onwerkzaam opsloot als in ieder menselijk wezen de geest is opgesloten.

Wat echter ieder mens volgens de goddelijke orde moet doen om zijn geest in zichzelf vrij te maken, dat moest ook de mens Jezus bewust doen om het god­delijke wezen in zich vrij te maken zodat Hij daarmee één kon worden. Ieder mens moet echter bepaalde zwakheden in zich dragen, die in de regel de boeien van de geest zijn en waarin deze als in een stevig omhulsel is opgeslo­ten. De boeien kunnen echter pas dan worden verbroken wanneer de met de materie vermengde ziel door de juiste zelfverloochening zodanig sterker is ge­worden, dat zij krachtig genoeg is om de vrije geest te grijpen en vast te hou­den.' (Jeu. 299, 2-9)

'Ook Jezus' ziel moest zichzelf verloochenen en aan de sterkste verzoekingen het hoofd bieden om haar Godsgeest uit zijn boeien te bevrijden en daarmee sterker te worden voor de meest eindeloze vrijheid van de Geest aller geesten, en aldus volledig één te worden met Hem. En juist dat vormde de toenemende wijsheid en genade van Jezus' ziel bij God en de mensen en wel naarmate de Godsgeest zich geleidelijk aan steeds meer met Zijn eveneens goddelijke ziel verenigde, die de eigenlijke Zoon was.' (Jeu. 299, 18-19)

'Jezus voelde bij voortduring de almachtige Godheid in zich leven. Hij wist in Zijn ziel, dat alles wat de oneindigheid bevat Zijn kleinste wenk gehoorzaamt en eeuwig moet gehoorzamen. Bovendien gevoelde Hij de sterke neiging in Zijn ziel om over alles te heersen. Trots, lust tot heersen, vrijheidsdrang, ple­zier in een goed leventje, begeerte naar vrouwen en dergelijke, alsook toorn, waren de voornaamste zwakheden van Zijn ziel. Doch hij streed met alle wils­kracht die Zijn ziel kon opbrengen tegen al deze zeer machtige en dodelijke drijfveren van Zijn ziel. Hij oefende zich Zijn leven lang in zware zelfver­loocheningen, om aldus de verstoorde eeuwige orde te herstellen.' (Jeu. 300, 2-5 en 17)

Toen de gelegenheid zich voordeed stelde Petrus de Heer een vraag die ook nu nog vele mensen, vooral de onderzoekers, bezighoudt, en daarover worden in het onderzoek ten aanzien van Jezus' leven talrijke dingen met verschillende resultaten gezegd. Petrus zei: 'Mij is nog niet geheel duidelijk en ik begrijp nog steeds niet waarom Gij nu eens over Uzelve zegt dat Gij de Zoon des Mensen zijt, dan weer Gods Zoon of ook wel Jehova zelf.' (Gr V 246, 15)

Hierop krijgt hij van Jezus ten antwoord: 'Noch Jehova in Mij, noch Mijn ziel als Zijn eeuwige Zoon, doch alleen dit lichaam als de Zoon des Mensen zal in Jeruzalem gedood worden, doch op de derde dag als volledig gelouterd op­staan en dan voor eeuwig met Hem één zijn die in Mij is en Mij alles openbaart wat ik als Zoon des Mensen moet doen en spreken, en die gij nog steeds niet geheel kent, hoewel Hij reeds geruime tijd temidden van u spreekt en werken verricht.' (Gr V 246, 17)

Ook de vraag die een discipel aan Jezus stelde - 'Hoe hebt Gij als Jehova, die oneindig is, Uw oneindigheid kunnen verlaten en U in deze uiterst eindige vorm kunnen dwingen?' - wordt sedertdien door miljoenen mensen telkens weer gesteld.

Het antwoord, dat Jezus gaf luidt: 'Ik ben overal de eeuwige Ik, maar hier bij u ben ik thans in Mijn eeuwige bestaansmiddelpunt, vanwaar uit de gehele oneindigheid steeds onveranderlijk, in haar eindeloze uitgestrektheid in stand wordt gehouden.' (Gr IV 122, 3 en 7)

'Wanneer de Zoon reeds eeuwig heeft bestaan, hoe kon Hij dan verwekt wor­den? En als de Heilige Geest ook reeds eeuwig heeft bestaan, hoe kon Hij dan van de Vader en de Zoon uitgaan en aldus een oorsprong hebben? Wanneer volgens uw zin en verstand de door u gewraakte drie goddelijke personen, waarvan de latere mensen gemakkelijk drie goden konden maken, allen eeuwig, d.w.z. zonder begin zijn, dan kon niet één van hen de ander het begin van het bestaan schenken!

Ik ben, in Mijn gedaante als mens voor u, de Zoon, en ben nimmer door een ander dan Mijzelf verwekt en ben daarom Mijn eigen eeuwige Vader. Waar zou de Vader kunnen zijn behalve in de Zoon, en waar zou de Zoon kunnen zijn behalve in de Vader, derhalve slechts één God en Vader in één persoon?

Dit lichaam is derhalve de verheerlijkte gedaante van de Vader terwille van de mensen en engelen, omdat Ik voor hen een begrijpelijke en zichtbare God wil zijn, en gij kunt Mij nu aanschouwen, horen en met Mij spreken en toch blij­ven leven; want vroeger werd er gezegd dat niemand God kon aanschouwen zonder het leven te verliezen. Ik ben thans altijd God; in Mij is de Vader, en de van Mij overeenkomstig Mijn liefde, wijsheid en Mijn almachtige wil uitgaan­de kracht die de eeuwig oneindige ruimte alom vervult en ook overal werken verricht is de Heilige Geest.

Ik, zoals gij Mij thans als Godmens temidden van u ziet, ben met Mijn gehele oercentraalwezenheid beslist volkomen en onverdeeld temidden van u hier in dit eetvertrek op de Olijfberg en bevind Mij derhalve als een volkomen ware God en mens tegelijk nergens anders, niet op deze aarde en nog minder op een andere. Doch door de van Mij uitgaande kracht die de Heilige Geest is, vervul Ik desondanks met Mijn werken alle hemelen en de aards stoffelijke en onein­dige ruimte. Ik zie daar alles van het grootste tot het kleinste, ken alles, weet alles, gelast alles en schep, leid en regeer alles.

Wanneer gij nu dit uit Mijn mond weet zult gij ook begrijpen om welke reden gij de mensen die aan Mij geloven en overeenkomstig Mijn hun geopenbaarde leringen ook zullen handelen, in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest door het opleggen van uw handen moet sterken.

Nu gij de reden inziet zult gij ook inzien dat als gevolg van het noemen van de drie eigenschapsnamen de mensen, indien zij door u waar en juist worden on­derwezen, niet zo gemakkelijk op het idee van drie persoonlijke goden kun­nen komen. Doch Ik leg het u dan ook zeer na aan het hart dat gij de mensen alom een juist en van waarheid vervuld licht moogt geven; want waar dit niet geschiedt zullen de mensen al te gemakkelijk en spoedig verkommeren en tot allerlei dwaalleringen overgaan, en het zal dan niet gemakkelijk zijn om hen op de wegen der volledige waarheid te brengen. Dat er echter bij alle goede trouw desondanks valse leraren en profeten zullen opstaan en zeer vele men­sen zullen verleiden, dat zult gij wel niet kunnen verhinderen.' (Gr VIII 27, 1­7)

'Ik kan als mens ook van Mijzelf uit niets doen. Ik hoor echter altoos de stem van de Vader in Mij, en gelijk Ik haar hoor, zo handel, spreek en oordeel Ik ook.' (Schriftt. 3, 5)

'De Godheid werd in de mens Jezus slechts bij gelegenheden in die mate werk­zaam, naarmate Hij als mens door Zijn daden deze in Zich toeliet. Doch zon­der daden (wonderen, Egg.) trad de Godheid niet op.' (Schriftt. 8,9)

Over Jezus' uiterlijke gedaante wordt in de Nieuwe Openbaring eveneens ge­sproken. 'Uiterlijk is Hij niet bepaald een mooie man. Hij is wat klein van postuur en Zijn handen zijn ruwen vol littekens van het werken, doch Zijn hoofd is waardig en Zijn ogen zijn het mooiste wat ik ooit heb gezien. Ook rond de mond heeft Hij een zeer vriendelijke, zij het tevens waardige en ern­stige trek. De stem van Zijn mond mag waarlijk mannelijk en meeslepend worden genoemd.' (Gr 11 240, 12)

Hierbij zij nog opgemerkt dat Jezus niet met de thans bij ons gebruikelijke naam werd aangesproken. Zijn werkelijke roepnaam was Jeshua, wat van 'Jo­zua' afkomstig is. Sedert de vierde eeuw vóór Christus 'werd hij niet meer ge­lijk vroeger als Jehosua doch Jesua (spreek Jeshua)' uitgesproken. Destijds was dit een heel gebruikelijke naam.42 Ook Jezus' moeder heette niet Maria doch Miriam.

 

Het geheim van de verlossing door Jezus' dood aan het kruis

 

De verlossing door Gods menswording en door de dood aan het kruis van de Godmens Jezus is het mysterie dat voor de meeste mensen het moeilijkste te begrijpen is. Jezus heeft - volledig in tegenstelling met de mening die sommige auteurs huldigen 43 - de discipelen meermalen Zijn gewelddadige dood en Zijn opstanding op de derde dag voorspeld, en wel reeds in het eerste jaar van Zijn onderwijzende periode.

'Vanaf deze tijd', wordt er in de Nieuwe Openbaring gezegd, 'begon Ik er met Mijn discipelen over te spreken dat Ik volgens de wil des Vaders naar Jeruza­lem moest gaan en veel lijden van de zijde der oudsten, hogepriesters en schriftgeleerden en gedood worden en ten derden dage opgewekt worden. (Mt 16,21) Ik zal dan als overwinnaar voor eeuwig over de dood en over alle vijan­den des levens triomferen, zoals Ik reeds op de berg van Marcus heb vermeld.'

'Toen schrok Petrus en nam Mij terzijde en begon Mij te bestraffen, zeggende: "Dat verhoede God, Here, dat zal U geenszins overkomen! Gij zijt er tegen­over ons en alle mensen toe verplicht Uzelve te verschonen!'" (Mt 16, 22)

'Doch Ik keerde Mij om en zeide ook op zeer ernstige toon: "Ga weg, achter Mij, Satan; gij zijt Mij een aanstoot, want gij zijt niet bedacht op de dingen Gods, maar op die der mensen.'" (Mt 16, 23) (Gr V 170, 5-6)

Deze passage in het evangelie vormt voor sommige critici een steen des aan­stoots. Zij kunnen het bericht dat Jezus enerzijds aan Petrus de 'sleutels van de hemel heeft gegeven en op hem Zijn kerk wil bouwen' en hem anderzijds kort daarna een Satan noemt, niet met elkaar in een zinvol verband brengen en keuren derhalve het gehele evangelie als ongerijmd en onbetrouwbaar af.

De uiterst gecomprimeerde wijze waarop het evangelie de verschillende the­ma's behandelt maakt een snelle en oppervlakkige kritiek onmogelijk. De uit­voerige uiteenzettingen van de Nieuwe Openbaring verduidelijken ook in dit geval de feiten op logische wijze.

In de NO wordt hierover namelijk het volgende gezegd:

'Nu schrok Petrus geweldig, wierp zich voor Mij neder, smeekte Mij om ver­giffenis en voegde daar wenend aan toe: "Heer, toen wij op de zee daarheen voeren waar wij enkele dagen verbleven, zeide Gij tot mij in verband met mijn geloof: "Simon Juda, gij zijt Petrus, een rots waarop Ik Mijn kerk zal bouwen, en alle poorten der hel zullen haar niet overmeesteren! U zal Ik de sleutel tot het rijk der hemelen geven. Wat gij op aarde zult verlossen, dat zal ook in de hemel verlost zijn, en wat gij op aarde gevangen wilt nemen, dat zal ook in de hemel gevangen zijn!" Dat, 0 Heer waren letterlijk Uw heilige woorden uit Uw meest heilige mond, tot mij arme zondaar gericht. Desondanks heb ik mij nimmer verheven doch mij steeds slechts als de geringste onder ons be­schouwd - en terwille van een weliswaar slechts menselijke, doch desondanks slechts uit mijn grote liefde tot U voortgekomen waarschuwing hebt Gij mij tot vorst van de hel gemaakt! Heer, heb toch erbarmen met de armzalige visser Petrus, die eerst zijn netten in zee wierp, vrouwen kinderen verliet en U is gevolgd!'" (Gr V 170, 7-8)

'Toen wendde Ik Mij weer vriendelijk tot Petrus en zeide: "Daarmee heb Ik u niet in het minst vernederd dat Ik u in deze scherpe bewoordingen uw mense­lijke zijde heb getoond! Al datgene wat aan de mens van deze wereld en men­selijk is - als zijn vlees en diens verschillende behoeften uit overwegingen die zuiver van deze wereld afkomstig zijn - wordt veroordeeld; daarom vormt het hel en Satan, die het summum van alle veroordeling, alle dood, alle nacht en alle bedrog is; want al het schijnbare leven van de materie is slechts een drogle­ven, en alle waarde ervan is zoveel als in het geheel geen. Wanneer een mens op enige wijze in een vorm van de materie terugvalt is hij in zoverre ook Satan, voor zover hij enig heil in de materie en in haar schijnleven vertegenwoordigt.

Wanneer echter iemand zich nog in zijn vlees van de Satan wil ontdoen, dan moet hij het kruis, dat ik thans reeds in Mijn geest draag, opnemen en Mij volgen! (Mt 16, 24) Want Ik zeg u: ieder, die zijn (aardse) leven wil behouden, die zal het verliezen, maar ieder, die zijn (aardse) leven verloren heeft om Mijnentwil, die zal het (geestelijke) vinden!" (Mt 16, 25)

Welk nut zou het voor een mens hebben indien hij de gehele wereld met al haar schatten zou winnen, doch daarbij schade aan zijn ziel zou nemen?!' (Gr V 171, 1-4)

'En Gij, Mijn Petrus, zult nu hopelijk ook begrijpen waarom ik zoëven tot u sprak: "Ga weg, achter Mij, Satan!'" (Gr V 170, 9)

Petrus dacht vervolgens telkens weer over de door Jezus geprofeteerde offer­dood na, doch hij zocht tevergeefs naar de zin van het ophanden zijnde lijden. Na enige tijd wendde hij zich opnieuw tot Jezus met de woorden: 'Heer en Meester, daar is nog zo menig ding te bespreken wat uit Uw mond komt, doch zelfs voor het gezondste mensenverstand niet al te duidelijk kan worden. En daar staat nu eenmaal op de achtergrond, grijnzend als een monster, de onver­biddelijke en onafwendbare noodzaak van het lijden dat de Zoon des Mensen te wachten staat, en ik waag met stelligheid te beweren dat zelfs het verstand van een volkomen gezond en goed mens deze noodzaak nimmer duidelijk zal inzien!

Weliswaar kan een dergelijke gebeurtenis voor het bereiken van de door U reeds sinds eeuwigheden beoogde hoofddoel van node zijn; doch dit alles is van gering nut voor de geruststelling van het menselijk verstand, en dit zal te allen tijde de vraag stellen en zeggen: "Waarom moest de Almachtige dusda­nig door zijn schepselen met voeten worden getreden om hun de zaligheid en het eeuwige leven te kunnen geven? Was de zuiverste leer en Zijn zuivere wonderwerken, die alleen God vermag te volbrengen, dan niet voldoende? Wanneer dat mensen niet beter maakt, hoe zal Zijn lijden en sterven hen dan tot inkeer brengen?!" Ik als één van Uw trouwste aanhangers zeg U in volledi­ge openhartigheid: Uw lijden zal voor vele goede mensen tot een steen des aan stoots worden, en hun geloof zal daardoor tot wankelen worden gebracht. Daarom verzoek ik U ook thans reeds daarover uitsluitsel te verschaffen, op­dat wij dan te zijner tijd de vragende mens ook te zijner geruststelling een goede verklaring kunnen geven.' (Gr V 247, 1-3)

Op zijn vraag kreeg Petrus het volgende ten antwoord: 'Gij stelt hier thans vragen betreffende een zeer goede en rechtvaardige zaak, die gij, ook al zou ik u deze uitvoerig verklaren, desondanks als mens nooit ofte nimmer volkomen en op de juiste wijze zult kunnen bevatten; pas na Mijn opstanding, wanneer gij geestelijk herboren zijt, zult gij ook volkomen zuiver en duidelijk het grote Waarom kunnen inzien.

Ik als de enige drager van al het bestaan en leven moet nu ook datgene verlos­sen wat reeds eeuwig door de vastheid van Mijn wil aan het oordeel en aan de dood was overgeleverd en moet juist door het oordeel en door de dood van Mijn vlees en bloed in het oude oordeel en in de oude dood binnendringen, om aldus de boeien van Mijn eigen Godswil zover los te maken en af te werpen, vanwege de in zichzelf rijp geworden materie der dingen, dat vervolgens alle schepselen uit de eeuwige dood in het vrije en zelfstandige leven kunnen over­gaan. En dat is de reden waarom de Zoon des Mensen Zijn intrede in deze wereld heeft gedaan, om datgene wat bij wijze van spreken eeuwig verloren was op te sporen, te verlossen en aldus tot het verkrijgen van de zaligheid in staat te stellen. (Mt 18, 11)

Wat dunkt u? Indien een mens in het bezit is gekomen van honderd schapen en één ervan raakt verdwaald, zal hij dan niet de negenennegentig op de berg laten staan en heengaan om het dwalende te zoeken? (Mt 18, 12) En gebeurt het dat hij het vindt, voorwaar, Ik zeg u, dat hij zich over dat ene meer ver­blijdt dan over de negenennegentig, die niet verdwaald waren.' (Mt 18, 13) (Gr V 247,4-7) 'Ik ben ten slotte hoofdzakelijk juist zelf stoffelijk in deze we­reld gekomen om dit verloren schaap te zoeken en het naar zijn zalige bestem­ming te leiden.

Gods geest en wil wordt thans in Mijn lichaam, dus ook in de materie, verzacht en bij wijze van spreken buigzaam en oplosbaar gemaakt. Wanneer dit ge­schied is, dan moet Mijn materie in zo groot mogelijke vernedering en verdee­moediging worden gebroken en eerst worden vrijgemaakt, en de geest Gods, die in al zijn volheid in Mijn woont en met Mijn ziel één is, moet deze gebroken materie, door zijn liefdevuur gelouterd, opwekken en doen herleven en zij zal dan opstaan als een overwinnaar over alle oordeel en over alle dood.

Dat gij thans nog niet volkomen kunt inzien hoe en waarom dit aldus dient te geschieden en ook zal geschieden, dat heb Ik u van tevoren gezegd; doch dat kunt gij nu reeds daaruit opmaken, dat een zodanige gebeurtenis, hoe af­schrikwekkend hij ook voor een mensenoog moge schijnen, toch noodzakelijk is om alle schepselen na voldoende tijd naar het vrije, onafhankelijke en zuive­re Godsleven terug te leiden.

En wanneer Ik u dit voor uw begrip voldoende heb onthuld, dan zult gij daar­uit in uw binnenste - nu gij aldus ziet wie eigenlijk de kleinen zijn - ook inzien hoe het nu de wil des Vaders niet is dat één dezer kleinsten en geringsten ooit verloren zal gaan.' (Mt 18, 14) (Gr V 247,9-12)

'Volgens de oude orde kon niemand in de hemel komen die ooit in de materie gevangen was gehouden.' (Gr IV 109, 4) De nieuwe orde nu wordt daardoor gevormd dat "Ik zelf mens geworden ben, zelf alle materie heb doordrongen en aldus al haar, zij het ook nog zo oude, veroordeelde geestelijke inhoud tot zaligwording geschikt heb gemaakt. En dat is nu de tweede schepping, die Ik reeds eeuwig heb beschikt, zonder welke nimmer een mens van deze of van een andere aarde volkomen zalig had kunnen worden."

'De verlossing echter bestaat ten eerste uit Mijn leer en ten tweede uit deze menswording, waardoor de zo overheersende macht van de oude hel is gebro­ken en overwonnen.' (Gr VI 239,3-5)

De verlossing staat in oorzakelijk verband met de val van Adam, die de 'gees­telijke dood' wordt genoemd. (Gr IX 83,5) 'De gehele mens werd krachteloos en verloor de heerschappij over alle dingen in de natuurwereld en zag zich toen genoodzaakt met behulp van het matte schijnsel van zijn hersenverstand in het zweet zijns aangezichts zijn brood fysiek en nog meer geestelijk te verdienen.'

'En zie, zo hebben de mensen zich tot op heden van God en aldus ook van het waarachtige innerlijke leven zo ver verwijderd dat zij bijna niet meer aan een God geloven en aldus ook niet aan een voortleven van de ziel na de dood van het lichaam.' (Gr IX 83, 5-6)

'En wanneer God nu zelf in de gehele volheid van Zijn eeuwige macht en kracht en met al Zijn liefde en wijsheid lichamelijk naar de mensen is geko­men, dan beseffen zij dit niet en beschouwen met in hun grote blindheid als onmogelijk, terwijl bij God toch alle dingen mogelijk zijn'. (Gr IX 83, 7)

'De gehele aarde is met het uiterst losbandige menselijk geslacht een volmaak­te hel.' 'De wereld en de hel zijn evenzeer één als lichaam en ziel één zijn.' (Gr VI 240, 5-6)

'Dit niveau van de allerhoogste vervolmaking des levens had vóór Mijn mens­wording wel niemand kunnen bereiken, en Ik ben daarom op deze aarde geko­men om door de wedergeboorte van uw geest in uw ziel u tot Mijn ware kinde­ren te maken.' (Gr IV 218, 1)

'Tot nu toe (d.w.z. tot aan Jezus' opstanding, Egg.) is nog geen ziel die het lichaam heeft verlaten van de aarde heengegaan. Talrijken echter, bij Adam beginnend tot op heden, smachten in de nacht der aarde. Doch van nu af aan zullen zij pas vrij worden. En wanneer Ik omhoog zal varen zal Ik allen de weg van de aarde naar de hemel openen, en zij allen zullen op deze weg het eeuwige leven binnengaan. Zie, dat is het werk dat de Messias moet volbren­gen.' (Gr I 62, 9-10)

'Ik wilde voor alle komende tijden en eeuwigheden waarachtige en werkelij­ke, volledig op Mij gelijkende kinderen niet slechts, zoals gebruikelijk schep­pen, doch door Mijn vaderlijke liefde waarachtig opvoeden, opdat zij dan met Mij de gehele oneindigheid zouden beheersen. Om dat echter te bereiken nam Ik, de oneindige, eeuwige God, voor het hoofdlevenscentrum van Mijn god­delijk bestaan een vleselijke gedaante aan om Mij aan u, Mijn kinderen, als zicht - en voelbare Vader te tonen en u zelf uit Mijn hoogst eigen mond en hart de waarachtige goddelijke liefde, wijsheid en kracht te leren, waardoor gij dan evenals Ik kunt en zult beheersen, niet alleen alle wezens van deze huidige scheppingsperiode, doch ook de voorafgaande en al diegenen die nog zullen komen.' (Gr IV 255,3-4)

'Wat Mijn lijden betreft heb Ik aldus aan Mijn lichaam geleden zoals ieder ander mens, en weliswaar in dezelfde orde zoals gij het in de evangeliën kunt lezen. Aangezien echter het menselijk lijdende Ik nog een ander, goddelijk Ik omvatte, was dit lijden ook dubbel, namelijk het uiterlijke, lichamelijke en het innerlijke, goddelijke.

Waaruit het uiterlijke lijden bestond, weet gij - doch waaruit het goddelijke lijden bestond, dat is een andere kwestie. Opdat gij u daarover een begrip kunt vormen dient gij u voor te stellen wat dat te betekenen heeft, wanneer de on­eindige God in deze lijdensperiode zich uit Zijn oneindige en eeuwige vrijheid terugtrok en Zijn woning in het hart van de lijdende "Zoon" vestigde.' (Ri I blz. 327, 8-9)

Er is reeds eerder verklaard dat Adam als eerste mens op deze aarde - in de zin van volledige geestelijke vrijheid - voor het doel geschapen was om een vorm te bereiken van waar uit de materie weer naar het vrije geestelijke leven kon worden teruggeleid. Voor dat doel was echter in de eerste plaats de overwin­ning van de materie zelf van node, d.w.z. door een vrijwillig besluit moest een toestand worden geschapen die aan de ene zijde de overwinning van alle lage, als aardse lusten, begeerten en neigingen bekende eigenschappen vertoonde, anderzijds echter een vrij opstijgen naar het zuiverste geestelijke leven moge­lijk maakte.

Er is reeds vaak genoeg gezegd dat de menselijke ziel uit zeer kleine beginse­len bestaat, die, na een groei en een ontwikkeling tot steeds hogere sferen van het bewustzijn, uiteindelijk in de mens weer die vorm bereiken die als aardse vorm niet verder meer ontwikkeld kan worden, doch in het zielebereik deze mogelijkheid nog wel heeft. Deswege verenigt de mens twee beginselen in zich: het einde van het materiële leven als sterk ontwikkeld zelfbewustzijn en het begin van een psychisch, onveranderlijk leven in de hoogste verworven volmaaktheid van vorm. Daarom kan de mens op dit scherp van de snede van het aardse leven niet aan het bewustzijn voorbijgaan dat hij leeft - want daar­van vormt hij zelf het bewijs -, doch desondanks heeft hij er wellicht geen notie van dat hij de drempel van een geestelijk leven heeft bereikt, hetwelk thans in de onveranderlijk blijvende menselijke vormt begint, - met andere woorden: nadat hij vele lichaamsveranderingen heeft doorgemaakt, die de menselijke gestalte ten doel hadden, blijft deze thans in haar algemene vorm­geving onaangetast; doch wel begint thans een psychische verandering die beoogt steeds dichter bij de Godgeest te komen en met deze een gemeenschap te vormen.

Wie nu vermag te denken, die denke! Wat kan er geschieden wanneer deze overgang niet tot stand wordt gebracht? Want hier staan materie en geest lijn­recht tegenover elkaar; zij zullen elkaar weliswaar wederzijds steeds meer ver­fijnen, doch elkaar nimmer - als polariteiten - volkomen kunnen raken. Er moet echter ten minste hier een weg gewezen, een brug gelegd worden, waar­over men van de materie naar de geest kan tijgen! Deze weg moet een voor­beeld zijn dat voor iedereen te volgen is. Wanneer deze weg niet gevonden zou worden, dat wil zeggen wanneer een mens deze niet zou betreden, dan zou het ontsnappen uit de materie om in een vrij geestelijk leven te komen, onmoge­lijk worden.

De Godheid moet er derhalve naar streven om Haar schepselen, die Zij uit liefde en voor hun redding in de materie heeft gevangen - nadat deze de grens hebben bereikt vanuit welke de geestelijke weg mogelijk is -, ook naar zich toe te trekken en aldus in de verhouding van vader tot kind te brengen. Adam had de taak om deze brug in zichzelf te bouwen en had het eigenlijk zeer gemakke­lijk, omdat de verlokkingen van de materie in vergelijking met thans zeer ge­ring waren. Hij had alleen de overwinning over zichzelf en de gehoorzaamheid van node, en reeds was de brug gelegd en kon het geestelijke leven in hem ontwaken en tot bloei komen, aangezien gehoorzaamheid aan God het enige controlemiddel vormt bij een mens die overigens van alle zonden vrij is. Pas uit de ongehoorzaamheid komen alle andere vergrijpen vanzelf voort, zoals een ieder bij kinderen gemakkelijk kan vaststellen. Nu viel Adam, en daarmee was een terugkeer in de materie, d.w.z. in die polariteit geschied, die zich net zo ver van God kan verwijderen als tot God zelf in steeds hogere zaligheden kan opstijgen.

Met deze val echter was de zonde deswege in de wereld gekomen omdat God nimmer een werk schept om het vervolgens weer te vernietigen, doch de een­maal ingeslagen weg wordt verder gevolgd, als het ware gecorrigeerd, omdat de goddelijke wijsheid van tevoren rekening houdt met de gevolgen van een mislukking. Wanneer het er echter om gaat vrije schepselen te scheppen, geen geestmachines, dan is de weg van de zelfontwikkeling in de mens de enig mo­gelijk weg naar dit doel. Met het opdelen van het menselijk geslacht in volke­ren ontstond ook de opeenvolging van alle zonden in een lange reeks van een steeds diepere val; de ongehoorzaamheid bestond nu eenmaal vanaf den be­ginne. Dat wil zeggen, als Adam niet ongehoorzaam was geweest, dan had ook geen van zijn nakomelingen ongehoorzaam kunnen zijn, omdat hij in zichzelf daarmee een kiem zou hebben vernietigd die dan niet meer geërfd kon wor­den. Nu echter bevruchtte hij deze kiem, en in zijn nakomelingen groeide deze uit tot de boom die het licht van de zon nauwelijks meer door zijn dichte bla­derdak laat.' (Gr XI, blz. 209-211)

'God had Adam één gebod opgelegd: onvoorwaardelijke gehoorzaamheid. Hij leefde het niet na en kwam ten val. De mens Jezus legde zichzelf uit liefde tot God vrijwillig dit gebod op om niets zonder de wil van Zijn Vader te doen, en werd daardoor een lichtend voorbeeld tot navolging. Hij bereikte aldus in zichzelf het niveau dat Adam niet bereikt had en verzoende zo in zichzelf de Godheid, die door het overtreden gebod in Haar heiligheid was aangetast. De wijsheid legde het gebod op; de wil, de kracht eiste de vervulling; de liefde vond de weg om in de mens Jezus aan de voorwaarden te voldoen die van node waren om de vroegere toestand der zaligheid voor alle schepselen terug te brengen. Daarin echter dat thans deze weg, die direct naar God leidt, geopend is en daarin dat deze weg door de Zoon des Mensen Jezus, die daardoor tot Zoon Gods werd, vervuld werd, is de verlossing besloten. Het sterven van Je­zus is de bezegeling van de onvoorwaardelijke gehoorzaamheid.' (Gr XI, blz. 214) 'De boom der zonde kon derhalve slechts door Jezus worden gebroken en werd ook door Hem gebroken, omdat Hij in zichzelf de geest Gods droeg, die reeds Adam Gods gebod had opgelegd, zonder dat deze zich eraan hield.

Nu ligt de vraag voor de hand: Waar nu is het bewijs dat het zo is en dat de vroegere leraren niet hetzelfde teweeg konden brengen? Want wat er hier is gezegd is voor het menselijk oog niet waarneembaar, vormt een innerlijk ge­beuren, waarover een ander dan Jezus zelf niets kan mededelen, terwijl het uiterlijke gebeuren, het optreden van een uitstekende leraar, diens levensloop en goede leringen alsook zijn dood al vaker te zien zijn geweest! Waarom is hier nu de boom der zonde geheel gebroken en ginds slechts het bladerdak doorboord? Van de uiterlijke invloed op de wereld valt slechts weinig te mer­ken, want de zonde tiert thans zo welig als nooit tevoren - en de wereld kan immers slechts uiterlijke kenmerken waarnemen!

Ja, dit schijnt op het eerste gezicht zo, doch bij nadere beschouwing is het an­ders!

Een ieder die de innerlijke weg bewandelt zal spoedig gewaarworden hoe zijn werkelijke aard is. Daarbij is de uiterlijke schijn niet van betekenis; deze is slechts een holle noot. Wie echter de innerlijke weg niet wil bewandelen is net zo min te overtuigen of hem kan evenmin een voorstelling van deze weg wor­den gegeven als het onmogelijk is om een blinde een idee van de kleuren te geven. Hier is het succes beslissend. De weg is er, betreedt hem - en oordeelt dan!

Zonder Mij kan niemand tot de Vader komen, en zonder het geloof aan Jezus heeft nog geen wijze ooit het almachtige Godwezen als de oerbron van alle liefde ondervonden, die zichzelf persoonlijk kan manifesteren. Het onzichtba­re wordt slechts in Jezus zichtbaar, en deze vereniging van beiden in mensen­gedaante maakt mogelijk dat het schepsel zijn Schepper nader komt, dat de materie in de geest opgaat, dat de ontstane reeks van zonden over de schei­dingsmuur tussen materie en geest wordt teruggeleid, twee punten welke zich overigens onmogelijk kunnen raken. Brug is Jezus' leven.

Nu komt ,de vraag naar voren: Hoe ver konden de afgescheiden zielen vóór de dood van de Zoon des Mensen komen? Zij konden natuurlijk, al naargelang zij overeenkomstig de lering van één der vele reeds eerder opgetreden leraren leefden, het besef en ook de zaligheid in zichzelf deelachtig worden, het aan­schouwen van de gepersonifieerde Godheid echter niet bereiken.

Dat geschiedde echter in die tijd voor de eerste maal, toen Jezus' lichaam in het graf lag. Het zuiver aardse lichaam lag er, terwijl de ziel met de daarin wonende Godgeest naar de overzijde ging en zich aldaar aan een ieder toonde als degene die Hij is en was.' (Gr XI, blz. 214 e.v.)

'Op alle hemellichamen, die door met verstand begaafde wezens in menselijke gedaante worden bewoond is de volledige menswording van de Heer in den vIeze bekendgemaakt...' (Gr I 215, 4)

'Indien God iets doet dan geldt dat niet slechts voor ons op deze plaats, even­min voor dit land of voor de gehele uitgestrektheid der aarde, doch dat geldt voor de hele oneindigheid en eeuwigheid. Daarom is het van belang om dit alles in zijn diepste diepte te bevatten.' (Gr III 80, 10)

Vorenstaand werd de uitspraak van de apostel Petrus geciteerd dat Jezus' 'lij­den voor vele mensen tot een steen des aanstoots zal worden'. Petrus heeft gelijk gekregen.

Dat begon met Arius in de vierde eeuw, toen deze bisschop de Godheid van Christus ontkende en zich niet kon voorstellen dat God als mens iets dergelijks op zich neemt. Volgens Arius zou Jezus slechts een supermens zijn, en tegen het einde van de vierde eeuw zag het ernaar uit dat de helft van de Christenen naar deze dwalende zouden overlopen. Doch het scheen slechts zo, een on­zichtbare hand leidde de ontwikkeling in een andere richting. Tegenwoordig kennen maar weinig Christenen de naam van deze ketter.

Sinds de opkomst van de bijbelkritische research van de liberale protestantse theologen werd Jezus' goddelijkheid tot in onze tijd in steeds toenemende ma­te ontkend. Dit komt sterk tot uiting in de volgende uitspraak van de theoloog Rudolf Bultmann: 'Wat een primitieve mythologie, dat een tot mens gewor­den Godwezen met zijn bloed de zonden der mensen verzoent. '44

Dezelfde teneur is bij Heinz Zahrnt aan te treffen. Bij Jezus gaat het 'niet om iets bovennatuurlijks', 'God handelt en spreekt nu eenmaal in een mens' 45. En wat voert Zahrnt als bewijs voor zijn stelling aan? Het is niet te geloven: hij beroept zich op Pilatus' uitspraak 'Zie, de mens!' 46 Het getuigenis van de evangelist Johannes 'Ja, Ik ben het' voor het sanhedrin, waarbij het om leven en dood ging, ziet Zahrnt eenvoudigweg over het hoofd.

Alles wat niet in de voorstellingswereld van verstandelijke berekening past wordt zonder meer als tegenstrijdig, onlogisch en fantastisch afgedaan.

Toen Jezus de discipelen in het bijzijn van Zijn moeder Zijn lijden voorspelde, schrok Maria en maakte zij zich ernstige zorgen. Toen zij er bij haar Zoon op aandrong haar een en ander nader te verklaren, gaf Hij haar ten antwoord 'Dat zijn dingen die slechts Ik begrijp, spreek er daarom niet meer over.' (Gr X 5,5)

Deze uitspraak en ook het nu volgende, dat aan Lorber werd gedicteerd, doet alle kritiek verbleken.

'Er ligt nog oneindig veel in verborgen (in Jezus' dood aan het kruis, Egg.), waaraan Gij nog eeuwigheden langs onderzoekingen kunt verrichten, en dat steeds groter en oneindiger zal worden.' (Hi I, blz. 329, 15)

Wij hebben de uitspraken van Bultmann en Zahrnt pars pro toto aangehaald. De bewering dat Jezus niet de Zoon Gods en Verlosser doch een spreker van God, dus een profeet, een ideale leraar, een zedelijk mens, en naar men sinds kort kan lezen, 'een interessant mens' zou zijn, loopt als een rode draad door de moderne theologische literatuur. Allen die als schrijver aan de vernieling van het Christendom hebben deelgehad hadden vaak veel succes en oogstten veel bijval. De in de zielen aangerichte schade is onmetelijk. Eerst werd de ontwikkelde laag van de bevolking door het ontledingsproces aangetast, waar­na in het tijdperk van de massamedia ook de brede massa onder de invloed van dit proces kwam te staan. De meeste lezers of luisteraars zijn niet in staat om zelf een gefundeerd oordeel over de naar voren gebrachte theorieën te vor­men. Het wantrouwen dat de kerken met hun vaak bedenkelijke omgang met de waarheid hebben gezaaid werkt de onzekerheid van de radeloos geworden mensen nog meer in de hand.

Het uitgangspunt en de oorsprong van deze ontwikkeling is de verwijdering van al het metafysische. 'Het is voorbij met het oude systeem van twee werel­den', schrijft Zahrnt, '... voorbij met de splitsing van de ene werkelijkheid in een aards leven en een leven in het hiernamaals. '47 De loochening van de God­heid Jezus en van het eeuwige zieleleven in het hiernamaals vormt de vernieti­ging van het centrum van het christelijk geloof. Parallel daarmee verloopt het om zich heen grijpende positivisme en materialisme in de natuurwetenschap­pelijke takken der wetenschap. 'In deze ontwikkeling', zegt Dietrich von Hil­debrand terecht, 'moeten wij een waarlijk geestelijk morele ziekte van onze eeuw zien. '48

Maar het transcendente bestaat, ook al wordt dat heden ten dage nog zo vaak ontkend. Goethes navolgende uitspraak blijft geldig: 'De geestenwereld is niet gesloten. Uw zin is dicht, Uw hart is dood.' De diepste religieuze waarhe­den zijn, zoals Walter Nigg treffend opmerkt, niet door middel van verstande­lijk denken te begrijpen.49

Wanneer alle gevoel voor het mysterie verloren is gegaan zal het intellect steeds aan de verzoeking blootstaan om al datgene wat voor de menselijke logica niet duidelijk wordt, te ontkennen en af te schaffen. Het aanmatigende rationalisme stapt over dit weten heen: 'finitum non capax infiniti', d.w.z. het eindige is niet te bevatten voor het oneindige. Daarom wordt erin Sirach 1, 1-6 gezegd: 'De wortel der wijsheid, wie kan haar doorgronden? en haar geheime­nissen, wie heeft ze beseft?'

 

De Nieuwe Openbaring geeft verhelderende verklaringen van moeilijk te begrijpen en misleidende evangelieteksten

 

'In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God.' (Ev Joh 1, 1-5)

 

Verklaring van de Nieuwe Openbaring: 'Een belangrijke reden voor het niet begrijpen van zulke teksten is in de zeer gebrekkige en onjuiste vertaling van de Schrift te zoeken...' 'Thans echter is het tijd om de ware zin van zulke tek­sten aan allen te tonen die waardig zijn daaraan deel te hebben.' (Gr I, Hoofd­stuk 1)

'Volkomen onjuist en de innerlijke betekenis in hoge mate versluierend is de uitdrukking 'In den beginne' , want daardoor zou zelfs het eeuwige bestaan van de Godheid betwist en in twijfel getrokken kunnen worden, wat enkele oudere wijzen van deze wereld dan ook hebben gedaan; uit hun school zijn eigenlijk de godloochenaars van deze tijd voortgekomen. Wanneer wij deze tekst ech­ter juist weergeven zal het omhulsel slechts zeer dun schijnen en het zal niet moeilijk zijn om de innerlijke betekenis door dit lichte omhulsel goed en soms zeer duidelijk waar te nemen. Zó echter luidde de juiste vertaling: in de oer­grond of ook wel in de grondoorzaak (van alle bestaan) was het licht (de grote heilige scheppingsgedachte, het werkelijke idee). Dit licht was niet slechts in, doch ook bij God, d.w.z. het licht kwam als reëel beschouwelijk uit God voort en was aldus niet slechts in, doch ook bij God en stroomde bij wijze van spre­ken om het oergoddelijke bestaan heen, waarmee reeds de basis voor Gods latere menswording gelegd schijnt.

Wie of wat was nu eigenlijk dit licht, deze grote gedachte, dit heiligste grond­idee van al het toekomstige, werkelijke, vrije bestaan? - Dit kon onmogelijk iets anders zijn dan God zelf, omdat zich in God, door God en uit God onmo­gelijk iets anders kan vertonen dan God zelf in Zijn eeuwig meest volmaakte bestaan; en aldus luidt deze tekst wellicht ook als volgt: In God was het licht, het licht stroomde door God en om God heen, en God zelf was het licht.' (Gr I 1, 5-8)

 

'Meent niet dat Ik gekomen ben om vrede te brengen op de aarde; Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard. Want Ik ben gekomen om tweedracht te brengen tussen een man en zijn vader en tussen een dochter en haar moeder en tussen een schoondochter en haar schoonmoeder; en iemands huis­genoten zullen zijn vijanden zijn.' (Mt 10, 34-36)

 

Verklaring van de NO: 'Wie deze verzen, die ook nog gebrekkig zijn vertaald, letterlijk opvat, komt onvermijdelijk in een labyrint van dwalingen terecht, waaruit hij ook met het licht van een oercentrale zon niet kan ontkomen. Want zoals uit het voorafgaande blijkt onderwijs en eis Ik alle denkbare lankmoe­digheid, vredelievendheid en vriendelijkheid van de mensen; en Mozes zelf leert in zijn vierde gebod uit Mijn mond: "Eer uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden in het land dat de Here, uw God, u geven zal." Hoe had Ik dan tegen dat alles indruisend een leer kunnen opstellen, volgens welke de zoon met zijn vader, de dochter met haar moeder, de schoondochter met haar schoonmoeder enz. allen met het zwaard in de hand in voortdurende on­min, bovendien nog in één huis, met elkaar moesten leven!'

Om deze teksten, die oorspronkelijk in juiste vorm van Mij afkomstig zijn, te begrijpen en als Mijn leer te waarderen, is het van belang eerst te weten bij welke gelegenheid en ook in welke vorm Ik ze heb uitgesproken.

De gelegenheid vond plaats toen Ik in een plaats in Galilea mensen in de plich­ten onderwees die zij ten opzichte van God en van elkaar hebben. En Ik zeide tot hen: 'Ik leer u niets anders dan wat Mijn Vader Mij reeds eeuwig heeft geleerd, over wie gij echter ook zegt dat Hij uw vader is, doch die gij deson­danks niet kent en nimmer hebt gekend. Want zo gij hem zoudt kennen, zoudt gij ook Mij kennen, aangezien deze Vader Mij tot u heeft gezonden.'

Zij zeiden daarop: 'Wat maakt Gij uit Uzelve; zijn wij niet kinderen van Abra­ham, en zei niet God tot Abraham dat wij allen, die van hem afstammen, Zijn kinderen zijn?' Toen echter werd ik toornig en zeide: 'Gij zoudt volgens de afstamming van Abraham Gods kinderen zijn, doch gij zijt het reeds lang niet meer, doch uw vader is de Satan, uw moeder is de legioen van alle duivels en de schoonmoeder van uw schoondochter is uw nauwelijks meetbare blindheid, traagheid en slechtheid; en deze grote vijanden der mensen zijn uw eigen huis­genoten! En wie van u een waar kind van God wil worden, die neme het zwaard der waarheid, die Ik u verkondig, en moet net zo lang met deze huisge­noten strijden tot hij hen heeft overwonnen!'

Toen vroegen echter de Farizeeën en schriftgeleerden hoe Ik het kon wagen om hen voor kinderen van Satan, van alle duivels en van hun eigen blindheid, traagheid en slechtheid uit te maken, terwijl toch bewezen was dat zij allen van de stam Levi afstamden? Ik zeide hun echter: 'Wat het vlees betreft zijt gij wel, doch wat de geest betreft niet gelijk Levi van den hoge, waar ook Ik vandaan kom, doch van beneden af; dat is ook de reden waarom gij Mij niet erkent doch haat en vervolgt.'

Hierdoor zal iedereen duidelijk worden, en vooral allen die het Hebreeuwse schrift machtig zijn, dat Ik deze drie verzen in het tiende hoofdstuk, die u op­vallen en die door de pseudo-evangelist Mattheüs, of liever door de u reeds bekende I'Rabbas in Sidon zijn opgeschreven, alleen bij de gelegenheid heb uitgesproken die Ik u zoëven heb medegedeeld, en wel woordelijk zoals Ik ze u thans heb weergegeven. Want de vertaalde woorden, die gij in volledige te­genspraak met Mijn geest uit het verband van de evangelisten hebt gerukt, zouden vanzelfsprekend de belangrijkste van Mijn leringen betreffende de naastenliefde alsook de Wet van Mozes tenietdoen.' (Gr XI, blz. 257-259)

 

De gelijkenis van het bruiloftsmaal.

 

'De bruiloft is wel gereed, maar de genodigden waren het niet waard. Gaat daar­om naar de kruispunten der wegen en nodigt allen, die gij aantreft, tot de brui­loft. En die slaven gingen naar de wegen en verzamelden allen, die zij daar aan­troffen, zowel slechten als goeden. En de bruiloftszaal werd vol met hen, die aanlagen. Toen de koning binnentrad om hen, die aanlagen, te overzien, zag hij daar iemand, die geen bruiloftskleed aanhad. En hij zeide tot hem: "Vriend, hoe zijt gij hier gekomen zonder bruiloftskleed?" En hij verstomde. Toen zeide de koning tot de bedienden: Bindt hem aan handen en voeten en werpt hem uit in de buitenste duisternis; daar zal het geween zijn en het tandengeknars. Want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren.' (Mt 22,8-14)

 

Verklaring van de NO:

 

'Het grote bruiloftsmaal is Mijn menswording (in Jezus Christus, Egg.) en het daarmee verbonden grote werk van de verlossing, tot welks deelname zeer velen, zelfs buitengewoon velen, zijn geroepen - ten eerste de hoofdstammen van Israël, die er echter allen tot op heden nog niet hebben willen verschijnen, ten dele uit vrees voor de niet begrepen wet van Mozes, ten dele echter ook door de halsstarrigheid en het ongeloof hunner harten. De slaven die de gasten uitnodigen zijn engelen, profeten, alle apostelen, discipelen en evangelisten alsook al die dienaren die Mijn woord en Mijn leer onvervalst onder de men­sen hebben verspreid en zullen verspreiden. Het volk op de straten, in de ste­gen en aan de schuttingen zijn alle mensen die op de aarde hebben geleefd, nog leven en in de toekomst zullen leven, en wel zijn de mensen in de stegen diege­nen, die nog op aarde leven en waarschijnlijk in de één of andere christelijke sekte (of kerk) zijn georganiseerd, desondanks echter met alle dwaasheden der wereld behept zijn en het ware licht niet willen grijpen, zodat zij vooral niet in het eeuwige leven kunnen binnengaan en volkomen vrij en zalig wor­den. De mensen op de straten zijn diegenen die weliswaar ook nog op de aarde leven, die echter in één van de bekende heidense godsdiensten leven (d.w.z. ongelovigen); ten slotte zijn de mensen op de schuttingen diegenen die licha­melijk reeds gestorven zijn en zich - wat hun ziel betreft - in de geestelijke wereld bevinden en aldaar ook nog voor het grote bruiloftsmaal van de verlos­sing door de juiste middelen ter bekering worden uitgenodigd.

En ten slotte is diegene onder de genodigden en de thans letterlijk met geweld (van de liefde) naar het bruiloftsmaal gebrachte en gehaalde personen, die geen bruiloftskleed aanhad, in de eerste plaats de Satan, en in de meer uitge­breide betekenis al diegenen die hem trouw zijn gebleven en die op geen enke­le wijze tot een ommekeer te bewegen waren; hun lot zal- zoals de gelijkenis zegt - gene kerker zijn waarbinnen eeuwige duisternis heerst en waar geween zal zijn en tandengeknars. Onder het geween is diepe verdorvenheid te ver­staan, die lijnrecht tegenover de hemel staat, en onder het tandengeknars moet de laagste slechtheid en de gloeiende toorn van de hel worden verstaan, omdat iemand die in hevige toorn is ontbrand met zijn tanden begint te knar­sen en begint te brullen gelijk een kwade hyena of gelijk een woedende en woeste tijger.' (Gr XI, blz. 286/287)

'Uit deze woorden komt de gehele overeenkomst tussen de stoffelijke be­schrijving en de geestelijke inhoud duidelijk naar voren.' (Gr XI, blz. 287) In deze verkondiging vinden wij een verklaring van de desbetreffende passage in het evangelie naar Mattheüs, die reeds voor vele critici een steen des aan­stoots is geworden. Zij vermoeden zeker niet dat Petrus zich reeds ten aanzien van dit probleem met de volgende woorden tot de Heer heeft gewend: 'Daar geschieden twee onbegrijpelijke dingen: ten eerste hoe en waar die gasten die door de dienaren van de gastheer bij de hekken en in de stegen staand werden opgehaald en de feestzaal werden binnengeduwd, in het noodzakelijke feest­gewaad werden gekleed, en ten tweede waarom de arme kerel, die ook door de dienaren werd gedwongen de feestzaal binnen te gaan, naar buiten moest worden geworpen, omdat hij geen feestgewaad aanhad.' (Gr X 216, 3)

De aanvullende verklaring van de bovenstaande verkondiging luidt als volgt: '" .diegenen die later in de stegen, op de straten en aan de hekken werden uitgenodigd, zijn de mensen die weliswaar naar aardse maatstaven arm zijn doch desondanks innerlijk door hun rechtvaardige leven volgens Mijn wet feestelijk gekleed gaan.' (Gr X 217, 8)

In verband met deze gelijkenis wordt ook de evangelietekst

 

'Velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren'

 

in zijn werkelijke betekenis duidelijk. Daar staat onder meer geschreven: 'De­ze passage van het evangelie wordt - zoals vrijwel geen andere - bij alle chris­telijke religies volkomen verkeerd geïnterpreteerd, want zij zijn vrijwel allen van mening, dat slechts de weinige uitverkorenen in de hemel zullen komen, dat echter alle anderen, ook de vele geroepenen stellig volgens de evenzeer verkeerd begrepen dag des oordeels onmiddellijk in de hel zullen worden ge­worpen, en wel voor eeuwig!' (Gr XI, blz. 284)

De verklaring geschiedt door middel van een gelijkenis die de betekenis duide­lijk maakt: 'Slechts over deze éne wordt (bij het bruiloftsmaal) gesproken, dat hij in een kerker werd geworpen. Doch geen van de genodigden. Bij hen wordt slechts hun domheid en niet hun slechtheid gelaakt. . . Beschouwt daarom niet slechts de uitverkorenen doch ook de geroepenen van Mijn rijk als waardig.' (Gr XI, blz. 286)

 

'Zalig zijn de armen van geest.'

 

Over de betekenis van deze uitspraak zijn in de loop der tijden heel wat ver­moedens geuit. Uit de NO blijkt dat hij in geen geval met de tekst van het in verschillende opzichten vervals de Lucas evangelie overeenstemt, waar te le­zen staat: 'Zalig gij armen, want uwer is het koninkrijk Gods' (6,20). Hiermee worden al diegenen bedoeld (ook de rijken en welgestelden, Egg.) die zich innerlijk van de wereldse zaken terugtrekken en er maar weinig waarde aan hechten.

Letterlijk staat hierover in de Nieuwe Openbaring: 'Wie niet arm is geworden aan alles wat van de "wereld" is, die zal niet eerder in Mijn rijk binnengaan dan totdat hij de laatste stuiver aan de wereld heeft teruggegeven. Ziet, dat nu is de waarlijke armoede in de geest en in de waarheid.' 'De gedwongen armoe­de kan alleen door de volledige overgave aan Mijn wil en in Mijn liefde met de vrijwillige armoede gelijk komen te staan.' (Hi I, blz. 329, 19)

 

'Voorwaar, Ik zeg u: Er zijn sommigen onder degenen, die hier staan, die de dood voorzeker niet zullen smaken, voordat zij de Zoon des Mensen hebben zien komen in Zijn koninklijke waardigheid.' (Mt 16, 28)

 

Volgens de NO moet deze passage niet zo worden opgevat als zouden enkele van Jezus' tijdgenoten niet vóór Zijn terugkeer sterven. De juiste tekst luidt volgens de NO:

'Doch zij die volgens Mijn woorden leven en de werken van de ware zelfver­loochening en van de innerlijke vrije liefde verrichten, die zullen de dood niet zien en gevoelen.' (Dit geldt dus voor alle rechtvaardigen, Egg.) 'Voorwaar, tot Mijn en uw grote vreugde kan Ik u (de discipelen, Egg.) zeggen dat enkelen onder u geen dood zullen smaken en voelen en getuigen zullen worden van alles, tot zelfs de beloofde Zoon des Mensen in Zijn rijk zal komen (in het hiernamaals, Egg.), die zij zullen aanschouwen en met wie zij eeuwig zullen heersen. Voor dat doel is echter zeer veel liefde tot God en tot de naaste van node.' (Gr VIn, 6)

'Daarom streve eenieder ernaar dat hij reeds hier bekeerd moge worden, want wie nog hier en in den vIeze wordt bekeerd, die zal de dood des vlezes zien noch voelen noch smaken, en zijn ziel zal (bij het sterven, Egg.) geen angst ondervinden.' (Gr I 149, 3)

 

'Maar Ik zeg u, de boze niet te weerstaan, doch wie u een slag geeft op de rechter­wang, keer hem ook de andere toe.' (Mt 5,39)

 

Verklaring van de NO:

Petrus vroeg de Heer in dit verband onder meer: 'Men kan zich hier wel aan houden bij mensen die in hun boosaardigheid tegen een ander mens niet te ver gaan, doch zou Uw goddelijke leer in het geval van mensen die in hun gedrag tegenover hun medemensen tot ware aartsduivels zijn geworden, niet een klei­ne uitzondering kunnen maken?'

Hierop gaf Jezus aan Petrus ten antwoord: 'Dat is eigenlijk al volkomen duide­lijk, dat men een door en door slecht mens door te grote lankmoedigheid niet nog meer gelegenheid moet geven om in zijn boosaardigheid te volharden en nog slechter te worden dan hij al is. In dit geval zou verdere toegevendheid van de zijde van de ander slechts een ondersteuning en aanmoediging voor de woe­kerende slechtheid van de vijand zijn; daarvoor heb Ik in deze wereld in alle tijden strenge rechters benoemd en hun het recht gegeven om de te slecht en verdorven geworden mensen die dit verdienen te kastijden en te bestraffen, en daarom heb Ik u ook dit gebod gegeven, dat gij de overheid van de wereld moet gehoorzamen, of deze nu zachtmoedig dan wel streng is.

Wie dus nu een zulk verdorven vijand heeft, die begeve zich naar de rechter en dele hem dit mede, en deze zal de door en door slecht geworden mens van zijn slechtheid afhelpen!

Wanneer dat met enkel lichamelijke kastijdingen niet mogelijk is, dan is het zwaard uiteindelijk de enige oplossing! En zo is het ook met een oorvijg. Wan­neer gij deze van een niet zeer slecht mens krijgt, die daartoe door een plotse­linge opwelling werd verleid, verdedig u dan niet, opdat hij daardoor dat gij zijn gedrag niet met een oorvijg beantwoordt, tot bedaren komt; daarna zult gij zonder moeite en zonder tussenkomst van een rechter weer goede vrienden worden! Doch wanneer iemand u in grote woede een moorddadige oorvijg geeft, dan hebt gij ook het volste recht u te verdedigen; en zie, als de zaak niet zo was, dan zou Ik niet tot u hebben gezegd dat gij ook het stof van uw voeten over die mensen in een oord moet werpen die u niet alleen niet opnemen, doch u ook nog smaden en met vervolging dreigen!

0, zijt ervan verzekerd dat Ik met Mijn preek over de naastenliefde de macht en kracht van het zwaard niet in het minst heb tenietgedaan, doch wel heb verzacht zolang de vijandigheid tussen de mensen niet zo hevig is geworden dat men terecht van helse toestanden kan spreken!' (Gr X 215, 5 en 8-14)

 

'Indien uw rechterhand u tot zonde zou verleiden, houw haar af en werp haar van u; want het is beter voor u, dat één uwer leden verloren ga en niet uw gehele lichaam ter helle vare.' (Mt 5, 30)

 

Verklaring van de NO:

'Gij zult moeten inzien dat Ik daarmee niemand lichamelijke verminking heb aangeraden, doch slechts de nadruk leg op de strenge controle van de altoos vrije wil des mensen en van zijn verstand.' (Gr X 214, 8)

'De woorden: Indien uw oog u ergernis geeft, ruk het uit en werp het van u, want het is beter om met één ten hemel te varen dan met twee ogen ter helle' betekenen: Wanneer het licht van de wereld u te zeer verlokt, bedwing dan uzelf en wend u van dit licht af, dat u in de dood van de materie zou slepen.' (Gr I 42, 8)

 

'Wie heeft, hem zal gegeven worden en hij zal overvloedig hebben; maar wie niet heeft, ook wat hij heeft, zal hem ontnomen worden.' (Mt 13, 12)

 

Verklaring van de NO:

Dit schijnt welhaast onrechtvaardig, doch zo is het niet. Want het heeft slechts het volgende te betekenen: 'Indien iemand zijn kracht heeft gestaald en nu zwaardere lasten kan dragen, wordt hij daardoor niet zwakker doch steeds sterker. Wie echter zijn kracht nimmer heeft willen stalen zal ook deze kracht verliezen zodra hij haar voor het dragen van een, zij het nog zo geringe, last wil gebruiken, en hij zal weldra uitgeput in de volledige dood neerzinken. Oefent daarom bij voortduring alle krachten van de geest, dan zult gij u eens in de volheid van uw levenskracht kunnen vertonen en zult op uw schouders zeer goed de grootste lasten van Mijn liefde, genade en erbarmen kunnen dragen.' (Gr XI, blz. 311)

 

'Nu is Mijn ziel ontroerd, en wat zal Ik zeggen? Vader, verlos Mij uit deze ure! Maar hiertoe ben Ik in deze ure gekomen.' (Joh 12, 27)

 

Verklaring van de NO:

'Wie en wat is Mijn ziel? Zie, indien gij het nog niet mocht weten - dat is Mijn liefde! Zou deze ten aanschouwe van de meest ontrouwe kinderen anders dan door en door ontroerd kunnen zijn, en wel tot aan de dood, dat wil zeggen tot aan de nacht des doods, welke alle kinderen in zulk zware gevangenschap hield? En verder, wanneer daar geschreven staat: En wat zal Ik zeggen? Wat zoudt gij zeggen indien al uw kinderen u vervloekten en verdoemden? Zie, in zulke gevallen heeft ook de zuiverste liefde een prikkel, waartegen men de verzenen moeilijk kan slaan. Want een zo lang en zo koppig versmade liefde veroorzaakt niet alleen smart in een menselijke doch ook in een goddelijke borst!' (Gr XI, blz. 314-315)

 

'Jezus zond twee discipelen uit, tot wie Hij zeide: Gaat naar het dorp, dat tegen­over u ligt, en terstond zult gij een ezelin vastgebonden vinden, en een veulen bij haar. Maakt haar los en brengt haar tot Mij. En indien iemand u iets erover mocht zeggen, zegt dan: de Here heeft ze nodig. Hij zal ze terstond terugzen­den.' 'Jezus ging daarop zitten.' (Mt 21, 1-7)

 

Rationalistische bijbelonderzoekers beschouwden ook de onhoudbaarheid van dit bericht als bewezen. Het is onmogelijk, zo argumenteerden zij, dat men iemand zo maar een ezel afneemt. De nadere gegevens van de NO over dit voorval lossen ook dit schijnprobleem zonder moeite op.

De eigenaar van de ezel - een Romeinse legioensoldaat in ruste - was 'een openlijk aanhanger' van Jezus. Toen hij van de twee discipelen hoorde dat Jezus het veulen korte tijd wilde hebben, 'was hij zeer verheugd dat hij Jezus een dienst kon bewijzen' (Gr XI, blz. 169 e.v.)

David Friedrich Strauss (en ook moderne auteurs) drijven de spot met dezelfde passage bij Marcus 11, 1-2, waar geschreven staat dat 'op het veulen nog nooit een mens heeft gezeten'. Een nog niet afgericht dier, zo oordelen zij met apo­dictische zekerheid op basis van hun verstand, zou Jezus onmiddellijk hebben afgeworpen. 50 Een rationalist, die in Jezus slechts een mens ziet, kan ook nau­welijks tot een andere slotsom komen. De betrokken critici vermoeden waar­schijnlijk niet dat er betrouwbare berichten bestaan over mystici die tot verba­zing van hun omgeving wilde paarden met het grootste gemak als rijdieren gebruikten. Doch zulke feiten passen uiteraard nauwelijks in de denkcatego­rieën van een man zoals Straus en van zijn epigonen. Naar prof. Walter Nigg mededeelt voelden dieren bij Friedrich Christoph Oetinger zelfs diens krach­ten, die niet verklaarbaar zijn. Wilde paarden, die niet eens een zadel duld­den, droegen Oetinger urenlang zo mak als een lam over grote afstanden. 51

Wanneer Jezus de stormen kon gebieden en nog vele andere wonderen vol­bracht, waarover niet in het evangelie doch wel in de NO wordt bericht, dan zouden wij slechts woorden verspillen indien wij ons met de genoemde beden­kingen van de betrokken auteurs bezighielden. Wij zijn op de kritiek ingegaan om aan de hand van dit voorbeeld duidelijk te maken hoe weinig steekhou­dend dikwijls de conclusies zijn die onderzoekers uit teksten trekken, terwijl zij bij de beoordeling daarvan oppervlakkig te werk gaan, omdat zij de achter­gronden van de feiten niet kennen en de mogelijkheid van Gods almacht volle­dig buiten beschouwing laten.

Aan het voorafgaande moet nog iets worden toegevoegd. Logischerwijze komt toch de vraag naar voren: waarom gebruikte Jezus geen paard om zijn intocht in Jeruzalem te houden? Naar menselijke maatstaven komt bij een zo­danige gelegenheid alleen een paard in aanmerking. Er moet dus een bedoe­ling achter gezeten hebben dat Jezus een ezelin gebruikte. Dat dit het geval is blijkt duidelijk uit de volgende uiteenzettingen in de NO:

'Had de Heer niet even goed een paard of op zijn minst een behoorlijk afge­richte ezel in plaats van de ezelin kunnen laten brengen? - Zeker, ieder dier had de Heer in dit geval dezelfde dienst moeten bewijzen. Een leeuw, een tijger, een panter, een kameel, een olifant, een paard, een muilezel, zij allen zouden ten eerste veel sterker zijn geweest en hadden de Heer der oneindig­heid op een wenk moeten gehoorzamen; bovendien zou de rit op zo'n dier veel opzienbarender zijn geweest dan op een zwakke ezelin.' (Schriftt. 15, 16)

'Hij die de grondorde en grondbetekenis van alle dingen is handelt echter niet zoals een mens, wie het niets uitmaakt, doch bij Hem was alles in de onwrikba­re orde als voorbeeld en leer voor de eeuwigheid bedoeld.' (Schriftt. 15, 17) 'Juist doordat de Heer op een met schamele klederen bedekte ezelin reed, toonde Hij alle mensen duidelijk en werkelijk dat zij geestelijk ook zo moes­ten handelen en alleen waarde moesten hechten aan de vruchtbare liefde uit hun ootmoed.' (Schriftt. 15, 20)

 

'Doch die vijanden van Mij, die niet wilden, dat Ik over hen koning werd, brengt hen hier en slacht ze voor Mijn ogen.' (Lc 19, 27)

 

Niet weinig Christenen die deze passage uit het evangelie naar Lucas lezen, zijn ontsteld en vragen zich af of dezelfde Jezus, die voor het overige zeer barmhartig was, dit gezegd kan hebben. Wie iets dieper zoekt weet dat men niet steeds aan de letterlijke tekst kan vasthouden, doch dat Jezus' taal een wijze van uitdrukken sui generis is. Sommige formuleringen zijn, naar verstan­dige onderzoekers hebben moeten inzien, een soort schoktherapie. Hierbij denke men aan de maning om zijn hand af te hakken en zijn oog uit te rukken of aan de uitdrukking 'in het vuur werpen' , wat volgens de verklaringen van de NO hetzelfde betekent als 'geestelijk pijnigende verwijten' (Pr 324). Wanneer men nu eindelijk eens zou begrijpen dat -zoals A.N. Wilder zegt - 'Jezus niet zo dacht als wij denken en dat Zijn taal niet onze taal is' 52, dan zouden ons vele verkeerde interpretaties van de exegeten worden bespaard.

Zo hebben ook de verzen Lucas 19, 27 een andere betekenis dan de onbegrij­pelijke betekenis van de woorden doet vermoeden. 'Wanneer men weet', staat er in de NO, 'dat "slachten" de betekenis van "rechten heeft", wordt alles volkomen duidelijk.' 'Rechten' betekent echter - naar eveneens uit de tekst­verklaring blijkt - niet 'oordelen', doch 'rechtbuigen, in orde brengen'. In Hi I blz. 193 staat bijvoorbeeld: 'Eenieder die in Mijn rijk wil worden opgenomen moet tevoren gerecht worden, opdat hij zich volledig van het oude slijk van zijn gewende dwaasheden kan reinigen.'

'Wie zijn dan de "burgers" van de stad, die de koning niet wilden?' staat er verder in de verklaring. 'Wendt uw oog naar buiten in de wereld en gij zult zulke burgers in alle straten, in alle hoeken en gaten in groten getale aantref­fen, die allen de koning niet willen. De "stad" is de wereld, haar burgers zijn de mensen van de wereld, die niets van Mij willen weten.' 'Uit het voorafgaan­de blijkt duidelijk wat de genoemde tekst te betekenen heeft: niets anders dan het oordeel over alle wereldse zaken.' (Schriftt. Hoofdst. 26)

 

'Eer van mensen behoef ik niet.' (Joh 5, 41)

 

Verklaring van de NO:

'Ik heb de mensen niet geschapen om Mij te vereren. Eén verbond echter heb Ik met de mensen gesloten, en dat heet liefde en betekent iets anders dan ver­ering. Wie zijn degenen die zich laten vereren? Dat zijn de vorsten en groothe­den van de wereld. Waarom laten zij zich vereren? Omdat zij meer willen zijn dan mensen, hoewel hun bewustzijn hun zegt dat zij niet meer zijn dan men­sen.' 'Wat zou Ik aan een zulke eer hebben?' 'Zou Ik door de vereringen van de mensen nog hoger kunnen worden? Dat geloof Ik niet. Om die reden heb Ik geen enkele wet uitgevaardigd waarin staat: "Gij zult God, uw Heer boven alles eren", doch enkel en alleen "boven alles liefhebben".'

'Allen die Mij op ceremoniële wijze eren zijn de "Heer, Heer-roepers"... '(!) 'Men kan nu bezwaar aantekenen en zeggen: 'De verering van God is noodza­kelijk! Want zij is een edele vrucht van de godvrezendheid, want wie God niet vreest, die is tot alle slechte daden in staat. Ik echter zeg: Wanneer godvre­zendheid beter is dan slechte daden te begaan, zal desondanks niemand door een zodanige godvrezendheid het eeuwige leven deelachtig worden, omdat een vreesachtig karakter reeds een veroordeeld karakter is. Wie het slechte enkel uit vrees voor Mij achterwege laat, die zal een harde proeve moeten doorstaan.' 'Alle geesten van de hel leven en bestaan in zeer grote angst voor Mij...' 'Welke dwaas zal echter beweren dat de geesten van de hel goed zijn omdat zij zo'n grote vrees voor Mij hebben?' (Schriftt. Hoofdst. 27)

 

Het rijk Gods (of het hemelrijk)

 

Verklaringen van de NO:

'Mijn rijk, dat Ik nu onder de mensen op deze aarde opricht, is geen werelds rijk doch een rijk Gods zonder enige wereldse praal, heeft niets uiterlijks doch is innerlijk in de mens, en Mijn stad, Mijn ommuurde stad en Mijn woon­burcht daarin is een zuiver hart dat Mij boven alles liefheeft. Zie, zo is het met de oprichting van Mijn rijk op deze aarde gesteld!' (Gr X 73, 8)

'Het rijk Gods... is in uw diepste binnenste te vinden en bestaat in de geest van de zuivere liefde tot God en tot de naaste en in de waarheid van het daaruit ontstane leven der ziel. Wie geen liefde tot God noch tot de naaste in zich draagt en voelt, die draagt ook geen leven in zich noch opstanding, die de he­mel in de mens vormt, en zodoende ook geen leven daarin, doch slechts het oordeel en de als zodanig onvermijdelijke eeuwige dood tegenover het enige ware en volmaakte leven in de hemel.' (Gr VIII 18,4)

'De onvoorwaardelijke navolging van Gods duidelijk geworden wil is het ware rijk Gods. Doch de navolging van Gods duidelijk geworden wil is nu eenmaal niet zo gemakkelijk als gij u voorstelt, want de mensen verzetten zich ertegen en vervolgen de ware gegadigden naar het rijk Gods.'

'Daarbij komt echter nog iets anders, dat ook bij de geweldige aantrekkings­kracht van Gods rijk hoort, en dat is daarin te zoeken dat de mens zich in alle wereldse zaken zo diep mogelijk moet verloochenen, al degenen die hem bele­digd hebben uit de grond van zijn hart moet vergeven, tegen niemand wrok of toorn mag koesteren, voor hen moet bidden die hem vervloeken, voor diege­nen goed moet zijn die hem slecht behandelen, zich boven niemand mag ver­heffen, de bezoekingen die hem overkomen geduldig moet verdragen en afziet van vraatzucht, brasserij, ontucht en echtbreuk. Wie zich zodanig gedraagt, die bedwingt het rijk Gods en brengt het met geweld in zijn bezit.' (Gr VII 127, 3 en 5)

'Voorwaar, Ik zeg u allen: Wie daar volgens zijn vermogen (d.w.z. zo goed als hij kan, Egg.) de arme en verdrukte medemensen altoos barmhartigheid en liefde in alle vriendelijkheid bewijst, die zal ook bij Mij erbarmen, liefde en vriendelijkheid aantreffen; want daaruit bestaat het ware rijk Gods, dat thans in Mij tot u is gekomen, dat gij God meer dan alles moet liefhebben en uw naaste moet liefhebben gelijk uzelve. Wie dat doet, die houdt zich volledig aan de wet en wordt Gods volledige genade deelachtig, en Jehova's zegenende hand is boven hem. Wie een zodanige liefde volhoudt, die is en blijft in Mij, gelijk ook Ik in hem ben, die heeft het eeuwige leven in zich en zal de dood niet zien en smaken; want hij is zo reeds in deze wereld een oprechte burger van Gods rijk, waarin eeuwig geen dood meer bestaat. Behartigt dit allen en han­delt ook overeenkomstig daarmede, want dat is de reden waarom Ik zelf op deze wereld ben gekomen, om de mensen zo het ware rijk Gods te brengen en hen uit alle blindheid en uit de dood van hun zielen te verlossen, waardoor gij tot dusverre in strenge gevangenschap hebt gezucht.' (Gr IX 36, 7)

'Zoekt daarom bovenal Mijn rijk en de rechtvaardigheid daarvan, al het ande­re zult gij dan vanzelf ontvangen, want Ik weet altoos en eeuwig wat gij van node hebt.' (Gr X 108, 13)

Nu kan een ieder begrijpen wat Jezus met Gods rijk bedoelde. Het is verba­zingwekkend wat de theologen daarvan in de loop der tijden hebben gemaakt. Augustinus, die zo vele dwaalwegen heeft bewandeld, beweert driest: 'De kerk is Gods rijk.' (De civ. Dei XX. 19) Inmiddels heeft de katholieke kerk zich van deze bewering gedistantieerd. In het theologische lexicon van Rah­nerN orgrimmler staat de volgende zin te lezen: 'Het rijk Gods is niet identiek met een nooit meer dan voorlopig staatswezen noch eenvoudigweg met de kerk van deze tijd. . .' 53 Datgene echter wat in protestantse en katholieke lexi­ca als verklaring van het rijk Gods te vinden is moet de leek in vergelijking met de duidelijke verkondiging van de Heer in de Nieuwe Openbaring onverteer­baar schijnen en op weggelopen lava lijken. Zo staat er bijvoorbeeld in een katholiek theologisch woordenboek te lezen:

 

'Rijk Gods betekent:

a. de geldigheid van de heilige en heilscheppende wil (als Schepper, Behou­der, Wetgever, bovennatuurlijk Begenadiger) in zijn gehele schepping en vooral in mensen en engelen,

b. de daadwerkelijke oplegging van deze wil (Basileia). Voor zover de geschie­denis nog voortduurt is de oplegging van deze wil nog bezig te ontstaan en moet het rijk Gods nog "komen" (Mt 6, 10). Voor zover de vrije uitvoering van Gods wil door het schepsel een genade van God en een daad van het schep­sel is, is Gods rijk een zuiver geschenk van God, dat Hij schenkt en door Zijn macht verwezenlijkt en dat derhalve van Hem moet worden afgesmeekt, en een taak die de mens wordt opgedragen en die van hem wordt geëist, zonder dat daardoor een synergisme ontstaat' 54, enz.

 

Van hieruit tot aan de groteske interpretatie van ene Friedrich Heer verloopt een grote boog in de literatuur. Hoever de ontaardingsverschijnselen reeds zijn gevorderd blijkt wel uit Heers uiteenzettingen in zijn geschrift Abschied van Höllen und Himmeln. Daar staat te lezen:

'Jezus heeft geen belangstelling voor "hemel" en "hel".' (t) 'Het rijk der he­melen ("hemelen" is een vervangend woord voor God, wiens naam niet ge­noemd mag worden (!)), dat betekent een totale omwenteling van alle macht­ verhoudingen, van alle maatschappelijke systemen, die Jezus als echte revolu­tionair als gouden en bloedbevlekte maskers van wanorde heeft doorzien.' 'Het rijk der hemelen, diens inbreuk in deze wereld betekent een politieke daad.' (!) 'Het paradijs betekent paradijselijke aarde.'55

Weliswaar is er in de loop der tijden een groot aantal foutieve interpretaties van het evangelie naar voren gebracht, doch een zodanige verdraaiing en per­vertering van Jezus' boodschap bleef de valse profeten van onze eindtijd met al haar ontledingsverschijnselen voorbehouden.

In de bijbelkritische literatuur zijn altijd al ongunstige en onjuiste meningen over de meest uiteenlopende passages van het evangelie te vinden geweest, die naar de mening van de schrijvers voor de 'wetenschappelijke denkwijze on­waarschijnlijk of volkomen ongeloofwaardig schijnen' (Thiel). De onderzoe­kers kunnen in vele teksten geen zin ontdekken en maken daaruit op dat het Nieuwe Testament gemeentewerk is, d.w.z. dat niet Jezus de desbetreffende woorden heeft gesproken doch dat de gemeente (lees: de evangelisten) Hem deze in de mond zou hebben gelegd. Dat dit in de door de wetenschappers veronderstelde mate in geen geval van toepassing is bewijzen de geciteerde verklaringen van de Nieuwe Openbaring. De tekstverklaringen maken ander­zijds echter ook duidelijk dat de eeuwenlang door de katholieke kerk en ook door de protestantse orthodoxie aangehangen leer van de verbale inspiratie van de Heilige Geest volledig onhoudbaar is. Door de uitspraken van de Nieu­we Openbaring wordt duidelijk gemaakt dat de schriften van het evangelie een bijzonder literair genus vormen, dat wereldse maatstaven niet zelden omver werpt.

In de eerste christelijke eeuwen was de diepere zin van de schriftteksten nog bekend. Dat blijkt uit de aantekeningen van Clemens van Alexandrië en van Origenes. Ook Petrus Chrysologus zegt: 'In de lessen van het evangelie zijn temidden van de duisternis van goddelijke geheimen en het omhulsel van een diepere betekenis een zeer groot aantal waarheden te vinden, en het menselijk verstand begrijpt niet licht wat Christus over de hemelse geheimen zegt.' (serm. 126 de villico iniquo /M Lat. 52, 546/)

Wie de teksten van de evangeliën wil ontsluieren en hun ware betekenis wil ontdekken, mag de schrift niet met een hand van beenderen grijpen, doch moet zich houden aan datgene wat de Heer Petrus aanraadt: 'Tracht u van uw wereldlijk verstand en uw wereldlijke wil te doen, en gij zult het hemelse be­grip van de geest en de kracht van de hemelse wil volkomen deelachtig wor­den.' (Gr X 214,12) Men kan Albert Schweitzer alleen maar gelijk geven wan­neer hij zegt: 'Vele (van Jezus' woorden, Egg.), die op het eerste gezicht vreemd schijnen, worden in een diepe en eeuwige betekenis ook voor ons waar, wanneer men geen afbreuk tracht te doen aan de kracht van de geest die daaruit spreekt. '56

In de Nieuwe Openbaring wordt er herhaaldelijk de nadruk op gelegd dat Je­zus' boodschap met opzet gedeeltelijk in versluierde vorm is geformuleerd. Om die reden is niet uit iedere evangelietekst de werkelijk bedoelde betekenis onmiddellijk af te lezen.

Jezus heeft Zijn discipelen echter reeds voorspeld dat een zegel van het evan­gelie bijna 2000 jaar later zou worden verbroken. De Nieuwe Openbaring is deze onthulling van het Nieuwe Testament. In de verkondigingen die Jakob Lorber in de loop van de lange periode van 24 jaar moest opschrijven, wordt Jezus' leer voor de gedachten doorzichtig en in ieder opzicht begrijpelijk ge­maakt. Deze openbaring is niet alleen uitvoerig, doch vertoont tevens een vol­ledig nieuwe metafysische diepte. In de NO vindt de lezer de geest die levend maakt, en niet de letter die doodt. In deze goddelijke openbaring krijgen wij geen melk meer doch vaste spijs (Hebr. 5, 12).

 

De Nieuwe Openbaring leert ons goed bidden

 

In het evangelie van Mattheüs 6, 6-8 heeft Jezus een heldere en duidelijke aan­wijzing gegeven ten aanzien van het bidden. 'Wanneer gij bidt, ga in uw bin­nenkamer, sluit uw deur en bidt tot uw Vader in het verborgene. En gebruikt bij uw bidden geen omhaal van woorden, zoals de heidenen; want zij menen door hun veelheid van woorden verhoord te zullen worden. Wordt hun dan niet gelijk.'

Wat is van deze aanwijzing van Jezus geworden? De kerken hebben haar vol­ledig omgekeerd. Daarom zal men de bovenstaande verzen van het Mattheüs­evangelie nimmer in een preek of in een kerkelijk zondagsblad aantreffen. Waar wordt er ooit op gewezen dat het geen enkele rol speelt op welke plaats men bidt?

De uitspraken die de Nieuwe Openbaring over het bidden doet zijn van een doordringende helderheid. 'God is een geest, en zij die Hem aanbidden moe­ten Hem in de geest en in de waarheid aanbidden. En daartoe is berg noch tempel van node, doch enkel en alleen een hart dat zo zuiver en zo liefdevol deemoedig is als het maar kan zijn.' (Gr I 24,13-14) 'Wie God met zulk een hart liefheeft, die is een rechte aanbidder van God de Vader, en de Vader zal zijn gebed altoos verhoren en zal geen acht slaan op het oord, dat in het geheel geen rol speelt, of het nu een berg (Garizim, Egg.) is of Jeruzalem, omdat de aarde overal evenzeer van God is, doch alleen op het hart van ieder mens.' (Gr I 24, 15)

'Wanneer gij bidt, bidt dan niet gelijk de heidenen en Farizeeën met de lippen, met woorden die door de vleselijke tong zijn gevormd, doch bidt, gelijk Ik u heb gezegd, in de geest en in de waarheid, door levende werken en daden van liefde, aan uw naasten volbracht, dan zal ieder woord in Mijn naam een waar gebed zijn, dat Ik steeds zal verhoren; doch de verzuchtingen der lippen ver­hoor Ik nimmer.' (Gr III 209, 4)

Jezus tot Zijn discipelen: 'Helaas zijn er nu bij de joden vele zulke dwazen, en zij zullen er ook in de toekomst zijn, die God met lange gebeden hunner lippen aanbidden en van mening zijn dat dat een ware godsdienst is en zulks Gode welgevallig is, vooral wanneer zulk lippengeschreeuw nog met allerlei ceremo­niën wordt omlijst.' (Gr IX 37,9)

'Een lof van de mond en een dank van de lippen heeft bij God geen waarde.' 'Het hoofdgebed bestaat daarin dat een ootmoedig hart ootmoedig blijft en zijn naasten inderdaad meer liefheeft dan zichzelf, God echter als de enige ware Vader van alle mensen en engelen boven alles liefheeft.' (Gr III 207, 12)

'Weliswaar staat er geschreven dat de mens zonder ophouden behoort te bid­den, om niet in verzoeking te worden geleid; hoe kinderachtig en volkomen dwaas zou het echter zijn wanneer God van de mensen een onophoudelijk lip­pengebed zou verlangen.' 'Wanneer gij met uw voeten, ogen, oren en lippen bij voortduring bezig zijt en in uw hart altoos God en uw arme naasten lief­hebt, dan bidt gij waarachtig en inderdaad onophoudelijk tot God...' (Gr II 111, 9)

'Uw liefde tot Mij en tot uw broeders behoort steeds uw belangrijkste gebed te zijn.' (Hi I 165, 14)

'Weliswaar bidden en smeken de mensen met hun lippen om allerlei zaken die hun juist en goed dunken, doch hun hart hangt niet aan Mij, doch enkel aan datgene waarom zij bidden en smeken.' (Hi 11 357, 4)

'Komt bij Mij niet aan met het verzoek om zuiver wereldlijke dingen, want dit zieledodende gif zal Ik u niet geven, ook al zoudt gij Mij er jarenlang om ver­zoeken. Het is Mijn zaak om u in uw zielen volledig van de gehele wereld te bevrijden, en niet om u nog meer daaraan te binden.' (Gr VI 122, 2)

'Bidt in alle nood en tegenspoed met natuurlijke woorden in uw hart tot Mij, en gij zult niet vergeefs bidden. Wanneer gij echter om iets verzoekt, doet dit dan zonder veel omhaal van woorden en zonder ceremonie, doch bidt heel stil in de geheime liefdeskamer van uw hart.' (Gr X 32, 4-5)

'Hoe onrechtvaardig is het toch wanneer de mens aan Mij voorbijgaat en hulp zoekt bij hen die vanuit zichzelf niets hebben (de heiligen, Egg.), doch alles alleen vanuit Mij.' (Hi I 380, 12)

'Staat er niet in het evangelie: "Komt allen tot Mij die vermoeid en beladen zijt, en Ik zal u troosten"?' (Hi I 380, 15)

'Bedenkt wel dat een monarch zoals Ik in het geheel geen bemiddelaar van node heeft, doch Ik ben alles in alles zelf.' (Hi I 385, 45)

'De heidenen maken ook lange bedevaarten naar de buitengewone en bijzon­dere afgodengenadebeelden...' 'Wie bij Mij een goede bede verhoord wil hebben, die make een bedevaart in zijn hart en drage Mij geheel stil zijn bede met volkomen natuurlijke en onopgesmukte woorden voor, en Ik zal hem aan­horen.' (Gr VI 123, 10-11)

'Hoe moet Gij voor de overledenen bidden?' '. . . draagt hun gelovig en vanuit de liefdegrond van uw hart, in uw hart het evangelie voor, en zij zullen het vernemen en zich er ook aan houden...' 'Alle andere vormen van gebed zijn voor geen enkele gestorven ziel van het geringste van nut.' (Gr VIII 38, 4-5)

 

De vergeving van de zonden. Wat Jezus Zijn apostelen hierover werkelijk heeft gezegd

 

In de Nieuwe Openbaring geeft de Heer een volkomen duidelijke opheldering over de ware vergiffenis der zonden. Daardoor weten wij nu ook zeker dat Jezus Zijn apostelen nooit gezegd heeft dat de mensen de apostelen en hun opvolgers in het geheim hun zonden moeten biechten. Aangezien de katho­lieke kerk nog steeds beweert dat de biecht van Jezus afkomstig is en dat zware zonden alleen door een bekentenis tegenover een priester in de biecht verge­ven kunnen worden, ontkomt men niet aan een onderzoek van de vraag hoe de persoonlijke mondelinge biecht tot stand is gekomen. Deze vraag is voor de waarachtigheid van de leer van de katholieke kerk een toetssteen van enorme betekenis.

Bij welhaast alle katholieken bestaat het idee dat de apostelen reeds in de door hen opgerichte gemeenten in biechtstoelen* (*Biechtstoelen bestaan pas sinds de zeventiende eeuw.) zaten, de gelovigen lieten biech­ten en hen hun zonden vergaven. Op deze gedachte konden de apostelen en de apostolische vaderen echter niet komen, omdat Jezus hun iets dergelijks niet had gezegd.

Niemand wist in de eerste eeuwen iets over een dergelijke biecht. Dit feit is in voldoende mate met bewijzen gestaafd en wordt door de katholieke kerk niet ontkend. Er bestaan gegronde redenen voor dat de katholieke kerk over de ontwikkeling van de instelling van het biechten alsook over de toestanden in het oerchristendom tegenover het kerkvolk een ondoorzichtige sluier heeft ge­spreid. Kort en bondig wordt er verklaard dat Jezus het boetesacrament en zodoende ook de biecht in het leven heeft geroepen.

Dat er van een persoonlijke mondelinge biecht in de huidige betekenis geen sprake kon zijn blijkt onder meer duidelijk uit de Duitse uitgave van de (ka­tholieke) Nederlandse catechismus, waarin wordt vastgesteld: 'Slechts drie zonden waren het voorwerp van de sacramentale vergiffenis: afval van het ge­loof, moord en echtbreuk; en dat ook alleen maar wanneer zij in het openbaar waren begaan, en dus in hevige mate aanstoot hadden gegeven.'

'Wie in het openbaar één van de voornoemde ernstige zonden had begaan, moest deze (ten overstaan van alle mensen, Egg.) aan de bisschop biechten en werd dan in het openbaar tot boeteling verklaard, d.w.z. hij mocht niet aan de eucharistieviering deelnemen. 57

De zonde werd hem dus niet vergeven. In sommige gemeenten werden deze zondaars uit de gemeente verstoten, in andere gemeenten werden zij op hun sterfbed weer opgenomen. In zoverre werd een en ander niet overal op dezelf­de wijze gehandhaafd. Dat er op zijn minst in de eerste eeuw in het geheel geen vergiffenis van de zonden bestond, blijkt onweerlegbaar uit een uitlating van de apostel Paulus: 'Indien wij opzettelijk zondigen, nadat wij tot erkentenis der waarheid gekomen zijn, blijft er geen offer voor de zonden meer over, maar een vreselijk uitzicht op het oordeel. ..' (Hebr 10, 26)

De katholieke apologeet P.A. Kirsch bevestigt dan ook in zijn van het impri­matur-zegel van de kerk voorziene boek Zur Geschichte der Beichte: 'Sinds Paulus heeft de kerk de zeer ernstige zondaars uitgestoten.' 'De doodzonde had een altijddurende uitstoting uit de kerk tot gevolg. '58 Kirsch is ook objec­tief genoeg om toe te geven: 'Men mag uitlatingen van de kerkvaders, die daarbij op de canonieke openbare boetedoening doelen, niet zonder meer op de privé-biecht (persoonlijke mondelinge biecht, Egg.) overbrengen.'59

De H. Cyprianus, bisschop van Antiochië (304), past nog tegen het einde van de derde eeuw de passage in het evangelie naar Johannes 'Wie Gij hun zonden kwijtscheldt, die zijn ze kwijtgescholden...' (20, 23) nadrukkelijk en uitslui­tend op de doop toe, die hij als het enige sacrament beschouwt waarmee de zonden worden kwijtgescholden (Ep. 37, 31).

Volgens de kennis die uit de Nieuwe Openbaring kan worden opgedaan was een andere stand van zaken dan degene die door de voornoemde leiders van de kerk wordt geschilderd, volkomen ondenkbaar. De apostelen ontvingen na­melijk van Jezus zeer uitvoerige en duidelijke informatie ten aanzien van de vergiffenis der zonden. Hoe zorgvuldig de apostelen bij hun desbetreffende vragen aan de Heer te werk gingen, blijkt uit het volgende. Zo zei Petrus onder meer: 'Wat Gij, Heer, uitspreekt, dat is waar voor de gehele eeuwigheid, en wij willen alles heel precies weten en begrijpen wat er uit Uw mond komt.' (Gr V 259,5)

Dan treedt Petrus wat meer in details en spreekt: 'Er bestaat bij de joden een oud gebruik, volgens hetwelk zij een priester een bekentenis moeten doen, opdat hij hun zonden en ook hun goede werken moge weten, deze tegen elkaar kan afwegen en met elkaar kan vergelijken, om vervolgens de boetedoening en de reinigingsoffers ter verzoening van de zonden vast te leggen. De mens nu, die een priester een bekentenis heeft gedaan en vervolgens ook datgene heeft gedaan en uitgevoerd wat de priester hem heeft opgelegd, beschouwt zich dan als volkomen gereinigd en voor God gerechtvaardigd; doch wanneer men hem nader beschouwt, dan is en blijft hij na een zodanige reiniging geheel dezelfde onverbeterde mens en begaat tot zijn volgende bekentenis niet alleen de oude zonden opnieuw, doch dikwijls nog enkele nieuwe zonden meer. En daaruit blijkt duidelijk dat dit oude reinigingsgebruik de mens niet alleen niet beter, doch vaak alleen nog maar slechter maakt dan hij vroeger was. Maar men trachtte tegen deze oude dwaasheid op te treden en te leren, en men zal op de vlucht moeten_slaan wanneer men niet wil worden gestenigd! - Wat ech­ter zegt Gij, 0 Heer en Meester, hierover?' (Gr VIII 42, 12-13)

Hierop krijgt Petrus van de Heer het volgende ten antwoord:

'Wat de door u genoemde bekentenis der zonden ten overstaan van een pries­ter betreft, is deze op de wijze waarop zij thans bestaat, slecht en aldus verwer­pelijk, omdat zij de mensen niet beter maakt doch hen slechts tot aan hun ein­de in hun zonden doet volharden. Doch Ik ben er ook niet tegen gekant dat een zwakke en zielszieke mens te goeder trouw aan een sterkere en psychisch ge­zonde mens zijn zwakheden en gebreken bekent, omdat dan de gezonde en lichtsterke mens hem vanuit zijn ware naastenliefde gemakkelijk de ware mid­delen ter hand kan stellen waardoor de ziel van deze zwakke naaste sterker en gezond kan worden. Want op deze wijze wordt dan een mens voor de ander een echte zieleheiland. Ik maak dat echter niet tot wet doch geef u daarmede slechts een goede raad; en wat Ik doe, doet gij dat ook, en onderwijst allen in de waarheid!' (Gr VIII 43, 3) 'Doch laat ieder zijn vrije wil en onderwerpt nie­mand aan dwang, want gij weet thans dat iedere morele dwang volledig tegen Mijn eeuwige orde indruist! Wat Ik niet doe, dat zult ook gij niet doen!' (Gr VIII 43, 7)

'Ik heb u, in het bijzonder Mijn eerste discipelen, ook eens gezegd dat gij die­genen die aan u een zonde hebben begaan hun zonden kunt vergeven, en aan wie gij ze hier op aarde vergeven zult, hun zullen ze ook in de hemel worden vergeven; wanneer gij echter wegens overduidelijke onverbeterlijkheid ge­gronde reden hebt om hun de zonden die zij tegen u hebben begaan toe te rekenen, dan zullen zij hun ook in de hemel worden toegerekend. Wij hebben echter destijds reeds afgesproken dat gij pas dan het recht zult hebben om de zondaars hun zonden ten opzichte van u toe te rekenen, wanneer gij hun tevo­ren reeds zeven maal zevenenzeventig maal hebt vergeven. Zoals gij echter als Mijn naaste discipelen pas op de voornoemde wijze door Mij het recht hebt verkregen om slechts de zondaars tegen u hun zonden toe te rekenen of ook wel te vergeven, zo is het natuurlijk duidelijk dat geen priester ooit van Gods zijde het recht zou kunnen hebben om ook vreemde zonden te vergeven dan wel niet kwijt te schelden.' (Gr VIII 43, 12-14)

Deze woorden van de Heer aan de apostelen waren in het begin van de derde eeuw nog bekend en kwamen in de literatuur van die tijd tot uiting. Zo ver­klaart Tertullianus (ca. 220 n. Chr.): 'De macht om te kluisteren en los te ma­ken is alleen Petrus persoonlijk gegeven.' (De pudicitia 21, 101)

In de Nieuwe Openbaring wordt uitdrukkelijk naar Mt 18, 18 ('. . . wat Gij op aarde bindt.. .') en Joh 20, 23 ('Wie Gij hun zonden kwijtscheldt.. .') verwezen en verklaard dat de verzen van het evangelie 'geenszins de zonden vergevende macht van de zijde van een priester bedoelt, doch de wederzijdse menselijke en broederlijke plicht dat de één de ander zijn schuld dient te vergeven'.

'Wanneer de mensen elkaar wederzijds alles vergeven, dan wordt hun ook door Mij alles vergeven. Wanneer zij elkaar echter wederzijds hun schulden toerekenen, dan zal Ik ze hun ook toerekenen. Dat is de eigenlijke betekenis van deze lange tijd sterk miskende en al evenzeer sterk misbruikte passage.' (Hi II, blz. 182)

Er wordt ook op gewezen dat er in het Onze Vader staat: 'Vergeef ons onze schuld, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren', en niet 'Vergeef ons onze schuld, gelijk onze priesters ons deze vergeven' (Hi II 182, 3).

'Wanneer Jacobus vanuit Mijn geest een wederzijds bekennen van de zonden aanbeveelt (Brief van Jacobus 5, Egg.), dan moet daaronder nog lang geen biecht worden verstaan, doch slechts een wederzijdse vertrouwelijke medede­ling aangaande eigen gebreken en zwakheden, om daarvoor van de sterkere vriend en broeder een goed sterkend tegenmiddel in de geest en in de waarheid te krijgen.' 'Daar is dus geen sprake van een biecht.' (EM, hoofdst. 71)

'Het beste middel tot kwijtschelding van de zonden echter is de zonden niet meer te begaan, de begane zonden echter waarachtig te berouwen, daarvoor de armen uit liefde tot Mij aalmoezen te geven en al zijn vijanden van harte te vergeven en voor hen in de geest en in de waarheid te bidden. Want wanneer iemand berouwt dat hij gezondigd heeft, dan berouw Ik ook dat Ik hem daar­voor moet straffen. - De aalmoes echter bedekt toch al de meeste zonden. ­En hem die vergeeft zal ook vergeven worden, ook al had hij zonden begaan gelijk zand in de zee en het gras op de aarde. Dat zijn derhalve de enige midde­len waardoor iedere zondaar zonder enige biecht vergiffenis van zijn zonden kan verkrijgen, en een andere methode bestaat er niet.' (Hi II, blz. 321 e.v.)

In de monnikenkloosters van het Oosten werd het op initiatief van de H. Basi­lius, de vader van de monniken, rond 350 gebruikelijk dat de monniken (die leken waren) elkaar 's avonds wederzijds de zonden bekenden die zij die dag hadden begaan. Nauwelijks was dit buiten de kloostermuren ruchtbaar gewor­den, of deze oefening werd door vrouwen geïmiteerd. Toen de kerk ontdekte dat sommige mensen hier behoefte aan hadden, benoemde zij in iedere stad één boetepriester, aan wie men zijn zonden kon toevertrouwen. Men was aan­vankelijk nog niet op het idee gekomen om de zonden kwijt te schelden. De priester beperkte zich tot geestelijke opbeuring.

Naar uit de aantekeningen van de kerkleraar H. Hiëronymus blijkt werd dat echter al heel spoedig anders. Hiëronymus ( 419) schrijft: '... de priesters mati­gen zich iets van de hoogmoed van de Farizeeën aan, doordat zij de onschuldi­gen verdoemen dan wel de schuldigen menen vrij te spreken. God vraagt ech­ter niet naar het oordeel van de priester doch naar het leven van de schuldige.' (Hiëronymus in Matth. 16, 19 T VII 1. p. 124 ed. Valarsi)

Dat er slechts zelden gebruik werd gemaakt van de vrijwillige biecht bericht de H. Chrysostomus, patriarch van Constantinopel ( 407): 'Velen, zo zie ik, ont­vangen het lichaam van Christus zonder meer, en als het zo uitkomt, meer uit gewoonte en om het gebod van de kerk na te volgen dan met beraad en over­leg. . . en ook al zijn zij met duizend zonden belast, toch nemen zij deel aan de sacramenten.' (Chrys. Hom. 3 in Eph. 1,21-23 ed Migne 1 c. 62, 64 ss) Voorts zegt hij: 'Ik zeg u niet: ga aan het schandblok staan, klaag uzelve ten overstaan van anderen aan, doch ik raad u de uitspraak van de profeten te gehoorzamen: "Onthul de Heer uw weg." Voor God de rechter moet gij in het gebed uw zonden bekennen, zoals niet met de lippen, dan toch met de herinnering.' (31 Homilie bij de Brief aan de Hebreeën C 3)

Deze mededelingen zijn zo overduidelijk dat ook katholieke auteurs moeten toegeven: 'Vinden wij bij de H. Chrysostomus een duidelijk teken voor de privé-biecht? Wij aarzelen niet om deze vraag te ontkennen. '60

Net zo bevestigt Fimilianus, bisschop van Caesarea, in Eph. 75 Cypr. dat er geen biecht en vergiffenis der zonden bestaat. Verhelderend zijn ook de uit­eenzettingen van de katholieke theoloog Van der Meer ten aanzien van de toestanden die in dit opzicht ten tijde van Augustinus in Afrika heersten. In zijn geschrift Augustinus der Seelsorger (Imprimatur 1946) constateert hij: 'Wie niet in het openbaar aanstoot gaf, "biechtte" zijn gehele leven slechts bij God in het gebed. '61

Wat er met het oog op al deze getuigenissen van de voorconciliaire bewerin­gen, zoals bijvoorbeeld de onderstaande, te denken is spreekt vanzelf. 'In feite behoorde ook de biecht tot de openbare boetedoening.' (Lexikon des kath. Lebens, uitgegeven door Aartsbisschop Rauch, Freiburg LB. 1952)

Pas omstreeks de eeuwwisseling van de vierde en de vijfde eeuw zijn volgens de algemene opvatting de eerste sporen van een persoonlijke mondelinge biecht aan te treffen. Sommige auteurs geloven dat Ierse monniken de biecht vanaf de zesde eeuw op het continent hebben ingevoerd, waarbij zij nauwe­lijks weerstand ontmoetten omdat er geen enkele dwang werd uitgeoefend. Eeuwenlang bleef het daarbij.

Dat werd echter plotseling anders, toen de hoogmoedige en heerszuchtige paus Innocentius III de troon in een tijd besteeg waarin de kerk het hoogte­punt van haar macht had bereikt. De beweging van de sekte van de Katharen ­die reeds 50 à 80% van de gelovigen in zijn ban had gekregen - dreigde de kerk te vernietigen. Aangezien echter alle vorsten aan de zijde van de kerk stonden - wat bij de Reformatie niet het geval was - werden de bolwerken van de Ka­tharen in een twintig jaar durende oorlog veroverd en sommige gebieden ­zoals Zuid-Frankrijk - in verschroeide aarde veranderd. Om in de toekomst iedere dusdanige beweging reeds in de kiem te smoren beval Innocentius III op het Vierde Lateraanse concilie in 1215 dat van nu af aan iedereen één keer per jaar moest biechten. Aangezien het hem daarbij om heel iets anders ging dan om de gebruikelijke vergiffenis der zonden breidde hij de instelling van de biecht tot een controle-instrument uit. Hij schreef voor dat de biechtvader de biechtelingen naar hun religieuze opvattingen moesten uithoren; en om in ge­val van een verdenking consequenties te kunnen trekken bepaalde hij dat een ieder alleen maar bij zijn plaatselijke priester mocht biechten.

Deze bepaling werd pas in de vorige eeuw geleidelijk aan opgeheven. Sinds het Vierde Lateraanse concilie luidt nu de uitdrukking waarmee de absolutie wordt verleend: 'Uit hoofde van mijn ambt en van de mij door God toever­trouwde macht tot ketenen en losmaken spreek ik de hier tegenwoordige die­naar van God van alle zonden vrij .'62

Het nakomen van de biechtplicht werd in de middeleeuwen streng gecontro­leerd. Henne by Rhyn bericht dat overtredingen van de biechtplicht met lijf­straffen werden bestraft. 63

Hoe Jezus over zulke dwang van de zielen in verband met de vergiffenis der zonden dacht, heeft Hij Zijn apostelen duidelijk gezegd, en Lorber vernam het letterlijk:

'Welk kwade uitwerking dwang uitoefenende wetten op de vrijheidslievende ziel hebben, heb Ik u meer dan voldoende aangetoond, evenals de onvermij­delijke gevolgen daarvan, en zo zij dan ook bij u alles slechts een vrije hande­ling van de waarachtige en zuivere liefde, en nimmer van een gebiedende dwang. Slechts daaraan zal men Mijn echte discipelen herkennen, dat zij onder elkaar uitsluitend de vrije wet der liefde naleven en elkaar wederzijds liefheb­ben gelijk Ik nu u liefheb.' (Gr VIII 40, 24)

Daarentegen wordt tegen een vrijwillige biecht, wanneer daar behoefte aan bestaat, geen bezwaar aangetekend. Principieel geldt echter ook in zulke ge­vallen: 'Weest geen zonden vergevende plaatsvervangers van God doch slechts helpende broeders en vrienden van de aan lichaam en ziel lijdende me­demensen.' (Gr VIII 194, 7)

In de loop der tijden werd de biecht een zeer belangrijk machtsmiddel. Een relaas van de manier waarop de biecht voor politieke doeleinden werd mis­bruikt alsook van de met de biechtdiscipline vooral in de zeventiende en acht­tiende eeuw opgekomen penitentie-oefeningen voor vrouwen en de talrijke daarmee samenhangende rechtsnotoire schandalen wordt niet gegeven omdat de toestanden in die tijden velen toch niet geloofwaardig zouden toeschijnen.

De opbouwen de ontwikkeling van de instelling van het biechten brachten ook met zich mede dat men zich intensief met de morele casuïstiek ging bezighou­den. Het aantal zonden waarvoor de kerk zich in de eerste eeuwen interesseer­de was - naar is bericht - gering; alleen in het openbaar bekende doodzonden zoals moord, afval van het geloof en echtbreuk werden vervolgd. In de loop der tijden werden lijsten van zonden samengesteld, en het aantal zonden nam voortdurend toe, tot uiteindelijk in de achttiende eeuw het zondenregister tot 17348 zonden was uitgebreid. 64 Daarentegen zijn in onze tijd in officiële ker­kelijke bladen weer bisschoppelijke verklaringen in de volgende geest te le­zen: 'Op grond van nieuwe kennis die de theologie en de menselijke weten­schappen hebben opgedaan moet het begrip van de doodzonde opnieuw wor­den overdacht.'65 (!)

De scholastici, met name de kroontheoloog Thomas van Aquino, op wiens opvattingen de kerk overigens wel placht te steunen, lieten er voor niemand enige twijfel over bestaan dat de invoering van de biecht niet van Jezus afkom­stig is. Thomas v.A. brengt in Summa theol. lIl. 9. 6. a 3, Peter de Lombardijn in Sentarium Lib. IV. Dist. 17 en Laurentius in Dist. V duidelijk naar voren dat de biecht niet op goddelijke autoriteit doch op een gebruik berust. Geen enkel van de vroege concilies, die steeds naar datgene verwezen wat zede en gebruik was, vermeldt de biecht.

Nadat tot aan het concilie in het jaar 1215 honderden miljoenen katholieken zalig waren geworden zonder dat zij ooit hadden gebiecht beweert de katho­lieke kerk sedertdien tot op heden in strijd met de uitspraken van de kerklera­ren van de oudheid en van de middeleeuwse theologen dat 'het bekennen van de zware zonden in de biecht een voor het heil noodzakelijke kracht van een goddelijk bevel is' (Denz. 574 a, 670, 699) 66.

Sinds het concilie wagen echter toch ook katholieke theologen de dingen bij de naam te noemen: 'De motivering van de plicht tot biechten was nog lange tijd erg wankel (bijvoorbeeld aan de hand van het Oude Testament of Jacobus 5) en in ieder geval lang niet altijd het "ex institutione sacrament" van het Tri­dentinum. Bij enkele canonisten, zoals in de Glossa ordinaria te Gratian en bij Nicolaas de Tudeschis, steunt de biechtplicht zelfs uitsluitend op het voor­schrift van de kerk.' (Herders theol. Taschenlexikon, 1972, blz. 367)

Er is een reden voor dat er in de synode-enquête van de bisschoppen en tijdens de synode in Würzburg over de werkelijk existentiële en voor kritiek vatbare geloofskwesties niet mocht worden gediscussieerd. De verdraaiing van Jezus' woorden ten aanzien van de vergiffenis der zonden wordt door de volgende constatering van Walter Nigg bevestigd: 'De kerk heeft het evangelie in een systeem geperst dat haar goed uitkwam en zij heeft zich in het geheel niet over­eenkomstig de aanwijzingen gedragen.'67

De gedwongen invoering van de biecht tot vergiffenis van de zonden en de daarop volgende aflaatleer van de vergiffenis van de straf voor zonden in het vagevuur tegen betaling van klinkende munt alsook de tot op heden bestaande instelling van betaalde zielemissen staan in een causaal-adequaat verband. De volledig anders luidende aanwijzing van Jezus, die in de oudheid, naar reeds is aangetoond, zeer goed bekend was, werd in de middeleeuwen in dienst van materiële kerkelijke doeleinden gesteld. Deze zonde tegen de Heilige Geest zal nog gevolgen hebben, naar uit de Nieuwe Openbaring blijkt. Daar zegt Jezus het volgende: 'Het zal in latere tijden helaas geschieden dat de bekente­nissen der zonden ten overstaan van de valse profeten in Mijn naam nog meer schering en inslag worden dan zij het ooit ten tijde van de Farizeeën en aartsjo­den zijn geweest, en dat zal de val en de veroordeling van de valse profeten in Mijn naam tot gevolg hebben. Want dezen zullen de mensen alsook de heide­nen zeggen dat zij alleen het hun door God gegeven recht hebben om alle zon­daars hun zonden kwijt te schelden dan wel toe te rekenen; wanneer dat zal geschieden, dan zal spoedig de tijd aanbreken waarin het grote oordeel over het nieuwe heidendom geveld zal worden.' (Gr VIII 43, 10-11)

'Het verleden van de onwaarachtigheid heeft voor het heden geen toekomst meer, doch het blijft haar eigen verleden. '68 Deze uitspraak van Hans Küng heeft een diepe betekenis. In een later volgend hoofdstuk zal op deze in Küngs woorden te vinden problematiek nog uitvoerig worden ingegaan. De in dit ver­band in de Nieuwe Openbaring voorkomende veelvuldige uitspraken over de katholieke kerk en haar verder lot zijn van grote actualiteit en betekenis. Ette­lijke van de daar gedane profetieën betreffende de katholieke kerk zijn reeds op frappante wijze bewaarheid.

 

 

DEEL IV

 

Jezus' verblijf op aarde. Verhelderende aanvullende verkondigingen van de Nieuwe Openbaring ten aanzien van het evangelie

 

De tijd dat liberale theologen en andere critici beweerden dat Jezus helemaal niet heeft bestaan, behoort allang tot het verleden. Heden ten dage ontkent vrijwel geen enkele wetenschapper het bestaan van Jezus. Ook Rudolf Bult­mann, die vrijwel het gehele evangelie heeft ontmythologiseerd, geeft toe: 'De twijfel of Jezus werkelijk heeft bestaan is ongegrond en geen weerleggend woord waard.' 1

Toen de heidense filosoof Celsus in de tweede eeuw n. Chr. het Christendom in zijn geschriften bestreed voerde hij alle mogelijke argumenten aan, doch dat Jezus niet zou hebben geleefd beweerde hij niet, wat voor de hand zou hebben gelegen, wanneer hij er op enige wijze aan had getwijfeld.

De research betreffend Jezus' leven die in de laatste tweehonderd jaar heeft plaatsgevonden is gebaseerd op een wankele ondergrond. Aan de bespiegelin­gen kwam geen einde, en iedere exegeet streefde ernaar zijn eigen hypothese naar voren te brengen. In recente tijd wordt voornamelijk met de slagzin 'plaats in het leven' geschermd, d.w.z. de meeste berichten van het evangelie zouden niet van Jezus afkomstig zijn doch zouden volgens een veel verbreide mening tot het gemeentewerk behoren. De oergemeente zou Hem de uitspra­ken in de mond hebben gelegd. De door Jezus verrichte wonderen werden door het simpele rationalisme principieel niet geduld.

Met Albrecht Ritschl (+1889) was de ontkenning van alle metafysiek begon­nen, en de eenzijdige, dikwijls zelfs fanatieke vertegenwoordigers van het his­torisme erkenden bovennatuurlijke invloeden niet. De protestantse theoloog Ernst Troeltsch (+1923) verklaarde kort en bondig: 'Er bestaat niets bovenna­tuurlijks boven deze wereld waarin wij leven.'2 Een leerling van Ritschl, de kerkhistoricus Adolf Harnack, wiens boeken in grote oplage werden ver­kocht, verklaarde dat Jezus niet in het evangelie thuishoorde doch het alleen maar verkondigde. 3

In de daaropvolgende tijd werd Jezus' persoonlijkheid vrijwel onherkenbaar 'gemoderniseerd'. Nadat van het evangelie slechts onbetekenende resten wa­ren overgebleven werd paradoxaal genoeg beweerd dat men de Christenen 'een belangrijke levenshulp had gegeven.'4

Met de Nieuwe Openbaring beschikken wij thans over een betrouwbare grondslag om de werkelijke uitspraken en de daden van Jezus te leren kennen. Wanneer men deze verkondigingen, die niet van een menselijk verstand af­komstig zijn, met de veelvuldige en elkaar tegensprekende meningen van de critici vergelijkt, dan moet men wel tot de conclusie komen dat door kritisch denken op hoog niveau zelden een inzicht kan worden verkregen in de gebeur­tenissen van Jezus' geboorte tot aan Zijn dood, die met de werkelijkheid over­eenkomen. Men kan kardinaal Augustin Bea alleen maar gelijk geven wan­neer hij schrijft: 'Geestelijke dingen mogen niet als materiële worden behan­deld. De noodlottige gevolgen van overhaaste conclusies komen in de "ont­mythologisering" duidelijk tot uiting.'5

Alle onderzoekers zijn het erover eens dat aan de hand van het evangelie de wegen die Jezus in chronologische volgorde heeft afgelegd, niet kunnen wor­den nagetrokken. Ook over de tijdsduur van de periode tijdens welke Jezus in het openbaar onderwees zijn de meningen verdeeld. Reeds in de oudheid ga­ven Origenes, Eusebius en Hiëronymus volledig verschillende tijdsbestekken aan. De katholieke auteur Daniel-Rops brengt ook nu weer - net als vele an­deren - de vraag naar voren: 'Hoe lang duurde Jezus' actieve periode? Hoe merkwaardig dit mag schijnen, dat is een punt waarover bij de geschiedschrijving grote verlegenheid bestaat. Over de duur van de omzwervingen vermel­den de evangelisten niets. De gegevens van het evangelie naar Johannes, die over het algemeen veel exacter zijn, zijn desondanks niet toereikend om alle hypothesen aan de hand van zijn tekst uit te schakelen. '6

Door de verkondigingen van de Nieuwe Openbaring wordt alle twijfel nu uit de weg geruimd. Jezus had Zijn discipelen voorspeld dat de tijd zou komen 'dat datgene wat wij hier thans bespreken na meer dan duizend jaar van woord tot woord zal worden vernomen en opgetekend, zodanig als geschiedde dit alles voor de ogen van diegenen die welhaast 2000 jaar na ons de aarde zullen betreden.' (Gr III 15, 6)

Inderdaad worden in het omvangrijke oeuvre de gebeurtenissen, de toespra­ken van Jezus en de gesprekken met een exactheid weergegeven die geestelijk beschouwd gelijkstaat met het afspoelen van een film.

Hierbij moeten wij ons ertoe beperken die verkondigingen weer te geven die aanvullingen op de uitspraken van het evangelie vormen. Zij ronden de be­richten van het evangelie af en leveren pas daardoor een beeld van Jezus' on­derwijs en werken dat vol leven is, met de werkelijkheid overeenkomt en vooral betrouwbaar is.

Over de geboortegeschiedenis en de eerste jaren van Jezus' leven bericht het deel Die Jugend Jesu. De geboorte geschiedenis toont opnieuw aan dat zowel Lucas' als Mattheüs' gegevens niet betrouwbaar zijn. De NO bevestigt echter dat Maria van de Heilige Geest heeft ontvangen. 'Maria gevoelde een lichte etherzucht, en een zachte stem sprak tot haar: "Maria, wees niet vergeefs be­zorgd, Gij hebt ontvangen, en de Heer is met u".' (Jug 4, 14) Maria was des­tijds 14 jaar oud.

'Zij baarde een zoon zonder dat zij de samenleving met een man had beleefd.' (Pr 41) 'Zij begreep niet en kon niet begrijpen wat er bij haar ontvangenis, bij de geboorte en daarna geschiedde, want zij handelde slechts overeenkomstig de opdracht van een hogere invloed en gedroeg zich daarbij meer passief dan actief, als vrouwen moeder slechts haar gevoelens volgend, die haar aan haar zuigeling bonden.' (Pr 41)

'Zo begreep ook Maria, Mijn lijfelijke moeder, Mijn woorden niet, toen Ik op haar liefdevolle verwijten vanwege de lange tijd die zij Mij had moeten zoeken antwoordde: "Weet Gij niet dat Ik moet zijn in dat wat Mijns Vaders is?" Jozef en Maria begrepen niet wat Mijns Vaders was; zij hingen zelf nog teveel aan de joodse cultus en geloofden dat de hele godsdienst uit het naleven van de gebruiken bestond. Zij kenden Mij niet - en Mijn Vader nog minder; want voor hen bestond er slechts één ondeelbare God. Daarom zou, ook al hadden zij Mijn goddelijk Ik beseft, toch dit tweevoudige wezen, Ik en de Heer - of Zoon en Vader - voor hen niet te bevatten zijn geweest.' (Pr 48)

'Dat uit haar zoon iets buitengewoons zou kunnen worden, was voor haar denkbaar - omdat ook de ontvangenis, de geboorte enz. al met zulke buitenge­wone verschijnselen gepaard waren gegaan -, doch dat zij een God als mens onder haar hart had gedragen en de verwachte Messias, de geestelijke her­schepper niet alleen van haar volk doch van de gehele mensheid, dat waren begrippen die haar verstand te boven gingen. Zij heeft Mij nog bij Mijn dood aan het kruis niet als God doch slechts als mens, als haar zoon beweend; pas door de opstanding werd zij, gelijk ook Mijn apostelen, in datgene bevestigd wat Ik hun dikwijls had gezegd.' (Pr 42)

'Ik zelf heb het haar en Mijn apostelen al vaak voorspeld wat Mij te wachten stond en hoe Ik de dood en de hel zou overwinnen; doch waar is de overtuiging - vooral in die tijden van profeten en wonderdoende Essenen - dat Ik, een mens met vlees en beenderen gelijk zij, die eet en drinkt, een God, en wel de heer van alle heerscharen zou zijn, die in menselijke vorm, beginnend bij het onmondige kind, aan het kruis-in die tijd het teken van schande en ontering­ zou eindigen!' (Pr 42)

Daarom waren Jozef en Maria verwonderd. 'Zij begrepen niet wie degene is die gekomen is ter val en opstanding van de joden.' (Pr 42)

Kort vóór Maria's bevalling vaardigde de Romeinse keizer Augustus een bevel uit 'volgens hetwelk alle volkeren van zijn rijk geregistreerd en geteld alsook met het oog op de belasting en de recrutering geclassificeerd moesten worden' (Jug 12, 3). 'De Romeinse volkstellingscommissie zetelde in Bethlehem.' (Jug 12,4)

Over het tijdstip van de volkstelling, de zogeheten census, bestaat ook heden ten dage nog geen volledige zekerheid. Doch door de gevonden inscriptie van Augustus in Ancyra (Ankara), die een overzicht van zijn daden geeft, weten wij thans dat Augustus inderdaad in het jaar 746 (8 v. Chr.) een volkstelling heeft bevolen. 7 Jezus is niet in het jaar geboren dat onze tijdsrekening aan­geeft doch reeds zeven jaar eerder.

De fout die onze tijdsrekening bevat heeft de volgende reden. In het jaar 525 n. Chr. gaf Paus Johannes I aan de abt Dionysius Exiguüs de opdracht vast te stellen hoeveel jaar sedert Christus' geboorte waren verstreken, omdat hij de tijdsrekening opnieuw wilde vastleggen. Als uitgangspunt moest het geboorte­jaar van Christus genomen worden en niet meer de datum van de stichting van de stad Rome, zoals tot dusverre was geschied.

Door de wetenschappelijke onderzoekingswerkzaamheden weten wij thans uit betrouwbare bron dat de abt bij zijn werk ettelijke fouten heeft gemaakt, waarop wij hier niet nader willen ingaan.

Verder is in het evangelie vermeld dat de volkstelling voor het eerst plaatsvond toen 'Cyrinus het bewind over Syrië voerde' (Lc 2,2). Deze mededeling kon tot dusver nog niet met de geschiedenis in overeenstemming worden gebracht, omdat de stadhouder Cyrinus (schrijfwijze van de Heilige Schrift, in de ge­schiedeniswerken Sulpicius Quirinius en in de NO Cyrenius Quirinus (Jug 160 en 255) genoemd) pas in het jaar 6 na Christus stadhouder van Syrië werd. Inmiddels heeft de wetenschap nieuwe resultaten van onderzoekingen ge­openbaard. Cyrenius was namelijk geenszins alleen maar stadhouder van Sy­rië doch had een veel hogere rang. Ethelbert Stauffer stelt vast dat hij 'genera­lissimus en vice-keizer voor het Oosten' was. Jakob Lorber bericht exact het­zelfde in de NO. Volgens de NO was hij 'opperstadhouder van Azië, Egypte en gedeelten van Afrika' (Jug, Hoofdst. 47 en 101). Daar wordt ook uitdruk­kelijk opgemerkt dat hij in deze hoge positie de titel van vice-keizer bezat. Hij ondertekende zijn bevelen als volgt: 'In de naam des keizers, diens opperste plaatsvervanger in Azië en Egypte en in het bijzonder (!) landvoogd in Seleus­syrië, Tyrus en Sidon. Cyrenius vice Augusti.' (Jug 47,14) Daaruit blijkt dui­delijk dat hij in het bijzonder stadhouder van Syrië was, en slechts daarnaar verwees de evangelist Lucas.

Rome heeft, schrijft E. Stauffer, 'steeds weer een vice-keizer voor het Oosten benoemd.'8 Verder kan worden aangetoond dat Cyrenius in zijn hoedanigheid van 'Generalissimus oost' aan stadhouders het bevel gaf om volkstellingen te houden. 9

Zo wordt ook in dit geval dat wat Jakob Lorber meer dan honderd jaar geleden van de stem in zijn binnenste heeft vernomen, door de research van de laatste tijd als juist bevestigd.

Wellicht hebben de reeds door David Friedrich Straus in zijn geschrift Leben Jesu (1835) en ook door latere schrijvers naar voren gebrachte, schijnbaar overtuigende argumenten voor de onjuiste berichtgeving over dit historische feit in het evangelie een groot aantal lezers geïmponeerd. Vergissingen en schijnargumenten zijn immers altijd al kritiekloos als definitieve wetenschap­pelijke kennis beschouwd. Stauffer merkt treffend op dat Strauss 'over de taak die Quirinius (= Cyrenius, Egg.) als opperbevelhebber had een vrij primitief idee had, die grondig dient te worden gecorrigeerd' (Jesus, blz. 32)

Volgens de Nieuwe Openbaring was Cyrenius ten tijde van Jezus' geboorte vice-keizer in het Oosten, en door hem kreeg Jozef, die hem een aanbevelings­schrijven van een hoge officier ter hand kon stellen, waardevolle hulp bij zijn vlucht. Critici, die Jezus niet als Gods Zoon beschouwen, zullen bovennatuur­lijke invloeden in Jezus' leven, en vooral bij de gevaren in de eerste tijd na de geboorte, niet laten gelden. Diegenen die aan Gods menswording geloven echter zullen de veelvuldige wonderbaarlijke hulp, die Jozef en het kind in de eerste jaren in schijnbaar uitzichtloze situaties hebben ontvangen, geenszins als merkwaardig beschouwen. Het zou juist verwonderlijk zijn wanneer Gods zichtbare bijstand zich in dit geval niet had gemanifesteerd.

Jozef en zijn zonen (uit zijn eerste huwelijk) moesten zich naar Bethlehem begeven, de standplaats van het registratie-ambt. Hij wilde Maria niet alleen achterlaten. Daarom besloot hij haar ondanks de op handen zijnde bevalling mee te nemen. Op een ossenkar, waarmee Jozef stammen voor te bouwen hui­zen uit het bos haalde, werden alle benodigdheden voor de reis geladen. Maria zat op een zadel, dat op een ezel was bevestigd.

Maria is niet in een herberg gevallen (Lc 2) en evenmin in een huis (Mt 2, 10) doch kon vlakbij Bethlehem niet meer verder rijden oflopen. Op haar verzoek zochten zij toen een grote grot op, die als toevluchtsoord voor het vee diende. E. Hirsch zegt geheel juist dat het feit dat men ondanks de door Lucas vermel­de herberg de geboorte later naar een grot buiten het stadje verplaatste, waar­over in het evangelie niet wordt gerept, een 'doorbraak naar het oorspronke­lijke' is.10

De ster die de drie wijzen uit het Oosten volgden, was geen vaste ster en ook geen komeet en had, naar Stauffer 11 gelooft, al evenmin iets met de in het jaar 7 v. Chr. opvallende en uiterst zelden voorkomende sterrenconstellatie te ma­ken. De wijzen hebben wel 'de uiterst merkwaardige posities van de sterren' opgemerkt (Gr VI 38,8), doch bovendien nog 'een ster van bijzondere groot­te, die naar het Westen toe een lange staart had' (Gr VI 38,8). Deze ster 'stond zeer laag, en zijn licht was bijna zo sterk als het daglicht' (Jug 29, 25)

Jezus' geboorte moet eind december of begin januari hebben plaatsgevonden, omdat er over 'in deze kortste tijd van de dag' en over 'rijp op de akkers' wordt gesproken (Jug 25, 11 en 12).

De vlucht naar Egypte geschiedde niet - zoals men steeds aanneemt - over land. De weg door de woestijn zou voor Maria en het pasgeboren kind een grote vermoeienis zijn geweest, die zij wellicht niet zouden hebben overleefd. Ook Jozef was destijds al even boven de zeventig. Bovendien kon Jozef ervan uitgaan dat Herodes de grenswachters door boden te paard had verwittigd dat een gezin met een pasgeboren kind moest worden gearresteerd. Om die reden reisde hij in noordelijke richting, ging echter om Nazareth heen en ging in Ty­rus aan boord van een schip dat naar Egypte voer. De NO bericht dat hij zich in Ostrazine in Egypte vestigde. Er bestaan bewijzen voor dat die stad destijds bestond. Jozefus Flavius bericht in zijn geschrift De joodse oorlog dat de Ro­meinse veldheer Titus, die in het jaar 70 n. Chr. Jeruzalem veroverde, zijn legioenen vanuit Egypte naar Palestina leidde en op zijn weg met zijn troepen 'in de nabijheid van Ostrazine overnachtte '12.

In Pauly's Realencyklopädie der klassischen Altertumswissenschaft, Deel 18/2 ex 1942 blad 1673/74, wordt Ostrazine (Grieks = OCT-PAKINH) als volgt vermeld (vlgs. Ptol. Geogr. IV. S, 6 M): 'Vroeger belangrijke plaats aan de noordgrens van Egypte'. 'Op de Romeinse mozaïekkaart van Madeba is Ostrazine naast andere bekende plaatsen in deze streek vermeld.' 'Vergelijk Plinius n. h. V. 68 n 'Ostracine Arabia finitur'. 'De documenten bevinden zich in de Rijksuniversiteit te Leiden. 13

Jozef werkte, zolang hij in Nazareth was, met zijn zonen hoofdzakelijk als aan­nemer, doch vervaardigde tevens 'ploegen, jukken, stoelen, tafels, bedden e.d.' (Jug 294,2) De kerkvader Justinus (140 n. Chr.) bericht in Dialoog 88 dat Jezus (en zijn pleegvader Jozef) landbouwwerktuigen, zoals ploegen en juk­ken, vervaardigde. E. Hirsch maakt daaruit op dat het juister zou zijn het woord 'wagenmaker' in plaats van 'timmerman' te gebruiken.14

Dat is, naar door de NO wordt verduidelijkt, niet juist. Daar wordt uiteenge­zet dat Jozef in de eerste plaats aannemer was en in die hoedanigheid 'in het gehele land tot Jeruzalem en Tyrus bekend was en gewaardeerd werd'. Tijdens het verblijf in Ostrazine werkte Maria, om de kost voor het gezin te verdienen, enkele uren per dag als taallerares. In de tempelschool had zij Latijn en Grieks geleerd, en klaarblijkelijk gaf zij kinderen in deze talen les of bijles (Jug 163, 19). De vijf tienjarige zoon van Jozef, Jacobus, paste jarenlang op het kleine kind Jezus. Later schreef hij het evangelie naar Jacobus en leidde na Jezus' dood de oergemeente in Jeruzalem tot aan zijn marteldood.

Na een verblijf van drie jaar in Egypte keerde Jozef terug naar Nazareth. Hij trok weer in zijn bescheiden huurwoning, die even buiten Nazareth op een heuvel lag.

Nazareth lag niet op de plaats die tegenwoordig wordt aangegeven. Aangezien Palestina na de tweede opstand tegen de Romeinen in 132-133 in verschroeide aarde werd veranderd, was het volledig verlaten. De bewoners waren ofwel door de Romeinen gedood dan wel in gevangenschap resp. in slavernij wegge­voerd. Toen Christenen na het einde van de vervolgingen van het Christen­dom na tweehonderd jaar het land binnenkwamen wist niemand te zeggen waar de in de Bijbel vermelde plaatsen lagen. Men stelde deze toen willekeu­rig vast. Wij mogen ons niet tot illusies laten verleiden door de gegevens die uit historische atlassen blijken. In een handboek staat over deze kwestie te lezen: 'Wie in een platenatlas naslaat vindt alle bijbelse plaatsen exact vermeld. Er schijnen verder geen moeilijkheden en vragen te bestaan. Wanneer men deze gegevens echter met een andere atlas vergelijkt, dan blijkt dat een groot aantal plaatsen op deze kaart ergens anders liggen en dikwijls van vraagtekens zijn voorzien. Het is zeer moeilijk om werkelijk vast te stellen waar bijbelse plaat­sen lagen, omdat Palestina met ruïnes bezaaid is.'15

In overeenstemming met de historische feiten bericht de NO hierover: '. . . uit Mijn tijd is vrijwel geen plaats meer te vinden die Mijn voeten en die van Mijn apostelen hebben betreden, en dat geldt voor het gehele land der joden, welke namen de steden en dorpen ook mogen hebben.' 'Het enige wat nog min of meer op dezelfde plaats ligt is Bethlehem.' 'Van Tiberias zijn nog enkele over­blijfselen te vinden, doch van alle andere plaatsen die in Mijn tijd aan de oevers van het Meer van Galilea lagen, is geen spoor meer over.' (Gr XI blz. 229, 230/232)

Nazareth lag niet - zoals in de NO uitdrukkelijk wordt gezegd - op de plaats die men tegenwoordig aangeeft doch ten noordwesten van Kapernaüm nabij de noordgrens van Galilea in de bergen. 'Van Kapernaüm naar Nazareth is het bijna twee uren gaans', staat er letterlijk in de NO (Gr 11 37, 16). *(* Zie de kaart aan het einde van het boek.)

Dat blijkt overigens volgens de constatering van Gustaf Dalman uit een oud rabbijns document. Na de verwoesting van Jeruzalem in het jaar 70 n. Chr. werd het land Galilea in 24 priesterafdelingen onderverdeeld (1. chron. 24). In de plaatsopsomming komt de volgende opmerking voor: '... en tot aan de poorten van het land verbannen is de dienst afdeling van Nazerat. '16 'Tot aan de poorten van het land verbannen' betekent dat de stad vlakbij de grens lag, wat op Nazareth van toepassing is.

Nazareth was meer een groot dorp dan een stad. Ieder jaar vond er een markt plaats. De inwoners leefden van landbouw en veeteelt. (Gr II 37,16) De dis­tricthoofdplaats Kapérnaüm lang destijds niet aan het meer doch enkele uren daarvandaan. Jezus had Kapérnaüm reeds in Zijn jeugd, vooral bij de bede­vaarten naar Jeruzalem, leren kennen. Daarom sprak Jezus over 'Zijn stad'.

Volgens de mededelingen die de Heer in de NO doet is de streek waar Naza­reth lag door zware aardbevingen volledig veranderd.

Ten aanzien van de periode tussen Jezus' twaalfde en dertigste jaar wordt in de NO onder meer gezegd: 'Vanaf twaalfjarige leeftijd ging al het buitengewone (aan Hem) verloren, de grote verwachtingen van Zijn ouders gingen onder, en Hij bleef tot aan Zijn dertigste jaar een volkomen onopgemerkte, zeer een­voudige timmerman.' 'Hij was een man van zeer weinig woorden; op tien vra­gen kreeg men één antwoord, dat dan ook nog zeer kort uitviel.' '. . . Hij meed vrolijke, luidruchtige bijeenkomsten en hield zeer van de eenzaamheid. Het merkwaardigste van alles echter was dat men Hem hoogst zelden in een syna­goge zag en al evenmin in een school... in een gebedshuis echter heeft nie­mand Hem ooit gezien.' (Gr 11 90, 7-8)

Toen Jezus dertig jaar oud was trad Hij in het openbaar. Eerst ging Hij veertig dagen lang de woestijn in, en wel naar Bethabara, 'een uiterst armzalig ge­hucht, waar arme vissers woonden.' Bethabara lag aan de invloeiing van de Jordaan in het Meer van Galilea. 'Ook Ik bewoonde een uiterst primitieve vissershut van leem en riet, tamelijk ver in de woestijn, niet ver van de plaats waar Johannes zijn werken volbracht.' (Gr I, 8, 4)

De verzen Mt 4, 2-11, volgens welke Jezus in de woestijn veertig dagen vastte en door de duivel verzocht werd, moeten - zoals zo vele andere passages - niet letterlijk worden opgevat. De Heer zegt hierover in de NO: 'In natuurmatig opzicht is deze vertelling baarlijke onzin, want een mens kan nimmer zo lang zonder spijs en drank in leven blijven.'

'In de streek Galilea, gelijk ook Kanaän en Samaria, bestond een dergelijke woestijn in Mijn tijd helemaal niet.' 'Deze in het evangelie van de pseudo­Mattheüs beschreven vastenperiode in de woestijn is evenals vele andere za­ken een volledig verkeerd begrepen tekst.' 'De verkeerd begrepen vertelling van de werkelijke evangelist Mattheüs bevat wel enige waarheid, doch deze is allerminst van stoffelijke aard.' (Gr XI blz. 248-250)

Niet ver van de invloeiing van de Jordaan in het meer woonde Petrus. Toen zijn broeder Andreas hem over Jezus vertelde, die Andreas had aangespro­ken, sprak Petrus daarop, 'die steeds bij alles wat hij deed over de Messias fantaseerde en van mening was dat de Messias de armen zou helpen en de hardvochtige rijken van de aardbodem zou verdelgen': '... ik zal alles ogen­blikkelijk in de steek laten en Hem tot aan het einde van de wereld volgen, wanneer Hij het verlangt.' (Gr I 8, 10) Toen Jezus Petrus de volgende dag benaderde en vroeg of hij met Hem wilde meegaan, stemde deze toe. Kort daarna kwamen zij Filippus tegen, die ongetrouwd was en de pleegvader Jozef persoonlijk kende. Ook hij sloot zich onmiddellijk bij Jezus aan. Zij waren allen straatarm en hadden niet veel te verliezen. Allen hadden zij hun hoop op de Messias gevestigd, van wie zij verwachtten dat Hij de armoede uit de wereld zou helpen. Bovendien haatten zij de Romeinen uit de grond van hun hart. Toen de volgende discipel, Nathanaël, zich bij hen aansloot, sprak deze tot Jezus: 'Gij zijt zonder enige twijfel de lange tijd met ongeduld verbeide koning van Israël, die Zijn volk uit de klauwen van de vijand zal bevrijden.' (Gr I 9, 11)

Het idee van de Messias als bevrijder van de Romeinse bezetting was bij de discipelen diep geworteld. Nog nadat de discipelen drie jaar lang onderwijs van Jezus hadden gekregen, klaagde de discipel Cleofas na Jezus' dood op de weg naar Emmaüs: 'Wij leefden echter in de hoop dat Hij het was die Israel verlossen zou (van het juk der Romeinen, Egg.).' (Lc 24,21)

Jezus ging met Zijn vier discipelen eerst naar Zijn ouderlijk huis in Nazareth. Jozef was enkele maanden tevoren gestorven. 'Ook Maria en al Mijn aardse familieleden stelden zich onder de Messias nog steeds een overwinnaar van de Romeinen en van andere vijanden van het Beloofde Land voor. Ja, deze goe­de mensen hadden natuurlijk over de beloofde Messias vrijwel hetzelfde idee.' (Gr I 10, 3)

'Om deze reden schonk men dan ook in vele families zeer veel aandacht aan Mij evenals uiteraard aan al diegenen die Ik als Mijn discipelen voorstelde, en om die reden besloten ook (mijn stiefbroeder, Egg.) Jacobus en (de pleegzoon van Jozef, Egg.) Johannes Mijn discipelen te worden, teneinde dan met Mij over de volkeren van de aarde te heersen!' 'Zij hadden reeds heel wat vergeten wat Ik hun in Mijn kindertijd dikwijls en tamelijk duidelijk had voorspeld.' (Gr I 10, 5)

'Aangezien Ik dus al spoedig naar voren komende bevrijder van de Romeinse onderdrukking in bijna alle huizen van enig niveau in de gehele omgeving van Nazareth, ja bijna geheel Galilea, deze reputatie had... werd Ik met Mijn dis­cipelen, Mijn moeder Maria en een groot aantal andere familieleden en ken­nissen zelfs in Kana, dat niet al te ver van Nazareth lag*,(* Er bestonden twee plaatsen met de naam Kana.) op een zeer voorname bruiloft uitgenodigd.' (Gr I 10, 6)

Uit deze verkondigingen kan men opmaken onder welke condities Jezus Zijn taak moest opnemen en welke moeite Hij moest doen om de politiek fanatieke discipelen duidelijk te maken welke plannen Hij werkelijk had. Onder deze omstandigheden was het te voorzien dat de stemming bij een groot deel van het volk al spoedig zou omslaan zodra men merkte dat Jezus in het geheel niet voornemens was een opstand tegen de Romeinen voor te bereiden.

'Zeven dagen na de bruiloft in Kana verliet Ik Nazareth en toog met Maria, Mijn vijf broeders, van wie twee tot Mijn discipelen behoorden, en met de tot op dat ogenblik opgenomen discipelen naar Kapérnaüm, een vrij belangrijke handelsstad.' (Gr I 12, 1)

Niet ver van Kapérnaüm doopte Johannes de Doper nabij Bethabara, 'zolang er voldoende water was in de vaak uitgedroogde Jordaan' (Gr I 12, 1). 'Al spoedig begon Ik de mensen te onderwijzen.' 'Sommigen geloofden Mij, doch velen namen aanstoot aan Mijn leringen, wilden de hand tegen Mij op­heffen en Mij van een berg in het meer werpen.' 'In Kapérnaüm verbleef Ik slechts korte tijd, omdat daar geen geloof en nog veel minder liefde te vinden was.' (Gr 1 13,5)

Met Pasen toog Jezus naar Jeruzalem en zuiverde daar de tempel (Joh. 2, 14­17), 'waar bijna ieder mens die de tempel bezocht het door het lawaai en de stank nauwelijks kon uithouden.' 'De grond was vol mest en afval.' (Gr 1 13,6 en 13) 'Wie door de gesel werd getroffen, voelde onmiddellijk een zeer hevige pijn die bijna niet uit te houden was, wat ook bij het vee geschiedde. Er weer­klonk een verschrikkelijk geweeklaag van mensen en dieren.' (Gr I 13, 13) Het idee van sommige onderzoekers dat deze daad voor Jezus gevolgen moet hebben gehad, is onjuist. Sommige zaken zijn geheel anders geschied dan het zich volgens de critici heeft toegedragen. Er was een gegronde reden voor dat Jezus geen moeilijkheden kreeg. Jezus had de tafels van de geldwisselaars en handelaars omvergeworpen. Het geld lag op de grond en de handelaars sloe­gen op de vlucht. De priesters en hun dienaren raapten het geld vlug van de grond op en gaven de 1000 buidels goud en zilver niet aan de eigenaars terug. Zij hadden het te druk en hadden geen tijd om Jezus ter verantwoording te roepen. (Gr I  13, 16)

'Nu kwamen bij wijze van spreken dag en nacht mensen uit alle lagen van de maatschappij uit de stad in groten getale tot Mij.' (Gr 1 17,3) 'Ook verrichtte Ik bij de armen vele wonderen, verloste de bezetenen van hun kwelgeesten, maakte de lammen weer lopend, de jichtigen recht, de melaatsen rein, de stommen sprekend en horend, de blinden ziend, en dat alles meestal slechts door het woord.' (Gr I  17, 5) Dit geschiedde echter niet in Jeruzalem doch in een plaatsje in de nabijheid van Jeruzalem. Daarom spraken enkelen: 'Bij zo grote daden behoort een stad en niet een onbetekenend dorpje.' Jezus gaf hun daarop het volgende veelzeggende antwoord: 'Wat voor de wereld groot is, is God een doorn in het oog.' (Gr 1 17,8-9)

Op zekere nacht kwam Nicodemus, de burgemeester van Jeruzalem, die zeer rijk was, tot Jezus. Nicodemus begreep Jezus' woorden niet en zei ronduit: 'Ik moet U eerlijk bekennen dat ik, wanneer Uw geweldige daden mij niet aan U zouden binden, U als een dwaas of potsenmaker zou moeten beschouwen, want zoals U heeft nog nimmer een verstandig mens gesproken. Doch Uw da­den tonen dat Gij als leraar van God tot ons zijt gekomen.' (Gr I  20, 2)

Jezus troostte hem: 'Heb nog een weinig geduld, en gij zult alles begrijpen. Binnenkort zal Ik weer tot u komen en uw gast zijn, dan zult gij alles ervaren.' (Gr 1 21,8)

Op dit tijdstip zuchtte Johannes de Doper nog niet in de gevangenis. Terwijl hij tevoren aan de invloeiing van de Jordaan in het Meer van Galilea woonde en Jezus daar gedoopt had, verbleef hij thans in Enon in de nabijheid van Sa­lim (niet ver vóór de invloeiing van de Jordaan in de Dode Zee, Egg.), 'omdat de Jordaan (aan de bovenloop, Egg.) in Bethabara maar zeer weinig water voerde... en van kwalijk riekende wormen wemelde' (Gr I  24,5). Vele disci­pelen van Johannes werden daar volgelingen van Jezus, doch later verlieten zij Hem weer.

De Farizeeën begonnen nu plannen te smeden hoe zij zowel Jezus als Johan­nes uit de weg konden ruimen; ook vestigden zij de aandacht van de Romeinse bezetters op Jezus. 'Om die reden werden er van Romeinse zijde verkenners gestuurd, die echter de vermoedens niet konden bevestigen, die tot hun uit­zending hadden geleid.' (Gr 1 25, 4) (Reeds toen Jezus pas begonnen was in het openbaar te spreken hadden de Farizeeën bij de Romeinen over Hem gelas­terd en beweerd, dat Hij het volk tegen de bezetters zou ophitsen.)

Jezus begaf zich toen naar Galilea. Bij de tocht door Samaria sprak Hij een vrouw bij een bron aan (zie Joh 4, 7-24). Tot haar sprak Hij onder meer de gedenkwaardige woorden: 'God is geest en wie Hem aanbidden, moeten aan­bidden in geest en in waarheid. Daartoe hebt Gij een berg noch een tempel van node doch slechts een liefhebbend, ootmoedig hart. Wie dus God met een zulk hart liefheeft, die is een rechtvaardig aanbidder van God de Vader, en de Va­der zal zijn gebed steeds verhoren en geen aandacht schenken aan de plaats, waaraan Hij geen waarde hecht.' (Gr 1 24, 13-15)

Jezus heeft vele wonderen volbracht die in het evangelie niet zijn opgetekend. Destijds zei Jezus tot de evangelist Johannes dat hij de vele wonderen die Je­zus in een kleine kring volbracht, niet mocht opschrijven. 'Denkt Gij dat de wereld iets dergelijks zou geloven? Zie, zij die hier zijn, die geloven het, om­dat zij het aanschouwen. De wereld echter, die in de duisternis vertoeft, zou nimmer geloven dat hier zoiets is geschied, want de nacht kan zich de werken van het licht onmogelijk voorstellen.' 'Er zal echter ooit een tijd komen waarin al deze dingen de wereld worden geopenbaard.' (Gr I 36, 2-3) (In de Nieuwe Openbaring wordt uitvoerig bericht over deze wonderwerken, die niet in het openbaar geschiedden.)

Het werd nu tijd dat Jezus Zijn discipelen het besef gaf dat zij 'allen een volle­dig onjuist begrip van de Messias en Zijn rijk hebben, en dat het nog zeer lange tijd zal duren voordat zij daarmee in het reine zullen komen.' 'Want het rijk van de Messias zal geen rijk van deze wereld zijn doch een rijk van de geest en van de waarheid in het eeuwige rijk Mijns Vaders.' (Gr I  36, 6-7)

'Ik zeg u: gij zult de oude mens moeten uittrekken en in plaats daarvan een geheel nieuwe aantrekken. Deze zal echter aanvankelijk ongemakkelijk zijn.' (Gr I  39, 10)

Rond deze tijd nam Jezus Mattheüs, die als tollenaar en schrijver in dienst stond van de Romeinen, als schrijver en evangelist bij zich op. Vervolgens houdt Jezus de bergrede in de buurt van Sichar in Samaria; deze duurde drie uur. De door de evangelisten opgetekende inhoud kan in luttele minuten wor­den voorgedragen. Na de rede discussiëren de priesters van de stad met Jezus. Zij hebben vooral heftige kritiek op de aanbevolen zelfverminking ('Ruk uw oog uit...', Mt 5, 29) Zij kregen daarop ten antwoord: 'Ik geef u hier beeld­spraak en gij verslindt slechts de materie daarvan, die u dreigt te doen stikken, doch van de geest die Ik in deze beeldspraak heb gelegd schijnt gij geen besef te hebben.'

De opperpriester antwoordt enigszins geërgerd: 'Spreek nu liever verklarend over uw harde rede, die zonder voldoende verklaring wel geen mens ooit zal kunnen begrijpen.'

De apostel Nathanaël geeft daarop de opperpriester te kennen: 'De Heer geeft ons Zijn leer in zaaddozen.' 'Wanneer Hij zegt: 'Wanneer iemand van u een kleed verlangt, geef hem dan ook het opperkleed erbij', dan wil Hij daarmee slechts te kennen geven dat gij die rijk zijt en veel bezit, de armen, wanneer zij tot u komen, rijkelijk en veel moet geven.' (Gr I  43, 4 en 9)

In het evangelie naar Mattheüs 7,28 wordt bericht dat, nadat Jezus Zijn berg­rede had beëindigd, 'de scharen versteld stonden over Zijn leer'. Deze passage is kennelijk later overeenkomstig de opvattingen van de correctoren veran­derd. In de NO wordt in overeenstemming met de werkelijkheid bericht dat weliswaar na de rede 'nog een grote menigte aanwezig was, doch dat velen eerder, voordat Ik de rede had beëindigd, vol ongeloof en toorn waren wegge­gaan.' (Gr I  45, 14)

Na het verblijf in Samaria trok Jezus verder naar Galilea, waar Hij Zijn disci­pelen enige tijd naar huis liet gaan, 'zodat zij zich aan het bebouwen van hun akkers konden wijden' (Gr I  83, 11) 'Maria en de vijf zonen van Jozef, die met Jezus in Jeruzalem waren, werden eveneens vrijgesteld voor het regelen van hun eigen aangelegenheden.' (Gr I  89) Maria bleef in haar huis, van de vijf zonen van Jozef keerde er slechts één naar Jezus terug.

Van Kana in Galilea, waar Jezus het kind van een ambtenaar genas, die van koninklijke afstamming was en tevens met de opperpriester verwant was, ging Hij toen nogmaals naar Kapérnaüm. 'Ik moet daarheen, want er is veel ellen­de in die stad en in de kleine steden die rondom het Meer van Galilea liggen.' (Gr I  93, 21)

Deze constatering is opmerkelijk, omdat zij ons een idee geeft van de toenma­lige toestanden in Galilea, die door zo menig onderzoeker volkomen verkeerd worden beoordeeld. Zo is bijvoorbeeld in de literatuur de volgende schilde­ring te vinden: 'De Galileeërs tot wie Jezus zich richt zijn welvarende boeren of vissers die goed van hun netten kunnen leven.'17

De betrouwbare informatie die wij daarentegen uit de NO krijgen, luidt vol­komen anders! Laat ons horen wat Petrus over de levensomstandigheden van de vissers uit die tijd te zeggen heeft: 'Onze visserij brengt nauwelijks voor de halve mond van een mens, laat staan voor een gezin genoeg te eten voort. Mijn broeder Andreas kan bevestigen dat dit waar is.' (Gr 1 9,2) Over de visser Filippus wordt er gezegd: 'Deze man lijdt veel en is zeer arm...' (Gr I  9, 3) Over de boeren wordt er bericht dat zij zeer 'door de hardheid en hebzucht van de pacht koning Herodes' te lijden hadden wanneer zij de pacht en belasting niet konden betalen.

Algemeen wordt de situatie als volgt geschilderd: 'Er was grote ellende te vin­den bij de mensen, die onder vele vormen van onderdrukking zuchtten, vooral in de markten (marktsteden) en dorpen.' (Gr 1 132,1 en5) De knechten van de leenheren werden zo slecht betaald dat zij onmogelijk een gezin konden stich­ten omdat zij deze niet hadden kunnen onderhouden (Gr VI 139)

Sommige auteurs, die door hun fantasie op dwaalwegen worden geleid, weten de merkwaardigste dingen over de arme discipelen van de Heer te berichten. Er wordt bijvoorbeeld gezegd dat Zebedeüs 'met zijn zonen Jacobus en Johan­nes aan het Meer van Galilea een groot visserijbedrijf geëxploiteerd' zou heb­ben. 'Zebedeüs' zoon Johannes had bijzondere connecties met de hogepries­ter in Jeruzalem.'18 In werkelijkheid was Johannes - zoals in de NO wordt bericht - uit een zeer arm vissers gezin afkomstig, waar bittere nood heerste.

Ook wat de topografische omstandigheden betreft worden onjuiste denkbeel­den opgeroepen. Zo bericht bijvoorbeeld Stauffer over het 'woeste Jordaan­dal '19.

Het Jordaandal was volgens de verkondigingen van de NO destijds allesbehal­ve woest. Het dal van de Jordaan en de nu onvruchtbare Jordaanse heuvelke­tenen waren destijds een gezegend en dichtbevolkt gebied. Over de Decapolis - zoals deze landstreek door de Romeinen werd genoemd vanwege de tien steden die erin lagen - bericht de NO dat het eigenlijk, wanneer men de kleine stadjes meerekende, '60 steden' waren, 'die gedeeltelijk in het Jordaandal zelf en gedeeltelijk op de bergen en heuvels in de nabije en verre omgeving ver­strooid lagen' (Gr X 32, 1).

Over het Jordaandal zelf wordt er gezegd dat het in later tijden een woestijn zou worden: 'Het mooie, grote Jordaandal met zijn vele steden, plaatsjes en dorpen zal een woestijn worden, waarin behalve dieven en rovers ook wilde dieren huizen.' (Gr X 193, 9)

In de literatuur over de research betreffende Jezus' leven wordt ook meerma­len de vraag naar voren gebracht waarvan Jezus en Zijn dikwijls vrij grote schaar aanhangers drie jaar lang hebben geleefd. Er zijn verschillende hypo­thesen naar voren gebracht, slechts de werkelijke gang van zaken wordt door geen enkele auteur vermeld. Waarschijnlijk lijkt de mogelijkheid die de Zoon Gods tot Zijn beschikking heeft, hun verdacht, omdat daar in hun ogen de smet van het wonderbaarlijke aan kleeft.

Door de onjuiste opmerking in het onbetrouwbare evangelie naar Lucas dat enkele vrouwen Jezus en de twaalf apostelen zouden hebben begeleid, 'die hen dienden met hetgeen zij bezaten' (Lc8, 2-3), zijn onjuiste denkbeelden tot stand gekomen. Lucas had kunnen vermoeden dat enkele vrouwen de som­tijds grote aanhang van honderden personen onmogelijk drie jaar lang hadden kunnen onderhouden. Judas, wiens functie als 'kwartiermeester', 'manager' en tegelijkertijd ook als kassier kan worden beschreven, merkte in de begin­tijd van de reizen tegen Jezus op: 'Ik meen dat wat geld op een reis de mens nimmer kan schaden.' Daarop antwoordde Jezus hem het volgende, wat Judas pas later begreep: 'Wie Mij kent, die weet ook dat men bij Mij ook zonder geld heel goed kan leven. Zie, Ik heb geen zak in Mijn kleed en nog minder bezit Ik geld, en toch heb Ik vele honderden mensen door Judea en Samaria tot hier geleid. Vraag hen hoeveel deze reis ieder van hen heeft gekost. Ik zeg u echter bovendien nog dat het binnenkort zal geschieden dat Ik vele duizenden zal spijzen zonder meer geld bij Mij te hebben dan nu.' (Gr I  94, 2-3)

Inmiddels waren de tijdelijk naar huis gezonden discipelen teruggekomen, en 'zij brachten van alle zijden nieuwe discipelen mee' (Gr I 89,12) Petrus liet zijn zoon Marcus komen, die de kunst van het schrijven machtig was, en hij schreef toen het evangelie naar Marcus (Gr I  89, 5).

Voordat Jezus naar Kapérnaüm trok - en aldaar de knecht van de Romeinse hoofdman genas (Mt 8, 5-13) -, vestigde Thomas Jezus' aandacht op het duis­ter karakter en de gierige aard van Judas. Hij ried Hem aan van Judas te schei­den. Wanneer sommige liberale auteurs het antwoord dat Thomas van Jezus kreeg zouden kennen (en geloven), dan zouden zij uit hun overwegingen over de verhouding van Jezus tot Judas andere conclusies hebben getrokken dan thans is geschied. Uit het feit dat Jezus Judas bij zich opnam en hem bijna drie jaar lang als apostel hield, maken zij zonder aarzeling op dat Jezus niet Gods Zoon was, anders had Hij moeten merken dat Judas een mens was die heel anders was dan de andere discipelen en die op zekere dag erg gevaarlijk voor Hem zou kunnen worden.

Het antwoord dat Jezus Thomas gaf,luidt: 'Beste Thomas, wat gij Mij hebt gezegd is Mij reeds lang bekend, doch niettemin zeg Ik u: Indien hij wil gaan, moge hij gaan, en indien hij wil blijven, moge hij blijven. Zijn ziel is een duivel en wil van God de wijsheid leren, doch een zodanige bedoeling zal voor deze ziel een slechte winst afwerpen!' (Gr I  96, 9)

De joodse priesters in Kapérnaüm waren zeer vertoornd over de indruk die de genezing van de knecht van de hoofdman en de redevoeringen van Jezus op het volk hadden gemaakt. 'Zijn rede en Zijn leer gelijken op een vuurstroom', sprak het volk vol enthousiasme. Doch nu liet Jezus Zijn discipelen niet in het ongewisse over het feit dat Hij de reactie en de plannen kende die de joodse clerus met hem had. 'Zij zullen hun kwade doel nog wel bereiken, doch thans is het nog te vroeg.' (Gr IV 99, 4)

Van Kapérnaüm begaf Jezus zich naar het huis van Petrus, dat vrij dichtbij was. Daar genas Hij Petrus' schoondochter (niet, zoals in het evangelie naar Mattheüs, 8, 14-15 staat, diens schoonmoeder). 'Een goed en zeer ijverig en kuis meisje van ongeveer twintig jaar lag met zeer hoge koorts te bed.' (Gr I  99,6)

Tot Petrus had Jezus gezegd dat Hij Gods Zoon was, doch Hij vermaande hem herhaaldelijk om dit thans nog 'niemand te laten weten, want gij kent de ene in ons midden. Deze echter is en blijft een verrader.' (Gr I  100, 13)

Van Petrus' huis ging Jezus per schip naar Gadara, dat aan de oostoever van het meer lag. Tijdens deze overtocht dreigde een storm het schip te doen zin­ken. Tot verbazing van de discipelen gebood Jezus het meer stil te zijn (Mt 8, 25). Op de terugreis besloot Jezus nog eens naar Nazareth te gaan, 'om thuis wat uit te rusten en bij deze gelegenheid ook bij de zeer wankelmoedige Naza­reeërs het licht der waarheid aan te steken' (Gr I  105, 1).

Thuis waren 'Maria, de drie oudste zonen van Jozef en vier dienstmaagden, die al vroeger toen Jozef nog leefde en toen Ik nog een kind was, als kind wa­ren aangenomen en opgevoed' (Gr 1 105,5). Derhalve beschouwde het volk van Nazareth deze huisgenoten van Jezus als Zijn broeders en zusters, zoals de evangelist Mattheüs (13, 56) in de uitdrukkingswijze van het volk woord voor woord juist weergeeft.

In het huis van de overleden Jozef ontspon zich bij Jezus' discipelen een ge­sprek over Maria. 'Zij is nu reeds 45 jaar oud', merkte één van de discipelen op, 'en zij ziet eruit alsof zij nauwelijks twintig jaren telt.' 'Ja', merkte Jezus op, 'zij is de eerste, en er zal nimmer meer een vrouw zijn zoals zij. Doch er zal ook een tijd komen dat men voor haar meer tempels (kerken, Egg.) zal bou­wen dan voor Mij en haar tienmaal meer zal vereren dan Mij, en men zal gelo­ven dat de zaligheid slechts door haar te verkrijgen is. Daarom wil Ik thans ook dat men haar niet te zeer moge verheffen, omdat zij zeer goed weet dat zij Mijn lijfelijke moeder is. Weest daarom zeer goed en vriendelijk tot haar, doch wacht u ervoor om haar een goddelijke verering te doen toekomen. Want bij al haar buitengewoon voortreffelijke eigenschappen is zij desondanks een vrouw, en van de beste vrouw naar de ijdelheid is en blijft er slechts een zeer kleine tussenruimte.' (Gr I  108, 9-14)

De dag daarop wekte Jezus de overleden dochter op van de overste der syna­goge van Kapérnaüm, die Jaïrus heette. Deze daad, die het volk in grote op­winding bracht, wilde niet alleen Mattheüs doch ook Johannes opschrijven, doch in het evangelie naar Johannes zoekt men er vergeefs naar.

De bijbelcritici was natuurlijk niet ontgaan dat niet alle evangelisten over de­zelfde spectaculaire gebeurtenissen berichten. Wanneer het bericht bij één of zelfs enkelen van hen ontbreekt, dan zijn velen onmiddellijk geneigd om de desbetreffende passage als onecht, d. w .z. als ingelast te beschouwen. De wer­kelijke reden voor de dikwijls ongelijke berichtgeving zullen zij waarschijnlijk nauwelijks vermoeden. De NO geeft ons volledige opheldering ten aanzien van dit punt:

Johannes, die het bericht over de opwekking van het dode meisje ook graag zou hebben opgeschreven, zei derhalve tot de Heer: 'Zou het niet van voor­deel zijn wanneer ik precies gelijk broeder Mattheüs alles opschreef wat Gij doet en onderwijst? Want wanneer dan de mensen later mijn geschrift en dat van Mattheüs met elkaar vergelijken en in mijn geschrift niet datgene vinden wat in het geschrift van Mattheüs staat, zullen zij dan niet tot overpeinzingen komen en aan de echtheid van het gehele evangelie beginnen te twijfelen en zeggen: 'Is er dan niet één Jezus geweest, die hetzelfde heeft onderwezen en ook beslist hetzelfde heeft gedaan? Waarom schreef Mattheüs dit en Johannes dat, wat niet op elkaar lijkt, en toch moeten zij beiden voortdurend bij Hem zijn geweest?!' Ik meen dat dit oordeel van de na ons komende mensen niet zal uitblijven bij een zodanige omstandigheid dat ik iets volkomen anders schrijf dan broeder Mattheüs.' (Gr I  113, 7-8)

Daarop krijgt Johannes van de Heer de volgende opmerkelijke verklaring: 'Gij hebt zeker gelijk, Mijn beste broeder; doch zie, waarom Ik dat aldus laat geschieden heeft een voor u thans nog niet begrijpelijke reden, die u echter in de toekomst nog wel duidelijk zal worden. Wat Mattheüs schrijft, dat komt slechts deze aarde bijzonder ten goede; wat gij echter schrijft, dat geldt voor de gehele, eeuwige oneindigheid! Want in alles wat gij schrijft ligt versluierd de zuiver goddelijke beschikking van eeuwigheid tot eeuwigheid door alle reeds bestaande scheppingen en ook door gene die in toekomstige eeuwighe­den de plaats van de nu bestaande zullen innemen! En al zoudt gij dat ook in vele duizenden boeken opschrijven wat Ik u en u allen daarover nog zal doen weten, dan zou de wereld deze boeken toch nimmer kunnen begrijpen en deze boeken zouden de wereld dus ook van generlei nut zijn (vgl. Joh 21. 25, Egg.). Wie echter volgens de oude leer leeft en gelooft aan de Zoon, die zal toch al in de geest herboren worden en de geest zal hem geleiden in alle diepten van de eeuwige waarheid.

Thans weet gij de reden waarom Ik u niet alles laat opschrijven; stel Mij daar­om van nu af aan ook geen verdere vragen. Want al te duidelijk mag het de wereld niet worden gemaakt, opdat zij niet nog slechter worde dan zij reeds is en niet van het oude oordeel in het nieuwe terecht moge komen. Ik wil Mijn lering echter zodanig verwoorden dat door het lezen of horen van het evange­lie alleen niemand de bodem van de levende waarheid zal bereiken doch alleen door naar Mijn leer te handelen; pas het handelen zal bij ieder tot een stralend licht worden!' (Gr I  113, 9-13)

In Nazareth waren inmiddels drieduizend opgewonden mensen voor Maria's huis bijeengekomen, die aanstalten maakten om Jezus tot koning uit te roe­pen. Jezus ontkwam echter door de tuin van het huis en ging naar Kapérnaüm. Toen het volk hem achterna kwam, alarmeerde de Romeinse garnizoenscom­mandant zijn troepen, om de menigte te bewaken. Door de aanwezigheid van de Romeinse soldaten liet het volk zijn voornemen varen om Jezus tot koning uit te roepen en volgde Hem verder naar Bethabara aan de Jordaan. Tussen Kapérnaüm en Bethabara deed Jezus een huis aan, dat onmiddellijk door dui­zenden werd omgeven, zodat het niet mogelijk bleek om een verlamde door de huisdeur naar binnen te dragen. Toen zei de eigenaar van het huis: 'Zoals de meeste vissershuizen is ook mijn huis met riet gedekt. Wij kunnen aan de bui­tenkant ladders tegen het dak aan zetten, de rietlaag vlug zover verwijderen dat gij door het gat de zieke met zijn bed naar beneden kunt laten zakken.' 'Ik zal dan het valluik opendoen.' (Gr I  116, 3)

Zelfs aan deze, bij een exacte schildering van de stand van zaken gemakkelijk te begrijpen en plausibele passage hebben moderne exegeten aanstoot geno­men, zoals reeds werd vermeld. Zo schrijft E. Hirsch bijvoorbeeld: 'De tekst "Zij braken het dak open" (Mh 2, 1-2) is een oude vertaalfout. '20

Na de genezing van de verlamde nam Jezus Zijn intrek bij de tollenaar Mat­theüs, die ook een herberg had. Hierbij wordt verhelderend gezegd: 'De jonge heer des huizes Mattheüs, de tollenaar, die niet verward mag worden met de Mattheüs, die schrijver (bij de Romeinen, Egg.) was, riep Mijn discipelen, de Farizeeën en schriftgeleerden naar binnen, en zij gingen naar binnen en lagen aan en aten en dronken stevig.' (Gr I  122, 1)

In deze herberg ontspon zich tussen een 'progressieve' en een 'traditionalisti­sche' godsdienstleider een opmerkelijk twistgesprek, dat in de NO werd opge­tekend: 'Eén van de Farizeeën bracht het volgende standpunt naar voren: "Doch Zijn (Jezus') leer is rein en past volledig bij de menselijke aard, en er is geen enkel duivels element aan te bespeuren. Ik ben van mening dat Mozes in feite hetzelfde onderwees als deze Nazareeër. God boven alles liefhebben en de naasten gelijk zichzelve, het kwade niet met kwaad vergelden, zelfs de vijanden goed doen, en diegenen zegenen die ons vervloeken, en daarbij dee­moedig en vol zachtmoedigheid zijn - daar is werkelijk niets des duivels bij. Daarop antwoordde een andere van de Farizeeën toornig: "Voor u welzeker niet, omdat gij reeds des duivels zijt. Weet gij dan niet dat de duivel juist dan het gevaarlijkst is wanneer hij in het stralende gewaad van een engel op­treedt?'" (Gr 1 146, 15-17)

In deze tijd riep Jezus Zijn twaalf apostelen bijeen, bij wie nu ook de tollenaar Mattheüs (de zojuist genoemde herbergier, dus niet de schrijver en latere evangelist, Egg.) behoorde. De apostelen ontvingen een zendingsopdracht. Deze is, zoals de volledige tekst van de NO aantoont, niet in strijd met de nogmaals gegeven opdracht 'Gaat naar alle volkeren'.

Bij Mattheüs 10, 5 staat slechts 'Gaat niet op de wegen der heidenen.' Zodra de mannen der kerk de weg van het geweld en van de dwang bewandelden moest de verdere verklarende tekst worden geschrapt, want deze zegt dat de apostelen en hun opvolgers hun toevlucht niet tot 'gewelddadige middelen' mochten nemen. Hoezeer de katholieke kerk in de loop der eeuwen in toene­mende mate juist in strijd met deze aanwijzing van Jezus heeft gehandeld, is bekend.

De volledige tekst van de zendingsopdracht luidt als volgt: 'Gaat vooral niet op de wegen der heidenen.' Dat wil zeggen: bedient u niet zoals de heidenen voortdurend van geweld en mijdt ook volkeren die gij als zeer wild kent, want de honden en zwijnen zult gij het evangelie van het rijk Gods niet verkondi­gen.' 'Gaat evenmin in de steden van de Samaritanen wonen. Waarom? Ik heb hun reeds aan uw zijde en voor uw ogen een apostel gegeven, en ze hebben u voorlopig niet van node, en bovendien zoudt gij bij de joden des te slechter worden ontvangen indien zij zouden vernemen dat gij met hun gehate vijan­den gemene zaak maakt.' (Gr 1 135,8-10) 'Wanneer echter uw Heer en Mees­ter Zijn toevlucht niet tot buitengewone gewelddadige middelen neemt om de mensen tot navolging van Zijn leer te dwingen, waarom zouden Zijn kinderen en dienaren dat dan doen?' (Gr I 138, 18)

Elders wordt er nog verder verklaard: 'Ik geef u een volkomen vrije kerk, die geen andere omheining van node heeft dan bij ieder mens afzonderlijk het eigen hart, waarin de geest en de waarheid woont, waar God door Zijn ware volgelingen erkend en aanbeden wil worden.' (Gr I  202, 8) 'Gij zult de gave niet tot een officieel gebruik maken, zoals de heidenen en duistere joden en Farizeeën dat doen.' (Gr I  202, 9)

Volledig tegen deze aanwijzingen in ontstond de officiële kerk, die in de loop der tijden haar macht in het Curie-instituut in Rome concentreerde en ver­grootte. (Zie ook Matth 20, 25-26)

Inmiddels hadden de Farizeeën en de priesters van de tempel in Jeruzalem hun plannen verwezenlijkt. Zij hadden soldaten naar Galilea gezonden, die aan de zuidelijke oever op schepen werden geladen om Jezus in Kis aan de noordelij­ke oever gevangen te nemen. Zij kwamen echter allen in een storm om het leven. Jezus ziet in dat de situatie voor Hem en Zijn discipelen hachelijk wordt en besluit tijdelijk naar het noorden uit te wijken. Hij deelt Zijn discipelen dit plan mede: 'In plaats van deze (verdronkenen) zullen andere soldaten opstaan en ons erg in het nauw drijven, zodat wij naar de Griekse steden zullen moeten vluchten, en tot aan dat ogenblik zullen niet vele weken verstrijken.' (Gr I  209, 4)

Aanvankelijk bleef Jezus echter, zoals uit het voorafgaande blijkt, nog in Gali­lea en zette zijn omzwervingen voort.

Vervolgens bezocht Hij voor de eerste keer Kana in het dal. (Kana in Galilea, waar Jezus Zijn eerste wonder volbracht, lag 8-10 km verder noordoostelijk.) De bijna uitsluitend Griekse bevolking bereidde Jezus een enthousiast ont­haal, waarop hun zieken genezen werden (Gr I  210, 2). Na de terugkeer naar Kis troffen zij Maria en Jozefs zonen aldaar aan. De joodse geestelijken had­den hen uit hun huis in Nazareth verjaagd en Jozefs zonen hun gereedschap afgenomen (Gr I  230,3 en 7). Jezus echter bracht het zover dat zij alles weer terugkregen.

Vanaf deze tijd wordt Jezus ook door de spionnen van Herodes 'voortdurend bewaakt' (Gr II 81, 7) en ook vervolgd (Gr II 91,11). Jezus weet hun met Zijn grote gevolg van achthonderd mensen telkens weer met succes te ontkomen. Eerst begaf Hij zich naar de woestijn bij Bethabara aan de invloeiing van de Jordaan. Het volk volgde Hem ook daarheen bij duizenden met de zieken, 'die allen in één ogenblik genezen werden' (Gr II 95, 9) (zie ook Mt 14, 14). 'Er kwam geen einde aan het loven en prijzen van het volk.' Vervolgens volbracht Jezus 's avonds de spijziging van 'vijfduizend mannen, de vrouwen en kinde­ren niet meegerekend' (zie Mt 14, 21).

Zoals te verwachten was, wilde het volk Hem opnieuw tot koning uitroepen, omdat zij Hem als een opstandelingenleider beschouwden, van Wie zij geloof­den dat Hij de gehate Romeinen zou kunnen verslaan. Doch Jezus ging een berg op om hen te ontlopen. Tevoren had Hij de discipelen geïnstrueerd om zonder Hem in de maanlichte nacht over het meer naar de andere oever te roeien. Petrus volgde deze aanwijzing weliswaar op, doch alle discipelen wa­ren met het oog op de hoge zee verstoord en zeiden: 'De kust is wit van schuim. Wanneer wij niet tot morgen hier blijven, dan zullen wij allen te gronde gaan.' Petrus deelde hun zorgen: '... ik als in het vak vergrijsde visser kan nergens voor instaan.' (Gr II 96, 1 en 9) Terwijl de discipelen meenden dat hun einde nabij was, stond Jezus geen 'tien passen naast het schip'. Al het overige is in het evangelie beschreven.

Jezus liet het schip nu koers naar de vrije stad Genezareth zetten, waar Hij zowel voor de vervolgers van de tempel als ook van Herodes veilig was, 'omdat deze stad streng door de Romeinen werd beschermd... Dat komt echter in geen geschrift (evangelie) voor, omdat het van weinig belang was' (Gr II 102, 12). In enkele dagen tijds genas Hij daar tweeduizend zieken. - In de herberg van Genezareth vertoefden ook Farizeeën uit het nabijgelegen plaatsje Jesaïra. Hier geschiedde het dat Jezus de Farizeeën bewust provoceerde doordat Hij tegen Zijn discipelen zei dat zij hun brood ostentatief met ongewassen handen moesten eten, 'om deze ware aartsfilisters van Farizeeën en schriftge­leerden in het harnas te jagen'. Mattheüs schildert het twistgesprek hierover in het vijftiende hoofdstuk. Toen Jezus uiteindelijk verklaarde: 'Deze door men­sen gemaakte wet hef Ik voor alle tijden op', toen begon het volk te jubelen. De boeren konden, wanneer zij op de akkers waren, dit gebod slechts zelden naleven. En omdat het volk aan dit gebod, dat niet praktisch was, niet de hand hield, beschouwden de formalistisch en ceremonieel denkende Farizeeën het eenvoudige volk als Am-haares, d.w.z. zulken die voor de verdoemenis be­schikt zijn. De Farizeeën echter riepen Jezus toe, ziedend van toorn: 'Wij heb­ben genoeg vernomen, Hij heeft God gelasterd. Thans weten wij met wie wij te maken hebben.' (Gr II 125, 5)

Tegen de scheepsknechten in de haven beweerden zij dat Jezus 'geheel Jesaira van Jeruzalem had afgebracht' en dat Hij ter verantwoording zou worden ge­roepen (Gr II 167,4).

Jezus bevond zich nu op het hoogtepunt van Zijn succes. Het volk wendde zich aan het Meer van Galilea alom van de tempel af. De priesters in de provincie en de hogepriesters in Jeruzalem sloegen deze ontwikkeling vol zorg en woede gade, des te meer omdat hun inkomsten bedenkelijk verminderden. Welke geestelijkheid en welke hiërarchie wendt zich in een zulke situatie niet vol haat tegen de 'rustverstoorder', die hen uit hun zelfgenoegzaamheid opschrikt?

Hoe weinig realistisch sommige exegeten de in het evangelie geschilderde stand van zaken en situaties beschouwen, blijkt op werkelijk verbazingwek­kende wijze uit de volgende uitspraak van Heinz Zahrnt: 'Het is onbegrijpelijk waarom de hogepriesters, Farizeeën en schriftgeleerden deze rabbi uit Naza­reth. . ., die toch volkomen ongevaarlijk was..., zo haatten en Zijn executie door de Romeinen hebben bewerkstelligd. '21

Bij Mattheüs 15, 21 staat geschreven: 'En Jezus ging vandaar (Genezareth) en trok Zich terug naar de omgeving van Tyrus en Sidon.' Uit de NO vernemen wij dat Jezus niet in deze steden is geweest. Drie uur gaans vóór Tyrus veran­derde Hij van mening en ging weer in de richting van het Meer van Galilea. Ten noorden van Jesaira beklom Hij aan de oever van het meer met twintig van Zijn discipelen een berg, om drie dagen boven te blijven. Hoewel zij zich onbespied hadden gewaand, 'beklommen onmiddellijk duizenden eveneens de berg en brachten vijfhonderd zieken mee. Jezus genas hen met één enkel woord.' (Gr II 171, 5)

'Hij en Zijn discipelen onderwezen het volk drie dagen lang in Zijn leer. Op de derde dag spijzigde Hij nogmaals door een wonder vierduizend mannen en nog eens zoveel vrouwen en kinderen.' (Gr II 173, 7)

De volgende dag zond Jezus enkele van Zijn discipelen naar het noorden in de (buiten Galilea gelegen, Egg.) stad Caesarea Philippi vooruit om te weten te komen hoe de mensen over Hem dachten resp. of zij eigenlijk wel van Hem hadden gehoord. Deze streek had Jezus nog niet betreden. Het bleek dat allen over Hem hadden gehoord, doch de berichten waren reeds tot in het absurde en fantastische verdraaid. Zo deed bijvoorbeeld het verhaal de ronde dat Je­zus 'tot een reusachtige grootte kon groeien en dan weer tot een dwerg kon krimpen, die nauwelijks groter was dan een vinger'. De discipelen hielden het volk voor dat zij zulke en andere onzin niet moesten geloven. 'Daar', staat er in de NO, 'komt ook de chaos van ruim vijftig evangeliën vandaan, die bij de eerste grote kerkvergadering van het morgenland als apocrief verbrand zijn, wat heel goed was.' (Gr II 174, 16)

Voordat Jezus weer naar Oppergalilea terugkeerde ging Hij eerst per schip nogmaals naar Jesaïra, waar men Hem weer talloze zieken bracht. Ditmaal weigerde Hij hen te genezen en sprak tot het volk: 'Ik ben niet gekomen om uw zieken te genezen doch om u te verkondigen dat het Rijk Gods nabij is, zoals Ik niet al te lang geleden ook reeds heb gedaan, doch gij hebt daaraan destijds niet veel aandacht geschonken, omdat gij Mij nog uit Nazareth kent, en thans hecht gij er in het geheel geen waarde aan. En zo blijf Ik ook niet bij u en genees uw zieken niet. Wendt u tot uw geneesheren.' (Gr V 241, 8)

Dat zijn woorden die zo menige vertegenwoordiger van de Nieuwe Theologie goed moet onthouden. Blijkbaar is het bij niet weinige theologen in vergetelheid geraakt dat de opdracht aan de kerken niet in de eerste plaats van sociale, doch van heilsgeschiedkundige aard is. De verkeerde ontwikkeling is reeds zover gevorderd dat sommige auteurs Jezus' bedoelingen door gewaagde en volkomen onhoudbare exegetische kunststukjes volledig omkeren. Zo wordt er beweerd dat men Jezus' genezingen van zieken als 'vingerwijzing voor Je­zus' actierichting moet opvatten: het is Jezus om de aardse genezing en het slagen van de hulpeloze mens in zijn omgeving te doen '22.

Jezus' bovenstaande verklaring aan het volk kan niet volgens de geest van de Nieuwe Theologie, van de sociale romantici en van de revolutietheologie wor­den verbogen. Wie Jezus daarvoor desondanks wil opeisen vervalst een duide­lijke stand van zaken.

In Jesaïra verklaarde Jezus voor de eerste keer in het openbaar tegen het volk dat Hij de beloofde Messias was, en Hij voegde daaraan toe: 'Gelukkig hij onder u die dit gelooft' (Gr IV 241, 10)

Vanuit Jesaïra begaf Jezus zich met Zijn discipelen naar het huis van Petrus, waar zij enkele dagen lang uitrustten. Vervolgens bezochten zij in Galilea 'een groot aantal plaatsen, dorpen en gehuchten'. 'Ik en de discipelen verkondig­den het evangelie, werden dikwijls goed onthaald doch ontmoetten ook vele tegenstanders. Want op deze reizen volbracht Ik weinig wonderen, omdat daarvoor te weinig geloof te vinden was. Het noordelijk deel van Galilea was destijds toch al te zeer door Grieken en Romeinen geïnfiltreerd en er trokken altoos veel tovenaars rond, die daar hun brood verdienden, zodat de wonde­ren daar niet veel betekenden en niet zeer in tel waren.' (Gr V 241, 13)

De herfst liep ten einde en Jezus liet Zijn discipelen nu weten waar Hij de winter wilde doorbrengen: 'Ik zal niet ver van hier, ongeveer in Kis in de nabij­heid van Kana, de winter doorbrengen.' (Gr V 239, 13)

Toen Jezus in Petrus' huis enkele kleine kinderen uit de buurt zag riep Hij één van deze kinderen bij zich en sprak tot de discipelen: 'Voorwaar, indien gij niet aflaat van uw wereldlijk eerzuchtige gedachten (zij koesterden de hoop ministers in Zijn wereldlijke rijk te worden! Egg. *)(* Zie hiertoe ook Marcus 10, 37.) en niet zo ootmoedig wordt als deze kinderen, dan zult gij zelve, hoewel gij Mijn discipelen zijt, in het rijk der hemelen niet binnengaan.' (Gr V 244, 2) 'Wie nu zichzelf gering zal achten als dit kind, die is de grootste in het Koninkrijk der hemelen, want slechts de ware deemoed van het zuivere hart bepaalt de graad der zaligheid in de hemelen (Mt 18, 4).' (Gr V 244, 3)

Voordat Jezus weer naar Jeruzalem ging bezocht Hij enkele plaatsen op de Golan Hoogvlakte, die destijds vruchtbaar was. Later kwam hij daar nog­maals. Sinds Zijn twaalfde jaar ging Hij naar Jeruzalem en sedert die tijd ken­de Hij de familie van Lazarus.

In Jeruzalem geeft Jezus zich nu in het twistgesprek met de Farizeeën als de Messias te kennen. De joden, die reeds door de genezing van de verlamde bij de vijver Bethesda op de Sabbat vertoornd waren, zeiden: 'Welnu, Gij zegt nu openlijk dat de Almachtige Uw Vader is.' (Gr VI 4, 6)

Vóór de terugreis naar Galilea maakt Jezus de discipelen Zijn onderwijs- en activiteitenprogramma voor de winter en het voorjaar bekend. 'Van nu af aan zal Ik behalve de genezingen van zieken de hele winter door geen andere teke­nen meer geven en geen lering verkondigen.' (Gr VI 22, 10) Hij verblijft nu afwisselend in een herberg en bij Zijn vriend Lazarus 'tot het midden van de winter'. 'Vervolgens bezoeken wij Kisjonah (in Kis aan de noordelijke oever van het Meer van Galilea, Egg.) en komen vóór het Paasfeest weer naar Jeru­zalem. Dan pas zullen wij met vele begeleiders en nieuwe discipelen weer naar Galilea gaan, waar Ik weer werken zal verrichten en zal onderwijzen.' (Gr VI 22, 10)

In Jeruzalem waren er zeventig discipelen bij Jezus. Deze volgden Hem echter niet voortdurend zoals Zijn twaalf apostelen. 'De discipelen', verklaart Jezus, 'hebben zoveel gehoord en gezien dat zij precies weten wat zij moeten doen om het eeuwige leven deelachtig te worden, en meer hebben zij niet van node. Met het oog op hun huiselijke omstandigheden wilden zij Mij ook niet steeds en overal naartoe volgen, zodat Ik hen voorlopig liet heengaan, doch zij zullen weerkomen en Mij op alle wegen en paden volgen.' (Gr V 273,12) Jezus' apos­telen waren meestal Galileeërs, evenals Zijn discipelen. ­

Toen Jezus Judea verliet volgde een grote menigte Hem tot Galilea! (Joh 6, 2) Bij het meer aangekomen, ging Hij aan boord van een schip dat koers zette naar Kis. Toen het schip dicht langs de stad Tiberias zeilde herkende het volk Jezus en Zijn discipelen en wilde Hem ten behoeve van de zieken (!) volgen. Jezus betrad echter de stad Tiberias nimmer, want 'de mensen van deze stad hebben weinig goeds in de zin en nog minder geloof, want het is een handels­volk, en het heeft slechts geld en winst in de zin' (Gr VI 41, 7). Deze uitspraak van Jezus, die Johannes niet heeft opgeschreven, kan ons tot nadenken bren­gen. Jezus liet het schip ongeveer een uur van Tiberias verwijderd aan een onbewoonde plaats landen en beklom een berg. De menigte, die Hem uit Ju­dea was gevolgd, werd op de berg steeds groter door de mensen die er iedere dag uit de omgeving nog bij kwamen. Vijf dagen verbleef Jezus daar, en de meesten hadden al spoedig niets meer te eten. Zo geschiedde op deze berg de derde broodvermeerdering voor 'welhaast vijfduizend mannen, de vrouwen en kinderen niet meegerekend' (Joh. 6, 10).

Ook ditmaal spraken de joden tot elkaar: 'Wanneer Hij zo machtig is als geen enkele macht ter wereld en wijzer dan Salomo, dan is het wel tijd dat wij Hem met geweld tot koning maken.' (Gr VI 41, 20) Nu begon ook Judas eindelijk te begrijpen: 'dat de Heer voor het aardse leven klaarblijkelijk geen geld van node heeft, dat is duidelijk te zien' (Gr VI 47, 4).

Het volk dat Hem uit Judea en Galilea achternakwam vond Hem ten slotte 'in een school in Kapernaüm'.

Jezus wist dat zij allerwegen slechts gekomen waren opdat hun zieken genezen zouden worden. En na het derde spijzigingswonder schrijft de evangelist Jo­hannes: 'Gij zoekt mij... omdat gij door Mij verzadigd zijt.' (Joh 6, 26) In Kapernaüm echter zei Jezus dit onverbloemder tegen de menigte en liet tevens Johannes weten dat het geen nut heeft om voor dit onrijpe volk te preken. Daarom zei Hij tot de duizenden die om Hem heen stonden: 'Gij dacht bij uzelve: zie, die heeft macht genoeg om tegen onze vijanden op te staan, voor wie wij het meeste moeten werken, en bovendien kan Hij ons steeds brood verschaffen, en dan behoeven wij niet meer te werken.' (Gr VI 43, 5)

En tegen Johannes zei Hij vervolgens fluisterend: 'Ziet gij wat Ik u gisteren in het geheim op de berg (van de broodvermeerdering) zeide, was het niet waar? Deze mensen zijn nog geheel op het niveau van de dieren, en daarom spreek Ik in versluierde vorm, opdat zij volkomen verward worden en zich alsdan van Mij afwenden (!), want hun tijd is nog lang niet gekomen.' (Gr VI 43, 16)

'Voor dove oren is het moeilijk preken en voor blinden moeilijk schrijven.' (!) (Gr VI 44, 4)

Toen Jezus de menigte zei dat Hij de Messias was en 'Ik ben het brood des levens, dat uit de hemel nedergedaald is' (Joh 6,41), begonnen zij te morren en wilden ondanks alle wonderen niet aannemen dat de zoon van een am­bachtsman de Messias zou zijn en zeiden: 'Is dit niet de timmerman Jezus, de zoon van de timmerman Jozef? Wij kennen Hem, Zijn vader en moeder toch maar al te goed. Hoe kan Hij nu zeggen dat Hij uit de hemel nedergedaald is?' (Gr VI 44, 11)

Daarop gaf Jezus hun ten antwoord: 'Indien iemand van dit brood eet, hij zal in eeuwigheid leven; en het brood, dat Ik geven zal, is Mijn vlees, voor het leven der wereld.' (Joh 6,51) (Ter verklaring van het gezegde werd Jakob Lor­ber bij deze passage het volgende aanvullend gezegd: 'Daaronder moet het uiterlijke stoffelijke omhulsel van mijn woord worden verstaan, binnen het­welk het levende geestelijke woord zich bevindt gelijk de levende kiem en zijn dode omhulsel')

De joden vroegen zich toen af: 'Hoe kan deze ons Zijn vlees te eten geven?' (Joh 52) Waarop Jezus hun antwoordde: 'Gij kunt onderling strijden en twis­ten zoveel gij wilt, toch is het zoals Ik u heb gezegd. En Ik zeg u nog veel meer: tenzij gij het vlees van de Zoon des Mensen eet en Zijn bloed drinkt, hebt gij geen leven in Uzelf' (Joh 6, 53).

(Verdere verklaring voor Jakob Lorber en de latere lezers: 'Wat het vlees be­tekent is u reeds getoond. Het bloed als het eigenlijke fluïdum des levens, dat het lichaam het leven geeft, het onderhoudt, voedt en de levenskiem tot voort­planting geeft, is de eigenlijke binnenste levensgeest in het uiterlijk woord.' (Gr VI 44, 20)

'De woorden die Jezus tot het volk had gesproken begreep het volk niet, even­min als de vele discipelen en de twaalf uitverkoren apostelen; zij wachtten nog op een nadere verklaring. En zij morden onder elkaar en zeiden: Het is toch vreemd met Hem! Vandaag had Hij met een duidelijke en verstandelijk te bevatten leer duizenden tot trouwe aanhangers van Zijn leer kunnen maken, zo echter heeft Hij zich voor lange tijd schade berokkend. Want wie zal Hem van nu af aan nog langer kunnen toehoren en geloof schenken aan Zijn woor­den?' (Gr VI 45, 6)

Jezus liet de discipelen nu weten dat deze mensen nog lang niet rijp waren om het Rijk Gods in hun binnenste op te nemen, en zei: 'De woorden die Ik tot u heb gesproken zijn geest en leven en niet aards vlees en bloed.' (Gr VI 45, 10) Pas later, toen Jezus met de discipelen in een herberg alleen was, kwam hij nogmaals op deze rede terug, die niemand had begrepen, en gaf hun de vol­gende verklaring van de betekenis van Zijn woorden, die Hij in Kapernaüm had gesproken.

'Brood en vlees zijn één en hetzelfde, gelijk ook wijn en bloed, en wie met Mijn woorden het brood der hemelen eet en door handelen naar het woord, dus door de werken van de ware, hoogst onzelfzuchtige liefde tot God en de naaste, de wijn des levens drinkt, die eet ook Mijn vlees en drinkt Mijn bloed. Want gelijk het door de mensen genuttigde natuurlijke brood in de mens tot vlees en de gedronken wijn tot bloed wordt omgevormd, zo zal in de ziel van de mens ook Mijn woordbrood in vlees en de liefdedaadwijn in bloed worden veranderd. Wanneer Ik echter zeg: "Wie Mijn vlees eet", dan is daarmee reeds te kennen gegeven dat hij Mijn woord niet alleen in zijn geheugen en in zijn verstand, doch tegelijkertijd ook in zijn hart, dat - gelijk Ik reeds heb aangetoond - de maag der ziel is, heeft opgenomen, en evenzeer de liefde­daadwijn, die daardoor geen wijn meer doch reeds het bloed des levens is; want het geheugen en het verstand des mensen staan tot het hart in welhaast dezelfde verhouding als de mond tot de natuurlijke maag.

Zolang het natuurlijke brood zich nog tussen de tanden in de mond bevindt, is het nog geen vlees doch brood; wanneer het echter gekauwd naar de maag is gedaald en daar met de maagsappen wordt vermengd, is het volgens zijn fijne voedingsbestanddelen reeds vlees geworden omdat het op het vlees gelijkt. En evenzo is het ook met de wijn of ook met het water, dat zeker ook wijnstof bevat, omdat de wijnstok zou sterven zonder het water dat de aardbodem voor het voeden van alle planten en dieren in zich draagt. Zolang gij de wijn in uw mond houdt gaat deze niet in het bloed over; doch in de maag zal hij weldra daarin overgaan. Wie dus Mijn woord verneemt en het in zijn geheugen be­waart, die houdt het brood in de mond der ziel. Wanneer hij er met zijn ver­stand ernstig over begint na te denken, dan kauwt hij het brood met de tanden van zijn ziel; want het verstand is voor de ziel datgene wat de tanden in de mond voor de lichamelijke mens zijn.

Wanneer Mijn brood, derhalve Mijn leer, door het verstand is gekauwd of als volle waarheid is begrepen en aanvaard, dan moet deze ook door de liefde voor de waarheid in het hart worden opgenomen en door de vaste wil in daden worden omgezet. Wanneer dit geschiedt, dan wordt het woord in vlees veran­derd en gaat door de sterke wil tot daden in het bloed van de ziel over, dat Mijn geest in haar is, zonder dat de ziel zo dood is als een lichaam zonder bloed.' (Gr IX 73, 2-5)

'Hebt lief en handelt in deze liefde met Mij. Weest niet alleen gewillig, doch ook in liefde doende, d.w.z. verricht werken vanuit Mijn liefde tot u en daaruit dan vanuit uw liefde tot Mij.'

'Ziet, dat is het ware avondmaal. Dat is het ware lichaam van de eeuwige lief­de, dat voor u werd gegeven, en het ware bloed, dat voor u werd vergoten. Neemt dit lichaam en dit bloed en eet en drinkt allen daarvan, opdat uw vlees sterk worde en moge opstaan tot het ware, eeuwige leven!' 'Mijn liefde is het grote ware avondmaal. Wie Mijn geboden naleeft, die slechts uit louter liefde bestaan, die leeft ook Mijn liefde na, wat betekent dat hij Mij oprecht lief­heeft. Wie mij echter met daden liefheeft, die eet werkelijk Mijn vlees en drinkt eigenlijk Mijn bloed, die het ware brood en de ware wijn de hemelen, der engelen en van alle leven zijn.' (Hi II, blz. 2-3)

'Wat gij de armen aandoet, dat doet gij Mij zelf aan!' 'Dat is het echte "Hoc est enim corpus meum", dat gij ware werken der liefde volbrengt. Want een echt liefdewerk in Mijn naam is Mijn eigenlijke, waarachtigste "lichaam".' (Hi II. blz. 320)

In de zaal waar het avondmaal plaatsvond, op de avond vóór Zijn dood, sprak Jezus volgens de berichtgeving van de Nieuwe Openbaring tot Zijn apostelen:

'Ieder neme nog een mondvol van wat ik hier toebereid! Het is Mijn vlees, het vleesgeworden woord, dat in u tot leven moet komen. Neemt ook deze beker! Drinkt er allen uit! Het is Mijn bloed dat voor u ter vergeving van uw zonden zal worden vergoten. Wie Mijn vlees niet eet en Mijn bloed niet drinkt zal nimmermeer zalig worden. Gij weet echter nu hoe Gij dit moet opvatten, en gij zult aan zulke woorden niet langer aanstoot nemen. Eet, drinkt en doet zulks telkenmale wanneer gij het doet te mijner gedachtenis.' (Gr XI 71, blz. 196)

Overeenkomstig de opdracht 'Doet dit te mijner gedachtenis' kwamen de le­den van de oergemeente in Jeruzalem voor een gezamenlijk maal bijeen. Zij braken het brood, aten en waren in vreugdevolle stemming. Zo berichten de Handelingen der apostelen 2,46. Het dankgebed aan tafel noemde men euchari­stia. In Kapérnaüm gaf Jezus de discipelen te kennen dat ettelijken onder hen geen of slechts een gering geloof aan Hem hadden en dat één van hen Hem zou verraden. Daarop verlieten vele discipelen Hem met de woorden: 'Het harde en ongelooflijke begrijpen wij niet en kunnen het daarom ook niet geloven.' (Gr VI 46, 6)

Overeenkomstig de aankondiging die Hij enige tijd tevoren had gedaan, ver­liet Jezus thans Galilea en trok met twintig discipelen eerst 'naar de noorde­lijkste grens van Galilea', waar Hij nog niet eerder was geweest. Van daaruit trok Hij verder naar Klein-Azië en bezocht in Cappadocië de steden Serrhe, Samosata, Malaves aan de Eufraat, alsook Melite verder in het noorden. (Gr VI 127, 21)

'Van daaruit trokken wij naar de grote stad Antiochië, waar wij een maand lang verbleven.' 'Deze reis, die zeer vruchtbaar genoemd mag worden, nam de gehele zomer in beslag.' (Gr VI 140, 6 en 8)

Na de terugkeer aan het meer rustten Jezus en de discipelen in een herberg nabij Kapérnaüm uit.

Toen de discipelen door 'de van oudsher bekende reislust' werden bekropen en zij bovendien, zoals Jezus zei, 'dorstig naar feestvieren' waren, stelden zij Jezus voor om met hen naar het loofhuttenfeest in Jeruzalem te gaan. Zij spra­ken echter slechts deswege zo omdat hun geloof aan Mij zeer zwak was gewor­den. - Menigeen vraagt zich nu af hoe dat bij de vele tekenen en leringen mo­gelijk was. O, dat is bij ieder mens licht mogelijk! Hij behoeft slechts een wei­nig hoogmoedig en trots op zijn begaafdheden te worden, en zijn ziel bevindt zich onmiddellijk in een duisternis vol twijfel, waaruit slechts een kleine verne­dering hem kan redden.'

Hij liet de discipelen gaan, volgde hen echter in het geheim. In Jeruzalem ging Hij 'midden door het woeste feestgedruis en door het beschonken en dwaze volk, door niemand herkend of opgemerkt, tot in de tempel' (Gr VI 146, 38).

Daar nam Hij het woord, en de Farizeeën schreeuwden meteen: 'Ziet hoe Hij het volk verleidt! En zij zonden hun knechten uit om Mij te grijpen en met strikken vast te binden.' (Gr VI 147, 16-17) 'Toen drongen zij plotseling om Mij heen, doch toen zij Mij wilden vastgrijpen verdween Ik plotseling uit de tempel.' 'Waarheen is Hij nu opeens verdwenen, zeiden de Farizeeën, dat is een duidelijk wonder.' (Gr VI 147, 23)

Tevoren had Jezus de Farizeeën toegeroepen: 'Zolang Mijn tijd nog niet geko­men is zal niemand mij kunnen grijpen.' (Gr VI 147, 21) Ook Zijn discipelen had Hij vóór hun vertrek gezegd dat Zijn tijd nog niet gekomen was.

Na deze verijdelde aanslag op Zijn persoon ging Jezus met de discipelen naar Lazarus' huis, waar zij overnachtten. Daar in de stilte van het afgelegen huis deed Jezus hoogst belangrijke profetieën over de enorme catastrofes die de mensheid in onze tijd zullen teisteren. Wij weten uit de Nieuwe Openbaring: dit is de eindtijd. Dit betekent niet dat de aarde verwoest zal worden, doch voor datgene wat zal komen gelden de woorden van het evangelie, dat het zwaar te dragen zal zijn. Het begin van de catastrofes hebben wij al meege­maakt. In het laatste hoofdstuk wordt nog uitvoerig over deze profetie bericht. Jezus wist dat zelfs de meest overtuigende bewijzen niet teweeg kunnen bren­gen dat de mensen iemand geloven die zij niet willen geloven of niet kunnen geloven omdat zij zich aan een systeem hebben gewijd waaruit zij zich als ge­volg van een levenslange verkeerde opvoeding niet kunnen bevrijden.

Hij wist na de talrijke mislukte aanslagen op Hem en na de vele waarschuwin­gen die Hij van vrienden - in het bijzonder van de uitstekend geïnformeerde Nicodemus - ontving, dat de joodse geestelijkheid Hem nooit zou erkennen. Daarom merkte Hij temidden van enkele vrienden op: 'Ik durf nog eerder de vissen in het meer te bekeren dan onze rabbi's.' (Gr VII 223, 20)

Over bepaalde groepen in het volk zei Hij: 'Zij willen niet aflaten van hun wereldlijke neigingen en leer alsook van hun uiterst goede leventje.' (Gr X 148, 4)

Opvallend, hoe actueel en modern dat klinkt! Beide opmerkingen, zowel be­treffende de 'rabbi's' alsook over de in het goede leven verstrikte mensen van de industriële landen, zijn ook nu nog geldig wanneer het om het aanvaarden of afwijzen van de goddelijke Nieuwe Openbaring gaat.

Op de weg van Lazarus' huis in Bethanië naar Jericho sprak een rijk man Jezus aan en vroeg Hem wat hij moest doen om zalig te worden. Bij dit gesprek is de tekst van de NO van belang, die enigszins van de evangelietekst afwijkt. Welis­waar gaat het slechts om één woord, doch juist daardoor krijgt Jezus' uitspraak een belangrijke en andere betekenis. In het evangelie staat geschreven: 'Hoe moeilijk zal een rijke het koninkrijk der hemelen binnengaan.' In werkelijk­heid echter zei Jezus: 'Hoe moeilik zullen zulke rijken het koninkrijk der he­melen binnengaan', en Hij beschrijft het karakter van deze man. Van zijn gro­te vermogen zou hij de armen nauwelijks iets geven, zijn dienaren gaf hij maar karig te eten, en ambachtslieden gaf hij vaak zonder gegronde redenen minder dan de helft van het bedrag dat op de rekening stond. Hij was dus een gelddor­stige gierigaard zonder enig gevoel voor zijn medemensen. De toestanden die zulk een mens, die Jezus' opperste gebod, de naastenliefde, zijn hele leven niet naleeft, in het hiernamaals zal aantreffen, verklaart Jezus de discipelen als volgt:

'Iedere ziel neemt na het wegvallen van haar lichaam niets anders mee dan haar liefde, die door haar werken als produkten van haar wil wordt gevolgd. Wanneer de liefde van de ziel dus zo sterk aan de dode dingen van deze wereld gehecht is dat zij daarmee volledig één is geworden, dan is zij ook 'dood' ... en dat is wat men de hel of de eeuwige dood noemt. Wacht u er daarom vooral voor dat uw zielen niet door de liefde tot de wereld, haar schatten en bekorin­gen gevangen worden genomen, want wie eenmaal door de wereld gevangen is genomen, die zal zich niet dan met grote moeite uit haar macht kunnen bevrij­den.' (Gr VIII 166, 15)

Nadat tweeënhalf jaar sedert het begin van Jezus' onderwijzende periode wa­ren verstreken ging Hij weer naar Galilea, en wel eerst naar Kana (in Galilea) en vervolgens naar Kis, waar Zijn moeder thans meestal met haar vriendinnen woonde (Gr XI 114, 19).

Maria klaagt over nieuwe mogelijkheden met de geestelijkheid van Nazareth: 'Ik heb in Nazareth van de plaatselijke hoofdman (opperpriester, Egg.) om Uwentwil veel toornige redevoeringen en slechte oordelen moeten verduren en ben hoofdzakelijk om die reden in deze eenzaamheid gaan wonen om door de hoofdman en zijn aanhang niet meer te worden lastiggevallen.' (Gr IX 117, 14)

Van Jezus vernemen wij in de NO dat Maria 'een zeer strenge jodin was en nog aan de tempel geloofde, zij het ook in Mijn tijd (van onderwijzende activiteit, Egg) niet meer zozeer als tevoren' (Gr IX 130, 2).

In de herfst van het laatste jaar van Zijn belerende tochten bezocht Jezus maar weinig plaatsen meer aan het meer, onder andere ook zeer afgelegen vissers­dorpjes. Maria nam Hij mee. Van bijna alle plaatsen die Jezus bezocht is, naar Lorber werd medegedeeld, 'thans geen spoor meer te vinden' (Gr IX 140, 22). Zijn laatste onderwijzingen volbracht Hij in de zogeheten Decapolis, het ge­bied met de tien steden. Deze streek was 'een brede en zeer vruchtbare hoog­vlakte' (Gr X 36, 1). Van het bezoek van de steden Pella, Golan, Aphek en Abila wordt bijzondere melding gemaakt.

Na de terugkeer naar Bethsaïda werden de discipelen voor de tweede maal in de gebieden 'bijna vanaf de bron van de Jordaan tot aan diens monding in de Dode Zee' uitgezonden.

'...in de Decapolis zijn nog zeven grote steden alsook een groot aantal kleine steden en andere plaatsen over, en Mijn tijd loopt ten einde. Ik heb nu al ruim tweeënhalf jaar bijna alleen zonder rust en pauze gewerkt en wil nu hier in Mijn lievelingsplaats (Bethsaïda) een rustperiode van zeven dagen nemen.' (Gr X 133, 7) 'Over zeven dagen zult gij hier weer terugkeren.'

Jezus geeft de discipelen de volgende vermaning mee: 'Ik alleen ben de Heer! Gij allen onder elkaar zijt volkomen gelijke broeders, en niemand zal meer noch minder zijn dan een ander, want ieder leiderschap, zij het nog zo gering, wekt in het gemoed van de leider de satanische heerszucht en wordt dan ook maar al te gauw het verderf van de zuivere liefde en de daaruit voortkomende waarheid vol van liefde, zoals nu in de tempel in Jeruzalem steeds meer en nog duidelijker blijkt. Wie van u echter beslist een eerste van Mijn discipelen wil zijn, die zij de laatste en nederigste van hen en zij hun in alles knecht en die­naar; want zo bestaat de orde in Mijn hemelen onder Mijn engelen.'

Voorwaar Ik zeg u: allen die zich op deze aarde op andere wijze tot leiders laten uitroepen zullen het in het hiernamaals zwaar te verduren krijgen. Want de zwaarste levenstaak voor een hoogmoedige - die uiteindelijk bijna altijd leider wordt - is de vernedering van zijn gemoed.' 'Blijft daarom allen gelijke broeders, en moge niemand onder u voordelen voor zich opeisen, mogen deze ook nog zo gering zijn.' (Gr X 134, 6-9)

Het voorafgaande staat in verkorte vorm precies zo in het evangelie Mt 20,25­28, Mc 10, 42 en Lc 22,24-26. Desondanks ontstond tussen opdracht en werke­lijkheid in de loop der eeuwen een diepe en onoverbrugbare kloof. Op de stap voor stap plaatsvindende verwijdering van het evangelie en de gevolgen daar­van voor de nabije toekomst wordt in een apart hoofdstuk nader ingegaan.

Bovendien zei Jezus tot Zijn discipelen: 'Zoekt nergens een aardse winst om de wil van Mijn naam en woord noch een werelds heersend rijk.' 'Gij zult voor Mij in de toekomst ook geen tempels en altaren bouwen, want Ik zal nimmer in de door mensenhand gebouwde tempels wonen en Mij niet op de altaren laten vereren. Wie Mij liefheeft en Mijn gemakkelijk na te leven gebod naleeft, die is Mijn levende tempel en zijn hart vol liefde en geduld is het ware en levende en Mij alleen welgevallige offeraltaar tot Mijn eer.' (Gr IX 166, 8 en 10)

Jezus' onderwijzende periode in het openbaar liep ten einde, en Hij woog suc­ces en falen tegen elkaar af. Op de eerste plaats was Hij naar het volk der joden gekomen, doch net zo duidelijk had Hij ook de verspreiding van de leer onder de heidenen bevolen. Reeds tijdens Zijn verblijf op de heuvelketenen links van de Jordaan had Hij gezegd: '.. .ook aan de heidenen moet Mijn evangelie­ dat uit de stichting van Gods rijk op deze aarde ter zaligmaking van alle men­sen bestaat - worden gepreekt. Want er zullen tijden komen, en zij zijn nu reeds gekomen, waarin zeer vele heidenen dichter bij God staan dan zeer vele joden, die God met hun mond loven en prijzen, doch met hun harten zeer ver van Hem verwijderd zijn.' (Gr X 145, 12) 'Telt de joden die aan Mij geloven­ hoe klein en gering is hun aantal in vergelijking met diegenen die Mij haten en overal vervolgen. Telt echter nu de heidenen die van ver en dichtbij steeds hier naartoe komen en Mijn leer met veel vreugde aannemen en Mij als diegene die Ik ben snel en gemakkelijk aanvaarden en Mij meteen boven alles liefhebben.' (Gr IX 193, 10) 'Gaat naar Jeruzalem en vele andere joodse steden en plaat­sen, en gij zult niet ophouden u te verbazen over de meest snode oordelen die over Mij worden geveld. En toch heb Ik overal dezelfde zuivere levenswaar­heid geleerd en grote tekenen teweeggebracht.' (Gr X 138, 3)

Mijn drie broeders, die in Nazareth waren gebleven, 'geloofden niet zo aan Mij als zij wel hadden kunnen doen, wat de reden is waarom Ik vanwege dit ongeloof Nazareth niet zo dikwijls bezocht; en tot de bewoners van Nazareth, die Mij vroegen hoe Ik, de hun welbekende Zoon van de timmerman Jozef, over zulke wijsheid en macht kon beschikken, zei Ik: een profeet geldt nergens minder dan in zijn vaderland! Daarop trok Ik met Mijn discipelen weg en kwam zelf niet meer naar Nazareth terug.' (Gr X 31, 10)

Ook Jezus' discipelen begrepen Hem na een leertijd van tweeënhalf jaar nog steeds niet. Petrus houdt Hem voor dat in Zijn rede nog steeds 'iets hards en raadselachtigs voorkwam, ondanks menige verklaringen' die Hij hun reeds had gegeven. (Gr X 153, 3) Petrus krijgt ten antwoord dat Hij hen nog steeds 'met melk moet spijzigen, omdat zij nog geen vaste en krachtige spijzen tot zich kunnen nemen en kunnen verteren.' (Gr X 153, 9)

Het is echter niet te loochenen dat de eenvoudige en oud geworden visser Pe­trus, die geen denkscholing aan de universiteit had doorlopen, oprecht moeite deed om datgene te bevatten wat hem en de andere discipelen was gezegd. Dat hij zich over vele dingen het hoofd brak blijkt uit de vraag die hij de Heer stelde wat er eigenlijk van de vele mensen in het hiernamaals wordt die tot dusverre niets over Jezus' leer hadden vernomen en ook in de toekomst wel niets zouden vernemen. Waren zij er soms alleen maar goed voor om 'de uitge­strekte bodem der aarde voor een komend en beter mensengeslacht voor te bereiden?' (Gr X 153, 2) Daarop krijgt hij te horen: 'Hoe moet Ik de onweten­den en onschuldigen veroordelen en verdoemen?' (Gr X 154, 2) 'In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen... maar ook zeer vele verbeteringsinstellin­gen. ..' (Gr X 154, 10)

Uit deze uitspraak van Jezus is de onzinnigheid van de leer der kerken, dat het lot van ieder mens op deze aarde definitief in dit aardse leven wordt beslist, duidelijk af te leiden.

Jezus wijst Zijn apostelen er nogmaals met nadruk op, dat het jaar daarop met Pasen alles in vervulling zal gaan wat de profeten over Hem hadden voorspeld (Gr X 141, 15).

Tegen het einde van deze herfst toog Hij weer voor een kort verblijf naar Jeru­zalem. In deze tijd geschiedde de opwekking van Lazarus, welk wonder 'het sluitstuk van Mijn lerende periode vormde' (Gr XI, blz. 104). Deze daad bracht de tempelmannen tot grote woede, omdat zij dicht bij Jeruzalem aan één van de rijkste mannen van het land was volbracht. Bovendien zou na de dood van Lazarus, die geen kinderen had, een derde deel van zijn grote ver­mogen volgens de tempelwet aan de tempel zijn toegekomen! (Gr XI, blz. 85)

Lazarus verzocht Jezus gedurende de winter enige tijd bij hem te blijven, zoals reeds eerder was gebeurd. Jezus gaf echter geen gehoor aan dit verzoek doch besloot zich met elf van Zijn apostelen (zonder Judas) en nog acht andere dis­cipelen in de eenzaamheid terug te trekken. De andere discipelen gingen naar hun woonplaatsen terug, zoals zij dat iedere winter deden. Jezus ging, zoals ook in het evangelie staat, naar het plaatsje Efraïm. Dit dorp lag echter niet, naar sommige auteurs geloven, in Samaria 23, doch in het Juda-gebergte ooste­lijk van Hebron nabij de Dode Zee. Uit de tekst van het evangelie naar Johan­nes 11, 54 valt niet op te maken dat Jezus 'naar het noorden' is gegaan. Er staat enkel: 'naar de landstreek dicht bij de woestijn.'

In dit dorpje Efraïm, waar in de winter bijna nooit iemand kwam, restaureer­den de discipelen met toestemming van de oudsten van het dorp een vervallen burcht zover, dat deze bewoonbaar werd. In deze behuizing bleven zij de ge­hele winter, bijna drie maanden lang. (Gr XI, blz. 146) Toen zij uit Efraïm weggingen, waarschuwde Petrus de Heer nogmaals voor de dienaren van de tempel. Hij had er een voorgevoel van dat de dingen zich tot een dramatisch hoogtepunt toespitsten. 'Vanaf dat ogenblik droeg Petrus steeds in het geheim een zwaard bij zich, bereid om zijn leven voor Mij op te offeren wanneer de gerechtsdienaren zouden komen om Mij te grijpen.' (Gr XI, blz. 148)

Na de terugkeer uit Efraïm 'volgden nu dagen van grote betekenis, die ge­schikt waren om zowel Lazarus als Mijn discipelen ervan te overtuigen wat Mijn uiteindelijke plannen met de mensheid waren, om welke reden hun nog veel werd geopenbaard wat de mensheid nu nog niet geopenbaard kan wor­den, omdat de tijd daarvoor nog niet is gekomen. Later zal dit echter geschie­den.'

'Wij zaten 's avonds in de bekende grote zaal van de herberg op de Olijfberg, die eveneens eigendom van Lazarus was, bijeen, omdat daar veel volk bijeen­kwam en dit Mij moest zien.' (Gr XI, blz. 154-155) 'Op de avond van de eerste dag, toen wij bij Lazarus aankwamen, hadden wij ons van het volk terugge­trokken, dat op deze dag nog niet in zeer groten getale bijeen was gestroomd en waren alleen in de zaal waarin wij altijd bijeen waren gekomen, toen plotse­ling Judas Iskarioth binnenkwam en ons begroette.' (Gr XI, blz. 155) 'Hij schilderde op levendige wijze hoeveel ellende hij in Jericho (waar hij geweest was, Egg.) en ook op zijn weg hier naartoe had aangetroffen, hoezeer het arme volk werd onderdrukt en in slavernij zuchtte.' 'Hij besloot met de woorden: "O Heer, had ik slechts een tiende gedeelte van Uw kracht in mij, ik zou alle gewelddadigheid binnen korte tijd beëindigen, het volk, dat in boeien gesla­gen, Jehova om redding aanroept, bevrijden en vrolijk en gelukkig maken, opdat het de naam van zijn Heer en God love en van vreugde juiche. O Heer, hoe lang kunt Gij nog dralen en de beden onverhoord laten weerklinken"?,

'Na deze woorden, uit welke duidelijk te horen was hoezeer Judas in Mij ook de wereldlijk bevrijdende Messias hoopte te zien, die Ik echter niet ben en wat Ik ook al dikwijls had gezegd, viel een diepe stilte vol verwachting, en Ik ant­woordde hem: 'Heb Ik de armen niet altijd tot Mij geroepen? Zijn de bedruk­ten niet door Mij getroost, de zieken gezond en de armen rijk gemaakt, voor zover zij dat van node hadden? Wie is hier dus dralende? Niet Ik - de wereld draalt, die het heil niet deelachtig wil worden! Doch de Zoon des Mensen zal spoedig het hoogtepunt van Zijn macht bereiken, die te bereiken is, opdat de wereld moge zien dat Hij wel zou kunnen bereiken waarnaar de wereld streeft en wat haar wenselijk schijnt. Doch niet voor het heil van de wereld - voor het heil van Mijn hemelen zal dit geschieden! En wees daarom maar tevreden met datgene wat Gij reeds hebt gezien en spoedig nog zult zien!' Judas zweeg nu en verheugde zich in zijn hart; want hij geloofde dat hij door zijn woorden nu de aanstoot had gegeven, dat Ik nu wellicht een beslissende stap zou doen om het volk van het Romeinse juk te bevrijden, waarvoor Ik, naar hij zeer goed wist, de kracht bezat.' (Gr XI, blz. 156)

'Judas was van mening dat Ik wel niet in staat zou zijn om zijn geheimste ge­dachten te lezen, want hij, die ondanks alle goede aanleg van de geest een materieel gezind mens bleef, was lang niet zo diep in het wezen en begrip van Mijn persoon doorgedrongen, dan dat hij in Mij iets anders dan slechts een zeer begaafd en met buitengewone gaven begiftigd mens kon zien.' (Gr XI, blz. 158)

'Judas ging heen naar het volk dat bij de herberg bijeengestroomd was en ver­telde allen, dat Ik er was en morgen naar de stad zou komen.' (Gr XI, blz. 161)

'Daar nu het aantal van Mijn aanhangers zeer groot was, werd dit overal bin­nen zeer korte tijd bekend, temeer omdat er voor het volk in Jeruzalem niets belangrijkers bestond dan Mijn optreden in de stad. Terwijl de boodschap van Mijn aanwezigheid in de stad de ronde deed zaten wij heel rustig in Lazarus' huis en spraken nu over zaken van minder belang, toen Petrus ten slotte op­merkte dat Judas niet meer aanwezig was.' (Gr XI, blz. 161)

'Ik echter verliet het huis en begaf Mij alleen naar de top van de Olijfberg, van waaruit men een ongehinderd uitzicht over Jeruzalem en de hele omgeving geniet.

Hier scheidde de Godheid in Mij zich van de Zoon des Mensen Jezus en sprak tot Hem: 'Zie hier, voor U ligt het oord van Uw lijden, dat in de komende dagen zal beginnen, wanneer Gij vrijwillig het juk op U neemt, dat tot verlos­sing van de gehele mensheid zal dienen!

Gij zijt in Uw aardse lichaam van Mij gescheiden, een mens gelijk ieder ander. Gij hebt U moeite getroost om de geest in U op te wekken, die de volheid van de Godheid zelf is. Gij hebt onder opoffering van Uw wil de wil van de almacht in U laten groeien. Thans echter hangt het van Uw heil als mens zelf af of Gij de laatste en zwaarste taak op U wilt nemen. Daarom vraag Ik U: Wilt Gij als Mijn Zoon opgaan in de Vader door alles uit te voeren wat deze U beveelt? Of wilt Gij als Zoon des Mensen alleen tot deze mensheid behoren en slechts van deze wereld blijven?

Gij kunt een heerser over de wereld zijn en een verlosser van de wereld blij­ven; doch Gij kunt ook een wegwijzer naar Mij zijn, die naar Gods binnenste hart leidt, door volledig in Mij op te gaan en daardoor tot heerser over het leven in alle eeuwigheid te worden. Gij kunt een voorspreker zijn van de men­sen als wezens, die, door Mijn macht geschapen, van het hart des Vaders zijn uitgegaan en daarheen moeten terugkeren; doch Gij kunt ook zijn een voor­spreker van de liefde, die de wijsheid gebiedt haar rechtvaardigheid in erbar­men te veranderen. Kies dus nu, nu U voor ogen staat wat U aan den lijve zal geschieden, of Gij de weg naast Mij of de weg in Mij wilt bewandelen; want de ure voor Uw laatste beslissing is gekomen!' (Gr XI, blz. 166) 'Toen sprak de ziel van Jezus, de Zoon des Mensen: "Vader, Uw wil is te allen tijde de Mijne en slechts wat Gij alleen wilt, geschiede".'

'Daarop sprak de Godheid in het hart van de Zoon des Mensen: 'Nog eenmaal zal Ik U vragen gelijk heden, en dan geschiede zoals Gij wenst, zo Gij dan nog hetzelfde antwoord geeft. Thans echter zie wat de wereld U zal bieden.' (Gr XI, blz. 167).

'De volgende morgen, nog voordat de zon was opgegaan, waren allen opge­ruimd, en wij gingen onmiddellijk naar buiten.' 'Aldaar riep Ik Mijn discipe­len, de twaalf apostelen, tot Mij en sprak aldus tot hen: 'Mijn vrienden, deze dag zal voor de Zoon des Mensen een zeer eervolle dag worden, omdat de Vader dit om de wil der mensen zo heeft beschikt".'

'De discipelen, bij wie ook Judas zich nu weer had aangesloten, vroegen Mij: "Heer, hoe bedoelt Gij dat, en hoe kunnen wij ons tegen de vijand bescher­men"?'

'Hierop wendde Ik Mij naar de stad Jeruzalem en riep luidt: "Gij echter, doch­ter van Zion, wees bereid om Uw Koning te ontvangen!"' (Gr XI, blz. 167) 'De discipelen zeiden nu niets meer, waren echter zeer verwonderd en fluister­den onder elkaar wat Mijn vreemde gedrag mocht beduiden.'

'Judas, die deze woorden had vernomen, zei glimlachend tot Johannes: "Vriend, de Heer weet zeer goed welke weg Hij moet bewandelen. Niet naar de hel, doch tot roem en eer van Zijn volk bewandelt Hij de weg van de gezalf­de".' 'Geestdriftig wendde hij zijn blik naar Mij, want Mijn luide uitroep scheen hem de bevestiging van al zijn wensen toe, zodat hij de weg naar alle eer en roem geopend zag die hem eveneens ten deel moesten vallen als wegbe­reider van de Messias, die veel aan hem te danken had.'

'Petrus keek verbaasd naar Judas, die een trotse, zelfbewuste houding ten toon spreidde; doch hij zweeg, omdat het hem uiterst wonderlijk toescheen hoe iedereen zich deze morgen gedroeg, en met de overige elf zette hij zijn weg rustig voort.' (Gr XI, blz. 168)

'Wij waren nu halverwege van Bethanië tot aan de poorten van Jeruzalem ge­vorderd. Voor ons lag aan de linkerzijde een plaatsje dat Betfage heette doch thans verdwenen is, toen Ik Mijn discipelen vroeg of twee van hen Mij een dienst wilden bewijzen. Hiervoor meldden allen zich. Ik echter koos Jo­hannes en Petrus en beval hun naar de plaats te gaan die zij voor zich zagen. Aldaar zouden zij bij het eerste huis een ezelin vinden, die daar graasde, vast­gebonden met haar veulen.' 'Dit veulen zult Gij Mij brengen; want Ik heb het van node! Wanneer men U vraagt wie U gezonden heeft zult Gij slechts ant­woorden: "De Heer is het, en Hij heeft het dier nodig", en men zal het U geven.' (Gr XI, blz. 169)

'Migram - de eigenaar van het veulen - had door Marcus veel over Mij ge­hoord en was over Mijn leer op de hoogte; als Romein, die zich niet om de joden in Jeruzalem bekommerde, omdat hij slechts met de afgezanten en bur­gers van de stad Rome omgang pleegde, beleed hij openlijk dat hij een aan­hanger van Mij was. Toen de twee discipelen dus bij zijn huis kwamen en daar ook de dieren vonden, waarna zij het jongste losmaakten, kwam de eigenaar vlug uit zijn huis, te zamen met enkele anderen die naar hem waren gekomen om fruit te kopen en vroeg op barse toon hoe zij het in hun hoofd haalden om het dier te willen meenemen. Johannes antwoordde gelijk Ik hem had bevo­len, en Migram, die ten zeerste verheugd was toen hij hoorde dat hij Mij een dienst kon bewijzen, haastte zich ook de oude ezelin los te maken om haar samen met het veulen aan Mij te geven. Dit hoewel de discipelen zeiden dat de Heer alleen het veulen nodig had.' (Gr XI, blz. 169-170)

'Toen wij nog met deze voorbereidingen doende waren kwam een grote schare de weg vanuit Jeruzalem op. Toen zij ons gewaar werden ijlden zij naar ons toe en binnen zeer korte tijd waren wij door enkele honderden mensen omringd, die Mij stormachtig welkom heetten en Mij als redder van Israël begroetten. Sommigen van hen waren echter joden op weg naar het feest, die Mij veelal van Mijn reizen door het land kenden en Mij en Mijn discipelen reeds vroeger als heilbrengers hadden leren kennen. Deze mensen prezen Mij als hun ko­ning, temeer omdat er bij hen mensen waren die destijds door Mij op wonder­bare wijze gespijzigd waren en reeds toen het voornemen hadden om Mij tot koning uit te roepen, wat de reden was waarom Ik van hen heenging.' (Gr XI, blz. 170)

'Toen de aanwezigen Lazarus gewaar werden, die zij allen goed kenden en wiens naam sinds zijn opwekking in aller mond was, kende de vreugde geen grenzen meer en onder hosanna - en heiIgeroep werden wij allen omringd. Ik verweerde Mij niet tegen deze eerbetuigingen doch besteeg zwijgend het voor­bereide dier, dat nu op de weg naar Jeruzalem toe liep. De menigte werd ech­ter steeds groter, omdat iedereen door het lawaai werd aangetrokken en ons volgde. De mensen sloegen groene boomtakken af en strooiden deze op de weg. Daarop breidden zij hun klederen uit en lieten het lastdier eroverheen lopen - dit alles waren eerbewijzen waarmee de vroegere koningen werden begroet. Toen wij de helling van de Olijfberg naderden, van waaruit men een ongehinderd uitzicht op Jeruzalem had, zagen wij duizenden bij de poorten staan, en het Kidrondal was vol mensen.' (Gr XI, blz. 170 e.v.)

'Toen wij bij de poort van Jeruzalem kwamen, die aan de zijde van de Olijf­berg de ingang vormde, probeerden de Romeinse poortwachters deze te slui­ten, omdat zij vreesden dat hier een opstand werd voorbereid.'

'Toen de Romeinen echter zagen dat het volk Mij vredelievend met boomtak­ken en palmbladeren in de hand naderde, zagen zij van alle weerstand af en sloegen de optocht met verwondering gade, omdat zij zoiets nog niet kenden en vermoedden dat het wellicht bij het feest behoorde. Zo konden wij allen ongehinderd de stad binnengaan en sloegen onmiddellijk de richting naar de tempel in.' (Gr XI, blz. 171)

'De Farizeeën, priesters en dienaren van de tempel waren inmiddels in grote opwinding geraakt, omdat zij niet wisten wat hun bij een zodanig grote volks­oploop te doen stond. Zij zagen al spoedig in dat het onmogelijk was deze met het geweld der wapenen te onderdrukken, omdat er beslist onmiddellijk een oproer tegen het tempelbeleid was ontstaan, dat toch al niet geliefd was. Het volk bevond zich in een roes van geestdrift, die met geweld niet te onderdruk­ken was. Er bleef hun dus niets anders over dan de zaken voorlopig op hun beloop te laten, om daaruit bij een onverwachte omwenteling zo mogelijk voordeel voor het prestige van de tempel te putten. Vooral de hogepriester Kajafas adviseerde in een ijlings bijeen geroepen raad om eerst af te wachten wat Ik eigenlijk van plan was en waar Ik de gehele beweging heen wilde lei­den.' (Gr XI, blz. 172)

'De dienaren van de tempel kregen echter snel de instructie om de handelaars die weer in vrij groten getale zaken dreven in de voorhallen van de tempel over Mijn aankomst te waarschuwen, zodat een ergerlijke scène, gelijk degene die Ik daar al eens had gemaakt, kon worden verhinderd. Deze maatregel kwam echter te laat, want nauwelijks hadden de geldwisselaars en handelaars, door het geschreeuw buiten de muren opgeschrikt, vernomen wat er gaande was, of zij pakten ook al, gedachtig aan Mijn vroegere daad, vlug hun waren bijeen en verlieten met hun koopwaar ijlings het gebouw.' 'Deze tweede zuivering van de tempel, die niet direct door Mijn optreden geschiedde, heeft tot het misver­stand geleid dat het eerder geschilderde optreden thans bij Mijn intocht zou zijn geschied, terwijl dit toch veel vroeger bij het begin van Mijn onderwijzen­de periode plaatsvond.' 'Toen het volk nu met veel geschreeuw de tempel bin­nendrong zocht het vooral naar de priesters; de mensen wilden van de hoge­priester Kajafas eisen dat hij Mij met heilige zalfolie tot koning zalfde, waarna zij Mij naar de Zionsburcht wilden brengen om Mij te huldigen. De priesters waren echter niet te vinden; het volk drong ongehinderd door de voorhoven het Heilige binnen.' (Gr XI, blz. 172 e.v.)

'De Farizeeën en oversten van de tempel hadden de licht ontvlambare stem­ming van het volk volkomen juist beoordeeld. Terwijl de mensen voordien niet van plan waren geweest om de priesters hun wil op te leggen, was thans door de indruk die het oord zelf maakte en waar door de afwezigheid van alle priesters geen persoonlijke vijandigheden mogelijk waren, op de algemene opwinding een plechtige stilte gevolgd alsook de verwachting van wat Ik zou doen. Ik had Mijn aanhangers geboden achter te blijven en zo stond Ik nu alleen, zichtbaar voor de gehele menigte. Met luide stem sprak Ik nu tot de schare:

'Het uur is gekomen dat de gehele wereld aan den lijve moet ondervinden waarnaar de wegen leiden die zij tot dusverre heeft betreden en eenieder moet beslissen of hij naar de Vader wil terugkeren of niet. Gij hebt Mij naar dit huis gebracht, waar de geest Gods vroeger zichtbaar woonde; doch thans is Hij uit deze muren geweken en leeg is dit oord geworden. Nu echter heeft hij een ander oord uitgekozen en ieder mens kan voor zichzelf een tempel bouwen, wanneer hij overeenkomstig Mijn woorden en Mijn leringen handelt, die Ik u heb gegeven.

Eenieder moge zich door de ootmoed laten dragen en dan rechtstreeks het gebouwde godshuis binnengaan, dat leeg is geworden doch door de daden der liefde gevuld moet worden. Iedere liefdedaad is een bouwsteen voor de tem­pel, en deze tempel zal met de tekenen der wijsheid en kracht gekroond wor­den, wanneer de liefde alleen de grondsteen vormt. Daarom echter ben Ik tot u gekomen, opdat gij van Mij de liefde moogt leren, die gij niet eert - niet de eigenliefde, die gij wel hebt, doch de liefde tot de naaste, die gij niet hebt, die u echter goddelijk maakt en alleen tot God kan leiden. Wanneer gij echter ge­looft dat ik uw koning ben en wil zijn, weet dan dat Mijn rijk niet van deze wereld is, doch dat dit in alle heerlijkheid in de mens woont en het erfdeel vormt, hetwelk de Vader de Zoon en door deze alle mensen op aarde en in alle hemelen heeft gegeven. Denkt dus niet dat ik in de burcht van David Mijn intrek zal nemen om een aards rijk te stichten. Wie Mij wil volgen, die volge Mij in Mijn daden, zo zal hij zalig worden!' (Gr Xl, blz. 173 e.v.)

'Opdat gij kunt zien wat de kracht van de Vader in de mens teweegbrengt, moge men Mij de zieken brengen, die lichamelijk lijden, opdat Ik hen kan genezen.' (Gr XI, blz. 174)

'Mijn woorden zijn de waarheid en omdat zij de waarheid zijn, zijn zij ook het leven en de kracht des levens. Ik heb er als mens steeds naar gehandeld en zo ben Ik een meester van het leven geworden. Daarom zeg Ik u allen: gaat heen en doet evenzo, doch zondigt niet meer, in woorden noch in daden! Zondigt niet meer door niets te doen wat tegen de liefde tot God en de naaste indruist, dan zult gij gezond blijven en ware meesters van het leven worden. Staat op en wandelt!

Na deze woorden verlieten alle gebreken de lichamen der zieken en zij ston­den op, gezond en krachtig naar lichaam. De omstanders echter braken weer in luide lofprijzingen uit en jubelden en loofden Mij ten zeerste. Velen viel voor Mij neer en trachtten Mijn handen en klederen te grijpen, teneinde deze te kussen. Ik weerde hen niet af, doch liet allen tot mij komen.

Velen wilden nu nogmaals een poging doen om bij de hogepriesters binnen te dringen en hun plannen om Mij te zalven ten uitvoer te brengen; de hogepries­ters echter hadden zich zo goed verborgen dat van hen geen spoor te bekennen viel, zodat de afgezanten al spoedig terugkeerden. Toen zij nu naar Mij toe­stroomden om Mij vol geestdrift te omringen, gebood Ik hun stilte en zeide tot hen die met geweld een koning wilden hebben: 'Zegt Mij, kan Hij die voor God staat als drager van diens kracht, op aarde nog hoger worden gesteld dan Hij reeds voor God staat?'

Toen sprak de aanvoerder van de schare enigszins onthutst: 'Hij zelve wil niet, Heer; doch zij die Hem aanhangen willen toch ook naar buiten toe een zicht­baar teken van Zijn macht, opdat onder Zijn machtige hand het volk gelukkig en niet onderdrukt moge worden!'

'Daarop sprak Ik: 'Wat had het volk gewonnen toen Samuël op wens van het volk Saul tot koning zalfde? Zeker geen vrede en rust, doch strijd en onrust. En waarom wel? Omdat het volk het zachte juk beu was geworden, dat de Heer hem voor zijn daden had opgelegd en naar de krachtige hand van een zichtbare heerser verlangde. Het heeft daarna ook niet aan koningen ontbro­ken en ook thans hebt gij in Herodes een koning gevonden. Gelooft gij nu dat een nieuwe koning, die gij in Mij zoekt, u vrede zou brengen, wanneer hij ook uiterlijk een zeer machtige koning wil zijn? Herodes en de Romeinen zouden trachten om al zijn aanhangers en hem zelf te vernietigen. Er zou ellende, oor­log en nood worden opgeroepen wanneer Ik uw aardse koning zou worden. Hoe echter zou dat met Mijn leer stroken: 'Heb uw naaste lief gelijk uzelve!', wanneer Ik u oorlog en moord zou brengen? Tooit Mij daarom niet met zulke uiterlijkheden! Mijn rijk is niet van deze wereld. Sticht in u het echte vredes­rijk, daar wil Ik steeds gaarne uw koning zijn en blijven.'

Na deze woorden wendden zij die een koning wensten zich mismoedig af en beweerden dat Ik geen held was, waarvan het volk Israel ook naar buiten toe heil te verwachten had. Zij mengden zich nu onder het volk en verborgen hun ontstemming niet. Doch daarmee kon de rest van het volk nog geenszins van Mij worden afgewend, omdat deze mensen te zeer onder de indruk waren van Mijn daden.' (Gr XI, blz. 174)

'De tempeljoden, priesters en Farizeeën hadden nu echter bemerkt, dat de stemming aanzienlijk was bedaard en enkelen van hen hadden zich verkleed onder het volk begeven om te weten te komen hoe de situatie nu was. Zij maakten weldra gemene zaak met de koningslustigen (d.w.z. zij die vastbeslo­ten waren een opstand te organiseren, Egg.) die nu zeer misnoegd waren en wilden het volk tegen Mij ophitsen en een omgekeerde stemming oproepen.' (Gr XI, blz. 178)

'Op soortgelijke wijze kozen ook de verklede tempeljoden tegen Mij partij en trachtten het volk terughoudend ten opzichte van Mij te stemmen.'

'Mijn ziel bespeurde nu dat Mijn laatste uur had geslagen en zij werd bedroefd vanwege het ophanden zijnde lijden en omdat het volk zo wankelmoedig was. Daarom zei Ik tot Mijn naaste omgeving: "Mijn ziel is thans bedroefd. En wat zal Ik zeggen? Vader, help Mij uit deze ure? Doch daarom (om het verlossingswerk te volbrengen, Egg.) ben Ik op deze wereld gekomen. O Va­der, verheerlijk Uw naam!" Toen klonk een stem uit de hemel, die echter in werkelijkheid in de harten van allen weerklonk, die nog hoe dan ook tot een geestelijk leven konden worden opgewekt: "Ik heb Hem verheerlijkt en zal Hem nogmaals verheerlijken."' (Gr XI, blz. 178 e.v.)

'Inmiddels echter hadden de priesters en tempeloversten vernomen, dat het volk was gekalmeerd en dat Ik geweigerd had een openlijke staatsgreep uit te voeren om Mij tot Heer en Koning te laten uitroepen. Voorts wisten zij dat deswege een zeker misnoegen was ontstaan. Zij trachtten snel voor zichzelf voordeel uit deze stemming te slaan. Alle priesters en levieten werden haastig bijeengeroepen om een schitterende stoet te vormen. Bazuinblazers schreden voorop en herauten verkondigden het volk, dat de hogepriester van de Heer het bevel had gekregen om een groot en buitengewoon zoenoffer voor de zon­den van het volk te brengen, omdat de Heer nu welgezind was en Hij alle zon­den zou vergeven, die het volk binnen een tijdsbestek van een half jaar had begaan. Met grote pracht en praal trokken de scharen plechtig voorbij en Ka­jafas zelf bracht het offer op het grote brandaltaar van de tempel. Met deze handeling bereikte de tempel zijn bedoeling, want het volk hechtte nog veel waarde aan de oude ceremoniën en aan alles wat de tempel voortbracht. Aldus werd dit een (tactische) tegenzet die zeer veel indruk maakte en die door zijn ongewone karakter een bijzondere indruk maakte op de gemoederen; reeds in de loop van de ochtend was niets meer te bespeuren van de grote geestdrift, die het volk bij Mijn intocht ten toon had gespreid.' (Gr XI, blz. 179 e.v.)

'Wij kwamen kort daarna bij Lazarus' huis aan. Eenieder was de weg zwijgend gegaan en herhaaldelijk troffen Mij bezorgde blikken van de Mijnen, omdat het hun allen duidelijk scheen dat Ik vandaag een beslissende slag had willen slaan, die echter, wat zij allen niet konden begrijpen, mislukt was. Waar was Mijn wonderkracht gebleven, die toch door een sterk uiterlijk teken Mijn zen­ding zo gemakkelijk had kunnen onderstrepen? Want het genezen van zieken beschouwden zij reeds als iets alledaags, dat ook Mijn discipelen konden vol­brengen en dat derhalve voor het volk niets bijzonders was. Ook de stem uit de hemel scheen hun niet boven alle twijfel verheven, omdat deze niet donderend genoeg had geschald om alle twijfel uit de weg te ruimen.

Al deze vragen bespraken Mijn mensen zeer uitvoerig, toen wij in Bethanië waren aangekomen en Ik Mij in een rustig vertrek had teruggetrokken om Mij, d.w.z. Mijn ziel te kalmeren en te sterken. Van Mijn naaste discipelen was Judas degene die zich over de klaarblijkelijke mislukking het meeste op­wond. Hij bracht onverholen naar voren dat Mijn al te grote zachtmoedigheid en goedheid het Mij onmogelijk maakten om het volk met macht te bejege­nen. Hij zeide: 'De Heer is beslist een mens met buitengewone kracht en wijs­heid en ik twijfel er dan ook in het geheel niet aan dat Hij en geen ander de verbeide Messias is; doch deze sterke geest, die dikwijls gelijk een bliksem met zijn buitengewone kracht in Hem woont, wordt omsloten door een te zwak omhulsel, dat voor de mensen nog teveel zwakke plekken vertoont. Niet lank­moedigheid en goedheid zijn de eigenschappen die de wereld regeren doch ook de vuist, die het zwaard kan voeren en zo nodig met bloedige gestrengheid toeslaat, verzekert het succes. Wanneer de Heer gedwongen was om Zichzelf en de Zijnen tegen de handen van de beulsknechten te beschermen, dan zou de in Hem wonende kracht gods wel volkomen anders moeten optreden, op­dat Hij met de Zijnen niet zal ondergaan, doch Zijn werk welig kan opschie­ten. Zo echter is het Hem tot dusverre steeds mislukt.'

Petrus sprak daarop tot hem: 'Judas, hebt gij nog niet gezien hoe vaak zowel de Heer als wij in het nauw worden gedreven en dat wij zonder de kracht die in Hem woont reeds lang ondergegaan zouden zijn? Bedenk hoe Hij de storm gebood en hoe vaak de aanslagen van de tempel, die beulsknechten naar ons toezond, werden verijdeld!'

Judas antwoordde: 'En toch is dat geen bewijs; want te allen tijde ging dit met zo gunstige omstandigheden gepaard dat wij ons wellicht ook zonder dit op eigen kracht nog uit de gevaren hadden kunnen redden. Neen, ik ben van me­ning dat, wanneer plotseling een lichamelijk gevaar op Hem zou toekomen dat een ieder kon zien en vrezen, de Heer dan toch zeker veel krachtiger zou moe­ten optreden? Zou het volk Hem dan niet heel anders aanhangen en niet door een dwaas en pompeus tempelspel kunnen worden afgeleid?'

Daarop zeiden Petrus en de anderen hoofdschuddend: 'Hoe zou zoiets kunnen geschieden en wie kan dat beslissen? De Heer zal zelf wel het beste weten wat Hij voornemens is en hoe Hij moet handelen.'

Judas zweeg peinzend en bleef de gehele dag duister en gesloten.

In Lazarus' huis was het rustig en niemand stoorde Mij, toen Ik alleen in Mijn kamer bleef en met Mijn Vader in Mij tweegesprekken voerde. Geen mens zal echter helemaal kunnen begrijpen hoe dat laatste mogelijk was.' (Gr XI, blz. 180-182)

'Nicodemus en ook diegenen die met hem mee waren gekomen, waren ernstig bezorgd om Mij en verzochten Mij dringend om Herodes niet te vertrouwen en Mij ook niet aan het gevaar bloot te stellen, dat thans van de tempel uitging. Zij alleen hadden gewaagd Mij deze berichten te brengen. Vele anderen uit hun kringen waren Mij eveneens goed gezind, doch met het oog op de Fari­zeeën waagden zij niet zelf tot Mij te komen.' (GR XI, blz. 183)

Jezus antwoordde hun: 'Weest niet bezorgd over datgene wat is geschied en nog zal geschieden. De Vader wil het zo.' 'Slechts korte tijd zal het nog duren, dan is de Zoon voor eeuwig in de Vader. Hoe dit echter kan worden bereikt, dat gaat u thans nog niets aan, doch het zal u en de gehele mensheid ten goede komen.' (Gr XI, blz. 184)

Daarop zei Nicodemus: 'Heer, wij begrijpen deze woorden niet geheel; ook lijkt het ons vooral noodzakelijk dat gij aan Uw eigen persoonlijke veiligheid denkt. Dat is de reden waarom wij hierheen zijn gekomen om deze voor U te bewaren voor zover het in onze macht ligt. Zou het daarom niet het beste zijn dat Gij dit oord verlaat om U te verbergen? De zoon van mijn broeder hier zou U veilig geleiden, omdat hij een groot aantal connecties in het buitenland heeft, waar Gij een tijdlang volkomen veilig zoudt kunnen leven.'

Daarop gaf Jezus ten antwoord: 'Weest niet zo dwaas! Ik heb de hulp der men­sen niet van node. Wanneer Ik Mijn vijanden wilde vernietigen, dat zou Ik dat zonder moeite kunnen doen. Zo echter wil Ik dat niet; want ook zij zullen het heil nog deelachtig worden en met hen het gehele volk. Ik blijf hier! Wees gerust, niemand zal Mij eerder kunnen grijpen dan tot Ik het zelf wil.' (Gr XI, blz. 184 e.v.)

Toen de ochtend aanbrak riep Judas Thomas ter zijde. Zij gingen naar buiten en spraken daar het volgende: 'Broeder', zei Judas, 'kunt gij de handelwijze van de Heer begrijpen?Wij zijn nu toch beiden gisteren getuige geweest van Zijn triomf, waarbij het voor Hem kinderspel zou zijn geweest om het volk, dat Hem vereerde, zo aan zich te binden dat het Hem gevolgd zou zijn waar­heen Hij maar wilde. In plaats dat Hij nu echter de hele wereld van Zijn Messiaszending overtuigde, laat Hij de vruchten van Zijn werk door de tempel uit Zijn handen nemen, doet echter niets van datgene waarop de hoop van het volk gevestigd is, hoewel in Hem toch waarlijk zo veel kracht is dat Hij de tempel en het gehele Romeinse rijk zou kunnen gebieden, wanneer Hij zich enige moeite getroostte. Welk nut heeft alle goddelijke kracht, waarmee Hij de stormen, de zieken en alle onheil kan gebieden, wanneer Hij zelf te zwak is om deze kracht te gebruiken waar zij van node is.'

'O, het hart trilt in mijn boezem van vreugde wanneer ik eraan denk hoe alles zou kunnen zijn - hoe het echter niet is. En waarom niet? Omdat Hij, de enige in wie de kracht Gods leeft, niet de moed tot een snelle en vastbesloten daad kan vinden.' (Gr XI, blz. 186)

'Ook ik ben er vast van overtuigd dat de wereld slechts van Hem het heil kan ontvangen, doch evenzo vast ben ik ervan overtuigd dat er iets moet geschie­den om dit heil te verwezenlijken. Thans of nimmer is de tijd ervoor.'

'Herodes is Hem welgezind. De macht van de Romeinen is juist nu hier gering, omdat zij hun strijdkrachten elders nodig hebben. Dus zijn alle omstandighe­den gunstig voor Hem, de machtigste man, als Hij maar wilde. Doch deze wil in Hem wakker te roepen, dat is de moeilijkheid. Want hoezeer hij draalt heb­ben wij gezien en wat de tempel wil hebben wij gehoord. Wanneer Hij in zich­zelf niet de moed vindt om te doen wat noodzakelijk is, dan moet Hij gedwon­gen worden het te doen.'

Geschrokken riep Thomas uit: 'Dwingen? Wie zal Hem dwingen uit Wie de Almachtige zelf spreekt?' (Gr XI, blz. 187)

Jezus ging daarop met Zijn discipelen naar Jericho. 'Aan de Jordaan brachten wij nog twee volle dagen door, nadat wij bij Lazarus waren weggegaan. Ik benutte deze tijd om de apostelen nogmaals hun roeping en Mijn leer duidelijk uiteen te zetten.' (Gr XI, blz. 189)

'Daarop nam Judas afscheid van ons en begaf zich naar Jeruzalem. Al spoedig vernam hij daar, dat iedereen over Mijn plotselinge verdwijnen verwonderd was. Van de grote geestdrift die Mijn intocht teweeg had gebracht was niets meer overgebleven. Het volk was thans grotendeels van mening, dat Ik voor de macht van de tempel gevlucht was. Deze zelf werd echter door de tempel­wachters en de soldaten van Herodes zwaar bewaakt. Bovendien trokken iedere dag Romeinse soldaten door de stad om eventuele volksoplopen uiteen te drijven. De tempel had reeds bij de landvoogd Pontius Pilatus bescherming tegen eventueel oproer aangevraagd en Mij als volksophitser aangeklaagd.

Pilatus had ook reeds een onderzoek ingesteld, waaruit echter was gebleken dat het volk generlei vijandige houding had ingenomen, doch slechts een grote geestdrift ten toon had gespreid voor de wonderheiland, die Pontius Pilatus zeker ook al kende. Hij hechtte daarom ook niet al te veel waarde aan de ge­beurtenis, doch liet met het oog op de orde, die gehandhaafd moest worden, regelmatig troepen soldaten door de stad patrouilleren. Het volk werd door deze maatregelen sterk geïntimideerd, omdat het maar al te goed wist dat de macht en gestrengheid van Rome bij uitspattingen gevreesd moest worden.

De tempel had nu weer veel verloren terrein teruggewonnen en de dienaren van de tempel achtten de tijd gekomen om een vernietigende slag tegen Mij te slaan - wanneer zij maar geweten hadden waar zij Mij zonder gevaar konden grijpen; want dat dit niet zo gemakkelijk was hadden zij al vaak genoeg onder­vonden. In een geheime bijeenkomst werden de mogelijkheden uitgebreid van alle kanten bezien, zonder dat de tempeliers het eens konden worden. Toen werd hun gemeld dat een mens de Hoge Raad een inlichting wilde doen toekomen waar de Nazareeër zich bevond.' (Gr XI, blz. 190)

'Zeer verheugd liet Kajafas Judas Iskarioth bij zich komen en geleidde hem voor de Hoge Raad.' (Gr XI, blz. 190)

Kajafas vroeg hem toen: 'Weet Gij waar Hij zich thans bevindt?' Judas ant­woordde: 'Neen, want ik weet niet of Hij dat oord reeds heeft verlaten. Doch ik weet dat Hij, zoals altijd, ook dit jaar het paaslam temidden van Zijn aan­hangers wil eten en dat dit nergens anders dan in de nabijheid van de stad zal geschieden. '

Eén van de Farizeeën zei: 'Het beste zou zijn als wij Hem 's nachts gevangen konden nemen - enerzijds vanwege het volk, dat Hem toch zeer vereert, en bovendien heb ik steeds horen zeggen dat de kracht van dergelijke tovenaars des nachts zwakker zou zijn.'

'Kajafas wilde niets daarover horen, omdat hij ervan overtuigd was dat de Na­zarener niet over andere bovennatuurlijke krachten beschikte dan de Esse­nen, die daarvoor bekend genoeg waren, doch hij was er desondanks eveneens voor Jezus 's nachts vast te nemen, om zo weinig mogelijk opzien te baren.' (Gr XI, blz. 191).

'Daarom werd er met Judas afgesproken, dat hij op de dag van het paaslam 's nachts naar de tempel zou komen, om van daaruit de beulsknechten naar de plaats te leiden waar de Nazarener te vinden was. Kajafas vroeg hem wat hij voor deze dienst wilde hebben. Judas, die er zich heimelijk over verheugde dat de Hoge Raad in de, naar hij geloofde, gezette val was gelopen, was nu nog meer verblijd dat zijn plan hem ook nog geld zou opleveren - wat aanvankelijk niet zijn bedoeling was geweest - en hij eiste nu de dertig zilverlingen op, die hem ook beloofd werden wanneer hij op de avond van de daad aanwezig zou zijn.' (Gr XI, blz. 192)

'Judas zag duidelijk in dat Ik er ook in de toekomst in zou slagen het gehele volk achter Mij te brengen, wanneer Ik de één of andere heldhaftige daad vol­bracht en dat het volk wel dat achterdochtig was geworden, doch niet geheel van Mij was afgevallen. Dit besef verheugde hem en sterkte hem nog meer in zijn plannen Mij in een positie te brengen die Mij zou dwingen om, teneinde Mij Mijn aanvallers van het lijf te houden, deze wellicht te vernietigen of toch zodanig onschadelijk te maken, dat een ieder duidelijk kon constateren dat niemand op aarde Mij het hoofd kon bieden wanneer Ik werkelijk wilde.' (Gr XI, blz. 192)

'Toen het middaguur was aangebroken liet Ik de Mijnen vertrekken en wij begaven ons weer naar de landweg tussen Jeruzalem en Jericho. Het was ech­ter heden de dag van het paaslam.' (Gr XI, blz. 193)

'Wat er op deze avond (in de avondmaalzaal, Egg.) allemaal werd gezegd, dat heeft de evangelist Johannes exact opgetekend en kan aldaar worden nagele­zen. Hier moet slechts het een en ander worden toegevoegd, opdat men beter moge begrijpen hoe de gebeurtenissen zich hebben afgespeeld.'

'Het was gebruikelijk dat de heer des huizes na de maaltijd nog een kleinigheid gaf en daarbij een spreuk uit de Schrift tot degene zei, die deze mondvol kreeg.' 'Terwijl Ik nu deze mondvol toebereidde werd Mijn ziel door een grote bedroefdheid bevangen en Ik sprak de woorden: 'Eén onder U zal Mij verra­den!' De discipelen, die ontsteld waren over deze uitspraak, die hun onver­klaarbaar toescheen, bestormden Mij met vragen hoe Ik dat bedoelde en wie Mij zou kunnen verraden. Ik echter weigerde antwoord te geven en begon de porties uit te delen, waarbij Ik allen naar gelang hun karakter nog een verma­ning gaf. Petrus, die de eerste was, was het meest van Mijn uitspraak onder de indruk en beduidde Johannes, die naast Mij zat, dat hij moest zien te achterha­len wie degene was die Ik bedoelde.'

'Het "aan de borst liggen" is algemeen verkeerd begrepen, waarbij de vele uitleggingen slechts door een verkeerd begrip van het taalgebruik zijn ont­staan. Wij lagen niet aan, zoals de Romeinen deden, naar vaak wordt aange­nomen - dit gebruik verwierpen de joden als heidens, zoals zij alles vermeden wat hen met heidense volkeren op één niveau zou hebben gesteld -, doch wij zaten. Degene aan wie een bijzondere onderscheiding van vriendschap ten deel zou worden, zat aan de rechterhand van de heer des huizes en werd door hem daardoor geëerd, dat hij de spijzen voor hem toebereidde. Wanneer dit geschiedde dan moest de heer des huizes zich dikwijls naar hem toekeren, hem de borst toewenden. In het taalgebruik van die tijd betekende deze omstandig­heid datgene, wat nu met "aan de borst liggen" is vertaald, waardoor echter een ander begrip is ingeslopen dat niet was bedoeld.'

'Johannes stelde Mij nu fluisterend deze vraag en tot hem, die de meest ver­trouwde van Mijn discipelen was, zei Ik: "Hij is het, aan wie Ik een mondvol geef!" - waarop Judas dit kreeg met de woorden: "Wat gij doet, doe dat spoe­dig"!'

Natuurlijk konden de andere discipelen uit deze uitspraak niet opmaken wat Ik bedoelde. Judas echter, die reeds door Mijn eerste opmerking geschrokken was, omdat hij voelde dat deze op hem sloeg, vatte deze woorden nu geheel en al als aansporing op om zijn plannen uit te voeren, stond vlug op en verliet de zaal, innerlijk triomferend. Al de hoogmoed van een toekomstige medeheer­ser, die hij door Mij nu hoopte te worden, alsook de zeer grote begeerte om onder roem en eer te worden bedolven, vervulde hem nu zo, dat Satan met alle hoogmoedsduivels zijn ziel volledig in bezit nam, die slechts de gloeiende wens bezat te heersen en alle tegenstanders te vernietigen.' (Gr XI, blz. 194-195)

Jezus brak nu het brood en sprak daarbij de woorden die op blz. 164 zijn geci­teerd.

'Wij gingen nu de poort uit en begaven ons naar de Olijfberg. Daar lag de tuin, die thans nog "Gethsemane" wordt genoemd, echter op een geheel andere plaats. De hof van Gethsemane behoorde bij die herberg aan de Olijfberg die eigendom was van Lazarus en als populaire uitspanning bekend was. Beneden deze herberg, die op de heuvel lag en een wijd uitzicht bood, lag een parkach­tig stuk groen, waardoor een lommerrijke weg naar de top leidde. Dit park zelf was het eigenlijke Gethsemane; daarom ligt het ook op een heel andere plaats dan waar men het thans vermoedt, dat slechts dezelfde naam heeft, omdat de zeer oude bomen, die daar staan, het voor de latere zoekers van dit oord waar­schijnlijk maakten dat zij de juiste plaats hadden gevonden.' (Gr XI, blz. 196)

'Wij lieten ons terzijde van de weg neder, en Ik verzocht Petrus, Johannes en Jacobus om met Mij enigszins bij de anderen weg te gaan. Zij deden aldus en volgden Mij. Hier kwam nu het ogenblik, waarop de volle kracht van het nade­rende onheil de ziel van de Zoon des Mensen overviel en de Godheid zich weer volledig terugtrok om de mens Jezus tot een volkomen vrije beslissing te laten komen. Daarom voelde deze ook hoe beangstigend dit uur was en zei: "Mijn ziel is dodelijk bedroefd!" Hij zei dan ook tot Zijn drie apostelen: "Blijft hier en waakt met Mij!"

Alsdan begaf Hij zich ter zijde en bad de woorden: "Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat deze beker Mij voorbijgaan; doch niet gelijk Ik wil, maar ge­lijk Gij wilt!"

Aangezien echter uit deze woorden nog geen eigen vaststaand besluit blijkt, keerde de Godheid ook nog niet in Hem terug; Jezus keerde naar de Zijnen terug en vond hen slapende.' (Gr XI, blz. 197)

'Jezus ging nu terug en bad nogmaals: "Mijn Vader, indien deze beker niet kan voorbijgaan, tenzij dan dat Ik die drinke, Uw wil geschiede"!'

Weer door onrust gedreven, zocht de ziel aansluiting en steun bij hun zielen, en vond hen weer slapende en wel zo vast, dat zij niet ontwaakten doch slechts slaapdronken bewogen toen Hij hen toeriep.

Thans had Jezus, de Zoon des Mensen, gezegevierd.

Met een blik vol medelijden overzag Hij de Zijnen, ijlde terug en riep luid: 'Vader, Ik weet dat het mogelijk is dat deze beker aan Mij voorbijgaat; doch slechts Uw wil geschiede, en daarom zal Ik hem drinken!'

Toen keerde de Godheid volledig in Hem terug en steunde Hem, doordrong Hem geheel en sprak: 'Mijn Zoon, Gij moest een laatste maal beslissen. Nu zijn Vader en Zoon in U verenigd en voor eeuwig onscheidbaar geworden. Draag, wat U te dragen is gegeven! Amen!' (Gr XI, blz. 197 e.v.)

'Daarna rees Ik op en ging naar Mijn discipelen, die weer slapende lagen, en wekte hen...'

'Op dit ogenblik naderde een schare bewapende tempelwachters met fakkels, die door Judas werd aangevoerd en die hij naar de herberg wilde leiden, waar hij aannam dat Ik Mij ophield. De discipelen echter vroegen Mij wat dat te betekenen had. Ik echter gelastte hun terug te treden en ging de schare op de weg tegemoet. Toen Judas Mij zag, trad hij op Mij toe en wilde Mij kussen als herkenningsteken voor de beulsknechten. Ik echter weerde hem af en zeide: "Judas, verraadt gij zo de Zoon des Mensen? Het zou beter voor u zijn als gij nimmer waart geboren"!'

Vervolgens wendde Ik mij tot de groep en vroeg met luide stem: 'Wie zoekt gij?' De aanvoerder antwoordde; 'Jezus van Nazareth!' Daarop liet Ik Mij met de woorden 'Ik ben het!' kennen en trad enige schreden naderbij.

De beulsknechten echter deinsden terug, omdat zij over Mijn kracht reeds veel hadden gehoord en deze vreesden - wat ook de reden was waarom Kaja­fas uitsluitend zulke knechten had uitgekozen, die Mij nog niet kenden. Enke­len van degenen die achteraan stonden vielen zelfs op de grond toen de voor­sten haastig achteruit weken.

Ten tweeden male vroeg Ik hen, omdat de knechten slechts aarzelend en ang­stig op de weg stonden: 'Wie zoekt gij?' En op het herhaalde antwoord van de aanvoerder herhaalde Ik: 'Ik zeide u, dat Ik het ben. Indien gij dan Mij zoekt, laat dezen heengaan!'

Toen de knechten nu merkten dat hun niets geschiedde, schaamden zij zich over hun aanvankelijke angst, drongen naar Mij toe en omringden Mij weldra, terwijl de aanvoerder hun toeriep dat zij slechts op Mij moesten letten, omdat het bevel van de hogepriester slechts luidde dat Ik gevangen moest worden genomen.' (Gr XI, blz. 198)

'Judas echter stond erbij en wachtte dat er iets zou gebeuren, waardoor de wachters de moed zouden verliezen. Aangezien er echter niets geschiedde, geloofde hij des te zekerder dat Mijn kracht voor de Hoge Raad wel tot uiting zou komen.' (Gr XI, blz. 199)

'De stoet ging nu over de beek Kedron door dezelfde poort waardoor Ik Mijn intocht had gehouden. De tempelwachters brachten Mij eerst voor Annas, die de zwager van de hogepriester Kajafas was. Annas was daarom de eerste naar wie Ik gebracht werd, omdat hij de plaatsvervanger van Kajafas was en in deze kwestie steeds bijzonder actief was geweest; dat was ook de reden waarom hem het eerst werd gemeld, dat men erin geslaagd was Mij gevangen te nemen. Het is zeker niet de bedoeling hier al datgene te herhalen wat in het evangelie naar Johannes reeds uitvoerig is behandeld - want dit geschrift beoogt niet het Johannes-evangelie overbodig te maken -, doch door de volgende historische gebeurtenissen zal slechts worden aangevuld, wat als een hiaat moet worden beschouwd. De wijze waarop Annas Mij ontving en ook de val van Petrus moet derhalve daar worden nageslagen.

Annas zond Mij gebonden naar Kajafas.

Judas, die nu inzag dat alles anders scheen te verlopen dan hij had bedoeld, zag hoe Ik werd weggeleid en volgde ontdaan en vol vrees dat zijn plan zou misluk­ken. Hij wilde ook met Mij bij de hogepriester binnendringen, maar hij slaag­de er niet in toegang te verkrijgen.

Bij Kajafas was de gehele Hoge Raad bijeengekomen, die reeds lang ongedul­dig en vol wraaklust op Mijn verschijnen wachtte. Daar werd nu een formele aanklacht tegen Mij ingediend en er traden getuigen tegen Mij op, die moesten getuigen, dat Ik hoogverraad had gepleegd. Hiertoe werd in de eerste plaats de intocht gebruikt, alsook het feit dat Ik gewaagd had het heiligdom te betre­den en Mij daardoor priesterlijke kracht had toegeëigend, die Ik niet bezat. Vervolgens werd onomstotelijk bewezen, dat Ik het volk tegen de Romeinse keizer wilde opruien, om Mijzelf tot koning te maken. Toen het er echter om ging getuigen te vinden, die onder ede konden verklaren dat deze bedoeling uit Mijn woorden was gebleken, trad niemand naar voren.

Ten slotte traden de getuigen op die berichtten, dat Ik gezegd had: 'Breekt deze tempel af, en binnen drie dagen zal Ik hem weer opbouwen!'

Kajafas zei nu dat dit een smaad tegen de tempel zelf was; want om zulks te volbrengen was goddelijke macht van node, die alleen de Gezalfde des Heren, die ooit met grote macht bekleed zou komen, kon bezitten. Ik echter had ge­zegd dat Ik Christus, de Gezalfde was en zo bezwoer hij Mij te zeggen of Ik werkelijk Christus, de Zoon Gods was. Daarop antwoordde Ik: 'Gij zegt het; doch Ik zeg u: Van nu af aan zal het geschieden, dat des Mensen Zoon zal zitten ter rechterhand van de Kracht Gods en zal komen in de wolken des he­mels tot de Vader, die in Hem woont!'

Toen verscheurde de hogepriester zijn klederen en sprak: 'Hij heeft God ge­lasterd! Wat hebben wij verder nog voor getuigen nodig?! Gij hebt Zijn Gods­lastering gehoord.'

Natuurlijk stemden spoedig allen met hem in; want in de raad waren slechts die bijeen, waarvan Kajafas wist, dat zij hem toegewijd en onderdanig waren. Voor degenen, die Mij echter vriendelijk gezind waren - zoals reeds bij de laatste zittingen was gebleken -, was het plan om Mij te vangen, en het verraad van Judas Ischariot verzwegen. *(*Het voor de theologen bestaande raadsel, of ook Nicodemus en andere met Jezus bevriende leden van het sanhedrin Jezus ter dood veroordeeld hebben, wordt door de bekendmakingen in de NO opgelost. Het veronderstellen van vele auteurs, dat Nicodemus 'Jezus als godslasteraar zou hebben verdoemd"', wordt als onjuist aangetoond. Nicodemus en de overigen, die zich bij de voorbesprekingen voor Jezus hadden ingezet, werden voor de beslissende zitting niet door Kaja­fas uitgenodigd.)

 Zo was dan ook het doodsoordeel snel gereed en het kwam er alleen nog maar op aan, de toestemming van Pontius Pilatus te ontvangen.

In de vroegte werd ik daarheen gebracht en werd de zaak aan de landvoogd voorgelegd: 'Ik zou een rebel en godslasteraar zijn en zou als zodanig ter dood veroordeeld moeten worden. Pontius Pilatus, die Mijn intocht zeer goed be­kend was en daaraan niets rebels had kunnen vinden, zocht Mij te redden, daar hij als Romein geneigd was in Mij een soort halfgod van bijzondere krachten te zien. Hij sprak nu met Mij, zoals het in het evangelie van Johannes te lezen is en sprak tot de voor het gerechtsgebouw staande tempelieren, dat hij geen schuld aan Mij kon vinden.' (Gr XI, blz. 199-201)

'De priesters en tempeliers hadden hun gehele aanhang opgeroepen (25000 mensen leefden in Jeruzalem van de tempel, Egg.)24, die voor het gerechtsge­bouw stond en deze liet niemand van het overige volk toe, zodat de geïntimi­deerde menigte van Mijn aanhangers niet vlakbij stond, doch slechts deze tem­pelgemeenschap**,(**Daaruit blijkt, dat de gebruikelijke veronderstelling, dat dezelfde mensen in Jeruzalem op één dag 'Hosanna' en kort daarop 'Kruisigt Hem' zouden hebben geroepen, op een volledig verkeerde interpretatie van de werkelijke feiten berust) die met alle macht probeerde haar doel te bereiken om Mij uit de weg te ruimen.' (Gr XI, blz. 202) 'Zij hadden besloten Mij gevangen te nemen en als politiek opstandeling voor Pilatus te leiden; wanneer hij Mij veroordeelde, dan zou hij ongewroken blijven. Wanneer hij Mij echter niet zou veroordelen, dan wilden zij (de priesters) hem bij de keizer zelf als ver­dacht persoon beschuldigen, waarbij Herodes hun met genoegen zou hebben geholpen.

Weliswaar kwam dit plan Pilatus ter ore, doch deze wist niet hoe hij het kon voorkomen; daarom besloot hij een en ander af te wachten. Doch terwijl hij nog met zichzelf overlegde wat hij kon doen wanneer de opperpriesters hem met de beruchte Jezus werkelijk dusdanig in het nauw zouden brengen, zie, toen kwamen zij reeds met de gevangene en eisten dat er onmiddellijk recht werd gesproken. Pilatus - die volledig overrompeld was - vroeg met donde­rende stem: 'Wat heeft deze rechtvaardige misdaan, bij wie ik geen schuld kan vinden?!' Doch de priesters en hun betaalde aanhangers schreeuwden nog tienmaal harder: 'Deze is een volksmenner, een ophitser, een sabbatschender, een godslasteraar en hij geeft zich uit als de Zoon van de levende God! - Dit alles is volgens onze wetten, die Rome respecteert, en ook volgens de wetten des keizers iets dat met de dood dient te worden bestraft; dus veroordeel Hem, laat Hem kruisigen, of gij zijt de vijand des keizers!'

Deze uitdaging echter ontstelde Pilatus en hij wist werkelijk niet wat hem te doen stond. Hier, dacht hij in der haast bij zichzelf, kan ik niets anders doen dan mij bij deze kwade list goed houden en in de naam van het ondoorgronde­lijke noodlot datgene doen wat deze gehate priesterkaste van mij eist.' (Gr XI, blz. 227)

'Pilatus was geïntimideerd - want hij kende de tempel en wist dat deze tot alles in staat was...' (Gr XI, blz. 203)

'Pilatus liet geen middel onbeproefd om Jezus te bevrijden, doch alles was ver­geefse moeite, tot hij uiteindelijk in opperste verontwaardiging in het open­baar zijn handen waste en sprak: "Ik wil mij niet bezoedelen met het bloed van deze rechtvaardige. Gij echter hebt zelf een wet, neemt Hem en veroordeelt Hem.'

Toen schreeuwden de opperpriesters: "Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen! Wij mogen echter onze handen niet met bloed bezoedelen, geef ons daarom Romeinse soldaten!'" (Gr XI, blz. 228)

'Doch toen de gehele menigte na Barabbas' vrijlating des te hardnekkiger op Jezus' kruisiging aandrong, er pertinent op tegen was Hem in een kerker te laten werpen en Pilatus een lafaard noemde, werd deze zeer toornig en sprak: "Daar, gij ellendigen! Neemt uw misdadiger, die rechtvaardiger is dan gij zijt, en daar zijn de beulsknechten! Gaat heen en doet met Hem wat u goeddunkt, mijn getuigenis over Hem en over u zal door mij eigenhandig worden opge­steld!" Met deze woorden verwijderde hij zich en liet Jezus aan hen over, waarna de priesters Hem door de beulsknechten lieten grijpen en kruisigen.' (Gr XI, blz. 228)

Wij moeten hier nader ingaan op een vraag, die de historici en theologen se­dert lange tijd bezighoudt. Dit is de kwestie wat de machtige procureur, die overigens meedogenloos en wreed met de joden omging, ertoe bewoog voor de druk van de opperpriesters te bezwijken en Jezus tegen beter weten in ter dood te veroordelen. Waar bestaat in de geschiedenis van de rechtspraak een soortgelijk geval, dat een rechter een beklaagde onschuldig acht, dit uitdruk­kelijk verklaart en hem vervolgens tot een gruwelijke dood veroordeelt? En­kele auteurs trachten het probleem op primitieve wijze op te lossen: Zij ver­klaren de uitspraak van Pilatus dat hij Jezus niet schuldig acht, als onecht, d.w.z. dit zou een inlassing in de oorspronkelijke tekst zijn die achteraf werd uitgevoerd. Dergelijke grove vereenvoudigingen zijn steeds verdacht en lei­den ook in dit geval niet tot opheldering van de feitelijke stand van zaken. Anderen, zoals bijvoorbeeld Rudolf Bultmann, zijn van mening dat Pilatus als 'buitenstaander' het 'eigenaardig onpolitieke karakter' van Jezus' onderwij­zende activiteit niet zou hebben begrepen en Jezus bij vergissing ter dood zou zijn veroordeeld.26 Deze veronderstelling strookt niet met de duidelijke uit­spraak van Pilatus, die alleszins plausibel schijnt. Pilatus was zeer goed op de hoogte met Jezus' redevoeringen en bedoelingen. Er bestaat geen twijfel over dat de Romeinen een man die herhaaldelijk 20000 à 30000 mensen om zich heen kon verzamelen, scherp bewaakten. Bij de politiek explosieve situatie in Palestina waren de Romeinen op hun hoede, want zij beschikten in Palestina slechts over drie cohorten infanterie (ongeveer 2500 man) en 500 man cavale­rie.27 Bij de opstand in het jaar 68 werden deze strijdkrachten door de veel talrijker bewapende joden binnen zeer korte tijd afgemaakt. Pas toen in de loop van de jaren 69 en 70 legioenen uit andere gebieden waren samengetrok­ken, veroverden de Romeinen het gehele land terug.

Andere auteurs beschouwen Jezus als een werkelijke opstandelingenleider en beweren dat hij terecht werd veroordeeld. Met deze vervalsers van de werke­lijke feiten, die de teksten van het evangelie geweld aandoen, zullen wij ons in het volgende hoofdstuk nog nader bezig houden.

De Nieuwe Openbaring brengt ons samen met de historische feiten uit de wir­war van vermoedens en vervalsingen en werpt een nieuw licht op de achter­gronden van de door Pilatus begane justitiële moord.

Om het gebeuren te begrijpen moeten wij ons kort met de gebeurtenissen be­zighouden, die rondom die tijd in Rome plaatsvonden. Ten tijde van Jezus' veroordeling door Pilatus regeerde keizer Tiberius. De nauwste medewerker van de keizer was de generaal van de pretorianengarde, Sejanus. Deze was een jodenhater zonder weerga. In het jaar 19 verdreef hij de joden uit Rome. Zijn plannen gingen echter nog veel verder. Hij eiste, naar de geschiedschrijver Eusebius bericht, 'de uitroeiing van het gehele joodse ras.' (Universam gen­tem Judaeorum deperdendam exposcebat, Euseb; Chroniek, Armenisch p. 150. Vgl. Philon, Legatio, 24, 160)28

In het jaar 26 wordt Sejanus de machtigste man naast de keizer. De ouder wordende Tiberius vindt het regeren niet meer zeer attractief en trekt zich te­rug op zijn kasteel op het eiland Capri. Hij laat echter niet na om Sejanus, die nu verantwoordelijk is voor de regeringszaken, in het geheim te laten bewaken en daar doet hij goed aan. Sinds Lucifers tijden zien hoogstaande persoonlijk­heden het dikwijls niet graag dat er een nog hogere boven hen staat. In datzelf­de jaar benoemt Sejanus Pilatus, die een ridder van de laagste klasse was en volgens het toenmalige gebruik normaliter niet voor een zo hoge positie in aanmerking zou zijn gekomen, tot procureur in Judea. Sejanus moet geweten hebben dat Pilatus een jodenverachter was. Over verdere gebeurtenissen be­richt E. Stauffer als volgt: 'In het jaar 30 treft Sejanus de voorbereidingen voor een grondige en grote actie tegen de joden op de gehele wereld. De stadhou­ders en procureurs in de provincies krijgen hun geheime instructies, ook en vooral Pilatus, die slechts op deze wenk heeft gewacht. In het voorjaar van 30 laat Pilatus een nieuwe provocatiemunt slaan met de lituüs, de kromstaf van de goddelijke keizer. In hetzelfde jaar verliest het grote sanhedrin in Jeruzalem de bloedjurisdictie.'29

'In januari 31 verkrijgt Sejanus samen met de keizer het consulaat voor vijf jaar. Pilatus verlengt zijn muntuitgifte met de provocerende lutuüs en richt een bloedbad aan onder de Pascha-pelgrims in Jeruzalem. De karaktervolle procureur ontvangt (waarschijnlijk op aanbeveling van Sejanus) de eretitel Amicus Caesaris, vriend des keizers, een functie die hem van de hoogste privi­leges en een schitterende carrière verzekert. Alle bakens staan op storm.

Doch Tiberius weet allang dat zijn consulaatcollege hem opzij wil schuiven, en hij is hen vóór. Op 18 oktober 31 wordt Sejanus in Rome gevangengenomen en geëxecuteerd. Zijn vrienden worden naar Rome geroepen en sterven in groten getale door zelfmoord of door de beul. Tegelijkertijd begint in het ge­hele keizerrijk de jacht op alle mogelijke revolutionairen en troonpretenden­ten. Tevens krijgen de provinciechefs het bevel alle antisemitische maatrege­len ogenblikkelijk stop te zetten. '30

Pilatus, die door Sejanus' gunst procureur in Judea was geworden, vreest nu het ergste. Zoals uit een brief van Herodes Agrippa I aan keizer Caligula blijkt, was van nu af aan de gedachten aan een eventuele klacht van de joden bij de keizer de nachtmerrie van Pilatus (Philon, Legatio 38/299/305). Hij trachtte alles te vermijden wat hem in het licht van de schijnwerpers zou kun­nen plaatsen. De hoge joodse geestelijkheid was over de gehele situatie uitste­kend op de hoogte, en de chantagetactiek van de opperpriesters, die zich in het proces tegen Jezus aftekende, was tevoren gecalculeerd. Toen zij merkten dat Pilatus aarzelde om hen terwille te zijn en een onschuldige ter dood te laten brengen, brachten zij hun zwaarste geschut in de strijd: 'Veroordeel Jezus, anders zijt gij een vijand van de keizer!' (Gr XI, blz. 227) Pilatus begreep deze taal! Hij was een ruwe en niets ontziende opportunist, wie het in deze voor hem hachelijke situatie ook niet op een justitiële moord aankwam. Doch deze misdaad kon hem ten slotte toch niet voor de zozeer gevreesde diepe val red­den. De wrede handelwijze die hij enkele jaren later tegenover onbewapende bedevaartgangers in Samaria aan de dag legde kwam de keizer ter ore, die hem vervolgens afzette en verbande. Pilatus werd echter niet, zoals de legende bericht, naar Gallië verbannen, doch naar een plaats in de buurt van Pompeji bij Napels, waar hij zijn leven onder zeer behoeftige omstandigheden beëin­digde (vlgs. Gr XI, blz. 269)

Over het verdere verloop van de lijdensgeschiedenis bericht de Nieuwe Open­baring nog het volgende: 'Het is niet de bedoeling een exacte beschrijving te geven van alle martelingen die Mijn lichaam moest doorstaan, want dat zijn dingen die de ziel van geen enkel mens nog in het lichaam kan bevatten.' 'Hier dienen slechts verschillende vergissingen te worden rechtgezet en duidelijk­heid in de zaak te worden gebracht, opdat aan de hand van de evangeliën, die over de lichamelijke dood vrij nauwkeurige informatie verschaffen, een dui­delijk beeld van de laatste ure van de Zoon des Mensen kan worden opgeroe­pen.' (Gr. XI, blz. 204)

'Simon van Cyrene nu, die een aanhanger van Mijn leer en als zodanig de priesters zeer goed bekend was, ontmoette de tocht en zag mijn ellendige si­tuatie vol ontzetting en medelijden aan. Toen riep één van de tempeliers hem honend toe: 'Zie thans uw grote Meester, die zichzelve niet kan helpen! Nu komt al Zijn bedrog duidelijk aan het licht!' Simon antwoordde verontwaar­digd en helderziend: 'Gij zult de ure nog vervloeken waarin gij dit hebt ge­daan! Ik echter wens mijn Meester te kunnen dienen opdat deze smartelijke weg voor Hem lichter worde.'

'Dat zult Gij!' riepen enkele priesters toornig. 'Want omdat gij het waagt de handelingen van de tempel te smaden, leggen wij u een boete op! Gij zult het kruis van uw meester dragen!'

Toen Simon dat hoorde snelde hij vol vreugde nabij, nam het zware kruis op zijn sterke schouders en reikte Mij, die op de grond lag, nog zijn hand om Mij te steunen. Ik nam deze, en Simon werd in zijn kracht zozeer gesterkt, dat het hem licht viel de zware last te dragen.

Al mijn naaste vrienden echter, die tijdens de veroordeling niet bij het ge­rechtsgebouw hadden kunnen komen, waren thans meegekomen. Ook nader­de een groot deel van het volk dat eerst geïntimideerd achteraf had gestaan, toen de mensen van de tempel 'kruisigt Hem!' riepen. Dezen namen al spoedig een dreigende houding aan toen de stoet de poort naderde, waar een wat gro­ter plein een mensenoploop mogelijk maakte. De Farizeeën hadden iets der­gelijks al verwacht en hadden derhalve een vrij grote afdeling Romeinse solda­ten aangevraagd, die de stoet opwachtte aan de poort die naar Golgotha leid­de, om de orde te handhaven. Toen zij die Mij welgezind waren, beseften dat Ik reddeloos verloren was en een eventuele bevrijding met geweld uit de han­den van de beulsknechten van de tempel onmogelijk was, hieven zij een luid geweeklaag aan, waarmee vooral de vrouwen instemden.

Ik wendde Mij derhalve tot de omstanders en zei hun: 'Weent niet om Mij, doch om u en uw kinderen; want dezen zullen nog ergere dingen overkomen dan dat wat gij hier met Mij ziet gebeuren! Ik keer terug tot Mijn Vader; zij echter zullen niet weten waarheen zij gaan!'

'In de overlevering staat geschreven, dat de dienstmaagd Veronica Mij een doek aanreikte om het zweet af te drogen. Dat is waar; want zij stond in de eerste rijen der weeklagenden. De afdruk van het gezicht in deze doek is ech­ter een later ontstane sage, evenals hier gezegd moet worden, dat er in Mijn tijd nimmer een jood Ahasverus heeft bestaan, die Mij uit zijn huis verjoeg. In beide gevallen is er sprake van legenden, die later door vertelsels van vrome zielen zijn ontstaan, die ernaar streefden Mijn lichamelijke dood met alle mo­gelijke wonderen op te smukken, die ook in de evangeliën zijn binnengeslo­pen.

Wanneer inderdaad, terwijl het lichaam aan het kruis hing, al dergelijke din­gen zouden zijn geschied zoals wordt bericht - de grote aardbeving, de ver­duistering van de zon, het verschijnen van de geesten en vele andere zaken -, dan had Jeruzalem, door dit sterke teken gedwongen, nog op dezelfde dag in zak en as boete gedaan en Mijn opstanding niet met twijfel, doch met vreugde en als teken van de vergiffenis van alle zonden beschouwd. Er is echter ten tijde van het afsterven van het lichaam niets geschied wat zo bijzonder was dat het beslist op Mijn dood van toepassing moest zijn.' (Gr XI, blz. 205-206).

'Er wordt nu bericht, dat er een duisternis zou zijn ingevallen toen Mijn lichaam aan het kruis hing. Ja, een grote innerlijke duisternis kwam over Jeru­zalem, doch geen uiterlijke. Een innerlijke duisternis die een ieder voelde, alsof hij iets had verloren, zonder dat hij wist wat het was, en zelfs de hoge­priesters, schriftgeleerden, Farizeeën en tempeljoden, die toch zeer naar Mijn dood hadden gestreefd, vonden geen bevrediging en gevoelden geen vreugde over hun daad.

Daardoor kwam het ook, dat de tempel geen stappen tegen Mijn discipelen en naaste familieleden ondernam, ook niet tegen Nicodemus, Jozef van Arima­thia en Lazarus, die allen naar mijn kruis togen en in de laatste ure van mijn leven aanwezig waren. De Mijnen hadden het voornamelijk aan Nicodemus' positie als lid van de Hoge Raad te danken, dat zij toestemming kregen om in Mijn nabijheid te blijven, terwijl het plein overigens door soldaten werd afge­sloten en niemand werd toegelaten. Als gevolg van deze voorspraak maakte men een uitzondering. Mijn naaste discipelen echter, behalve Johannes, wa­ren niet aanwezig, gelijk Ik vroeger dikwijls had voorspeld. De Herder was verslagen en dus verstrooide de kudde zich. Na Mijn gevangenneming waren sommigen van hen naar Lazarus gevlucht, sommigen waren bij vrienden on­dergedoken. Alleen Johannes waagde zich overal openlijk te vertonen en Mijn lijfelijke moeder Maria tot steun en troost te zijn.

Petrus, die na zijn val door diepe rouw was overmand, volgde heimelijk de tocht, die Mij door de straten van Jeruzalem van de ene overste naar de andere leidde, doch hield zich op een afstand van alle broeders, omdat hij in zijn ziel de behoefte gevoelde om alleen te zijn en Mijn werken nu pas in volledige duidelijkheid had beseft, waarbij de oefeningen in Efrem hem bijzonder hiel­pen. Hij besefte de aard en het doel van Mijn aardse heengaan en was ook vast doordrongen van de noodzaak daarvan, alsook van Mijn voorspelde opstan­ding, waarop hij vast vertrouwde zonder er een woord over te spreken.'

'Toen Mijn ziel het lichaam verliet vond er overigens een aardbeving plaats; doch ook dat was een gebeurtenis die niet erg opviel, aangezien in die streek in Mijn tijd de onderaardse krachten van het Jordaandal nog veel vaker tot uiting kwamen dan thans en aardstoten dus geen zeldzaamheid waren. Dat echter dit voorval in feite met Mijn dood verband hield begrepen de verstokte joden niet.

Ook is het juist dat het gordijn in de tempel scheurde als uiterlijk teken dat er nu geen hindernissen meer bestonden om naar het heiligste hart van de Vader te komen, ja dat een ieder daar kon komen om het eeuwige leven ter plaatse deelachtig te worden; doch ook deze verschijning, hoewel verwonderlijk, baarde verder geen opzien. De dienstdoende priesters hingen het gordijn weer op, en daarmee was de zaak afgedaan.

Verder wordt er bericht dat de zon haar schijnsel verloor. Er is al gezegd dat er geen duisternis intrad. Doch een ieder weet dat aardbevingen in warmere lan­den door een sterke troebeling van de atmosfeer worden voorafgegaan, waar­door de zon minder schittert. Iets soortgelijks geschiedde ook hier. Doch dit gebrek aan schittering van de zon had een andere reden dan de gebruikelijke ­ook al was het verschijnsel hetzelfde.

Toen nu het lichaam was gestorven en de vijanden hun wraak volledig hadden bekoeld, liep het volk weldra uiteen, omdat een innerlijk afgrijzen - de inner­lijke duisternis waarover reeds is bericht - allen ertoe bracht bescherming in hun huizen te zoeken, waar de joden volgens hun rituelen zich nu op de sabbat moesten voorbereiden, die met zonsondergang naderde.

Mijn aanhangers kwamen nu steeds dichter bij de plaats van de terechtstelling, zodat de kring van hen die Mij nastonden steeds groter werd. Jozef van Arima­thia was reeds eerder naar Pilatus gegaan en had om Mijn lichaam verzocht, een gunst die niet altijd werd verleend. Pilatus verleende deze graag, omdat hij daardoor, alsook door de in drie talen opgestelde spreuk aan de punt van het kruis, die luidde dat Ik de koning der joden was, de joden wilde ergeren.

Mijn vrienden namen het lichaam van het kruis, reinigden en zalfden het en droegen het voorzichtig naar een in de rotsen gehouwen graf, dat eigendom was van Jozef van Arimathea, op een stuk grond dat deze van Nicodemus had gekocht om aldaar zelf zijn laatste rustplaats te vinden. Weliswaar was Golgo­tha een rotsachtige heuvel, doch het oord bevond zich zeer nabij de dichtbe­volkte villawijk, waar vele rijke joden en Romeinen een stuk grond hadden gekocht en prachtige landhuizen hadden gebouwd; dat verklaart de nabijheid van de hof.' (Gr XI, blz. 207-209)

'Er werden wachters besteld, Romeinse slaven, die vijf dagen lang aan het graf de wacht moesten houden.' (Gr XI, blz. 209)

 

Jezus' opstanding

 

'Op de derde dag van Pasen keerde de Godheid terug en riep het lichaam van de Zoon des Mensen aan, dat onmiddellijk volledig oploste en nu als gewaad bij de ziel werd gevoegd. Deze gebeurtenis zagen de Romeinse wachters als een stralend licht, dat het graf vulde en dat hun zozeer schrik aanjoeg dat zij ijlings wegliepen, om kond te doen dat Ik was opgestaan.'

, .. . de priesters gaven de soldaten een grote som gelds, opdat zij naar verre streken konden vluchten, wat deze ook deden; daarop werd het verhaal van de diefstal van het lijk in het leven geroepen, welk geloof tot op de dag van heden is blijven bestaan.' (Gr XI, blz. 216)

 

Jezus' hemelvaart

 

'De discipelen wijdden zich al spoedig weer aan hun persoonlijke werkzaam­heden. Ik had hun bevolen om op een bepaalde dag weer bij de waard (van de herberg op de Olijfberg) bijeen te komen, wat ook geschiedde. Deze dag was de veertigste na het Paasfeest.

Allen die mij nastonden kwamen ook bijeen en Ik trad weer in hun midden en leidde hen naar de top van de Olijfberg, van waaruit men een wijd uitzicht naar alle richtingen had. Aldaar verzamelde Ik de apostelen om Mij heen. De ove­rige discipelen stonden in een wijde kring om ons heen. Ik vermaande hen nogmaals allen om aan Mij en Mijn leer vast te houden. Ook gaf Ik Mijn disci­pelen de opdracht de wereld in te gaan en het evangelie te prediken in Mijn naam. Vervolgens nam Ik afscheid van hen en verklaarde hun dat zij Mij nu lijfelijk niet meer zouden aanschouwen, doch te allen tijde geestelijk met Mij verbonden zouden blijven. Toen zegende Ik hen en weldra was Ik uit hun mid­den verdwenen.' (Gr XI, blz. 219)

 

Pinksteren

 

Elders is reeds de opmerking uit de NO geciteerd dat de in het evangelie ver­melde begeleidende verschijnselen bij de uitstorting van de Heilige Geest 'voor het overgrote deel het produkt van de fantasie van Mijn verschillende toehoorders en vereerders zijn.' Hier wordt nog aan toegevoegd, dat de oog­getuige Johannes daarover niets weet en er dus ook niets over kan berichten. (Gr XI, blz. 273)

 

De werken van de discipelen

 

Na het pinksterfeest bleven de discipelen twaalf jaar lang in het land der joden en stichtten er gemeenten. Zij gingen toen naar de destijds bekende rijken van de aarde, 'doch zij brachten niet veel teweeg.' (Gr XI, blz. 261). Hun gemeen­ten 'dwaalden in korte tijd (!) zo ver van de grondbeginselen van Mijn leer af, dat Ik toen genoodzaakt was om door Johannes (evangelist) in zijn openbaring de meesten ervan als verwerpelijk te doen voorstellen'. (Gr XI, blz. 261)

Opmerkelijk is de mededeling van de Heer, dat de apostel Paulus 'meer te­weegbracht dan alle andere twaalf apostelen en hun vele discipelen' (Gr XI, blz. 261).

 

De resultaten van bijbelkritisch wetenschappelijk onderzoek,

bezien door de Nieuwe Openbaring

 

1. De invloed van het secularisme en materialisme op het wetenschappelijk onderzoek

 

De huidige Christenheid is grotendeels alleen nog maar in naam christelijk. De ongelovigheid en ongeïnteresseerdheid in religieuze zaken is algemeen verbreid. Deze ontwikkeling heeft een aantal oorzaken. Wij beschouwen het als een belangrijke taak, de oorzaken van de ongelovigheid en onverschillig­heid ten opzichte van de grondvragen van het leven aan een analyse te onder­werpen.

Als één van deze oorzaken moet het rationalisme* (*In de theologie verstaat men onder rationalisme, met name sinds de Verlichting, de kritiek aan de overgeleverde geloofsleer vanuit een verstandelijk standpunt. Descartes verstond daaronder dat er slechts kennis bestaat die uit het verstand voortkomt.) en intellectualisme** (** Intellectualisme = filosofische mening dat slechts aan het verstand de kennis van het ware kan worden toegeschreven. Op het verstand wordt onder verwaarlozing van het irrationele en de in­tuïtie eenzijdig de nadruk gelegd.) wor­den beschouwd, die in het bijbelkritisch wetenschappelijk onderzoek tot uiting komen. De vele geschriften van liberale theologen over Jezus en over de oorsprong van het Christendom hebben in vroeger tijden eerst in intellectuele kringen tot een toenemende ongelovigheid geleid. In de loop der tijden zijn de destructieve theorieën door de massamedia ook de overige bevolkingsgroepen binnengedrongen. Vooral bij de jonge generatie werd twijfel gezaaid ofwel het idee dat het Christendom eigenlijk een mythe zou zijn, steeds meer ver­breid.

Wie zich afvraagt: Hoe kon de christelijke denkwijze en houding in onze tijd in zulk snel tempo vervallen?, kan het antwoord niet vinden, wanneer hij niet weet dat over een lange periode een geestelijk historische ontwikkeling heeft plaatsgevonden die, door weinigen bemerkt, het vermogen tot opname voor het huidige denken van de mensen heeft voorbereid. De verandering van de geestelijke basishouding heeft wortels, die dieper in de Europese geestelijke geschiedenis liggen.

Het gebeuren beslaat een periode van driehonderd jaar. Om de ontwikkeling van de geestelijke stromingen te kunnen begrijpen, die zich buiten weten van het kerkvolk afspeelden, moet de sonde iets dieper worden aangelegd. Ook de lezer, die met uiteenzettingen zoals deze thans volgen tot dusverre nog niet is geconfronteerd, moge de geringe moeite doen om de volgende verhandelin­gen te volgen, die slechts een kort, schetsmatig overzicht vormen van de bijna onoverzienbaar geworden materie. Vooral wenden wij ons echter tot mensen, die door de literatuur in kwestie onzeker zijn geworden en de waarheid zoe­ken, om hun door het voorleggen van feiten een aanzet tot denken te geven.

In de tijd van de secularisatie (of secularisering) werd ernaar gestreefd de mens van alle religieuze, bovennatuurlijke bindingen en van alle metafysische en goddelijke betrokkenheid los te maken en werd dit proces op gang gebracht. Het uitgangspunt was niet, zoals veelal wordt aangenomen, de natuurweten­schap, doch de filosofie.

De filosoof Descartes (+1650), die in volledige eenzaamheid leefde, heeft de basis gelegd voor het ontstaan van het rationalisme. De kwesties betreffende theoretisch besef traden nu oppermachtig in het midden van de filosofie. Het rationalisme nam alles onder de loep van de rede. Een belangrijke invloed op de ontwikkeling verkreeg in die tijd Auguste Comte (+1857); hij was de grond­legger van het positivisme*.(*Positivisme = een lijnrecht tegenover de metafysica staande filosofische richting van het empi­risme. Volgens deze leer zijn slechts op ervaring berustende uitspraken zinvol, terwijl alle metafy­sische stellingen zinloos zijn. Het positivisme is de basis van de materialistische wereldbeschou­wing.) Hierbij hebben wij te maken met een filosofische richting (empirisme** **Empirisme is de leer die slechts de ervaring als bron van kennis erkent.) die lijnrecht tegenover de metafysica***(***De metafysica is de wetenschap van het totaal-werkelijke, d.w.z. ook van datgene wat buiten het fysische, d.w.z. het ervaarbare ligt, bijvoorbeeld God, die al het ervaarbare te boven gaat.) staat, en die alleen datgene erkent wat door de ervaring vaststaat. Daarmee was de basis voor de materialistische wereldbeschouwing gelegd, die zich over de gehele aarde heeft uitgebreid.

Het materialisme**** (****Materialisme is de wereldbeschouwing die in de materie (stof) de basis en de substantie van alle werkelijkheid ziet; de psychische en geestelijke werkelijkheid wordt slechts als een functie van de stoffelijke werkelijkheid beschouwd. Het praktische materialisme is de levenswijze, die macht, bezit en genot boven geestelijke waarden verkiest.) laat in zijn leer geen plaats voor God.

Dat werd reeds in het begin van de negentiende eeuw duidelijk, toen de astro­noom en wiskundige Laplace (+1827) op de vraag van Napoleon waar God in zijn theorie bleef, het volgende antwoordde: 'Sire, deze hypothese heb ik niet nodig. De natuur is met zichzelf alleen. '31

Weliswaar is inmiddels door de atoomfysica aangetoond dat het zogeheten de­terminisme*****,( Determinisme = filosofische leer, die een algemene bepaaldheid van al wat er op de wereld gebeurt (inclusief de menselijke wil) volgens het principe van oorzaak en werking veronderstelt.) dat het fundament van de materialistische wereldbeschou­wing vormt, helemaal niet algemeen van toepassing is.

Het duurt lange tijd, voordat nieuwe geestelijke ideeën bezit nemen van de massa van het volk. Toen Descartes, Comte, Hegel en Feuerbach hun gedach­ten op papier brachten, vermoedde de wereld nog lange tijd daarna niet welke explosieve kracht in deze ideeën besloten lag en dat zij de wereld - niet ten goede - zouden veranderen.

Ideeën springen over als vonken en doen dikwijls elders een geestelijk vuur ontvlammen. De filosoof Ludwig Feuerbach vond weinig weerklank en raakte al spoedig in vergetelheid, doch Marx en Engels namen zijn ideeën over en zo heeft Feuerbach uiteindelijk toch de 'beslissende seculariserende ommekeer teweeggebracht.'32 Ook de gedachten van de filosoof G.W.F. Hegel werden door Karl Marx gebruikt, zij het ook dat hij deze volgens zijn opvattingen ver­anderde en met andere inhoud aanvulde.

De verdere ontwikkeling leidde ertoe dat het dialectische materialisme de par­tijdigheid van de wetenschap als speciaal goed eigen is geworden. In het Wes­ten heeft het geloof aan de wetenschap op een andere wijze algemeen tot er­kenning van het materialisme als wereldbeschouwing geleid.

In de geciteerde filosofische ideeën lag een onverwachte explosieve kracht. De vlagen, waarmee de ongelovigheid eerst bij de intellectuelen en ten slotte ook bij bredere kringen van de bevolking toenam, zijn historisch na te gaan. Wan­neer de mensen thans angst voelen voor de steeds sterker naar voren komende chaotische krachten, dan vermoeden slechts weinigen van hen dat het geeste­lijke fundament voor deze toestanden in de secularisatie van vroegere eeuwen gelegd is.

Nadat God in deze leringen geen bestaansrecht meer had en een leven na de dood niet zou bestaan, bleef uiteindelijk slechts - zoals de filosoof Martin Hei­degger voorstelt - nihilisme als zin van het leven over, namelijk heroïsche wan­hoop. Aangezien de wereld steeds meer in wanorde raakt en het gepraat over humanisme met het oog op het toenemende brute geweld in alle vormen geen draagbare basis blijkt te zijn, gaat de bestaansangst overal een steeds grotere rol spelen. De mensen huiveren wanneer zij in de afgronden van het niets moe­ten kijken.

De mens heeft de vrijheid om God te erkennen, of Hem te loochenen en Zijn plaats in te willen nemen. En dat laatste heeft hij in de loop van de geschiede­nis van de mensheid telkens weer geprobeerd. Waar de aandrijfkrachten van het atheïsme*(Atheisme = verloochening van een goddelijke wereldorde of zelfs van het bestaan van God. Atheist = Godloochenaar) te zoeken zijn, is niet moeilijk vast te stellen. Het is de oude, van Lucifer afkomstige haat en drang van het schepsel om zich op de plaats van de Schepper te plaatsen. Men behoeft slechts bij Karl Marx na te lezen om te zien waarop marxisme en materialisme berusten. Marx schrijft: 'De filosofie ver­heelt het niet. De bekentenis van Prometheus, "ik heb, met één woord, haat genoeg voor alle goden", is haar eigen bekentenis, haar eigen spreuk tegen alle hemelse en aardse goden, die het menselijke zelfbewustzijn, niet de op­perste Godheid erkennen. '33(!)

 

2. De Verlichting, oorzaken en gevolgen

 

Parallel met de filosofische ideeën liep de zogeheten Verlichting** (**De Verlichting vormt in de filosofie een Europese geestelijke beweging, die de onmondigheid door gebruik van het verstand denkt te overwinnen. De Verlichting eist de individuele vrijheid van de mens als maatstaf voor het leven en de wetenschap, zij keert zich in de eerste plaats tegen het feit dat de kerk de gelovigen als onmondige kinderen behandelt.) Hoewel deze beweging met veel misbaar strijd voerde tegen de kerk kon zij niet op zulke blijvende resultaten bogen als de filosofen, die in hun eenzame studeer­kamer, onbemerkt door de buitenwereld, hun gedachten opschreven. De Ver­lichting was een reactie op de onmenselijke toestanden die de katholieke kerk door de inquisitie, de folter, de heksenverbrandingen, het lijfeigenschap (de slavinnen van het klooster werden fijntjes 'Godshuisvrouwen' genoemd), de kneveling van de wetenschappen en anderzijds de benadrukking van uiterlijk­heden bij de eredienst, de gedulde zucht naar wonderen en dergelijke, over de mensen van de oude en de nieuwe wereld had gebracht. Binnen het machtsbe­reik van de katholieke kerk was onvooringenomen experimentele wetenschap volledig onmogelijk gemaakt. De eerste poging van de zijde van de geleerde Roger Bacon (+1294) mislukte onmiddellijk. Bacon werd daarvoor jarenlang op wrede wijze in een kerker gevangen gehouden. Galileï werd, zodra hij zijn theorie betreffende de omwenteling van de aarde om de zon had gepubliceerd, tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld. De inquisitie noemde hem in haar oordeel van 22 juni 1633 een 'misdadiger'. Tot ver in de negentiende eeuw verzette de hiërarchie zich tegen iedere vooruitgang. Tegen de bouw van spoorwegen, hangbruggen, straatverlichting (in Keulen), het aanbrengen van bliksemafleiders (in Mannheim) enz. bood men tegenstand. Zelfs weten­schappelijke congressen werden onder paus Gregorius XVI (+1846) 'als ge­lijkstaand met oproer beschouwd '34. De lijst van onzinnige protesten resp. van via de overheid teweeggebrachte verboden - tot en met het verbieden van de zogenaamd onzedige Weense wals - is lang. De Weense wals werd op last van paus Leo XII in het jaar 1883 verboden. Het kerkelijke fanatisme was vooral in Spanje zo penetrant, dat tegenkrachten niet konden uitblijven. De geest van het verweer werd steeds sterker en de Verlichting, die in de verschillende landen van uiteenlopende aard was, had succes en werd zeer gewaardeerd. De inquisitie in de tot dusver gebezigde vorm, de folter en het lijfeigenschap wer­den afgeschaft. Het begrip mensenrechten werd geschapen en de wetenschap werd vrij. Doch de beweging gleed al spoedig af in het extreme.

De Verlichting was aanvankelijk anti-kerkelijk, toen anti-christelijk en ten slotte anti-religieus. De critici van de achttiende en ten dele van de negentien­de eeuw waren polemisch en gloeiden van haat. Voltaire nam in zijn geschrif­ten zelfs de fabel van een oud joods smaadgeschrift op Jezus over, die uit de zevende of negende eeuw stamde. Volgens dit vertelsel zou Jezus de zoon van een Romeinse soldaat zijn, die uit Germanië afkomstig was. Renan betitelde reeds in 1863 deze dwaling van Voltaire in het openbaar als een 'domme streek' 35. In de stijl van Voltaires geschrift 'ecrazés I'infame' - vernietig haar, de verdorvene (de kerk, Egg.) - verschenen later geen geschriften meer. Doch ook de geschriften van Reimarus (1694-1768) hebben ten dele eveneens een polemisch karakter en houden een kritisch onderzoek niet stand. De in onze eeuw door verschillende auteurs naar voren gebrachte bewering dat Jezus een politieke revolutionair zou zijn geweest, is niet nieuw, want reeds Reimarus had in de achttiende eeuw de tempelzuivering door Jezus tot een opstand op­geblazen.36

 

3. Het onderzoek in de negentiende eeuw

 

De volgende periode van bijbelkritisch onderzoek was weinig vruchtbaar; zij hield zich hoofdzakelijk met de wonderen bezig die Jezus heeft volbracht. De­ze vraag werd geheel volgens rationalistische gezichtspunten bewerkt, waarbij de Geheime Kirchenrat prof. Paulus uit Heidelberg voor ieder wonder zonder uitzondering een natuurlijke verklaring paraat had. Zijn werk werd later zelfs door D.Fr. Strauss als wanprestatie gekenmerkt.

Een geweldig succes had Ernst Renan (1823-1892) met zijn geschrift Het leven van Jezus (1863). Het werd in vijftien talen vertaald en 70 maal herdrukt. Van­uit huidig zicht is het moeilijk te begrijpen dat dit boek, dat zoveel ongerijmd­heden bevat, zoveel bijval kon vinden. In romanstijl liet Renan zijn fantasie de vrije loop, doch blijkbaar geloofde men hem meer dan het evangelie. Hij schrijft onder meer:

'Jezus was niet afkerig van vrolijkheid, doch ging graag naar bruiloften.' 'Zo trok hij door Galilea van het ene feest naar het andere.'37(!)

'Het prettige klimaat van Galilea maakte het bestaan van deze eerlijke vissers tot een paradijselijk leven. '38

Men krijgt de indruk dat men een opstel van een schooljongen leest, doch niet met werk dat 70 maal werd herdrukt. In niet te overtreffen aanmatiging ge­loofde Renan dat het probleem van het historisch-kritische onderzoek van het evangelie door hem op een wijze was opgelost 'die de behoeften van de ge­schiedenis volledig dekt.'39

Renan beschouwde Jezus als een leraar die een aards rijk wilde stichten 40

F.Ch. Baur (1792-1860) ziet in de synoptische evangeliën slechts een strijd die tussen de evangelisten woedde. Mattheüs en Marcus verdedigden naar zijn mening de joodse richting (judaïsme), terwijl de paulinische richting van Lu­cas het jodendom wil uitschakelen (paulinisme). Deze hypothese van de te­genstelling, die in deze scherp afgebakende vorm in het geheel niet bestaat, wordt heden ten dage door de wetenschap eenstemmig van de hand gewezen. Baur beschouwt het Johannes-evangelie als waardeloos(!), omdat het naar zijn mening tussen de beide richtingen tracht te bemiddelen. Terwijl enkele onderzoekers het ontstaan van het Christendom vanuit het late jodendom wil­den verklaren, waren anderen - de vertegenwoordigers van de religieus-histo­rische school- van mening dat het uit elementen van de wereld van het helle­nisme is ontstaan, terwijl weer anderen beweerden dat het Christendom slechts een 'syncretistische godsdienst' zou zijn, d.w.z. er zouden elementen uit de meest uiteenlopende religies van die tijd zijn overgenomen, vooral uit de mysteriëndiensten. Wij kunnen hier niet nader ingaan op de details van de verschillende theorieën, die thans ook algemeen niet meer worden aanvaard.

In de jongste literatuur wordt de dwaalweg van de toenmalige onderzoekers als volgt verklaard: 'De uitgebreide religieus-historische onderzoekingen heb­ben er ondanks menig niet-kritische speculatie niet toe geleid, dat 'Jezus' en het Christendom slechts als uitdrukkingsvormen van onder meer joodse en hellenistische religiositeit worden beschouwd. Het is bewezen, dat het Chris­tendom een specifieke eigen aard heeft en niet met andere godsdiensten kan worden verward. '41

Wie de kwestie hoe het mogelijk was Jezus' leer in een vijandige omgeving te verspreiden, met zijn intellect wil oplossen, is tot falen gedoemd, want het Christendom heeft wortels in een dimensie die niet met een ervaarbare kennis kan worden vastgesteld. Hoe deze kracht tewerk gaat kan historisch niet wor­den verklaard.

De protestantse theoloog David Friedrich StraufJ (1808 tot 1874), een leerling van Ferd. Christian Baur, gelooft weliswaar in tegenstelling tot andere onder­zoekers van die tijd aan het bestaan van Jezus van Nazareth, verwerpt echter de evangeliën als mythe - als verzonnen verhalen. 42 Hij gaat in zijn rationalis­tische zienswijze zo ver te beweren, dat hij Jezus als 'de waanzin zeer nabij' beschouwde. *(*Strauss werd door de protestantse kerk uit zijn ambt ontheven) H. Daniel-Rops merkt in dit verband treffend op dat de dwaas nimmer zal slagen, en dat het belachelijke in dit geval nog sterker is dan het kwetsende.43

Ook Strauss had een geweldig literair succes. Het is eigenaardig dat geschriften die thans door de wetenschap als wan interpretatie worden beschouwd, des­tijds zoveel invloed op het publiek konden krijgen. De kortzichtige en starre houding van de kerken ten aanzien van de kwestie van de verbale inspiratie had de geloofwaardigheid van de kerken in intellectuele kringen kennelijk ernstig doen wankelen.

Terwijl ettelijke auteurs in onze eeuw Jezus als een politieke revolutionair en opstandelingenleider beschouwen, vertegenwoordigt Friedrich Nietzsche (1844-1900) precies het tegenovergestelde standpunt. Jezus zou 'decadent' zijn geweest, beweert hij, 'een oversensibel mens', die de harde werkelijkheid niet aankon. Hij zou een 'idioot' in de zin van Dostojevski zijn geweest. 44 Nietzsche noemt Jezus een 'heilige anarchist' of 'politiek misdadiger'; in zijn ogen is Hij een 'verleider' of, zoals 'Pranciscus van Assisi, een epilepticus, vi­sionair, neuroticus. '45

Toornig brengt Nietzsche zijn haat tot uitdrukking, wanneer hij schrijft dat de wortel van al het kwaad is dat de 'slaafse moraal', de ootmoed, de kuisheid en onzelfzuchtigheid hebben gezegevierd. Prometeus, die geen god boven zich kon velen, is dan ook Nietzsches symbool.

'Er is geen radicale re kritiek op Jezus', zegt Werner Post terecht, 'dan die van Nietzsche'.46

 

4. De historisch-kritische methode van bijbelwetenschap

 

De grondlegger van de historisch-kritische bijbelwetenschap was Johann Ja­kob Semler (1725-1791). Hij was reeds in die tijd op grond van zijn studies tot de opvatting gekomen, dat de evangeliën niet door verbale inspiratie konden zijn ontstaan.

Men onderscheidt bij deze methode, die pas later werd geperfectioneerd, de lagere tekstkritiek en de hogere historisch-literaire kritiek.

De lagere tekstkritiek heeft tot taak de oorspronkelijke tekst van de Heilige Schrift vast te stellen, aangezien deze door in vroeger tijden uitgevoerde tekst­veranderingen, toevoegingen enz. niet met het origineel overeenkomt. De historisch-literaire kritiek heeft onder meer de taak de tijd van ontstaan en het auteurschap van de evangeliën op te sporen, alsook vast te stellen welke bronnen de auteurs hebben gebruikt.

Exegeten, historici en critici hebben tot aan de eerste wereldoorlog met vlijt, geduld en scherpte van geest aan alle universiteiten aan deze en gene zijde van de oceaan omvangrijke werkzaamheden uitgevoerd. Achteraf moet echter de vraag worden gesteld: Is het bij het moeizame werk van de historisch-kritische research gelukt om licht in de materie te brengen, of is de wetenschap afge­dwaald? Het antwoord op deze beslissende vraag geven de feiten die in dit hoofdstuk worden voorgelegd.

Aanvankelijk begonnen talrijke onderzoekers hun werk met de premisse dat Jezus in het geheel niet zou hebben bestaan. Anderen - vooral Ritschl- onder­namen bovendien een ware kruistocht tegen alle vormen van metafysica.47 In dezelfde richting gingen de thesen van Harnack, wiens boeken in intellectuele kringen opgang maakten. Bij Harnack is van de eigenlijke substantie van het Christendom, zoals de Godheid Jezus, de verlossing enz., niets meer te vin­den. Hij legde de woorden uit Lc 17,21 'Het Koninkrijk Gods is bij U' volledig anders uit en het Christendom was bij hem alleen nog maar innerlijkheid.

De werken van de verschillende onderzoekers brachten geen licht in de mate­rie, doch zij leidden hoofdzakelijk tot steeds groter wordende onzekerheid of tot de vernietiging van wat er aan geloof voorhanden was.

Thans huldigt men algemeen de opvatting, dat de historisch-kritische methode niet tot de verwachte objectieve kennis kon leiden en dat het resultaat dan ook negatief is. Dat wordt door oordelen van protestantse en katholieke onderzoe­kers uit de jongere tijd als volgt bevestigd:

 

Albert Schweitzer: 'Het historische fundament van het Christendom zoals de rationalistische, de liberale en de moderne theologie het hebben aangehaald, bestaat niet meer. '48

 

Friedrich Heiler: 'Er kan geen twijfel over bestaan dat vele feiten uit het Nieu­we Testament door deze extreme kritiek worden verminkt. '49

 

W. Trilling: 'De tevoren vermelde fundamentele problematiek 'Jezus en het Nieuwe Testament' werd destijds gevoeld, zij het ook - zoals wij thans duide­lijk kunnen waarnemen - binnen een te bekrompen geestelijk-historische ho­rizon behandeld. '50

 

H. Daniel-Rops: 'Deze methode is tendentieus, want onder het voorwendsel dat de documenten uitsluitend in het licht van de verstandelijke logica worden geanalyseerd, schematiseert en elimineert zij de werkelijkheden met toeval­ligheden uit het leven. '51

 

Heinz Zahrnt: 'Het gehele liberale Jezusbeeld is ingestort.'52 '...de onder­grond brokkelde weg.. ., alles loste in geschiedenis op. '53

Zahrnt constateert verder dat het 'heimelijke zelfbedrog van de liberale theo­logie aan het licht gebracht en de historische onhoudbaarheid van haar histori­sche Jezus bewezen' 54 werd.

 

E.C. Hoskyns: 'Juist wanneer de historicus zijn taak tegenover het Nieuwe Testament volkomen serieus opvat, moet hij constateren dat het Nieuwe Tes­tament van de lezer iets eist wat hij als historicus juist niet kan geven, namelijk een oordeel, dat voor een ieder de belangrijkste beslissing betekent die ooit mogelijk is. ' 55

 

De bekende protestantse theoloog Karl Barth bekent: 'Wanneer ik moest kie­zen tussen de historisch-kritische methode van bijbelresearch en de oude in­spiratiemethode, dan zou ik zonder dralen de laatste nemen: zij heeft het gro­tere, diepere, belangrijkere recht. Ik ben blij dat ik niet behoefte kiezen.'56

Barth spreekt eenvoudig over de 'onverstandige historici' (Br. 106).

 

De historisch-kritische methode was een kind van de Verlichting, en de uit­werking van de filosofie van de achttiende en negentiende eeuw kwam tot uiting in de afwijzing van het denken in metafysische categorieën. De weten­schap sloeg een dwaalweg in; dat verminderde echter het geweldige verkoop­succes geenszins. Het onwankelbare vertrouwen in de wetenschap was onbe­twist. Eerst kwamen de intellectuelen onder de invloed van deze literatuur, doch in de jaren tot aan de eerste wereldoorlog werden deze religieuze ideeën door de activiteiten van een politieke partij ook in brede kringen van de arbei­dersbevolking bekend. De destructieve resultaten van het onderzoek, die door de huidige research als onjuiste speculaties worden afgedaan, werden destijds algemeen als een openbaring beschouwd. De vernietiging van het Christelijke geloof was met het historisme begonnen, en het zou tot in onze tijd worden voortgezet.

 

5. De vormhistorische methode van bijbelwetenschappelijke research

 

In de periode na de Eerste Wereldoorlog had men de grenzen van de histo­risch-kritische methode onderkend. Weliswaar zette men de research voort, doch het zwaartepunt werd nu niet meer op het opsporen van de originele tekst gelegd, doch men zocht ook naar de betekenis van de tekst. Jezus' boodschap moest worden geïnterpreteerd. Men maakte onderscheid tussen vorm en ge­halte van de evangelieteksten, zodat als gevolg daarvan de redactie-historische benadering op de voorgrond kwam te staan. Daarbij hield men rekening met het feit dat ettelijke uitspraken die in het evangelie voorkomen, niet van Jezus afkomstig zijn doch - zoals de Nieuwe Openbaring bevestigt - later door de leiders van de gemeenten werden veranderd of toegevoegd. Men streefde er­naar Jezus' leer zuiver te houden respectievelijk van interpolaties en vervalsin­gen te ontdoen. Aan Jezus' bestaan twijfelden de onderzoekers nu niet meer. Men noemt deze methode van kritisch onderzoek de vormhistorische metho­de. Zij is vooral met de theologen Rudolf Bultmann en Ludwig Schmidt alsook met de protestantse bisschop Dibelius verbonden.

Bij de uitvoering van het werk vroegen de wetenschappers zich af, welke rede­nen ten grondslag kunnen hebben gelegen aan manipulaties aan Jezus' bood­schap voor de christelijke gemeenten respectievelijk hun bisschoppen. Dit probleem werd met het begrip 'De plaats in het leven' gekenmerkt; dit begrip loopt als een rode draad door de vormhistorisch-kritische literatuur. 'De plaats in het leven' heeft echter het karakter van een slagzin gekregen, want deze moest van het begin af aan als een zeer onzekere basis voor een enigszins zekere kennis worden beschouwd. Daarvan waren de wetenschappers zich zonder twijfel eveneens bewust. Zahrnt merkt ten aanzien van dit probleem treffend het volgende op: 'De bronnenkwestie veroorzaakt in ons geval de grootste (I) methodische moeilijkheden. Want wij bezitten generlei formele criteria om met zekerheid te kunnen beslissen, wat van het geloof van de ge­meente na Pasen afkomstig is en wat naar Jezus zelf kan worden teruggeleid. Slechts met radicale kritiek kan men hier het doel bereiken.'57

De laatste zin moet verwondering oproepen. Hij is een wegwijzer naar een dwaalweg. De Engelse theologen waren voorzichtiger met het oog op de volle­dig onzekere situatie; zij trokken geen consequenties uit de resultaten van de­ze vage methode. Zij namen er geen genoegen mee de 'stoffen in groepen geordend en volgens de kenmerken van hun soort te beschrijven'. Met het oog op de duidelijke stand van zaken en de grote risico's, die Zahrnt onomwonden toegeeft, is het verbazingwekkend dat sommige theologen wagen te beweren dat de methode het mogelijk zou maken een 'exactere, zo groot mogelijke ze­kerheid (!) betreffend Jezus' echte uitspraken en feiten te verkrijgen.'58

Een vergelijking met de verkondigingen van de NO bewijst hoe onjuist de ex­treme resultaten van deze methode zijn.

 

6. Vormgeschiedenis - kerygma - ontmythologisering

 

De poging om de teksten van het evangelie in de denkwijze van onze tijd te vertalen, wordt door de wetenschap hermeneutiek genoemd. De meest mar­kante vertegenwoordiger van het hermeneutische werk is de protestantse theoloog Rudolf Bultmann. Zijn naam en zijn thesen zijn door de massamedia ook in bredere kringen bekend geworden. Dit werk begon reeds na de Eerste Wereldoorlog en werd na de Tweede Wereldoorlog voortgezet, zodat het ook steeds meer bekendheid verwierf.

Om de toenmalige manier van beschrijven, waarmee wij in de evangeliën te maken hebben, voor de huidige mens begrijpelijk te maken, maakt Bultmann gebruik van een brug, die hij het 'kerygma' noemt. Kerygma betekent letter­lijk 'verkondiging'. Bultmann gelooft dat hij Jezus' boodschap dichter bij de moderne mens kan brengen door te beweren, dat de inhoud van het evangelie voor het overgrote deel een mythe is, dus geen historische waarheid maar 'ge­meentevorming', d.w.z. door deze verzonnen geschiedenis. Daarom zou het evangelie door rationele wetenschap ontmythologiseerd moeten worden.

Bultmanns boek Offenbarung und Heilsgeschichte, dat in 1943 verscheen, bracht eindeloze discussies over het ontmythologiseringsthema teweeg. Bult­mann nam de ontmythologisering op radicale wijze ter hand. Hij legde de bijl aan de wortels van de christelijke leer, doordat hij, evenals vroeger Strauss, Harnack en anderen, Jezus' goddelijkheid, de maagdelijke geboorte, de op­standing, de wonderen en andere dingen loochent. Jezus' opstanding bestaat voor Bultmann uitsluitend in de fantasie van de discipelen. Hij ontkent het bestaan van de historische Jezus niet, doch deze interesseert hem in het geheel niet. Jezus komt naast de aangelegenheid te staan, zonder betekenis voor het geloof. Hij is slechts een geloofde Jezus. Doch niet alleen van Jezus' persoon, doch ook van Zijn leer blijft niet veel over. Bultmann schrijft: 'Zo blijkt uitein­delijk dat Jezus als Gods openbaarder niets anders heeft geopenbaard dan dat Hij de openbaarder is. '59 Derhalve is het begrijpelijk wanneer een auteur hier­over opmerkt dat Bultmanns Jezusboek 'in zekere zin een boek over Jezus zonder Jezus is. '60 En een ander constateert: 'Na het Nieuwe Testament is het woord vlees geworden... in de kerygmatheologie is het woord kerygma ge­worden. '61

De Godheid Jezus, de verlossing en daarmee vele andere fundamentele chris­telijke leringen vallen de kaalslag van de ontmythologisering door Bultmann en zijn school ten offer. Voor hem is de openbaring geen doorgeven van kennis op bovennatuurlijke wijze doch 'gemeentegeloof'. 'Maar', vraagt Zahrnt, 'wanneer wij Jezus alleen nog maar in het kerygma hebben, wat hebben wij dan nog aan Hem?'

Zelfs de atheïstische filosoof Ernst Bloch beschouwt de uitlegging van de ont­mythologiseerders als volledig naast de feiten liggend. Naar Blochs mening trachten deze theologen het evangelie in legendes uiteen te laten vallen, zoals Mozes of Wilhelm Tell. 62 Scherpzinnig argumenteert Bloch: 'Tot een kind, dat in een stal geboren is, bidt men... Tegelijkertijd is de stal werkelijkheid. Een zo nederige afkomst van de stichter is niet verzonnen. Een sage schildert geen ellende en zeker niet ellende die het gehele leven voortduurt. De stal, de timmermanszoon, de dweper temidden van kleine luiden, de galg aan het eind, dat is historische stof, niet de gouden stof waar de sage zo van houdt. ' 63

De methoden die Bultmann gebruikt om schriftteksten die niet met zijn uitleg­ging stroken, uit de weg te ruimen, doen dikwijls vreemd aan. De apostel Pau­lus beroept zich (1 Cor 15, 3-8) wat Jezus en zijn lotgevallen betreft op nog levende ooggetuigen. Men kon hen destijds nog vragen stellen en deze empiri­sche bewijsvoering staat Bultmanns pogingen om alles tot mythe te verklaren hinderlijk in de weg. Daarom verklaart hij eenvoudigweg, dat Paulus' argu­mentatie theologisch 'fataal' zou zijn. Deze vreemde casuïstiek karakteriseert de uit de protestantse kerk getreden theoloog Joachim Kahl even sarcastisch als treffend: 'Niet voor de apostel is dit fataal doch voor Bultmanns verklaring. Het permanente vergrijp aan teksten kan Bultmann niet alleen ten laste wor­den gelegd. Algemeen gesproken bestaat het theologenvak daaruit. '64

Bultmanns theorieën werden reeds door sommigen van zijn scholieren afge­wezen. Zo verklaart Ernst Käsemann ronduit, dat de vormhistorische metho­de 'ons volledig in de steek laat, wanneer wij naar formele kentekenen van de authentieke Jezus vragen.'65 Een andere scholier van Bultmann, Gerhard Ebeling, zegt: 'Wanneer Jezus' opstanding zou ontbreken, dan zou Hem alles ontbreken, en dan zou Hij daardoor zelf komen te vervallen.'66

Tot welke groteske resultaten de methode van de ontmythologisering leidt toont de opvatting van Edouard Dujardin aan, die schrijft dat Jezus eigenlijk de Nun, de god van de vissen, (of exacter uitgedrukt) de waterslang is.67

Welk een verarming betekent deze herinterpretatie van het evangelie, geme­ten aan de grandioze conceptie van het verlossingswerk, zoals dit in de uitge­breide en diepgaande verklaringen van het evangelie in de Nieuwe Openba­ring wordt uitgedrukt.

Bij het bijbelkritisch onderzoek heeft een vreemd mengsel van wetenschap en fantasie de meest absurde resultaten teweeggebracht. De uitspraak van Mommsen, 'de fantasie is de moeder van alle poëzie alsook van alle geschiede­nis', geldt ten volle voor de werkzaamheden van de bijbel critici. Het intellect slaagt er kennelijk niet in vrij te blijven van drogbeelden. De intelligentie is bij voortduring aan de verzoeking blootgesteld om alles op te lossen wat zij door de metafysische diepte niet kan bevatten. Dostojevski kenmerkte de stand van zaken geheel juist toen hij zei: 'Veel van datgene wat de ontwikkelden primi­tief toeschijnt is niet primitief doch primair.' In de Nieuwe Openbaring staat de zin die zo menig ontmythologiseerder tot nadenken zou moeten brengen: 'Er is meer dan woord en geschrift kunnen mededelen.' (Gr XI, blz. 135)

Gods woord is in de Bijbel dikwijls met opzet verduisterd en verborgen. Wie het geheim met analytische methoden tracht te ontsluieren grijpt in het niets, net als de jongeling van Sais. Met behulp van de menselijke verbeeldings­kracht is geen mysterie te doorgronden. Waar deze weg naar toe leidt wordt in de NO duidelijk gezegd: 'Wie hier uiterlijk zuiver historisch volgens zijn ver­stand oordeelt, wat zal hij dan niet al bij deze zeer verschillende mededelingen (in het evangelie, Egg.) moeten vinden, wanneer hij spitsvondig te werk gaat? Ik zeg u: hetzij de dood van zijn verstand of de dood van zijn geloof.' (Hi 11, blz. 139)

Wij hebben er in de inleiding van dit hoofdstuk op gewezen dat de wortels van de rationalistische denkwijze, waarmee men de inhoud van Jezus' boodschap tracht te doorgronden, bij de filosofen te zoeken zijn. Dat geldt ook in het geval van Rudolf Bultmann. De invloed van Heideggers filosofie op Bultmann is, naar Dietrich von Hildebrand uiteenzet, welbekend. 68 De waarheid is ech­ter geen zaak van filosofische speculaties.

De constatering van Gollwitzer dat de ontmythologiseringstheologie zich niet tot een klein aantal theologen beperkt, doch dat deze in veel bredere kringen van de protestantse en ten dele ook katholieke kerk is doorgedrongen, is wer­kelijk benauwend. Gollwitzer zegt: 'De gehele protestantse theologie is tegen­woordig door de wijze van vragen en antwoorden gevormd, die Rudolf Bult­mann en zijn scholieren hebben gebezigd, zodat wij van de spreekstijl van een generatie post Bultmann natum kunnen spreken. '69

Wat overigens tegenwoordig de theologie van de ontmythologisering als nieu­we kennis voorstelt, is geen novum. Marcion heeft dat alles reeds in de tweede eeuw in praktijk gebracht. Hij verwierp de evangeliën van Mattheüs, Marcus en Johannes, en uit het evangelie naar Lucas elimineerde hij alle passages die niet met zijn ideeën strookten. Terecht schrijft Jean Guitton dan ook: 'Wie zoals Bultmann het evangelie wil "ontmythologiseren", die is door Marcions geest bedorven. '70

De heidense tegenstanders van het Christendom, zoals Porphyrius (derde eeuw) en Celsus (tweede eeuw) zijn reeds op bijna de gehele historisch-kriti­sche research vooruitgelopen. Reeds de nestorianen beweerden in de vijfde eeuw dat niet Gods Zoon aan het kruis stierf, doch slechts een mens. Bij de gnosticus Valentius is Jezus de 'verlosser' in de betekenis van de verlichte en voorbeeldige leraar, zoals bijna alle liberale auteurs Hem tegenwoordig be­schouwen.

De moderne research staat nu weer voor hetzelfde geheim als vroeger de gnos­tici en heidense critici.

Wie Jezus' opstanding en de verlossingsdaad loochent onttrekt de basis aan het Christendom, en alle prediking is dan zonder inhoud: 'Indien Christus niet is opgewekt, dan is immers onze prediking zonder inhoud, en zonder inhoud is ook uw geloof.' (1 Cor 15, 14)

'Wie de Zoon niet eert, eert ook de Vader niet.' (Joh 5, 23)

Jezus' goddelijkheid is een mysterie, dat voor de mensen te onbegrijpelijk is. Een lijdende God konden de heidense Romeinen zich al evenmin voorstellen als de huidige ontmythologiseerders. En daarom zijn wij nog steeds niet ver­der gekomen dan een soort historisch raadseltje, steeds weer andere research­methoden, die bij dezelfde uitgangssituatie onhoudbare hypothesen en ten de­le absurde resultaten voortbrengen. Het vers van het Johannes-evangelie: 'Het licht schijnt in de duisternis, en de duisternis heeft het niet begrepen' (Joh 1, 5) is tot op heden geldig gebleven.

De verwarring is onder de Christenen in de loop van tientallen jaren steeds groter geworden. Radeloos vragen zij zich af of alles wat de kerken leren, mythe, d.w.z. verzinsel is. Waar sommige theologen de moed vandaan halen om te beweren dat de resultaten van de historisch-kritische methode (met in­begrip van de ontmythologisering, Egg.) geschikt zouden zijn om 'de moderne mens het Christendom effectief nader te brengen '71, is niet duidelijk.

Wanneer Günther Bornkamm erop wijst dat met de radicale bijbelwetenschap ook het atheïsme zich als een lawine uitbreidde 72, dan staat het causale ver­band zonder twijfel vast. Waarschijnlijk heeft Papini gelijk wanneer hij zegt: 'Geen enkele tijd is ooit zo ver van Christus verwijderd geweest en heeft tege­lijkertijd meer verlangen naar Hem gehad.' 'De woorduitleggingen van de fi­lologen, de commentaren van de exegeten, de interpretaties van de grafologen - dat alles helpt maar weinig. Het hart heeft iets anders nodig. '73 Mensen die niet blind zijn voor metafysische diepte hebben ook nu nog een verlangen naar echte openbaring. Over deze mensen wordt in de Nieuwe Openbaring gezegd: 'Ik zal u (de verspreiders van de NO) de rijpe zielen op uw weg leiden.' (Pr 163) 'Rijp zijn zij', staat er verder, 'omdat in hen het streven naar hogere doe­len wakker en levend is geworden.' (Gr V 128, 3)

'Zolang de mens een dergelijke behoefte in zichzelf niet gevoelt, doch, volko­men gelijk een dier, onbekommerd voor zijn levensatmosfeer, waarin deze ook moge overgaan, voortleeft en eet zoals een poliep op de zeebodem, is er nog geen rijpheid in hem voorhanden voor een hogere openbaring.' (Gr V 128, 4)

'Daarom zal uit de hemelen ook slechts voor diegenen het licht van de opwek­king van hun geesten schijnen, die het zoeken en als hoogste goed des levens ook boven alles liefhebben en waarderen.' (Gr IX 180, 6)

 

7. Was Jezus een Esseeër of leider van een opstand tegen de Romeinen?

 

In het nu volgende hoofdstuk moeten wij ons met een speciale bijbelkritische literatuur bezighouden, die door de experts onwetenschappelijk en tenden­tieus wordt genoemd. De in de desbetreffende geschriften naar voren gebrach­te thesen dat Jezus een mislukte politieke rebel of een militante sociale revolu­tionair zou zijn geweest, worden sinds tientallen jaren steeds opnieuw onder het brede publiek verspreid. Hetzelfde geldt voor Johannes Lehmanns alge­meen verspreide bewering, dat het Christendom niet aan Jezus Christus toe te schrijven zou zijn, doch zijn oorsprong in de joodse sekte van de Esseeën van Qumran zou hebben. Tegelijkertijd neemt Lehmann de lang vóór zijn tijd door anderen naar voren gebrachte theorie over, dat Jezus een aanvoerder van een mislukte opstand tegen de Romeinen zou zijn geweest.

De kenners van het evangelie zullen wellicht verbaasd zijn over deze eigenaar­dige pseudo-exegese, omdat zij zich nauwelijks kunnen voorstellen dat uit de tekst van het evangelie iets valt af te leiden, dat voor dergelijke fantasie pro­dukten kan worden gebruikt. Protestantse, katholieke en joodse theologen en historici, die experts zijn voor dit complex van vragen, huldigen dan ook eens­gezind de mening dat de betrokken auteurs de evangelietekst geweld aan­doen. De openbare kritiek van de experts in woord en geschrift is vernieti­gend. Dat heeft echter niet kunnen verhinderen, dat de theorieën algemeen werden verspreid. De directie van het radio-omroepinstituut 'Süddeutscher Rundfunk' beschouwde ze kennelijk als een sensatie. Het zond Lehmanns op­vattingen onder de titel 'Het geheim van Rabbi J.' in 1970 in een dertiendelige (!) serie uit. Op 8 april 1970 vond daarop een twee uur durend forum over dit thema plaats. Hierbij bleek nog duidelijker, dat de theorieën in kwestie volle­dig onhoudbaar waren. Dit belette echter het tijdschrift Stern niet 'Het geheim van Rabbi J.' als vierdelige vooraf gedrukte serie onder de titel Wer war Jesus? Was die Kirche verschweigt te publiceren. Ten slotte verscheen dit alles als boek bij de Econ-Uitgeverij onder de titel Jesus-Report- Protolkolt einer Ver­fälschung. Miljoenen mensen hebben naar de uitzendingen geluisterd, de tijd­schriftenartikelen en het boek gelezen. Velen daarvan zullen de bezwaren van de wetenschappers bij het forum echter niet gehoord hebben. Dit herinnert ons aan een uitspraak van de Nieuwe Openbaring, die de thans heersende si­tuatie typeert: 'De waarheid zal steeds moeilijk te bereiken zijn, terwijl het regiment van de leugen zich gratis over de gehele wereld verspreidt.' (Gr IV 33, 58)

Het lijkt vooral gepast de reeds vermelde hypothesen in onze beschouwingen op te nemen, omdat de werkelijke stand van zaken duidelijk uit de Nieuwe Openbaring blijkt.

Johannes Lehmann meent uit de bijbelteksten te kunnen opmaken dat Jezus nabij de Eseeën zou hebben gestaan en voor hun leer zou zijn opgekomen. In het derde jaar van Zijn onderwijzende periode zou Hij besloten hebben de opstand tegen de Romeinse bezettende mogendheid met Zijn talrijke aanhan­gers te wagen, die echter mislukte, zodat Hij als aanvoerder door de Romei­nen werd geëxecuteerd. Na Zijn dood maakten Zijn aanhangers Hem toen tot datgene wat wij uit de evangeliën kennen.

Als Jezus een rabbi met Esseense leer was geweest, dan zou het Christendom sedert tweeduizend jaar één enkele misleiding vormen. Deze aantijging van Lehmann beoogt dan ook de val van het Christendom. Zo is ook de in zijn geschrift gestelde suggestieve vraag te verklaren: 'Is Qumran (het centrale klooster van deze gemeente aan de Dode Zee, Egg.) de 'wieg van het Chris­tendom'? en is het Christendom niets meer dan de historisch gegroeide voort­zetting van chassidische kluizenaars?, 74

Lehmann bedient zich van de in de jaren veertig van onze eeuw in de nabijheid van de Dode Zee gevonden geschriften (Qumran-geschriften, Egg.), die be­halve het Oude Testament nog andere leringen bevatten, als reden en basis voor zijn bewering dat het Christendom van qumranische oorsprong zou zijn. Door deze teksten zou bewezen zijn dat Jezus' lering niet originair, doch van de Qumran-mensen (Esseeën) overgenomen zou zijn. Dat het tot zulke ge­dachtengangen kon komen is onder meer aan de kort na het vinden van de geschriften gedane overijlde en sensationele aandoende publikatie te wijden, die in een verkeerde richting leidde. In 1950 beweerde de Franse professor André Dupont-Sommer (Sorbonne, Paris) dat de in de schriftrollen voorko­mende leraar der rechtvaardigheid en Jezus één en dezelfde zouden zijn, want ook deze werd veroordeeld en gekruisigd en is naar de hemel, naar God geva­ren. Net zoals Jezus had ook hij een strafgericht voorspeld en zou aan het ein­de der dagen een hoogste rechter zijn.75

Dit nieuws werd door alle massamedia begerig opgenomen; het had bij vele Christenen een schokeffect. Doch de sensatie flauwde al spoedig af. Dupont­Sommer zag zich door de onmiddellijk naar voren gebrachte bezwaren van welhaast alle geleerden, die aan de vertaling meewerkten, genoodzaakt om zijn overijlde en onjuiste beweringen zonder verwijl te herroepen. Zij hielden zich in een wetenschappelijk onderzoek niet staande. De protestantse theolo­gieprofessor Herbert Braun, die zich al vijftien jaar met de Qumran-rollen be­zighoudt, verklaart: 'Over het lijden en sterven alsook de opstanding van deze ware onderwijzer is in de kolom van het Habakuk-commentaar absoluut niets vermeld. Alle analogieën tussen Jezus en de Qumran-sekte, die daarvan uit­gaan, hebben de teksten tegen zich, ook al zoekt de algemene interesse juist op dit punt een sensatie.'76

De Qumran-mensen wachtten niet op één doch op twee Messiassen, waarbij de ene een priester en de andere een veldheer moest zijn. Lehmann deinst niet voor tekstwijzigingen terug en 'geeft ook elders bewust verkeerde informa­tie. '77

De christelijke leer kan onmogelijk uit de Qumran-geschriften worden afge­leid, omdat deze in belangrijke punten lijnrecht tegenover Jezus' leer staan. De protestantse kenner van het Nieuwe Testament Herbert Braun, die vol­gens P .K. Kurz niet aan de verdenking onderhevig is dat hij tegen beter weten aan dogmatische overleveringen wil vasthouden en die de schriftrollen uitste­kend kent, verklaart: 'De door Jezus geëiste liefde tot de persoonlijke en reli­gieuze vijand (Mt 5, 44) reikt veel verder dan het Oude Testament en vertoont een krasse tegenstelling met de "eeuwige haat tegen de mannen van de groe­ve" (Man 9, 21 e.v.), die van de vromen van de sekte wordt geëist.'78 De liefde van de Esseeën mocht alleen voor de leden van de sekte gelden, alle buiten­staanders moesten gehaat worden. Dezelfde krasse tegenstellingen bestaan er wat betreft geboden en rituele kwesties. Jezus' woord over de sabbat (Mc 2, 27)79 hebben de Esseeën beslist verdorven gevonden. Zij hechtten grote waarde aan rituele reinheid, terwijl Jezus, naar de NO bericht, de Farizeeën bewust heeft geprovoceerd door Zijn handen niet te wassen. De Qumran-mensen mochten niet eens een twistgesprek met de 'mannen van de misdaad' (buiten­staanders, Egg.) voeren en van hen spijs noch drank aannemen. Tollenaars en zondaars meden de Esseeën net zoals de joden dit deden.

Om zijn hypothesen te steunen beroept Lehmann zich op Frank M. Cross. Doch zijn zegsman 'identificeert Qumran en het Christendom juist niet met elkaar. '80 Lehmanns these valt - wanneer men haar aan een nauwgezet onder­zoek onderwerpt - als een kaartenhuis uiteen. Alle katholieke en protestantse exegeten ontkennen dat hij in deze materie over voldoende feitenkennis be­schikt en verklaren dat hij over 'grove onwetendheid ten aanzien van de we­tenschappelijke literatuur beschikt' 81.

Lehmann ziet in Jezus echter niet slechts een Esseeër. Hij beweert bovendien dat Jezus ook verzetsstrijder en aanvoerder van oproer tegen de Romeinse bezettende mogendheid zou zijn geweest. Deze these is echter niet nieuw. En­kele jaren vóór Lehmann beweerde de Amerikaanse historicus en oriëntalist Carmichael hetzelfde in zijn geschrift Leven en dood van Jezus van Naza­reth.82 Ook de in 1970 in Duitsland verschenen Jezus-romans schilderen Jezus als oproerling en partizanenleider. 83 De romanschrijver Frank Andermann geeft weliswaar in zijn boek Das grofte Gesicht toe dat hij zijn 'fantasie' (!) de opdracht heeft gegeven om naar de oorsprong van de onderneming te zoeken, die aan het kruis eindigde' (blz. 165), hij beweert echter anderzijds stoutmoe­dig dat de evangelisten in zijn ogen bedriegers zijn. In het licht van de Nieuwe Openbaring schijnen de fabels van deze schrijvers 'als in een lachspiegel ver­vormde, overdreven, schrikwekkende of groteske' 84 gebeurtenissen. Reeds Reimarus had dit thema in de achttiende eeuw te berde gebracht. De joodse auteur Robert Eisier schreef daarover in de jaren twintig van onze eeuw een lijvig boek. 85 Bisschop Dibelius noemt dit geschrift 'combinatorische magie' en het werk van Carmichael, dat geheel van Eisiers boek uitgaat, 'een plagia­torisch condensaat van Eisiers grote werk' 86.

Desondanks maakte Carmichaels boek veel opgang en werd door de sensatie­pers opgehemeld. Ook de uitgever van de Spiegel, Rudolf Augstein, juichte de rebellen these in een boekbespreking enthousiast toe. 87 De these vond echter ook bijval bij theologen sinds Lietzmann, Greguel, R. Bultmann, H. Buhr, verder bij de filosofen W. Bökker en de joodse auteur Paul Winter. 88

Uit de bijbelteksten valt voor twijfelachtige theorieën niet veel op te maken. Dat stoort Lehmann en de overige auteurs niet bij hun plannen. Lehmann om­zeilt dit probleem doordat hij de fictie naar voren brengt dat de evangelisten hun eigen rebelse activiteiten wilden 'verhelen' en 'afzwakken'; zij wilden niet 'berichten, doch rechtzetten'. (blz. 138)

Hoe argumenteren deze auteurs nu concreet? Het belangrijkste argument voor Jezus' beweerde revolutionaire activiteiten is bij allen de zuivering van de tempel, hoewel deze volgens de teksten van het evangelie in Jezus' proces voor het sanhedrin noch voor Pilatus een rol heeft gespeeld. (Naar wij uit de NO citeerden, had deze zuivering van de tempel generlei consequenties en men viel Jezus niet verder lastig.) In verband met de tempelzuivering wordt als be­wijs de intocht in Jeruzalem aangevoerd, hoewel deze beide gebeurtenissen­naar wij uit de NO weten - bijna drie jaar uiteen lagen. In deze voorvallen zien de schrijvers de gewelddadige in bezit name van de tempel door Jezus' aanhan­gers. Na de neergeslagen opstand zou Jezus als politieke rebel door Pilatus ter dood zijn veroordeeld. Voor alle schrijvers die Jezus als een joodse vrijheids­strijder beschouwen is deze verklaring het axioma waaromheen zij hun these opbouwen. Zij doen niet de minste moeite om de dieper liggende oorzaken van Pilatus' merkwaardige gedrag te doorgronden. Wanneer zij op de histori­sche feiten waren ingegaan die wij in het hoofdstuk 'Jezus' verblijft op aarde. Verhelderende aanvullende verkondigingen van de Nieuwe Openbaring ten aanzien van het evangelie' in verband met Pilatus' justitiële moord beschreven hebben, dan zou dat hun theorie ten val gebracht hebben, en daarom negeren zij de politieke samenhang en Pilatus' dieper liggende motieven zwijgend.

Aangezien de zuivering van de tempel op grond van de schildering in het evan­gelie niet met een politieke opstand kan worden verward, vinden de auteurs van de revolutietheorie desondanks een mogelijkheid om de zaken zo te zien als zij zich a priori hadden voorgenomen. Het bericht van het evangelie, zo beweren zij, is 'een soort afzwakking op het minimum van datgene wat in wer­kelijkheid een grootscheepse onderneming moet zijn geweest.' Aldus Carmi­chael. Ook het evangelievers 'Heer, hier zijn twee zwaarden' wordt als aanwij­zing opgevat dat de discipelen bewapend waren. Doch ook EisIer wist dat men met twee zwaarden geen opstand kan beginnen en daarom verandert hij de tekst naar zijn smaak en schrijft: 'Zij antwoordden doordat zij - uiteraard ieder van hen - Jezus twee zwaarden toonden. '89 (!) Dat bewapende opstande­lingen ooit met twee zwaarden per man in de strijd trokken is volledig nieuw in de geschiedenis van de revoluties.

Hoe ver deze avontuurlijke constructies van de waarheid verwijderd zijn toont de volgende tekst uit de Nieuwe Openbaring, waar gezegd wordt van welke soort het wapen van een discipel van Jezus behoort te zijn:

'Uw wapen tegenover de mensen zal steeds slechts in liefde, zachtmoedigheid en geduld bestaan en gij zult op deze weg, die Ik nu zelf voor de mensen be­schrijd, meer teweegbrengen dan met vurige ijver en diamanten ernst alleen.' 'Doch waar gij moet inzien dat gij met liefde en de rechte wijsheid bij de ver­duisterde mensen niets kunt bereiken, keert hun de rug toe en gaat uws weegs.' (Gr IX 148, 9 en 11)

'Ik zelf ben nu ook op deze aarde en schik Mij, naar Mijn uiterlijke persoon­lijkheid, in de door de Romeinse keizer voorgeschreven orde en kom daarte­gen nergens, zelfs niet schijnbaar, in opstand.' (Gr V 133, 5)

'Buigt ook gij u steeds voor het wereldse gezag, of dit nu mild of streng is, want dit zou geen macht hebben als het deze niet wegens de vele onverbeterlijke zondaars van boven zou hebben gekregen.' (Gr IX 159, 16)

Zowel in het evangelie als ook in de Nieuwe Openbaring wordt over 'strijd' en 'zwaard' gesproken. De uitvoerige verkondigingen van de Nieuwe Openba­ring laten er geen twijfel over bestaan, welke betekenis deze passages hebben.

'Ik geef u voor deze wereld geen vrede doch het zwaard, want door de strijd met de wereld en met al datgene wat zij u biedt moet gij de vrijheid van het eeuwige leven verwerven! Want Mijn rijk gedoogt geweld, en zij die er zich niet met geweld van meester maken zullen het niet innemen.' (Gr I 201, 4-5)

'Wie echter meent dat Ik nu een aards rijk zal stichten, die vergist zich volko­men. De Romeinen zijn thans uw aardse heren en zullen het ook in de toe­komst zo lang blijven als het God behaagt. Wanneer gij echter tegen hen in opstand komt, dan zullen zij u breken en vermorzelen.' (Gr VIII 85, 26)

Uit de NO vernemen wij dat de raadsheer Nicodemus tegen Lazarus de vol­gende uitspraak deed: 'Het merkwaardige is dat Hij bij de Romeinen vele aan­hangers telt en dat zij Hem bij de verspreiding van Zijn leer niets in de weg leggen.' (Gr VII 47, 11)

Ook vele joden deelden deze mening. Toen Jezus bij de beschreven dramati­sche geestelijke strijd op het tempelplein om de ziel van het joodse volk streed, weigerde Hij zich tot koning en daarmee tot leider van een opstand te laten uitroepen. Daarop zeiden de joden: 'Het is bekend dat Hij een vriend van de Romeinen en Grieken is en derhalve bij ons joden niet veel aanhangers kan vinden.' (Gr VI 146, 35)

Wie deze uitspraken met de volledig onjuiste rebellentheorie vergelijkt wordt aan een vers uit het Oude Testament herinnerd: 'Veel fantasie hebben de men­senkinderen en ledige waanvoorstellingen brengen misleidingen teweeg.' (Sir 3, 23-24)

Jezus eiste een omwenteling, doch Hij bedoelde een morele revolutie, de in­nerlijke omwenteling van de waarden, die een andere geestelijke houding te­weegbrengt. Deze ommekeer, de metanoia van het Nieuwe Testament, alleen kan de wereld vernieuwen en veranderen.

Nu is de door Lehmann naar voren gebrachte bewering dat Jezus een Esseeër zou zijn geweest en dat het Christendom derhalve niet als van Jezus afkomsti­ge leer te beschouwen is, nog te beantwoorden. De Nieuwe Openbaring be­paalt ook betreffende deze kwestie - zoals uit de onderstaande citaten blijkt­ op actuele wijze haar standpunt. Naar daaruit blijkt heeft Jezus Zijn discipelen voorspeld, dat men nog tijdens Zijn leven zou beweren, dat Hij uit de school der Esseeën zou zijn voortgekomen.

'Ook wij zijn door de Esseeën aan alle kanten omsingeld, die voor het blinde volk zonder moeite allerlei wonderdaden verrichten om het mettertijd geheel voor zich te winnen. En zo doen nu onze sterkere en wonderbaarlijkere won­derdaden het volk algemeen tenminste verbaasd staan, hoewel het daardoor niet volledig overtuigd wordt en dat is juist de goede hoeveelheid en het zou voor het volk niet heilzaam zijn als wij met zichtbare wonderdaden grotere dingen teweegbrachten. Wanneer Ik alle zieken genees, ja zelfs de doden op­wek, dan maakt dat bij het volk in vergelijking met de Esseeën niet al teveel indruk - doch het vertoornt de tempeliers ten zeerste, die echter ook de Es­seeën-orde, die hun allang een doorn in het oog is, vervloekt hebben.' (Gr IV 248,6-7)

'Het is echter ook zeker een scherts dat juist Ik water op de molens van de Esseeën ben, en gij zult nog beleven dat men tot u zal zeggen dat ook Ik een discipel uit de school van deze orde ben en slechts voor het welzijn van deze orde werk, die nu zelf van mening is dat hij moreel gezien al spoedig de gehele wereld zal beheersen. Deze orde is daarom voorlopig niet tegen ons gekant en hij dient ons zonder dat hij ons eigenlijk wil dienen.' (Gr IV 248, 8)

Inderdaad waren er destijds joden te vinden die Hem als een Esseeër be­schouwden: 'Hij is niet anders dan een verkapte Esseeër, Hij is van alle tover­kunsten voorzien en verleidt het volk volgens alle regelen van de kunst.' (Gr VI 146, 36)

Tot de Esseeër zelf zei Jezus: 'Uw woorden, die gij Esseeër het volk predikt, zijn slechts leugen en bedrog, omdat gij zelf niet gelooft wat gij leert. Want gij hebt een dubbele leer, een voor het volk en een geheel andere voor uzelf, waarvan gij onder elkaar zegt dat zij waar is, dat het volk daarover echter niets mag vernemen opdat het in de leugen rustig en gelukkig moge zijn.' 'Wat gij als waarheid beschouwt is geheel en al leugen, wat gij echter het volk leert is slechts voor de helft leugen.' (Gr 11 104, 20)

Tegen Zijn discipelen zei Jezus: 'Laat u door de Esseeën niet bekoren, want hun woorden zijn leugens, hun daden bedrog, en hun vriendschap is niets an­ders dan huichelarij.' (Gr V 274,8)

Volgens mededelingen van de NO vertoefde de apostel Bartholomeüs 'als vol­ledig ingewijde' in het klooster Qumran, kon echter ontsnappen. Bartholo­meüs kende de trucs waarmede de Esseeën hun 'wonderen' verrichten, waar­mee zij de mensen imponeerden en hun het geld uit de zak lokten. (Gr 11 98, 6 e.v.)

Wanneer Lehmann zijn boek de ondertitel 'Protocol van een vervalsing' geeft, dan stelt hij de feiten op hun kop. Niet het evangelie, doch zijn geschrift dat van alle zijden wetenschappelijk onhoudbaar wordt genoemd, verdient deze benaming. Zowel Carmichael als Lehmann weten vermoedelijk maar al te goed hoe wankel hun krampachtige pogingen tot herinterpretering zijn, doch zij konden er desondanks van verzekerd zijn, dat hun boeken 'gelovigen' zou­den vinden en dat het financiële succes niet zou uitblijven.

Wij willen nog een opmerking uit het tijdschrift Publik dd. 30 oktober 1970 toevoegen aan datgene wat er gezegd is. 'Lehmann schrijft met schrikwekkend gebrek aan kennis van de vakliteratuur en wel juist van de historisch-kritische literatuur. Alles bijeengenomen vraagt men zich af hoe het mogelijk was, dat Lehmanns manuscript als 'rapport' of 'protocol' door de speciale redacties van de Süddeutsche Rundfunk en door het lectoraat van de Econ-uitgeverij heen­kwam en gepubliceerd werd. Zelfs de schrijvers van science fiction kunnen zich tegenwoordig op hun gebied dergelijke verdraaiingen van wetenschappe­lijke feiten niet meer veroorloven.'

 

8. Was Jezus een sociale revolutionair?

 

De these van de rebellenleider Jezus is door een nieuwe stroming naar de ach­tergrond gedrongen. Tegenwoordig is de 'theorie van de sociale revolutie' mo­dern geworden. Vele jonge geestelijken van beide confessies, theologiestu­denten, maar ook de studerende jeugd in het algemeen zien Jezus veelal als sociale revolutionair, die het zwaartepunt van zijn activiteiten op het verande­ren van de maatschappij legde en die zich in de eerste plaats ten doel had ge­steld de situatie van de armen te verbeteren. Ook deze theorie is allerminst nieuw. De socialist Kautsky beschouwde Jezus reeds in 1908 in zijn boek Ur­sprung des Christentums als een strijder tegen het systeem. Tegen het einde van de negentiende eeuw deden in de U.S.A. ettelijke auteurs tegelijk moeite om Jezus in een 'profeet van een ideale sociale orde' om te stileren; zo bijvoor­beeld W. Rauschenbusch, Shailer, Mathuos en F.G. Pedbody.9O

Telkens wanneer de sociale toestanden bedroevend waren, geloofden theolo­gen dat zij hier en daar in Jezus' predikingen sporen van sociaalkritisch-revolu­tionaire tendensen konden ontdekken. Heden ten dage worden deze vermoe­dens vooral door de grote armoede in de ontwikkelingslanden gevoed, waar in krasse tegenstelling de rijkdom van de weggooimaatschappij in de industrie­landen tegenover staat. De namen van de arts Che Guevara, de priester Ca­milIo Tores en van de protestantse dominee Martin Luther King, die hun strijd voor een grotere rechtvaardigheid met de dood moesten bekopen, zijn op de hele wereld een begrip geworden. Zo wordt ook het werk van de Braziliaanse aartsbisschop Dom Helder Camara in brede kringen erkend en bewonderd.

De theologie van de sociale revolutie is niet op de laatste plaats een reactie op het gedrag van de kerken, vooral van de katholieke kerk in het verleden. De katholieke moraaltheoloog Bernhard Häring verwoordt de situatie levensecht wanneer hij constateert: 'Het feit dat de horige boeren en loonarbeiders in de middeleeuwen slechter behandeld werden dan de slaven in oude tijden, be­wijst dat de christelijke eredienst-, geloofs- en liefdesgemeenschap destijds al niet meer leefde. '91 Toen de situatie van de boeren in de zestiende eeuw on­draaglijk was geworden staken de boeren tijdens de boerenopstanden rond duizend kloosters en burchten in brand, wat duidelijk aantoont waar hun uit­buiters te zoeken waren. 92 Religieuze motieven had de boerenopstand niet. In de negentiende eeuw liet de kerk de verpauperde arbeidersmassa's aan hun wanhoop over en tegen de verschrikkingen van de kinderarbeid, in het bijzon­der in de mijnen, ondernam zij absoluut niets. De bisschoppen waren tot de negentiende eeuw uitsluitend uit de klasse van de rijke adel afkomstig. Nog in onze tijd staan zij in Spanje en in Zuid-Amerika voor een groot deel aan de zijde van de allesoverheersende dunne bovenlaag van de bevolking. Zij bezien aartsbisschop Dom Helder Camara evenzeer met een scheef oog als zij dat in de zestiende eeuw met de monnik Las Casas deden, die de paus over de ellen­de van de in slavernij levende en afgebeulde Indianen had bericht. Slechts hier en daar straalt een heilige die zich om de armen bekommerde als een ster in de donkere nacht van een liefdeloze kerk. Niet zonder reden staat er in de Nieu­we Openbaring over de katholieke kerk te lezen: 'Uw liefde is een koude oven.' (Hi II, blz. 193)

Doch de leiders van de protestantse kerk waren destijds al evenzeer vol onbe­grip. Luther schreef dat de gewone man met lasten moest worden beladen, anders werd hij te baldadig. Melanchton zei: 'Dat de boeren geen lijfeigenen meer willen zijn en geen heffingen meer willen betalen, is een grote mis­daad. '93

De jonge theologen hebben ingezien, dat de kerk de in Jezus' boodschap afge­bakende weg heeft verlaten, doch het gevaar bestaat dat zij in het andere uiterste vervallen. De meningen die in de theologische literatuur te vinden zijn wijzen in die richting. De richting van Jezus' daden wordt volledig verkeerd gezien wanneer sommige theologen de volgende mening huldigen: 'Het indivi­du wordt door Jezus niet met een toekomstig totaliter aliter (= hiernamaals, Egg.) getroost, dat hij dan niet meer meemaakt. Het huidige leven wordt niet aan de toekomst van het rijk opgeofferd.' 'Het door Jezus gebezigde begrip 'Godsheerschappij' belooft een actief overwinnen van de huidige onrechtvaar­dige toestanden.'94 Verwijzingen naar het eeuwige leven noemde H.G. Link 'paai-ideologie'. In deze nieuwe theologie ziet deze auteur 'de taak tot ver­nieuwing van het Christendom, die bij de basis begint'! De afwending van de werkelijke betekenis van Jezus' boodschap, zoals deze overduidelijk uit de Nieuwe Openbaring blijkt, vormt geen vernieuwing doch een vernietiging van het christelijke geloof. Jezus heeft - naar uit de NO blijkt - geen klassenstrijd en al evenmin een paradijs op aarde verkondigd. Zijn predikingen hadden geen sociaal-ethisch, doch een theocentrisch karakter.

Het is ook niet juist wanneer andere theologen van mening zijn dat 'Jezus nooit met de rijken en machtigen dezer aarde in contact is gekomen' 95. Laza­rus, Nicodemus en Jozef van Arimathea behoorden tot de rijkste mannen van Palestina. Jezus had ook volgens de verkondigingen van de NO nauw contact met invloedrijke Romeinse militairen tot aan de hoogste rangen. (Gr VIII 157, 7)

Waar het Jezus uitsluitend om ging, is in het evangelie en in de Nieuwe Open­baring overduidelijk gezegd. In de Nieuwe Openbaring zegt de Heer: 'Ik kan alleen de geestelijke vooruitgang, doch niet het wereldlijke welzijn van een­ieder als belangrijkste doel van zijn aardse leven beogen.' (Pr 149)

Hoe de Heer over de vervormingen van Zijn leer in de lijnrecht ertegenover staande materialistische denkwijze denkt is in de NO ook concreet uiteenge­zet: 'Een dergelijke denkwijze is reeds sinds het ontstaan van de mensen voor enkelen steeds de basis van hun handelingen geweest en in de huidige tijd pre­diken uw geleerde materialisten zonder schroom en vinden zij ook een groot publiek, dat met hun meningen overeenstemt en hen toejuicht.' (Pr 272)

Hoe actueel is deze verkondiging en hoe exact is zij afgestemd op de theologi­sche stromingen van deze tijd!

 

Elders in de NO wordt nogmaals nadrukkelijk verduidelijkt: 'Deze aarde heeft nu eenmaal de bestemming, dat op haar voor de gehele oneindigheid kinderen van Gods geest worden opgevoed en daarom is het nodig, dat de bodem steeds eerder mager dan te los en te vet blijft.' (Gr II 205,9) 'Weliswaar is de armoede een grote plaag voor de mensen, doch zij draagt de edele kiem van de deemoed en de ware bescheidenheid in zich en zal daarom ook steeds bij de mensen verwijlen. Desondanks moeten de rijken de armoede niet mach­tig laten worden, aangezien zij zich anders in groot gevaar begeven, hier en eens in het hiernamaals.' (Gr IV 179, 3)

De armoede is - naar uit de Nieuwe Openbaring maar al te duidelijk blijkt ­een deel van Gods heilsplan. De voorspelling in het evangelie, 'armen zult gij altoos bij u hebben', heeft een betekenis, ook al wordt deze kennelijk niet erkend door de theologen die Jezus als een sociale hervormer beschouwen en eenzijdig de nadruk leggen op de humanitaire zijde.

Jezus' leer is primair geenszins een sociale boodschap en zeker geen oproep tot klassenstrijd en tot het omverwerpen van bestaande situaties. Hij trok met geen woord tegen de slavernij te velde, waarop het economische systeem van die tijd als opgebouwd. De verwerping van geweld is reeds met de in de vooraf­gaande hoofdstukken geciteerde uitspraken van de NO gestaafd. Dat blijkt evenzeer uit Lc 6, 27-36 en Mt 5, 38-48.

Jezus heeft het probleem van de armoede uitvoerig met Zijn discipelen be­sproken. Uit de NO vernemen wij hiertoe het volgende: 'Dat de goederen van deze aarde zeer ongelijk verdeeld zijn, zodat er rijken en armen zijn, is Gods wijze wil. Want doordat God de mensen met verschillende goederen, gaven en vaardigheden heeft begiftigd, kan een mens niet buiten andere.' (Gr VII 37,1) 'Doch de onbillijkheid en onrechtvaardigheid onder de mensen op aarde is het grootste kwaad, dat op de wereld de broeders en zusters van elkander ver­vreemdt en vijandschap voortbrengt. Als deze echter reeds bestaan, dan is er geen heil meer onder de mensen, doch nijd, haat, roof, doodslag, moord en oorlogen.' (Gr VII 179,2)

'De te zelfzuchtige woeker en de te grote heers- en pronkzucht van de mensen is de eigenlijke Satan, een vorst van deze wereld, die, omdat hij zonder enig levenslicht uit de hemelen bestaat, geheel en al de hel zelf is.' (Gr IX 101, 7-8) 'Wanneer de mensen allen zo met elkaar leefden en volgens de hun reeds dik­wijls geopenbaarde wil en raad Gods handelden, dan zouden nimmer nood, benardheid en droefenis temidden van hen ontstaan. Alle ellende hebben de mensen door hun slechte woekergeest aan zichzelf te wijten.' (Gr IX 101, 5)

De rijkdom als zodanig wordt dus door God niet veroordeeld. Doorslagge­vend is hoe deze gebruikt wordt. Doch in dit opzicht wijkt ongetwijfeld het overgrote deel van de rijken af van de eis, die als voorwaarde voor de erken­ning van de rijkdom wordt gesteld. Hiertoe wordt in de NO gezegd: 'Ik ben niet alleen een vriend van de armen, doch ook een vriend van de rijken, wan­neer zij hun rijkdom volgens Gods werkelijke bedoeling gebruiken. Wie rijk is, die handele aldus, en hij zal leven.' (Gr VI 227, 10)

Op de vraag van één van de rijke Farizeeën: 'Heer en Meester, zie, Uw vrien­den Lazarus, Nicodemus en Jozef van Arimathea zijn toch nog veel rijker dan wij. Waarom eist Gij van hen niet datgene wat Gij van ons eist?' (het verzaken aan alle aardse goederen, Egg.) geeft Jezus ten antwoord: 'Tussen hun goede­ren en de uwe bestaat een levensgroot verschil! Hun goederen zijn strikt recht­vaardig verkregen stamgoederen en de koninklijke schatten die zich daarin bevinden zijn het resultaat van een ware, onzelfzuchtige ijver en van de zegen uit Gods hemelen. Tegelijkertijd zijn de drie genoemde mannen vrijwel de enigen die de vele duizenden ondersteunen, die door uw goddeloze bezighe­den en handelingen arm en ellendig geworden zijn.' 'Geldt dat ook voor uw bijeen geroofde goederen?' (Gr VII 157, 8 e.v.)

'Rijk zijn op deze aarde en slechts zoveel voor zichzelf gebruiken als men voor zijn eigen onderhoud dringend nodig heeft, dus karig zijn tegen zichzelf, om des te vrijgeviger tegen de armen te kunnen zijn, dat is de grootste gelijkenis met God die reeds in vleselijke gedaante op deze aarde te bereiken is.' (Gr III 192, 11) 'Wie voor het lichaam meer doet dan voor de ziel of zelfs uitsluitend voor het lichaam zorgt en voor de onsterfelijke ziel in het geheel niet, die is waarlijk een dwaas.' (Gr VII 222, 15)

Bij het bespreken van het probleem van de armoede in de Nieuwe Openbaring wordt er geen twijfel aan gelaten, dat deze sinds duizenden jaren bestaande toestand zijn door God gewilde zin heeft, ook al zijn velen niet in staat de diepere lagen van het heilsgebeuren te doorgronden en geloven, dat zij alles wat er gebeurt met de maatstaven van het menselijk verstand kunnen meten. In de NO wordt niet zonder reden met klem benadrukt: 'Deze woorden die Ik nu tot u spreek, zijn leven, licht en waarheid, wier realiteit eenieder moet in­zien die zich erom bekommert.' (Gr IV 79, 9)

Ook wijst de Heer er in dit verband met nadruk op dat er op de wereld vele gevaren voor de ziel bestaan, die haar vervolmaking en rijpheid voor Gods rijk in de weg staan. Het grootste gevaar is het luciferische element van de hoog­moed, waar overeenkomstig Gods heilsplan voortdurend tegenkrachten te­genover gesteld moeten worden. In iedere ziel leeft een gevoel van hoogheid en daardoor de kiem tot hoogmoed. De Nieuwe Openbaring concludeert daaruit, dat er een dam gebouwd moet worden om de daaruit voortvloeiende gevaren het hoofd te bieden: 'Daarom is op deze aarde de armoede bij de men­sen veel groter dan de rijkdom, om daardoor de hoogmoed steeds aan de teu­gel te houden. - Zet een bedelaar een koningskroon op, en gij zult bemerken dat zijn vroegere deemoed en geduld al spoedig verdwenen zijn.' (Gr IV 83,1­2)

'De nood van het leven is een houder van het leven, waarin dit verhard wordt gelijk een diamant.' 'Daarom neme eenieder zijn kruis op zijn schouders en volge Mij in alle liefde, dan zal hij zijn leven eeuwig behouden.' (Hi I, blz. 335) 'Armoede en nood zijn geen verontschuldiging voor diefstal en roof en nog minder het doden van een beroofde.' (Gr IV 79, 2)

'Ik weet zeer goed waarom Ik een bepaalde gebeurtenis bijeen zeker volk laat geschieden. Voor u is het echter voldoende te weten dat door Mij, de Vader van alle mensen, geen slechte gaven aan de kinderen worden gegeven, hoe deze ook geaard mogen zijn en zeker niet aan hen die Mij zoeken, beseffen en liefhebben.' (Hi II, blz. 296)

'Het is echter voor de in de geest bekeerde mens beter volop van de goederen des hemels te genieten, doch tegelijkertijd bij de goederen van deze aarde enigszins noodlijdend te zijn.' (Gr IX 209, 10) 'Alles welks bestaan God nu eenmaal heeft toegelaten moet er ook zijn als aandrijfveer ter verbetering van de mensen.' (Gr V 158, 1)

Voor volkeren die volledig ontaarden en hun door God bepaalde doel geheel en al uit het oog verliezen en voor geen vermaning meer vatbaar zijn, 'is er echter geen andere school dan die van de ellende. Dat zegt Hij die alle volke­ren der aarde kent' (Hi II, blz. 319)

Een te grote nood zal echter voor de ziel eerder schadelijk dan nuttig zijn. Dat brengt Thomas van Aquino treffend tot uitdrukking wanneer hij zegt: 'Gratia supponit naturam', d.w.z. 'de genade stelt de natuur voorop'. De genade kan niet werken bij mensen die voortdurend onder grote nood en zorgen te lijden hebben. Zo luiden ook de verkondigingen van de Nieuwe Openbaring en het oordeel dat over diegenen wordt uitgesproken die voor de zeer grote nood verantwoordelijk zijn, is vernietigend.

'De nood is een kwade zaak en zij verleidt de mensen dikwijls nog tot grotere ondeugden dan de rijkdom.' (Gr II 68, 4)

'Wanneer de rijken en machtigen alles naar zich toe trekken, dan moeten daardoor ook zeer velen straatarm worden en hun leven in diepe ellende en grote nood doorbrengen, omdat slechts de weinige rijken en machtigen alles, de armen echter niets bezitten - behalve het karige loon wat de rijken en de machtigen hun voor het zware werk geven dat zij voor hen doen.' (Gr VIII 182, 8)

'. . . de nood en de armoede bij de mensen van deze aarde veroorzaakt enkel en alleen dat zij liefdeloos tegenover elkaar worden...' (Gr IX, 210, 4)

'Gij weet dat een mens die rijk aan aardse goederen is geworden meestal ook in zijn hart tot een steen van gevoel - en liefdeloosheid is geworden.' 'Waar echter staat zulk een mens dan in de innerlijke levensatmosfeer? Ik zeg u: op het punt van het eeuwige oordeel en diens dood...' (Gr VIII 182, 1)

'. . . dat (het afwenden van materiële dingen, Egg.) is waarlijk geen gemakke­lijk werk voor een ziel die de liefde tot de wereld reeds in zich draagt en er zijn zeer vele rijken en machtigen op de wereld, voor wie het moeilijker is van de materie en haar ingebeelde waarde te scheiden - dan het voor een kameel is om door het oog van een naald te gaan.' (Gr VIII 183, 5)

'Doch wat baat het de mens alle schatten der aarde te bezitten en zich daarmee alle mogelijke geneugten te kunnen verschaffen, wanneer hij daardoor schade aan zijn ziel zou nemen?' (Gr VIII 183, 9)

Wie denkt tijdens het lezen van het bovenaangehaalde vers 'wanneer de rijken alles naar zich toe trekken' niet aan de grootgrondbezitters en kloosters, die eeuwenlang in Europa en elders de arme boeren uitzogen, niet aan Zuid-Ame­rika, Ethiopië, Pakistan, India enz., waar ook nu nog slechts enkelen het grootste gedeelte van het bebouwbare land bezitten, en wie weet niet hoe de arme landen die de grondstoffen leveren sinds tientallen jaren door de indu­strielanden prijzen voorgeschreven kregen, die niet eens genoeg waren om het bestaansminimum van deze volkeren te dekken, terwijl de welstand van deze industrievolkeren snel groter werd?

De grootgrondbezitters en de industriëlen worden in de Nieuwe Openbaring door de heer met name vermeld. Jezus zegt dat de 'zogeheten landgoedeige­naars eens streng ter verantwoording zullen worden geroepen en dat zij over iedere penning rekening en verantwoording zullen moeten afleggen, waarvoor zij deze hebben uitgegeven. Wee hen die hun inkomsten verbrast, verkwist en verhoerd hebben.' (Ril, blz. 358)

'De groten en machtigen zijn door hun woekerpraktijken en door hun grote heerszucht tot dieven en rovers der volkeren geworden en zullen ook door Mij te zijner tijd hun verdiende loon niet ontgaan.' (Gr IX 101, 6)

Door de eeuwen heen werden de volkeren in Europa en elders op de wereld door absolutistisch heersende machtigen van de staat, door grootgrondbezit­ters en industriëlen tot het uiterste uitgebuit. Alleen wie de geschiedenis kent, kan vermoeden welke ellende en welk leed achter deze constatering schuil­gaat. De niet-blanke volkeren werden door de machtige vuurwapens van de Europeanen onderdrukt en uitgebuit. Later was de macht van het geld vol­doende om gebieden zoals Midden - en Zuid-Amerika economisch afhankelijk te houden. In de Nieuwe Openbaring wordt uitdrukkelijk gezegd dat de 'in­dustrie lijnrecht tegen het belangrijkste gebod van de liefde indruist.' 'Gij be­hoeft uw blik slechts naar Amerika, Engeland enz. te wenden.' (Ril, blz. 347)

Ook in Palestina was ten tijde van Jezus de uitbuiting van slaven en ook van het eenvoudige volk aan de orde van de dag. Desondanks verwierp Jezus het ge­bruik van geweld en terreur om de wereld te veranderen principieel en wees er tegelijkertijd met nadruk op, dat het niet het doel van het leven is een zo hoog mogelijke levensstandaard te bereiken. De volgende verkondigingen van de NO maken duidelijk, dat de marxistische ideologie van het paradijs op aarde een utopie is.

'Eenieder van u moge eraan denken dat de aarde onmogelijk een paradijs kan zijn, omdat zij te allen tijde een proefterrein voor iedere, in het logge vlees van de mens gelegde geest moet blijven, aangezien geen enkele geest zonder een dergelijk proefterrein een volmaakt en eeuwig leven deelachtig zou kunnen worden.' (VdH I 85, 10)

'Gelooft gij dat Ik niet weet wat de wereld doet en misschien te onverschillig ben om de wereld voor haar ondaden te tuchtigen? Ik zeg u: gelooft iets anders en laat de leiding van de wereld aan Mij over!'

'Wie het zwaard trekt zal door het zwaard omkomen. Met openlijk geweld zal niemand ooit iets tegen de wereld kunnen bereiken, want waar de wereld ge­weld ziet beantwoordt zij dit ook weer met geweld, en op deze wijze verstik­ken de volkeren elkaar bij voortduring.'

'Wie de wereld wil bestrijden, die moet haar met heimelijke wapens bestrij­den, en deze wapens zijn Mijn liefde en Mijn vrede in u! Ieder moet echter eerst met deze wapens de eigen wereld in zichzelf overwinnen, dan pas zal hij deze wapens te allen tijde zegevierend tegen de buitenwereld kunnen gebrui­ken.'

'Voorwaar, wie niet innerlijk een meester van de wereld is, die zal het uiterlijk des te minder worden! Eenieder echter, die in zichzelf nog een vloekachtige vurige ijver gevoelt, is nog niet klaar met zijn eigen wereld.' 'Mijn geest en Mijn vrede ijveren niet, doch werken vol macht slechts in stilte en door de wereld volledig onopgemerkt; zij hebben geen ander uithangbord dan de wer­ken der liefde en naar buiten de deemoed.' (Schriftt. 35, 20-24)

Dat zijn duidelijke uitspraken, die slechts voor één verklaring vatbaar zijn. De theologische systeemveranderaars, die zich marxistische gedachtegangen eigen maken, hebben geen recht zich op Jezus te beroepen en van 'vernieu­wing van het Christendom' te spreken. Er zijn tegenwoordig in de wereld al te veel mensen die het systeem willen veranderen en voor wie het kernstuk van Jezus' boodschap niets betekent; integendeel, hun hart is dikwijls vol haat en nijd. Over hen zegt Nietzsche dat zij beginnen met rechtvaardigheid te eisen van degenen die de macht bezitten, doch ten slotte de macht zelf alleen bezit­ten.96 De eis tot gelijkheid en vrijheid is dikwijls niets anders dan een verkapte vorm van macht honger.

Jezus heeft voorspeld dat het gebruik van geweld op de duur niet tot gelukkige toestanden zal leiden. Naar de ervaring ons inmiddels heeft geleerd is de in het Oosten beoogde eenheid in het despotisme werkelijkheid geworden. De ter­reur van de tsaren is door een andere terreur vervangen. Tegelijkertijd begon de godsdienstvervolging door het militante atheïsme. Twee prominente getui­gen zeggen ons wat de gewelddadige verandering van het systeem heeft be­reikt. Volgens de berichten van Alexander Solsjenitsyn in zijn brief aan de communistische partij van de UdSSR dd. september 1973 zijn er in de Sowjet­Unie sinds 191766 miljoen mensen om politieke en economische redenen als­ook in verband met de klassenstrijd uitgeroeid.97 Tientallen jaren werden in Stalins tijd 10 tot 12 miljoen mensen in strafkampen gevangen gehouden, wat voor hen en hun gezinnen onnoemelijk leed betekende.98

Prof. Andrej Sacharov, de 'vader van de sovjet-waterstofbom', zei in een in­terview dat hij aan de Zweedse radio verleende dat er in Sovjet-Rusland cynis­me, apathie en uitputting, huichelarij, verval van de moraal en van de schep­pende kracht heerste, waaronder vooral de intellectuele laag van de bevolking te lijden heeft. Zijn woorden waren letterlijk: 'De geschiedenis van ons land moet de landen van het Westen en van de derde wereld tot waarschuwing die­nen, zodat zij de historische ontwikkelingsfouten niet behoeven te maken waaraan ons land zich schuldig heeft gemaakt. '99

De vooraanstaande socioloog Max Weber (1864-1920) constateerde reeds een halve eeuw geleden dat gewelddadigheid steeds weer gewelddadigheid voort­brengt, dat de gewelddadigheid tegen de onrechtvaardigheid uiteindelijk niet de overwinning van een hogere rechtvaardigheid tot gevolg heeft. 100

Alle filosofische en politieke utopieën leiden tot tirannie, omdat alle systeem­veranderaars volgens een uitspraak van Hugo BalI negatief tewerk gaan: 'Nie­mand protesteert naar binnen, protest geschiedt steeds naar buiten toe.'

Zonder de verwezenlijking van Jezus' boodschap in de harten van de mensen is werkelijk humanisme niet denkbaar.

 

9. De eindeloze reeks negatieve Jezus-boeken - bespreking van Augsteins Jezus-boek

 

Het Jezus-boek van de Spiegel-uitgever Rudolf Augstein heeft heel wat opzien gebaard; of dit nu terecht of ten onrechte was, laten wij ter zijde. 101 Het ging er Augstein bij zijn 426 bladzijden lange uiteenzettingen niet om de verkeerde ontwikkelingen van de christelijke kerk in de loop van bijna tweeduizend jaar aan te tonen; hij is erop uit de vernietiging van het christelijke geloof zelf te bereiken. Of hij het boek - naar algemeen wordt betwijfeld - zelf heeft ge­schreven dan wel er anderen achter staan, is van geen belang bij de beschou­wing van de inhoud. Op zichzelf brengt Augstein niets nieuws te berde; het werk is compilatorisch. Alles wat hij naar voren brengt hebben anderen lange tijd vóór hem gezegd. Naar Augsteins mening is het 'kostbaarste resultaat van alle zoeken naar zin het inzicht dat. . . de mens geen 'laatste zin' ... heeft' (blz. 421). En 'Hij die de gehele Jezus-figuur als een mythe beschouwt behoeft geen dwaas te zijn...' (blz. 47).

'De evangeliën bevatten de leringen van de evangelisten, verder niets, en deze bevatten op hun beurt de leringen van de Esseeën, Qumranen, apocalyptici, liberale Farizeeën, joden-christenen, hellenisten, verder niets' (blz. 164). De geschiedenissen van de evangeliën zouden uit profetieën van het Oude Testa­ment zijn samengesteld (blz. 182) en dit alles zou 'gemeentevorming' zijn (blz. 367)

Augstein neemt de thesen van Bultmann en andere auteurs kritiekloos over, hoewel reeds Bultmanns scholieren de radicale ontmythologisering afwijzen en zelfs de atheïstische filosoof Ernst Bloch deze als onhoudbaar beschouwt. Augsteins diepste opvatting is nihilistisch, zijn wereldbeschouwelijke leningen zijn van existentialisten*(* Naar de mening van de existentialisten, die het existentialisme vertegenwoordigen, is het al dan niet bestaan van God volledig belangeloos voor de mensen die zichzelf willen vinden. Het leven op zich is zinloos. Zin krijgt het bestaan slechts door datgene wat het in ieder afzonderlijk geval wille­keurig als zinvol gaat beschouwen.) zoals Heidegger en Sartre.

Alleen tegenover de theorie dat Jezus een politieke opstandelingenleider zou zijn geweest, stelt hij zich zeer sceptisch op; deze schijnt hem toch onwaar­schijnlijk toe, 'omdat men niet verder komt dan tasten en combineren' (blz. 195).

Augstein, 'een onvergelijkelijke betweter' (R. Pesch) beweert dat 'Jezus ons niet leert hoe wij moeten leven' (blz. 163), zoals trouwens alles bij Jezus twij­felachtig zou zijn.

Hij streeft ernaar de lezer onzeker te maken en omdat de kerken het vertrou­wen van het kerkvolk grotendeels verspeeld hebben, omdat hun theologen de twijfel van de gelovigen nog versterken, is Augsteins 'document van de ver­warring' (Pesch) beslist bij velen op vruchtbare bodem gevallen. Wanneer theologen Christus' opstanding ontkennen en het Christendom alleen nog maar als 'dienst aan de mens' beschouwen, dan moet men Augstein inderdaad gelijk geven, wanneer hij daarbij opmerkt: 'En daarvoor hadden wij tweedui­zend jaar kerk nodig!' (blz. 102). Het wekt ook geen verbazing, wanneer Aug­stein zich verwondert dat de katholieke theoloog Josef Blank beweert dat 'Je­zus geen eeuwige, boven de tijden staande waarheid wilde verkondigen, doch zich direct tot de mensen van zijn tijd wendde' (blz. 103).102

Augstein loopt, zoals velen vóór hem hebben gedaan, op talrijke passages van het evangelie vast en beschouwt alle pericopen waarvoor hij geen oplossing vindt - zoals dat gebruikelijk is geworden - als 'verdacht'. Hij weet niet dat Jezus tegen Zijn apostelen zei: 'De volle, naakte waarheid kan de mensen over het algemeen door Mij thans (in Christus' tijd) niet worden gegeven, doch slechts versluierd in gelijkenissen.' (Gr III 168, 12)

Dikwijls zijn het echter simpele dingen waar het Augstein om te doen is. In de Nieuwe Openbaring zijn voor welhaast alle door hem opgeworpen vragen plausibele en overtuigende verklaringen te vinden.

Zo neemt hij er bij Judas' verraad aanstoot aan, dat de evangelist Judas tegen de bende van de tempelpolitie laat zeggen: 'Hij is het.' Jezus, zo argumenteert hij, was in het kleine gebied van Jeruzalem 'bekend'. 'Men had geen expert nodig, die Hem met de woorden "Hij is het" moest aanwijzen' (blz. 184). De NO beschrijft deze gebeurtenis uitvoerig, zodat zonder meer duidelijk wordt dat de schildering van de evangelisten zeer wel juist is. Daar staat te lezen: 'De beulsknechten deinsden terug, omdat zij over Mijn kracht reeds veel hadden gehoord en deze vreesden - wat ook de reden was waarom Kajafas uitsluitend knechten had uitgekozen die Mij nog niet kenden.' (Gr XI, blz. 198) Ten slotte was het ook in het holst van de nacht toen men Jezus gevangen nam.

Het doodvonnis van Pilatus, die Jezus tevoren uitdrukkelijk onschuldig had verklaard, schijnt hem 'onmogelijk' toe. Naar zijn mening zijn 'hier fantasten aan het werk geweest' (blz. 197). Van de historische achtergronden, zoals wij deze in het hoofdstuk 'Jezus' verblijf op aarde' geschilderd hebben, heeft Aug­stein kennelijk geen notie. Alles wat hij niet kent of begrijpt is 'verdacht' of 'onmogelijk'. Hij staat maar al te snel met zijn oordeel klaar, wanneer dingen zijn begrip te boven gaan. Doch anderzijds schrikt hij - zoals Rudolf Pesch schrijft - ook geenszins terug voor fantastische constructies.103

De berichten van de evangelisten over de beulsknechten die Jezus gevangen­namen, lijken hem eveneens onwaarschijnlijk, omdat hij zich voorstelt dat een Romeinse cohorte (600 soldaten) de gevangenneming uitvoerde. Hij con­strueert zelfs moeilijkheden op plaatsen waar ze er helemaal niet zijn. 'Waar hadden de joden een cohorte vandaan, met een Romeinse overste aan het hoofd?' vraagt Augstein (blz. 202). Over een Romeinse overste wordt in het evangelie met geen woord gerept. Oversten waren zowel bij de Romeinse mili­tairen als bij de tempelpolitie te vinden. Ook over een cohorte spreekt geen van de evangelisten. Mattheüs 26, 47 spreekt over 'een grote schare, gezonden vanwege de overpriesters'; Marcus 14, 47 zegt letterlijk hetzelfde. Ook Lucas 22,47 spreekt over een 'schare'. Johannes bericht (18, 3) over 'een afdeling soldaten en dienaars van de overpriesters' en (18, 12) 'de afdeling en de over­ste en de dienaars der joden'. In de eenheidsvertaling van de Heilige Schrift (Katholische Bibelanstalt, Stuttgart) wordt er bij Johannes ook niet over sol­daten gesproken, doch staat er te lezen: 'Judas kwam daar met een troep en met dienaars van de hogepriesters naartoe.'

In de Nieuwe Openbaring wordt de stand van zaken zeer nauwgezet geschil­derd: 'Op dit ogenblik naderde een menigte bewapende tempelwachters met fakkels.' Over een 'overste' wordt niet meer gesproken, doch daar staat het woord 'aanvoerder'. Het is niet geoorloofd het woord 'overste' bij Johannes zodanig te interpreteren als zouden Romeinse militairen bij Jezus' inhechte­nisneming hebben meegewerkt. Pilatus was over Jezus' redevoeringen zeer goed op de hoogte en er bestond voor hem geen aanleiding om Jezus gevangen te laten nemen. Wanneer hij dat gewild had, dan had hij de priesters van de tempel daarvoor niet nodig gehad. Gelooft Augstein overigens werkelijk, dat de Romeinen de priesters van de joden een derde van hun in Palestina gesta­tioneerde strijdmacht (een cohorte) voor het gevangennemen van één man in de nacht ter beschikking hebben gesteld? En kan hij zich voorstellen, dat een Romeinse overste een door hem vastgenomen man naar de voormalige over­priester Annas leidt, die door de Romeinen was afgezet? Volgens zijn eigen mededelingen lijkt dat onwaarschijnlijk (blz. 204).

. Op de 426 bladzijden van zijn boek zet Augstein bij voortduring vraagtekens achter de teksten van het evangelie. Typisch hiervoor is dat wat hij op bladzij­de 219 schrijft:

'Door Pilatus(?) werd Hij vrijgegeven(?) om te doden(?), door Romeinse(?) soldaten(?) gekruisigd(?), behalve vraagtekens ziet men niets.' - Wie zich sys­tematisch op het mythologiseren concentreert heeft onbegrensde mogelijkhe­den bij de gecomprimeerde voorstellingswijze van het evangelie. Dat kan ge­daan worden totdat - zoals de marxist Ernst Bloch het drastisch uitdrukt - 'van het evangelie niets anders dan paars overblijft.'

Wie echter de Nieuwe Openbaring leest kan het ene vraagteken na het andere laten vervallen. Zij is een rijke bron van belangrijke details, die ons een duide­lijke voorstelling van de werkelijke feiten geven. Wanneer de christenen, die door de bijbelkritische literatuur in de loop van vele tientallen jaren onzeker geworden zijn, wisten op welke wankele basis de kritische uitingen staan, dan zouden zij de volgende woorden toejuichen die de Heer aan Jakob Lorber heeft gedicteerd:

'Ieder (criticus, Egg.) is van mening dat hij op deze of gene wijze de spijker op de kop heeft geslagen. Doch het duurt niet lang of er treedt reeds een ander naar voren, die de eerste exact aantoont dat hij een geweldige vergissing heeft begaan. En zo gaat dat alsmaar door, en uiteindelijk weet de laatste het even­min als de eerste of hij de spijker op de kop heeft geslagen of niet.' (Schriftt. 60)

Het is nu eenmaal zo als Alexis Carrel zegt dat 'het werkelijke niet altijd een­voudig en duidelijk is'. 'Gods woord in de bijbel is geen gladde en goedkope eenheid, het is dikwijls juist diep onder tegenstrijdigheden, duistere punten en moeilijke vragen verborgen.' 'Het uitgangspunt van al het nadenken over Gods woord moet daarom de eerbied voor dit geheim zijn.'104

Jezus heeft volgens de berichtgeving van de NO Zijn discipelen voorspeld dat de geleerden in latere tijden Zijn boodschap veelal niet zullen begrijpen. 'Vele wijzen van de wereld brengen slechts voor aardse doeleinden iets voort, doch al het innerlijke, diepere en geestelijke blijft hun vreemd.' (Gr IV 236, 1) 'Het wereldlijke verstand van de mensen begrijpt de innerlijke dingen van de geest en van de levende waarheid niet en beschouwt diegenen als dwazen die daar­van kond doen.' (Gr IX 132, 16)

De kritische bijbelresearch heeft aangetoond dat, wanneer de functie van het verstand geabsoluteerd wordt, het supranaturale unieke van Jezus niet wordt begrepen; het intellect is dan voor de metafysische diepte van sommige on­doordringbare geheimen van de Godheid, de schepping, de verlossing volko­men blind. 'Men behoeft geen dwaas te zijn' wanneer men meer geloof hecht aan de liefdevolle, stralende, duidelijke en logische verkondigingen van de Nieuwe Openbaring dan aan een bijbelkritiek die niet aan drogbeelden voor­bijkomt, onafgebroken wisselende en ongeloofwaardige hypothesen naar vo­ren brengt en uiteindelijk na eindeloze discussies weer daar terecht is geko­men, waar de heidenen Cel sus en Porphyrius in de tweede en derde eeuw be­gonnen zijn.

Wanneer men de theologische literatuur van de research betreffende Jezus' leven beziet, die in radicalisme en atheïsme uitmondt, dan kan men de volgen­de uitspraken geloven die in de NO te vinden zijn: 'Gelijk Ik in gene tijd aan het kruis werd genageld, Mijn leer bespot en Mijn discipelen beschimpt en vervolgd werden, zo zal het weer zijn. In plaats van Mij zelf zullen de mensen Mijn leer aan het kruis nagelen en bespotten.' (Pr 91) 'Doch laat hen begaan die zich geleerd achten met hun schijnwijsheid! De tijd van hun triomf zal slechts van korte duur zijn.' (Pr 31)

'Er zal een tijd komen, waar al uw wijsheden niet voldoende zijn om u troost of zelfs maar rust te schenken. Bij de gebeurtenissen die u te wachten staan zult gij tussen twee werelden staan en God en uw harde lot beklagen, omdat de stoffelijke wereld u met hoon zal terugstoten en de geestelijke wereld u niet zal opnemen.' (Pr 30)

 

10. De nieuwe theologie zonder God

 

Bij de nu volgende uiteenzettingen moeten wij ons met de nieuwste vorm van theologie bezighouden, die alles in de schaduw stelt wat tot dusver bekend was. Protestantse, katholieke en anglicaanse theologen ontkennen het be­staan van God dan wel het leven van de ziel na de dood in het hiernamaals. Godloochenaars zijn er altijd geweest, doch het bleef de eindtijd van onze da­gen, waar de verwarring van de geesten weldra een hoogtepunt zal bereiken, voorbehouden, dat zulke uitspraken door theologen, zelfs door een anglicaan­se bisschop worden gedaan.

Reeds de filosofen van de oudheid hielden er over Gods bestaan sterk uiteen­lopende meningen op na. Volgens de mening van de godloochenaars heeft het toeval steeds aan het begin gestaan en in het verdere verloop van de geschiede­nis moet alles dan deterministisch verlopen. Democritus (460-360v. Chr.) leg­de, net zoals de materialisten van onze tijd, het beginsel van de vormgeving in de stof zelf en legde daarmee de grondslag voor de mechanistische wereldaan­schouwing (Fragmente phys. 1). Heraclitus (500 v. Chr.), die vooral een grote invloed had op Hegel, Nietzsche en Heidegger l05, deed de volgende uitlating: 'Deze wereldorde, dezelfde voor alle wezens, is door geen God geschapen, zij is er altijd al geweest.' (Fragmenten 30). Volgens de opvatting van Anaxagoras (500-428 v. Chr.) is de wereld weliswaar van goddelijke afkomst, doch is zij een mechanisme, dat, eenmaal op gang gebracht, zonder teleologische krach­ten, zuiver causaal beweegt' (Fragm. 12). Dit beeld van God als een soort hor­logemaker, die het uurwerk schept, het dan echter laat aflopen zonder er zich ooit nog om te bekommeren, vinden wij in latere tijd nu en dan telkens weer terug. Zelfs binnen de katholieke kerk is dit idee in de nominalis­tische theologie van Nicolaas Oresme (+1382) terug te vinden.

Tegenover de atheïstische opvattingen in de oudheid staat tegelijkertijd het geloof van andere Griekse filosofen aan een persoonlijke God. Pythagoras (500 v. Chr.) geloofde aan een Scheppergod, de goddelijke oorsprong van de ziel en aan haar onsterfelijkheid na de dood, 106 Socrates (470-399 v. Chr.) ge­loofde eveneens aan God en beschouwde de ziel als een deel van het goddelij­ke wezen, 107 Ook Plato (427-347 v. Chr.) geloofde aan een scheppende God met een onzichtbaar, onlichamelijk eeuwig bestaan, aan gene zijde van de zichtbare wereld, evenals aan de onsterfelijkheid van de ziel.108 Datzelfde geldt voor Thales van Milete (+ 636 v. Chr.)109

Pas in de achttiende en negentiende eeuw hielden de filosofen zich weer met het Godsprobleem bezig. De ontwikkeling begon met Descartes (+ 1650), die de grondlegger van het rationalisme en van de moderne filosofie in het alge­meen is. Auguste Comte (1798-1857) schiep de basis voor het positivisme en daarmee de voorwaarde voor het materialisme. Met de filosoof Ludwig Feuer­bach (1804-1872) begon een nieuwe periode in de secularisatie.

Hoewel aanvankelijk slechts geringe belangstelling voor Feuerbachs geschrif­ten bestond en de filosoof in vergetelheid raakte, brachten zijn werken Das Wesen des Christentums (1841), Das Wesen der Religion (1845) en Theogonie (1857) de beslissende ommekeer. Feuerbach erkende alleen het realisme en het materialisme als filosofie. Hij trachtte het gehele systeem van de gods­dienst te doen wankelen. Aangezien er in Feuerbachs filosofie geen plaats is voor een hemels paradijs gelooft hij aan de 'verandering van de ophefbare mis­standen van het menselijk leven' (I 200), dus aan de verwezenlijking van het paradijs op aarde. Feuerbach had een sterke invloed op Marx en Engels, ook al gingen deze later hun eigen weg. 'Engels' leer van het dialectische materia­lisme is de basis van de latere sovjet-ideologie geworden, welks dogmatiek dikwijls de vergelijking met een seculaire religie heeft opgeroepen.'110 Inmid­dels is het dialectische materialisme ook tot in het Westen doorgedrongen en heeft alle landen als een vloedgolf overspoeld.

Oorspronkelijk sloegen slechts weinigen acht op deze ideeën, doch zij bevat­ten een explosieve kracht die ieder thans duidelijk kan waarnemen. Naar de Spiegel bericht is één derde van de Duitsers tegenwoordig van mening dat God dood is. 111

Sinds enige tijd heeft het atheïsme* (* Atheïsme = leer van Gods niet-bestaan.) zelfs bij theologen wortel geschoten. Bij­zonder opzien baarde het geschrift van de anglicaanse aartsbisschop J ohn A. T. Robinson (Engeland) God is anders (Honest to God). In zijn boek, dat een oplage van 350000 exemplaren (!) bereikte, verbluft hij de lezer met de vraag: 'Hebben wij ons al gerealiseerd dat de afschaffing van een goddelijk wezen in de toekomst wel eens de enige weg zou kunnen zijn om zin en betekenis van het christelijk geloof te bewaren? Dat wil zeggen dat wij het zonder een God, buiten de wereld, kunnen of zelfs moeten stellen.' 112 '...ik vraag mij af of niet de gehele supranaturalistische voorstellingswereld een zodanig met geweld ge­construeerde christologie in de hand werkt.' 'Wij moeten de geschiedenis van Jezus' geboorte kunnen lezen zonder de werkelijkheid daarvan in de letterlij­ke zin in een binnendringen van het bovennatuurlijke in het natuurlijke te zoe­ken.' 'Wanneer het Kerstgebeuren een leuk verhaaltje wordt, dan zal het na­turalisme - dus de poging om het Christus-gebeuren in zuiver menselijke cate­gorieën te verklaren - als enig alternatief dat een intelligent mens iets te zeg­gen heeft, de overwinning behalen. Wanneer men het 'dogma' van de God­heid Jezus eenmaal uit de weg heeft geruimd, dan blijft er een zeer sympathiek beeld van de mens Jezus over - ondanks zijn radicaal 'antitheïstische' karak­ter.'113

Robinson predikt - zoals anderen ook - een religie loos Christendom. Een Christendom zonder Christus en zonder God - een paradox bij uitstek. De mensen zijn inderdaad, zoals Blaise Pascal zegt, 'met een natuurlijke en on­veranderlijke zwakheid behept, waardoor zij geen enkele wetenschap in een absoluut volmaakte orde kunnen uitvoeren.'114

Ook voor verschillende Amerikaanse auteurs alsook voor PauT van Buren, wiens boek eveneens een bestseller werd, is 'God' een woord zonder beteke­nis.115

Ook voor de theologieprofessor Manfred Mezger, Mainz, is God een leeg woord. Hij zei: 'Er bestaat een Bodenmeer, er bestaat een Himalaja, maar God bestaat niet.'116

Het verontrustende aan deze constateringen is dat menige gelovige pastor, die de feiten kent en doorziet, zich afvraagt: 'Is niet alleen dr. Robinson doch de huidige protestantse theologie in feite atheïstisch?' 117 De volgende verklaring, die prof. Wilker van de prot. kerkelijke hogeschool in maart 1974 deed, lijkt ons voldoende om van een noodtoestand in de kerk te spreken. Wilker zegt dat de Christus door te veel theologen alleen nog maar als aards wezen beschouwd wordt. Het instituut voor de opleiding van geestelijken is naar zijn mening een 'maatschappij politieke school', waar de dienaars door het woord tot 'sociale ingenieurs' worden opgeleid. De uitdrukking 'noodtoestand in de kerk' zou in de gehele protestantse kerk gebruikelijk geworden zijn. 118

Wie gelooft dat de katholieke kerk niet onder de verschijnselen van ontbin­ding te lijden heeft gehad, kan aan de hand van enkele voorbeelden van het tegendeel worden overtuigd. De Jezuïet prof. Rupert Lay verklaarde tijdens een bijeenkomst van junioren van de CDU (Christlich-Demokratische Union, Duitse politieke partij) in Mainz: 'Wij falen wanneer wij de mensen een hemel in het hiernamaals beloven, die niet bestaat. '119 De katholieke theoloog prof. Halbfas loochent Jezus' opstanding en de hel. Deze katholieke godsdienstpe­dagoog schrijft in zijn artikel Illusionen müssen sterben: 'Nergens in het Nieu­we Testament is een passage te vinden waar te lezen staat, dat er iets in de mens is dat de dood overleeft.' 120

Dietrich von Hildebrand constateert dat een veel groter aantal katholieke theologen met het Bultmannisme besmet is dan algemeen bekend is. 'De wor­tel van de gehele verwarring', schrijft Von Hildebrand, 'is in de existentiële filosofie van Heidegger te zoeken.'121

Naar de mening van de protestantse theologe dr. Dorothea Sölle behoeft men niet aan God te geloven om Christen te zijn. 'God, die vanuit het hiernamaals alles zo schitterend regeert, is onmogelijk geworden.' 122

De protestantse theologieprofessor Herbert Braun uit Mainz, die één van de leiders van de wereldomspannende 'God is dood' - beweging binnen de kerk is, beschouwt God niet als ergens bestaand, doch 'God is niets anders dan een bepaalde vorm van medemenselijkheid.'123

Dat alles is werkelijk ontstellend en men kan met Franz DemI meevoelen wan­neer hij zegt: 'Tegenover de atheïsten in geestelijk gewaad staat men tegen­woordig als christen perplex.'124

Niet minder ontstellend zijn de berichten van de protestantse theologische ho­gescholen, waar nu de vruchten van het veel meer dan honderd jaar geleden gezaaide secularisme en materialisme gerijpt zijn. In 1969 deelden studenten van de 'Basisgroep theologie' van de universiteit Tübingen een vlugschrift uit met de volgende inhoud: 'Het Nieuwe Testament is een manifest van de on­menselijkheid, een grootscheeps opgezet massabedrog. Het houdt de mensen dom en licht hen niet over de objectieve belangen voor.' 'Het Nieuwe Testa­ment is een produkt van neurotische kleinburgers. '125

In een ander vlugschrift van de 'Basisgroep theologie' van de universiteit Hei­delberg, dat bij de stemming in het theologische werkcollege de meerderheid kreeg, staat letterlijk: 'De preek moet afgeschaft worden en er mag geen werk­college over bijbelteksten gehouden worden, doch het gaat uitsluitend om re­volutionaire redevoeringen voor het omfunctioneren van kerk en maatschap­pij.'126

Wanneer men deze anarchistische geestelijke produkten van aankomende theologen leest, die in de werkcolleges de meerderheid hebben (!), dan ont­komt men niet aan de indruk dat de geesten in deze eindtijd voor een beslissen­de massale aanval op Gods heilsplan zijn bijeengekomen.

Feuerbachs filosofie van het atheïsme heeft haar weg gevonden. Het sluipende secularisatieproces is op weg het Christendom in een atheïstische filosofie te veranderen. Op Gods plaats zetten de 'God is dood'-theologen 'het bestaan voor anderen'; daarmee wordt de godsdienst iets anders, hij wordt een zuivere zedelijkheid. Hierdoor wordt het godsdienstbegrip geperverteerd. Het woord religie, godsdienst komt van het Latijnse 'religare', d.w.z. het gebonden en afhankelijk zijn van de mens van zijn Schepper, van God. Het atheïstische humanisme echter kent geen ontmoeting met God en geen afhankelijk zijn van het numineuze. De prometheïsche mens duldt geen God boven zich, van wie hij afhankelijk is.

De 'heilsboodschap' van het zogenaamde immanentie-secularisme zal echter het verwachte heil niet brengen doch al spoedig 'Utopia' en bedreiging van het bestaan blijken te zijn. .

De wortels van deze anarchistisch-chaotische krachten reiken terug naar het tijdperk van de secularisatie. De ontstellende verschijnselen van ontbinding zijn alleen dan te begrijpen, wanneer men weet in welke vorm en in welke tijd het zaad van het ongeloof is gezaaid. Wat de vorige eeuw begon te denken heeft onze eeuw in de praktijk gebracht. Daarom zijn de korte beschouwingen over de filosofen van de secularisatieperiode aan het begin van deze sectie ge­plaatst.

De onderstaand weergegeven mening van de theoloog Bonhoeffer wijkt in niets van de filosofie van Laplace af (+ 1827): 'De mens heeft geleerd het in alle belangrijke kwesties met zichzelf klaar te spelen, zonder dat hij zijn toevlucht tot de 'werkhypothese God' behoefde te nemen. '127 Zou Bonhoeffer met de ecologische catastrofe voor ogen, die zich nu aftekent en die nauwelijks meer te stoppen is, waardoor de mens zijn levensbereik blindelings vernielt, ook nog met dusdanige zekerheid durven beweren dat de mens alle problemen van deze aarde zelf kan oplossen en dat alles uitvoerbaar is?

De dagen van de grote zuivering, verbonden met verschrikkelijke rampen, waarover de Nieuwe Openbaring zo duidelijk spreekt, zijn waarschijnlijk niet meer veraf. Dan zullen velen met Nietzsche moeten zeggen: 'Waar is God naartoe? Ik zal het jullie zeggen! Wij hebben Hem gedood- jullie en ik! Vallen wij niet voortdurend? En naar achteren, naar opzij, naar voren, in alle richtin­gen? Bestaat er nog boven en beneden? Dwalen wij niet door een oneindig niets? Blaast de lege ruimte ons niet zijn adem in het gezicht? Is deze niet kou­der geworden? Komt niet altoos de nacht en nog meer nacht?'128

De mystici en dichters hebben vaak een dieper besef dan atheïstische theolo­gen. 'Men kan God slechts in zijn hart en niet in zijn verstand bezitten', zegt de mysticus Eckehart 129, en bij Friedrich Rückert kunnen wij lezen: 'Wie God niet in zichzelf en in alle levenscirkels voelt, die zal Hem niet met bewijzen kunnen aantonen' (Weisheit des Brahmanen).

De huidige toestanden lijken opvallend veel op die welke de NO met vooruit­ziende blik voor onze tijd heeft beschreven. 'Men zal slechts met moeite kun­nen zien waar de zuivere waarheid onder schier ondoordringbare leugenweef­sels verborgen en begraven ligt.' (Pr 222) 'Met treurnis zie Ik hoe de grote massa Mij langzaam aan de rug begint toe te keren en, in plaats van Mij te volgen, hem volgt waarvan zij weten dat hij slecht is.' (Pr 287)

'Overal willen de mensen Mijn leer zo aan het leven aanpassen dat er geen opoffering, geen verloochening van node is om Mijn discipelen, Mijn kinderen te worden.' (Pr 17) 'Ook nu (in onze tijd, Egg.) gaat Mijn leer midden door deze hindernissen haar eigen weg en zal zij voor de mensheid toegankelijk worden, wanneer het juiste ogenblik door zware lotgevallen, tegenspoeden en lijden zal zijn gekomen (I), wanneer alle bedrieglijke hoop op wereldlijke macht en grootheid in hun naaktheid als dwaallichten zijn blootgesteld, die de mensen die hun volgen niet naar droge grond doch naar moerassen en poelen leiden. Dan pas zal het duidelijke besef van Mijn woord zich doen gelden en zelfs diegenen tot geloven brengen die, voorheen op het weten van hun ver­stand steunend, reeds geloofden dat er geen God is, doch dat God-tenminste voor deze aarde - zij zelf waren, d.w.z. de verstandsmens met zijn verzonnen hersenschimmen.' (Pr 107)

'Om u de evangeliën, met meer dan zeven regels gesloten, te openen en door deze boeken (van de NO) de weg tot Mij en Mijn hemelen te banen, zend Ik u deze verklaringen.' (Pr 229)

 

 

DEEL V

 

Is het evolutionisme een wetenschappelijk gefundeerde theorie?

 

In dit hoofdstuk maken wij plaats voor de bespreking van een kwestie van fun­damenteel belang, die tegenwoordig in de discussie tussen Christendom en atheïsme een zeer belangrijke rol speelt. De afloop van deze strijd is van be­slissend belang. Daarvan zal het namelijk afhangen of het atheïsme zich nog meer en nog sneller zal uitbreiden dan tot nu toe, dan wel één van de belang­rijkste grondslagen van deze beweging zal komen te vervallen.

Onder evolutie verstaat men de trapsgewijze ontwikkeling in de natuur van het lagere naar het hogere. De uitgestorven levensvormen bewijzen dat de soor­ten grotendeels in reeksen kunnen worden ingedeeld, die een zekere gerang­schikte gelijkenis vertonen. In zoverre is de evolutietheorie onbetwist.

Het evolutionisme beweert dat deze ontwikkeling zonder invloed uit het bo­vennatuurlijke slechts door uiterlijke, zuiver mechanische oorzaken en in de natuur heersende wetten plaatsvindt. Een goddelijke schepper is volgens deze theorie niet nodig. De vertegenwoordigers van het evolutionisme worden evo­lutionisten genoemd.

Zodoende heeft het onderstaande betoog betrekking op de vraag naar de fac­toren die de evolutie hebben veroorzaakt. Er moet worden onderzocht of het juist is dat de ontwikkeling door krachten, die in de materie besloten zijn, met behulp van het toeval mogelijk is geweest. Deze theorie, die ook descendentie­theorie (= afstammingsleer) wordt genoemd, laat de mens van het dier afstam­men. De geest, die volgens de materialistische leer uit de natuur is voortgeko­men, dus niet zoals vanuit het christelijke standpunt beschouwd het primaire is, kwam in de loop der tijden uit de stof voort. Een scheppende God is volgens de opvatting van de evolutionisten niet nodig; bijgevolg wordt deze in de lite­ratuur van de vertegenwoordigers van deze theorie niet vermeld.

Het evolutionisme beheerst tegenwoordig de publieke opinie. Het heeft zijn intrede in de studieboeken gedaan en beheerst de discussies in alle massame­dia. Studenten en scholieren krijgen een eenzijdige voorstelling van de feiten voorgeschoteld en leren slechts in zeer weinige gevallen de uiterst talrijke kriti­sche berichten kennen. Zoals reeds vermeld is hebben wij bij het evolutionis­me met een wereldbeschouwing te maken. Datgene wat de geleerde W.H. Thorpe hierover opmerkt maakt de motieven duidelijk, die verklaren waarom velen deze materialistisch-monistische theorie verdedigen: 'De overgrote meerderheid van hen die het ware geloof aan God verloren hebben of dit nim­mer hebben bezeten, gelooft volgens Woods in deze zin nog aan de natuur, en naar mijn mening geldt dit in het bijzonder voor welhaast alle natuurweten­schappers.' l

Het evolutionisme is niet met de christelijke geloofsleer te verenigen. Wan­neer deze theorie algemeen onhoudbaar zou blijken, dan zou daarmee een steunpilaar van het materialisme ineenstorten. Daarom gaan de discussies veel verder dan de betekenis van een wetenschappelijke theorie. De strijd scheen lange tijd in het voordeel van de materialistische wereldbeschouwing te wor­den beslist. Voorbarig werd de theorie tot zekere kennis verklaard en door middel van populair-wetenschappelijke geschriften onder het volk gebracht.

Onopgemerkt door de buitenwereld heeft echter inmiddels een ommekeer plaatsgevonden. Talrijke gerenommeerde wetenschappers hebben bemerkt dat in welhaast geen andere tak van wetenschap zoveel tegenstrijdige en onbe­wezen beweringen voorkomen als bij het evolutionisme het geval is.

Eerst geven wij een korte beschrijving van de verschillende fasen van het evo­lutionisme.

In 1809 bracht Jean-Baptiste Lamarek (+ 1829) de these naar voren dat de toe­standen op de aarde in zeer lange tijdsbestekken veranderd waren en dat de planten en dieren zich aan het veranderde milieu hadden moeten aanpassen. De ontwikkeling zou in zeer kleine schreden hebben plaatsgevonden. De ver­worven eigenschappen zouden erfelijk zijn en op deze wijze zouden nieuwe individuele types zijn ontstaan. De these van Lamarck bleek later onjuist te zijn. Men kwam tot het inzicht, dat er geen overerving bestaat die door invloe­den van buitenaf verworven is. Bovendien bestaan er vele diersoorten, die in hetzelfde milieu leven en desondanks een volkomen verschillende ontwikke­ling hebben doorgemaakt. Weer andere dieren zijn sinds miljarden jaren tot op heden gelijk gebleven, hoewel het milieu veranderd is.

In 1859 publiceerde Charles Darwin het geschrift Het ontstaan van de soorten door natuurlijke teeltkeuze en bracht daarin een nieuwe theorie naar voren. Hij zag reeds in dat Lamarcks thesen onhoudbaar waren en schreef hierover: 'De hemel beware mij voor de onzin van Lamarck, een neiging tot de vooruit­gang van de aanpassing als gevolg van de langzaam werkende wil van de die­ren.,'2 'Doch de conclusies waartoe ik ben gekomen wijken niet sterk afvan de zijne, hoewel de middelen ter verandering sterk van elkaar verschilden.'3

Volgens Darwins theorie zijn de veranderingen in de dierenwereld en het ont­staan van nieuwe soorten door geslachtelijke teeltkeuze als 'selectie van de sterksten' teweeggebracht. De sterksten, die door het selectieproces overblij­ven, worden stap voor stap vervolmaakt. Er moest echter een stuwende kracht zijn, die veranderingen in de erfelijke aanleg teweegbrengt. Over de genen, de dragers van erfelijke eigenschappen en hun veranderingen in het kiemplasma als gevolg van mutaties, wist Darwin nog niets. Tot dan toe schreef men veran­deringen van de soorten toe aan het ingrijpen van de Schepper. Ook Darwin huldigde deze mening, zoals nog zal worden aangetoond. De latere atheïsti­sche darwinisten hebben in Darwins theorie geen plaats voor God gepland en lieten de ontwikkeling over aan materiële krachten in samenwerking met het toeval.

Ook Darwins theorie berustte evenals Lamarcks these op de veronderstelling, dat de veranderingen van de soorten alleen in de loop van miljoenen jaren in zeer kleine schreden worden voltrokken. Doch al spoedig bleek ook Darwins theorie om velerlei redenen niet houdbaar. Weliswaar kan de selectie de beste exemplaren van de soort behouden, doch een nieuw type kan zij nimmer voortbrengen; zij heeft geen scheppende potentie. De theorie is ook nog met andere gebreken behept. Het selectieprincipe brengt onvermijdelijk een ont­wikkeling naar een doelmatige levensvorm met zich mede, voor luxe verschij­ningen en hypertrofische vormen in de dierenwereld is geen plaats. Doch de kleurenpracht bij de fauna van de aarde en in de diepzee is opvallend en spreekt tegen deze theorie. Ook ontstonden er in de dierenwereld kenmerken die niets met doelmatigheid te maken hebben. De ontwikkeling van het enor­me gewei bij de Ierse eland Megaloceres moet voor het dier als even schadelijk worden beschouwd als de zware, naar achteren gebogen slagtanden van de mammoet uit de ijstijd, die geen wapen meer vormden doch slechts een last waren.4 Hetzelfde geldt voor de tanden van de sabeltijger.

Waarom de geweldige verscheidenheid aan organismes ondanks de veel gerin­gere verscheidenheid aan levensomstandigheden is ontstaan, kunnen La­marck noch Darwin verklaren. Volgens G. Heberer moeten er bijvoorbeeld van het Mioceen tot het Plioceen ongeveer 20 miljoen Anchitheriën (paarden­soorten) hebben geleefd. 5

Het gewichtigste argument dat men echter tegen de theorie van Darwin naar voren kan brengen is het ontbreken van overgangsniveaus, die bij een zeer langzame evolutieve ontwikkeling immers te vinden moeten zijn. Darwin was op de hoogte van dit feit, dat zijn theorie ongeloofwaardig maakte. Hij hoopte dat de talrijke tussenschakels, vooral betreffende de mens, spoedig zouden worden gevonden. Nadat honderd jaar ijverig speurwerk rijke vondsten te­weeg hebben gebracht, staat thans echter vast: er bestaat geen enkele 'missing link' (ontbrekende tussenschakel tussen dier en mens), zoals Darwin en zijn tijdgenoten zich voorstelden, doch slechts een reeks van tussenvormen. 6 Evenmin heeft men de 'missing link' tussen vis en hagedis of tussen hagedis en vogel gevonden.

Het is moeilijk te begrijpen, dat dit conglomeraat van tegenstrijdigheden en ernstige gebreken van de evolutietheorie geen afbreuk deed aan het geweldige succes. Darwins boeken vonden gretig aftrek. Het is beslist niet verkeerd aan te nemen dat emotionele gezichtspunten hierbij een belangrijke rol speelden. De animositeit ten opzichte van de kerken, die de wetenschappen zo lang in hun activiteiten hadden gestoord, werkte nog steeds door - en wel tot op de dag van heden!.

Volgens de descendentietheorie zou de mens door evolutie uit dierlijke voor­niveaus zijn ontstaan. De destijds gebruikelijke theorie dat de mens van de aap zou afstammen werd in Duitsland door de populair-wetenschappelijke ge­schriften van professor Ernst Haeckel uit Jena in de brede bevolking bekend. In zijn belangrijkste werk Generelle Morphologie der Organismen (1866) schrijft Haeckel: 'De mens is ongetwijfeld uit de Catarrhinen (smalle apen) van de oude wereld ontstaan en hij is van deze onderindeling van de echte apen in het systeem niet te scheiden. '7 Later viel hem een gelijkenis tussen menselij­ke embryo's en die van de gibbonapen op. Voorbarig postuleerde hij dat de gibbon van alle mensapen het naaste met de mens verwant zou zijn: 'De mens heeft gibbonachtige voorouders gehad. '8 Datgene wat Haeckel destijds mil­joenen mensen als wetenschappelijke ontdekking mededeelde is volledig on­juist gebleken. Thans kan men hierover in wetenschappelijke werken het vol­gende lezen: 'Met betrekking tot de vier soorten mensapen - gibbon, orang­oetan, gorilla en chimpansee - is men van mening dat de gibbon wat zijn orga­nisatieniveau betreft het minst op de mens gelijkt.. .'9

Er waren destijds maar weinig intellectuelen te vinden die Haeckels boeken niet hadden gelezen. Iedere beginnende h.b.s.'-er beschouwde ze als een openbaring. Het ongeloof begon om zich heen te grijpen. Niemand kon ver­moeden dat men later betere kennis zou verwerven en Du Bois- Reymond spottend zou zeggen dat Haeckels stambomen op de helden van Homerus le­ken, omdat ze net zo hypothetisch waren.lo

Haeckels navolgers distantieerden zich van de gibbon en verklaarden andere apensoorten tot menselijke voorouders. Brandes bracht hen met de orang-oe­tan in verband, Keith met de gorilla en A.H. Schulz met de Amerikaanse apen. Weinert ten slotte zag een verband met de chimpansee. Weer anderen­zoals bijvoorbeeld Franz - zagen de voorouders van de mens in de Propliothe­cus fraasi en beweerden tegen beter weten in dat de stamreeks via de mensaap tot aan de mens volledig met bewijzen gestaafd zou zijn. Later constateerde de vooraanstaande expert Beur/en in het verzamelde werk Die Evo/ution der Or­ganismen dat juist deze reeks 'met zeer grote hiaten' vertegenwoordigd is. Ieder beweerde op zijn eigen manier dat de mens van de aap afstamde, hoewel alles wat men aannam geen enkele solide basis had. Thans is men unaniem tot de opvatting gekomen dat de afstamming van de mens van de mensaap onmo­gelijk is. In het in 1965 door Gerhard Heberer gepubliceerde verzamelde werk Menschliche Abstammungs/ehre schrijft Günther Bergner: 'De gorillahypo­these strookt niet met de bevindingen die men bij andere orgaansystemen heeft opgedaan, evenals de chimpanseehypothese van Weinert, en moet der­halve met dezelfde argumenten van de hand worden gewezen.'11

In 1968 schreef Heberer in de Frankfurter Allgemeine Zeitung dd. 25 septem­ber: 'De vulgaire slagzin, die sommigen nog steeds met afschuw vervult, dat de mens van de aap zou afstammen, is achterhaald.' Doch in brede lagen van de bevolking doet deze dwalende leer ook nu nog de ronde.

Hoewel reeds in de jaren dertig van onze eeuw een ommekeer in het weten­schappelijke besef was ingetreden, bepleitten enkele antropologen, vooral Weinert, de afstammingstheorie van de mens van de apen met grote hardnek­kigheid. Zij werden daarbij door de invloedrijke vertegenwoordigers van het Derde Rijk in ieder opzicht ondersteund. Er werd zelfs een massale oplage van Haeckels reeds lang achterhaalde geschriften onder het volk gebracht. 12 De inmiddels als volledig onhoudbaar beschouwde zogeheten drie-trappentheo­rie (overgang van anthropusvormen, neanderdalvormen, sapiensvormen van de huidige mensheid) werd in vele leerboeken als 'vaststaand resultaat' aange­geven! Pas in het begin van de jaren vijftig liet men deze these vallen, die nim­mer ook maar ten dele was bewezen.13

Karl Weiss merkt treffend op, dat de kracht van het monisme niet in de diepte van de gedachten, doch in het gevoelsmatige, in de gemoedsbewegingen ligt, die met slagzinnen onder de menigte kunnen worden gebracht. 14 Eerst moet de juiste grondstemming worden geschapen, en dat is tot op de dag van heden altijd al geschied. Wat men destijds bedreef was geen wetenschap meer, doch ideologie en domhouderij van het volk. De tendensen wendden zich overdui­delijk tegen het Christendom. De atheïsten van het Derde Rijk verleenden alle ondersteuning aan de groep rond Gerhard Heberer (+1973), Tübingen, die sinds 1943 het grote verzamelwerk Die Evolution der Organismen publiceerde. Naar hij zelf in zijn geschrift Homo - unsere Ab- und Zukunft (1968) verklaart, vertegenwoordigt zij een 'anti-metafysische methodiek' (blz. 112). De groep vertegenwoordigt de fysicochemische verklaring van het leven, d.w.z. het woord 'God' mag in het vocabulair van deze geschriften niet voorkomen. In de zin van het monistische materialisme worden uitsluitend krachten van de le­venloze stof erkend. Heberer, die in de jaren veertig de antropoïdenafstam­ming als 'onherroepelijk bewezen'1s verklaarde, kreeg destijds al van Gehlen te horen dat 'deze vorm niet bewijsbaar iS'16 Reeds spoedig daarna zag Hebe­rer zich dan ook gedwongen voorzichtiger formuleringen te bezigen. In het jaar 1951 schreef hij: 'Het is gebleken dat de morfogenetische ideeën, die in de structuur van het klassieke geschiedbeeld tot uiting kwamen en aan diens op­bouw in beslissende mate hebben meegewerkt, ons niet altijd de juiste weg hebben gewezen.'17 Veelzeggend merkt hij op dat het misschien te zelfverze­kerde optimisme van de afgelopen vijftig jaar enigszins getemperd is. In zijn in 1968 verschenen boek Homo - unsere Ab - und Zukunft moet hij dan ten slotte toegeven dat het vroeger getekende geschiedbeeld van de primaten, die naar de Homo sapiens*(* Homo sapiens = de huidige met verstand begiftigde mens.) moeten leiden, 'veelal hypothetisch moet zijn'18.

Toen de biologische research tot het inzicht kwam dat veranderingen bij een individu slechts door veranderingen van de genen mogelijk zijn, waren de evo­lutionisten met een nieuwe situatie geconfronteerd. Met de tot dusverre gege­ven verklaringen dat de actieve krachten van de evolutie alleen het selectie­proces en de strijd om het bestaan alsook de aanpassing aan het milieu zouden zijn, was niets meer te beginnen. Het darwinisme had afgedaan, doch de dar­winisten gaven de strijd niet op, zij trachtten hun monistische wereldbeschou­wing door het neodarwinisme te redden.

Het gen, waarmee wij ons eerst kort moeten bezighouden, is de kleinste een­heid van een cel, bij wijze van spreken het biologische atoom; het gen is de drager van de erfelijke veranderingen en ontvangt daartoe de benodigde infor­matie. Nu en dan wordt het gen in de wetenschappelijke literatuur met een ponskaart vergeleken, die informatie opneemt. Op de vraag waar deze 'pons­kaarten' vandaan komen en wie de informatie verstrekt geeft de wetenschap ten antwoord: 'Deze vraag naar het hoe en waarom is identiek met de algeme­ne vraag naar het ontstaan van leven op de aarde. Hierover kunnen uiteraard geen exacte inlichtingen worden verstrekt, hoogstens eerste beginselen, brok­stukken en hypothesen. '19 Op dit nauwelijks dragende 'fundament' is het evo­lutionisme respectievelijk het neodarwinisme opgebouwd.

In het gen treden hoogst zelden veranderingen van de geaccumuleerde erfin­formatie door chemische veranderingen van de DNA op, welke veranderin­gen als mutaties worden benaamd. Een mutatie heeft positieve of negatieve gevolgen voor de erfelijke aanleg. Bijna altijd zijn deze negatief. Mutaties ko­men in de natuur uiterst zelden voor, zij kunnen echter ook door kortegolfstra­len of zogeheten mutagene chemicaliën kunstmatig worden opgewekt.

Van nu af aan leerden de evolutionisten dat de evolutie door zeer kleine schre­den als gevolg van mutaties geschiedt. Voor de ontwikkeling zouden dus ­naar reeds Lamarck en Darwin hadden aangenomen - vele honderd miljoenen jaren benodigd zijn geweest. Hier moet benadrukt worden dat dat de logische premisse was waar men onvoorwaardelijk aan vast moest houden, want spon­taan in de natuur voorkomende mutaties komen uiterst zelden voor, en de door experimenten opgedane ervaringen toonden aan dat bijna alle mutaties schadelijke uitwerkingen, zoals deformaties enz., tot gevolg hebben. De meeste experimenten werden met de kleine fruit- of dauwvlieg (Drosophila) uitgevoerd. Twintig miljoen dauwvliegen zijn op deze wijze reeds gekweekt, doch een nieuwe soort is daarbij niet tot stand gekomen. Er traden vrijwel uitsluitend verliesmutaties op.20 Daarmee was bewezen, dat kleine mutaties alleen maar secundaire kenmerken binnen de soort veranderen, doch nimmer een overgang van de ene soort naar de andere teweegbrengen. Alleen de ver­andering van het bouwplan en de ontwikkeling van nieuwe types zijn echter van belang. Door kleine mutaties kan de evolutie dus niet teweeggebracht worden.

Tegelijkertijd deed men echter ook in ander opzicht door de resultaten van onderzoekingen in de paleontologie een nieuwe ontdekking, die de theorie van het evolutionisme volkomen ongeloofwaardig maakt. Sinds Lamarcks tij­den huldigden alle evolutionisten de mening, dat oneindig lange tijdsbestek­ken nodig waren voor het ontstaan van nieuwe soorten. Nu bracht de research echter het onweerlegbare feit naar voren dat het optreden van nieuwe dier­soorten niet geleidelijk aan in talloze overgangsvormen geschiedde, doch dat de nieuwe soorten juist plotseling ontstonden.

Laten wij de feiten eens nader bezien. Overhage schrijft: 'Het ontstaan van de verschillende stammen bij de rijk onderverdeelde ongewervelde dieren hult zich voor ons in duisternis, omdat zij alle in hoogontwikkelde vertegenwoordi­gers reeds in de oudste lagen van het Cambrium waarin nog fossielen voorko­men abrupt naast elkaar optreden. Zij kunnen niet naar vroegere vormen wor­den teruggeleid, omdat het Precambrium (meer dan 500 miljoen jaar geleden) praktisch geen fossielen vertoont.' 'De stam van de gewervelde dieren treedt in het Siluur plotseling voor de eerste maal op. '21

Karl Weiss bericht: 'In het Ondersiluur treden de eerste gewervelde dieren op. Chamberlin zegt daarover: Het verschijnen van de vissen is een van de meest abrupte en drastische gebeurtenissen in de geschiedenis van de aarde; zij ver­schijnen onmiddellijk vanuit een verborgen oorsprong in vele variëteiten. Vanaf het begin staan talrijke volledig verschillende types naast elkaar, en wel haaien, roggen, chimaeren, longvissen, pantservissen.' 'De vogels treden in de Jura plotseling op. De bekende 'oervogel' (Archaeopteryx) werd vroeger veel­al een overgangsvorm tussen reptielen en vogels genoemd; doch inmiddels is gebleken dat dit een echte vogel met vier tenen en echte veren is. Wij kennen geen enkel schepsel dat ons een aanwijzing kan geven hoe ooit uit de gehoorn­de schubben van een reptiel de veren van een vogel kunnen zijn ontstaan. De zoogdieren verschijnen plotseling in het begin van het tertiair met talrijke or­des, families en geslachten.' 'Van overgangsvormen', constateert Weiss, 'is in het geheel niets te vinden.' 'Wanneer wij deze logische zuivering grondig uit­voeren blijft er van het geweldige gebouw van de darwinistische stamboom­constructie vrijwel niets meer over.'22 De Nobelprijswinnaar Konrad Lorenz legt er in zijn geschrift Die Rückseite des Spiegels uitdrukkelijk de nadruk op, dat op iedere ontwikkelingstrap van het leven iets nieuws optreedt wat uit de vorige trap geenszins valt af te leiden.23

In het jaar 1967lieten het Geologische Genootschap in Londen en de Paleon­tologische Vereniging van Engeland door 120 wetenschappers een fossielen­rapport uitwerken. Het 800 bladzijden omvattende rapport geeft een over­zicht over de vondsten van fossiele planten en dieren. Het is in ca. 2500 groe­pen onderverdeeld. Dit rapport bevestigt op authentieke wijze de mededelin­gen die talrijke experts in vroeger jaren over het plotselinge verschijnen van nieuwe soorten hebben gedaan.

Ook de gerenommeerde evolutionist George Gaylord Simpson (Harvard-Uni­versiteit) laat er geen twijfel over bestaan, dat er in dit opzicht temidden van de geleerden slechts één overeenstemmende mening bestaat. Hij schrijft: 'Zoals iedere paleontoloog weet, verschijnt het overgrote deel van de nieuwe soor­ten, geslachten en families alsook welhaast alle nieuwe afdelingen boven de familie in de "oorkondes" plotseling; er leidt geen ononderbroken reeks van bekende overgangsvariëteiten naar hen toe. '24

Charles Darwin had reeds in 1859 in zijn beroemd geworden boek Het ontstaan van de soorten zelf twijfel aan zijn theorie gezaaid, toen hij schreef: 'Wanneer de soorten door onmerkbare overgangen uit andere soorten zijn ontstaan, waarom vinden wij dan niet overal overgangsvormen? Waarom bestaat er dan niet in de natuur een chaos van vormen, in plaats dat de soorten, zoals wij zien, duidelijk afgegrensd zijn?' Darwin hield, om zijn theorie niet te moeten opge­ven, aan het idee vast dat alle overgangsvormen vernietigd waren. Een halve eeuw later was echter duidelijk geworden dat de reden voor het ontbreken van overgangsvormen een andere was. Reeds rond de eeuwwisseling schreef de zoöloog A. Fleischmann: 'De praktische mogelijkheid om iets over de oerge­schiedenis van het dierenrijk te doorgronden is volledig uitgeput en de hoop is voor alle tijden vervlogen. Wij hebben een resultaat bereikt dat juist het te­gendeel vormt van datgene wat men zou verwachten. . . Deze toestand noem ik de ineenstorting van de afstammingsleer. '25

Thans, na ruim honderd jaar vlijtig researchwerk, moeten de evolutionisten toegeven: er bestaan geen overgangsvormen, er bestaat geen ontwikkeling, doch slechts plotselinge aanwezigheid. De individuele soorten staan alleen zoals de pijlers van een opgeblazen brug. Deze constatering heeft een vernieti­gende uitwerking voor het evolutionisme. Alle feiten wijzen er duidelijk op dat er een Schepper aan het werk is geweest, die de individuele soorten heeft geschapen, en wel trapsgewijs in steeds hogere vormen.

Wanneer het evolutionisme voor talrijke wetenschappers geen dogma was, dan zouden zij hetzelfde moeten toegeven als de evolutionist Edmund Samuel, professor aan het Antioch College (Ohio, U.S.A.): 'De evolutiehypothese is geen overtuigende wetenschappelijke verklaring voor het bestaan van de ver­schillende levensvormen. Dat is zo, omdat de gegevens slechts als aanwijzing kunnen worden beschouwd en omdat geen exacte analyse. . . van het fossielen­rapport de evolutietheorie direct kan steunen. '26 Hoewel de feiten de evolu­tionisten duidelijk in het oog moeten springen, blijven zij bij hun theorie en beschouwen, zoals bijvoorbeeld Heberer, sturende factoren, die van een scheppende geest uitgaan, als 'emotionele imponderabilia' 27.

Aangezien het evolutionisme in wezen atheïstisch is wordt het aan een algeme­ne tendens ondergeschikt gemaakt en kan daardoor geen nederlaag beken­nen. Het causalisme is zeer nauw met het materialisme verbonden.

Nadat de grondthese van de evolutionisten - de zeer langzame ontwikkeling door micromutaties (kleine mutaties) - onhoudbaar was geworden, bleef er, wanneer men niet alles wilde opgeven, nog maar één - zij het ook a priori weinig geloofwaardige - these over: de veranderingen van de soorten door ma­cro- ofmegamutaties (grote mutaties). Het arsenaal van begrippen dat de evo­lutionisten voeren werd nu volledig omgekeerd. Men beweerde exact het te­gendeel van datgene wat vroeger was beweerd. Het evolutionisme en neodar­winisme waren weer op de terugtocht, zonder dat dit algemeen bekend is ge­worden.

Een macromutatie stelt men zich als een samengevat aantal kleine mutaties voor. De macromutatie is echter nog in veel grotere mate van het toeval afhan­kelijk dan de reeds besproken kleine mutatie, die ook al zeer onwaarschijnlijk was. Macromutaties moeten - voor zover zij ooit zijn voorgekomen - uit een onvoorstelbaar aantal toevalligheden bestaan, die alle tegelijk op één ogen­blik optreden. Deze ongerijmdheid zou in explosieve vorm een nieuw type teweeg moeten brengen. Dat deze nieuwe theorie, die het begrip 'evolutie' paradox maakt, uit de nood geboren is, blijkt onmiddellijk. De macromutatie is een zuiver fantasieprodukt, want grote mutaties, die ook de bouwplannen veranderen, heeft men nog nooit kunnen gadeslaan. 'In de praktijk heeft de genetica bij het genoom tot nu toe uitsluitend met de secundaire kenmerken te maken. '28 Portman merkt op dat wij tot op heden alleen iets over de micro­evolutie weten, terwijl wij de macro-evolutie, het vormen van nieuwe typen, in het geheel niet kennen.29 Hij merkt op dat er 'theorieën zijn waaraan de bloeiende fantasie in te hoge mate heeft meegewerkt' 30.

Om de onwaarschijnlijkheid duidelijk te maken, dat het toeval sinds miljoe­nen jaren in miljoenen gevallen uit een welhaast oneindig getal mogelijkheden steeds een voltreffer geplaatst heeft, dient wat nader op het erfelijkheidsge­beuren bij de mensen te worden ingegaan.

Het lichaam bestaat uit 60 biljoen cellen. In de celkern bevinden zich draad­vormige lichaampjes, die chromosomen genoemd worden. Aan deze chromo­somen zijn de genen als parels aan een draad geregen. Het gen bestaat uit che­mische substanties, die afgekort DNA worden genoemd. Het gen respectieve­lijk de DNA bevat het bouwplan voor het te verwachten kind. Primitieve le­vensvormen hebben slechts enkele honderden genen, de mens heeft er echter enkele miljoenen. Deze zijn in onbekende wijze over 46 chromosomen ver­deeld. Het gen moet als drager van de erfelijke aanleg de juiste informaties ontvangen, opdat telkenmale weer de juiste soort ontstaat. Ingeval van een positieve mutatie moet de informant precies de juiste keuze treffen. Reeds bij een micromutatie is dat bij een miljoenvoudige keuze een verbazingwekkende prestatie. Bij een macromutatie moeten echter voor de vorming van een nieu­we soort met de snelheid van een bliksemstraal honderden bepaalde genen uit de miljarden mogelijkheden worden gezocht. Hier komt automatisch de be­slissende vraag - die de kern van het probleem vormt - naar de informateur naar voren. De gelovige christen ziet hier geen moeilijkheden, omdat hij weet dat voor een wijze en almachtige God alle dingen mogelijk zijn. De atheïsti­sche wetenschapper moet de volledig onwaarschijnlijke creativiteit van het blinde toeval als informateur aannemen. Dit herinnert ons aan een uitspraak van Epicurus (+ 271 v. Chr.), die reeds 2250 jaar geleden ontdekt had dat het toeval steeds slechts de benaming voor de grens van ons weten vormt. Na al datgene wat er gezegd is, is het slechts logisch wanneer men er geen vrede mee heeft dat het toeval op zo uiteenlopende en complexe wijze bekwaamheden zou hebben, waarover alleen de goddelijke wijsheid kan beschikken. Terecht vraagt Viktor von Weizsäcker: 'Waarom zou alleen de onzin, het toeval in het gelijk worden gesteld, waarom niet ook de zin?' 31

Bij Darwin was dit gezonde instinct nog niet verloren gegaan, hoewel hij nog niet op de hoogte was met de onvoorstelbare menigvuldigheid van de overer­vingsmogelijkheden. In één van zijn brieven drukte hij dat uit: 'Ik moet zeg­gen dat ik onmogelijk kan begrijpen, dat dit geweldige en wonderbaarlijke universum en wij mensen met het bewustzijn van ons eigen wezen per toeval zouden zijn ontstaan; en dat lijkt mij het belangrijkste argument voor het be­staan van God; of dit argument echter steekhoudend is, daarover heb ik nim­mer een beslissing kunnen vellen. De veiligste uitspraak lijkt mij dat het gehe­le probleem de reikwijdte van het menselijke intellect te boven gaat.' 32

Natuurlijk worden de geleerden ook heden ten dage nog door - openlijk toe­gegeven of verborgen gehouden - twijfel beslopen of het toeval bij de macro­mutatie als effectief mechanisme van de evolutie een bruikbare kracht is.

Zo schrijft bijvoorbeeld Polanyi: 'De betekenis van de evolutie is in het ont­staan van hogere wezens uit lagere en vooral in het optreden van de mens te zoeken. Een theorie die slechts evolutieve veranderingen als gevolg van een selectief voordeel van toevallige mutaties ziet, kan dit probleem niet onder­kennen. '33

Burnet zegt: 'De poging om het begrijpen van de levensprocessen koste het wat het kost met morfologische, fysische en chemische researchmethoden af te willen dwingen, is op een punt aangekomen waar de resultaten in omgekeerde verhouding tot de getrooste moeite staan. Wij naderen een onzichtbare slag­boom en de theoretische biologie zou binnenkort wel eens tot een wijziging van haar doelstellingen en methoden genoodzaakt kunnen worden. '34

A dolf Remane (Kiel) komt aan het einde van een grondige inventarisatie van de evolutieleer in het jaar 1972 tot het volgende resultaat: '... wij hebben er nog geen enkel idee van hoe gecompliceerde organen, aan wier opbouw hon­derden genen hebben meegewerkt, door bekende mutatie typen zijn gevormd en zich harmonisch verder hebben ontwikkeld.'35 (!)

LL Whyte is van mening: 'Wellicht zijn er in het geheel geen mutaties die volledig op een toeval berusten. '36

W.H. Thorpe verklaart: 'De toevalligheid van de mutaties schijnt mij vrij twij­felachtig toe, en daarmee breng ik een twijfel tot uitdrukking die sinds vijfen­twintig jaar het brein van talrijke biologen in het geheim bezighoudt. '37 Van bijzonder belang is de uitlating van de bekende Duitse evolutionist Ger­hard Heberer in de Frankfurter Allgemeine Zeitung dd. 21 augustus 1962. He­berer geeft toe dat er op het gebied van de menselijke ontwikkeling van het submenselijke naar het menselijke niveau in snelle opeenvolging een 'mega­mutatie, d. w.z. een reusachtige erfsprong van node zou zijn geweest, die vol­gens al datgene wat wij thans over de chemische structuur van het erfmateriaal weten zo onwaarschijnlijk is, dat men er niet op behoeft te rekenen dat hij wordt gerealiseerd. (!) Pas in een zeer lange generatieketen, die 15 miljoen jaar in beslag nam, hebben de submenselijke hominiden (= de mensachtigen, Egg.) door het mutatieselectiemechanisme stap voor stap de fysische voor­waarden voor de menselijke fase, voor het echte menszijn, verworven.'38

Hier noemt Heberer de mega- of macro-evolutie uitdrukkelijk volkomen on­realistisch. Doch juist deze zou toch de laatste reddingsboei van het evolutio­nisme vormen!

De wetenschappers die zich aan het monisme, dat wil zeggen de alleenheer­schappij van de materie hebben gewijd, zullen desondanks nooit toegeven dat Gods ideeën en de hulp van Zijn geestwezens de schepping in haar ondoor­dringbare gecompliceerdheid en harmonie teweeggebracht hebben, zoals de Nieuwe Openbaring het op logische en bevattelijke wijze aanschouwelijk voorstelt. Spülbeck kenmerkt de oorzaak van dit onbegrijpelijke gedrag op treffende wijze, wanneer hij constateert: 'Wij zijn door het vulgaire materia­lisme en door de zuiver mechanistisch georiënteerde natuurwetenschappen voor deze dingen volkomen blind voor de waarde van deze dingen gewor­den. '39

 

1. De menswording, bezien vanuit het standpunt van het evolutionisme en van de Nieuwe Openbaring

 

De Nieuwe Openbaring onderscheidt tussen de met de goddelijke geestvonk begiftigde mensen, die van Adam afstammen, en de zogeheten pre-adamieten dan wel voor- en oermensen (die daar ook diermensen genoemd worden). De mensachtige diermensen (die door de wetenschap hominiden worden ge­noemd) leefden vóór Adam volgens de mededelingen van Jakob Lorber sinds 'vele miljoenen jaren'. Deze ontdekking heeft de wetenschappelijke research pas enkele jaren geleden gedaan. Tot op dat ogenblik geloofde men dat de hominiden de aarde sedert enkele honderdduizend jaren hadden bevolkt.

Lorber bericht echter ook volledig juist dat de verschillende types pre-adamie­ten na zeer lange tijdsbestekken door iets hoger ontwikkelde soorten werden afgelost.

De wetenschap heeft haar opvattingen in de loop van de afgelopen honderd jaar telkens weer moeten corrigeren en wel zo grondig, dat men de neiging heeft te zeggen: 'Het duurzaamste op deze wereld zijn de vergissingen.' Hier­bij is het opmerkelijk dat de resultaten van de research steeds dichter bij Jakob Lorbers verkondigingen kwamen te staan. Dat geldt - naar in een vorig hoofd­stuk is aangetoond - ook voor andere takken van wetenschap.

In bepaalde tijdsafstanden werd het publiek er nog enkele tientallen jaren ge­leden telkens weer door de wetenschappers over ingelicht, dat de 'missing link', de missen de overgangsschakel in de ontwikkeling tussen het dier en de mens, gevonden was.

Toen in de jaren tachtig van de vorige eeuw het eerste volledige skelet van een Neandertaler bij la Chapelle surSaints gevonden was, maakte de directeur van het instituut vor menselijke paleontologie in Parijs, Marcellin Boule, in een door hem opgezet expertisebericht bekend, dat er bij deze vondst sprake was van de missen de schakel tussen aap en mens. Dit onbetrouwbare en alarme­rende bericht werd toen zelfs in de leerboeken opgenomen en het skelet werd op zijn tocht door de continenten door de bezoekers van de tentoonstellingen eerbiedig bekeken. Soortgelijk opzien baarde Eugène Dubois in 1894, toen hij in zijn geschrift Pithecanthropus erectus over een 'mensachtige overgangsvorm uit Java' beweerde, dat men nu in Java de werkelijke 'missing link' had gevon­den. De hiaat leek gesloten en de evolutietheorie scheen nu onomstotelijk vaststaande wetenschappelijke kennis te zijn. Paleantropologen die over een levendige fantasie beschikten beweerden zelfs, dat zij aan de vorm van het hoofd van deze hominidenvondst konden zien dat deze wezens konden spre­ken, hoewel de prestatie van de hersenen anatomisch niet registreerbaar is. Doch ook deze roes was slechts van korte duur. Dubois moest zich door ande­re geleerden laten overtuigen dat de Pithecanthropus - wat overigens een on­juiste benaming is -, die ca. 500000 jaar oud is, alweer niet de gezochte ontbre­kende schakel is.

In de jaren 1911 en 1912 was er toen een nieuwe sensatie en ditmaal scheen de vondst overtuigend te zijn. In een sloot bij Piltdown (Engeland) werd de sche­del van een moderne mens gevonden, die volgens de toestand van de vondst ettelijke honderdduizenden jaren oud moest zijn en vreemde menselijke tand­kenmerken vertoonde. Het duurde geruime tijd voordat men dit fossiel kon verklaren. Pas in 1948 werd met behulp van de fluortest ontdekt dat deze vondst, die zoveel hoofdbrekens teweeg had gebracht, een geraffineerde ver­valsing was. 'De onderkaak van een chimpansee was door afvijlen van de kies­knobbels van menselijke kiezen voorzien en had door chemicaliën, zoals bij­voorbeeld kaliumpermanganaat, een fossiel uiterlijk verkregen. '40 De verval­sing was bijna perfect, de vervalser is tot op heden onbekend gebleven. Dit geval bewijst hoe bepaalde zijden zo beslist gelijk wilden hebben, dat zij zelfs niet voor een vervalsing terugdeinsden.

Lange tijd geloofde men later dat de in de ca. één miljoen jaar durende ijstijd* (*Deze periode is volgens recente onderzoekresultaten echter te kort gebleken. (FAZ dd. 18 augustus 1970).) levende Australopithecinen voor de afstamming van de Homo sapiens in aan­merking kwamen. Dit vermoeden moest enkele jaren geleden door vondsten die Leakey jr. in Afrika had gedaan, ook weer als onhoudbaarwordenopgege­ven. Hierover schrijft Heberer: '.. . of de prehominine Australopithecinen uit Afrika ons de plaats van het overgangsgebied tussen dier en mens, het slotak­koord van de hominisatie (menswording, Egg.) aanduiden, moet als een onop­gelost probleem worden beschouwd. '41 'De Australopithecinen zijn uitgestor­ven zonder dat zij tevoren de verbinding hadden kunnen vormen.' (FAZ dd. 25 september 1968.)

Nu was men gedwongen om de zogeheten splitsingsgebeurtenis naar steeds vroegere tijdperken van het Tertiair te verschuiven. 'Volgens de modernste resultaten van de paleontologische wetenschap is met de Ramapithecus (RA) de ontwikkelingslijn die naar de mens leidt waarschijnlijk reeds in het Oligo­ceen, in de middelste tertiairperiode meer dan 25 miljoen jaar geleden, uit de gemeenschappelijke wortel van mens en aap afgetakt. Bijgevolg waren de 'voormensen' reeds in de Tertiairperiode in de Mioceen 10 tot 25 miljoen jaar geleden algemeen verspreid.'42

Heberer moet toegeven, dat de vermoedens bij voortduring en met grote snel­heid veranderen door toe te voegen: 'Nog drie jaar geleden nam men aan dat de menselijke stamlijn pas 10 miljoen jaar geleden in het Plioceen zelfstandig is geworden.' (FAZ dd. 25 september 1968).

Hoe verder men in de tijdperken van het Tertiair teruggaat, des te vager wo re den de uitspraken. Hoe onzeker de evolutionisten thans zijn geworden blijkt uit een bericht van Heberer. 'Wanneer wij het geschiedsbeeld overzien dat de moderne genetische antropologie van de evolutie van de hominiden weet te ontwerpen, dan moet benadrukt worden dat dit slechts een vigerend (?) beeld is, dat op de stand van de jongste vondsten berust. '43 In zijn geschrift Homo (1968) spreekt Heberer tien jaar later alleen nog over 'theorieën' en 'hypothe­sen' (blz. 15,22 en 27). De zekerheid, die Heberer tientallen jaren tevoren ten toon had gespreid, was reeds eerder door experts afgewezen. Gehlen schreef destijds aan Heberer: 'De klassieke theorie treedt met een grote, in het geheel niet bij het voorwerp passende zekerheid op en slechts bij zeer scherpe obser­vatie valt er te ontdekken, waar de onzekerheid doorschijnt.'44

De meningen in welk tijdperk van het Tertiair het 'ancient member' te zoeken is, lopen - aangezien alles slechts op vermoedens berust - sterk uiteen. Terwijl Heberer de splisingsgebeurtenis rond 25 miljoen jaar geleden plaatst, verte­genwoordigen Amerikaanse antropologen een volkomen andere mening. Wil­son en Sarich (U.S.A.) spreken over vier tot vijf miljoen jaar en C.O. Lovejoy van de Kent State University alsook A.H. Burstein en K.G. Heiple (Case Western Reserve University, Cleveland, USA) vertegenwoordigen het stand­punt dat de aftakking rond veertien miljoen jaar geleden heeft plaatsgevon­den.45

De Zwitser Johannes Hürzeler daalt vier maal zo ver in het verleden af als de Amerikanen. Hij neemt aan, dat de gemeenschappelijke wortel 60 miljoen jaar geleden in het Eoceen te zoeken is! 46

Uiteindelijk huldigde de gerenommeerde geleerde Koenigswald op 28 januari 1970 in een ZDF- uitzending de waarheid toen hij zei: 'Wanneer en waar de aftakking heeft plaatsgevonden, is onbekend. Alle tussenvormen zijn onge­veer 25 miljoen jaar geleden uitgestorven. Wij kennen de gemeenschappelijke voorouders niet.'

Aangezien over een tijdsbestek van 12 miljoen jaar vrijwel geen in aanmer­king komende fossielen zijn gevonden (!) kan men ook niet meer over een echte stamboom spreken. Als gevolg van de sterk toegenomen kritiek op de evolutietheorie door vakgeleerden zijn de evolutionisten ook wat betreft hun uitspraken over de stamboom wat voorzichtiger geworden. Zo spreekt ook Heberer thans niet meer over een 'stamboom' doch over het 'fylogenetische relatieschema'. Letterlijk zegt hij: 'Deze "stambomen", die men voorzichti­ger en beter als fylogenetische relatieschema's zou kunnen betitelen... '47

Aangezien de antropologie voor een groot gedeelte op speculaties berust is het niet verwonderlijk, dat de wetenschappers het op een congres in Chicago in 1965, waaraan driehonderd prominente antropologen, biologen, zoölogen en erfelijkheidswetenschappers deelnamen, over de vele open vragen niet eens konden worden.48

Ook sommige andere onderzoeksresultaten brengen de theorie erg in het nauw. Volgens het klassieke concept moet de ontwikkelingslijn bij de mens­wording van tijdsniveau tot tijdsniveau steeds dichter bij de moderne mens komen. Dat is een verschijnsel dat logischerwijs de evolutie immanent moet zijn. Doch de fossielen doen de evolutionisten nergens dit plezier. De 250000 jaar oude Swanskombe-schedel is van een schedel van de moderne mens wel­haast niet te onderscheiden, de slechts 40000 à 50000 jaar oude schedel van de Spy-mens - een klassieke Neandertaler - vertoont een mens met een plat voor­hoofd en reusachtige verdikkingen boven zijn ogen.49

Dat deze resultaten helemaal niet in het concept van de evolutionisten passen wordt in het geschrift Der Mensch der Vorzeit (1971) zonder omhaal ver­woord: 'De ontwikkelingstendenzen, die in deze periode bij de Neandertaler te zien waren, waren uiterst raadselachtig. Het heeft er namelijk alles van weg dat deze niet hoger ontwikkeld, doch 'primitiever' werd. De laatste fossielen die wij van dit menstype in Europa kennen zijn nog grover en massiever en vertonen nog sterkere oogverdikkingen dan die van hun voorouders. '50

Het zeer veranderlijke idee van de langzame overgang blijkt op de beslissende plaats onrealistisch te zijn. De theorie van de kleine schreden, die in samen­werking met het telkens weer voorkomende toeval de monistische theorie van het evolutionisme moest steunen, bleek niet draagkrachtig te zijn. Dat had Heribert Nilsson reeds vroeg ontdekt en geconstateerd: 'Met Lamarck, Dar­win en De Vries komen wij nietverder.'51 En thans valt erin de wetenschappe­lijke werken te lezen: 'Niet alleen treft men plotseling geen Neandertalers meer aan, doch men vindt even abrupt mensen van onze soort op hun plaats. Er is geen overlapping, geen langzame overgang van het ene type naar het andere te bemerken. (!) Het lijkt wel of moderne mensen aangestormd kwa­men en de Neandertaler verdreven, misschien zelfs wel gedood hebben. '52

Evenzo constateert Gottfried Kurth in het verzamelde werk van Heberer (1964): 'In Europa treden de klassieke oude mensen en de eerste klassieke mensen van nu zo zonder enige overgang en morfologisch scherp afgebakend tegenover elkaar op, dat de dossiers over een genetisch uiteenlopen definitief afgesloten zijn.'53

Op de Neandertaler volgde 35000 jaar geleden de Cro-Magnon-mens. Waar deze mensensoort vandaan komt is volledig onbekend. Plotseling was hij er. 54 Deze soort heeft reeds enkele exemplaren geproduceerd die kunstzinnig be­gaafd waren. Doch het niveau van de Cro-Magnon-mens wordt als geheel meestal ver overschat. Hoezeer sommige auteurs de neiging hebben verzinsels in de natuur te projecteren, is te merken aan het feit dat een wetenschapper van de dierachtige Neandertaler aanneemt dat deze 'bijna een estheet en mys­ticus is geweest'55.(!)

Over de Cro-Magnon-mens zeggen de experts 'dat wij hem meer bekwaamhe­den toeschrijven dan hem eigenlijk toekomt. Dat zou kunnen verklaren waar­om zoveel afbeeldingen en tekeningen, waarmee men zijn dagelijkse leven tracht te reconstrueren, hem desondanks volledig verkeerd weergeven. Maar al te vaak wordt hij als goedig-filosofische mens voorgesteld, die slechts reine motieven en gedachten kende en een groot gedeelte van zijn tijd besteedde om jongelingen met lichtgetinte ogen in de kunst van het gereedschapmaken en grotschilderen in te wijden. Ook dat is beslist een verkeerde gevolgtrekking. Over de Cro-Magnon-mens weten wij absoluut niets wat erop wijst dat hij rein en edel was. Integendeel, hij was ongetwijfeld net zo wreed, onbetrouwbaar, emotioneel, ongedurig en bijgelovig als de meeste achtergebleven mensen en vele zogenaamde verlichte mensen die nu leven' 56.

Bij de fossielen van de Cro-Magnon-mens werden opengebroken beenderen gevonden, 'alsof iemand het merg erin gezocht had. . .' 'Dat doet aan kanniba­lisme denken. . . '57

Tot voor enkele jaren konden de antropologen slechts vermoedens uiten over de kwestie of de voormensen een taal hadden. 'Wij weten er niets over hoe de Cro-Magnon-mens met zijn soortgenoten sprak en ook niet welke woorden hij bezigde. En wij zullen het nooit te weten komen. '58 Hier zou de auteur wel eens abuis kunnen zijn. Prof. Liebermann van de Universiteit Connecticut maakte op het jaarlijkse congres van de Amerikaanse acoustische sociëteit in Washington in 1971 bekend dat de Neandertaler evenals een pasgeboren kind of een volwassen chimpansee niet over een keelholte beschikte, terwijl ook een groot gedeelte van het keelgat tussen mond en strottehoofd ontbrak. De keelholte was niet toereikend voor normale gearticuleerde spraak. Het zou onmogelijk zijn geweest om hem te Ieren spreken.59

Jakob Lorber heeft 120 jaar geleden door middel van de verbale inspiratie heel wat over de hominiden geschreven, wat thans door de wetenschap als juist wordt bevestigd. Over de taal bericht Lorber het volgende: 'Een taal zoals de­ze thans bij de mensen gebruikelijk is, hebben zij niet; maar zij hebben beter gearticuleerde geluiden, tekenen en gebaren dan zelfs de meest ontwikkelde dieren en kunnen hun behoeften aan elkaar duidelijk maken.' (Gr VIII 72)

Terwijl de onderzoekers tot voor enkele jaren van mening waren dat de homi­niden pas sedert enkele honderdduizenden jaren bestonden, schreef Lorber reeds toen dat de vooradamieten de aarde 'vele miljoenen jaren' bevolkten (Gr VIII 72).

De laatste twintig jaar is de 'reeks van voorvaderen' telkens veranderd, omdat hominidenfossielen uit oudere tijdperken gevonden werden. De 'Homo habi­lis' werd door de iets oudere Sinanthropus afgelost, die 1,7 miljoen jaar telde. In 1972 ontdekte Richard Leakey aan het Rudolfmeer in Kenia de schedel van een hominide, wiens leeftijd op 2,6 miljoen jaar wordt geschat. 60 In het jaar 1974 berichtte de antropoloog dr. Carl Johanson van de Universiteit Cleve­land over een nieuwe vondst in Ethiopië, die drie miljoen jaar oud zou zijn. 61 Portmann ten slotte huldigt het standpunt - evenals andere onderzoekers thans doen - dat hominide wezens reeds tien tot twaalf miljoen jaar geleden hebben geleefd. 62

Zo zijn ook in dit bijzondere geval de verkondigingen van de profeet Jakob Lorber waar gebleken.

Alle later onhoudbaar gebleken theorieën vonden aanhangers die de weten­schappers onvoorwaardelijk geloofden en die kennelijk niet merkten, dat de­ze thesen voortdurend veranderd werden. Slechts de uitspraak van de Bijbel dat God de dieren en de mens heeft geschapen, werd steeds minder aanvaard. De verklaring dat een zodanige uitleg onwetenschappelijk zou zijn heeft he­den ten dage vrijwel dezelfde magische uitwerking als vroeger de uitdrukking had die middeleeuwse monniken bezigden: 'er staat in de Bijbel geschreven'.

Zelfs in bepaalde katholieke intellectuele kringen mag God in de wetenschap­pelijke literatuur kennelijk niet meer verschijnen. Dat doen bepaalde wegla­tingen ten minste vermoeden. In het door de katholieke Görres-Gesellschaft uitgegeven, elf delen omvattende Staatslexikon, zesde druk, staat onder meer te lezen: '.. .de katholieke theologie spreekt uitdrukkelijk over het gerecht­vaardigde 'methodische atheïsme' van de individuele wetenschappen, die in het bereik van hun competentie God als hypothese, factor of resultaat niet meer nodig hebben' (eerste aanvullende deel). 63

Het evolutionisme, dat bestrijdt dat Adam uit Gods hand is voortgekomen, staat echter een feit van onontkoombare logica in de weg. Op de basis van archeologische resultaten zijn de wetenschappers het er unaniem over eens, dat ongeveer 6000 jaar geleden plotseling een opvlammen van de menselijke geest plaatsgreep, wiens activiteit in de meest uiteenlopende cultuurdocumen­ten naar voren kwam. 'Het eerste begin van een aantoonbare geschiedenis van de mensheid', schrijft Dobzhansky, 'vond ongeveer 6200 jaar geleden in het Nijldal in Egypte plaats. Binnen luttele eeuwen (!) breidde zich toen een cultu­reel ontwaken op verschillende gebieden uit. '64 'Geen enkele ontdekking', zegt P.J. Wiseman, 'heeft meer verbazing teweeggebracht dan die dat de be­schaving op de wereld geheel plotseling is ontstaan. Dat was precies het tegen­deel van datgene wat men oorspronkelijk had aangenomen. '65

Dit feit doet de theorie van de uiterst geleidelijk aan en op evolutieve wijze plaatsvindende overgangen volledig teniet. Er bestaat echter anderzijds - naar Heberer en andere evolutionisten erkennen - geen macro-evolutie. Hij zegt uitdrukkelijk dat de overgang van de subhumane fase naar de 'humane fase', d. w .z. dat er een mens op het toneel treedt die nu ook de 'conditio humana' , de psychische kwaliteiten van de mens bezit, volgens de wetmatigheden van de evolutietheorie geen 'abrupte sprong' toelaat. Dat, zo verklaart hij, zou niet met de fylogenetische waarschijnlijkheid overeenkomen. 66 Wat echter onge­veer 4000 v. Chr. is gebeurd was geen evolutie, doch duidelijk een nieuwe schepping. Het toeval speelt derhalve als noodhulp geen enkele rol meer. Het verstand wijst naar de enig overblijvende weg, naar God.

Laat ons de toestanden die ten tijde van Adams schepping op de aarde beston­den, iets nader onder de loep nemen. Plotseling was het uit met de maar voort­vegeterende vooradamieten, die miljoenen jaren lang niets teweegbrachten wat de aarde had kunnen veranderen. Dit stelde de Nieuwe Openbaring reeds vast in een tijd, waarin nog geen enkele geleerde over de hominiden repte: 'Hoewel deze vijfde voorontwikkelingsperiode van de aarde zeer vele miljoe­nen jaren duurde, was er bij deze (voor)mensen toch geen cultuurontwikke­ling, van welke aard ook, te bespeuren, doch zij leidden verder hun eenvoudi­ge nomadenbestaan.' (Gr VIII 72) Het tijdstip van de nieuwe schepping wordt door de Nieuwe Openbaring zeer exact en in overeenstemming met de ontdekkingen van de archeologie aangegeven. In Gr V 72 staat dat Adam, die een goddelijke geestvonk ontving en met een hoge intelligentie was begiftigd, ongeveer 6000 jaar geleden werd geschapen. 'De mens werd door Mij gelijk ieder ander schepsel onmiddellijk volmaakt in de stoffelijke wereld gebracht en wel reeds met de latere mogelijkheid tot voortplanting...' (Gr XI, blz. 253)

Volledig nieuw en opwindend is het plotselinge stralen van een tot dusverre volledig onbekende geestelijke kracht van de mens. In korte tijd ontstonden steden en rijken. De schrift werd uitgevonden, recht en wetgeving werden in het leven geroepen, tempels en piramiden gebouwd. Al spoedig slaagde men erin metaal te smelten. De oudste, ongeveer 5000 jaar oude metaalvondsten in de Kaukasus werden door de archeologen in het 'koperen tijdperk' onderge­bracht.67 De zeevaart en handel werden ontwikkeld.

Adam werd op een tijdstip op de aarde gebracht waarop het klimaat - vergele­ken met de voorafgaande periode - vrij gunstig was geworden. Prof. H.E. Wright, de directeur van het limnologische researchcentrum van de universi­ teit van Minnesota, heeft met behulp van de betrouwbare stuifmeelanalyse volgens het wetenschappelijke tijdschrift Science het volgende geconstateerd: De op 600 tot 2000 m hoogte gelegen gebieden van het Sagros-gebergte in het hoogland van Iran en Anatolië vormden 11 000 jaar geleden nog een koude steppe. Pas na deze tijd begint het percentage stuifmeel van bomen - eiken en pistaches - gestaag groter te worden. Een toenemend warm klimaat werkte het ontstaan van een eiken-pistaches-savanne in de hand. Sinds 8000 jaar groeit het percentage eikenstuifmeel in de stuifmeelmonsters van het Zeribar­Meer en het Meribad-Meer gestaag. De neerslag nam tot 5000 jaar geleden voortdurend toe, zodat rond deze tijd het gemengde eikenwoud 50 tot 70 pro­cent van het gebied bedekte, zoals ook nu nog het geval is. Nu traden er ook nieuwe, wilde graansoorten op. Men kon beginnen dieren en graan voor eigen gebruik geschikt te maken. 68

De domesticatie (het houden van huisdieren) is volgens recente onderzoekin­gen ca. 8000 v. Chr. in Iran en in Palestina met geiten begonnen, terwijl scha­pen en honden later volgden. De varkensteelt is sinds 7000 v. Chr. in Thessaliëen Noord-Irak bekend. 69 Dat de hominiden, dus de vóór Adam levende voor­mensen, huisdieren hadden, wordt ook door Lorber als volgt bericht: 'Zij (de vooradamieten) plantten zich in het laagland tot Adam voort.' (De hogergele­gen gebieden waren destijds - zoals tevoren is bericht - steppen, Egg.). Kort voordat Adam werd geschapen 'ging het reeds beschreven geslacht der voora­damieten met zijn huisdieren welhaast volledig onder' (Gr VIII 72).

Wanneer nu en dan bericht werd dat men stadachtige nederzettingen had ont­dekt die aan de hand van de ouderdomsbepaling met de radiocarbonaatme­thode (C 14) ouder dan 6000 jaar zouden zijn, dan moeten deze mededelingen sceptisch worden opgevat, omdat de experts deze methode als onbetrouwbaar beschouwen. 'Afwijkingen van de ouderdomsbepaling door middwl van de schelp-radiocarbonaatmethode kunnen ettelijke duizenden jaren bedragen' (!), staat er bijvoorbeeld in Science van 16 augustus 1963 (blz. 634). 'Een klas­siek voorbeeld', wordt er elders in dit gerenommeerde wetenschappelijke tijd­schrift gezegd, 'voor de "onverantwoordelijkheid" van deze methode wordt duidelijk aan de hand van de ouderdomsbepaling van het prehistorische dorp Jarmo in het noordoosten van Irak. Volgens elf ouderdomsbepalingen zou het 6000 jaar lang bewoond zijn geweest; uit alle archeologische bewijzen blijkt echter dat het hoogstens 500 jaar lang bewoond is geweest. '70

Ook Duitse wetenschappers hebben op een congres in Heidelberg in het jaar 1968 op de onbetrouwbaarheid van de koolstofdatering (C 14) geattendeerd. Naar de professoren Milojcic (Heidelberg) en Willkommen (Kiel) mededelen, begon men te twijfelen, omdat het koolstofgehalte van de atmosfeer in vroe­ger tijden aanzienlijk hoger was dan nu. Volgens de gegevens van prof. Miloj­cic heeft de zeer lastige C 14-methode tot vergissingen geleid. 71

De adamitische mens is met de voor - en oermensen, die Lorber treffend ook diermensen noemt, in het geheel niet vergelijkbaar. Een diepe kloof scheidt hen: 'Ieder mens die op aarde wordt geboren krijgt een geest uit Mij en kan volgens de voorgeschreven orde een volledig kind van God worden.' (EM 53) 'Pas de adamitische mens wordt doorstroomd met een geestelijk gevoel, met het ervaren van een macht, die de ziel bevleugelt haar Schepper te beseffen en te zoeken.' (Gr XI, blz. 25)

Hierin ligt het niet te beschrijven enorme verschil tussen Adam en de Cro­Magnon-mens alsook de overige hominiden besloten.

Dacqué noemde de bekwaamheid van de hominiden 'natuurzichtig', 'natuur­somnubaal' . Datgene wat hen ontbrak en Adam kenmerkt, was het abstracte denkvermogen alsook de geestelijke vrijheid en daarmee de vrije wil. Alleen de met geest begiftigde mens kon in slechts enkele eeuwen hoog ontwikkelde culturen uit het niets doen verrijzen, zonder dat hij een voorbeeld had. Het tijdstip van het begin van de menswording bij Adam ca. 4000 jaar v. Chr. ­zoals de Nieuwe Openbaring het mededeelt - komt exact met het plotselinge en explosie-achtige ontstaan van hoge culturen overeen.

De evolutionisten wijzen het verschil tussen mens en dier van de hand. Aange­zien zij geen Godgeest willen erkennen, beschouwen zij het menselijk lichaam als uit het dierlijke lichaam voortgekomen, hoewel inmiddels duidelijk is ge­worden dat deze theorie niet te bewijzen is en alles op een schepping door goddelijke macht en wijsheid wijst. Omdat het dier ook over intelligentie be­schikt zien zij het verschil in wezen tussen mens en dier slechts in het graduele verschil van de intelligentie. Er bestaat echter - naar Rothacker geheel juist opmerkt - niet slechts een kwantitatief doch ook een 'belangrijk kwalitatief verschil. 'Een graduele toename van de dierlijke intelligentie zou nog lang geen menselijke intelligentie opleveren.'72 'De mens is tot transcendentie in staat, en het dier zeer zeker niet. '73

 

2. De twijfel van de wetenschappers aan de juistheid van de evolutietheorie

 

Ondanks het feit dat de evolutietheorie in het geheel niet gefundeerd is, wordt zij in wetenschappelijke werken, in studieboeken op de scholen en in populair­wetenschappelijke geschriften als vaststaande wetenschappelijke kennis ver­spreid. Volwassenen, scholieren en studenten vermoeden waarschijnlijk niet hoeveel twijfel en groeiende kritiek van wetenschappelijke zijde ten opzichte van de evolutietheorie wordt geuit. De gerenommeerde Amerikaanse geleer­de W.H. Thomson verklaarde in het tijdschrift The American Biology Teacher dat de evolutietheorie niet wetenschappelijk te definiëren, laat staan met we­tenschappelijke exactheid te bewijzen is, doch dat men de geloofwaardigheid van de theorie in het openbaar door onderdrukking van de kritiek en ontken­nen van de vele moeilijkheden tracht te handhaven. Ook in een democratie is het lang niet gemakkelijk om de waarheid te weten te komen, want de waar­heid heeft vele vijanden! In alle landen bestaat er een wetenschappelijke lob­by, die een bepaald systeem opricht en beproefde methoden bezigt om haar hypothesen, ook al zijn deze nog zo wankel, als dogma's te verdedigen. Twijfel aan de theorie wordt met 'ketterij' gelijkgesteld. Westenhäfer wijst erop dat na het falen van de evolutietheorie 'de overmacht van descendentietheoreti­sche modestromingen heeft verhinderd dat uit juiste ontdekkingen de juiste conclusies worden getrokken'74.

Onderstaand citeren wij de uitspraken van talrijke wetenschappers, die laten zien in hoeverre het evolutionisme niet eens meer als theorie, laat staan als zekere wetenschappelijke kennis erkend wordt. Het publiek verneemt daar­over echter maar weinig. Ook in de westelijke democratieën is het moeilijk de waarheid te doen doorbreken.

 

Portmann, Adolf

'Heel wat biologen denken er nauwelijks meer aan dat de systematiek de basis van de gehele afstammingsleer is, dat zij het zekere is, datgene wat wij weten, terwijl de ontwikkelingstheorieën datgene zijn wat wij vermoeden  .'75

 

Dobzhansky, Theod.

'. . . de moderne theorie wijkt sterk van die van Darwin af. Niet alle biologen zijn er echter van overtuigd dat ook de moderne theorie beslist juist is.' 'Waar komt deze moderne mens nu vandaan? Waar is hij voor het eerst ontstaan? Deze vragen zijn erg moeilijk te beantwoorden; wij zijn op dit gebied tot dus­verre vrijwel uitsluitend op vermoedens aangewezen en nog ver van een over­tuigende oplossing verwijderd. '76

 

Gehlen, Arnold

'Wie als natuurkundige, filoloog of kennistheoreticus exacte methoden tot zijn beschikking heeft, twijfelt niet aan het uiterst hypothetische karakter van alle afstammingsproblemen van de mens. '77

 

Konrad Lorenz (Nobelprijswinnaar)

wijst er met nadruk op 'dat er op iedere ontwikkelingstrap van het levende iets nieuws optreedt, dat echter uit de lagere trap op geen enkele wijze is af te leiden. '78

 

Westenhöfer, Max

'De selectie kan in werkelijkheid niets nieuws scheppen, zij kan slechts het gebrekkige, niet-levensvatbare uitroeien. Het milieu echter kan slechts een verborgen aanleg "oproepen", zodat het lijkt alsof het deze heeft geschapen. De vraag waar de aanleg vandaan komt - en dat is algemeen de belangrijkste vraag - blijft onbeantwoord.' 'Wij mogen er ons niet in vergissen dat alles wat wij over de menswording aannemen van onzekere en hypothetische aard is. '79

 

Overhage, Paul

'De wirwar van familieverbindingen, die door de ondoorgrondelijke gebeurte­nissen van recombinatie en eigenschapsontplooiing tot stand is gekomen, kan door geen enkel schema of systeem ook maar bij benadering worden verwoord en weergegeven. '80

 

Thorpe, W.R.

'Alles wat er over de mutatiesnelheid bij mens, plant en dier bekend is leidt gemakkelijk tot de conclusie dat de mutatiesnelheid te laag is om een organis­me door toevallige mutaties in een bepaalde richting te "dwingen", d.w.z. te­gen de werking van natuurlijke selectie in een evolutieproces te leiden. Daar­door blijft er geen ruimte voor een "scheppende evolutie" over.' 'De toevallig­heid van de variaties waarop de natuurlijke selectie van invloed is heeft altijd al de grootste steen des aanstoots gevormd, ook voor diegenen die alleszins geneigd, zelfs begerig waren om de theorie te erkennen. '81

 

Berril, N.l.

'Er bestaat geen direct bewijs of direct getuigenis voor dat deze vermoede ge­beurtenissen of veranderingen hebben plaatsgevonden. In zekere zin is dit be­richt (over de trapladder van de organische evolutie, Egg.) een science-fiction­verhaal*.(* Science-fiction = natuurwetenschappelijk technisch-utopische roman.) '82

 

Schindewolf, O.R.

citeert de volgende wetenschappers, die er allen in hun geschriften de nadruk op leggen dat de vorming van nieuwe typen 'onvermoed en plotseling' zou plaatsvinden, zonder dat wij voor deze verandering een reden kunnen aange­ven: De Beer, Beurten, Garstang, Goldschmidt, Jaeckel, Hauck, Neumayer, Rhumbel, Schindewolf, Sewertzoff, Spath, Veit, Wedekind.83

Zo verklaren ook de geleerden Weissermehl, Von Huene, Robert Broom, W. Troll en Aberhalden dat de paleontologie niets over het ontstaan van de typen zou weten. 'Men moet', zoals Weissermehl schrijft 'ofwel met niet-weten ge­noegen nemen dan wel aannemen dat er een geestelijke kracht, met andere woorden een Schepper achter de gehele ontwikkeling staat.'84

 

Wood, J.G.

'Er wordt toegegeven dat deze leer (van het evolutionisme, Egg.) niet door feiten - ook niet door één enkel feit - kan worden bewezen. Wij hebben nog nooit vastgesteld dat een soort uit een andere soort voortkomt. Met onze eigen ogen zien wij niet dat zoiets plaatsvindt. In de geschiedenis is niet het minste spoor van een dergelijke ontwikkeling te vinden. '85

 

Spülbeck, Olto

'Hoe meer men de boeken over de afstammingsleer aan een onderzoek onder­werpt, des te meer is men verwonderd hoezeer alles door de eigen bril van de schrijver wordt bezien.' 'De paleontologie en de genetica geven aanwijzingen, doch verklaren niet waarom oorzaak en werking zo ver uiteenlopen. De dis­crepantie schijnt biologisch niet oplosbaar te zijn. '86

 

Hübner, Paul

'Wij zullen nooit de complete stambomen voor ons zien liggen, die het ont­staan van de homo sapiens op deze aarde zonder hiaten documenteren. '87

 

Woodger, J.H.

'Bij welhaast geen enkele wetenschappelijk behandelde vraag zijn er zoveel tegenstrijdigheden overgebleven als bij de uitspraken over de afstammings­kwesties. Men kan hier, ook uit de laatste tientallen jaren, voor bijna iedere zin precies het tegendeel uit schijnbaar competente bron citeren. Dat geldt zelfs voor de grondkwesties bij deze "wetenschap van de antitheses" .'88

 

Kurth, Gottfried

'Wij beschikken nog niet over onmiskenbare of zelfs maar enigszins houdbare aanwijzingen ten aanzien van de plaats waar eens de eerste "echte" mensen uit de basislaag van de humane hominiden moeten zijn voortgekomen. Onze me­ningsbepaling over de plaats en betekenis van een fossiele vondst moest steeds voorzichtiger worden naarmate onze materiaalkennis groter werd. '89

 

Heberer, Gerhard

'Over het anatomische type van deze wortel (25 miljoen jaar geleden, Egg.) valt nog niets concreets te zeggen, doch wel het vermoeden dat wij op een tus­sen toestand tussen prehominine Australopithecinen en archantropine vormen mogen rekenen.'90

 

Zelfs de meest vooraanstaande vertegenwoordigers van het evolutionisme la­ten merken hoe radeloos zij zijn; zij zijn van speculaties afhankelijk, die geen houdbare basis voor een wetenschappelijke theorie vormen.

 

Nilsson, Heribert

'De theorie van de ontwikkeling is door experimentele research niet beves­tigd. '91

 

Dacqué, Edgar

'Geen enkele ons bekende thans of in de oerwereld voorkomende soort en vorm is zo geaard dat men deze in de stamboom van de mens als het hoogste schepsel zou kunnen opnemen. Alles is terzijde van de baan naar deze hoogte ontwikkeld. '92

 

Schirmbeck, Heinrich.

'Zijn wij met de jongste paleoantropologische vondsten werkelijk dichter bij het geheim van de menswording gekomen? Is met deze vondsten het probleem van het ontstaan van de vrije menselijke bestaansvorm vanuit de aandriftge­bondenheid van het animalische leven te verklaren?

.. .de overgang naar het geestelijk-zedelijke gedrag, naar een van het object gedistantieerde bewustzijnshouding - eigenschappen die uitsluitend de mens zijn voorbehouden en die hem in een hogere bestaanscategorie verheffen ­schijnt ons nog steeds een geheim toe. '93

 

Zimmermann, Walter

'Het beslissende procédé is ook in de fylogenetica de constatering: "on­juist". '94

 

Beur/en, K.

'Door geen enkele differentiëring kan het type worden overschreden en een nieuwe soort worden voortgebracht.' 'De theoretisch te concluderen gemeen­schappelijke stamvorm blijft een constructie.' 'Alle stambomen die in de lite­ratuur na diepgaande paleobiologische analyse zijn gepubliceerd, vertonen op de vertakkingspunten fictieve vormen, terwijl de concreet voorhanden fossie­len op de zijtakken liggen.'95

 

Rostand, Jean

'Is het probleem evolutie... werkelijk opgelost, zoals de neodarwinisten be­weren? Ik ben een andere mening toegedaan, en zoals vele anderen (!) zie ook ik mij genoodzaakt enkele banale bezwaren tegen de leer van het neodarwinis­me naar voren te brengen.' '. . . door mutatie ontstaat in het organische systeem nooit iets nieuws, niets wat als basis voor een nieuw orgaan of als voorwaarde voor een nieuwe functie kan worden beschouwd. Neen, ik kan er niet toe be­sluiten te geloven dat deze "blunders" van de overerving - zelfs in samenwer­king met de natuurlijke selectie en wanneer men voor de ontwikkeling van de levensvormen van enorme tijdsbestekken uitgaat - voor het ontstaan van een gehele wereld met haar overvloedige verscheidenheid, waarin alles tot in het kleinste detail uitgekiend is (!), voor hun verbazingwekkende "aanpassing"... verantwoordelijk zijn. '96 (Rostand behoort tot de meest prominente evolutio­nisten. )

 

Romer, A.S.

'De tussenschakels ontbreken op die plaatsen waar wij ze het liefst zouden zien, en het is zeer waarschijnlijk dat vele tussenschakels ook in de toekomst zullen blijven ontbreken. '97

 

Westenhöfer, Max

'Tussenschakels zijn tot dusver in het bereik van de paleontologie, waar men ze juist had verwacht, noch van de botanica, noch van de zoölogie ooit gevon­den.'98

 

Dacqué, Edgar

Ondanks rijkelijk voorhanden materiaal is 'over zich in rechte lijn en harmo­nisch ontwikkelende stamreeksen nergens iets te vinden' 99. 'Alles splitst zich in eigen typen en vormen. Het gewone stamboombeeld, waarvan de klassieke descendentie- of afstammingsleer uitging, viel nergens te ontdekken. '100

 

Tirala, Lothar Gottlieb

'Ook nu (in 1969) nog zijn onbeleerbare darwinisten en lamarckisten bereid de planmatigheid in vorm en opbouw, ontwikkeling en individueel verloop van het leven der dieren, de geleidelijk aan plaatsvindende ontplooiing van een laag naar een hoger zieleIeven, de geweldige instincthandelingen, het ineen­voegen van de dieren- en plantenwereld tot een werk van het toeval, van blind samenvallen van elektronen, atomen en moleculen alsook hun ketenen te ver­klaren. Daar staat tegenover dat de biologie onder leiding van H. Driesch, J. v. Uexküll, J. Reinike, G. Wolffen enkele anderen de autonomie, dezelfstan­digheid van het leven. in tegenstelling tot de natuurkunde en de scheikunde duidelijk heeft bewezen. '101

 

Thompson d'Arcy, W.

'Een tachtig jaar durende studie van de afstammingsleer naar Darwin heeft ons niet geleerd hoe vogels uit reptielen zijn ontwikkeld, zoogdieren uit oude­re viervoetige dieren, viervoetige dieren uit vissen of gewervelde dieren uit ongewervelde dieren. De ongewervelde dieren vertonen dezelfde proble­men. .. de hiaat tussen de gewervelde en de ongewervelde dieren, tussen. de wormen en de holtedieren, tussen de holtedieren en de protozoën... is zo groot dat wij hem niet kunnen overzien. . .' '. . . men zoekt tevergeefs naar over­bruggingen voor deze kloof, want deze zullen nooit worden gevonden.'102

 

Fleischmann, A.

'De praktische mogelijkheid om iets over de oergeschiedenis van het dieren­rijk te weten te komen is volledig uitgeput, en de hoop is voor altijd vervlogen. Wij verkrijgen een resultaat dat juist het omgekeerde is van datgene wat men zou verwachten. '103 (!)

 

Meyer-Abich, A.

noemt de door de evolutionisten aangenomen 'overgangen' met betrekking tot de overal ontbrekende tussenniveaus als 'logische onmogelijkheid' en stelt voorts vast: 'Iedere laag resp. trap is een categorisch novum* (* Novum, d.w.z. hier een volledig nieuw type.), dat niet met de voorafgaande trap verbonden is.'

'Er moet', zegt Meyer-Abich verder, 'een metafysisch proces gaande zijn ge­weest, "dat niet rationeel te bevatten is" .'104

 

Fangauf, Werner

'Strijd om het bestaan, natuurlijke teeltkeuze, behoud van de soort, aanpas­sing, vormen, overerving, natuur - dat zijn allemaal abstracte zaken, denkele­menten van de menselijke geest, die in het menselijk brein zijn gevormd en ook alleen daar bestaan! Filosofisch papieren geld zonder biologische dek­king.' 'Zodra wij ons eenmaal van de monstruositeit van het blinde muteren hebben vrijgemaakt en tot het besef van een doelgerichte vorming zijn geko­men, wordt het gen de getuige van een categorie die, omdat zij hemelsbreed van de categorieën van onze geest verschilt, door deze niet wordt begre­pen.'105

 

TrolI, W.

kan eveneens met het oog op de feiten, die het tegendeel bewijzen van datgene wat de evolutionisten hadden verwacht, alleen nog maar aannemen dat 'een invloed vanuit de metafysische sfeer' de plotselinge omvorming van de soorten heeft geschapen, d.w.z. hij denkt aan een goddelijke schepping.106

 

Gray, James

'Wij moeten ofwel als enige sturende factor van het evolutiemechanisme de natuurlijke selectie aannemen en bereid zijn toe te geven dat daaraan vrij veel speculatie verbonden is, of in ons binnenste de pijnlijke gedachte koesteren dat de natuurlijke selectie, die op de basis van een toevallige mutatie werkt, teveel aan het toeval overlaat. ... Wanneer wij de organische evolutie als een kansspel van de natuur beschouwen, dan lijkt het wat vreemd dat zij zoveel prijzen heeft uitgedeeld.' 107

 

Simpson, G. G.

'Men heeft het opgegeven naar de oorzaak van de evolutie te zoeken. Het is nu duidelijk dat de evolutie niet slechts één enkele en al evenmin een eenvoudige oorzaak heeft. '108

 

Overhage, Paul

'Alles wat door ontwikkeling is ontstaan kan evengoed ook door schepping in het leven zijn geroepen, doch niet omgekeerd. Iedere ontwikkeling begint al­tijd bij iets wat door schepping reeds voorhanden is, en betekent slechts een verandering of wijziging van het geschapene vanuit immanente krachten. '109

 

Illies, Joachim

Niemand van hen (de biologen, Egg.) ontkent de evolutie (als zodanig, Egg.), doch zij zijn allemaal sceptisch bij het antwoord op de factorenvraag en twijfe­len aan het darwinistische optimisme dat met toevallige treffers van de mutatie en selectie ook het waarom van het historische ontwikkelingsproces te verkla­ren zou zijn.' 'Er is meer inzicht besloten in het bericht over de scheppende God, die dier en mens volgens Zijn wil uit leem vormde, dan in het idee van een toeval dat ons uit het stof heeft laten groeien.'110

 

Meurers, Jose!

'Hoe fascinerend een dergelijk idee van een evolutie van de gehele wereld ook is, toch zegt dit fascinerende karakter in het geheel niets over de waarheid en draagwijdte van de conceptie. Reeds op het gebied van de materie vormt de evolutie één van de grootste problemen.'111

 

Haas, Johannes

'Zelfs wanneer de hypothesen en theorieën van de biogenese-research door krachten (in de natuur, Egg.) schijnen te worden bevestigd, zullen zij toch zel­den boven het niveau van waarschijnlijkheidsuitspraken uitgaan.'112

 

De befaamde Britse bioloog Woodger verwoordt de situatie met niets ontzien­de duidelijkheid wanneer hij schrijft: 'Het is zuiver dogmatisme wanneer men het doet voorkomen alsof de dingen zo geschied zouden zijn als wij wensen dat het is geweest.'113

 

Kälin, fose!

'Het biologische ontwikkelingsbegrip is geenszins in tegenspraak met het scheppingsidee doch stelt dit voorop en geeft daaraan een draagwijdte die alle statische scheppingsbeelden ontoereikend doet schijnen.' 'Door het personele bestaan van de mens wordt de gehele schepping geordend en gericht op het doel waarvan zij is uitgegaan. Dat is het mensenbeeld van de nieuwe antropo­logie, vanuit welks middelpunt de transcendentie van het personele bestaan straalt. '114

 

Hengstenberg, H.E.

'Als natuurwetenschappelijke theorie is het evolutionisme niet te vertegen­woordigen, omdat het van voorwaarden uitgaat die niet door de natuurweten­schappelijk observeerbare feiten worden gedekt.' 'Het gaat boven de uit­spraak van een conditioneel verband tussen vroegere en latere soort uit, die door de feiten alleen te verantwoorden is, en maakt daarvan zonder reden een causaal verband. '115

 

Portmann, Adol!

'De leer van de afstamming van de mens heeft in de strijd der politieke  menin­gen, in de sociale strijd van de laatste tientallen jaren een belangrijke rol ge­speeld. Zo was het onvermijdelijk dat zij thans veelal in een achterhaalde, ver­ouderde vorm wordt onderwezen, die de aan tijd onderhevige inhoud van de ontwikkelingsleer deed verstarren, welke nu eens en voor altijd als een weten­schappelijke waarheid moest gelden. Een zodanige verstarring is het ergste wat er met een wetenschappelijke theorie kan gebeuren, en dit gevaar ligt vooral op de loer wanneer het om kwesties gaat die ons in de diepte van ons menselijk wezen raken.'116

 

De bovenstaand geciteerde meningsuitingen van geleerden, waaronder zich ettelijken bevinden die het evolutionisme aanhangen of vroeger hebben aan­gehangen, zijn vernietigend voor deze theorie. Er bestaat geen twijfel over: op de keper beschouwd is het met de grondslag van deze theorie meer dan slecht gesteld. Ondanks alle pogingen die in de loop van honderd jaar werden onder­nomen is men er niet in geslaagd licht in de duisternis rond het geheim van de evolutie te brengen. Naar is aangetoond, berust het evolutionisme op vermoe­dens, speculeringen en onbewezen beweringen. Des te verbazingwekkender is het dat vele evolutionisten nog vol zelfvertrouwen in het openbaar optreden en bij de verwoording van het probleem in populair-wetenschappelijke ge­schriften, voordrachten in televisie-uitzendingen enz. ook nu, evenals enkele tientallen jaren geleden, dikwijls niet de nodige objectiviteit en voorzichtig­heid aan de dag leggen. Het is zo als Radl zegt: 'Wanneer een verkeerd basis­principe eenmaal waar is verklaard, geeft de eigenliefde er duizend mogelijk­heden tot verklaring voor in plaats van de simpelste ervaring.'117

 

Even treffend brengt N.J. Berrill zijn mening naar voren: 'Het is mogelijk dat men het nooit zal kunnen bewijzen, doch dat speelt waarschijnlijk geen rol, want het gaat hier om materiaal waaruit dromen gemaakt kunnen worden.' 118

 

Van Bertalanffy, Ludwig

'Maatschappij en wetenschap waren zo doordrongen van de ideeën van het mechanisme, utilitarisme en het economische concept van de vrije concurren­tie dat men het selectieprincipe op Gods plaats stelde en als onomstotelijke waarheid beschouwde.'119

 

Sir Fred Hayle

verklaarde in januari 1982 dat de structuren van het leven zo complex zijn dat zij niet, zoals de evolutionisten beweren, door toeval kunnen zijn ontstaan. Achter de structuren zou een intelligent plan staan.120

 

Sir Arthur Keit

'De evolutie is niet bewezen en niet te bewijzen. Wij geloven er echter aan omdat het enige alternatief de scheppingsdaad van een God is, en dat is on­denkbaar. '121

 

Shute, Evan (Amerikaans bioloog)

'Het argument dat de meerderheid er ten slotte vóór is, heeft nooit indruk op mij gemaakt.' 'De wetenschap heeft geen belang bij talrijke aanhangers doch uitsluitend bij de waarheid. '122

 

Kahle, Henning

'Ondanks het feit dat zij algemeen erkend wordt zijn er de laatste tijd steeds meer stemmen opgegaan die de evolutietheorie tegenspreken. Vooral het neodarwinisme wordt door een toenemend aantal autoriteiten gekritiseerd of volledig van de hand gewezen.' 'Het neodarwinisme is meer een natuurfiloso­fische dan een wetenschappelijke theorie, van feiten kan geen sprake zijn. '123

 

In de natuurwetenschappelijke bijlage van de Frankfurter Allgemeine Zeitung van 13 december 1978 wordt vastgesteld dat bij het bestuderen van de litera­tuur 'een groeiend onbehagen met het neodarwinisme opkomt. De pretentie van deze leer om de evolutie, dat wil zeggen de stamgeschiedsontwikkeling van de levende wezens, uitsluitend met mutatie en natuurlijke selectie te wil­len verklaren, kan blijkbaar niet meer kritiekloos worden aanvaard.'

Reeds in het jaar 1976 waren er meer dan 500 wetenschappers op de gehele wereld die de onhoudbaarheid van de materialistische evolutietheorie onder­kenden en die zich in de Creation Research Society and Institute of Creation Research, San Diego (Californië, USA) aaneengesloten hebben.

Dit herinnert aan de volgende uitspraak van Goethe: 'Alles wat meningen over de dingen zijn behoort tot het individu en is zodoende afhankelijk van subjectieve overtuigingen, en wij weten maar al te goed dat de overtuiging niet van het inzicht doch van de wil afhankelijk is.' (Farbenlehre polem. gedeelte § 30)

Studenten, scholieren, lezers, radioluisteraars en televisiekijkers krijgen de indruk voorgeschoteld als zou het evolutionisme een onweerlegbare en zekere wetenschappelijke theorie zijn. Slechts weinigen komen de uitspraken van de wetenschappers ter ore die de onhoudbaarheid van de theorie- aantonen.

Wat de studenten betreft, zijn de uitspraken van ettelijke hoogleraren van be­lang. Prof. CP. Martin van de McGill-universiteit (USA) zegt: 'Het is niet zo dat zij iets over deze moeilijkheden weten... en deze als onbetekenend of nietszeggend afdoen, doch zij hebben er nooit over gehoord en verbazen zich erover dat iemand op deze erkende leer kritiek waagt uit te oefenen.'124

Welke duurzame uitwerkingen het heeft wanneer een leer de studenten of scholieren wordt ingehamerd beschrijft de evolutionist Rostand: 'Wij zijn vol­ledig doordrongen van het idee van de verandering van de soorten. .. Wij heb­ben het op school leren kennen. Wij herhalen mechanisch dat het leven door ontwikkeling is ontstaan, dat de ene soort in de andere verandert. '125

Ook Westenhöfer houdt zich met het fenomeen bezig, dat enerzijds bij 'een aantal van de beste onderzoekers het zeer juiste gevoel bestaat dat er in de tot op heden geldende theorie van de afstamming van de mens iets niet kan klop­pen', doch dat het anderzijds 'des te onbegrijpelijker is dat ondanks dit alles deze theorie als "vaststaande waarheid" sinds tientallen jaren op scholen en universiteiten wordt onderwezen en hele generaties jonge weetgierige mensen in een noodlottige vergissing worden meegesleurd, die zij later maar moeilijk kunnen afwerpen en die van invloed is op hun wereldbeschouwing*'126.

 

G.A. Kerkert, professor voor fysiologie en biochemie aan de universiteit Southampton/Engeland trekt de opmerkelijke vaststelling dat de student die zich de evolutietheorie eigen maakt zich niet anders gedraagt dan de theolo­giestudent uit vroeger tijden. Hij neemt de evolutietheorie als bewezen aan 'en kletst als een papegaai de meningen van de belangrijkste vertegenwoordi­gers van deze opvatting na'. Doch het is nog erger, hij beweert bovendien nog dat hij 'anders is dan zijn (theologische) voorganger, dat hij namelijk weten­schappelijk denkt en dogma's verafschuwt.'127

 

H.E. Hengstenberg snijdt de fysiologische oorzaken aan die het zo moeilijk maken om de waarheid te doen doorbreken: 'De autonomistische ** infiltratie van de categorieën is de moderne intellectueel en in het bijzonder de weten­schapper zo in het bloed gaan zitten dat hij deze niet eens meer waarneemt en zich niet kan voorstellen hoe men anders zou kunnen denken. Daaraan komt het evolutionisme in hoge mate tegemoet. Het autonomisme** heerst ook in de christelijke levenssfeer.'128

(**Hengstenberg definieert autonomisme als volgt: 'Wij verstaan onder autonomisme de geeste­lijke houding die tracht alle eindige feiten zo oorzakelijk met elkaar verbonden te denken dat een teruggrijpen naar de goddelijke transcendentie overbodig lijkt.')

Hier moeten wij eraan herinneren dat tientallen jaren geleden vele theologen door de vooral door Weinert in het Derde Rijk in het brede publiek verspreide zogeheten drietrapstheorie (Pithecanthropus (aapmens) - Neandertaler - Ho­mo sapiens) gefascineerd waren en deze onvoorwaardelijk geloofden, terwijl dit een theorie is die thans door alle geleerden als volledige onmogelijkheid wordt beschouwd. De situatie is nu niet veel anders. Hoewel men erkend heeft dat er weliswaar een basisverwantschap met de voorafgaande types bestaat, dat deze echter in geen geval daarvan kunnen worden afgeleid en er dus geen evolutionisme kan bestaan, krijgen de luisteraars tijdens congressen van de academies een beeld voorgeschoteld dat niet met de feiten strookt. Kritische vragen worden - naar in een rapport over een congres wordt vermeld - met schouderophalen beantwoord. 129 Sommige referenten hangen het polygenis­me aan, d.w.z. zij nemen de schepping van de ene Adam door God niet meer als vaststaand aan, doch beweren: 'De waarschijnlijkheidsgraad van polyge­nese is groter dan die van monogenese' 130, d.w.z. de mens zou meervoudig uit dierenlichamen zijn ontstaan. Paus Pius XII had deze theorie terecht afgewe­zen met de motivering dat voor deze bewering geen enkel bewijs kon worden geleverd.

De katholieke theologen Karl Rahner en P. Overhage verklaarden volgens de Frankfurter Allgemeine Zeitung van 20 januari 1962 dat onder de katholieke theologen 'het aantal theologen toeneemt dat uitdrukkelijk als theoloog de verenigbaarheid van een biologisch evolutionisme met de leer van de kerk aanhangt'. Bij de protestantse theologen is de situatie analoog.

De evolutionisten hebben Darwins leer overtrokken. Darwin had niet, zoals de materialistische wetenschappers van de daaropvolgende tientallen jaren tot in onze tijd, God als Schepper en immanente werkende kracht uitgesloten. Hij had geen monistische descendentietheorie ontworpen doch God als scheppen­de en ordenende geest niet principieel uitgesloten. Dat blijkt overduidelijk uit de laatste zin van zijn beroemde boek Over het ontstaan van de soorten door natuurlijke teeltkeuze (1859). Darwin schrijft: 'Het is waarlijk een grote opvat­ting dat de Schepper, de kiem van al het leven dat ons omgeeft, slechts weinige vormen of zelfs slechts één enkele vorm heeft ingeblazen en dat, terwijl onze planeet overeenkomstig de strenge wetten van de zwaartekracht in een cirkel draait, zich uit een zo simpel begin een eindeloze reeks van de mooiste en won­derbaarlijkste vormen heeft ontwikkeld en nog steeds ontwikkelt.'

In de daarop volgende tijd deden de evolutionisten alle moeite om God niet in het spel te hoeven brengen. Toen duidelijk was geworden dat de onderzoeks­resultaten het evolutionisme duidelijk weerleggen, hadden zij geen andere mogelijkheid meer dan de verlegenheid door vreemde woorden te verbergen. In plaats van Gods scheppende kracht treden nietszeggende begrippen zoals 'metakinese' (Haeckel), 'deviatie' (De Baer), 'caenogenese' (Sevetzoff), 'neotenie' (Garstang), 'foetalisering' (Bolk) enz.131

Het kan nooit kwaad om een lege Griekse uitdrukking te gebruiken wanneer men aan het eind van zijn Latijn is.

In werkelijkheid heeft men het - zoals G.G. Simpson zegt - 'allang opgegeven naar de oorzaken van de evolutie te zoeken'.

Tevergeefs trachtte de Sovjetrussische erfelijkheidscoryfee Trofin Lyssenko in de jaren zestig te bewijzen dat Lamarcks these van de overerving van ver­worven eigenschappen toch juist is. Hij leed echter schipbreuk met zijn thesen en werd in 1965 als directeur van het instituut voor genetica afgezet. Aan zijn idee dat de ontwikkeling van de nieuwe mens door socialistische milieu-invloe­den geforceerd kan worden, gelooft zelfs in de Sovjet-Unie niemand meer.132 De beroemde geneticus Wawilov werd - naar Jungk berichtte - zelfs ver­moord. 133

De soortomvormende krachten waarvoor de evolutionisten in Oost en West de ogen sluiten, zijn in de Nieuwe Openbaring uitgebreid en overtuigend be­schreven. 'Zonder God', staat er in Die Haushaltung Gottes (oergeschiedenis van de mensheid), deel I, 'is er geen daad mogelijk' (blz. 301). 'Iedere werken­de kracht komt uit God voort' (blz. 360). De werkende kracht kan de wereld­mens niet zien. (Gr X 173, 9)

Om te begrijpen waarom de evolutionisten hardnekkig vasthouden aan hun reeds lang weerlegde theorie moet de sonde dieper worden gelegd. De mate­rialistische wereldbeschouwing staat en valt namelijk met het evolutionisme. Dat is de eigenlijke reden waarom materialistisch denkende biologen en an­tropologen in Oost en West niet bereid zijn om de oplossing van het probleem door metafysische invloeden zelfs maar in overweging te nemen, hoewel de feiten deze verklaring welhaast onontkoombaar maken. Het evolutionisme baseert zich op een grondslag die de wereldbeschouwing betreft. 'In kennis­theoretisch opzicht moet het als empirisme of positivisme worden betiteld. In ontologisch opzicht berust het op het biologische materialisme.'134

In werkelijkheid gaat het om veel meer dan om wetenschappelijk interesse. Wij hebben hier met een belangrijk deelaspect van de uiteenzetting tussen de christelijke en de atheïstische wereldbeschouwing te maken, die in onze tijd haar hoogtepunt heeft bereikt. Het is veelzeggend wat er in dit verband in het midden van de vorige eeuw in de NO is opgeschreven: 'Temidden van dit drij­ven en heen- en weergolven tussen grote ideeën, tussen geestesleer en mate­rialisme, rijpt de volwassenheid der mensheid.' (Pr 65) Deze strijd zal steeds meer ontbranden. Misschien zal de volgende uitspraak van Goethe al spoedig geldig worden: 'Waaraan het volk gelooft is licht te geloven, laat uw oorspron­kelijk eigen zin niet roven!'

Weliswaar is het altijd moeilijk om geldig schijnende zaken in twijfel te trek­ken, doch vele objectieve en moedige meesters zijn er reeds mee bezig. In deze geestelijke strijd speelt de vraag of het evolutionisme terecht bestaat, dan wel een bewuste misleiding van de wereldbeschouwing van miljoenen christenen vormt, een centrale rol. In een geschrift dat een apologie van het Christendom vormt kunnen wij derhalve aan een uitvoerige bespreking van dit thema niet ontkomen.

Men moet, om een overzicht over de wereldbeschouwelijke invloed op deze theorie te verkrijgen, naar de beginperiode van de ontwikkeling teruggaan. Wanneer men deze kent wordt heel wat, dat tot dusverre verborgen en in het duister lag, duidelijker.

De marxist Friedrich Engels - een vriend van Karl Marx - had kort na het verschijnen van Darwins boek Natural Selection (1859) begrepen dat men eventueel de christelijke teleologische geschiedsbeschouwing omver zou kun­nen werpen wanneer men Darwins aldaar, vertegenwoordigde theorie, die God als Schepper in zijn these als immanent werkende factor liet gelden, ma­terialistisch interpreteerde. Dat blijkt uit een brief die hij op 12 december 1859 aan Karl Marx schreef: 'Darwin, die ik juist lees, is geweldig. De teleologie* (Teleologie = verklaring van het wereldgebeuren vanuit diens duidelijke doelgerichtheid en doel­matigheid. Iedere teleologie wijst naar God.) was in één opzicht nog niet vernietigd, maar dat is nu geschied. Tot dusverre is nog nimmer een zulk grootscheepse poging ondernomen om historische ont­wikkeling in de natuur aan te tonen, en nog veel minder met zoveel geluk. De plompe Engelse methode moeten wij natuurlijk op de koop toe nemen. '135

Marx antwoordde op 19 december 1860 toestemmend en vervalste toen Dar­wins basistheorie net zoals hij Hegels christelijke antropologie heeft omgebo­gen. De evolutieleer werd nu, zegt Grützmacher treffend, 'een soort tegenreli­gie tegen het Christendom, die ten doel had de specifieke openbaringsbasis van de christelijke religie te negeren'. 'Het karakteristieke van het moderne evolutionisme, dat moet worden bestreden, ligt erin besloten dat het beweert dat een ontwikkeling uit de diepte zou plaatsvinden en daarmee de natuurlijke verklaring van de ontwikkelingsoorzaken zonder God tracht te leveren.'136

Wij kunnen zien hoe de evolutietheorie in haar eerste begin door atheïsten in beslag werd genomen, volgens hun ideeën werd gemanipuleerd en vervolgens zeer intensief over de gehele aarde werd verspreid. 'Het woord is een lawine', staat er in de Nieuwe Openbaring, 'weliswaar klein in het begin, doch dan wordt het steeds groter en trekt alles met zich mee de afgrond in.' (Pr 49)

Het evolutionisme werd al spoedig een steunpilaar van de atheïstische wereld­beschouwing zowel in het Oosten als in het Westen. In het Oosten is deze on­bewezen theorie het fundament van de gehele communistische wereldbe­schouwing. In het Westen werd deze monistische leer door vele helpers even­eens in brede kringen verspreid; zij werd niet alleen bij de intellectuelen doch ook door de invloed van politieke partijen in brede kringen van de bevolking gretig opgenomen.

Nu de researchresultaten de juistheid van het evolutionisme niet bevestigd hebben, houden de neodarwinisten desondanks aan deze leer vast, zonder er rekening mee te houden dat zij allang niet meer over een basis beschikt. De meest diepliggende oorzaak van dit gedrag is ongetwijfeld de aan Lucifer toe te schrijven zelfoverschatting. De mens wil geen God boven zich erkennen, en 'als er al één moet zijn' , wordt er in de NO gezegd, 'dan wil hij het zelf zijn' (Pr 322). Aangezien de evolutionisten zich tot een lobby aaneen hebben gesloten en veel invloed hebben, hebben de objectief denkende wetenschappers de grootste moeite om hun ontdekkingen in bredere kringen bekend te maken. De volgende uitlatingen van prof. L. G. Tirala verduidelijken deze moeilijkhe­den: 'In een nooit gekende zegetocht worden alle zoölogen en botanici die hun bezwaren uitten en daarbij op de feiten wezen, van tafel geveegd. Het darwi­nisme is een soort religieuze belijdenis van de biologie geworden. '137

'Darwins leer werd voor het publiek een soort religie of antireligie, voor de zoölogen en biologen echter, die allen in de draaikolk werden meegesleurd, werd zij een heiligdom. Wie ertegen opstond compromitteerde zich of werd uit zijn positie verdrongen!,138 (!) 'De kritiekloosheid en lichtgelovigheid van de navolgers, ook in de wetenschap, is kenmerkend voor deze vorm van massa­psychose.'138 'Massapsychose bestaat inderdaad ook in de wetenschap.'139 Het blijkt telkens weer dat 'niets schadelijker is voor een nieuwe waarheid dan een oude vergissing' (Goethe).

In de Nieuwe Openbaring voorspelt de Heer dat de moderne wetenschap de mensen van hun geloof zal beroven (Gr IX 89), doch er wordt ook gezegd dat de ongelovigheid niet al te lang zal duren. Het evolutionisme is door de school­boeken als een verwoestende laag rijp op de zielen van talloze mensen neerge­slagen. Volkomen terecht zegt Westenhöfer: 'Waarschijnlijk heeft de niet­exacte, beter gezegd onjuiste gevolgtrekking uit de observatie van de natuur nooit zulke verwoestende gevolgen gehad als deze leer.'140 De ommekeer zal komen en een gezuiverde wetenschap, 'die met Mijn leer strookt' (Gr XI 90, 11) zal uit het slop van het geestloze materialisme naar de weg in het transcen­dente leiden.

Over de afdwalingen van de materialistische wetenschap worden in de NO nog de volgende uitspraken gedaan:

'Vele natuuronderzoekers zullen zo ver afdwalen dat zij het geestelijke stand­punt geheel verliezen en in de dode materie zullen rondzwerven.' (Gr VIII 96, 12)

Doch de grote schepping zou toch steeds alle denkende mensen moeten toe­roepen: achter deze talloze grote werken moet een uiterst wijze en almachtige eeuwige meester staan.' (Gr VIII 214, 7)

'Uw geleerde materialisten geloven dat de gehele wereld slechts door kracht en stof wordt bewogen - twee dingen die zij zelf niet goed kunnen verklaren.' (Pr 174)

'Waar echter uw geleerden natuurwetten vermoeden, juist daar ontwikkelt zich geen ander dan slechts geestelijk leven, dat boven al het grijpbare veel hoger staat dan waartoe de ideeën en begrippen van uw geleerden in staat zijn.

En omdat het geestelijke zich niet aan hun wil onderwerpt, hebben zij besloten het geheel en al te ontkennen.' (!) (LGh, blz. 85)

'Iedere ontdekking op natuurwetenschappelijk gebied wordt door uw geleer­den op onjuiste wijze verklaard en uitsluitend voor materiële doeleinden be­nut (chemie en atoomsplitsing, Egg.) Als één van hen sporen van een hogere geestelijke macht dan juist de reeds lang bekende elementen ontdekt, dan doet hij al moeite via allerlei omwegen en met grote, wetenschappelijk klin­kende uitdrukkingen te ontkennen wat zo grijpbaar voor hem ligt, of hij ver­klaart het volgens zijn goeddunken anders, omdat hij geen God wil erkennen. Als er al een God moet bestaan, dan wil hij het zelf zijn.' (Pr 322) '... voor velen is Mijn gehele schepping zelfs tot op heden nog een stom mengsel van materie, welks wetten naar hun mening uitsluitend uit het toeval (!) zijn voort­gekomen.' 'Zij disputeren liever hun eigen ik weg dan dat zij door werkelijke bewijzen van Gods bestaan erkennen dat zij verloren hebben.' (Pr 203)

Deze profetische woorden kenmerken exact de situatie die zich in de loop van de daaropvolgende honderd jaar heeft bewaarheid.

Uit de Nieuwe Openbaring is ons bekend dat er in de evolutie meer verborgen is dan blinde toevallen zonder richting en een mechanische aandrift, doch het gehele verloop van de gebeurtenissen is, naar Morgan zegt, 'de uitdrukking van Gods bedoeling '141.

De langzaam plaatsvindende hogere ontwikkeling heeft een teleologische be­tekenis, d.w.z. zij heeft een bepaald vastomlijnd doel. Zo beschouwd is de evolutie volkomen met Gods werken verenigbaar. De beschrijving die de Nieuwe Openbaring van de voortgaande schepping, het doel daarvan en het sinds alle eeuwigheid bestaande heilsplan van God geeft, vormt een plausibele verklaring van de raadselachtige gebeurtenissen. De schepping is een grandio­ze conceptie, en in vergelijking met dit gebeuren verbleken de voortdurend veranderende en ongeloofwaardige hypothesen van de evolutionisten volle­dig.

De wetenschap moet de grenzen onderkennen die haar zijn uitgezet, en toege­ven dat er krachten bestaan die de empirie te boven gaan. De evolutionisten verlaten toch al het terrein waarop wij nog over ervaringen beschikken, aange­zien zij gedwongen zijn in de diepten van de aardgeschiedenis tot in het Mio­ceen en Eoceen af te dalen, waar vrijwel geen fossielen meer te vinden zijn.

De tijd, dat twijfel aan het dogma van het evolutionisme gelijkstond met 'ket­terij' is ten einde. Er zijn - zoals reeds is aangetoond - teveel 'ketters'. Een gestaag groeiend aantal wetenschappers noemt het evolutionisme een dwaal­weg. Sommige uitspraken zijn werkelijk vernietigend, zij kunnen een fanaal voor de verdere ontwikkeling vormen. Dat geldt bijvoorbeeld voor de opmer­king van prof. W.H. Thomson, de vroegere directeur van het biologische insti­tuut in Ottawa (Canada), die deze in het voorwoord bij de herdruk (1959) van Darwins On the Origin of Species maakte: 'Het succes van het darwinisme gaat gepaard met een verlies aan wetenschappelijke eerlijkheid. Weliswaar werken de mannen van de wetenschap samen om een doctrine te verdedigen; tegelij­kertijd zijn zij er echter niet toe in staat deze wetenschappelijk te bepalen en nog minder haar met wetenschappelijke accuratesse te bewijzen. Zo bevinden zij zich in een abnormale en werkelijk ongewenste situatie.'

Het is al even opmerkelijk wat de atheïst en aanhanger van de mechanistische wereldbeschouwing, I.B.S. Haldane, zegt: 'De wijze richt zijn gedrag evenzo naar de theorieën van de godsdienst als naar die van de natuurwetenschap. Hij beschouwt deze theorieën echter niet als het summum van waarheid over ele­mentaire feiten, doch als kunstvormen. '142

De talrijke uitspraken van vooraanstaande wetenschappers geven aanleiding tot de hoop dat de voorspellingen van de Nieuwe Openbaring bewaarheid zul­len worden en dat de wetenschap al spoedig de weg uit het slop van het mate­rialisme zal vinden. Reeds nu staat vast: 'Het ongeloof kan niet meer beweren dat de wetenschap aan zijn kant staat' (Pascual Jordan).143

Men spitst echter de oren wanneer men hoort wat de nobelprijswinnaar P.A.M. Dirac (Engeland) tijdens het congres van nobelprijswinnaars in Lin­dau i.B. in zijn lezing in 1973 te berde bracht: 'Wij weten hoe moeilijk het is de atomen zo te ordenen dat er leven uit ontstaat.' 'Aangezien er niet overal cau­saliteiten zijn is het mogelijk dat er een God bestaat die de quantumsprongen regelt. '

Ook de uiteenzettingen van A. Portmann maken duidelijk dat er een omme­keer in wording is: 'Wij zijn bezig geheel nieuwe dingen te leren - maar dit zal een moeizaam proces zijn.' 'De kern van de ommekeer die wij thans beleven is de waardering van de menselijke geest. De vroege tijd van de afstammingsleer beschouwde de technische intelligentie volkomen eenzijdig als een soort oor­sprongsgebied van het geestelijke; het ontstaan van de mens werd als de vor­ming van een gereedschapmakend dier voorgesteld.' 'Thans zijn wij er niet meer zo zeker van dat de menselijke ontwikkeling zich zo heeft afgespeeld. '144

'Het nieuwe kiemt echter pas in de individuen die thans aan het probleem wer­ken. Weliswaar behandelt het overgrote deel van de studieboeken en van de algemeen begrijpelijke uiteenzettingen de afstammingsleer in de vorm van de "mutatietheorie" als een researchgebied dat in de algemene basiswetten ver­klaard is. Daarnaast komt echter een totale opvatting van de natuur naar vo­ren die het geldigheidsbereik van de huidige mutatietheorie aanzienlijk be­perkter beschouwt en in het ontstaan van de grote levenstypes als een van de onopgeloste raadsels voor ons staat.' '.. .in de eerste omtrekken verschijnt een nieuw beeld van de mens. '145

'Richt uw oog op de komende religieuze bewegingen', staat er in de Nieuwe Openbaring, 'en gij zult zien hoe de gelijkgezinde geesten elkaar vinden en elkaar nader komen.' (Pr 55)

'De ijverigste denkers, natuur- en materieonderzoekers - zij allen komen er uiteindelijk toe en moeten er ondanks hun verzet toe komen te erkennen dat hoog boven de materie een grotere Geest leeft, die de kleinste atomen en ook de grote wereld tot één geheel verenigt...' (Pr 221)

'Allen streven naar geestelijke rijpheid, zelfs de grootste materialisten, de meest verstokte ongelovigen en onverschilligen vinden geen rust.' (Pr 170) 'En zo moet het ook komen, opdat op uw aarde overal wordt erkend, dat de materie of het wereldlijke slechts geschapen werd om de wil van het geeste­lijke.' (Pr 118)

'Niets, wat gij ook bekijken moogt, zelfs niet de beweging van een zonnestof­je, hangt van een zogenaamd blind toeval af (!), doch dit alles is door Mij reeds eeuwig uiterst exact berekend en bemeten.' (Hi I, blz. 137)

'Voor uw geleerden is slechts het stoffelijke zichtbaar, doch de stille en met intelligentie begiftigde kracht, die de wezens tot in het miniscuulste detail bouwt en hun leven inblaast, deze intelligentie kennen zij niet, want met een ontleding is zij niet te vinden.' (LGh, blz. 235)

'Uw geleerden bouwen meestal hun gehele systeem op een hypothese op, die onjuist of juist kan zijn; zij weten dan met mooie woorden en verstandig lijken­de conclusies door middel van de hypothese een theorie op te bouwen.' (LGh. blz. 234) 'Aangezien zij geen Schepper en Wetgever willen erkennen voegen zij de intelligentie bij de stoffen en zeggen: wij volgen slechts deze of gene impuls.' '... de geest willen zij niet vinden.' 'Overal roept de natuur u toe: Wij bestaan! doch niet bij toeval of volgens uw "wetten" aaneengeketend, doch wij zijn uit en door hogere macht aaneengevormd...' 'Wij bestaan! doch niet "kracht" en "stof", zoals gij blinden meent, wij zijn "geest"!', d.w.z. gebon­den geest, ontbonden geest, geest in vormen scheppend, en deze vormen weer vernietigend, om uit al deze strijd vergeestelijkt op te staan om u aan te tonen dat in de gehele natuur alles slechts geest is en u alleen maar de geest van het begrip daarvoor ontbreekt en gij ondanks openbaring van de zichtbare en on­zichtbare natuur (atoom, Egg.) niet de bekentenis kunt opbrengen: Ja, wij zien in dat wij niets weten.' (LGh, blz. 81)

'Al het leven is zodanig geaard dat het zich voortdurend kan vermeerderen en kan groeien door Mijn onophoudelijke invloed.' (Ha I  185, 20)

'Alles ontstaat en bestaat uit God, alles is in Hem, alles is de eindeloze volheid van Zijn gedachten en ideeën van het kleinste tot het grootste.' (Gr VI 226,8) 'Niets in de materiële schepping kan ontstaan en voortbestaan zonder geeste­lijke basis.' (Gr VIII 96, 4)

'Een blinde kracht heeft nimmer zelfs maar een moerasplant je voortgebracht, dat in dezelfde volledig gelijke vorm sinds vele duizenden jaren terugkeert.' (Gr VI 87, 7)

'Het vormen en weer uiteenvallen van alle materie is geen andere drang dan die van de gewekte geest, welke in de materie gebonden lag te sluimeren. Het omhoogschrijden van niveau tot niveau, het zichzelf vervolmaken zou niet kunnen plaatsvinden wanneer niet in het binnenste van de materie de door omstandigheden van buitenaf gewekte geest zou zetelen.' (Pr 314)

'Zoals Ik echter door de handen der mensen talloze dingen laat maken, evenzo laat Ik door de kracht der liefde en wijsheid van Mijn engelen en geesten die dingen op de aarde alsook op andere wereldlichamen maken die door mensen niet gemaakt kunnen worden.' (EM 42, 2)

'Wat bijvoorbeeld de geleerden instinct noemen, dat is geen intelligentie van het dier doch dat is al aanwijzing of richtinggeving van de kant van hoger ge­plaatste geesten.' (EM 42, 5)

'Al het geschapene heeft de bestemming door een lange reeks van allerlei vor­men uiteindelijk in een vrij en zelfstandig leven over te gaan.' 'Iedere vorm komt met een bepaalde intelligentie overeen. .. en zo wordt de intelligentie steeds groter tot aan de mens toe.' 'De vormen zijn tijdelijke verzamelaars en dragers van een steeds vaster en intelligenter wordend leven. ' (Gr VI 53, 5-9)

'Gij ziet wel datgene wat er op de materiële wereld is en geschiedt, doch wat de geest betreft, diens rijk en werking zijn u vreemd, en gij kunt daarom ook niet begrijpen en voelen wat Gods handelen in de mensen is.' (Gr I 222, 5)

 

Er bestaat een evolutie - en dat bestrijdt niemand -, doch er bestaat geen evo­lutionisme, d.w.z. geen steeds weer voorkomende toevalligheden, geen af­stamming van het ene uit het andere in talloze kleine overgangen. Er bestaat slechts een na elkaar, door de scheppende kracht van God, van Zijn engelen en geesten. De schepping is het werk van een onvoorstelbare wijsheid, en niet het produkt van een blind en stom toeval, dat uit miljarden mogelijkheden steeds het juiste zou treffen. Er komt ook geen nieuw type door selectie tot stand. De selectie vernietigt zwakke wezens, doch brengt nimmer een nieuw bouwplan of een nieuwe soort voort. Er zijn -naar de wetenschappers moeten toegeven - geen naadloos aaneengevoegde overgangen doch er is slechts op­eenvolging. Plotseling verschijnen de nieuwe en hogere soorten zonder directe verbinding met het voorafgaande. Een kloof van miljoenen jaren, waarin geen levende wezens voorkwamen, scheidt de hogere en lagere types van elkaar. Het geheel is het doelbewuste werk van een goddelijke schepper, dat- naar in een vroeger hoofdstuk is uiteengezet - volgens een geweldig, uit Gods over­weldigende liefde voortgekomen plan is uitgewerkt. Dit plan, dat over miljoe­nen jaren loopt, bereikt in de adamitische mens zijn culminatiepunt. Het doel is de verloren zoon in het goddelijk vaderhuis terug te halen. 'De wereld der zinnen herkennen wij, doch in de bovenzinnelijke wereld hebben wij onze wortels' (Fichte).

Dit plan komt in het evolutieproces tot uitdrukking. Doch het zal de weten­schappers wel nooit gelukken de labirinten van de ontwikkelings- en schep­pingsgebeurtenissen volledig op te helderen. Daarin zal volgens de Nieuwe Openbaring geen sterfelijk oog ooit slagen. 'Alleen de alleroudste getuige van al het worden en zijn, namelijk God alleen, vermag dat alles te overzien.'

 

 

DEEL VI

 

Jakob Lorbers verkondigingen over de katholieke kerk

 

De Nieuwe Openbaring laat er geen twijfel over bestaan dat wij in de begin­nende eindtijd leven. De voorspelde verwarring der geesten, de vernietiging van het milieu, de enorme aardbevingen en overstromingscatastrofes zijn in hun begin reeds duidelijk waar te nemen, en zij zullen volgens Jakob Lorbers mededelingen steeds ernstiger vormen aannemen. In het laatste hoofdstuk van dit boek zal uitvoerig over deze profetie worden bericht.

Jakob Lorber kreeg echter ook gezegd welk lot de katholieke kerk in de eind­tijd beschoren zal zijn en waarom er over haar een oordeel zal worden geveld. Vele eeuwen lang heeft God ten aanzien van de zware misstappen van de hiërarchie van de katholieke kerk gezwegen, doch nu spreekt Hij bij monde van de profeet van de eindtijd. 'Van nu af aan zal Ik met de machthebbers geen geduld en consideratie meer hebben. Dat kunt Gij (Lorber, Egg.) wel gelo­ven, nu Ik u dit verkondig.' (Gr X 27,8)

De katholieke theoloog De Lubac heeft het fenomeen van de profeet in onze dagen juist onderkend wanneer hij zegt dat zieners die stemmen horen 'samen­hangen kunnen overzien die voor de gemiddelde mens volledig verborgen blij­ven.'1

Ingrijpende geestelijke veranderingen hebben altijd hun oorzaak in omstan­digheden, die verder in het verleden liggen. De lijst met debetposten van de katholieke kerk is lang, en door fraai klinkende formuleringen in conciliede­creten kunnen deze niet worden uitgewist. Het afwenden van de opdracht die Jezus Zijn apostelen heeft gegeven loopt als een rode draad door de geschiede­nis van de kerk, en de kloof tussen Jezus' boodschap en de werkelijkheid is nog steeds onoverbrugbaar. Kardinaal Suenens van België treft de kern van het voor velen niet begrijpelijke gebeuren van deze tijd wanneer hij opmerkt dat men zich over de in het verleden gebruikte dwang rekenschap moet geven wanneer men de oorzaken en de heftigheid van de thans plaatsvindende reac­tie wil begrijpen. 2 Talrijke theologen die dit hebben ingezien, zoals bijvoor­beeld Hans Drs von Balthasar, Karl Rahner S.J., Pribilla S.J., Hans Küng en vele anderen, kennen het verband tussen het huidige verval en de vroegere zware misstappen van de kerk. 'De negatieve trillingskrachten van de afgelo­pen eeuwen kunnen niet - zoals katholieke apologeten veelal doen - met ca­suïstische woordspelingen zoals "tijdsinherente verschijnselen" worden afge­daan, doch zij stralen, op soortgelijke wijze als de radioactiviteit, over lange tijdsbestekken tot in onze dagen uit.'3

Het leven in het reusachtige getto van de katholieke kerk was eeuwenlang le­vensgevaarlijk en ondraaglijk geworden. Het week in niets af van de toestan­den die in de totalitaire staten van de twintigste eeuw heersen. Jezus heeft Zijn discipelen deze terreur en dit fanatisme voorspeld: 'Wanneer Mijn lering eens met het zwaard onder de volkeren wordt verspreid, dan zal het er op deze aar­de al spoedig zeer ellendig uitzien. Het bloed zal in stromen worden vergoten.' (Gr X 106, 14) 'Dat alles moet echter worden toegelaten ten behoeve van de zelfbeschikking en ware levensontwikkeling van ieder mens afzonderlijk, zon­der welke niemand een echt kind van God kan worden en nimmer de eeuwige heerlijkheid des Vader kan binnengaan.' (Gr III 228,8) 'Ik kan de mens zijn vrije wil niet ontnemen, omdat hij zonder deze geen mens zou zijn.' (Gr VIII 213, 22)

De verschijnselen van ontaarding in de katholieke kerk, de heerszucht en de dwang, die ook in de huidige repressieve politiek van het Vaticaan hun uitwer­king nog doen gelden, vormen de oorzaak voor het huidige verval van de kerk. Dit causale verband wordt in de Nieuwe Openbaring duidelijk naar voren ge­bracht.

'. . . een dwingende wet druist geheel en al tegen Mijn goddelijke orde in, om­dat hij de vrije menselijke wil beknot en de mensen duister maakt en nimmer verlicht. De verkondigers van zulke dwangwetten matigen zichzelf daarmee een hogere - slechts hun toekomende - macht aan en worden zodoende al spoedig trots, hoogmoedig en heerszuchtig. In deze aangematigde machtspo­sitie, waarvoor hun gelovigen dikwijls meer dan voor God zelf moeten sidde­ren en beven, voegen zij bij de zuiver goddelijke bepalingen hun eigen kwalij­ke reglementen als een hun zojuist geopenbaarde goddelijke wil en leggen op de naleving daarvan een zwaarder gewicht dan op het houden van de goddelij­ke geboden zelf. Daaruit resulteert echter: duister bijgeloof, afgoderij, haat tegen andersgelovigen, vervolging, moord en oorlogen.' (Gr VIII 20,11-20)

'Allen die de wederoprichting van een rijk Gods op aarde met uiterlijk vertoon verbeiden zullen in hun blinde hoop zeer worden teleurgesteld, want een zoda­nig rijk zal op aarde nimmer in de levende waarheid uit Mij en in Mij worden opgericht.' 'Weliswaar zullen valse profeten dat doen en daarbij Mijn naam voeren, doch Ik zal in een zodanig rijk nimmer wonen en tronen. Zie, zo is het volgens de volledige waarheid met de oprichting van Mijn rijk op deze aarde gesteld.' (Gr X 73, 9-10)

De katholieke kerk kent Gods woord. Zij bezit niet alleen het evangelie, doch heeft door de apostelen en de apostolische vaderen nog menige andere zaken­die thans in de Nieuwe Openbaring worden kondgedaan - van het begin af aan door de geheime traditie ervaren. Zij heeft echter het woord des Heren in de lange keten der eeuwen meer en meer misbruikt. Haar systeem van dwang en van het 'dogmatische imperalisme' 4 heeft zij op het starre statische principe opgebouwd en verankerd. Aangezien het verstarringselement aan dit principe immanent is heeft zij alle flexibiliteit verloren en thans, nu in de moderne we­reld alles in dynamische beweging is gekomen, wordt deze starheid en betwe­terij noodlottig. De katholieke kerk is onwaarachtig geworden en heeft het vertrouwen van de denkende mensen ondermijnd. Daardoor is zij ongeloof­waardig geworden. 'Nu zijn', schrijft Hans Urs von Balthasar, 'de scheuren in de steunpilaren van een verkeerde evenwichtsleer duidelijk te zien.'5 Op de bisschoppensynode in Rome in oktober 1974 verklaarden kardinaal Alfrink (Utrecht) en kardinaal Döpfner (München) dat de kerk dikwijls de toegang tot het geloof verspert. Zij legden er de nadruk op dat de synode eerst over een grotere geloofwaardigheid van de kerk moest spreken (!) voordat zij de moei­lijkheden kon behandelen die de wereld de kerk in de weg legt. 6

De kerk heeft nooit meer nagedacht over haar spirituele zending en over de geringe macht waarmee zij in de eerste eeuwen Jezus' leer, tegen alle weer­standen van een vijandig gezinde omgeving in, moest verspreiden. Zij heeft zich nooit meer van de veruiterlijking van het ceremonieel vrijgemaakt en heeft de soevereine heerschappij nooit opgegeven, omdat zij vreesde dat haar valse systeem daardoor in gevaar zou komen. En daarom kan het woord nog bewaarheid worden dat zij 'het graf van het Christendom wordt '7. 'De schuld van vroeger werkt voort als vergif. '8

In de Nieuwe Openbaring is de huidige starre houding in Rome en bij sommige bisschoppen voorspeld. 'Van een vrije goede wil ten opzichte van de volkeren is bij de oude machthebbers nog maar bedroevend weinig overgebleven. Wat zij voor de volkeren doen, daartoe worden zij door de omstandigheden ge­dwongen. Wanneer zij zich daarvan door een gunstige mogelijkheid konden ontdoen. . . dan zouden de mensen opnieuw onder de oude Spaanse inquisitie moeten zuchten.' (Gr X 30,1) 'Zij zullen hun toevlucht tot alle middelen ne­men om hun vroegere luister en macht te herstellen.' (Pr 209) 'Doch zij gaan een hervorming tegemoet, die geheel anders zal uitvallen dan zij dachten.' (Pr 65)

Het tweede Vaticaanse concilie heeft niet de verhoopte ommekeer teweegge­bracht. 9 De integralisten kregen na een korte tijd van euforie in het Vaticaan weer de overhand en verhinderden een fundamentele verandering van de ker­kelijke structuren. Doch een verandering van andere aard vond plaats. Er werden krachten ontketend die de Curie niet meer de baas kan worden. De lange tijd opgestuwde druk heeft zich met geweld een uitweg gezocht. De tra­ditionele meningen en vormen raakten aan het wankelen, en de kerk wordt sindsdien in toenemende mate door theologische controverses in haar grond­vesten geschokt. De sinds eeuwen tot in het extreme opgevoerde autoriteit van de paus valt steeds meer uiteen. Denkende katholieken kunnen niet langer aan de vraag: Wat is waarheid en wat is bijwerk? ontkomen. Het feit dat de kerk de streng vereiste geloofsleer moest opgeven dat de inhoud van het Nieu­we en van het Oude Testament woord voor woord onfeilbare waarheid is en onvoorwaardelijk geloofd moet worden, heeft bij allen - voor zover zij over kritisch denkvermogen beschikken - het vertrouwen in de leer van de kerk ondermijnd. Brede kringen hebben ingezien dat de theologen tot dusverre ve­le verschillende onhoudbare beweringen tegen hun overtuiging in met verge­zochte argumenten moesten verdedigen.

Priesters, monniken en nonnen verlaten aan beide zijden van de oceaan de dienst en hun orden. In Europa beschikken 27 procent van de 35 800 parochies niet over een priester. 10 Het Heilige Officie gaf in juni 1964 toe dat tot op dat tijdstip 30000 tot 40000 priesters op het celibaat schipbreuk hadden geleden. 11 De priestercrisis beperkt zich echter niet tot ambtsneerleggingen, doch wat minder duidelijk naar voren komt is het feit dat bij vele priesters twijfel en innerlijke resignatie is opgekomen, en dat 'deze meestal talrijker zijn dat die­genen die hun ambt opgegeven. '12 Kardinalen, bisschoppen en priesters op de gehele wereld berusten in hun onmacht. Weliswaar is het uiterlijke vertoon van macht tot op zekere hoogte nog voorhanden, doch de basis smelt weg. Het aantal uittredingen uit de kerk neemt toe en de uittocht naar de innerlijke emi­gratie gelijkt op een steeds breder wordende stroom. De jonge generatie heeft de kerk al grotendeels de rug toegekeerd. Er heerst radeloosheid en angst. Dat is in het kort de situatie van de katholieke kerk, zoals zij sinds het Tweede Vaticaanse Concilie te zien is. De volgende, werkelijkheid geworden profetie van Jakob Lorber zou diegenen te denken moeten geven die een sceptische houding ten opzichte van Jakob Lorbers profetieën innemen.

'Wanneer zij een concilie over hun doctorwijsheid houden, juist dan zal Ik hun op het hoofd van hun wijsheid slaan en hen te gronde laten richten. . .' (Hi II, blz. 196)

'Aangezien zij niet over de ware geest beschikken... omgeven zij zich in hun geestelijke blindheid en hun waanwijsheid met uiterlijke praal en lokken dan ook vele onbedorven geesten naar zich toe. En zie, dat is een grove verontrei­niging van een leer, ook al is deze nog zo zuiver.' (Gr VI 22,3-4)

'Nog steeds houden de mensen angstvallig vast aan ceremoniën en gebruiken ­een teken dat zij zelf nog zeer materieel zijn en slechts materiële dingen wen­sen en begrijpen.' (Pr 18)

'Dit volk vereert Mij in gemetselde kerken met klokgelui, met orgels en aller­lei blaasinstrumenten, met geklingel en getingel, met wierook en brandende kaarsen, in gouden gewaden', 'doch in het hart hoeft men niet te vragen of het dicht bij Mij staat of juist ver van Mij verwijderd is.' (Hi II, blz. 368)

En wat komt er uiteindelijk bij dit soort vervlakte religiositeit van het katho­lieke volk tevoorschijn, vraagt de Heer in de Nieuwe Openbaring (Gr IX 209). Zijn antwoord luidt: 'Zie, de mensen verwijderen zich steeds meer van God, in plaats dat zij in hun hart en in de liefde en in waar, levend geloof en vertrou­wen steeds dichter en dichter bij Hem komen te staan...' '... en God moet uiteindelijk weer door de mond van een nieuwe profeet de mensen toeroepen en met luide stem zeggen: Zie, dit volk eert Mij met zijn lippen en met ijdele, dode wereldlijke ceremoniën, doch het hart van deze mensen is ver van Mij.' (Gr 209,4) 'Het werk van de schijn en van de ceremoniën zijn voor hen belang­rijker dan de levende God zelf, die tot hun spreekt.' 'Laat dat alles varen ­behoudt enkel en alleen de liefde.' (!) (Schriftt. 108 e.v.)

Het licht, het ware rijk Gods kan nimmer van Rome uitgaan.' 'Want wat daar geschiedt, is slechts van zuiver uiterlijke aard.' (Hi II, blz. 370 e.v.)

'.. .zij veranderden het goddelijke in iets van de wereld, zij gaven de mensen de schors in plaats van de kern van het geestelijke leven.' (Pr 119)

De gevolgen van de dwang, van het gedulde en het met opzet versterkte bijge­loof en van de magische ideeën van het volk liggen thans als meeldauw op Je­zus' ware leer. Het verstarren in cliché-achtige ideeën en gewoontes is bij ve­len als gevolg van de generaties lange verkeerde opvoeding zo groot dat de mensen de waarheid, wanneer zij deze vernemen, nauwelijks nog kunnen be­vatten. Het onderstaande, de profeet meegedeelde oordeel over de veruiter­lijking en religieuze vervlakking van vele kerktrouwe katholieken kan ons doen schrikken.

'Zoals Ik destijds van de joden minder verwachtte dan van de heidenen, zo is het ook in de huidige tijd, waarin weinig te verwachten valt van hen die zich katholieken noemen en geloven het ook werkelijk te zijn, wanneer zij zich alleen maar aan de voorgeschreven gebruiken houden. Ja, juist zij, die het beste en vruchtbaarste veld voor Mijn leer zouden moeten zijn, juist zij zijn de ergste tegenstanders van al datgene wat hen uit hun zo gemakkelijk geregelde godsdienstleer wekt en opofferingen en verzakingen vereist, waar zij niet te­gen op kunnen, omdat zij niet over de morele kracht beschikken om gebruiken en ideeën af te zweren waaraan zij gewend zijn. Zij gelijken op de meeste toe­hoorders uit die tijd (Jezus' tijd, Egg.). Zij zoeken Mij overal in de kerken, doch niet op de weg des levens, waar zij door daden dienen te bewijzen wat zij zo dikwijls in de kerken beloven.' (Pr 202 e.v.)

'Het is geen gemakkelijke zaak mensen die in allerlei dwalingen verstrikt zijn en diegenen die uit de dwalingen aards voordeel trekken, tot de zuiverste waarheidsleer uit de hemelen te bekeren.' (Gr X 128, 3) 'Ik zal u echter de rijpe zielen op uw weg leiden.' (Pr 163)

De gevolgen van de ontaardingsverschijnselen zijn voorspeld, en thans zijn zij voor iedereen zichtbaar:

'Nu vallen de aanhangers gelijk vroeger van deze leiders af en zoeken het licht, zoeken het woord - als uitdrukking van hun zoeken naar God - wat hun eigen leiders hun niet kunnen geven.' 'De drang naar vrijheid van gedachten, naar geestelijke vrijheid steekt de kop op.' (Pr 24) 'De reden dat Ik thans zoveel brood des hemels geef als sinds Mijn verblijf op aarde nimmer is geschied is dat juist nu het tijdpunt naderbij komt waarop de wereld een hoogtepunt aan dwa­lingen en afwijkingen van Mijn scheppingswerk zal bereiken.' (Pr 163) 'Ik wil nu de ongelovigen de ogen openen en de tekstverklaarders van Mijn Bijbel (de theologen, Egg.) de eigenlijke betekenis verklaren.' (Pr 163)

Voor de bestaande hiërarchie zijn profeten van oudsher al ongemakkelijke mannen geweest. Net zoals de profeten in het Oude Testament de toorn van de toenmalige priesters opwekten en vervolgd werden, zo zullen ook Jakob Lor­bers profetische woorden aanleiding geven tot ergernis, toorn en tegenspraak. Want ook voor zijn profetie geldt datgene wat Jeremia over zijn profetische woorden zei: 'Is niet mijn woord als een vuur, of als een hamer, die een steen­rots vermorzelt?' (Jerem 23, 29)

Over het lot van de katholieke kerk voorspelt Lorber voor de nabije toekomst: De kerk, zo staat er in de Nieuwe Openbaring, is door heerszucht en macht verminkt (Pr 90). Dwang en veroordelen wordt absoluut afgekeurd (Gr IX 39, 11). 'Ik heb niemand van u (de discipelen, Egg.) dwang aangedaan, doch u slechts in volledige vrijheid toegeroepen: Wie wil, die moge komen, horen, zien en Mij volgen! En gij deed dat uit uw eigen vrije wil. En handelt ook verder in Mijn naam, en gij zult op goede wegen wandelen.' 'Wie echter daar­uit een verplichting maakt, die zal Mijn discipel niet zijn, en op zijn weg zal hij rotsen, klippen en doornen aantreffen.' (Gr VIII 20, 3-5) 'De volledige ont­wikkeling van zijn eigen leven heeft ieder mens in zijn eigen handen gekre­gen.' (Gr I 93, 8) 'Het geloof aan een autoritaire macht biedt de ziel veel te weinig licht.' (Gr VIII 27, 13)

'Bij Mij geldt slechts de volkomen vrije zelfbeschikking. Alles wat daarboven of daarbeneden bestaat heeft bij Mij en Mijn Vader, die in Mij is, gelijk Ik in Hem, geen waarde.' (Gr I 93, 5)

'Zie, Ik ben niet in hen uit wier mond niets dan het ene oordeel na het andere en de ene verdoemenis na de andere sproeit, omdat zij God slechts in het vuur des oordeels, nimmer echter slechts in de liefde willen zien.' (!) (Hi 11, blz. 13, 17)

'De Farizeeën plaatsten als eersten hun tempel op de eerste plaats, en de pries­ters der Christenen deden hetzelfde met hun kerk.' (Pr 266)

'Doch de nacht gaat langzaam over in het ochtendgloren, en het ochtendglo­ren gaat over in de dag.' 'In vele hoofden gloort reeds het eerste licht.' (Pr 90) 'Ik Uw Heer en God schal u (de kerk, Egg.) nu reeds lang en van alle zijden in uw verstopte oren en in uw verharde hart.' (Hi II, blz. 194, 10)

'Uw waanzinnige goddelijke machtvolmaaktheid heeft echter uw hart of uw liefde van Mij verwijderd en het met hoogmoed, trots, toorn, wraakzucht, hoererij en alle zonden vervuld...' (Hi II, blz. 194, 8)

'Zoals gij met anderen bent omgegaan, zo zullen deze nu ook met u omsprin­gen. En uw reeds lang verdiende loon zult gij niet ontkomen.' (Hi II, blz. 197, 15)

'Al uw aanhangers, die gij met uw tweetonginge macht aan u gebonden hebt, zullen u in de grond van hun hart verfoeien.' (Hi II, blz. 195)

'Het levende woord (de Nieuwe Openbaring, Egg.) zal een vuur worden in de harten van hen die het bezitten.' 'Alle menselijke, wereldlijk-geleerde woor­den echter zullen daarentegen een leeg, dor stuk stro worden; datzelfde geldt ook voor alle predikingen van de kansel.' (Hi II, blz. 198)

De apostel Petrus heeft Jezus volgens de verkondigingen van de Nieuwe Openbaring het volgende voorspeld: '... na enkele eeuwen zal men in Rome beweren dat gij deze stoel (de Heilige Stoel, Egg.) zelf hebt gesticht. En de volkeren die daartoe te vuur en te zwaard gedwongen worden, zullen de valse profeten ook geloven dat gij als eerste religieuze vorst deze stoel in Rome hebt geplaatst en van daaruit in Mijn naam de gehele aarde alsook haar vorsten en volkeren hebt geregeerd. Doch zie, dat zal een valse stoel zijn, vanuit welke veel onheil over de wijde wereld zal worden verspreid, en bijna niemand zal dan meer weten waar gij de werkelijke stoel, de stoel van de liefde, de waar­heid, het levende geloof en het leven hebt geplaatst, en wie uw rechtmatige opvolger is. Deze valse stoel zal lang behouden blijven, veel meer dan duizend jaar lang; tweeduizend jaar oud zal hij echter niet worden.' 'Doch in gene tijd zal dan ook een grote zuivering van node zijn, opdat de mensen Mij weer er­kennen en slechts aan Mij zullen geloven.' (Gr VIII 162, 2-6)

'Dat alles kan echter nog eerder geschieden dan nu na Mij, nu Ik lijfelijk te­midden van u (de apostelen, Egg.) verblijf, tweeduizend volle jaren verstrij­ken.' (Gr IX 71, 5)

De huidige vrienden van de Nieuwe Openbaring wordt gezegd: 'Bekommert u niet om de tegenstanders! Hoe meer de tijd verstrijkt en Mijn schapen talrijker worden, des te minder kan deze leer (de Nieuwe Openbaring, Egg.) onbekend blijven, des te groter zal echter ook de weerstand tegen deze lering en haar aanhangers worden. De strijd moet ontbranden.' (Pr 131)

'Let wel, het zijn miljoenen mensen die naar de juiste deur van het licht geleid moeten worden...' (Pr 132) 'Vreest niet dat zij zullen overwinnen.' (Pr 107) 'Het wee staat nu vlak voor de deur. Er staat reeds een grote menigte scherp­schutters paraat, en zij zullen hun doel niet missen.' (Gr XI, 238)

'Uit de uiterlijke (officiële) kerk zal uiteraard nimmer het Rijk Gods voortko­men, dat het eigenlijke, innerlijke, eeuwige geestelijke leven is. Doch deze uiterlijke kerk is volgens Mijn voorziening en voorzorg een bescherming voor de innerlijke kerk, die eenieder gemakkelijk kan vinden wanneer hij haar maar wil vinden. En daarbij is het om het even in welke uiterlijke kerk hij zich bevindt - als zij maar op enige wijze Mijn naam en Mijn woord verkondigt.' (Hi II, blz. 375, 8) 'Vervloekt echter niet de gehele boom omdat zijn schors dood is.' (Hi I, blz. 98) 'Indien Gij afvallig wilt worden (d.w.z. uit de kerk wilt treden, Egg.), dan zal uw broeders maar weinig zegen deelachtig worden.' (Hi I, blz. 99)

(Hierbij moet worden opgemerkt dat vrijwel alle vrienden van de Nieuwe Openbaring lidmaat van een christelijke kerk zijn. De Lorber-Gesellschaft tracht niemand ertoe te brengen uit een kerk te treden. De vrienden wordt echter ook uitdrukkelijk gezegd dat zij geen lid van een sekte mogen zijn. (Hi II, blz. 82) Daarom mag de Lorber-Gesellschaft zelf ook niet het karakter van een sekte aannemen doch moet een losse gemeenschap van geestesvrienden blijven.)

Vrome, door de kerkelijke traditie beïnvloede zielen, die zich sinds het conci­lie in verband met de ontwikkelingen in de katholieke kerk de grootste zorgen maken, houden, wanneer zij door vrees en angst overmand worden, angstval­lig aan de woorden van het evangelie vast: 'De poorten van het dodenrijk zul­len haar niet overweldigen' (Mt 16, 18). Doch eenvoudigen van geest plegen zeer geestelijke werkelijkheden dikwijls te concretiseren, d.w.z. zij blijven aan de letterlijke betekenis van het evangelie hangen. De theologen weten dat het woord van de onoverwinnelijkheid van de kerk geen betrekking heeft op de uiterlijke organisatievorm van de kerk.

In de Nieuwe Openbaring wordt deze passage van het Mattheüs-evangelie 16, 18 'Gij zijt Petrus en op deze petra zal Ik Mijn gemeente bouwen en de poorten van het dodenrijk zullen haar niet overweldigen' uitvoerig verklaard. De des­betreffende verkondigingen kunnen hier slechts in verkorte vorm worden weergegeven.

'Door dit tekstgedeelte heerst tot op heden in alle christelijke gemeenten op aarde de grootste verwarring'. (Gr XI, blz. 232) 'Petrus was de eerste aan wie Ik in zijn geloof en vertrouwen de sleutels tot het rijk der hemelen heb gege­ven, dat een rijk der liefde tot God in de harten van de mensen is...' (Gr XI, blz. 334)

'Eenieder die Mij gelijk Petrus erkent en liefheeft, is een ware petra, waarop Ik Mijn ware kerk, de ware liefde en wijsheid vanuit Mij, kan bouwen en ook werkelijk zal bouwen.' (Gr XI, blz. 332)

De kerk zal uiteenvallen voordat er iets nieuws kan ontstaan. De nieuwe gees­telijke kerk zal niet zonder vorm zijn, want ook zij heeft een organisatorische vorm nodig, doch niet de vorm van een hiërarchisch ingedeelde officiële kerk, die heerst, dwang uitoefent, verdoemt en in ceremoniën en bijgeloof verward raakt. Zij zal ook het woord van het evangelie 'voorziet U niet van goud of zilver' (Mt 10, 9) ter harte nemen.

Na de voltrokken ommekeer van de eccelesia carnalis* (*Ecclesia carnalis betekent letterlijk 'vleselijke kerk'. Daarmee wordt de officiële kerk met hië­rarchisch systeem bedoeld. Het tegendeel daarvan is de ecclesia spiritualis, de geestelijke kerk ) - zoals Joachim von Fiore haar noemt - in de eccelesia spiritualis zullen de schone en aan een gelij­kenis herinnerende woorden van de Nieuwe Openbaring bewaarheid worden: 'Ziet, de wijze gaat naar de rommelkamer en vindt daar dikwijls grote schat­ten, door de ceremonie overdekt. Het stof wist hij af en het zuivere goud legt hij in de schatkamer. Ook Gij dient aldus te handelen.' (Hi I, blz. 99, 15)

De kerkleiders weten dat het oordeel en het einde van de katholieke kerk na­bij zijn. In het jaar 1960 moest het Vaticaan het geheim van de derde bood­schap aan de kinderen van Fatima bekendmaken, dat de bisschop van Leiria (Portugal) in 1917 aan het Vaticaan had gegeven. Weliswaar werd het schrij­ven geopend en werd de inhoud voor kennisgeving aangenomen, doch deze werd niet gepubliceerd. Ondanks dat is de boodschap bekend geworden. Daarin wordt niet over het lot van een bepaald volk gesproken - naar men als afleidingsmanoeuvre had verspreid. Dat heeft volgens mededelingen in de pers de in het klooster levende getuige, de bisschop van Leiria, enkele jaren geleden bevestigd. Thans weet men dat in Fatima onder meer het gerechtelijk oordeel over de katholieke kerk is verkondigd.

Op het zesde Fatima-congres in Freiburg in september 1973 zei bisschop dr. Rudolf Graber van Regensburg: 'Fatima is het gerechtelijk oordeel over een kerk die gelooft dat zij het zonder offer en verzoening kan stellen en die geheel en al wereldlijk is geworden. Fatima is Gods oordeel over een mini­christendom van de laagste prijzen, waarvan de uitverkoop nu gaande is. '13

Dat is een even openhartige uitspraak als de volgende bekentenis van pa­triarch Athenagoras, die zei: 'Wij hebben de kerk tot een organisatie zoals alle anderen gemaakt. Wij hebben onze krachten ermee verspild haar op te bou­wen en benutten deze krachten nu om haar te laten functioneren. En zij func­tioneert, zij functioneert als een machine. Als een machine - en niet als het leven.' 'Wat hebben wij gedaan? Christus heeft ons verlaten. Wij hebben Hem verjaagd.' Reeds tijdens het laatste concilie hadden katholieke patriarchen de Curie voor het uitdrogen van de godsdienst door het roomse juridisme en triomfalisme verantwoordelijk gesteld. Hun waarschuwingen weerklonken zonder dat iemand er acht op sloeg, net zoals dat met talrijke andere waarschu­wingen in de loop der tijden is geschied.14

Ook Paus Paulus VI scheen in te zien dat het met de kerk op zijn eind loopt. In de zomer van 1974 klaagde hij tijdens een audiëntie: 'De kerk verkeert in moeilijkheden - zij schijnt tot uitsterven gedoemd te zijn.'14a

In de Nieuwe Openbaring verzekert de Heer uitdrukkelijk dat Jezus' leer de mensen op deze aarde ook na het verval van de katholieke kerk wordt bekend­gemaakt: 'Wanneer haar oordeel en einde komen zal, zal Mijn leer deson­danks voortbestaan temidden van zeer vele mensen op aarde. Doch zij zal steeds slechts als een vrij goed temidden van de mensen in stilte glanzen, stra­len en troosten, nimmer echter als heerseres over hele volkeren op een ko­ningstroon met kroon, staf en scepter.' (Gr VIII 14, 7)

Volgens katholieke en protestantse theologen bestaat er in brede kringen een honger naar een echte openbaring. Dikwijls heeft echter ook het geestelijke inzicht tijd nodig om te rijpen. Een bezinnen op de grondwaarheden van een zich op het evangelie baserend geloof vereist waakzaamheid en enig denk­werk.

De Nieuwe Openbaring, die de geestelijke horizon zozeer verruimt, kan ver­starde begrippen waarmee de theologie gewend is te werken, voor de ontvan­kelijke mens in het kader van een voor iedereen begrijpelijke en overtuigende formulering verwoorden. Wie het werkelijk serieus meent met het vinden van religieuze waarheid zoals Jezus deze heeft onderwezen, die zal zich geroepen voelen om nieuwe kennis op te doen. In de Nieuwe Openbaring spreekt God werkelijk tot de mensen in onze eindtijd. Zonder moeite echter zal niemand de waarheid vinden. Nu en dan geldt wellicht bij het bestuderen van de meta­fysische diepten van deze uitgebreide openbaring de volgende uitspraak van Empedocles: 'Weliswaar weet ik dat de waarheid in de woorden zetelt die ik verkondig, doch slechts moeizaam is zij de mensen duidelijk te maken, en met moeite vermag de heftige strijd om het geloof de ziel te doordringen.'

Waar tegenstrijdigheden tussen de Nieuwe Openbaring en de leringen van de kerken bestaan heeft niet de kerk, zoals katholieke en protestantse theologen beweren, doch de Nieuwe Openbaring gelijk. Toegegeven, het evangelie is in de eerste eeuwen ten dele vervalst en door de ontmythologiseerders en theolo­gen in de negentiende en twintigste eeuw tot een karikatuur gemaakt.

'Niemand behalve hen', staat er veelbetekenend in de Nieuwe Openbaring, 'mag iets weten en ervaring van welke aard ook hebben opgedaan.' 'Zij bemin­nen Mijn licht niet en zullen diegenen niet beminnen die Mijn licht tot hen brengen.' (Gr III 225, 9)

Of de kerken de profeet van de eindtijd, Jakob Lorber, doodzwijgen dan wel stenigen, aan de vervulling van de profetie zal dat geen afbreuk kunnen doen. In deze tijden moeten Christenen de eis van de apostel Paulus ter harte nemen: 'Dooft de Geest niet uit, veracht de profetieën niet, maar toetst alles en be­houdt het goede.' (1 Thess 5, 19-21)

'Zonder onrust en verandering van denkwijze zal het niet gaan', zegt Pater Lohfink, professor aan het Pauselijke Bijbelinstituut in Rome, 'wanneer God profeten aan het woord laat komen. '15

Ook voor de Nieuwe Openbaring geldt de uitspraak van Goethe dat 'het aller­beste wat naar voren komt, wat wij tegenkomen, zo lang mogelijk ontkend wordt'. Doch thans is zeer zeker het tijdstip gekomen waarop deze belangrijke openbaring door de profeet Jakob Lorber algemeen bekend wordt.

'Er ontstaat een algemeen verlangen naar licht, naar geestelijke leven, naar liefde, naar warmende en zuivere geestelijke leer. Zo doet zich de geestelijke tendens ondanks alle weerstand gevoelen...' (Pr 24)

 

 

Jakob Lorber voorspelt vóór het einde van deze eeuw steeds grotere en verschrikkelijke catastrofes

 

Hoogontwikkelde culturen ontstaan en vergaan. Zelden echter hebben een cultuur en beschaving in zo korte tijd perfectie bereikt als in het tijdperk van de techniek. Wetenschap en techniek hebben alles onder hun invloed gebracht en prestaties geleverd waarvan men vroeger niet durfde te dromen. De mens raakte steeds meer in een echte roes van vooruitgang. Eventueel opkomende bezwaren werden steeds uit de weg geruimd met de slagzin: Wij mogen de vooruitgang niet ophouden! Grote delen van de mensheid verloren hun reli­gieuze geloof en hingen nu onvoorwaardelijk de wetenschap aan. Men twijfel­de er niet meer aan dat voor de mens alles mogelijk was.

Terwijl in vroeger tijden monarchen hun volk soms beloofden dat zij hen naar heerlijke tijden zouden geleiden, namen de futurologen nu deze taak over. Na de Tweede Wereldoorlog werd de ontwikkeling steeds adembenemender. De produktiecurves en de netto-inkomens stegen in steeds sneller tempo, de laatste sneller dan de prestatie. De arbeidsmarkt was leeggeveegd, en meer dan twee miljoen gastarbeiders werden het land binnengehaald om de eigen welvaart verder te stimuleren. Niemand vroeg naar de eventuele problemen die uit deze stormachtige ontwikkeling konden voortkomen. Dat de toename van de welvaart eindeloos zou blijven voortgaan was voor de massa vanzelf­sprekend. Het woord 'werkloosheid' was een verouderd begrip geworden. De politici van alle partijen beloofden immers ook bij voortduring nog grotere welvaart en sloegen tegelijkertijd de waarschuwingen van bekende geleerden over de opdoemende gevolgen voor het milieu in de wind. De jonge generatie, die aan de vooruitgang verslaafd was geraakt, kon zich de geest van de zelfbe­perking uit 1945 niet meer herinneren. De mensheid scheen paradijselijke toe­standen tegemoet te gaan.

Daarom zou het nog slechts enkele jaren geleden een denkbaar ongeschikt moment zijn geweest om een breder publiek te laten weten welke rampen Ja­kob Lorber de mensheid van onze tijd heeft voorspeld. Alleen Lorbers profe­tie dat werkloosheid op de gehele wereld zou ontstaan zou voldoende zijn ge­weest om alle verkondigingen van de profeet als volledig irreële fantasiepro­dukten van de tafel te vegen. De orderboeken van de ondernemers waren im­mers propvol en gebrek aan arbeidskrachten was aan de orde van de dag. En hoe kon een profeet over hongersnood spreken, terwijl de winkels toch vrijwel tot barstens toe vol waren en een opulent goederenaanbod aan alle behoeften tegemoetkwam.

Doch binnen luttele jaren veranderde het beeld totaal. Aan de eeuwig blauwe hemel van het Wirtschaftswunderland kwamen plotseling dreigende donkere wolken opzetten. Tegelijkertijd kwamen er verontrustende berichten uit de gehele wereld binnen. Doch het had de werking van een donderslag toen in de herfst van het jaar 1973 sjeiks in de woestijn, aan wie tot dusverre vrijwel nie­mand aandacht had besteed, aan de oliekranen begonnen te draaien en miljoe­nen mensen in alle industrielanden van de wereld plotseling bemerkten dat hun bestaan in het geheel niet op zulke stevige fundamenten rustte als zij tot op dat tijdstip hadden aangenomen. Het aantal werklozen en arbeiders met ver­korte werktijd steeg beangstigend.

Bovendien worden andere zorgen steeds nijpender, ook al zijn deze nog niet volledig tot het bewustzijn van de brede massa doorgedrongen: de snel toene­mende milieuschade en de risico's daarvan, die nog niet volledig te overzien zijn. Datgene wat de wetenschappers vaststellen belooft niets goeds voor de toekomst. Wij moeten nader op dit thema ingaan, want de ontdekkingen van de wetenschappen bevestigen ook op dit gebied nu reeds Lorbers voorspellin­gen tot in de kleinste details.

Volgens Lorbers uitspraken bevindt de mensheid zich thans in de eindtijd, die vol van alle mogelijke catastrofes zal zijn. Het woord 'eindtijd' mag echter in geen geval als 'ondergang van de wereld' worden opgevat. Volgens Lorbers verkondigingen zal de aarde nog vele miljoenen jaren lang 'met en zonder mensen' haar baan om de zon beschrijven. De grote veranderingen, die voor de deur staan, zullen echter onvoorstelbaar lijden met zich meebrengen en het eind van het huidige technische tijdperk inluiden. Dat Lorber niet vanuit zijn eigen brein spreekt, is in het hoofdstuk 'De bewijzen voor de echtheid van Jakob Lorbers profetie' wel voldoende bewezen. Voor Jakob Lorber geldt de opmerking in de tweede brief van Petrus (1, 21) dat 'profetie die uitkwam nooit is voortgekomen uit de wil van een mens, maar, door de Heilige Geest gedreven, hebben profeten van Godswege gesproken'.

Lorbers uitspraken zijn van apocalyptisch formaat en van ontstellende ver schrikkelijkheid. Zeer ernstig en op lapidaire wijze krachtig zijn derhalve ook de maningen en waarschuwingen aan de mensheid die in de verkondigingen voorkomen, dat de ingeslagen dwaalweg van het theoretische en praktische materialisme moet worden verlaten. De Nieuwe Openbaring laat er geen twij­fel over bestaan dat de reeds nu ten dele te verwachten rampen hun oorsprong in het geestelijke hebben. Wanneer Blaise Pascal zegt dat de gehele oorlog in iedere zonde woont, dan geldt dat analoog ook voor de verkeerde handelingen van de mensheid, die alle mogelijke rampen oproepen. 'Alle catastrofes van de geschiedenis hebben op geestelijk en zedelijk terrein plaatsgevonden voor­dat zij in materiële strijd om de macht tot uiting kwamen' (Reinhold Schnei­der).

De Nieuwe Openbaring zegt hierover: 'Al het slechte dat thans op de wereld ogenschijnlijk als zodanig te zien is, is niet door Mij geschapen, doch een pro­dukt van het misbruik van de vrije wil door de mensen. Als vrije wezens kun­nen zij doen wat zij willen, doch de gevolgen daarvan hebben zij dan ook aan zichzelf te wijten.' (Pr 83)

Onze toestanden in het industriële tijdperk heeft de Heer aan Zijn apostelen met de volgende woorden geschilderd: 'In gene tijden zullen de mensen het grotendeels door het onvermoeibare onderzoeken en rekenen onder de twij­gen en wijd uitlopende takken van de boom der kennis in vele wetenschappen en (technische) kunsten zeer ver brengen, en zij zullen met alle krachten in de natuur van de aarde, die de mensen thans nog verborgen zijn, wonderbaarlijke zaken teweegbrengen en zullen ook zeggen: Ziet, dat is God, een andere is er niet. Het geloof van deze mensen zal echter vrijwel niet meer voorhanden zijn.' (Gr IX 89, 1-2) 'Daardoor zal zich mettertijd wel een volledige geloofs­leegte bij de mensen verspreiden...' (Gr IX 89, 10)

Deze tijd is nu gekomen! De twintigste eeuw bevindt zich in de laatste fase wat betreft de voorspelde tekenen van technische perfectie alsook van het atheïs­mie. De techniek, die niets als onmogelijk beschouwt, is een kwade geest ge­worden; in dienst van het demonische wordt zij vernietiger van het milieu. De filosofen van onze tijd hebben als vertegenwoordigers van het existentialisme en atheïsme de mens op Gods plaats gezet, en miljoenen hebben hun theo­rieën overgenomen.

De eindtijd is volgens Lorber reeds met de twee wereldoorlogen begonnen, die een gesel voor de mensheid waren. Een deel van de aangekondigde, grote el­lende brengende gebeurtenissen vormen ook de terreurregimes onder Stalin en Hitier. Over deze tijd voorspelt Lorber het volgende: '... de machthebbers zullen van de mensen gebruik maken alsof het dieren zijn en zij zullen ze in koelen bloede gewetenloos laten afslachten, wanneer dezen zich niet zonder enige tegenspraak aan de wil van de sterke macht onderwerpen. De machtigen zullen de arme mensen met velerlei vormen van druk kwellen en alle vrijere geesten met alle middelen vervolgen en onderdrukken. . .' (Gr I 72,2) 'Van nu af aan (Jezus' tijd, Egg.) tot die tijd zullen nog duizend en bijna duizend jaar verstrijken.' (Gr I 72, 3)

De heerschappij en de val van Hitier worden in de eigen taal van de profeet als volgt beschreven: eerst komt de 'afzondering en afsluiting van alle kanten. . .' (verbod van buitenlandse couranten en geschriften, Egg.), dan 'oorlog met de pen' (propaganda, Egg.), 'dan werkelijke oorlog te zwaard...' 'Wanneer deze veeloorlog (wereldoorlog) wordt uitgevochten, dan zal men een winkelhaak nemen en penibel en mathematisch uitmeten wat iedere mens mag bezitten en eten (kledingkaarten en levensmiddelenbonnen, Egg.), wat hij mag weten, zeggen en schrijven' (spraakregeling van pers en radio, luisterverbod voor bui­tenlandse zenders en controle van datgene wat ieder mens zei, Egg.). 'Men zal een cirkel trekken en zichzelf afzonderen en als het meest volmaakte beschou­wen.' (De Duitsers als het Herrenvolk en daarbinnen weer de kleinere kring van de partij, Egg.). 'Dat zal de cirkel zijn.' 'Ik zal in het geheim de vrijheid nemen om aan deze dwaze cirkel een einde te maken. - Hoe? - Dat weet Ik zeer goed! Dat zal dan het einde van een zeer dom lied van dit geslacht zijn.' ('Die Fahne hoch...' Egg.) 'Ziet Gij hoe de noordse ijsbeer (Sovjetrusland, Egg.) zijn tanden aan het ijs puntig slijpt?' 'Hun vet (van de Duitse krijgsge­vangenen, Egg.) zal aan de ijskusten van Siberië wegsmelten.' (Hi II, blz. 302)

Lorber voorspelde echter ook de verwoesting van de Duitse steden door brand in de Tweede Wereldoorlog: 'Deze keer zal geheel Europa, vooral in de grote industriesteden, zeer streng gekastijd worden.' (Hi II, blz. 308)

'Er zullen echter nog vele steden door vuur en water worden gelouterd.' (Hi II, blz. 79) (Deze profetie kan ook betrekking hebben op de toekomst.)

'Het ene volk wil groter zijn dan het andere, het ene rijk machtiger dan het andere. De hoogmoed der volkeren is alle perken te buiten gegaan, tot in de hoogste hemel is de stoom van de hel al opgestegen.' 'En ziet, de tijd is aange­broken, voor uw ogen onthuld: een volk trekt ten strijde tegen een ander volk! Wanneer gij vraagt waarom, dan zeg Ik u: uit zuivere hoogmoed.' (Wiederk. 16)

'Over de aarde komt nu een geestelijke zondvloed, zoals er 4000 jaar geleden ten tijde van Noach een stoffelijke zondvloed is geweest. Gene doodde het vlees, deze echter doodt ziel en lichaam.' (Wiederk. 65)

'Als met de natuurlijk toenemende bekwaamheid van de mensen ook hun zelf­zuchtigheid, hebzucht en heerszucht toenemen en daardoor het gemoed van de mensen steeds meer verduistert, dan kunnen de kwade gevolgen daarvan uiteraard niet uitblijven.' (Gr V 108, 4)

'Dat echter mensen dikwijls om vergankelijke redenen alles, waarvan zij we­ten dat het goed, rechtvaardig en waarachtig is, met voeten treden en precies het tegenovergestelde doen, kunnen wij thans dagelijks in talloze gevallen maar al te zeer aan den Iijve ondervinden, en daaruit blijkt weer dat de vrijheid van de menselijke wil door niets in gevaar gebracht of beperkt kan worden. En zo is het zeer wel mogelijk dat de mensen in de loop der tijden grote zaken uitvinden en ook op de natuur van de aarde zodanig gaan inwerken dat deze tenslotte zeer lek moet worden. De gevolgen daarvan zullen echter geenszins aangenaam zijn en zullen op een zekere straf van de verkeerd gebruikte wil gelijken, doch niet door Mij op enige wijze gewild, doch door de wil der men­sen veroorzaakt.' (Gr V 109, 6)

Achter de uitdrukkingsvorm van de profeet dat de 'aarde zeer lek moet wor­den' staat een ontstellend feit van seculaire omvang, welke betekenis de lezer waarschijnlijk pas zal kunnen bevatten wanneer hij de nu volgende uiteenzet­tingen over de milieuschade heeft gelezen, die ons te wachten staat. De geva­ren vormen reeds een bedreiging voor het leven en zij worden met schrikwek­kende snelheid groter. De bevolking weet nog maar zeer weinig over deze ge­varen. Zolang de mensen niet direct onder een kwestie te lijden hebben, ne­men zij er slechts zelden notitie van; en wanneer zij er direct onder te lijden hebben, zoals bijvoorbeeld wanneer hun kind aan kanker sterft, hebben zij geen idee waarmee dit verband houdt. Doch van nu af aan schrijdt de tijd met reuzenschreden voorwaarts.

 

De rampen die de mensheid als gevolg van milieuschade te wachten staan

 

De schade die ons milieu heeft geleden en de risico's op dit gebied zijn zo tal­rijk geworden dat zij nauwelijks meer te overzien zijn. Telkens weer worden er nieuwe gevaren ontdekt waarvan tot op dat ogenblik niemand iets vermoed­de. De gevolgen van de schade worden dikwijls pas na een lange latentietijd zichtbaar, omdat zij eerst onder de oppervlakte werken. Ieder jaar worden er nieuwe chemicaliën gefabriceerd; de werking ervan alsook eventuele wissel­werkingen met andere chemische produkt en zijn dikwijls onbekend. Welis­waar is de wetenschap al veel te weten gekomen, doch het gebied met onbe­kende factoren is nog zo groot dat wij - net zoals tot dusver - ook in de toe­komst op onplezierige of zelfs hoogst bedenkelijke verrassingen voorbereid moeten zijn. Het onverwachte, het nauwelijks voorstelbare - dat Lorber voor­spelt - kan werkelijkheid worden. Niemand kan zeggen waar de uiterste grens van de belastbaarheid van het ecologische systeem ligt. 'De eigenlijke ramp', schrijft G.R. Taylor, 'moet nog komen. '16 De volgende inventarisatie doet in­derdaad het ergste vrezen.

 

1. De luchtvergiftiging

 

Het verkeer en de industrie vervuilen sinds tientallen jaren de lucht in zo ster­ke en voortdurend toenemende mate dat de mensen in de grote steden - vooral de kinderen - geen schone lucht meer kunnen inademen. De voorwaarde voor de normale afloop van de levensprocessen in het menselijke organisme is op den duur niet meer aanwezig. De meeste mensen zijn mettertijd aan de dik­wijls onhoudbare toestanden gewend geraakt, zodat zij niet merken in welke situatie zij verkeren.

De grootste luchtvervuilers zijn onder meer de personenauto's. Zij werden zo talrijk dat er weldra geen parkeerplaats meer te vinden was en wolken kanker­verwekkende uitlaatgassen de straten in de steden vrijwel onleefbaar maken.

Het lood dat in drukke straten in de steden ondanks de wettelijke maatregelen nog overal te vinden is, is wat zijn biologische uitwerking betreft tienmaal zo giftig als lood dat men via levensmiddelen en water naar binnen krijgt. 17 'Uit­laatgassen van auto's zijn niet lastig doch levensgevaarlijk.' Dat zei een lid van de raad van bestuur van MAN Neurenberg, Prof. Meurer, volgens een artikel in de Frankfurter Allgemeine Zeitung van 7 juli 1971. Volgens onderzoekingen van de Biologisch-Physikalische Forschungsanstalt in Oberjessingen (Baden­ Württemberg) in 1970 heeft één op de negen testpersonen reeds een loodver­giftiging, terwijl één op de vier mensen een gehalte aan zware metalen in het bloedserum vertoont. Naar aanleiding van dit resultaat verklaart het instituut: 'Wij allen, die in een verontreinigd milieu leven, moeten op een dramatische ontwikkeling voorbereid zijn.'18

Ieder jaar produceren de auto's op de wereld 250000 ton lood. Het ligt voor de hand dat de hoogste loodconcentratie in de dichtbevolkte gebieden wordt ge­constateerd. Bij het sinds tientallen jaren stijgende aantal personenauto's konden de wettelijke maatregelen tot verbetering van de lucht, die in de jaren zeventig zijn gepasseerd, geen succes hebben. De president van het Duitse milieu-instituut moest dan ook in augustus 1980 toegeven dat de door het schoonhouden van de lucht in de industrie bereikte successen grotendeels door de gestegen belasting met auto-uitlaatgassen teniet zijn gedaan. 19 Bij een groot aantal ziekten zoals allergieën, migraine, zenuwziekten, hart- en vaat­ziekten alsook stofwisselingsziekten kunnen de artsen de oorzaken van de ziekte niet meer vaststellen, omdat de ontelbare milieugiften een sluipende werking hebben en de ziekte dikwijls pas jaren of zelfs tientallen jaren later uitbreekt.

Toen de wet tot bestrijding van de loodproduktie van auto's met vette koppen in de pers werd aangekondigd waren slechts zeer weinigen zich ervan bewust hoe hulpeloos de regeringen op de gehele wereld zijn ten aanzien van het uit­laatgasprobleem. Het publiek hoorde er niets over dat de overige gevaarlijke giften - o.a. het kankerverwekkende benzpyreen - in deze wet met geen woord werd vermeld.

Pas kortgeleden is bekend geworden dat niet de industrie en de huishoudens het grootste gedeelte van de milieugiften produceren, doch de auto's.20

De grote vijand van de mens, vooral in de grote steden, zijn de door personen­auto's geproduceerde koolwaterstoffen, waarnaar alle straten stinken. Zij be­vatten benzpyreen, dat één van de meest kankerverwekkende stoffen is en na lange inwerktijd beslist kanker veroorzaakt.21 De kiem voor longkanker wordt reeds op zeer jeugdige leeftijd gelegd. Bovendien staat, naar men on­langs heeft vastgesteld, te vrezen dat de koolwaterstoffen de menselijke erf­massa bederven.22

Naar mededeling van het kankerresearchinstituut in Heidelberg ontstaat kan­ker zowel door benzpyreen als door lood uit de uitlaatgassen van personen­auto's reeds vóór de geboorte, waaraan de kinderen dan op prille leeftijd ster­ven.23

Inmiddels worden wij opgeschrikt door nieuwe ontdekkingen, waarvan de brede massa nauwelijks notitie neemt. Kennelijk realiseren geciviliseerde vol­keren zich hun ziekten niet graag. Volgens een artikel in de Frankfurter Allge­meine Zeitung heeft naar de nieuwste onderzoekresultaten laten zien het uit de uitlaatgassen afkomstige roet een meer dan duizendmaal sterkere kankerver­wekkende werking dan de cyclische koolwaterstof benzpyreen. 'Pogingen om de gifgassen uit de auto's de baas te worden', merkt de courant hiertoe op, 'schijnen zuivere utopie in vergelijking met dit feit.'24

Een soortgelijke jobstijding komt uit de USA. Het US-milieu-ministerie in Washington maakte bekend dat de installaties tot zuivering van de uitlaatgas­sen, die de Amerikaanse auto-industrie gebruikt, eventueel meer schade ver­oorzaken dan verhinderen. Weliswaar verminderen zij de produktie van kool­monoxyde en koolwaterstoffen, doch zij verhogen de produktie van sulfaten, wat tot een toename van hart- en longziekten met dodelijke afloop leidt. 25 Verder bewijst een Amerikaanse studie, waarvoor door de Amerikaanse, Zwitserse en Japanse regering opdracht is gegeven, dat de verbrandingspro­dukten van loodvrije benzine ca. 25 procent meer andere giften bevatten dan de brandstoffen die lood bevatten.26

Bij de giftige uitlaatgassen van de auto's komt nog de kankerverwekkende stof asbest, die in de lucht voorkomt en afkomstig is van vulstoffen in autobanden en van slijtage van de remvoeringen. Naar prof. Konrad Morgenroth (Univer­siteit Bochum) heeft ontdekt, hebben reeds ongeveer 80 procent van de men­sen asbest in hun longen.27

Er is geen terug meer mogelijk! In dit geval schijnt het Chinese spreekwoord te gelden: 'Wie op de tijger rijdt kan de weg niet bepalen en al evenmin afstap­pen.'

Koolmonoxyde (CO) is één van de schadelijke gassen die het meest in de at­mosfeer voorkomen. Het wordt door auto's en bij talrijke industriële proces­sen alsook door huisbrand geproduceerd. Door het autoverkeer wordt alleen al in de Duitse Bondsrepubliek ieder jaar 4000000 ton koolmonoxyde (CO) aan de lucht afgegeven.28 Dit reuk- en smaakloze gas, dat ook bij het roken van sigaretten ontstaat, heeft vooral een schadelijke invloed op het centrale zenuwsysteem en de hartspieren. De wettelijke grenswaarde voor koolmo­noxyde bedraagt 8,6 ppm als jaar- en 24-uur-gemiddelde en 25,8 ppm als half­uur-gemiddelde. Volgens mededelingen van de wetenschappers mogen de concentraties in de grote steden niet boven 9 - 10 ppm stijgen. In werkelijk­heid bedragen zij echter 30 en 50 ppm, niet zelden zelfs 100 - 300 ppm.29 In grote steden ligt het percentage door mensen geproduceerd CO tot duizend maal hoger dan de gemiddelde waarde in de atmosfeer. Ieder jaar wordt er in de wereld 400 miljoen ton van dit milieugif in de atmosfeer geblazen. 30

Zeer gevaarlijk in het milieu is cadmium gebleken, wat men zich lange tijd niet heeft gerealiseerd. Sinds het begin van deze eeuw is de produktie van cadmium duizenden malen groter geworden.31 In 1977 was de door de wereldgezond­heidsorganisatie (WHO) als nog tolerabel vastgestelde grenswaarde per per­soon van 0,0057 mg in de Bondsrepubliek Duitsland reeds overschreden. 32 In de modder van onze grote rivieren komt cadmium duizend maal sterker voor dan in natuurlijke toestand het geval zou zijn.33 'Alleen het cadmiumgehalte van de Rijnsedimenten wordt op ca. 100 ton geschat. 34 Prof. Magnus Piscator verklaarde op het congres van de Vereniging van Duitse Ingenieurs in Düssel­dorf in 1973 dat dit giftige zware metaal een groot risico voor het drinkwater (uit de Rijn, Egg.) vormt. '35

Laten wij ons nu met een gif bezighouden dat de aardbol sinds lange tijd als een atoomwolk omhult: DDT.

Het bestrijdingsmiddel voor schadelijke planten en dieren met de benaming DDT werd oorspronkelijk door de fabrikanten volledig onschadelijk ge­noemd. Dit zenuwgif, waarvan men reeds in 1945 had ontdekt hoe gevaarlijk het is, is sedertdien in reusachtige hoeveelheden geproduceerd. DDT is duur­zamer dan E 605. De halveringstijd van dit produkt bedra!lgt twintig jaar. Het wordt aangetroffen bij de Eskimo's in de Noordpoolgebieden en bij de pin­guins, zeehonden en vissen van Antarctica alsook in de moedermelk van Ame­rikaanse en Europese vrouwen. In het rapport over de bijeenkomst van het landelijke gezondheidsambt in de deelstaat Baden-Württemberg op 6 juni 1973 staat te lezen dat er in de moedermelk een twintig- tot dertigmaal te hoge dosis pesticiden, vooral gechloreerde koolwaterstoffen, is geconstateerd. 36 In het Deutsches Ärzteblatt vestigt prof. Hans Jürgen Holtmaier, Stuttgart-Ho­henheim, er de aandacht op dat reeds drie maanden oude embryo's aanzienlij­ke hoeveelheden polygechloreerde waterstoffen in hun vetweefsel vertoon­den. 37 Welke gevolgen deze alarmerende constateringen voor de komende ge­neraties zullen hebben, is niet te overzien. DDT wordt nog steeds voor gebruik in de ontwikkelingslanden in grote hoeveelheden geproduceerd. Op bedenke­lijke wijze neemt ook het kwikgehalte van de lucht en de regen toe. Langduri­ge belastingen kunnen zenuw- en nierschade tot gevolg hebben. Lange tijd werd het gevaar van PCB (polygechloreerde bifenylen) niet onderkend. Dit gif wordt door de levensmiddelenketen sterk geconcentreerd en niet afgebro­ken of door het lichaam uitgescheiden. Een groot aantal onderzochte levens­middelen vertoonde een bedenkelijk hoog PCB-gehalte, onder meer de moe­dermelk. In normale vuilverbrandingsinstallaties wordt PCB niet onschadelijk gemaakt doch komt onveranderd in de atmosfeer terecht. Naar wetenschap­pers mededelen, hebben ongeboren kinderen bijna evenveel PCB en DDT in hun lichamen als volwassenen. 38

 

2. De smog

 

Boven alle dichtbevolkte industriegebieden ligt een 'stolp' vervuilde, bijtende en dikwijls vreselijk stinkende lucht. Deze lucht is veel sterker vervuild dan algemeen bekend is. Datgene wat een onderzoek in Keulen aan het licht heeft gebracht geldt ook voor de andere grote industriesteden, voor sommige zelfs in nog sterkere mate. In de industrie lucht van Keulen heeft men meer dan 300 luchtverontreinigende stoffen opgespoord. Dit is na te lezen in een milieu-ex­pertise voor de Bondsregering.39 In de Bondsrepubliek worden de dagen steeds talrijker waarop de smogconcentratie het gemiddelde van 200 ppb te boven gaat. 40 München had reeds in de jaren 1953 - 1960 gemiddeld ieder jaar op 124 dagen inversies met een tijdsduur van meer dan twaalf uur. 41 Het ge­bied rondom de grote steden Mannheim en Ludwigshafen verkeert vrijwel 'de helft van het jaar aan de rand van de smog. '42 Het ligt voor de hand dat de talrijke gifstoffen in de lucht boven de dichtbevolkte industriegebieden bij be­paalde weersomstandigheden steeds meer toenemen, tot aan de hoogste con­centratie toe. Wanneer er geen sterke wind staat en er tegelijkertijd een laag warme lucht bovenop de op de grond van de stad liggende koude lucht ligt, dan ontstaat er een zogeheten weinig uitwisselende weersituatie - die men inver­sieweersituatie noemt. Een afvloeien van de met schadelijke stoffen aangevul­de lucht is niet mogelijk; bij voortduring zorgen auto's, fabrieken en huisbrand voor nieuwe aanvoer van allerlei giften. Zo ontstaat de gevreesde zogeheten smog. Bij deze situatie zijn de door de auto's geproduceerde koolwaterstoffen het gevaarlijkst. Deze worden dan onder invloed van stikstofoxyde en zonlicht in bijzonder agressieve substanties veranderd. 43

Eén van de belangrijkste bestanddelen van de fotochemische smog is ozon. Het komt door samenwerking van stikstofoxyden en koolwaterstoffen uit in­dustriële installaties (onder meer uit raffinaderijen) en uit auto's in de lucht van de stad. Bijzonder riskant is de combinatie van ozon en zwaveldioxyde; het ademvolume daalt dan met 30 procent.44 Ozon is zelfs in uiterst geringe concentratie schadelijk. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) stelt als grenswaarde 60 ppb voor. In Duitse grote steden zijn waarden van 200, zelfs van 270 ppb gemeten.45

Met de smogwaarschuwing, en vooral met de uitvoering van de dan noodzake­lijke maatregelen is het in de gehele wereld slecht gesteld. Volgens het Ameri­kaanse tijdschrift Life zullen de mensen in de grote steden van de U.S.A. al spoedig gasmaskers gaan dragen. 46 Naar in een door 300 wetenschappers op­gestelde expertise te lezen is, is New York nabij de verstikkingsdood. Nu reeds verlaten de mensen de onbewoonbaar geworden reuzenstad in een onvoorstel­baar grote mate. Ieder jaar komen er in New York 120000 huizen leeg te staan en geraken in verval. 47

De smogalarmplannen voor de industrie berusten in de Bondsrepubliek Duits­land op kan-bepalingen en de bedrijven treffen de noodzakelijke maatregelen niet omdat zij daartoe niet door wettelijke voorschriften gedwongen worden, doch volgens vrijwillige overeenkomsten. Bovendien zijn, naar wetenschap­pers mededelen, de grenswaarden waarbij smogalarm wordt gegeven, 'aan­zienlijk te hoog gelegd; met geneeskundige ontdekkingen werd (bij de vast­stelling) geen rekening gehouden. '48 De grote gevoeligheid van zuigelingen en kleine kinderen is bij het vaststellen van de grenswaarde volledig buiten be­schouwing gelaten. Zodoende kunnen smogalarmplannen hun taak vrijwel niet vervullen. Hierbij moet men vooral niet uit het oog verliezen dat smogex­tracten een 600 maal zo sterk effect op het ontstaan van tumoren hebben als zuiver benzpyreen .49

De biochemicus Dr. Frederic Vester merkt in dit verband treffend op dat dit onderzoekresultaat 'een schrikwekkend voorbeeld voor de enorme, zij het ook nauwelijks onderzochte betekenis van synergetische* (* Synergisme = de samenwerking van verschillende schadelijke stoffen, die nieuwe, dikwijls aan­zienlijk hogere gifwerkingen ten gevolge hebben.) effecten' is.50

 

De vergiftiging van rivieren, meren en zeeën

 

1. De vergiftiging van rivieren en meren

 

De moderne industrie vergiftigt niet alleen de lucht die wij inademen doch ook de rivieren, meren en zeeën. In het Rijngebied is het mogelijk dat zij de drink­watervoorziening van 20 miljoen mensen in gevaar brengt.

Een vloedgolf van faecaliën, zouten, oliën en talloze chemische giften veront­reinigt de rivieren. Miljoenen mensen moeten echter het water van de Rijn drinken, die terecht het 'riool van Europa' wordt genoemd. De Rijn voert da­gelijks 90000 ton schadelijke stoffen met zich mee; daarvan komen per jaar voor rekening van zeer gevaarlijke giften: 1000 ton arsenicum, 200 ton cad­mium, 1S00 ton lood en 29000 ton koper. Daarbij komen nog sterke nitraat- en fosfaatconcentraten.

De biologische en mechanische zuiveringsinstallaties zijn niet afdoende om de chloorverbindingen, nitroverbindingen en sulfozuren aan het water te ont­trekken. Hormonen, zoals bijvoorbeeld de 'pil' die bevat, zijn in het geheel niet absorbeerbaar. Niemand weet welke gevolgen dat voor de volgende gene­ratie zal hebben. Het wetenschappelijke rapport over de toestand van de Rijn in 1980 vertoont slechts een schijnbare verbetering van de waterkwaliteit. Dit is te danken aan de waterstand, die toevallig het gehele jaar bijzonder hoog was. Het overgrote deel van de vissen heeft echter nog steeds tumoren, ontste­kingen, leverschade enz. In de Nederrijn werd een toename met 26% gecon­stateerd van de bijzonder giftige stof cadmium, die leukemie en beendermerg­ziekten veroorzaakt. Enorme hoeveelheden giftige modder belemmeren in de oevergebieden in toenemende mate het nastromen van water in de oeverla­gen, zodat de capaciteit van de bronnen afneemt. Prof. Heinrich Sontheimer, Karlsruhe, verklaart in dit verband: 'De Rijn kan daardoor als drinkwaterbron (voor 18 miljoen mensen, Egg.) onbruikbaar worden. De waterleidingbedrij­ven vrezen dat zij de wedloop met de vervuiling zullen verliezen.'51 Met het water van de overige rivieren - en wel in gelijke mate in het westen en oosten­ is het al niet beter gesteld. Ook in de DDR behoort 90 procent van de waterlo­pen tot de sterk met vreemde stoffen belaste wateren. De vervuilingsgraad van de Wolga, het Baikalmeer en de Kaspische Zee neemt snel toe.52

Alarmerend zijn de laatste tijd de berichten uit alle delen van de wereld over het 'sterven' van de meren door zure regen. Duizenden meren in Canada, Fin­land, Noorwegen, Zweden, Japan en de USA zijn door de zure regen dermate vervuild dat daarin geen vissen of waterplanten meer voorkomen.53

Sedert tientallen jaren stijgt het waterverbruik onophoudelijk. In het begin van de negentiende eeuw bedroeg het waterverbruik in het gebied van de hui­dige Bondsrepubliek Duitsland per dag per hoofd van de bevolking 30 liter, nu 126 liter, in de USA zelfs 450 liter.54 In de USA vreest men dat het waterge­brek een noodtoestand zal kunnen veroorzaken.

De watervoorziening zal echter niet alleen in Europa en in de USA binnen afzienbare tijd een vrijwel onoplosbaar probleem worden, doch door de ver­dubbeling van de bevolking in de ontwikkelingslanden binnen relatief korte tijd zal de toestand ook daar weldra nijpend worden. Reeds nu hebben slechts 10 procent van de 420000 Indiase dorpen een behoorlijke/afdoende drinkwa­tervoorziening!55 En dat terwijl de mensen in de ontwikkelingslanden nu al met 4,5 liter water per dag en per hoofd van de bevolking genoegen moeten nemen.56

Binnen niet meer dan vijf jaar zijn er in de Derde Wereld 73 miljoen mensen van het platteland naar de steden getrokken en hebben daar het aantal slop­penbewoners vergroot. 57 De bevolkingsexplosie in de ontwikkelingslanden zal wat het drinkwater betreft catastrofe toestanden tot gevolg hebben. Naar de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) mededeelt hebben nu al meer dan de helft van de mensen in de Derde Wereld geen schoon drinkwater meer. De secretaris-generaal van de UNO verklaarde voor het plenum van de 35e ple­naire vergadering in mei 1981 dat ieder jaar alleen al ca. 15 miljoen kinderen sterven aan de gevolgen van ziekten die door vervuild water zijn veroor­zaakt.58

 

2. De vergiftiging van het grondwater

 

Het voortdurend stijgende nitraat(stikstof)gehalte in het grondwater op de ge­hele wereld is een bron van grote zorg voor hydrobiologen en gemeenten. Kunstmeststoffen bevatten nitraten. Het verbruik van deze stikstofmeststof­fen is sinds de Tweede Wereldoorlog voortdurend gestegen. In de USA is het bijvoorbeeld in de afgelopen 25 jaar veertien maal zo groot geworden. 59 In de loop van tientallen jaren hebben de nitraten nu in vele gebieden het grondwa­ter bereikt. Het op zichzelf onschuldige nitraat verandert echter gemakkelijk in giftige nitrieten, wat zelfs in de darm kan gebeuren. De gevolgen zijn adem­nood en in ernstige gevallen de dood. Op de gehele wereld neemt het aantal bronnen toe waarin de hoogst geoorloofde hoeveelheid in het drinkwater ver­re wordt overschreden. In de staat Illinois (USA) is dit reeds bij 25 procent van alle bronnen het geval; soortgelijke toestanden heersen in Essex (Enge­land). 60 In de Bondsrepubliek Duitsland werden in het gebied Freiburg - Of­fenburg, aan de BergstraBe in de nabijheid van Mannheim, in talrijke gemeen­ten in de wijnbouwgebieden, vooral aan de Moezel, in het bekken van Mainz, aan de voet van het middengebergte in Noord-Duitsland en op het eiland Rei­chenau in het Bodenmeer enz. nitraten of salpeter in veel te grote hoeveelhe­den geconstateerd.61 De directeur van de Duitse Vereniging voor Water- en Gaswezen, Wolfgang Merkel, verklaart ten aanzien van de verdere ontwikke­ling in de Bondsrepubliek Duitsland: 'De ernstige grondwaterverontreinigin­gen nemen dramatisch toe.'62 Dit gevaar voor een vergiftiging van het grond­water door de verschillende invloeden worden door de uitlatingen van prof. U. Häselbath van het Bondsgezondheidsambt bevestigd. Voor zuigelingen is de consumptie van zo sterk verontreinigd water levensgevaarlijk. In enkele plaat­sen aan de Moezel heeft men de bewoners reeds van overheidswege mineraal­water moeten verstrekken. 63 In de DDR moesten reeds in het jaar 1980 12000 kleine kinderen mineraalwater krijgen in plaats van leidingwater. 64 Wanneer men van de door de EEG vastgestelde grenswaarde van 50 mg/l nitraat uitgaat (in de USA 10 mg/l!), dan is in de Bondsrepubliek Duitsland reeds 8 tot 10 procent van het drinkwater met nitraat overbelast. Het nitraatverbruik steeg in de BRD van 33 kg per hectare in 1955 tot 113 kg in 1980, terwijl de opbreng­sten gelijk bleven.65 Bovendien bestaat het gevaar dat kankerverwekkende nitrosaminen gevormd worden. *(* Zie hiertoe de uiteenzettingen in het hoofdstuk 'Toenemende ziekten als gevolg van de gifstof­fen in het milieu en van andere factoren.) 66 Aangezien nitrosaminen door verbinding van kunstmest en secundaire aminen ontstaan, zijn wetenschappers tot de overtuiging gekomen dat onze landbouw een 'grote milieuvervuiler is gewor­den'67. In augustus 1981 verklaarde de staatssecretaris van het Duitse ministe­rie voor ruimteonderzoek, D. Sperling, dat kunstmest alsook de uiterst giftige stof cadmium en niet op de laatste plaats de insekten- en onkruidverdelgings­middelen op lange termijn tot een intensieve vergiftiging van onze grondwa­tervoorraden zouden leiden, zodat er een tijdstip zou komen waarop het grondwater als levensmiddel verboden moest worden. 68

Deze situatie maakt duidelijk dat de mensheid zich hier in een soortgelijke vicieuze cirkel bevindt als bij de vergiftiging van de lucht met kankerverwek­kende stoffen die door de auto's en de chemische industrie worden geprodu­ceerd. Er is geen weg terug uit het slop.

 

3. De vergiftiging van de oceanen

 

Het hele giftige mengsel van de rivieren stroomt in de zeeën, en de wind brengt lood, DDT en andere gifstoffen naar de oceanen. De scheepvaart ter zee ver­giftigt de zeeën ieder jaar met miljoenen tonnen stookolie, die over boord wordt gepompt, alsook door tankers die schipbreuk hebben geleden. Defensie en industrie doen de grootste moeite om de zeeën te vergiftigen. Op 18 augus­tus 1970 liet de Amerikaanse marine in de nabijheid van de Golfstroom een uitgediend vrachtschip met een lading van 12500 raketten met dodelijk zenuw­gas zinken. De diepzeeduiker Piccard zegt hierover: 'Daar beneden ligt op 4850 m diepte een tijdbom die de Atlantische Oceaan kan vergiftigen. De mens pleegt roofbouw met de aarde. Hij is ertoe in staat de Golfstroom te vergassen. '69 In de Oostzee liet een Zweeds concern in het begin van de jaren dertig 7000 ton arsenicum zinken. Nu dreigen de betonnen omhulsels waarin het arsenicum verpakt is uiteen te vallen. Deze hoeveelheid is voldoende om de gehele aardbevolking te doden.70 Sinds jaren dumpen Groot-Brittannië, Frankrijk en Zwitserland matig radioactieve afval in zee. Groot-Brittannië laat bovendien regelmatig plutonium bevattend afval in vaten in de oceaan zinken. 71 De Nederlandse en Duitse industrie dumpen ieder jaar ettelijke ton­nen zwaveldioxide en dun zuur in de Noordzee.'72 Volgens een bericht in Urn­schau der Wissenschaft 71,308 (1971) komt ca. 25% van de totale wereldpro­duktie aan DDT in de oceanen terecht. Behalve DDT is er echter nog een groot aantal andere gevaarlijke gechloreerde koolwaterstoffen, die de zeeën eveneens bereikt. De kustwateren van de industrielanden zijn reeds door kwikhoudend rioolwater uit de industrie vergiftigd, zodat de visvangst - zoals in Japan is gebeurd - ten dele moest worden stopgezet; hoewel vis in dat land het op één na belangrijkste voedingsmiddel is, voorspellen kritische waarne­mers het spoedige einde van de gehele Japanse kustvisserij. 73 Ook in de USA en Europa zijn scherpe controles noodzakelijk geworden. In de USA moest een miljoen blikjes visconserven uit de winkelvakken worden gehaald, omdat zij te sterk met kwik waren verontreinigd. 74 Bijna de helft van de uiterst giftige kwikproduktie belandt in de oceanen.75 In de Escambia-Baai voor Pensacola (Florida) stierven in de zomer van 1967 ca. 50 tot 75 miljoen vissen. 76 De belas­ting van de Middellandse Zee heeft vrijwel overal de grenzen van het draagba­re bereikt. Meer dan 100 van de 120 grote steden aan de Middellandse Zee pompen hun rioolwater ongezuiverd in de zee, onder meer de miljoenenste­den Barcelona, Marseille, Napels, Alexandrië en Algiers. Met het rioolwater belanden ieder jaar de volgende uiterst giftige zware metalen in de zee: 100 ton kwik, 3800 ton lood, 2400 ton chroom en 21000 ton zink. Tonijnen in de Mid­dellandse Zee hebben driemaal zoveel kwik in hun lichaam als tonijnen in de Atlantische Oceaan.77 Naar het tijdschrift Bild der Wissenschaft (juli 1977) mededeelt stroomt er ieder jaar zes tot zeven miljoen ton aardolie en koolwa­terstoffen in de zeeën. In de afgelopen 15 jaar zijn er in zee in de nabijheid van kusten meer dan 15000 oliebronnen aangeboord! De totale toevoer van kwik bedraagt ca. 10000 ton per jaar. Experts vrezen dat er ergens een punt is van waaruit een terugkeer niet meer mogelijk is.

De vervuiling van de zeeën kan echter nog andere gevolgen hebben, die wij nog niet vermoeden. Het is namelijk niet uitgesloten dat de vergiftiging van het plankton van invloed zal zijn op de zuurstofproduktie van de aarde. De huishouding van de aarde heeft er tot dusverre voor gezorgd dat het zuurstof-gehalte van de lucht steeds hetzelfde bleef. De laatste tijd beïnvloedt de mens deze huishouding van twee zijden op massale wijze. De industriemaatschappij veroorzaakt een geweldig extra zuurstofverbruik en brengt anderzijds schade toe aan de zuurstofvormende organen in de natuur. In de bovenste millimeters van het zeewater vormen de microflora en -fauna (kiezelalgen, wimperdier­tjes, bacteriën enz.) - fytoplankton genaamd - ca. 60% van de zuurstof in de luchtlaag. 78 Het resterende gedeelte van de zuurstof wordt door de bossen ge­produceerd. Door de ongeremde ontbossing op de gehele wereld wordt hun bijdrage echter steeds geringer. Zuurstof wordt tegenwoordig in enorm geste­gen hoeveelheid verbruikt door auto's, vliegtuigen, elektriciteitscentrales enz. Met toenemende groei stijgt het verbruik steeds meer. Anderzijds bestaat het gevaar dat de zuurstofproduktie door het fytoplankton achteruitgaat, omdat dit door de gifstoffen in de zee schade lijdt. Zowel prof. La Mont C. Cole, directeur van het Langmuir-Laboratorium van de Cornell University Ithaca (USA) als dr. Charles Wurster jr. (New York University in Stony Brook) heb­ben onafhankelijk van elkaar vastgesteld dat reeds een zwakke concentratie van het insektenverdelgingsmiddel DDT voldoende is om de fotosyntese en daarmee de zuurstoftoevoer in het zeewater te verhinderen. 79

Prof. La Mont C. Cole zegt dat hij het angstwekkend vindt dat er ongeveer een half miljoen verschillende chemicaliën in zee wordt gedumpt zonder dat de verantwoordelijken er de geringste notie van hebben dat zij het fytoplankton in de zee zouden kunnen vergiftigen.80 Even veelzeggend is de constatering die door de expert van de wereldvoedselorganisatie van de UNO, dr. Sidney I. Holt, is getrokken: 'De verbindingen die tot een vergiftiging bijdragen nemen aanzienlijk sneller toe dan wij deze kunnen vaststellen. '81

Volgens een rapport van het milieuprogramma van de Verenigde Naties (UNEP) staat het vast dat de vervuiling van de zeeën internationaal nog zal toenemen. De gevolgen daarvan zijn nog vrijwel niet onderzocht. 82

Het binnendringen van de chemie in de grondslagen van het leven kan binnen afzienbare tijd gevolgen hebben die niet te overzien zijn. Hoewel de grenzen van het toelaatbare reeds lang zijn overschreden beweren politici, industriëlen en bedrijfsverenigingen dat wij niet buiten een verdere groei kunnen. En zo zal het komen als Taylor voorspelt: 'De verbindingen die tot een vergiftiging bijdragen nemen aanzienlijk sneller toe dan wij (biologen) deze kunnen vast­stellen.' 'Het ligt in de aard van de industrie besloten dat zij zichzelf vernie­tigt. '83

 

Toenemende ziekten als gevolg van de gifstoffen in het milieu en van andere factoren

 

De gevolgen van de milieuschade zijn thans reeds bedenkelijker dan men alge­meen aanneemt. De volle uitwerkingen zullen pas in de loop der jaren zicht­baar worden. Vele ziekten komen latent reeds veel voor en zullen pas later bij optredende klachten onderkend worden. De huidige toestanden zijn echter reeds alarmerend. 'De statistiek zegt ons dat één op de vier inwoners van Duitsland aan kanker zal sterven.'84 Zoals professor Grundmann, München, mededeelt zijn er 700 cancerogenen (kankerveroorzakende stoffen) in ons mi­lieu. Op het internationale symposium van de kankeronderzoekers werd een nog hoger getal aangegeven.85 In talrijke gevallen treden bij kinderen steeds vaker ziekten op (o.a. kanker), die vroeger uitsluitend bij volwassenen voor­kwamen. Vijftig jaar geleden werd jeugdkanker als een medische zeldzaam­heid beschouwd. Nu is kanker bij kinderen - na verkeersongevallen - de voor­naamste doodsoorzaak. 86

Volgens de jongste onderzoekresultaten worden de nitrosaminen als de ge­vaarlijkste onder de kankergiften beschouwd. Zij zijn overal in het milieu te vinden waar nitrozuren met aminen een chemische verbinding aangaan. Nitro­zuren worden uit nitraten gevormd (o.a. uit kunstmest) alsook uit stikstofoxy­de en stikstofdioxyde (bijvoorbeeld uitlaatgassen uit auto's en elektrische cen­trales). Nitrosaminen zijn te vinden in grondstoffen van de industriebedrijven, in herbiciden, in medicamenten, in levensmiddelen enz. Bij alle vivisectietests veroorzaakten de nitrosaminen kanker, 'en wel zo hevig als geen enkele ande­re stof'. De concentraties zijn volgens een bericht van D. Shapley in het tijd­schrift Science van 23 januari 1976 vooral in de steden ten dele gevaarlijk hoog. 87

De Chileense wetenschappers R. Armijo en A.H. Coulson verwijzen in hun boek Epidemiology of stomac cancer in Chile. The role of nitrogen fertilizers naar een statistisch bewezen verband tussen het gebruik van nitraatmest en maagkanker. 88

Op het Duitse kankercongres in februari 1976 in Hamburg verklaarde prof. Carl Gottfried Schmidt dat 80 procent van alle kankerziekten waaraan mensen in de Bondsrepubliek Duitsland lijden, door milieu-invloeden veroorzaakt zijn. Amerikaanse wetenschappers zijn in hun land tot dezelfde conclusie ge­komen. Professor Schmidt voorspelt dat over twintig tot dertig jaar één op de drie mensen aan de 'gesel der mensheid' ten offer zal vallen. 89 Naar prof. D.J. Tilgner mededeelt, komen ca. 430 substanties met kankerverwekkende wer­king in concentraties van 0,0002 tot 0,05 ppm voortdurend in onze voeding voor, waar zij... 'hun geleidelijk aan summerende werking ontplooien'. 90

De ernstigste bedreiging vormt dit voor de kinderen en de ongeborenen in het moederlichaam. Zij zijn enorm vatbaar voor schade door chemische gifstof­fen en radioactieve straling. De nitrosaminen dringen in het moederlichaam via de placenta tot het embryo door. 91 Reeds thans leven er in de Duitse Bondsrepubliek 360000 lichamelijk of geestelijk gehandicapte kinderen, en dit aantal stijgt ieder jaar met 40000. 92 Het is nauwelijks te overzien wat de mensen hierdoor in de toekomst aan menselijke problemen, kosten en leed te wachten zal staan. De humaangeneticus prof. Gerhard Wendt, Marburg, re­kent op kosten ter hoogte van 38 miljard DM voor de levensduur van de thans levende kinderen die aan erfelijke ziekten lijden.93 Hier moet het nauwelijks bekende feit worden aangestipt dat de grenswaarden van de radioactieve stra­len die van atoomcentrales uitgaan door de stralenbeschermingsverordening voor 'individuen ouder dan 18 jaar' van toepassing zijn. Kleine kinderen en embryo's zijn echter, naar voor- en tegenstanders van atoomcentrales een­stemmig van mening zijn, 100 tot 600 maal zo gevoelig als volwassenen. De eerste stralenbeschermingsverordening wijst weliswaar op dit feit, doch houdt desondanks geen rekening met de risico's voor embryo's en zuigelingen! Dat werpt een geheel ander licht op de voortdurende beweringen dat de stralenbe­lasting door kerncentrales zo gering zou zijn.

In de Bondsrepubliek Duitsland lijdt volgens het in oktober 1972 gepubliceer­de rapport van het Bondsbureau voor de Statistiek in Wiesbaden nu reeds één op de zeven inwoners aan een chronische ziekte .94

De belasting door levensmiddelen die door het milieu schade hebben geleden, een teveel aan calorieën, waaronder teveel vlees, vet, geraffineerd meel en suiker, en te weinig vitaminen en mineralen maken in samenwerking met spanning, lawaai en gebrek aan beweging de mens steeds vatbaarder voor ziekten. Naar het Max Planck-Instituut voor voedingsfysiologie in Dortmund heeft vastgesteld, lijdt 50 tot 60 procent van de bevolking in de Bondsrepu­bliek aan verborgen vitaminegebrek. Als één van de gevolgen van dit gebrek wordt een vermindering van de afweerkrachten van het lichaam genoemd. Hetzelfde geldt voor gebrek aan mineralen. Professor Schlierf van het klini­sche instituut voor hartinfarctonderzoek (Universiteit Heidelberg) bericht dat thans reeds 10 tot 20 procent van de bevolking aan een voedingsziekte lijdt, wat de Bondsrepubliek ieder jaar ca. 17 miljard DM kost! 95 Schadelijk zijn vooral- en wel in verschillende opzichten - de vele zoetigheden die uit geraffi­neerd meel, suiker en chocolade zijn vervaardigd. Jaarlijks geven de Duitsers alleen voor tandbedervende suikerhoudende voedingsmiddelen 15 miljard DM uit 96, wat een belangrijke invloed op de kosten voor tandheelkundige behandeling en prothese ter hoogte van 8 miljard DM heeft. 97 Met het oog op de lawine-achtig groeiende kosten eiste de Vrije Vereniging van Duitse Tand­artsen in juli 1976 dat alle zoetigheden met een speciale belasting belast wor­den.98

De voortdurende toename van civilisatieziekten kan naar de mening van auto­riteiten op geneeskundig gebied slechts door een verandering van de voedings­wijze en door verminderde consumptie worden gestopt.99 Dat komt geheel overeen met datgene wat de Heer de huidige mensen van de industrielanden in de Nieuwe Openbaring aanraadt: 'Gij zult met eten en drinken matig zijn en niet naar gekunstelde lekkere hapjes verlangen, dan zult gij naar lijf en leden lang gezond blijven.' (Gr VIII 82,11) 'Voorzeker is het echter moeilijk voor hem wiens hart vol is met allerlei wereldlijke dingen, zich daarvan te bevrij­den.' (Gr X 98, 9)

Omdat dat zo is, is de vetzucht als gevolg van overvoeding naast kanker en ernstige infecties een beangstigend gezondheidsprobleem geworden. Het der­de voedingsrapport van de Bondsregering (1976) constateert dat 56 procent van de Duitsers teveel weegt. In het eerste voedingsrapport (1969) werd het hoge suikerverbruik van 90 g per persoon per dag gelaakt en geëist werd dat dit tot 60 g per dag zou worden teruggebracht. In het jaar 1975 is het verbruik volgens het voedingsrapport tot 100 g gestegen! Letterlijk staat er verder:

'Alleen al bij de ca. 5 miljoen schoolkinderen ontstaan er door het stijgende suikermisbruik ieder jaar ca. 15 miljoen caviteiten in de tanden.'

Volgens gegevens die professor Reifferscheid in juni 1975 op het vakcongres van de chirurgen in Aken bekendmaakte zal één op de vier mensen in West­Europa voortijdig sterven aan de gevolgen van vetzucht, zoals hart- en vaat­ziekten of diabetes. 100

Een verdere bedenkelijke belasting van de gezondheid vormen tegenwoordig de in het vlees, in de worst en in de melk voorkomende antibiotica, hormonen en dergelijke. De toestanden zijn in dit opzicht zo ondraaglijk geworden dat de dierenartsen met het oog op de toename van de levensmiddelen die op zo­danige wijze schadelijk beïnvloed zijn, in juni 1975 op de landdierenartsendag van Baden-Württemberg in Konstanz van de wetgever eindelijk energieke stappen ter verhindering van de 'grijze medicamentenmarkt' eisten. De die­renartsen - zo werd er uiteengezet - konden het niet langer meer aanzien 'hoe grote hoeveelheden geneesmiddelen waarvoor een recept verplicht is, in de landbouw ongecontroleerd aan melk- en slachtvee worden toegediend en via het residu in vlees en melk de menselijke gezondheid in gevaar brengen. '101

Op een beperking van het illegale gebruik van hormonen, antibiotica enz. kon men tot in de jaren zeventig niet rekenen, omdat door de verordening van juli 1975, naar experts mededelen, onwettige handelingen in de toekomst nog minder vervolgd en bestraft kunnen worden dan tot nu toe. 'De dierenartsen worden door deze verordening regelrecht aangemoedigd tot een ongebreidel­de handel in medicamenten.'102 In het Ernährungsbericht der Bundesregie­rung 1976 verschuilen de auteurs zich, naar in een commentaar daarop wordt gezegd, in dit geval 'achter toespelingen en verzachtingen'103

Zelfs toen in 1979 het Duitse recherchebureau strengere controles eiste met het oog op de voor de volksgezondheid bestaande gevaren, werden er nog steeds geen maatregelen getroffen. In oktober 1980 werd toen door enkele controleurs het niets ontziende gedrag blootgelegd van de personen die aan de illegale markt voor dierenmedicamenten meewerken. De geconstateerde voorvallen vormden echter slechts de top van de ijsberg. De recherche was zowel wat personeel als wat de uitrusting betreft onvoldoende toegerust. Bo­vendien waren de door de rechtbanken opgelegde geldstraffen in verhouding tot de behaalde winsten belachelijk laag. Tezelfdertijd kwamen ook in Frankrijk en Italië soortgelijke toestanden aan het licht.104 Volgens de offi­ciële Beierse bekendmaking van de dierenartsen werden ook in het jaar 1983 in de Bondsrepubliek Duitsland nog steeds ca. 70 procent van de dierenge­neesmiddelen illegaal of via de grijze markt aan de man gebracht!104

Bij de opgesomde belasting van de volksgezondheid, waar particulieren mach­teloos tegenover staan, komen nog de gevolgen van schade die aan alcohol, roken en drugs te wijten is. Ieder jaar gaan er 100000 mensen vervroegd met pensioen als gevolg van nicotinemisbruik.105 Daarbij komen nog 20000 pa­tiënten wie een rokers been is geamputeerd en 25 000 longkankerpatiënten.106

Door middel van brochure 7/2070 maakte de Duitse regering bekend dat ieder jaar 140000 rokers voortijdig sterven. Het Duitse ministerie van volksgezond­heid vulde deze informatie aan met de mededeling dat 40 procent van alle kan­kerziektegevallen bij mannen door niet-roken te vermijden zouden zijn.

Alcoholmisbruik en verslaving aan drugs zijn voor een hoog percentage debet aan dronkenschap achter het stuur, arbeidsongevallen, gewelddaden en op­sluiting in gevangenissen en herstellingsoorden. De door het Duitse ministerie van volksgezondheid berekende kosten die aan overmatig gebruik van alcohol en nicotine alsook aan overvoeding toe te schrijven zijn, belopen ieder jaar de enorme som van 54 miljard DM. l07

Ook andere volksziekten nemen beangstigend snel toe. Zo bedraagt het aantal reumatiek patiënten in de Bondsrepubliek 10 miljoen, waarvan de helft perso­nen jonger dan 25 jaar betreft. 108 De door reumatiek voortijdig invalide ge­worden personen zijn nu 200000 in getal; ieder jaar komen daar 20000 ar­beidsongeschikte reumapatiënten bij. 109 Reumatologen schatten het econo­mische verlies alleen door ziekteverzuim in de Bondsrepubliek Duitsland per jaar op 14 miljard DM.110

De suikerziekte ontwikkelt zich in de industrielanden eveneens steeds meer tot een volksziekte. Sinds het einde van de laatste wereldoorlog is zij tienmaal verveelvoudigd geworden en telt 2,3 miljoen patiënten. Zo is ook de stofwisse­lingsziekte jicht tot een volksziekte geworden.111

Deze ziekten zijn een gevolg van de voedingsgewoonten van de industrievol­keren. Hetzelfde geldt voor de sterk veranderde drinkgewoonten. In april 1976 maakte het ministerie van volksgezondheid van Noordrijn-Westfalen hierover een balans op. Volgens dit document zijn er in de Bondsrepubliek thans meer dan 2 miljoen alcoholisten. Het aantal mensen dat door alcoholis­me bedreigd is wordt, naar het artsenblad Selecta bericht, op 3 tot 4 miljoen geschat. Deze stijging wordt van ministeriële zijde 'bedenkelijk' genoemd. 112 Naar de mening van prof. Volker Faust, Freiburg i.B., loopt in de toekomst welhaast één op de twee jonge mensen gevaar door buitensporig alcoholge­bruik schade aan de lever op te lopen. 113 Reeds nu komt 37 procent van alle voortijdige invaliditeit voor rekening van schade aan de lever.114

Twintig procent van de bevolking is met mycoses (schimmelziekten) besmet, zodat dit reeds een 'epidemie-achtige' verspreiding genoemd kan worden. 115 Hetzelfde kan over de op de gehele wereld toenemende allergieën worden ge­zegd, die een gevolg zijn van de 'chemisering' van onze wereld. De mogelijk­heden een allergie te krijgen zijn onbegrensd, omdat het aantal allergiever­wekkende stoffen in de lucht, in de voedingsmiddelen, de wasmiddelen, de medicamenten, de kunststoffen enz. niet te overzien is. Op het congres van het Duits Dermatologisch Genootschap verklaarde de voorzitter prof. G. Stutt­gen dat onze industrie maatschappij met haar milieuveranderingen dikwijls tot aan de grenzen van het toelaatbare gaat en dat het noodzakelijk wordt in te grijpen wanneer de agressiviteit een 'omvang aanneemt die met het behoud van het leven niet meer strookt' .116

Niet minder bedenkelijk zijn de bijwerkingen van medicamenten. Naar prof. Klaus Dietrich Bock in het vakblad Diagnostiek bericht, heeft het probleem van de bijwerkingen van medicamenten inmiddels de orde van grootte van de infectieziekten bereikt. Doch wij zien slechts de top van de ijsberg.117

Ook de toename van het aantallevensmiddeleninfecties is onrustbarend. Dat geldt vooral voor de duizenden gevallen van salmonelleninfecties. Een effec­tieve controle van de vloedgolf van ingevoerde produkten - zo constateert het Instituut voor Hygiëne en Microbiologie van de Universiteit Würzburg - is volkomen onmogelijk geworden. 118

Behalve de zojuist genoemde ziekten nemen hart- en vaatziekten, hoge bloed­druk, arteriosclerose, neuralgieën, stofwisselingsstoornissen en hernia als een lawine toe. Zij ronden het beeld van ellende af, dat de industriële maatschap­pij vertoont. Bijna 80 procent van alle ziekten moet onder de civilisatieziekten worden gerangschikt.119 Zij hebben een nimmer gekende omvang aangeno­men en sturen op een hoogtepunt aan. De daaruit voortvloeiende degeneratie­verschijnselen zullen pas in de volgende generatie volledig tot uiting komen.

De bewoners van welvaartsstaten verkeren in toenemende mate in gevaar in verschillende opzichten verslaafd te raken en als gevolg van de bandeloze le­vensvorm in onze beschaving chronische ziekten te krijgen. Bij de verslaafden behoren niet alleen de aan drugs verslaafden, doch ook alcoholisme, onmatig roken, medicamentenmisbruik en overvoeding dienen als verslavingsproble­men te worden beschouwd. De enorme kostenstijging bij de ziekenfondsen van 23,8 miljard DM in 1970tot 85,7 miljard DM in 1980, derhalve 260 procent binnen tien jaar, moet in verband met de zoëven geconstateerde feiten worden gezien. 120

Dat is de keerzijde van de alom geprezen vooruitgang en van de alsmaar stij­gende welvaart, die door alle politieke partijen is beloofd. Momenteel is ech­ter pas het begin te zien van de onoverzienbare gevolgen die deze ontstellende ontwikkeling en het betreden van een onbetrouwbare dwaalweg heeft.

In de Nieuwe Openbaring wordt echter niet alleen over 'vele kwaadaardige ziekten' gesproken doch ook over 'epidemieën en pestilentie'. Overduidelijk wordt eraan toegevoegd dat 'natuurverschijnselen en epidemieën de mensen in groten getale zullen wegmaaien' (Pr 319). Ook deze risico's worden reeds door het toenemende gevaar van de resistent*(*Resistent = met verworven weerstand tegen en onvatbaarheid voor de bestrijdingsmiddelen.) geworden bacteriën en virussen zichtbaar.121

De Malaria tropica, de gevaarlijkste vorm van deze verraderlijke wisselkoorts, is op de gehele wereld weer opgelaaid, omdat de overbrengende muggen en de malariaverwekkers resistent zijn geworden tegen de klassieke malariamidde­len. In Sri Lanka (Ceylon), waar tien jaar geleden niet meer dan 25 malariage­vallen geregistreerd waren, lijden thans weer twee miljoen mensen aan deze ziekte. In totaal zijn er nu weer 200 miljoen malariapatiënten.122 Alleen in Afrika sterven thans ieder jaar weer een miljoen kinderen aan malaria.123

Tegenwoordig zijn bovendien de resistent geworden bacteriën en virussen de schrik van ieder ziekenhuis. Thans wordt ca. 6 procent van alle Duitse zieken­huispatiënten door deze ziekenhuiskiemen ziek. Acht procent van de sterfge­vallen in ziekenhuizen zou daaraan te wijten zijn. Even alarmerend is de tege­lijkertijd te constateren afname van de natuurlijke afweerkrachten van de mensen. 124

De voortdurende toename van resistente bacteriën en virussen in de zieken­huizen is voor het Bondsgezondheidsbureau aanleiding geweest om maatrege­len ter controle voor te bereiden.125

De huidige situatie van de gezondheidstoestand van de Duitse bevolking wordt geïllustreerd door de uiting van de toenmalige president van het Bonds­gezondheidsbureau in Berlijn, prof. Georg Fülgraff, dat de ziektefrequentie niet af- doch toeneemt. Fülgraff liet er geen twijfel over bestaan dat 'de kosten van de in hoge mate technisch geworden geneeskunde in een schrille wanver­houding staan tot de daarmee bereikte successen'126.

Thans zijn de experts het er algemeen over eens dat wij wat de gezondheid en dus ook de economie betreft een ramp tegemoetgaan. Op een gegeven ogen­blik zullen niet alleen de ziektekosten in een niet meer te bekostigen mate stij­gen, doch ook het werkverzuim zal een onvermoede vermindering van de eco­nomische prestatie en daardoor een overeenkomstige achteruitgang van het produkt en de welvaart ten gevolge hebben. De gevolgen van de bandeloze levensvorm in de beschaving van de industrievolkeren zullen wellicht binnen afzienbare tijd tot een existentieel probleem worden, waaraan naties te gronde kunnen gaan.

Parallel met de lichamelijke ziekten stijgt de curve van psychische ziekten in alle industrielanden op de aarde eveneens op bedenkelijke wijze. Dertig mil­joen Amerikanen in Noord-Amerika consulteren een arts wegens psychische stoornissen. Drie miljoen mensen lijden aan neuroses. 127 De chefpsychiater van het Aisei-Hospitaal in Tokio, dr. Masakatsu Shiozaki, verklaart: 'Ik kan definitief zeggen dat één derde van alle in loondienst werkende Japanners in het voorstadium van actieve neuroses verkeert.'128

De toestanden die in dit opzicht in de Bondsrepubliek Duitsland heersen wor­den op authentieke wijze onthuld door het in 1975 door de Duitse regering voorgelegde Bericht über die Lage der Psychiatrie. Experts noemen de situatie catastrofaal. 600000 Duitsers worden ieder jaar wegens psychische crises door een zenuwarts behandeld. Ongeveer een miljoen mensen heeft echter drin­gend psychiatrische of psychotherapeutische behandeling nodig. Elf miljoen mensen in de Bondsrepubliek zijn reeds met een geestesziekte geconfron­teerd.129

Het percentage zieke en in hun gedrag gestoorde kinderen is schrikbarend hoog. Twintig procent van de kinderen is hyperactief, dat wil zeggen onrustig, zonder concentratievermogen en daardoor niet tot leren bereid.130 Men neemt aan dat er verscheidene oorzaken zijn voor deze hyperkinese: synthe­tische bijvoegingen in de levensmiddelen, lood, neonlicht in de schoollokalen (wat aan de hand van proeven schadelijk voor kinderen is geblekenl 131 en dik­wijls ook de ontbrekende moeder-kind-relatie juist in de eerste levensja­ren. 132 Bovendien zijn de kinderen door het overvloedige aanbod van prikkels in de grote steden oververzadigd, en ook voortdurend televisiekijken doet hun geen goed.

Het sterk gestegen aantal zelfmoorden bij kinderen in de leeftijd van 6 tot 15 jaar bewijst dat de kinderen in onze tijd in het ouderlijk huis en op school steeds meer ondraaglijke belastingen te lijden hebben. In de jaren vijftig kwa­men er bij kinderen 45 zelfmoorden per jaar voor, in de jaren zeventig alsook 1980 en 1981 steeg dit aantal tot 92 gevallen, en in 1982 werd de honderd voor het eerst overschreden. Daarbij komt nog het onbekende aantal pogingen tot zelfmoord, dat vermoedelijk enkele duizenden bedraagt. 133 De toename van het aantal zelfmoorden bij kinderen sinds de jaren vijftig met honderd procent moet volgens experts als alarmerend worden beschouwd. Bij alle overige leef­tijdsgroepen van zelfmoordenaars bedraagt het vergelijkende cijfer 41 pro­cent. Het toenemende aantal geestesziekten bij jeugdigen wordt kennelijk een collectieve epidemie, die het bestaan van de mensheid bedreigt.134

Volgens onderzoekingen van het Duitse ziekenfonds voor medewerkers in loondienst in juni 1975 hebben thans reeds 25 procent van alle jonge mensen storingen van de bloedsomloop. 135 De in hun gedrag gestoorde kinderen ver­tonen later een neiging tot agressiviteit, asociaal gedrag en ten dele tot vanda­lisme.136 Bij deze ontwikkeling is er sprake van een probleem dat op de gehele wereld bedenkelijke vormen heeft aangenomen. De Wereldgezondheidsorga­nisatie (WHO) wijst in haar tijdschrift Wereldgezondheid schrikbarende per­spectieven voor de toekomst aan.137

Steeds meer worden in alle landen ontspoorde energieën van dusdanige inten­siteit vrijgemaakt dat de maatschappij zich langzamerhand in haar geheel be­dreigd begint te voelen. Volgens de wetenschappers kan een te groot aantal neurotici op zekere dag de toestand van een wetteloze maatschappij tengevol­ge hebben.138 Menigeen beschouwt dat wellicht als een overdreven horrorvi­sie. Doch alleen al het volgende bericht in de Deutsche Zeitung over het gedrag van de schooljeugd in de USA helpt ons uit de droom en doet ook voor de volkeren in Europa bange vragen rijzen.

De scholieren van lagere scholen en mavo-scholen in de USA begingen vol­gens rapporten in het jaar 1974 '12000 bewapende roofovervallen, 204000 be­wapende aanvallen, 9000 verkrachtingen en 270000 inbraken binnen Ameri­kaanse scholen. Deze cijfers vertegenwoordigen echter slechts een fractie van de werkelijk begane misdaden'. 'Ieder jaar worden er op Amerikaanse lagere en mavo-scholen ongeveer honderd moorden gepleegd en wordt minstens 70000 maal een leerkracht aangevallen.'139 De agressies van de scholieren hebben zulke ondraaglijke vormen aangenomen dat het onderwijzend personeel in Los Angeles van walkie-talkies moest worden voorzien, zodat zij zo snel mogelijk politiebescherming kunnen aanvragen.

De vandalistische scholieren hebben in één jaar aan schoolgebouwen schade aangericht van meer dan een miljard DM. 'De revolver, die voor tien dollar in de omgeving van het schoolplein gemakkelijk te koop is, is het liefste wapen van de schoolkinderen geworden. '140 De toestanden op de lagere scholen in de Bondsrepubliek Duitsland worden in het tijdschrift Die Zeit van 20 mei 1983 als volgt onder de loep genomen: 'Niet alleen in de USA en Groot-Brittannië doch ook in ons land grijpen de agressies op de scholen steeds meer om zich heen; in toenemende mate hebben ook de leerkrachten eronder te lijden. Zul­len Duitse leraren net als hun Engelse collega's binnenkort ook bijzondere risicoverzekeringen moeten afsluiten?' 'Gedragsstoornissen en agressies be­zorgen de leerkrachten steeds meer last.' Deze beschrijving van de toestanden wordt in het tijdschrift aan de hand van voorvallen bewezen, die in vroeger tijden onvoorstelbaar zouden zijn geweest.

Met het zaad van de haat tegen het 'establishment' en het propageren van de anti-autoritaire opvoeding om een 'vrij volk te scheppen'141 heeft men wind gezaaid en storm geoogst. De jeugd, die in de afgelopen tientallen jaren in een op te grote voet levende overvloedmaatschappij is opgegroeid en slechts aan­bidding van de welvaart om zich heen heeft gezien, is de maatstaven kwijtge­raakt, heeft de zin van het leven niet onderkend en gaat daardoor teloor in nihilistisch gedrag.

In de Nieuwe Openbaring heeft de Heer voorspeld dat het zo zal komen wan­neer de jeugd verkeerd wordt opgevoed en geen voorbeelden meer heeft. Daar staat te lezen: 'De belangrijkste reden van de ontaarding van de mensen­zielen ligt hoofdzakelijk in de vaak door apeliefde gekenmerkte eerste jaren van de opvoeding. Men laat het boompje zo groeien als het groeit en werkt het door voortijdige verwennerij sterk in de hand dat de stam geheel krom groeit.' (Anti-autoritaire opvoeding, Egg.) 'Wanneer de stam echter eenmaal hard ge­worden is, dan hebben alle pogingen tot rechtbuigen gewoonlijk weinig of geen succes meer. Een eenmaal kromgegroeide ziel zal zelden meer een volle­dig rechte stam worden. Buigt daarom uw kinderen in hun jeugd recht, zolang het nog gemakkelijk gaat.' 'Wanneer gij echter te zeer aan de begeerten van uw kinderen toegeeft, dan zult gij daarmee ook voor alle ondeugden een nieu­we en wijde poort openen, die daardoor in groten getale vol verderf deze we­reld zullen binnendringen. En wanneer zij er eenmaal zijn zult gij tevergeefs met alle wapenen tegen hen ten strijde trekken en tegen hun kracht en macht niets bereiken.' (Gr IV 124, 2, 3 en 8)

 

Jakob Lorber waarschuwt voor de vernietiging van de bossen

 

De Japanners hadden in de Meiji-periode de bossen geveld, en het gevolg wa­ren overstromingsrampen. Na de Tweede Wereldoorlog moesten Duitsland en Japan volgens een door een Amerikaan ontworpen plan in landbouwstaten worden hergestructureerd. Daarom dwongen de Amerikanen de Japanners in 1945 de bossen te vellen en in akkerland te veranderen. Ook hier reageerde de natuur met overstromingen en bodemerosie. Doch men weet dat de tijden al spoedig veranderden, en de Japanners maakten ijlings een eind aan de vernie­tiging van de bossen.142

Dezelfde verschijnselen die enkele tientallen jaren geleden in Japan plaats­vonden nemen thans op de gehele wereld een tot dusverre onbekende omvang aan. Orkanen met zondvloedachtige regenval overstromen overal grote gebie­den. In India werden miljoenen mensen door de buiten hun oevers tredende rivieren geteisterd. Dit land was in 1865 nog voor 57 procent met bos bedekt, thans is er nauwelijks nog tien procent over.143 De wetenschappers weten nu dat de huidige roofbouw op de bossen zeer ernstige gevolgen zal hebben. Te­vergeefs waarschuwen zij voor de daarmee gepaard gaande verstoringen van het gevoelig reagerende ecologische systeem.

Ook in de Nieuwe Openbaring wordt de mensheid voor de vernieling van de bossen gewaarschuwd, vooral voor de roofbouw 'van een losgeslagen indu­strie' (Gr IX 63,6). Uitdrukkelijk wordt er op het verband tussen het verdwij­nen van de bossen en optredende orkanen gewezen. 'Zolang er bossen op de aarde in evenwichtige mate bestaan. . ., zolang zult gij boven de aardbodem geen al te heftige elementaire stormen, noch tezeer uiteenlopende pestilentiën zien voorkomen. Wanneer echter de onverzadigbare zucht naar winst van de mensen zich te zeer aan de bossen van de aarde zal vergrijpen, dan zal het voor de mensen moeilijk leven en bestaan zijn op deze aarde, en het moeilijkste daar waar de open plekken (gevelde bossen, Egg.) te zeer de overhand krijgen - dat dient gij te onthouden om de mensen tijdig voor deze losgeslagen indu­strie te waarschuwen.' (Gr IX 63, 6)

'. . . dichte wouden zijn noodzakelijk, zij hebben duizenden verschillende doel­einden.' (Gr VIII 63, 4)

Inderdaad is de flora en fauna van het bos een zeer gecompliceerd, extreem veelledig systeem; de complexiteit van dit systeem is echter vooral met betrek­king tot het klimaat, de zuurstofvorming enz. over het algemeen weinig be­kend.

Doch de industrielanden noch de ontwikkelingslanden houden rekening met de onafwendbare gevolgen van de ontbossing.

Als gevolg van de explosie-achtige bevolkingsgroei wordt in Zuid- en Zuid­oost-Azië ieder jaar meer dan 15 miljoen hectare bos door ontginning en vuur­ontginning vernietigd. 144 De roofbouw in de wouden van de Aziatische berg­ketenen met de hoogste bergen ter wereld heeft reeds tot zorgwekkende erosie van de hellingen en tot overstromingen van de reusachtige laaglandgebieden in India geleid. 145

Binnen enkele tientallen jaren werden reusachtige wouden in het noorden van Brazilië geveld. Sinds 1900 is het percentage bebost gebied van 40 procent tot 5 procent gedaald. Zoals te verwachten was volgden daarop grote overstromin­gen. 146

Volgens de berichten van experts bedroeg het bosoppervlak van de aarde hon­derd jaar geleden 4,5 miljard m2, in 1960 nog 2,7 miljard m2.147 Als gevolg van de vermindering van de beboste oppervlakken constateerden geografen, bota­nici en ecologen alom een alarmerende uitbreiding van de woestijnen.148

Naar kenners in de UNO berichten zal één derde van het thans op de gehele wereld gecultiveerde land binnen de komende vijftien-jaar door erosie onbe­bouwbaar worden. Het is mogelijk dat ook gebieden die tot dusverre als onaantastbaar werden beschouwd, zoals de USA en Canada, bij de bedreigde gebieden behoren. 149

Jakob Lorber heeft voorspeld dat de ontbossingen op grote schaal ernstige ge­volgen zullen hebben: '. . . gij zult de gevolgen daarvan zeer bitter smaken en al spoedig gevoelen.' '. . . verschrikkelijke stormen zullen hele landen volkomen te gronde richten.' (Gr V 109, 1)

Dat is in onze eeuw werkelijk bewaarheid! De kaalslag van geweldige bosstreken in de USA en het invoeren van monoculturen zonder de bescherming van hagen heeft in de twintigste eeuw tot gevolg gehad dat geweldige gebieden verloren gingen. In maart 1934 sleurde een tornado 300 miljoen ton humusaar­de de Atlantische Oceaan in. 160000 boeren hadden grote boederijen in deze streek, die zij op één dag kwijtraakten. Het gehele gebied wordt door prof. Yudkin op 120 miljoen hectare geschat. 150 (Dat is 1,2 miljoen km2; ter verge­lijking: Bondsrepubliek Duitsland = 248000 km2.)

Letterlijk bericht een auteur: 'Midden in de gebieden die nog enkele jaren geleden de rijkste aanbouwgebieden van tarwe van Amerika waren, is een op­pervlak van de grootte van Duitsland en Frankrijk echte woestijn geworden, en nog eens datzelfde oppervlak is door verwoesting bedreigd. 151 Twee derde van het oppervlak van de Verenigde Staten bestaat thans uit door mensen gemaak­te woestijn. 152 Om de erosie tegen te gaan moet de USA ieder jaar één miljard dollar uitgeven.

Is het niet letterlijk van toepassing wat Lorber in het midden van de vorige eeuw profeteerde, dat gebieden die qua omvang met 'hele landen' gelijkstaan, 'volkomen ten gronde gericht', d.w.z. tot woestijn worden? En dat de 'gevol­gen bitter zullen smaken'?

In Afrika zal het ooit tot een dergelijke ramp komen. Dit werelddeel verliest ieder jaar 300 miljoen ton humusaarde; over vijftien jaar zal het wellicht niet meer in staat zijn de eigen bevolking te voeden.153

Onophoudelijk worden overal op de wereld reusachtige wouden vernietigd voor de aanwinning van bouw- en weiland, voor houtwinning als brandstof voor de inboorlingen, die voortdurend talrijker worden, alsook voor de enor­me hoeveelheid hout die de industrielanden nodig hebben. Grote delen van deze voormalige bosgebieden zijn inmiddels reeds door erosie en overbewei­ding tot steppe of woestijn geworden;. Reusachtige weide gebieden moesten opgegeven worden. Onze wereldbol is hard op weg om kaal en steenachtig te worden. In alle droge gebieden van de aarde worden de woestijnen snel gro­ter. Naar de experts van de wereldwoestijnconferentie mededelen, heeft dat nu reeds gevolgen voor het klimaat en de waterhuishouding. 154 Naar de weten­schappers mededelen, kan het vellen van de wouden op de gehele wereld een algemene temperatuurdaling op de aarde tot gevolg hebben. Als nevenwer­king zouden de grote landbouwgebieden in Noord-Amerika en Europa wel eens door voortdurende droogten geteisterd kunnen worden.155 En Jakob Lorber zegt in dit verband: 'Gaat heen en vernietigt alle bossen...' 'Wat zal daarvan echter het gevolg zijn? ... Wolkbreuken van verschrikkelijke hevig­heid en niet-ophoudende hagel zullen alsdan de gehele streken en ook de verre omgeving verwoesten.' (Gr IV 143, 5)

Sinds 1982 komen uit de Bondsrepubliek Duitsland en haar buurlanden verschrikkelijke tijdingen over het steeds grotere aantal stervende bossen door belasting met chemicaliën. De oorzaken van de woudsterfte in Centraal-Euro­pa zijn naar de mening van experts 20 tot 30 jaar geleden te zoeken. Sinds tientallen jaren worden de bossen met zwaveldioxyde, stikstofoxydes, ozon, fotoöxydantia en giftige zware metalen belast, en de gevolgen daarvan worden nu met onverwachte snelheid zichtbaar. De plotseling optredende woudsterfte is de aankondiging van de op zekere dag algemeen optredende ineenstorting van het gehele ecologische systeem, welks weerstand door de steeds groter wordende belasting uitgeput is.

Inmiddels hebben onderzoekresultaten van wetenschappers van de Universi­teit Nottingham (Engeland) aangetoond dat in de toekomst ook het graan door zwavel dioxyde schade zal lijden, zodat 'opbrengst en kwaliteit achteruit zullen gaan.' Evenzo waarschuwde in mei 1983 de Bond voor Natuurbescher­ming dat de volgende milieuramp reeds zijn schaduwen vooruit werpt. De ver­woesting van de bodem zal door het te sterke chemische mesten alsook door de stijgende hoeveelheden cadmium in de akkers binnen afzienbare tijd tot ge­volg hebben dat steeds grotere gebieden in de Bondsrepubliek Duitsland niet meer voor landbouw kunnen worden gebruikt.' 156 Datgene wat Jakob Lorber voorspeld heeft begint ook op dit gebied bewaarheid te worden. De schade die door de chemie is veroorzaakt wordt meer en meer duidelijk. Lorber voorspel­de: 'Er zullen epidemieën en pestilentiën bij mensen*(* 'Kanker', zo zegt prof. S. Eppstein van de UniversityofIllinois (USA), 'is de pest van de twintig­ste eeuw.'), dieren en - zelfs bij planten optreden.' (Gr Ev VIII 185) 'De oordelen zullen steeds veelvuldiger worden.' (Gr VI 150, 15)

Tevergeefs waarschuwt de Heer in de Nieuwe Openbaring: 'Leert de mensen daarom wijs te zijn, aangezien zij anders zelf de oordelen zullen oproepen. Ik weet echter dat het zo zal komen, en desondanks mag Ik niet door Mijn al­macht, doch slechts door de leer hinderend optreden.' (Gr V 109, 7)

Wanneer men de vervuiling van de lucht, de vergiftiging van de rivieren, het grondwater en de zeeën alsook de roofbouw op de wouden in aanmerking neemt, dan worden de welhaast helderziende uitspraken van Friedrich Georg Jünger, die destijds door de technocraten zo vijandig bejegend werd, uiterst actueel. 'Het demonische vervult het gehele werkbereik van de techniek en ontplooit zich daarin met een steeds groeiende kracht.'

'De techniek kan weliswaar perfectie teweegbrengen, doch nimmer rijpheid.' 'Godsdienst, politieke en sociale alsook economische overwegingen hebben in deze denkwijze geen plaats.' 'De praktische roofbouw die de techniek pleegt, is in het denken van de technicus zelf terug te vinden.' 'Het zijn duistere dingen die hier naar voren komen.'157

In alle landen op de aarde zien de politici werkeloos toe en laten de dingen maar op hun beloop. Industrie en landbouw willen alleen maar meer produce­ren. Het materialisme is zo de rechtvaardigingsideologie van de techniek en van de industrie die deze leidt. Nog heeft de massa niet onderkend in welke richting het gebeuren loopt en welke betekenis moet worden toegekend aan de tevoren uit de Nieuwe Openbaring geciteerde zin' . . . Ik weet echter dat het zo zal komen.'

 

De dreigende verandering van het klimaat

 

Met zorg slaan de klimatologen en meteorologen in alle landen in het Westen en in het Oosten de voortekenen voor een ophanden zijnde globale weersver­andering door de milieuschade gade.

Het merendeel van de geleerden gelooft thans dat alle voortekenen erop wij­zen, dat de vervuiling van de atmosfeer tot een temperatuurdaling zal leiden. De luchtvervuiling vermindert de stralingsenergie van de zon. Vanaf de aarde komt ieder jaar de geweldige hoeveelheid stof van 1,6 miljard ton in de atmo­sfeer terecht. 158

De Engelse wetenschappelijke auteur Nigel Calder huldigt in zijn boek De weermachine - dreigt er een nieuwe ijstijd? (1975) het standpunt dat ook de verschrikkelijke droogte van de laatste jaren in de Afrikaanse Sahelzone in het kader van globale wisselwerkingen binnen de 'weermachine' verband houdt met de toenemende afkoeling in het noorden. 159 Ook de Japanse meteorolo­gen van de landelijke weerdienst in Tokio zien de oorzaken van de droogtepe­riodes (bijvoorbeeld in de Sahelzone) en de plotselinge verwoestende over­stromingen in alle delen van de wereld in de voortdurende afkoeling van de poolgebieden, die sinds ongeveer tien jaar wordt gemeten.160

Het staat vast, dat de vertroebeling van de atmosfeer door het steeds toene­mende gebruik van spuitbussen op de gehele wereld steeds ernstiger vormen zal aannemen als de groei blijft voortgaan. Talrijke meetresultaten, die voor de meest uiteenlopende gebieden van de aarde voor de afgelopen tientallen jaren zijn verzameld, tonen dat duidelijk aan. 161 De directe zonnestraling, die het aardoppervlak bereikt, is thans reeds ca. 8 procent geringer dan ten tijde van de Tweede Wereldoorlog.162 'Vanuit ons standpunt bezien', schrijft een Amerikaanse astronoom, 'is de atmosfeer van de aarde en het aangrenzende heelal tot op een hoogte van enkele duizenden kilometers allang een vuilnis­belt geworden.'

Deze hoogst bedenkelijke ontwikkeling is, daar is men het algemeen over eens, vooral aan auto's en vliegtuigen te wijten. Zowel boven de USA als bo­ven de Atlantische Oceaan is de cirrusbewolking op 9 tot 12 km hoogte duide­lijk toegenomen, boven de Atlantische Oceaan en Europa met 10 procent. 163 Ook in de USSR ontving de aarde in 1967 ca. 10 procent minder zonlicht dan in 1940. 164

Bij de vervuiling van de atmosfeer door de industrie, de auto's en de vliegtui­gen komt nog de vulkanische activiteit op de aarde, die sinds de jaren vijftig in opvallende mate toeneemt. 165

De wetenschappers zijn het er algemeen over eens dat de reusachtige warmte­voorraad van het noordelijke zeegebied binnen de afgelopen twintig jaar met 5 procent is verminderd en dat, naar dr. Rodewald (Zeemeteorologisch Insti­tuut, Hamburg) in het tijdschrift Umschau in Wissenschaft und Technik be­richt, de graad van afkoeling sinds 1964 steeds sterker is geworden en in 1972 voor de eerste keer beneden een lang stabiel gemiddelde is gedaald. 166 Daar­mee komt ook de constatering van het geologische observatorium van de Co­lumbia Universiteit in New York overeen dat de eeuwige sneeuw- en ijskorst sinds 1971 12 procent groter is geworden.167

De ijsmassa's in Antarctica zijn in 1966 en 1967 met 10 procent gegroeid en zij groeien langzaam verder. 168 Dat deze trend sindsdien is voortgeschreden, be­wijst de mededeling in het tijdschrift Nature van november 1980. Volgens dit bericht hebben onderzoekers van de Universiteit Maine (USA) vastgesteld dat de ijsgebieden van Antarctica nog steeds groter worden. 169 In de afgelo­pen 30 jaar is de gemiddelde temperatuur van het totale noordelijke halfrond met 0,50°C gedaald. Dit geringe temperatuurverschil heeft een veel grotere betekenis dan men kon aannemen. 170 In 1980 bevestigden wetenschappers op­nieuw dat ondanks de sinds 1940 vele malen groter geworden kooldioxydepro­duktie de ontwikkeling naar een koeler klimaat is voortgeschreden, wat ook door het oprukken van de alpengletsjers wordt bevestigd.171 De klimatologen zijn het er vrij algemeen over eens dat een vermindering van de zonnestraling met slechts één procent voldoende zou zijn om een afkoeling teweeg te bren­gen. Reeds nu zijn er voortekenen te bespeuren die erop wijzen dat de graan­bouw achteruit wordt gedrongen. Dit verschijnsel wordt zowel door Canadese als Sovjet-russische wetenschappers bevestigd. 172 Tegelijkertijd berichten or­nitologen dat 'in het noorden thuishorende vogelsoorten steeds meer naar het zuiden opdringen' .173

De Meteorologische Wereldorganisatie (OMM) in Genève is bezorgd over de klimaatveranderingen en is van mening dat 'de wereld alle reden heeft om zich zorgen te maken over de levensomstandigheden van haar kinderen en kinds­kinderen' .174

Hoe ernstig de situatie wordt opgevat, valt op te maken uit het feit dat de ge­heime dienst van de USA, het Centra! Intelligence Agency (CIA), bij vooraan­staande wetenschappers studies over de klimaatveranderingen in opdracht heeft gegeven. Nu interesseerde men zich hevig voor het vrijgegeven bericht van de CIA. Daarin wordt kort en bondig verklaard dat 'wij een nieuwe ijstijd tegemoetgaan'. Prof. Reid A. Bryson, 'één van de bekendste en meest geachte klimatologen ter wereld', wijst erop dat het klimaat in de afgelopen 50 tot 60 jaar buitengewoon gunstig is geweest en dat wij naar een neoboreale of 'kleine ijstijd' toegaan. 175 'Alle wetenschappers zijn heter over eens', staat er in het boek De klimaatschok 'dat ons weer, de belangrijkste factor voor het overle­ven van de beschaving, thans in ongunstige richting verandert.'176

Wat het opwarmen van de aarde door het door auto's, industrie en bij bos­branden geproduceerde kooldioxyd betreft is professor Bryson van mening dat de verwarmende werking door het afkoelende effect van de stofmassa's teniet wordt gedaan. 'De aarde', zegt professor Bryson, 'zou door dit stof nog meer zijn afgekoeld dan in werkelijkheid het geval is wanneer de meetbare en toenemende hoeveelheden kooldioxyd er niet zouden zijn. '177 Ook de resulta­ten van de observaties van de Sovjetrussische geleerden wijzen op een afkoe­ling in de komende tientallen jaren.178 Ook Duitse klimatologen huldigen sinds kort de mening dat 'de sinds ongeveer dertig jaar gemeten verslechtering van het klimaat en afkoeling in onze breedtegraden meer op het overwegen van deze invloeden dan een doorslaggevende werking van het broeikaseffect wijst.'179

Het weer zweert samen tegen de mensheid, de natuur slaat terug. De gevolgen daarvan zijn in hun beginfase reeds te zien. 'In de loop van de komende tiental­len jaren', staat er in het boek De klimaatschok, 'kunnen wij van perioden van droogte en overstromingen, hurricanes en tornado's alsook verstikkende sneeuwval verzekerd zijn.'180 De klimaatverandering zal misoogsten, honger, watergebrek, overstromingen en sterk gestegen verwarmingskosten ten gevol­ge hebben.

'Het klimaat', staat er in het CIA-rapport te lezen, 'is thans de beslissende factor. De voedingspolitiek zal voor alle regeringen een probleem worden.'181 'Binnen enkele jaren', zegt de Sovjetrussische professor S. Vendrov, 'hebben wij het ecologische evenwicht grondig vernield, dat in duizenden jaren was ontstaan.'182

De waarschuwing van Jakob Lorber voor de vernieling van de bossen op de aarde blijkt nu reeds gegrond. Thans onderkennen de wetenschappers het ver­band tussen de veranderingen die in de natuur plaatsvinden en de ontbossing van reusachtige gebieden in korte tijd. De bosbouwkundige prof. Brüning, Hamburg, beschouwt de verwoesting van het tropische oerwoud als de 'glo­baal gevaarlijkste milieuverandering in onze tijd.'183

In de Nieuwe Openbaring is zeer exact voorspeld dat 'door de vernietiging van de bossen de stormen en onweersbuien vrij spel hebben en zelfs de klimaatom­standigheden van verschillende landen daardoor volledig veranderen' (LGh, blz. 208)

De prometeïsche mens van onze technische en vijandig tegenover de natuur staande tijd ontwikkelt een grenzeloos streven naar macht en wInst. Gefasci­neerd door vooruitgang en groei, pleegt hij voortdurend ernstige inbreuken op de natuur. In de nadagen van onze hoogontwikkelde cultuur brengt hij waar­schijnlijk door de vernieling van het ecologische systeem 'een vooruitgang naar het einde' teweeg. De vijandige instelling ten opzichte van de natuur en de luciferische hoogmoed komen dikwijls en duidelijk tot uitdrukking, zoals bijvoorbeeld in de volgende woorden van Voegelin: 'Om als onbegrensd meester over zijn bestaan te schijnen, moet de mens het bestaan zo beperken dat de beperkingen niet meer zichtbaar zijn. '184

Profetische woorden zijn met het volle gewicht van hun betekenis meestal pas dan te begrijpen, wanneer de gebeurtenissen waarop zij betrekking hebben reeds hebben plaatsgevonden. Momenteel worden zij reeds in vele aspecten en op schrikbarende wijze duidelijk. Na de voorafgaande uiteenzettingen zal het gemakkelijker te begrijpen zijn wat de aan het begin van dit hoofdstuk geciteerde uitspraak van Lorber te betekenen heeft, die wij hier herhalen om­dat het van zulk groot belang is: 'Het is zeer wel mogelijk, dat de mensen in de loop der tijden grote zaken uitvinden en ook op de natuur van de aarde zoda­nig gaan inwerken, dat deze zeer lek (d. w .z. beschadigd, niet meer functione­rend, Egg.) moet worden. De gevolgen daarvan zullen echter geenszins aange­naam zijn...' (Gr V 109, 6) En verder verklaart de profeet aan de huidige mensheid op niet mis te verstane wijze: 'Ik zeg u: alle calamiteiten... slecht weer, orkanen en allesverwoestende overstromingen en dergelijke zijn alle­maal het gevolg van de onordentelijke handelwijze van de mensen.' (Gr IV 144, 2)

In de Nieuwe Openbaring wijst de Heer de mensen erop dat Hij in Zijn wijs­heid alles zeer goed heeft geregeld en dat er niets aan het toeval wordt overge­laten. Het uiterst gecompliceerde ecologische systeem wordt door een on­zichtbare hand voortdurend in evenwicht gehouden, en wel zolang de mens geen storende inbreuk daarop maakt. Daarom staat er in de Nieuwe Openba­ring geschreven: 'Mijn orde is zeer wel berekend en Mijn blikken zijn op alles gericht, opdat van het allergrootste tot het allerkleinste het één tot behoud van het ander dient.' 'Alles is zo beschikt, dat het eeuwig kan bestaan, wanneer niet de vrijwillige slechtheid van de mensen stoornissen in Mijn eeuwige orde teweegbrengt, die Ik niet mag verhinderen...' (Hi I, blz. 138,24 e.v.)

 

Vernietiging van de ozonlaag rondom de aarde en uitwissing van alle leven op aarde?

 

Gevaren van volledig andere aard, die tot dusverre nauwelijksvermoed wor­den, staan de mensheid te wachten. Op een hoogte van 25 tot 39 km is de aarde omgeven door een ozonlaag, die de onzichtbare ultraviolette bestanddelen van het zonlicht filtert, zodat dit wel de mens bruin maakt, doch hem - voorop­gesteld dat hij het zonnebaden niet overdrijft - geen kwaad doet. Zonder deze ozonlaag zou alle leven op aarde uitgewist worden. Het gevaar van een vernie­tiging van de ozonlaag binnen enkele tientallen jaren bestaat sinds enige tijd door de thans op de gehele wereld gebruikte fluorkoolwaterstoffen (merkna­men: Freon, Frigen, F. TF. Solvent), die haarspray, deodorants, zonneolie, verf, reukstoffen, isolatiemantels, pesticides of lijm uit spuitbussen drijven. Deze stoffen worden echter ook als koelmiddel in koelkasten en air-conditio­ning-installaties gebruikt. De voornoemde fluorkoolwaterstoffen zijn niet op­losbaar en gaan ook geen verbindingen met andere chemische stoffen aan doch stijgen omhoog naar de bovenste lagen van de atmosfeer en komen na verloop van tijd in de stratosfeer terecht, waar zij met het ozon chemisch rea­geren en zodoende de natuurlijke bescherming tegen het zonlicht vernietigen. De koolwaterstoffen kunnen bij een produktie van bijna een miljoen ton per jaar 'de allergrootste bron van gevaar voor de beschermende ozonmantel wor­den'. Met het afnemen van de beschermende laag zal het aantal gevallen van huidkanker snel toenemen. Prof. F.S. Rowland (Universiteit Irvin, USA) re­kent op een jaarlijkse toename van 100000 gevallen van deze ziekte, wanneer deze ontwikkeling niet wordt tegengegaan.

De populaire spuitbussen roepen nog andere gevaren op. Bij een afname van het ozongehalte met slechts 5 procent zal, naar wetenschappers mededelen, de intensiteit van de ultraviolette straling op het aardoppervlak 26 procent toene­men. Daardoor zou de produktie van fytoplankton in de zee, dat 60 procent van de zuurstof op aarde produceert, te lijden hebben, alsook de gekweekte planten die voor de voeding noodzakelijk zijn. In augustus 1981 maakte het US-ruimtevaartorgaan (NASA) openbaar bekend dat de beschermende ozon­laag op 40 km hoogte reeds 4 procent is teruggelopen.185 De wetenschappers verklaren dat hun computerberekeningen duidelijk aantonen dat 'de gassen in de jaren 1985 tot 1990 in de ozonlaag hun volledige werking zullen ont­plooien'. 'De potentiële situatie kan slechts globaal en gevaarlijk worden ge­noemd.'186 Naar de Nationale Researchraad van de USA heeft vastgesteld, zijn de bewijzen sterker geworden dat enkele soorten huidkanker reeds bij een geringe afname van het ozongehaltetoenemen.187

Weliswaar is in sommige landen de produktie van fluorkoolwaterstof verbo­den of vrijwillig gestaakt, doch in andere landen gaat men ermee door. Boven­dien mag men niet over het hoofd zien dat chloororganische oplosmiddelen, stikstofoxydes e.d. ook een ontwrichtende invloed op het ozonomhulsel heb­ben. In het tijdschrift Umschau in Wissenschaft und Technik van mei 1980 wordt bericht dat men met verbeterde wetenschappelijke methoden heeft ge­constateerd dat de door mensenhand veroorzaakte vernietiging van de ozon­laag zeer veel sneller zal voortschrijden dan tot dusver is aangenomen. De we­tenschappers spreken over een 'planetaire tijdbom.'188 De volgende, in de Frankfurter Allgemeine Zeitung geuite zorg behandelt de risico's die veroor­zaakt worden door de vloed van chemicaliën waaraan de mensheid is blootge­steld: 'Het moet ons toch tot nadenken brengen dat een scheikundig preparaat sinds vele jaren bij miljoenen tonnen in het milieu terecht kon komen zonder dat zelfs maar bij benadering bekend was waar het blijft en welke reacties het kan veroorzaken. '189 'In Mijn grote huishouding' , wordt de mensen van onze tijd door de Heer gezegd, 'is alles welberekend. Een ingreep door mensen­hand kan zich slechts aan de mens zelf wreken, omdat hij zijn berekeningen hoger aanslaat dan de Mijne.' (LGh 208)

 

De profeet voorspelt hongersnood op de gehele wereld door menselijk falen

 

In de Nieuwe Openbaring staat onder meer: 'Het zwaard heeft al erg huisge­houden (de twee wereldoorlogen en de daarop volgende plaatselijke oorlo­gen, Egg.), doch zolang de mensen nog langer in de vloed van de heerszucht drijven (strijd van de grote mogendheden om de wereldheerschappij, streven naar hegemonie van de aspiranten op vele gebieden, Egg.) zal Ik nog een an­dere engel zenden, namelijk de honger- en tegelijkertijd pestengel. Deze le­ringen zullen de mensen beslist andere normen leren kennen dan die welke hen thans bezielen.' (Wiederk. 67)

Tegen Lorber werd er gezegd dat, wanneer de techniek van onze tijd een hoog peil zal hebben bereikt, zodat de 'schepen als een stormwind over de golven der wateren snellen, deze zelfs het hoofd bieden en door hun grimmig aange­zicht klieven', de tijd der euvelen op aarde spoedig zal aanbreken. Het 'grote vuur des oordeels uit de hemelen' is dan, naar Lorber mededeelt, niet meer ver verwijderd. Aan deze tijd des oordeels zullen echter eerst nog andere plagen voorafgaan. 'Doch al spoedig na deze (zoëven beschreven tijd, Egg.) zal het er op aarde voor het leven van de mensen zeer slecht gaan uitzien. Er zullen oor­logen, grote duurte en hongersnood ontstaan, want de aarde zal onvruchtbaar­der worden.' (Gr III 33, 4).

De aarde wordt onvruchtbaarder? Is de chemische industrie er dan niet in ge­slaagd de oogstopbrengst door middel van kunstmest tot een veelvoud van de oorspronkelijke hoeveelheid te verhogen? Dat wel, maar desondanks wordt nu reeds Lorbers profetie bewaarheid! De niet te overziene gevolgen die de klimaatveranderingen voor de oogstopbrengst op het noordelijk halfrond zul­len hebben zijn reeds elders duidelijk gemaakt. Voor de bodem bestaan er echter nog andere gevaren; deze zijn alleen nog niet tot het bewustzijn van de meeste mensen doorgedrongen.

Tevoren is reeds aangetoond in welke enorme omvang de bodemerosie als ge­volg van de ontbossing is toegenomen en dat daardoor geweldige gebieden door zandstormen en overstromingen verloren zijn gegaan; en de erosie gaat onophoudelijk verder. Tegelijkertijd moeten wij echter in de toekomst vol­gens Lorbers verkondiging op afnemende vruchtbaarheid van de bodem reke­nen. In vakkringen is dat bekend, evenals de reden ervoor.

De door Justus von Liebig naar voren gebrachte theorie dat alleen anorgani­sche stikstoffen voor de groei van de planten van betekenis zijn, werd lange tijd als een dogma beschouwd. Inmiddels is deze theorie echter volledig on­juist gebleken. Thans weet men dat zonder toevoer van organische stoffen (stalmest, turf enz.) mettertijd de bacteriologische rijpheid, d.w.z. de gezonde rulheid van de grond teloorgaat. Zonder toevoer van organische stoffen gaat namelijk het aantal grondbacteriën sterk achteruit. Voor de humusvorming zijn deze miniscule levende wezentjes van essentieel belang; wanneer zij ont­breken zijn er weldra geen regenwormen meer en is het met de gezonde grond al spoedig gedaan. Het is echter aangetoond dat de grondbacteriën zich bij

intensief en voortdurend gebruik van mineralische kunstmest onvoldoende vermenigvuldigen, hun aantal gaat al spoedig achteruit. De nobelprijswinnaar Virtanen (Helsinki) kon aantonen dat de bacteriën hun fysiologische activiteit onmiddellijk beperken of zelfs stopzetten wanneer de grond met stikstofmest wordt verrijkt.190 De aan organisch materiaal verarmde grond is gevoeliger voor het ontstaan van infecties. 191 Ook monoculturen hebben een schadelijke uitwerking, omdat de grondflora daarbij eenzijdig wordt. Ongedierte wordt slechts tot een plaag wanneer er in de natuur iets in de war is gebracht.

Het behandelen van de grond met kunstmatige stikstof heeft nog een andere bedenkelijke nevenwerking. De directeur van het Duitse instituut voor kwali­teitsonderzoek, prof. W. Schuphan in Geisenheim am Rhein, toont op on­weerlegbare wijze de vicieuze cirkel aan waarin wij door de chemie terecht zijn gekomen, en wel met de volgende uiteenzetting (1971): 'Te sterk mesten met stikstof (nitraten) maakt onze voedingsplanten aanzienlijk vatbaarder voor ziekte en ongedierte. Dat maakt weer een versterkt gebruik van chemische pesticiden noodzakelijk. Bovendien vermindert het hoge stikstofpercentage het gehalte aan vitaminen en mineralen van de planten, die voor de mensen van levensbelang zijn.' Momenteel worden de aan verkeerde voeding te wijten civilisatieziekten niet op de eerste plaats door schadelijke stoffen doch door een gebrek aan vitale stoffen veroorzaakt. 192 Wanneer men muizen mineraal­vrije kost te eten geeft, dan sterven zij volgens een bericht van prof. Heupke na korte tijd. De sterkere vatbaarheid die het vee voor ziekte vertoont is 'te wijten aan het voederen met voederplanten die met kunstmest gemest en met pesticide behandeld zijn.'193.

Het magnesiumgehalte is bij sommige voederplanten door de mineraalmest­stof zo sterk gedaald dat koeien aan tetanus (kaakklem) stierven. 194 Het mine­raal-stikstofmesten heeft niet op de laatste plaats - naar de Zwitserse melkcon­ferentie vaststelde - ook onprettige gevolgen voor de kwaliteit van de gepro­duceerde melk en kaas. 195 Volgens het rapport van de Club van Rome 'Over de situatie van de mensheid' 196 moesten, bij een toename van de wereldvoe­dingsmiddelenproduktie met 34 procent tussen 1951 en 1966, ca. 300 procent meer giftige middelen tot insektenbestrijding gebruikt worden. Aangezien de weerstand van het ongedierte tegen de gifstoffen onverwacht sterk is toegeno­men, moeten er in de toekomst nog meer giften versproeid worden. Naar prof. Friedrich Dittmar mededeelt zijn er thans ongeveer 1300 pesticiden in ge­bruik. 197 Welke gevolgen dat binnen afzienbare tijd algemeen kan hebben wordt door het volgende voorbeeld verduidelijkt: de grond van de staat Mas­sachusetts (USA) is door het sterke gebruik van insecticiden dermate vergif­tigd dat één van de grootste Amerikaanse conservenfabrieken, die ook kinder­voeding produceert, ervan moest afzien om op deze bodem geoogste groenten en fruitsoorten te kopen. De onderzoekingen die naar aanleiding van de smaakveranderingen waren uitgevoerd hadden aangetoond dat deze produk­ten zeer aanzienlijke resten DDT en andere insecticiden bevatten, 198

Deze bedenkelijke ontwikkeling heeft er in de USA reeds toe geleid dat de rechtbanken werden ingeschakeld. Het hoogste gerecht heeft daar beslist dat de Amerikaanse levensmiddelenproducenten op de verpakkingen moeten vermelden of hun produkten DDT of Dieldrin bevatten. 199 Dieldrin is vier- tot vijfmaal zo giftig als DDT. 200 In 1983 wezen Amerikaanse landbouwweten­schappers er nadrukkelijk op dat de grond in de belangrijkste tarwe-aanbouw­gebieden van de USA dichtbij een totale ondergang staat. 201

In de Bondsrepubliek gaat volgens een uitspraak van de bioloog Professor Schuphan, Mainz, het toxicologische onderzoek van uit het milieu afkomstige schadelijke stoffen 'langs de biologische werkelijkheid heen' 202. Te zelfder tijd wees prof. G.H.M. Gottschewski van het Max Planck-Instituut voor Im­munologie in Freiburg LB. de bewering dat het gebruik van pesticiden (insek­tenbestrijdingsmiddelen) en herbiciden (onkruidverdelgingsmiddelen) on­schadelijk zou zijn, als 'niet-bewezen en uiterst onbezonnen' van de hand. 203 In de Bondsrepubliek is thans reeds zeven procent van de bebouwde grond zo sterk met chemicaliën belast dat deze volgens de door experts in 1983 getroffen constateringen 'nauwelijks meer te gebruiken zijn'. 204

De Amerikaanse kankeronderzoekers dr. Th. Slage en dr. R. Shearer van het Hutchinson-Researchinstituut in Seattle/Washington berichtten in maart 1976 op een congres van Amerikaanse wetenschappers dat kankerverwekkende chemicaliën in het milieu en in de voeding zo talrijk voorkomen dat het onmo­gelijk zal blijken om alle gevaren uit de weg te ruimen. Tachtig procent van alle kanker bij mensen wordt volgens dit bericht door chemicaliën in het mi­lieu, twintig procent door chemicaliën in levensmiddelen veroorzaakt. 205

Schrikwekkend is ook de mededeling van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) van mei 1975 dat het aantal zware vergiftigingen door het overmatige gebruik van bestrijdingsmiddelen op de wereld tot 500000 per jaar is geste­gen.206

Opmerkelijk zijn de officiële mededelingen over het onderzoek van levens­middelen in de jaarverslagen van de onderzoekinstellingen van de Bondsrepu­bliek Duitsland. Volgens deze verslagen was ca. 40 procent van de binnenland­se levensmiddelen die van conservatieve (dus niet-biologische) aanbouw af­komstig zijn, met resten van pesticiden belast. 207 In het onderzoek van uit bio­logische aanbouw afkomstige produkten door de stichting Waren test, dat in februari 1976 plaatsvond, staat over resten van pesticiden te lezen: 'De belang­rijkste groepen pesticiden - gechloreerde koolwaterstoffen en fosforzuures­ters - konden bij geen van de biologische produkten worden aangetoond. '207 Bij de in groten getale geconstateerde gifresten merkt prof. W. Schuphan op: 'Wij weten niet of de voortdurende aanvoer van toxische pesticidesubstanties en hun omzettingsprodukten (metabolieten) - zelfs in miniscule hoeveelheden - op den duur, en wel ook in combinatie met veelvuldig gebruikte farmaceuti­sche produkten, sluipende chronische toxische schade of de steeds veelvuldi­ger wordende en onverklaarbare allergieën veroorzaken. '208 Hier kan iets op­merkelijks aan worden toegevoegd. Weliswaar is met ingang van 1 januari 1978 het pesticideartikel14 (1) 2 van de wet op levensmiddelen en gebruiks­voorwerpen van kracht geworden, volgens hetwelk resten van bijzonder gifti­ge en uit pesticiden afkomstige substanties niet meer in levensmiddelen mogen voorkomen, doch in een wijziging van deze wet wordt er bepaald dat de wet alleen voor binnenlandse produkten geldt. Bij de geïmporteerde waren zijn deze giftige resten tot aan de vastgestelde hoogste hoeveelheid toegestaan! Duitse fabrieken leveren de gifstoffen naar het buitenland, en van daaruit ko­men zij in fruit, groenten, sla, rijst, citrusvruchten, kaas enz. in de keukens van de Duitse huisvrouwen terug. 209 Prof. l.F. Diehls van het Duitse Instituut voor de voeding in Karlsruhe gaf in april 1983 toe dat 43 procent van de groen­ten en 30 procent van het fruit met chemische resten belast is. 210

De pesticiden zullen echter mettertijd nog andere ernstige gevolgen hebben. Volgens prof. Wilhelm Drescher, Bonn, is het aantal bijenvolkeren vooral als gevolg van de pesticiden in de afgelopen jaren met bijna 200 miljard oftewel 11 procent van het totaal teruggelopen. Tegelijkertijd worden ook onze beste helpers bij het bestrijden van ongedierte, de vogels, door de insecticiden steeds geringer in aantal. Sommige vogelsoorten zijn door de chemicaliën al bijna helemaal uitgestorven. Daarbij komt nog het onverantwoordelijke do­den van de vogels voor culinaire doeleinden. De krant La Stampa schat dat er in Italië ieder jaar 150 miljoen vogels worden geschoten of gevangen. 211 Italië is echter niet het enige land waar de vogelmoord aan de orde van de dag is.

De vruchtbaarheid van de grond heeft niet alleen door de tot dusver bekende en bovenstaand beschreven invloeden te lijden; er komen nog nieuwe alarme­rende berichten, die het spectrum van de gevaren verduidelijken. Ieder jaar worden er miljoenen tonnen zwavel dioxyde in het luchtruim uitgebraakt. In de grond verandert dit zwaveldioxyde door vochtigheid in zwavelzuur. Een Zweedse studie komt tot de slotsom dat dit zuur het calcium en andere basisch reagerende elementen uit de oppervlakte lagen oplost en ertoe bijdraagt dat deze worden weggespoeld, waardoor de vruchtbaarheid van de grond in de toekomst zal afnemen.212

Calciumgebrek in de planten kan voor het menselijk organisme nadelige ge­volgen hebben. De ontwikkeling van het afnemen van de bodemvruchtbaar­heid op de gehele wereld verkeert pas in het beginstadium, doch zij schrijdt zonder ophouden voort. Voedingsexperts, zoals bijvoorbeeld Lester R. Brown, maken op de noodlottige gevolgen attent, die het intensieve gebruik van kunstmest op de lange duur zal hebben. De fundamentele verslechtering van de bodem zou versluierd worden. De minister van landbouw van Noord­rijn-Westfalen, H.O. Bäumer, maakte bekend dat naar de mening van talrijke wetenschappers de meeste voor landbouwdoeleinden gebruikte gronden bin­nen enkele tientallen jaren door zware metalen volkomen vergiftigd zullen zijn.213

De bevoegde autoriteiten zijn op de hoogte van de vele verschillende gevaren die ons bedreigen. In een rapport dat in opdracht van de regering van de deel­staat Baden- Württemberg werd opgemaakt stellen de experts zonder omhaal vast dat 'de huidige produktiemethoden. .. de bouwgrond van de landbouw kapot maken' 214 (!) Ook het Duitse ministerie voor voeding in Bonn, maakt in zijn Bericht der Landwirtschaft, Deel 50/1972, Nummer 1-3, geen geheim van de gevolgen die het uitbuiten en vergiftigen van de grond in de toekomst zal hebben. Daar staat te lezen: 'Met toenemende economische noodzaak tot in­tensivering van de landbouwproduktie worden gevaren zichtbaar die niet ge­bagatellisseerd mogen worden.'

'De grond is uitgeloogd en korstig geworden, door monoculturen ver­bruikt. . . ' 215 Dat geldt niet alleen voor de USA en Europa, doch ook de pro­duktiecapaciteit van het Zuid afrikaanse bouwland gaat bij voortduring achter­uit.216

Na het voorafgaande kan men begrijpen wat de staatssecretaris van het minis­terie van binnenlandse zaken, G. Hartkopf, in het openbaar verklaart: 'De chemie vormt een aanzienlijk ernstiger potentieel gevaar dan het gebruik van kernenergie. '217 In de ontwikkelingslanden schrijdt de snelle toename van de bevolking onophoudelijk voort. Daardoor zijn tot dusverre reeds alle optimis­tische schattingen over de voeding van de mensen in deze gebieden tenietge­daan. Sinds 1971 is de graanproduktie op de wereld per hoofd van de bevol­king achteruitgegaan. Het merendeel van de landen in de Derde Wereld heeft de wedloop tussen de bevolkingstoename en de landbouwproduktie reeds in de jaren zeventig verloren. Daarenboven bestaan er in sommige landen onop­losbare problemen door de reusachtige stromen vluchtelingen, zoals deze in de geschiedenis van de mensheid in deze omvang nog niet zijn voorgeko­men.218

In 1980 leefden, naar de Wereldvoedingsconferentie mededeelde, bijna 800 miljoen mensen in 'absolute armoede'. De honger op de wereld heeft vele oor­zaken. Th.R. Malthus (+ 1834) heeft verlaat gelijk gekregen met zijn bewering dat het aantal bewoners van de aarde op een dag sneller zou groeien dan de landbouwproduktie. Ten dele dragen de landen van de Derde Wereld zelf me­de schuld aan de noodsituatie. Hun regeringen hebben de landbouw verwaar­loosd en de boeren te lage prijzen voor hun produkten betaald. Daarom trek­ken deze steeds meer naar de steden en vertrouwen daar op de levensmidde­lenhulp van de industrievolkeren. Vele volkeren, vooral in Afrika, die vroeger wat levensmiddelen betreft in hun eigen behoefte konden voorzien, zijn tegen­woordig in toenemende mate op graanimport aangewezen. Het gevolg daar­van is dat alleen in Afrika bij 24 landen de schulden in het buitenland binnen tien jaar met 600% gestegen zijn, en dat zij deze waarschijnlijk bij de banken in de industrielanden nooit terug zullen kunnen betalen. De gevolgen worden thans slechts weinigen duidelijk! Daarbij komt nog dat de enorme prijsstijging van aardolie kunstmest aanzienlijk duurder maakte, want voor de fabricage daarvan zijn grote hoeveelheden olie nodig. Daarom wordt het gebruik van kunstmest door de ontwikkelingslanden steeds moeilijker.

De opbrengsten worden bovendien door droogteperioden, de gevolgen van te sterk afgrazen, uitgeloogd bouwland en erosie steeds geringer. In India en an­dere landen wordt ieder jaar 400 miljoen ton koe- en buffelmest alsook stro gebruikt om eten te koken, omdat hout door de ontbossing vrijwel nergens meer te vinden is. Op deze wijze wordt het behoud van de rulheid van de grond, die een eerste voorwaarde voor een goede opbrengst is, onmogelijk gemaakt. Als gevolg daarvan zijn reeds enorme gebieden door de storm weg­geblazen en door de regen weggespoeld; zij zijn voor de landbouwproduktie verloren. Volgens schattingen van UNO-experts zal in de komende 15 tot 20 jaar een derde van de voor landbouw geschikte grond op de wereld onbruik­baar worden.219

De tot dusver ontstane verliezen aan land hebben overal een landvlucht van zeer grote afmetingen veroorzaakt, terwijl de bevolking tegelijkertijd bleef toenemen. Daarom groeien de sloppen in de steden driemaal zo snel als de overige wijken. Deze ontwikkeling schrijdt overal in de Derde Wereld onop­houdelijk voort. Uit resultaten van onderzoek bij de UNO valt op te maken dat door de explosie-achtige 'verstedelijking' twaalf van de vijftien grootste steden van de wereld in de toekomst in ontwikkelingslanden te vinden zullen zijn. Alle kenners zijn het erover eens dat bij een zodanige ontwikkeling de chaos voorgeprogrammeerd is. Het resultaat van een studie die de Ameri­kaanse Raad voor Milieubescherming in drie jaar tijds heeft uitgewerkt biedt dan ook een werkelijk gruwelijk beeld. Volgens dit bericht zal het aantal hon­gerende en ondervoede mensen, dat thans 800 miljoen bedraagt, in de komen­de 20 jaar tot 3 miljard stijgen. 220

De auteurs van het tweede rapport van de Club van Rome 221, prof. Eduard Pestel en Mihailo Mesarovic, hadden reeds in 1974 een realistische kijk op de situatie. In een interview met het tijdschrift Stern verklaarden zij dat zij op één miljard hongerdoden rekenen. 'Over tien of twintig jaar zal het vermoedelijk te laat zijn.' Prof. Pestel profeteert: '... dan zullen de gebieden die het eerst getroffen worden, zoals India, ernstig ontwricht worden en zullen miljarden mensen sterven, zodat de verspreiding van de politieke chaos in andere, nog intacte gebieden, zoals het onze, niet kan uitblijven. '222

Ook de CIA sluit het gevaar van een militair conflict niet uit voor het geval dat de bevolking van grote en met nucleaire wapenen uitgeruste staten ondraaglij­ke honger lijdt. Dit orgaan is van mening: 'Nucleaire chantage is niet ondenk­baar.' Bij een voortgezette trend tot afkoeling zullen de groeiperioden in Ca­nada, Noord-Rusland en Noord-China korter worden, en de oogsten in India, Zuid-China en West-Afrika zullen door een veelvuldiger uitblijven van de moessons te lijden hebben. 223

Amerikaanse experts zijn van mening dat bij de reeds begonnen en eventueel aanhoudende droogte in de belangrijkste tarwegebieden van de USA - de zo­geheten High Plains - het gevaar van verstepping zeer groot is. De water­schaarste maakt ook in de USA de toekomst steeds duisterder. 224

Het is heel goed mogelijk dat zelfs de levensmiddelenverzorging van de indu­strielanden in gevaar komt. Thans wordt volgens mededeling van de Sociëteit voor Voeding in Frankfurt/M. in de Bondsrepubliek Duitsland ongeveer tien procent van de gekochte waren - ter waarde van vele miljarden DM - op de vuilnisbelt gegooid, omdat, zoals in een commentaar hierbij wordt gezegd, 'het geld de mensen te los in de zak zit' . 225 Alleen al de schoolkinderen gooien iedere dag naar schatting 30000 kg boterhammen weg, 'omdat zij genoeg zak­geld hebben om lekkernijen te kopen'. 226 De Italianen gooien iedere dag 28000 kg brood in de vuilnisbak. De president van de nationale bakkersfede­ratie schat de verspilling omgerekend op één miljard DM per jaar. 227

Het menetekel staat al aan de muur geschreven. De profetie van Jakob Lorber zal- te oordelen naar alles wat zich nu aftekent - op verschrikkelijke wijze in vervulling gaan. Nadat vorenstaand is vastgesteld dat reusachtige gebieden ak­ker- en weideland op de aarde door vergiftiging, uitloging, te sterk afgrazen en erosie als gevolg van menselijk ingrijpen onvruchtbaar zijn geworden dan wel verloren zijn gegaan, moet daaraan nog Lorbers bijzondere uitspraak ten aan­zien van deze stand van zaken toegevoegd worden. Lorber schrijft dat een groot ongeluk wordt opgeroepen 'door het slechte gebruik dat de mensen van hun eigen aardbodem maken' (!) (Wiederk., blz. 112)

 

Lorber voorspelt inflatie en werkloosheid

 

Volgens Lorbers verkondigingen zal in de eindtijd ook 'een bovenmatige duurte' ontstaan (Gr VIII 185, 3). Sedert vele jaren verliest het geld in Europa en andere werelddelen permanent aan waarde. Tegen de inflatie is geen kruid gewassen; zij is in alle landen - in meerdere of mindere mate - een blijvende situatie geworden.

Thans onderkent men dat de volkeren, verblind door de welvaartseuforie, ja­renlang op te grote voet hebben geleefd. De stijging van de lonen en salarissen was in bijna alle landen groter dan de toename van de produktiviteit. Terwijl in de tijd tussen 1913 en 1935 het bruto nationaal produkt in het Duitse Rijk slechts met 12% toenam 228, zijn bijvoorbeeld de reële lonen in de BRD sinds 1950 bijna verviervoudigd. 229 Het aandeel van het bruto-inkomen uit hoofde van ondernemerswerkzaamheden en vermogen is daarentegen sinds 1960 voortdurend gedaald. Het percentage bedroeg in 1960 39,4%, in 1970 nog 33,3% en in 1973 nog 30,1%. 230

'De snelle toename van de inkomens van werknemers', schrijft Marion Gravin Dönhoff in Die Zeit, 'die in verschillende gradaties overal heeft plaatsgevon­den, is uitsluitend - en dat moet men zich duidelijk voor ogen houden - door een proces van voortdurende inflatie mogelijk geworden. '231

Hans Roeper stelt in de FAZ vast: 'De overheid, de vakbonden, de onderne­mers en de verbruikers hebben ertoe bijgedragen dat het produktievermogen van de economie werd overbelast, zodat deze op haar gevoeligste plaats, de koopkracht van het geld, moest wijken. '232

Daarop begonnen de prijzen te stijgen, en al spoedig waren de arbeidsplaatsen in gevaar. Inflatie brengt steeds werkloosheid met zich mede, en het duurt niet meer lang of de gevreesde stagflatie doet haar intrede-d.w.z. inflatie en werk­loosheid tegelijkertijd.

Midden in de stralendste hoogconjunctuur kwam plotseling de ontnuchtering. De laatste oorzaak van deze ontwikkeling was de mateloosheid. Jakob Lorber vat de situatie in een korte zin samen: 'Dat zijn de industriële mensen en hun nimmer te verzadigen behoeften.' (GS II 125, 5)

Een profeet steekt zijn mening niet onder stoelen of banken, hij spreekt datge­ne uit wat politici niet hardop durven te zeggen. Er bestaat geen twijfel aan: de geldinflatie werd voorafgegaan door de eiseninflatie. De maximering van de welvaart is nu eenmaal- naar de Nieuwe Openbaring steeds weer benadrukt­niet de eigenlijke taak die de mens op aarde heeft. In feite is het probleem van morele aard en daarom met maatregelen van buitenaf ook nauwelijks op te lossen.

Jakob Lorber voorspelt ook dat 'vele mensenhanden werkloos worden', en wel in de tijd waarin 'de mensen een grote schranderheid en handigheid in alle zaken verwerven en allerlei machines bouwen, die alle menselijke werkzaam­heden kunnen verrichten gelijk levende, met verstand begaafde mensen en dieren' (Gr V 108, 1).

Deze tijd met zijn automaten, microprocessoren en computers is nu aangebro­ken. Lorbers profetie van de snelle technische ontwikkeling en de daarmee gepaard gaande grote werkloosheid is bewaarheid. De robots zijn in de bedrij­ven in de opmars, ook al zal de ontwikkeling op dit gebied niet zo stormachtig verlopen als bij het rationaliseren van de kantoren. Japanse fabrikanten bie­den echter reeds een nieuwe generatie van kleine en voordelige robots te koop aan, waar Europese firma's nog niets vergelijkbaars tegenover kunnen stel­len. 233

Friedrich Georg Jünger wist reeds een halve eeuw geleden uit intuïtieve kennis waarheen de weg zal leiden, toen hij in zijn door technocraten vijandig beje­gende boek Die Perfektion der Technik schreef: 'Juist de meeslepende kracht, waarmee de technische rationalisering voortschrijdt, wijst erop dat wij op een afsluiting afgaan, een eindstadium van de techniek.' 234 De dramatische ver­snelling van de verandering in de technische ontwikkeling is niet te beheersen, want wie qua tempo in vergelijking met andere volkeren achterblijft, loopt het risico de markten kwijt te raken. Het nieuwe angstaanjagende woord in de bedrijven is de 'microprocessor'. Sinds de opkomst ervan in 1960 heeft de in­dustrie het mogelijk gemaakt om miljoenen informaties op miniscule silicium­plaatjes (chips) op te slaan. Door de lage prijzen krijgt de microprocessor een geweldig breedte-effect. De adembenemende ontwikkeling hangt met de vooruitgang van de halfgeleiderelektronika samen. Vakmensen achten het zeer wel mogelijk dat microprocessoren de gehele arbeidswereld omver zullen werpen.

In de Europese Economische Gemeenschap steeg het aantal werklozen van 2,6 miljoen in 1973 tot 12 miljoen in maart 1983.235 Kenners rekenen erop dat juist is wat de Reagan-regering aanneemt, en dat de werkloosheid in de USA in de loop van de komende jaren tot 20 miljoen mensen zal stijgen. 236

In de Bondsrepubliek Duitsland worden door de niet te stuiten technische vooruitgang voortdurend arbeidsplaatsen door machines, robots en micropro­cessoren vervangen. 237 Deze ontwikkeling wordt nog verscherpt door het feit dat de consumptie als gevolg van de teruglopende bevolkingsgrootte dalende is. Terwijl er in de jaren tot 1960 ieder jaar ca. een miljoen kinderen geboren werden, waren het er in de tijd daarna (de kinderen van de gastarbeiders niet meegerekend) nog maar ca. 500000. Treffend schrijft de mede-uitgever van de Frankfurter Allgemeine Zeitung, dr. Jürgen Eick: 'Wanneer een regering van mening is dat zij de veiligheid van het sociale net kan garanderen en tegelijker­tijd volledige werkgelegenheid voor onbepaalde tijd kan afdwingen, dan heeft zij bij teruglopende bevolkingsgrootte buiten de waard gerekend.' 238

Vrijwel alle regeringen van de industriestaten hebben getracht de afname van de werkgelegenheid of op zijn minst de verdere toename ervan door een aan­zwengelen van de economie door de overheid (rijk, provincies en gemeenten) te bewerkstelligen. Dat is echter slechts ten dele gelukt en dan ook alleen voor enkele jaren tijds, waarbij men reusachtige schulden op de koop toe nam, die nooit meer kunnen worden afbetaald. In het jaar 1981 kwam toen het uur van de waarheid, en het grote publiek moest langzaam onderkennen dat alle indu­strievolkerenop te grote voet hadden geleefd. De gevolgen daarvan werden plotseling in hun beginfase zichtbaar.

Reeds in het jaar 1977 hadden zowel de economische instituten als de experts van de bedrijfsverenigingen voorspeld dat het aantal werklozen in de Bondsre­publiek Duitsland tot het jaar 1985 tot 2,5 miljoen zou oplopen. Deze stand is reeds drie jaar eerder bereikt. In 1982 kwam het instituut voor arbeidsmarkt­onderzoek van het Duitse instituut voor de arbeid in Neurenberg tot de slot­som dat bij zwakke economische groei het aantal werklozen in de komende jaren tot 4 miljoen zou kunnen stijgen. 239

In de ontwikkelingslanden heeft de werkloosheid door de bevolkingsexplosie nu reeds een zeer hoge graad bereikt, die in de toekomst beslist nog zeer veel ernstiger zal worden. 240 De Wereldorganisatie voor de Arbeid (ILO) schat dat over 20 jaar ongeveer 750 miljoen mensen op de wereld zonder werk zullen zijn. Alle deskundigen beschouwen het werkverschaffingsprobleem als onop­losbaar. De daaruit voortvloeiende causale keten is te voorzien: ontbrekend inkomen, daardoor gebrek aan levensmiddelen en woningen, al met al: hon­ger, ellende en wanhoop. Uit wanhoop over de ellende en de uitzichtloosheid daar iets aan te kunnen veranderen kan bodemloze haat ontstaan, en irratio­nele krachten kunnen met explosief geweld tot gruwelijke daden overgaan. 241 Wat uit deze ontwikkeling voor de industrielanden nog kan voortvloeien, is thans beslist voor slechts zeer weinigen voorstelbaar. 242

Wanneer Jakob Lorbers verkondigingen over de voortdurend stijgende vloed van de werkloosheid, die thans vele miljoenen mensen op de wereld belast en anderen van zorg over hun arbeidsplaats vervult, in de jaren zestig in het open­baar bekend waren gemaakt, dan zou men zijn gehele profetie als volledig on­juist en ongeloofwaardig van de hand hebben gewezen. Destijds was het voor de overheid en de bevolking vanzelfsprekend dat de hoogconjunctuur en de sterke economische groei blijvend zouden zijn. Bij voortduring haalde men miljoenen gastarbeiders met hun gezinnen het land binnen. Niemand dacht na over de problemen die daaruit op zekere dag zouden voortvloeien. Nu is het overduidelijk dat de profetische verkondigingen, die Lorber opschreef naar aanleiding van datgene wat de stem hem zei, tegen alle verwachting in te zijner tijd bewaarheid worden.

 

De weerstand tegen de bestrijding van milieuschade

 

De voortdurend toenemende milieuschade, de duidelijk geworden gevaren van een klimaatverandering alsook de bedenkelijke ontwrichting van het eco­logische systeem zijn waarlijk alarmerend. Reeds nu bestaat er geen twijfel over dat de natuurlijke hulpbronnen lucht, water en grond ernstig bedreigd zijn. Ziekten, chronische kwalen, voortijdige invaliditeit alsook de degenera­tieverschijnselen bij de jonge generatie nemen zodanige vormen aan dat, nog afgezien van de daaruit voortvloeiende kostenexplosie, in de toekomst de eco­nomische produktiviteit en zodoende de levenskwaliteit, d.w.z. een leven in gezondheid, blijvend schade zal ondervinden.

Sinds de zondvloed is de mensheid nooit zozeer als geheel bedreigd als nu het geval is. Hoewel de situatie haar weerga niet kent, laten de mensen de door hen ontketende vernietigende krachten de vrije loop en bewegen zich met een aan zelfmoord grenzende lethargie naar de afgrond toe. Deze blindheid ten opzichte van het gevaar van een algemene ineenstorting is echter aan het einde van alle hoogontwikkelde culturen typerend geweest voor een maatschappij die het verval tegemoetgaat. Zolang de gevaren in sluipende onzichtbaarheid naderen en de catastrofale gevolgen van het naderbij komende onheil niet dui­delijk zichtbaar worden, blijft de overgrote meerderheid volkomen onver­schillig en wil bij hun aangelegenheden, in hun rust en hun prettige leven niet worden gestoord. Opkomende bedenkingen, dat de volgende generatie met onoplosbare problemen zal worden geconfronteerd, worden verdrongen en aan het rommelen in de verte wordt geen aandacht geschonken. Het zal de tragiek van de industriemaatschappij zijn dat de gevaarlijke situatie, waarin zij zich reeds bevindt, haar ondanks alle waarschuwingen pas bewust wordt wan­neer het te laat is.

De bedreiging van ons milieu door de chemise ring wordt steeds sterker. Het publiek, dat lange tijd nauwelijks notitie had genomen van de waarschuwin­gen die wetenschappers en milieu beschermers uitten, werd in het begin van de jaren tachtig door een eindeloze reeks milieuschandalen op velerlei gebied op­geschrikt en wordt in toenemende mate door angsten en zorgen gekweld. De voortdurende belasting door de lang levende gifstoffen, die met de lucht en het voedsel door het lichaam worden opgenomen, plaatste de chemie in het schijn­werperlicht van de publieke belangstelling. Pas na vele opwindende gebeurte­nissen, die de mensen angst aanjoegen, besloten de regeringen tot het nemen van milieu politieke maatregelen. Doch bijna alle desbetreffende wetten moe­ten als onvoldoende worden beschouwd. De druk van de industrielobby had tot gevolg dat de wetsontwerpen steeds ingrijpend werden veranderd. Vooral echter kwamen sommige wetten veel te laat. De gifvloed is allang over de dij­ken heen gespoeld. Thans bestaan er reeds 63000 chemische stoffen op de we­reld, die in meer dan een miljoen verschillende vormen verkocht worden. Slechts een relatief gering percentage daarvan is op eventuele gevaarlijkheid onderzocht. Naar aanleiding van de nieuwe chemiewet van de Bondsrepubliek Duitsland behoeven de vóór 1980 vervaardigde produkten niet op hun gevaar­lijkheid te worden onderzocht. De na 1981 gefabriceerde produkten moeten door de producent worden onderzocht, doch ook alleen maar wanneer zij in grote hoeveelheden worden verkocht. In sommige industriegebieden zijn er wel duizend substanties in de lucht, doch in de Bondsrepubliek Duitsland wor­den slechts 180 daarvan in de 'Technische aanwijzing tot schoonhouden van de lucht' (TA-Luft) vermeld. 243 De totale produktie aan chemische produkten op de wereld is inmiddels tot 120 miljoen ton per jaar gestegen! Door deze consta­tering wordt het duidelijk dat de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) 60 tot 90 procent van alle kankergevallen aan chemicaliën wijt. 244

Nog gevaarlijker dan lood en kwik blijkt volgens recente research het giftige cadmium, dat zich bij de lange halveringstijd van 20 jaar in nieren, lever en beendermerg afzet. Volgens een door het Duitse milieu bureau opgestelde ex­pertise vormt de gemiddelde belasting van de bewoners van de Bondsrepu­bliek 70 tot 80 procent van de grenswaarden die door de Wereldgezondheids­organisatie (WHO) zijn aangegeven. In de dichtbevolkte gebieden zijn deze grenswaarden waarschijnlijk reeds overschreden. Het cadmium wordt door industrie-installaties, vuilverbrandingsinstallaties en drukke autosnelwegen aan de lucht afgegeven.245 Bovendien vormt, volgens prof. G. Lehnert, Ham­burg, de kunstmest een 'belangrijke bron' van dit gif, dat in de planten neer­slaat. Lehnert wijst op de gevolgen voor de volksgezondheid, die in de toe­komst zichtbaar zullen worden. 246 Naar prof. Vetter van het landbouwkundig onderzoekinstituut in Oldenburg heeft vastgesteld, is bijvoorbeeld 'het cad­miumgehalte in de aardappel- met het oog op het grote verbruik aan aardap­pelèn - zo hoog dat om deze reden aan de rem moet worden getrokken. '247 Ondanks alarmerende berichten zijn in de Bondsrepubliek noch in de Europe­se Gemeenschap immissiegrenswaarden voor cadmium in levensmiddelen vastgelegd.

Voor andere chemicaliën zijn er weliswaar grenswaarden, bijvoorbeeld be­treffende nitraat in het grondwater, doch in de Bondsrepubliek liggen ze sinds jaren bijna tweemaal zo hoog als de uiterste tolerantiegrens die door de We­reldvoedselorganisatie (FAO) wordt aangegeven. 248 Al even ontoereikend is de bescherming die de bevolking tegen de giftige loodbelasting geniet, welke sinds de vorige eeuw met een factor 100 is gestegen. Thans bedraagt de lood­produktie op de gehele wereld meer dan 2 miljoen ton per jaar. 70 procent van het lood komen via de voeding in het lichaam terecht. Naar wetenschappers mededelen, is de 'duldbare tolerantiegrens bereikt.' Prof. Fülgraff ging ervan uit dat 'ca. vijf procent van de thans in de Bondsrepubliek verkrijgbare levens­middelen vermoedelijk uit de handel moet worden genomen.' 249

Bij de controle van medicamenten en levensmiddelen door het bureau van de geneeskundige dienst is de situatie al niet anders. Prof. Fülgraff gaf zonder omhaal toe: '. . . wij zijn niet in staat preventief gevaren af te wenden en nieuwe risico's reeds in het beginstadium te beoordelen.' Op alle gebieden zijn de con­troles onvoldoende. De reden voor deze bedenkelijke toestanden maakte de vroegere minister van volksgezondheid in Bonn, Antje Huber, in het open­baar bekend. Zij klaagde er bitter over dat de Kamer niet de benodigde finan­ciële middelen voor het personeel van de geneeskundige dienst ter beschik­king stelt die onontbeerlijk zijn om het aanzienlijk uitgebreide takenpakket aan te kunnen. 250

De Raad van Experts voor Milieukwesties eiste in een expertisebericht voor 1980, zoals de milieuorganisaties sedert jaren doen, tevergeefs dat er een cen­traal kankerregister wordt gevoerd, zodat het kankerrisico in dichtbevolkte gebieden beoordeeld kan worden. Het is namelijk een vaststaand feit dat de stadsbevolking in de omgeving van grote chemische fabrieken, die benzeen, gechloreerde koolwaterstoffen, pesticiden, insecticiden enz. fabriceren, in in­dividuele gevallen aan een tien- to vijftigmaal zo grote belasting wordt bloot­gesteld als mensen die op een grotere afstand van de chemische fabrieken wo­nen. 251

Alle wettelijke maatregelen, voor zover deze er al zijn, zijn ontoereikend om het hoofd te bieden aan de groeiende gevaren. De weerstand tegen een effec­tieve bestrijding van de gifstroom is evident. Sommige ministers snijden ook de kern van het probleem aan. Zo verklaarde bijvoorbeeld de minister van arbeid en sociale zaken voor de deelstaat Noordrijn-Westfalen, prof. Farth­mann, dat men in grote ondernemingen op de eerste plaats 'economisch denkt.' 'Met een dergelijke denkwijze' , gaat hij verder, 'komt men bij het stre­ven naar een verbetering van de milieubescherming niet verder.' 252

Ook de vroegere minister van binnenlandse zaken, Baum, sprak duidelijke woorden: 'De milieupolitiek van de Europese Gemeenschap mag niet langer ondergeschikt gemaakt worden aan de prioriteit van harmonisering van han­del en concurrentie. Wat wij nodig hebben is een clausule die absolute voor­rang verleent aan de milieubescherming. '252 'Wij moeten de moed hebben om de mensen te zeggen: vanaf een bepaald punt moet economische groei zo duur betaald worden dat men er maar liever vanaf ziet. '253

Desondanks zijn alle belangengroeperingen, die elkaar anders bestrijden, het erover eens dat zij aan steeds meer groei de voorkeur geven. Het feit dat ein­deloze groei 'een proces van scheppende vernieling is', had reeds tientallen jaren geleden de vooraanstaande nationaaleconoom Alois Schumpeter onder­kend. 254 Doch deze inmiddels door de feiten gestaafde ervaring wilde nie­mand aanvaarden. De mensen van de industrievolkeren, voor wie slechts de belangen van het ogenblik gelden, zijn niet zo gemakkelijk van het pad van de structurele kortzichtigheid af te brengen.

Ten aanzien van de problematiek van de eeuwige groei moet hier worden inge­last dat de voortdurende groei in de communistische landen een politieke doc­trine is. Marx en Engels leggen er de nadruk op dat 'de ontwikkeling van de produktiekrachten... een absoluut noodzakelijke praktische voorwaarde voor het communisme is' (Marx-Engels-werken, Deel 3, blz. 534). Deze leer­stelling is in zoverre juist als de marxistische theorie van een paradijs dat op aarde werkelijkheid wordt, van produktietoename uitgaat. Het marxisme leeft van het geloof aan een hemelrijk op aarde door alles wat de mens alleen zonder God teweeg kan brengen. Daarom worden de twee rapporten van de Club van Rome (Meadows, Pestel en Mesarovic), het boek van Herbert Gruhl en de geschriften van alle auteurs, die voor de gevolgen van een verkeerde beslissing waarschuwen, zowel van rechts als van links bestreden en doodge­zwegen.

De regeringen en de politieke partijen van alle landen zien zich voor de beslis­sing geplaatst om naar economische groei te streven en aldus van een serieuze bestrijding van de ons aller leven bedreigende milieugevaren af te zien dan wel in het belang van de volgende generaties de gevaren te bezweren, waardoor zij echter automatisch van hun kiezers een verlaging van de tot dusver genoten levensstandaard moeten eisen. De dimensie en de prioriteit die de milieupo­blemen hebben wordt dientengevolge in hoge mate door de wensen van het kiezerspubliek bepaald. Er zal echter blijken dat er niet alleen een collectieve kortzichtigheid doch ook een collectieve verantwoordelijkheid en een collec­tief dragen van de consequenties bestaat.

Onder de huidige omstandigheden hadden de regeringen van alle landen voor de bevordering van de economische groei geen andere keus dan een toename van de werkloosheid tegen te gaan en daarbij op de koop toe te nemen dat de staatsschulden enorm stijgen. *(*De Duitse staat maakte enkel in 1980 meer schulden dan in de twintig jaar na 1949!) Dat de actuele problemen op deze wijze slechts worden toegedekt en op de lange baan geschoven, was te voorzien. Treffend zei prof. Herbert Giersch, directeur van het Instituut voor Wereldeconomie aan de universiteit in Kiel: 'Overwinningen aan het werkgelegenheidsfront, die de regeringen met een geforceerde financiële en fiscale politiek kunnen behalen, zijn steeds niet meer dan kortstondige Pyrrus-overwinningen. '255

Inmiddels heeft de ervaring in alle landen aangetoond dat het feit dat alle vol­keren op te grote voet hebben geleefd, tijdelijk versluierd was. De industrie­landen hebben zichzelf, naar de nobelprijswinnaar Konrad Lorenz consta­teert, 'in een vicieuze cirkel gemanoeuvreerd, waarin zij voortdurend moeten groeien wanneer zij niet failliet willen gaan.'

De natuur past zich echter niet aan bij de eisen van de economie ofbij de mate­loze wensen van de welvaartsmaatschappij in de industrielanden. De aarde is een begrensd systeem, dat slechts een begrensde groei en begrensde eisen mo­gelijk maakt.

Naar het schijnt kunnen er ook geen serieuze en effectieve oplossingen voor de vele milieu- en andere problemen op internationaal niveau bestaan, omdat ­zoals de Heer tot de profeet Jakob Lorber heeft gezegd - 'al uw politiek "recht" slechts op valse en kwade dingen van de eigenliefde berust' (Hi I, blz. 25).

'Het streven naar heerschappij', zegt de teleurgestelde voormalige maoïst An­dré Glucksmann, 'beheerst de planeet, het gaat in gelijke mate van Washing­ton, Peking en Moskou uit.' 256

Overal om ons heen heeft de mensheid de oriëntatie verloren. Alles schijnt in hopeloze verwarring te zijn vastgelopen. En toch willen velen dat wat er te komen staat zelfs dan niet waarnemen, wanneer het overduidelijk te zien is. Men wordt in dit verband aan Goethe herinnerd, die zei: 'De diabolische zin van het menselijk handelen bekommert zich niet om de draagwijdte van de spookachtige menselijke werken.'

De tot dusverre succesvolle misleiding van de mensen door de bewering van bepaalde beroepsoptimisten dat de angst door Cassandra-voorspellingen* (* Cassandra was in de Griekse mythe de dochter van de Trojaanse koning Priamus, die de gave der voorspelling had. Haar waarschuwingen die later in vervulling gingen, werden in de wind ge­slagen.) moedwillig wordt aangewakkerd, zal niet meer lang kunnen voortduren. '. . . de bedreiging van onze leefruimte is zo ernstig', zegt prof. Georg Picht, 'dat partijen, belangen-groeperingen en bureaucratie de feiten niet meer zo kunnen verdraaien als het hun uitkomt. '257

Talrijke wetenschappers zijn van mening dat de ineenstorting nog vóór het einde van deze eeuw dreigt. 258 Onder meer zegt professor Grabarek (Univer­sity Maryland), president van de Amerikaanse Habitat Society: 'Het pro­bleem van de milieu vergiftiging is zo groot geworden dat het merendeel van de ecologen volledig terecht gelooft dat het punt waarop het nog mogelijk zou zijn geweest het verval tegen te houden, reeds overschreden is. '259 Deson­danks beschrijdt men tegen alle verstandelijke overweging in met perspectief­loze kortzichtigheid de weg naar een onheilvolle toekomst. Doch het was im­mers het lot van Cassandra dat haar voorspellingen, die later in vervulling gin­gen, niet werden geloofd.

De mensheid heeft de vrijheid om zelf te beslissen, doch anderzijds zal de vol­gende uitspraak in Goethes Faust geldig blijven:

 

'Bij de eerste schrede zijn wij vrij,

bij de tweede zijn wij knechten.'

'In ieder werk zijt Gij verloren.

D'elementen hebben met ons saamgezworen.

En slechts vernietiging

zal het einde zijn.'

 

Prof. Carl Friedrich von Weizsäcker snijdt de eigenlijke geestelijke oorzaken van de rampzalige ontwikkeling van onze technische hoog ontwikkelde cul­tuur aan, wanneer hij verklaart: 'De moderne cultuur is in haar huidige ont­wikkelingsfase een cultuur zonder wijsheid, zonder verstand. '260

Een door de materialistische tijdgeest beheerste mensheid moest logischerwij­ze op de weg worden gedrongen die zij gaat. Het onvermogen om zich beper­kingen op te leggen, het streven naar steeds meer gemak en genoegen mist alle intellectuele en vitale zelfdiscipline. 'De vrienden van de dode schatten, de vrienden van Mammon', werd tot de profeet Jakob Lorber gezegd, 'zijn maar moeilijk tot een beter licht te bekeren.' (Gr VIII 76, 10)

Een egocentrische maatschappij is niet in staat de sanering van het milieu te­weeg te brengen en de apocalyps tot staan te brengen. - Jakob Lorber heeft deze ontwikkeling voorspeld, en zijn profetie begint nu in vervulling te gaan.

'De mensen zullen van hun vele wereldkennis en verworven vaardigheden een steeds euveler gebruik maken en zullen geheel vrijwillig allerlei oordelen uit de diepten der schepping over zichzelf en de gehele aarde oproepen.' (Gr V 205, 4)

'God heeft het in Zijn orde altijd al zo beschikt dat al het slechte en verkeerde zich steeds zelf vernietigt.' (Gr V 46, 7)

'De wereld en de natuur hebben van God hun noodzakelijke en onveranderlij­ke wetten, en wel in de juiste orde. Dergelijke wetten heeft ook de mens vol­gens zijn vorm en zijn lichamelijke wezen. Wanneer de mens tegen deze orde in opstand wil komen en de wereld wil hervormen, dan wordt hij daarvoor niet door een toornige God bestraft doch door de gekrenkte, strenge en vastgeleg­de orde van God in de dingen zelf, die zo moeten zijn als zij zijn.' (Gr IV 143, 2)

'De mensen kunnen nu op geen andere wijze meer worden geholpen dan door middel van grote smarten.' (Gr 11 132, 13)

'Pas wanneer de wereld tot het inzicht komt dat er behalve Mij geen heil te verwachten is, zal de vrede de aarde kussen.' (Hi I, blz. 101)

 

De voortekenen van de beginnende eindtijd

 

De verkondigingen van de Nieuwe Openbaring blijven niet beperkt tot de ver­schillende vormen van milieuschade, die 'de aarde zeer lek maken', en even­min tot de epidemieën en hongersnood, doch Jakob Lorbers uitspraken laten er geen twijfel over bestaan dat ook rampen van andere aard, bijvoorbeeld geologische omwentelingen van onvoorstelbare omvang de aarde op haar grondvesten zullen doen schudden en de mensen zullen doen sidderen en be­ven. Naar aanleiding van de volgende verkondigingen moeten wij over de eindtijd van de mensheid spreken. Er wordt gewag gemaakt van een 'algemene schifting van de wereldmensen door het vuur en de projectielen daarvan, op­dat Ik dan zelf een geheel andere kweekplaats voor ware mensen op deze aar­de zal kunnen oprichten, die dan tot aan het einde der tijden zal duren' (Gr VI 150, 17)

Meermalen wordt er gezegd, dat de rampzalige ontwikkeling trapsgewijs zal plaatsvinden. 'Tegen het einde van de aangegeven tijd zal Ik steeds grotere profeten opwekken en met hen zullen dan ook de oordelen talrijker en uitge­breider worden.' (Gr VI 150, 15)

Het tijdstip van de beginnende eindtijd is in twee opzichten tamelijk exact aan­gegeven. Er wordt gezegd dat tevoren de stoommachine wordt uitgevonden, dat de 'zwaarste wagen zo snel zal rijden als een afgeschoten pijl', en dat 'de zeeschepen iedere storm het hoofd zullen bieden...'

'Spoedig na deze tijd', staat er dan, 'zal het er op de aarde voor het leven van de mensen zeer slecht gaan uitzien.' 'Oorlogen zullen ontketend worden, gro­te duurte en hongersnood zullen de mensheid teisteren.' (Gr III 33, 4) 'Het ene volk zal tegen het andere ten strijde trekken.' (Gr VI 150, 15) (Eerste en Tweede Wereldoorlog, Korea-oorlog, oorlogen in Afrika, Vietnam, Cambod­ja, India/Pakistan en in het Nabije Oosten.)

Wetenschap en techniek zullen - zo wordt er kondgedaan - superieure presta­ties bereiken, doch een afval van het geloof ten gevolge hebben. 'De zingeving door zulke wijzen bederft maar al te spoedig vele duizenden mensen door zijn verlokkende voorbeeld.' (Gr VIII 181, 16)

Bij de kenmerken van de eindtijd behoort ook de gewelddadige heerschappij van Stalin en Hitler (Gr I 72, 2).

Tenslotte wordt er ook verwezen naar de enorme bewapening die momenteel overal op de wereld plaatsvindt. '... aan het opstellen van grote oorlogsmachten werkt de Heilige Geest nimmer mee... Op een zodanige handelwijze, die ge­heel tegen Zijn bedoeling indruist, volgt dan ook altijd een geweldig oordeel.' (Schriftt., blz. 61)

Het tijdstip van het grote oordeel maakte Jezus Zijn apostelen op de volgende wijze bekend: 'Er zullen tot op dat tijdstip van nu af aan duizend jaar en bijna duizend jaar verstrijken.'

Als verder criterium van de eindtijd geeft Jezus het verval van de kerken aan, dat Hij Zijn apostelen reeds had voorspeld. Er zou 'een zelfzuchtige vervalsing van het geopenbaarde woord' plaatsvinden (Gr VI 149, 13). Eeuwenlange ge­schillen tussen de confessies zouden 'twist en gekijf ten gevolge hebben' en 'ieder zal het doen voorkomen alsof hij de volle en zuivere waarheid leert'. Jezus' leer zou veranderd worden, doch 'het geraamte zal nog overblijven' (Gr X 152, 10-11). '... de aanhangers zullen zich al spoedig in groten getale (van de kerk, Egg.) afwenden.' (Gr VI 151, 12) 'Legt de hand op het oude, moede kerkehart, voorwaar, gij moet wel blinder zijn dan het middelpunt der aarde wanneer gij niet gemakkelijk kunt uitrekenen welk uur van de grote dag het nu geslagen heeft.' (Hi I, blz. 308, 13)

'Maak u echter niet bezorgd wat er mettertijd dan van Mijn leer zal worden, want Ik alleen weet het, wat er in deze wereld dient te geschieden.' (Gr VI 151, 13) 'Mijn Geest, dat is de Geest van de waarheid, zal onder de van vele zijden gekwelde mensen ontwaken, de zon van het (geestelijke) leven zal oogverblin­dend gaan schitteren.' (Gr IX 40, 2) '...in die tijden zal Mijn leer niet ver­sluierd, doch volgens de hemelse en geestelijke zin volledig onthuld aan de mensen worden gegeven (de Nieuwe Openbaring, Egg.), en daaruit zal het nieuwe Jeruzalem bestaan, dat uit de hemelen op de aarde zal neerdalen.' (Gr IX 90, 2)

 

De fase van de rampen van apocalyptische omvang

 

In de eindtijd zullen volgens Jakob Lorbers verkondigingen ook natuurver­schijnselen angst en ellende teweegbrengen. 'Er zullen grote stormen op het land alsook aardbevingen plaatsvinden. De zee zal op vele plaatsen over de stranden heenspoelen. Daar zullen de mensen in grote vreze en angst geraken over de dingen die de aarde zullen teisteren.' (Gr VIII 185, 4)

Weliswaar is het opgevallen dat aardbevingen, orkanen en overstromingen sinds enige tijd aanzienlijk vaker optreden, doch er staan ons - naar uit het onderstaande blijkt - nog heel andere rampen te wachten. De ziener van de twintigste eeuw, Edgar Cayce - de slapende profeet genoemd -, die vele ge­beurtenissen juist heeft voorspeld, heeft voor het begin van de jaren tachtig voorspeld dat grote gedeelten van de Noordamerikaanse westkust met de reusachtige steden die er liggen, in de Stille Oceaan zullen storten. Tezelfder tijd zullen volgens zijn mededelingen ook grote delen van Japan in de Stille Oceaan wegzinken.261

Sceptici zullen zulke profetieën als fantastische beweringen afdoen. Wij kun­nen hen met wetenschappelijk feitenmateriaal dienen, die de voorspellingen van Cayce op werkelijk ontstellende wijze bevestigen. In Bild der Wissenschaft wordt hierover het volgende bericht: 'De seismische activiteit van de aarde is beperkt tot enkele smalle gordelgebieden. Daarbij treden de meeste en sterk­ste aardbevingen in de circumpacifische gordel op.' (Westkust van Amerika en de Japanse eilandengroep, Egg.).

De aardbeving in het vrijwel onbewoonde gebied van Alaska op 27 maart 1964 vertoonde een maximale sterkte van 8,5. 'Waar de pacifisch-Noordameri­kaanse breukzone over land loopt, is zij meestal als duidelijk waarneembaar lengtedal zichtbaar. Gelijkgerichte zijdelingse verschuivingen hebben de da­len op sommige plaatsen tot 20 km verplaatst.' De beruchte San-Andreas­breuklijn, waar dikwijls aardbevingen voorkomen, loopt vrijwel evenwijdig met de kust door Californië van San Francisco tot aan Cape Mendocino. 'Vooral het gebied rondom Los Angeles is vol van een systeem van kleinere dwarsbreuken.' (In het dichtbevolkte gebied rond Los Angeles [Los Angeles­Ventura en Orange] wonen negen miljoen mensen, Egg.)

Onderaardse plateaus van geweldige afmetingen drijven naar elkaar toe en zullen elkaar ontmoeten. 'Zolang de breuklijn in beweging blijft zal een zware aardbeving in Californië vermoedelijk onwaarschijnlijk zijn.' 'De resultaten die zich aftekenen vormen echter een alarmerend signaal: de beweging in de aardschollen is blijven steken, zij worden in het gebied rond San Francisco geblokkeerd. Dat in het noordelijk deel van Californië in de nabije toekomst een geweldige aardschok te verwachten is, is het eenstemmige oordeel van de wetenschappers.' 'Wanneer de beving komt zullen daar geweldige krachten worden ontketend. '262 Naar de geoloog Donaid L. Anderson in Science (217, blz. 1097, 1982) mededeelt, wordt de waarschijnlijkheid groter, dat er in Cali­fornië een zware aardbeving zal plaatsvinden met een sterkte van 7 of meer. 263

Ook de ramp die Cayce voor Japan heeft voorspeld, heeft in het jaar 1974 eveneens een nieuw aspect gekregen. Satellietfoto's, die de NASA (Ameri­kaans ruimteorgaan, Egg.) heeft vrijgegeven, brachten in Japan grote op­schudding teweeg. De foto bewijst dat een breuklijn in de aardkorst door heel Japan heenloopt; deze wordt door de seismologen als gevaarlijker beschouwd dan de San-Andreas-breuklijn in Californië. De wetenschappers vrezen dat Japan in het jaar 2000 van de aardbodem zal zijn weggevaagd. 264 In augustus 1983 deed in de pers de mededeling de ronde dat de directeur van het Japanse aardbevingsinstituut in het centrale meteorologische instituut, Kazuo Takaha­si, verklaard had: 'Wij weten waar de volgende aardbeving zal plaatsvinden, en wij kunnen ook bij benadering voorspellen hoe sterk deze zal zijn. De enige moeilijke kwestie is wanneer zij te verwachten is.'

De in Korea geboren helderziende Chou-Maja, die in Japan woont, heeft voor de jaren tachtig voor de Japanse archipel een onvoorstelbare ramp voorspeld; Chou-Maja wordt daar au sérieux genomen, omdat andere uitspraken die zij gedaan heeft inmiddels zijn bewaarheid. In een rapport wordt daarover ge­zegd: 'Hoe diep de verborgen angst van de Japanners voor een ramp is, bewijst een boek met de titel De ondergang van Japan, dat sinds weken aan de top van de Japanse bestsellerlijst staat. Het beschrijft hoe gigantische aardbevingen en vulkaanuitbarstingen Japan niet alleen verwoesten, doch het gehele eilandrijk uiteindelijk in de diepte van de zee laten zinken.' 265

Lorbers profetieën hebben betrekking op geheel Azië, zodat behalve Japan ook China en andere Aziatische volkeren op zware rampen moeten rekenen.

De zware aardbevingen in China en de dertigjarige oorlog in Vietnam alsook de gevolgen daarvan voor de buurlanden maken het begin van de rampen in Azië reeds duidelijk. Letterlijk schrijft Lorber: 'Azië zal door een groot we­reldoordeel worden gelouterd.' (Gr IX 94, 12)

Alle tot dusver weergegeven en verklaarde verkondigingen van Jakob Lorber zijn duidelijk als werkelijkheid te herkennen, hetzij omdat de voorspelde ge­beurtenissen reeds hebben plaatsgevonden dan wel omdat de contouren van de te verwachten rampen zich duidelijk aftekenen. Enkele van de onderstaan­de profetieën, die de laatste fase van de eindtijd betreffen en tot aan het einde van deze eeuw bewaarheid moeten worden, zijn ten dele moeilijk of in het geheel niet verklaarbaar; er valt echter uit op te maken dat de gebeurtenissen datgene zullen vormen wat in de Openbaring van Johannes als apocalypse wordt betiteld.

De catastrofe mag niet met de ondergang van de aarde of zelfs van het univer­sum worden gelijkgesteld. Integendeel, in de verkondigingen staat overduide­lijk: 'De aarde zal voortbestaan, zoals zij na Noach (zondvloed) heeft voortbe­staan, en zij zal Mijn lichtere kinderen dragen; slechts de te sterk toegenomen heffe zal worden verwijderd en in een reinigingsinstelling komen, waaraan in Mijn eeuwig grote rijk voorwaar geen gebrek is.' (Gr V 110, 6)

Jezus heeft Zijn discipelen de eindtijd van de huidige mensheid beschreven en hun voorspeld dat 'van nu af aan over niet geheel 2000 jaar' de mensheid 'door het grote levensvuur moet worden gereinigd' (Gr VIII 182, 5).

Datgene wat Jezus destijds aan een kleine kring mededeelde, die in ademloze spanning luisterde, mochten de discipelen niet aan het volk doorgeven. 'Zal ik over het oordeel waarover Gij ons heden hebt verteld, iets op het perkament noteren?' vroeg Johannes aan de Heer, waarop deze hem zei: 'Laat dat maar achterwege, want in gene tijd (onze tijd, Egg.) zal Ik zulke dingen bij monde van nieuwe zieners en profeten doen openbaren aan de mensen die van goede wil zijn.' (Gr X 157,1-2) 'Ik zal hun al datgene wat thans in Mijn tegenwoor­digheid wordt gesproken door hun hart in de pen spreken.' '... aangezien de mensen in gene tijd vrijwel allen kunnen lezen en schrijven, zullen zij de nieu­we boeken kunnen lezen en begrijpen. En deze vorm van verspreiding van Mijn nieuw en zuiver weergegeven leer uit de hemelen zal dan vele malen snel­ler en effectiever tot alle mensen op de gehele aarde kunnen worden gebracht dan thans door de boden in Mijn naam van mond tot mond.' (Gr XI 94,4-5)

In de bovenstaand geciteerde verkondiging was sprake van de 'reiniging van de mensheid door het vuur'. De interpretatie van de reiniging door het vuur moet ten dele realistisch en ten dele allegorisch worden opgevat. Jezus spreekt tegenover de discipelen over vier soorten of trappen van vuur.

De eerste soort ramp wordt in de Nieuwe Openbaring als volgt geschilderd: 'Het vuur zal grote en algemene nood betekenen, ellende en droefenis, gelijk de aarde nimmer groter heeft aanschouwd. Het geloof zal uitdoven en de lief­de verkillen.' 'Eén volk zal tegen het andere opstaan en het met vuurwapenen bestrijden.' 'Er zullen buitensporige duurte, hongersnood, vele kwaadaardige ziekten, epidemieën en pestilentie bij mensen, dieren en planten ontstaan. Ook zullen er grote stormen en aardbevingen komen. . .' 'Dat is de eerste soort vuur.' (Gr VIII 185, 2-6)

Voorts wordt er gezegd dat 'in dezelfde tijd' de technische ontwikkeling, d.w.z. de stoomkracht door kolen en stookolie alsook de elektriciteit en de oorlogswapenen een hoog peil zullen hebben bereikt. (Gr VIII 185, 7-9) De vuurwapenen die zoveel onheil over de mensen hebben gebracht, worden als de tweede soort vuur beschouwd, en als het 'natuurlijke vuur' betiteld. Over een atoomoorlog wordt in Lorbers verkondigingen nergens gesproken. De volgende uitspraak wijst er eerder op dat het sinds tientallen jaren bestaande evenwicht van verschrikking ook in de toekomst zal blijven bestaan. De op­merkelijke uitspraak luidt als volgt: 'De vindingrijke mensen zullen het met de wapenen zo ver drijven dat al spoedig geen enkel volk meer tegen een ander volk een oorlog zal kunnen beginnen. Want wanneer twee volkeren elkaar met zulke wapenen aanvallen, dan zullen zij ook gemakkelijk en spoedig tot de laatste man te gronde gaan, wat voorzeker geen van beide partijen een werke­lijke overwinning en voordeel brengt. Dat zullen de koningen en legeraan­voerders al spoedig inzien...' (Gr VIII 185, 9) De gevaren die de mensheid door de bevolkingsexplosie en de op de hele wereld toenemende werkloosheid dreigen, lijken vele kenners veel waarschijnlijker dan een nucleaire oorlog.

De derde soort vuur is een geestelijk vuur. 'Deze zal daarin bestaan dat Ik reeds ettelijke eeuwen tevoren steeds meer verlichte zieners en profeten zal opwek­ken' (o.a. Böhme, Swedenborg en Lorber, Egg.). De profeten hebben de taak de van overdreven ceremoniën en verkeerde uitlegging ontdane leer van Jezus opnieuw te verkondigen, wat een verval van de katholieke kerk ten gevolge zal hebben. Letterlijk staat er dat deze profeten 'de kerk de weg naar haar onder­gang zullen banen'. 'Hoe echter deze nacht nu (ten tijde van Jezus) uit de hei­dense, blinde en zinloze ceremoniën bestaat die men eredienst noemt, zo zal zij ook in gene tijden bestaan, doch door de derde soort vuur uit de hemelen worden verwoest en vernietigd.' (Gr VIII 186, 3)

'De vierde soort vuur zal uit grote natuurlijke aardrevoluties van vele verschil­lende soorten bestaan, en wel met name op die plaatsen op de aarde waar de mensen te grote en pronkzuchtige steden gebouwd hebben, waar de grootste hoogmoed, de liefdeloosheid, slechte zeden, onrechtvaardige rechtspraak, macht, aanzien, traagheid en daarbij anderzijds de grootste armoede alsook allerlei nood en ellende (sloppen, Egg.) heersen, die ontstaan zijn door het te zeer gegroeide epicurisme (genotzucht, Egg.) van de groten en machtigen.' (Gr VIII 186, 4)

'In zulke steden zullen uit overdreven winstbejag ook allerlei fabrieken op zeer grote schaal worden gebouwd, en daarin zullen in plaats van mensenhan­den vuur en water werken te zamen met duizend vernuftige, van erts vervaar­digde machines. Gestookt zal er worden met de oude steenkool, die de men­sen in reusachtige hoeveelheden uit de diepte der aarde omhooghalen. Wan­neer dit handelen en werken door middel van de kracht van het vuur eenmaal zijn hoogtepunt heeft bereikt, dan zal op die plaatsen de lucht van de aarde te zeer met de brandbare ethergassen bezwangerd zijn, die dan al spoedig op ver­schillende plaatsen in brand geraken en deze steden en gebieden alsook vele van haar bewoners in de as zullen leggen; en dat zal dan zeker ook een grote en effectieve loutering zijn. Wat echter het op deze wijze ontketende vuur niet zal bereiken, dat zal alle mogelijke grote aardstromen teweegbrengen waar dat nodig is, want zonder noodzaak zal niets vernietigd worden.' (Gr VIII 186, 5­6) Tegen Zijn apostelen zei Jezus hierover uitdrukkelijk: 'Dat is uiteraard een voorspelling voor een nog in het verre verschiet liggende toekomst, die echter zeer zeker in vervulling zal gaan.' (Gr VIII 186, 9)

De onderstaande profetieën zijn waarschijnlijk het moeilijkste te verklaren: 'Wanneer het aantal reine en goede mensen gelijk ten tijde van Noach zeer afneemt, dan zal de aarde nogmaals een algemeen gericht ondergaan, waarbij mensen noch dieren noch planten zullen worden ontzien. De hoogmoedige mensen zullen dan geen nut meer hebben van hun vuur en verderf brengende wapenen, van hun burchten en verharde wegen, waarop zij rijden met de snel­heid van een afgeschoten pijl, want er zal een vijand uit de lucht neerdalen en al diegenen in het verderf storten die steeds kwaad gedaan hebben. Dat zal werkelijk een tijd van handelaars en geldwisselaars zijn. Wat Ik onlangs in Jeruzalem in de tempel met de geldwisselaars en handelaars heb gedaan, dat zal Ik dan in het groot op de gehele aarde doen en zal alle winkels en wisselkra­men laten vernietigen door de vijand die Ik uit de wijde luchtruimten van de aarde zal zenden gelijk een flitsende bliksem met groot geraas en gedonder. Voorwaar, tegen hem zullen alle legers der aarde tevergeefs strijden, doch Mijn weinige vrienden zal de grote onoverwinnelijke vijand geen leed toevoe­gen, en hij zal hen voor een geheel nieuwe kweekplaats verschonen, waaruit nieuwe en betere mensen zullen voortkomen.' (Gr V 108, 2-3)

Er is een zeer groot land in het verre Westen, dat aan alle kanten door de grote wereldoceaan is omspoeld en nergens over de zee met de Oude Wereld ver­bonden is. Van dat land uitgaande zullen de mensen eerst grote zaken verne­men, en deze zullen ook in het westen van Europa optreden, en een helder schijnsel zal daarvan uitgaan. De lichten des hemels zullen elkaar ontmoeten, herkennen en ondersteunen.' (Gr IX 94, 14)

'De mensen zullen gewaarschuwd worden door zieners en bijzondere tekenen aan het firmament, waaraan zich echter slechts de weinige Mijnen zullen sto­ren, terwijl de wereldmensen dat alles alleen maar als zeldzame natuurver­schijnselen zullen beschouwen...' (Gr VI 150, 16)

Over de betekenis van de verkondiging betreffende de 'vijand uit de lucht' en de 'lichten des hemels' zijn heel wat verschillende vermoedens geuit. De verte­genwoordigers van de Ufo-theorie brengen de laatstgenoemde passage in ver­band met de niet-geïdentificeerde objecten (Ufo's) aan de hemel, die door tal­loze mensen uit alle lagen van de bevolking zijn waargenomen en die in de volksmond 'vliegende schotels' genoemd worden. Zij staven hun mening met de volgende verkondiging van de Nieuwe Openbaring en geloven dat buiten­aardse mensen bij de chaos van de huidige mensheid zullen ingrijpen: 'Thans komt de tijd dat Ik de aarde aan de bewoners van de grotere planeten zal tonen en hun het standpunt van diegenen duidelijk zal maken die uitgetrokken zijn om Mij te zoeken en op deze aarde zijn gekomen. Dat zal bij hen beslist grote opwinding teweegbrengen, en deze opwinding zal van Venus tot Urka reiken. Dan zal het geschieden dat de 'krachten des hemels worden opgewekt', en er zal dan van alle zijden een krachtig schallende roep naar de bewoners van deze aarde uitgaan. . .' (Wiederk. 69) Anderen interpreteren deze verkondiging zo­danig dat de bewoners van andere hemellichamen de aard mensen geestelijke hulp doen toekomen.

Dat andere hemellichamen door mensen worden bewoond, daarover bestaat volgens de herhaalde uitspraken van de Nieuwe Openbaring geen twijfel. Het woord van het evangelie: 'Ik heb nog zeer vele schapen die niet uit deze schaapskooi afkomstig zijn', heeft Jezus in werkelijkheid, naar de Nieuwe Openbaring beschrijft, veel exacter geformuleerd; kennelijk is deze uitspraak later verminkt. De volledige tekst luidt: 'Ik heb nog zeer vele kudden, die niet in de schaapskooi van de aarde wonen, doch die op hun eigen wijze op talloze andere aard- en hemellichamen leven. Deze moeten allen naar de schaapskooi van het eeuwige leven worden geleid.' (GS I 61, 9)

De wetenschappelijke mening, die vroeger met deze uitspraak in het geheel niet instemde, is sedert enkele jaren fundamenteel veranderd. Naar de weten­schappelijke leider van de NASA, dr. Ernst Stühlinger, mededeelt, wordt de mening dat er in het heelal talloze hemellichamen zijn waar met verstand be­gaafde wezens wonen, algemeen erkend. In dit opzicht, zo verklaart de astro­noom, heeft er sinds enige tijd ten opzichte van vroegere ideeën een funda­mentele verandering plaatsgevonden. 266

Voor zover sommige verkondigingen van de Nieuwe Openbaring niet over­eenstemmen met datgene wat de wetenschap heeft ontdekt, bestaat er, naar het zoëven beschreven geval aantoont, geen reden om aan het waarheidsge­halte van de Nieuwe Openbaring te twijfelen. De wetenschappelijke ontdek­kingen worden steeds talrijker en hebben dikwijls tot gevolg dat de experts hun mening fundamenteel moeten wijzigen.

 

De uitlegging van de Openbaring van Johannes door de Nieuwe Openbaring

 

Er is heel wat geleerdheid aan te pas gekomen om de Openbaring van Johan­nes te ontraadselen alsook enkele teksten van het evangelie naar Mattheüs die betrekking hebben op de eindtijd. In de Nieuwe Openbaring worden hiertoe ophelderende verklaringen gegeven. 'Niemand heeft tot dusverre de juiste sleutel gevonden waarmee de boeken van het heilige woord ontsloten kunnen worden.' 'Zolang de mens de uitlegging of de geestelijke zin van de woorden­die men gelijkenis noemt - niet begrijpt, is het vergeefse moeite om te trachten Mijn woorden in hun diepste zin te bevatten.' (Wiederk. 99) 'Gij vindt in deze Openbaring van Johannes slechts symbolische beelden. Gij vindt daar de "toorn Gods", de "plagen" en nog andere uitdrukkingen, die in gene tijd zelfs door de profeten herhaaldelijk werden gebezigd, doch niet letterlijk dienen te worden opgevat. Ik, de God van de liefde, kan toorn noch haat noch wraak uitoefenen, wat in het geheel niet mogelijk is, hoewel Ik als God door plotse­linge vernietiging of door morele dwang alles onmiddellijk in de juiste orde zou kunnen brengen.' (Wiederk. 100)

'Daaruit blijkt dat in alle geschriften van het Oude en Nieuwe Testament het een en ander voorkomt wat niet zo bedoeld is als het volgens de letter schijnt, doch, aangepast aan het bevattingsvermogen van gene tijd, desondanks voor eeuwig de grote kiem van het geestelijke in zich draagt.' (Wiederk. 100 e. v.)

'Bijvoorbeeld vormt het bazuingeschal een groot aantal gelijkenissen van de moreel-geestelijke veranderingen die in het menselijk gemoed plaatsvinden zodra het tweesnijdende zwaard van de twijfel ingrijpt en de argwaan van het ongeloof zijn gesel zwaait.' (Wiederk. 109)

Op dezelfde wijze verklaart de Nieuwe Openbaring ook het evangelie naar Mattheüs, hoofdstuk 24, over de eindtijd die door de kerken met het einde van de wereld wordt verward. 'Gij kunt u niets dwazers voorstellen dan bijvoor­beeld aan de sterrenhemel een zogeheten crucifix te ontwaren.' (Hi I, blz. 337, 2) 'Het "teken van de Zoon des Mensen" staat gelijk met de in deze "kerk" opnieuw ontwaakte liefde met al haar hemelse attributen, zoals barmhartig­heid, geduld, zachtmoedigheid, deemoed, berusting, gehoorzaamheid en dul­den van alle smarten van het kruis. Ziet, dit levende teken van de Zoon des Mensen zal aan de hemel van het innerlijke, eeuwige leven verschijnen en zal niet doden doch juist tot leven opwekken.' 'Onder "hemel" moet de gehele geloofswaarheid uit het woord worden verstaan, dat de "kerk" in haar echt­heid vormt.' (Hi I, blz. 338, 8 en 9)

Evenzo worden de woorden in Mt 24,30: 'Zij zullen de Zoon des Mensen zien komen op de wolken des hemels, met grote macht en heerlijkheid' verklaard. 'Daaronder moet worden verstaan 'het levende woord in het hart van de mens of Mijn eeuwige en allesomvattende liefde, en deze is 'van grote macht en heerlijkheid'. En de 'wolken des hemels' zijn de oneindige wijsheid zelf in dit levende woord. Dat is in het kort de betekenis van deze passage.' (Hi I, blz. 338, 11) 'Gij bevindt u in de grote overgangstijd.' (Wiederk. 71) 'Het zal u duidelijk zijn dat op het lange heen- en weergolven een beslissing moet volgen waarin wordt bepaald wie de overwinnaar en wie de overwonnene is. Deze tijd gaat gij thans tegemoet.' (Wiederk. 113)

'Wanneer alle geestelijke en materiële oorlogen voorbij zijn, dan zullen allen Mij gemakkelijk begrijpen en ook Mijn geboden gewillig navolgen, die met de naastenliefde beginnen en met de liefde tot God eindigen.' (Wiederk. 115) 'Er zal dan ook nog slechts één kerk bestaan en één herder en één kudde.' (Wiederk. 115) 'Deze tijd staat in de Openbaring van Johannes onder de titel 'het duizendjarige rijk' of 'het nieuwe Jeruzalem'. (Wiederk. 114)

Aan het 'duizendjarige rijk' gaat echter de eindtijd, het oordeel vooraf. 'Het meeste uit de Openbaring van Johannes als ontwikkelingscrisis is reeds voor­bij, doch het ergste komt nog.' 'Zijt op alles voorbereid! Niet Ik, doch de dier­lijke aard van de mens, hun tomeloze heerszucht en gelddorst zal ook deze toornschalen en bazuinbeelden helpen vullen.' (Wiederk. 119)

Hierbij moet worden opgemerkt dat het 'duizendjarige rijk' dat na de eindtijd zal komen, volgens de uiteenzettingen van de Nieuwe Openbaring niet als een periode van duizend jaar moet worden beschouwd, doch als een tijd waarin 'het geestelijke over het materiële heeft gezegevierd' (Wiederk. 114).

Dat zal een periode zijn 'waarin de ontwikkeling van de ziel op de eerste plaats staat' en 'de hardheid van de ziel niet meer kan voorkomen en het recht van de sterkste geheel verdwijnt' (Gr XI, blz. 150)

'Dit rijk bestaat reeds lang in de geest en de harten van de goede mensen.' (Gr XI, blz. 326)

 

Het verkeerde gedrag van de mensen van het industriële tijdperk

en de gevolgen daarvan, bezien door de Nieuwe Openbaring

 

De Nieuwe Openbaring verheldert voor sommige mensen van onze tijd met onprettige duidelijkheid dat de weg die de mensen in de twintigste eeuw zijn ingeslagen, een dwaalweg is. Hij leidt de mensen niet naar het eigenlijke doel doch juist in de andere richting.

Zakendoen en geldverdienen en vooruitgang bereiken is op zichzelf niet ver­werpelijk. Dat blijkt duidelijk uit datgene wat tegen Lorber is gezegd: 'Het is de bedoeling dat de mensen met mate en doel alles hebben, de meest uiteenlo­pende gemakken voor het aardse leven uitvinden en hun handen niet met zwaar werk kromwerken, om des te meer tijd voor het bewerken en veredelen van hun hart en ziel te winnen.' (Gr V 108, 5)

Ieder systeem bereidt echter zijn ondergang voor, wanneer het zichzelf als ab­soluut beschouwt en zodoende onvermijdelijk in het gebied van het demoni­sche terechtkomt. Het zaken doen wordt dan meer en meer ten prooi aan de geest van de ongeremde hebzucht en daardoor van de meedogenloosheid. Het dienende karakter van de handel in de zin van het evangelie gaat volledig ver­loren. In een zodanig geval geldt dan steeds wat de Heer bij monde van Zijn profeet zegt: 'Wanneer de grote voordelen waartoe Mijn geest u mettertijd zal brengen volgens Mijn orde worden gebruikt, dan zullen zij u in alle opzichten duizendvoudige zegen brengen. Wanneer gij deze echter na verloop van tijd tegen Mijn orde in zelfzuchtig gaat gebruiken, dan zullen zij voor de mensen broedplaatsen van alle denkbare aardse onheil worden.' (Gr IV 225, 5-6)

Helaas is de industriemaatschappij de laatstgenoemde weg gegaan, en 'alle denkbare aardse onheil" is in het milieu reeds overduidelijk waar te nemen. Nauwelijks had zich de vrije markteconomie in de negentiende eeuw ont­plooid of zij begon van het evangelie afte dwalen. De gevolgen warenrampza­lig voor de mensen in de tijd van het vroege kapitalisme. Sinds het begin van de industrialisering viel men bovendien aan het waanidee ten prooi dat de door wetenschap en techniek bereikte vooruitgang het paradijs op aarde kon ver­wezenlijken. Nadat Karl Marx de voortdurende vooruitgang tot basis van zijn theorieën had verheven en dit idee bij de arbeidersmassa's algemeen was ver­spreid, streefden velen niet meer naar het paradijs in het hiernamaals doch hier op aarde. In deze gedachtenwereld was er geen plaats voor God of voor het geloof aan een eeuwig leven van de ziel.

De mening dat men op aarde een paradijs kon scheppen scheen aanvankelijk op te gaan. Binnen de afgelopen vijftig jaar nam het sociale produkt in vele landen in fantastische mate toe. Van 1960 tot 1975 stegen de lonen en salaris­sen in de Bondrepubliek Duitsland met 300 procent, terwijl de prijzen in de­zelfde periode slechts met twee derde omhooggingen. Van 1950 tot 1976 ging de levensstandaard van gezinnen met een gemiddeld inkomen, gemeten aan het feitelijk gebruik, met 200% omhoog. Sinds het jaar 1970 werden boven­dien de sociale zekerheden explosie-achtig uitgebreid. 267

Doch de calculatie klopte slechts schijnbaar. In feite was de industriemaat­schappij een gevaarlijke dwaalweg opgegaan, de 'American way of life'. De vertegenwoordigers van deze weg kenden de bergrede vrijwel niet meer; in ieder geval strookte deze niet met het principe waarnaar zij moesten handelen. Hun principe luidt: 'Make it, or die' (Je moet jezelf laten gelden of sterven).

In nationaaleconomische werken wordt deze wolvenmoraal eufemistisch als 'het vrije spel van de krachten' of 'vrije markteconomie' betiteld. Men behoeft niet 'links' te zijn om te constateren dat een systeem dat uitsluitend op het persoonlijke materiële succes is geprogrammeerd en waarbij de zojuist geci­teerde leus de maatstaf vormt voor de betrekkingen tussen de mensen onder­ling, indruist tegen Jezus' leer, waarvan de kern de naastenliefde is. Iedere student in de nationaaleconomie leert, dat het belangrijkste principe van de markteconomie de winstmaximering is. Tot welke onmenselijke toestanden dit beginsel in de negentiende eeuw in vele landen heeft geleid, weten nu niet velen meer. Destijds is de waarheid van de door Reinhold Schneider gespro­ken woorden: 'De knechten van de machine hebben een machinehart, en daarom zijn zij aan de machine overgeleverd' 268 volledig tot zijn recht geko­men. Later hebben de georganiseerde weerstand en de volledige werkgelegen­heid zo menige latent voorhanden negatieve zijden van dit principe toegedekt. 'Juist daarom', staat er in de Nieuwe Openbaring, 'omdat het verstand zoveel geld oplevert is de liefde geheel in onbruik geraakt, en de daarmee overeen­stemmende handelwijze is vrijwel niet meer bekend. Er zijn immers genoeg machines die door het verstand zijn geschapen.' (Schriftt. 13, 17)

De eis uit de bergrede naar een leven voor elkaar wordt genegeerd, omdat hij niet in het systeem past, dat de grootst mogelijke eigenbaat beoogt. Hoe men het ook draait of keert: onze economische orde berust op het luciferische ele­ment van de zelfzucht. Het is kenmerkend dat de Heer in de Nieuwe Openba­ring over het 'oude giftige onkruid van de eigenliefde' spreekt (Gr IV 109, 6). Wanneer de daar voorspelde omwentelingen plaatsvinden, dan zullen er heel wat veranderingen komen die velen thans nog onwaarschijnlijk achten. Men kan echter niet om de uitspraak heen die de heer in dit verband doet: 'Mijn eerste oogmerk is gericht op het uitroeien van het egoïsme - de handel (lees: economie, Egg.) is immers het evenbeeld daarvan.' (Pr 111) '...het zal niet meer lang duren tot uw sociale toestanden, waarvan gij gelooft dat zij voor altijd bestaan, ineen zullen storten.' (Pr 222)

Wie in staat is te onderkennen dat dit uiteindelijk nog slechts een kwestie van generaties is, zal de reeds zichtbare verschillende voortekenen van een veran­dering kunnen verklaren. Economische leiders met inzicht hebben allang on­derkend, dat fundamentele veranderingen van het systeem niet tegen te hou­den zijn; alleen spreken zij het niet allemaal zo duidelijk uit als de bekende bankier Hermann Josef Abs, die in het Deutschland-Magazin 6/1974 het vol­gende schrijft: 'In de wisseling van de generaties liggen de diepere oorzaken verborgen, waarom de conceptie van een vrije concurrentie-economie met vrije produktie-beslissingen en vrije consumentenkeuze niet overtuigend en bevredigend meer is.' 'De geestelijke basis van de economie wordt niet meer erkend. (!) Om die reden worden de noodzakelijke voorwaarden voor een ver­dere economische groei ontkend.' 'Hoe verder de tijd voortschrijdt, des te meer zal de vorm die de toekomst heeft van het verleden gaan afwijken.' 'Het beeld van de toekomstige industriële maatschappij moet van het concept uit de tijd kort na de oorlog in vele opzichten net zo duidelijk afwijken als de huidige toestand van de maatschappij van de toenmalige afwijkt.'

 

De president van het Duitse kartelbureau, professor Günther, verklaarde dat een onoplettend publiek en een lauwe economische politiek van de regering in Bonn de concentratie niet heeft geremd doch juist bevorderd. De monopoliecommissie beschouwt de fusiecontrole als een verre­gaand ondeugdelijk middel om de concentratie te verhinderen. 269

De zelfregulering van de vrije economie functioneert allang niet meer op de noodzakelijke wijze, omdat de voorwaarden steeds minder voorhanden zijn. De atomistische structuur van de markt, d.w.z. de volmaakte concurrentie be­staat niet meer, omdat de markteconomie door fusies in toenemende mate over een gering aantal grote machten wordt verdeeld. * Verder is de onmisbare voorwaarde voor het functioneren van de markteconomie - de stabiele valuta - in vrijwel alle industrielanden verloren gegaan. De ongecontroleerde groei­strategie werd niet door een regulatief geremd, zij had iets kankerachtigs. De 'voorgestabiliseerde harmonie' bestond alleen maar in oude leerboeken van de nationaaleconomie. De sturende elementen van de economische politiek slaan in geen enkel land meer aan. Het aantal werklozen stijgt steeds hoger en hoger. Het nationale egoïsme steekt overal de kop op, en het protectionisme, dat vele vormen vertoont, neemt op de gehele wereld toe. Het begin van een vernietigende kettingreactie is al gemaakt. De langzame industrialisering van de Derde Wereld begint voor de industrielanden in de concurrentie gevolgen te vertonen. In de zogenaamde noord-zuid-dialoog zijn de industrielanden reeds gevallen. De wereldeconomische horizon wordt steeds donkerder. Al met al: de theorieën van de concurrentie-economie, die zo goed gefundeerd leken, beginnen op bedenkelijke wijze scheuren te vertonen.

De wereldberoemde Engelse nationaaleconoom John Maynard Keynes ge­loofde enkele tientallen jaren geleden dat hij alle elementen van het econo­misch verband overzag; hij huldigde zelfs de mening dat het mogelijk moest zijn om de menselijke natuur door economisch denken te veranderen. Keynes' meningen zijn inmiddels een vergissing gebleken, de hoop die hij de mensheid van het industriële tijdperk had gegeven is vervlogen. De geestelijke basis van de economie-research en de invloeden van irrationele aard waren voor Key­nes' denkwijze geen element van zijn theorie. De begrippen 'liefde' en 'die­nen' kwamen in zijn boeken al evenmin voor als in de overige leerboeken van de economie. De nobelprijswinnaar Friedrich A. von Hayek treft de kern van de problematiek van de foutieve theorie van Keynes wanneer hij de volgende ondervinding doorgeeft: 'Het thans gebruikelijke bijgeloof dat alleen datgene van belang kan zijn wat meetbaar is, heeft er veel toe bijgedragen dat de eco­nomie en de wereld in het algemeen op een dwaalspoor zijn geleid. ' 270

Ook de bekende nationaaleconoom Von Nell-Breuning S.J. komt tot de op­merkelijke conclusie: 'De concurrentie heeft de neiging zelfmoord te ple­gen.'271

Een belangrijke ondernemer, die als directeur van een grote Duitse bank een principieel positieve instelling ten opzichte van de vrije markteconomie heeft, Ernst H. PIesser, legt in zijn geschrift Leben zwischen Wille und Wirklichkeit­Unternehmer im Spannungsfeld van Gewinn und Ethik de oorzaken van de bedenkelijk geworden ontwikkeling met opmerkelijke openheid bloot. De re­sultaten van zijn analyse tonen aan dat het steeds van geestelijke oorzaken afhangt of alle soorten systemen kunnen blijven functioneren dan wel aan het verval zijn blootgesteld. Wij citeren onderstaand enkele van de inzichten die PIesser heeft verworven. 272

'Darwins these van de strijd om het bestaan en het overleven van de sterkste heeft in de concurrentie-economie veld gewonnen en komt in een nieuwe men­taliteit tot uiting, die naast hardheid en omzichtigheid ook nog cleverness (ge­raffineerdheid) en smartness (sluwheid) als kwalificerende eigenschappen van de leidende figuren in de economie omvat.

Na de Tweede Wereldoorlog kwamen cleverness en smartness, die lange tijd slechts in het geheim waren gebruikt, opnieuw in de mode' (blz. 20). 'Men is veelal van mening dat maatschappelijke en ethische gezichtspunten ­vanuit de instelling van het materialistische verleden - niet in het economische bereik thuishoren. Ethica in de economie is echter noodzakelijk' (blz. 21). 'Als gevolg van de geestelijke vernauwing, die de ethica in onze maatschappij naar de achtergrond heeft gedrongen, is te zeer de nadruk gelegd op het pres­tatie-aspect van het menselijke handelen. Sinds de industriële revolutie be­heerst de prestatiegedachte in toenemende mate alle gebieden van het leven.'

'Traditionele verklarende oriëntatiehulp, zoals hogere ethische, morele of re­ligieuze verbindingen, hebben verregaand hun effectiviteit verloren. In plaats daarvan zijn op alle gebieden probleemoplossingen volgens utilitaristische ge­zichtspunten op de voorgrond komen te staan' (blz. 15)

'Vanuit de discrepantie tussen maatschappelijke vorm en economische doel­stelling is een labiele basisstemming in de maatschappij ontstaan. Deze komt tot uiting in een sinds het midden van de jaren vijftig gegroeid onbehagen, in de nonchalance van sommige economisch gearriveerde mensen, in sociale res­sentiments en in een algemeen gebrek aan vooruitziendheid' (blz. 17). 'Daar­bij komt een in sommige landen veel voorkomend cynisme, dat zich in vele aspecten van het leven doet gelden en openlijk wordt gedemonstreerd' (blz. 17).

'Iedere instelling loopt elke dag gevaar dat cynische egocentrici zich op kosten van hun omgeving en van de gehele maatschappij naar voren werken en de mensen alsook de organisatie slechts als werktuig voor hun zelfzuchtige doel­einden misbruiken. Dit is ook in de economie in individuele gevallen telkens weer te zien.'­

'Ongeremdheid en aanpassingsvermogen worden niet zelden als belangrijke kwalificerende eigenschappen beschouwd. Van daaruit is het niet ver meer naar een cynisch opportunisme' (blz. 26). 'Daarmee wordt dan echter ook voelbaar aan de vernieling van het systeem meegewerkt, dat in het verleden de opbouw, het behoud en de uitbreiding van de ondernemingen mogelijk heeft gemaakt. Er ontstaat een mentaliteit van alles omvattend cynisme, die dit pro­ces begint, bespoedigt en beëindigt.'

'Zij oefenen macht uit zonder wijsheid. . .' (blz. 27)

'Niets ontziende, slechts op hun eigen voordeel bedachte mensen brengen ieder systeem, dus ook het bestaande, in gevaar.'

'In de jongere generatie van onze tijd groeit het aantal van diegenen die de ziektesymptomen van de maatschappij niet meer accepteert doch hen als dat­gene beschouwt wat zij in feite zijn: verschijnselen van verval, die de steeds verder voortschrijdende symbiose vernietigen tussen de krachten die de maat­schappij bewaren en die de maatschappij veranderen. Het is de vraag of de verschijnselen van verval kankerachtig of epidemisch het overwicht zullen krijgen en daardoor de weg bereiden voor andere radicale ordes met andere accenten, andere postulaten en andere methoden' (blz. 57)

PIesser heeft de sonde diep gelegd en de geestelijke wortels van het probleem zonder pardon blootgelegd. Hij staat met zijn mening niet alleen, doch men schrikt er algemeen voor terug de dingen bij de naam te noemen.

Klare taal sprak ook Eduard Reuter, lid van de Raad van Bestuur van Daim­ler-Benz AG, in een lezing in St. Gallen.

'Ideaal en werkelijkheid komen niet meer met elkaar overeen. Velen willen alleen maar niet het eigen nest bevuilen.' 'Weliswaar wordt hier en daar de klassieke doelstelling van de winstmaximering binnen bepaalde grenzen gere­lativeerd, doch dat zijn vaak niet meer dan woorden. '273

Reuter is het met de bankier Hermann Abs eens dat 'wij bezig zijn onze ge­loofwaardigheid tegenover de jonge generatie te verliezen.'

Een soortgelijke, zij het korte, maar desondanks veelzeggende constatering werd in het Zwitserse tijdschrift Finanz und Wirtschaft geuit: 'De karakterin­tegriteit van vele topmanagers is tegenwoordig ongetwijfeld een teer punt. '274 De aandacht verdient ook datgene wat prof. dr. Wolfgang Stützel tijdens een symposion van de Ludwig Erhard-Stiftung in Bonn heeft gezegd. Hij zei vol­gens de Frankfurter Allgemeine Zeitung van 3 mei 1978 onder meer het volgen­de: 'Hoe echter staat het met het concept van het 'sociale' , wanneer wij over de 'sociale' markteconomie spreken? Hier bestaat sedert lange tijd een defect, een 'programma-deficiet'. Naar zijn mening heeft men de markteconomie lan­ge tijd als een systeem beschouwd, dat produktieve ondernemers en werkne­mers beloont. Doch in werkelijkheid, zo stelt hij letterlijk vast, 'dreigt er ge­vaar. De grootste beloning krijgt uiteindelijk niet meer de flinkste pionier, doch de ijverigste klaploper met de minste scrupules.'

Een zeer duister beeld van de huidige ondernemer tonen de onderzoekingen over de oorzaken van de vloed van faillissementen in de laatste jaren. Naar het Instituut voor Middenstandsonderzoek in Keulen vaststelde, dat 1300 faillisse­mentsdossiers van de rechtbanken heeft ingezien en 74 curatoren heeft onder­vraagd, zijn 'de ineenstortingen van de ondernemingen in het merendeel van de gevallen door interne fouten van de bedrijfsleiding veroorzaakt.' 'Onver­schillig of het nu om handel, industrie of de sector dienstverlening ging - de insolventie-onderzoekers vonden het slechte management gelijkelijk in alle branches.' 'Bedrog, wisselmanipulaties en meervoudige cessies' waren 'bij­zonder dikwijls te constateren feiten', en de eerste officier van justitie in Keu­len, Günter Bähr, bevestigt: 'De overgrote meerderheid van de insolventies is in hun laatste stadium van criminele aard.' Dat is echter niet meer dan de top van een ijsberg. Inmiddels (mei 1978) is er een meer dan duizend bladzijden tellende studie van het Max Planck-Instituut in Hamburg voor Buitenlands en Internationaal Privé-recht in handen van de minister van justitie in Bonn; deze is getiteld 'Die Praxis der Konkursabwicklung in der Bundesrepublik Deutsch­land' (de praktijk van de faillissementsafwikkeling in de Bondsrepubliek Duitsland). De misstanden die de wetenschappers van het Max Planck-Insti­tuut aan het licht hebben gebracht, zijn alarmerend. De onderzoekingen heb­ben aangetoond dat ongeveer 80 procent van de schuldeisers niets ontvingen. Als verklaring hiervoor wordt 'het complex van de economische criminaliteit als belangrijke tweede reden voor het gebrek aan boedel' aangegeven. De we­tenschappers geven hun verbazing te kennen over het feit dat in de economie 'de persoonlijke schuld (van de managers, Egg.) zo sterk in het middelpunt is komen te staan. '275

In overeenstemming met de uiteenzettingen van de hierboven genoemde auteurs is in de Frankfurter Allgemeine Zeitung, een blad dat zonder twijfel positief tegenover de vrije markteconomie staat, een opmerkelijke instelling te vinden: 'De markteconomie kan niet langer functioneren, wanneer het egoïsme van ieder afzonderlijk zich ongeremd kan uitleven. Een politieke par­tij die de martkeconomie wil redden moet van de groepen vergen dat zij zich het een en ander ontzeggen. ' 276 Doch het woord 'ontzeggen' was uit de mode geraakt, want daarin ligt zoveel explosieve kracht besloten dat regeringen, partijen en vakbonden het lange tijd niet waagden uit te spreken.

'Elk systeem', schrijft gravin Marion Dönhoff met juiste onderkenning van de psychologische feiten, 'brengt op de lange duur zijn antithese voort. Dat ligt aan het onvermogen tot maathouden. '277

In verband met het zware probleem van de vaste kosten wijst Von Nell-Breu­ning er nog op dat 'de economie zich steeds verder van dit (het oorspronkelij­ke, Egg.) model af heeft ontwikkeld.' 'Het is bedenkelijk dat wij daaraan zo­zeer gewend zijn geraakt, dat wij ons meestal helemaal niet meer bewust zijn hoe twijfelachtig dit gedrag en dientengevolge ook de daarmee bereikte resul­taten zijn. '278

Economie-experts die doorzicht hebben, weten dat het systeem eventueel in­een kan storten. Treffend schrijft professor Gutowski in de Frankfurter Allge­meine Zeitung: 'Zelfs een overtuigd aanhanger van de markteconomische orde mag zich er niet vanaf laten houden om vast te stellen in welke hoge mate deze orde voor verbetering vatbaar is. De slag voor de markteconomie kan op talrij­ke fronten worden verloren. '279

De vroegere bondspresident Walter Scheel heeft tijdens zijn ambtstijd een uit­lating van soortgelijke strekking gedaan: 'Wetenschap en techniek hebben een Janusgezicht. Hun positieve uitwerkingen zijn bekend, terwijl de negatieve zijden dikwijls verdrongen worden en dat niet op de laatste plaats omdat men vreest, dat de zaken anders minder goed zullen gaan.' 'Nadenkende mensen beginnen eraan te twijfelen of onze economie- en maatschappijvorm voor ons zelf en voor anderen het summum van waarheid is. '280 In het tijdschrift Bild der Wissenschaft 7/1977 wordt met het oog op de steeds toenemende milieuge­varen geconstateerd: 'De huidige vervuiling is slechts één maatstaf voor het falen van onze politieke, sociale en economische stelsels: wanneer wij ons mi­lieu vernietigen, dan vernietigen wij onszelf. Ook de homo sapiens staat op de lijst van de door uitroeiing bedreigde schepsels.' 'Het onverstand is een be­standdeel dat vast in het systeem is geïntegreerd.'

Men kan inderdaad niet meer ontkennen, dat de fundamenten van het bestaan van de industrievolkeren op bedenkelijke wijze worden ondergespoeld. Een geneesmiddel heeft men echter tot dusverre nog niet gevonden, omdat de markt tot een krachtenveld is geworden, waarin ontelbare egoïsmes het ver­loop bepalen. 'Kras uitgedrukt', staat er in een kritische uiteenzetting in de Deutsche Zeitung dd. 31 augustus 1979, 'is de hebzucht de motor van het eco­nomisch handelen.' 'De deelnemers aan de markt en de politici blijven gevan­genen van het economische principe.'

De hebzucht is nu eenmaal, naar hierboven is geconstateerd, een luciferisch element. Daarom gaat dit ontledingsproces met een religieus-geestelijk verval gepaard. De ik-betrokkenheid is het exacte spiegelbeeld van een in ontbinding verkerende maatschappij, die niets meer over de bergrede wil horen.

Deze zorgwekkende ontwikkeling in de industrielanden maakt het begrijpe­lijk, dat paus Johannes Paulus 11 in zijn encycliek Labarem excercens van.14 september 1981 uitdrukt, dat niet de winst het richtsnoer van een economisch systeem mag zijn doch de objectieve rechten van de arbeiders. Letterlijk staat er onder meer in de encycliek:

'Het valt niet te ontkennen dat de huidige maatschappelijke orde en de mate­rialistische beschaving op grondslagen is opgebouwd, die een fundamentele ontoereikendheid of liever een heel complex van ontoereikendheden, ja zelfs een ontoereikend functionerend mechanisme vertonen. Een dergelijke be­schaving maakt het de mensheid onmogelijk om boven een zo radicaal on­rechtvaardige situatie uit te groeien.'

Wetenschappers met doorzicht hebben al vroegtijdig onderkend dat het sys­teem van de vrije economie op een onjuiste geestelijke basis is opgebouwd en dat de industriële beschaving ondraaglijke toestanden en uiteindelijk een ramp ten gevolge moet hebben. De vooraanstaande liberale nationaaleco­noom Rudolf Eucken - de oprichter van de Freiburgse school- schreef reeds in 1926:

'Een werkelijke godsdienst is met de heerschappij van het economische eigen­belang op den duur niet te verenigen.' 'Het is duidelijk dat deze economische denkwijze er in belangrijke mate toe moest bijdragen, dat de godsdiensten uit hun oude positie worden verdrongen.' '... het valt niet te loochenen dat het moderne kapitalisme mede schuld draagt aan de geestelijke leegheid van onze tijd, die ertoe bijdraagt het menselijke leven van zijn inhoud te beroven...' 'Uit dat alles blijkt dat kapitalisme en tijdcrisis met elkaar verband houden. '281 Eucken onderkende de onvermijdelijke gevolgen van de 'innerlijke leegte van het moderne leven' en eiste een 'veelomvattende geestelijke levensorde.'

Ook de gerenommeerde nationaaleconoom Wilhelm Röpke onderkende reeds 25 jaar geleden de oorzaak van de wanprestaties van het systeem van de vrije economie in het verlies van religieuze substantie en daardoor van de basis van morele waarden. Röpke schrijft in zijn boek Jenseits van Angebat und Nachfrage:

'De ziekte van onze cultuur zit het diepst in de geestelijk-religieuze crisis.' 'Le­ven wij niet in een economische wereld die de ongebreidelde zucht naar winst ontketent, die een commercieel macchiavellisme bevordert, als zij dit al niet tot regel maakt, die alle hogere gevoelens in het ijskoude water van egoïstische berekening doet verdrinken? Bestaat er een zekerder weg om de ziel van de mens volledig te doen verdorren dan de door het economische systeem in de hand gewerkte gewoonte om onze gedachten bij voortduring rond geld en fi­nanciële waarden te doen draaien?' 'Wij hebben... sinds een eeuw de steeds vertwijfelder poging gedaan het zonder God te stellen en de mens, zijn weten­schap..., zijn techniek en zijn staat in haar godsvijandigheid op Zijn plaats te zetten.' 'Die wanhopige poging heeft een situatie geschapen waarin de mens... op de lange duur in het geheel niet kan bestaan, ondanks televisie, autosnelwegen en comfortabele woningen.' 'Wij kunnen ervan verzekerd zijn dat op zekere dag datgene wat thans slechts weinigen duidelijk is als een stort­vloed over de meesten heen zal spoelen.'282

Met deze woorden heeft de geleerde met ronduit profetische gave de wortels van de ellende blootgelegd die hij op de mensen zag afkomen.

In onze tijd is één van de briljantste nationaal-economen, de nobelprijswin­naar Kenneth J. Arrow, tot dezelfde conclusie gekomen als de hierboven geci­teerde wetenschappers. Arrow bestrijdt de onophoudelijk in de pers en in de vakliteratuur benadrukte efficiëntie van de vrije markteconomie niet, doch hij verklaart dat de vrije markt desondanks wegens het ontbrekende altruïsme niet als belangrijk constructief element van een economische en maatschappe­lijke orde kan worden erkend. 283

De voornoemde geleerden laten er geen twijfel over bestaan, dat de basis van ons economisch stelsel niet met Jezus' leer overeen te brengen is. Het evange­lie zet het accent volledig anders dan onze economische en maatschappelijke orde. Tot beginsel verheven worden eindeloze groei, toename van de welvaart en van de eisen. In toenemende mate wordt het systeem van hebzucht en zucht naar macht doortrokken en deze situatie heeft de profeet Jakob Lorber voor onze tijd ook voorspeld, en wel met alle gevolgen, zoals deze van jaar tot jaar duidelijker zichtbaar worden. Letterlijk staat er in de Nieuwe Openbaring: 'Zij geloven eigenlijk reeds aan niets meer behalve dan aan een mooie winst.' (Gr IX 40,4) 'Op een zodanige handelwijze, die lijnrecht indruist tegen wat de Heilige Geest voorschrijft, volgt altijd een geweldig oordeel, dat Ik nu ook reeds gereedhoud...' (Schriftt. 61, 18) 'Ik heb de aarde niet vanwege de indu­strie en nog veel minder ten behoeve van de rijken geschapen.' 'Het doel dat Ik met de aarde beoog is geheel anders dan de huidige, door Satan volledig op­geëiste wereld onderkent.' (Hi 11, 308) 'Ik ben niet ten behoeve van het lichaam, doch ten behoeve van de ziel op deze wereld gekomen.' (Gr X 109, 2­3)

De gevolgen van deze ontwikkeling worden steeds duidelijker. De innerlijke zelfvernietiging van de economie en de maatschappij neemt in alle industrie­landen zo langzamerhand bedenkelijke vormen aan. Volgens berichten uit de USA komen ook daar steeds meer mensen tot het inzicht, dat de maatschappe­lijke orde en de beschaving voor de ineenstorting staan. De wil tot wetteloos­heid, tot oproer en anarchie vervult de mensen in toenemende mate met vrees. Niet zonder reden staan vele jonge mensen wantrouwend en teleurgesteld te­genover de technisch perfecte, doch onoverzichtelijk geworden, vreemde we­reld.

De technologie en de economie zijn in de dienst van het duivelse komen te staan. Een systeem dat alle activiteit uitsluitend op het bereiken van een zo groot mogelijk persoonlijk nut richt, moet op een gegeven ogenblik door dit beginsel ten val komen. 'Een gemeenschap is nu eenmaal niet de som van de interessen, doch de som van alle toewijding' (Antoine de Saint-Exupéry). De zakeneconomie in de vorm van het financiële denken in de zuiverste vorm acti­veert het egoïsme en leidt uiteindelijk tot verschijnselen zoals die waar wij van dag tot dag meer onder te lijden hebben. Dit causale verband wordt in de Nieuwe Openbaring in eenvoudige bewoordingen glashelder verwoord: 'Het zal u nog duidelijk worden dat de wereld slechts dan kan bestaan wanneer Liefde haar grondwezen is, liefde haar bestaans- en vervolmakingsdrift is' (Pr 276).

De industrie heeft alles op goed geluk, tomeloos en zonder plan beoefend, zonder het gecompliceerde ecologische verband te kennen of er ook maar re­kening mee te willen houden. Zij heeft de mensheid onder haar dictatuur ge­knecht en tegelijkertijd een kunstwereld geschapen, waarover zij de controle heeft verloren. Wetenschappers en technici zijn tovenaarsleerlingen gewor­den en kunnen niet meer overzien welk onheil brengend geschenk zij de mens­heid hebben gegeven. Een ware vloed van gifstoffen heeft de mensen over­spoeld en veroorzaakt schade aan de gezondheid die nog niet volledig te over­zien is.

Een tijdlang scheen het uiterlijke succes het functioneren alsook de onover­treffelijkheid van ons economisch systeem te bevestigen en alle kritiek moest wel verstommen. De economie bloeide op verbazingwekkende wijze. Doch juist toen het succes zijn hoogtepunt naderde en het aardse paradijs niet meer veraf scheen, werd duidelijk dat de rekening van degenen die zich met de eco­nomie bezig houden, alsook van de marxisten, niet opgaat. De vruchten die rijpten bleken giftig te zijn.

Aan het steeds-meer-willen-hebben kwam geen einde, de zucht naar prestige bloeide en de luxe bereikte een ongekend niveau. Rang, aanzien en hoge le­vensstandaard werden de afgoden van onze eindtijd. Tegelijkertijd staken brandende nijd, haat, terreur, ontvoeringen en grenzeloze bruutheid als bege­leidende verschijnselen van het onveilig geworden leven de kop op. Het over­wicht van het technisch-instrumentele verstand heeft de harten van de mensen veranderd. De mensen verwachten hun heil van een economisch of maat­schappelijk systeem. Slechts weinigen begrijpen dat geen enkel stelsel kan functioneren, wanneer een opgevoerd egoïsme, het stellen van overdreven eisen, liefdeloze meedogenloosheid en verdwijnend rechtsgevoel de kenmer­ken van een decadente maatschappij zijn.

De sociologen is niet ontgaan, dat bij voortdurend stijgende welvaart een zorgwekkend verval van de bindende sociale krachten te constateren is. Het verlies van de betrekkingen tussen de mensen onderling leidt in een rationeel­technische wereld zonder religieus en ethisch verband tot een sociale ongebon­denheid. De bereidwilligheid tot polarisatie groeit met onrustbarende snel­heid. De snelheid waarmee de zaken zich ten kwade keren doet een radicalise­ring van de mensen vrezen, die de maatschappelijke structuur tot instorten kan brengen. De ontwikkeling herinnert op vreeswekkende wijze aan de pro­fetieën in de Nieuwe Openbaring: '. . . doch het zal nog erger worden, omdat de vrije mens (dat betekent in dit geval: de mens die niet meer naar God vraagt, Egg.) werkelijk bijna een stenen hart heeft gekregen.' (Pr 319)

De egoïstische zelfverwezenlijking heeft een snel zichtbaar geworden verval van de moraal doen opkomen. Het haatcomplex breidt zich uit als een olievlek op het water. Het stelen is een volkssport geworden. Binnen tien jaar is het aantal winkeldiefstallen meer dan viermaal zo groot geworden.284 Alleen in warenhuizen en winkels worden ieder jaar in de Bondsrepubliek goederen ter waarde van naar schatting 1,5 tot 2 miljard DM gestolen. 285 Nog veel hoger zijn de verliezen door de economische criminaliteit, die met 20 tot 25 miljard DM per jaar een ongekend hoogtepunt hebben bereikt en daardoor de door inbraak met diefstal, bankroof, straatroof en chantage veroorzaakte schade verre te boven gaan.286 Het aantal roofmisdaden steeg in de Bondsrepubliek Duitsland tussen 1958 en 1980 met 330 procent. 287 De roofovervallen op geld­transporten namen in de korte tijd tussen 1979 en 1982 met 355 procent toe en de drugsmisdrijven stegen in dezelfde tijd op schrikbarende wijze. Ieder jaar geven ondernemingen en particulieren 2,5 tot 3 miljard DM voor veiligheid uit.288 Naar het ministerie van binnenlandse zaken mededeelt is er ook in de Bondsrepubliek 'het alarmerende begin van de georganiseerde misdaad' vast te stellen, vergelijkbaar met de toestanden in de USA en in Italië. 289 De Britse Lord-opperrechter Geoffrey Lane zei in een lezing aan de Universiteit Cam­bridge dat de immorele Britse maatschappij vol is van drugs, pornografie en misdaad. Toen er voor Groot-Brittannië een periode van welvaart aanbrak, beleefde de misdaad tegelijkertijd een explosieve groei.

In andere werelddelen is de criminaliteit reeds veel verder gevorderd dan in Europa. In de USA, waar in 1975 41 procent van de zwarte jongeren geen werk had, zijn in dezelfde periode 20000 mensen door gewelddaden om het leven gekomen. In totaal worden er in dat land binnen een jaar bijna een mil­joen mensen aangevallen. 290 In New York waren 90 procent van alle branden door brandstichting veroorzaakt. 291 Binnen twaalf maanden zijn alleen in New York 80000 huizen door brandstichting en vandalisme tot ruïnes gewor­den. In de afgelopen tien jaar hebben de Amerikanen 50 miljoen revolvers en geweren gekocht. De hoogste rechter van de USA, Burger, vat de toestanden in de Verenigde Staten met de volgende woorden samen: 'Het terrorisme op straat en in huis is een nationale nachtmerrie geworden. '292

In alle werelddelen heeft de als een epidemie om zich heen grijpende drugsver­slaving een blijvende invloed op de snel toenemende criminaliteit. Heroïne, die steeds meer aftrek vindt - enkel in New York zijn er al 200000 verslaafden - werkt in ieder geval verslavend en richt de mens lichamelijk en geestelijk te gronde. 'Iemand die aan heroïne verslaafd is', staat er in een rapport, 'heeft dagelijks "stuff" ter waarde van ca. 150 dollar nodig. Zonder diefstal en roof­overval kunnen slechts zeer weinigen dat opbrengen. Het verband tussen drugsverslaving en criminaliteit ligt voor de hand. '293

In Brazilië zijn 120000 voor arrestatie in aanmerking komende criminelen op vrije voeten, omdat de gevangenissen reeds meer dan honderd procent boven de als toelaatbaar beschouwde normale capaciteit gevuld zijn. Dagelijks vin­den er in Rio de Janeiro ongeveer 150 overvallen op bussen plaats, waarbij de passagiers van geld, horloges en sieraden beroofd worden. 294

Het brengt ons tot nadenken, dat volgens de statistiek van de Verenigde Na­ties ook in de ontwikkelingslanden een groeiend sociaal produkt met een snel­le toename van het aantal roofovervallen van 179 procent binnen niet meer dan zes jaar gepaard ging. 295

Op de gehele wereld stijgt de criminaliteit dermate, dat zij volgens de vroegere secretaris-generaal van de UNO, dr. Waldheim, het formaat van een crisis heeft aangenomen. De ontwikkeling schijnt overal ter wereld uit te lopen op het 'totale verval van de sociale banden' (Pr 260), dat in de Nieuwe Openbaring is voorspeld, d.w.z. .op anarchie.

Verdere symptomen van verval zijn de stortvloed van pornografie en de over­dreven seksualiteit. Ook deze ontwikkeling heeft Jakob Lorber juist voor­speld: 'Wanneer een volk te welvarend wordt aan aardse zaken, dan wordt het steeds zinnelijker. Omdat het de mensen te goed gaat, vergeten zij de ware God uiteindelijk geheel en al.' (VdH, blz. 66) Kenmerken van ontaarding zijn voorts: het massale misbruik van de genotmogelijkheden, de vlucht in de alco­hol en de drugsroes. Het eindresultaat bestaat alleen al in de Bondsrepubliek uit 13000 zelfmoorden en ca. 100000 pogingen tot zelfmoord per jaar. 296 Als gevolg van ontbrekende duidelijke religieuze opvattingen en psychische leegte wordt de wereldbeschouwing van de crimineel geworden jongeren door een steeds meer om zich heen grijpend nihilisme gekenmerkt.

Het ziektebeeld van de verzadigde, alleen op het 'grondrecht' op gemak en een luxe leventje georiënteerde industrievolkeren is beangstigend. Parallel met de uitbreiding van de ongelovigheid en religieuze onverschilligheid ver­loopt de psychische corruptheid en het verval van de ethische en morele nor­men. Het materialisme is als een sluipend gif de zielen binnengedrongen en heeft een steeds bredere basisstroming doen ontstaan. Veelal geven de ouders geen principiële normen meer aan de kinderen door. De jeugd beschikt niet meer over een innerlijk kompas. Het is geen toeval, dat in de USA sinds enke­le jaren meer dan de helft van alle ernstige misdrijven door jeugdigen tussen 10 en 17 jaar worden begaan. (Times).297

Wanneer de filosofen Heidegger, Bloch, Marcuse, Adorno, Habermas e.a. verkondigen dat de dood als 'een sprong in het niets' is (Bloch) en hun hoop slechts op een betere toekomst op aarde vestigen, en wanneer dat niet in ver­vulling gaat, dan als laatste levenshulp over een 'val in een afgrond van diep pessimisme en nihilisme' (Bloch) spreken, 298 is de weg naar een geestelijk va­cuüm reeds afgetekend.

Ook deze leringen van onze huidige wijzen van de wereld werden Jakob Lor­ber door de Heer duidelijk als volgt voorspeld: 'Er waren, er zijn en er zullen ook in de toekomst steeds wijzen van de wereld zijn die zeggen: 'Er bestaat geen God.' Voorts beweren zij dat bijgevolg alles door de kracht van aarde, zon en elementen. . . is ontstaan.' 'Ik zeg u dat er temidden van alle ellende en alle nood onder de mensen niets ergers bestaat dan hun geestelijke blindheid. Daaruit komen onvermijdelijk alle kwade dingen voort...'

'... De zingeving van deze filosofen bederft maar al te gauw duizenden mensen door zijn verlokkende voorbeeld.' (Gr VIII 181, 14-18)

Over de invloed van de voornoemde filosofen, vooral op de jonge intellectue­len, bestaat geen twijfel. De gevolgen zijn inmiddels door schokkende daden duidelijk geworden. Ook deze ontwikkeling in de eindtijd heeft Jakob Lorber exact voorspeld. Hij schrijft dat een 'volledige gevoelloosheid van de jeugd, die uitsluitend voor het lijfelijke wordt opgevoed' (Hi II, blz. 21) ontsteltenis teweeg zal brengen. Aan zijn uitspraak voegt hij in verband met de opsom­ming van de kenmerken van de beginnende eindtijd nog de volgende opmer­king toe: 'Dit is de laatste tijd.'

De consequenties van de materialistische wereldbeschouwing brengen de filo­sofen zelf onmiskenbaar tot uitdrukking. In een interview in Der Spiegel van januari 1970 299 verklaart Max Horkheimer: 'Er bestaat geen wetenschappelij­ke reden waarom ik niet mag haten, wanneer ik daardoor in de maatschappij geen nadelen ondervind. ' 300 Camus schrijft: 'Wanneer God dood is maakt het geen verschil of men zieken verpleegt of doodt. '300

Zo menigeen die zonder god of liefde leeft zal zulke leringen niet alleen over­nemen, doch afhankelijk van de omstandigheden ook de meest gruwelijke misdaden billijken en begaan. Nietzsche noemde in zijn nalatenschap het nihi­lisme treffend de 'akeligste van alle gasten'. 301

Hierbij moeten wij aan een uitlating van de nobelprijswinnaar prof. Werner Heisenberg herinneren, die een welhaast profetisch karakter heeft, wanneer men bedenkt wat er in toenemende mate op de wereld aan gruwelijke dingen gebeurt. 'Wanneer men in deze westelijke wereld vraagt wat goed is en slecht, wat wij moeten toejuichen en veroordelen, dan vindt men toch steeds weer de waarden en maatstaven van het Christendom ook daar, waar allang niemand meer iets met de beeltenissen en gelijkenissen van deze godsdienst kan begin­nen. Wanneer deze magnetische kracht die dit kompas heeft bestuurd eens helemaal zal zijn uitgedoofd - en deze kracht kan toch alleen maar uit de cen­trale orde voortkomen -, dan vrees ik dat er meer dan verschrikkelijke dingen kunnen gebeuren, die de concentratiekampen en atoombommen nog in de schaduw stellen. '302

Wanneer in de Bondsrepubliek niet meer dan 17 procent van de mensen God als 'iets heel belangrijks' (Stern dd. 6 oktober 1977) beschouwen en de op het eeuwige leven georiënteerde zin van het leven steeds meer wordt onderdrukt, is het gevaar te voorzien dat talrijke mensen in een crisis over de zin van het leven zullen geraken. Uit het idee dat het leven zinloos is, ontstaat het nihilis­me en daardoor het ontbreken van zedelijk normbesef. De geestelijke verwil­dering en uiterste bruutheid zullen steeds meer om zich heen grijpen en angst en vrees verspreiden.

De volgende uitspraak, die de terrorist Horst Mahler tijdens een gesprek in de gevangenis van Moabit deed, wijst duidelijk op het zoëven vermelde verband. Mahler zei: 'De zestien terroristen zijn allen van mening dat het leven geen zin heeft. '303

Hoewel de terroristen over het algemeen niet in een economische noodsituatie verkeerden, mag het causale verband met de toestanden in de welvaartsmaat­schappij niet over het hoofd worden gezien. De bekende Zwitserse psychiater prof. Gerhard Schmidtchen wijst in een rapport over de door hem uitgevoerde analyse van het terrorisme op een dieper liggende oorzaak van het terrorisme, die in de talrijke uiteenzettingen in kranten en tijdschriften over dit fenomeen taboe is verklaard. Professor Schmidtchen schrijft: 'De terroristen zullen waarschijnlijk geen moeilijkheden met recrutering hebben, zolang een eigen­gerechtig maatschappelijk systeem niet merkt in welk institutioneel niemands­land een deel van de jonge generatie en een deel van de intellectuelen op­groeit. Wij moeten ons afvragen... hoe waarheidslievend onze instellingen eigenlijk zijn. '304

Het atheïsme, de grofstoffelijke wijze van denken, alsook de religieuze onver­schilligheid bereiden de weg naar een vicieuze cirkel, waaruit niemand meer schijnt te kunnen ontsnappen. De welvaartsmaatschappij in alle industrielan­den komt niet dichterbij het paradijs waarnaar gestreefd wordt, doch bij schier ondraaglijke toestanden.

Wanneer de werkelijkheidszin in brede kringen steeds meer verloren gaat, alle normen met voeten worden getreden en het demonische in de daden van de mensen steeds schrikwekkender tot uiting komt, zodat de wereld uit haar scharnieren dreigt te worden gelicht, zal de welvaartsmaatschappij wellicht te laat inzien welke niet te herstellen gevolgen de beslissing 'weg van God en Zijn leer, naar de materialistische surrogaatreligie van de vooruitgang toe' heeft. Het gebeuren zal aan een antieke tragedie herinneren: de dwang is onont­koombaar. Een ommekeer naar een geordend leven en naar vrede temidden van de mensen zal pas plaatsvinden, wanneer het theoretische en praktische materialisme overwonnen is. Alleen het besef dat de mens een hoge metafysi­sche rang heeft en niet, zoals Freud en anderen beweren, 'niet anders en niet beter dan een dier' is. 305, verleent zin aan het bestaan van de mens, en dan kan hij vol hoop naar een verheven doel streven.

Slechts dan is er een verandering van de steeds triester en bedreigender wor­dende toestanden op elk gebied te verwachten, die in de volgende citaten van de Nieuwe Openbaring beschreven worden..

'Wanneer gij de wereld steeds euveler en slechter ziet worden, wanneer de mensen steeds ontevredener, steeds mismoediger, steeds wreder en steeds egoïstischer worden, dan is overal de reden dat niemand de eigenlijke weg naar de vrede, de bescheidenheid en de volledige overgave aan Mijn leiding ziet.' 'Dit is het bewijs hoe weinig er in deze harten van godsdienst of van het begrip van een eeuwig, geestelijk leven te vinden is.' (Pr 140) 'De harten der mensen zien er nu uit', wordt er in de Nieuwe Openbaring gezegd, 'gelijk deze tijden met hun wrede verschijnselen, waardoor nu een zodanige ellende over de mensen zal komen als de aarde op soortgelijke wijze nog niet heeft gezien en ervaren.' (Wdk. blz. 11)

Dat doet vermoeden wat er te verwachten is wanneer de ontwikkeling zo ver­der gaat als tot nu toe.

Geweldige individuele technische prestaties, zoals de maanvluchten of atoom­splitsing, kunnen de fundamentele gebreken van het systeem niet verbergen. De Amerikaanse generaal Bradley vatte de problematiek in één enkele zin samen toen hij zei: 'Wij hebben de atoomenergie ontdekt en zijn de bergrede vergeten. '306

Aan al dit drijven zonder richting ligt een grenzeloze arrogantie ten grondslag. Het is geen toeval dat deze destructieve ontwikkeling in een geseculariseerde wereld plaatsvindt. Daar kon de diepgaande vraag naar de zin en de afloop van al deze ongeremde bedrijvigheid helemaal niet meer worden gesteld. Het pro­meteïsche van de civilisatiedynamiek, dat geen werkelijk duurzaam succes doch uiteindelijk onheil brengt, heeft Reinhold Schneider vroegtijdig onder­kend en in onderstaand vers tot uitdrukking gebracht:

 

'De daders zullen nooit de hemel dwingen.

Wat zij verenigen,

valt weer uiteen,

wat zij vernieuwen,

veroudert meteen,

en wat zij stichten,

brengt nood en handewringen. '307

 

Het onheil, dat de tot in het mateloze opgedreven toepassing van het principe 'je moet jezelf laten gelden of sterven' over de mensen heeft gebracht, beperkt zich niet tot de dreigende milieucatastrofe, inflatie en werkloosheid, doch stelt ook miljoenen mensen tijdens hun werk aan een gejaagdheid bloot, die hen afmat en ziek maakt. Geen manager is in dit systeem nog de baas over zijn beslissing, doch allen zijn gebonden door verplichtingen die hen zelf tot ge­jaagdheid opdrijven en dan de druk naar beneden doorgeven. Demoscopische onderzoekingen hebben aangetoond, dat thans reeds 58% van alle werkenden onder spanning lijden.308

De gejaagdheid van het werk heeft een omvang aangenomen die haar als zwa­re en voortdurende last doet gevoelen, die ziekten en zelfs zelfmoord ten ge­volge heeft. Naar de Frankfurter Allgemeine Zeitung mededeelt, beroven zich in de Bondsrepubliek jaarlijks 100 managers van het leven.309 Terwijl in het midden van de jaren twintig één op de zeven sterfgevallen aan een collaps van het hart- en vaatstelsel te wijten was, was het volgens mededeling van het Duit­se CBS in Wiesbaden in het jaar 1972 vijftig procent van de sterfgevallen. 310

De dwaasheid van de steeds meer uit de hand lopende, rampzalig opgejaagde ijver leidt niet alleen tot een ineenstorten van gezondheid en werkkracht, doch ook tot een bestaan dat geen zin meer heeft. De gejaagdheid brengt een toe­stand teweeg, die geen bezinning meer toelaat op de eeuwige waarden en het doel van de mens. Men zou bijna geloven dat - naar in de Nieuwe Openbaring staat - 'een zodanige ijver het eigenlijke wezen van alle godsdienst en de waar­digste manier vormt om God te vereren' (Hi I, blz. 348). De Heer spreekt over de 'geheel naar buiten gekeerde mensen' en maande Zijn discipelen alsook alle latere mensen met nadruk: 'Wij hebben innerlijke geestelijke rust nodig en dat is een echt vaderland; daarin zullen wij al datgene vinden, wat wij als uiterlijke mensen van vlees en bloed vooral van node hebben.' (Gr 1194,2)

Vanuit het standpunt van Jezus' leer en het eeuwige zieleieven bezien, is deze steeds sneller wordende jacht naar succes en een hogere levensstandaard vol­komen nutteloos. De kritiek die de Heer in de Nieuwe Openbaring uit op 'ma­terieel winstbejag, zucht naar een hoge positie, heerszucht en koketterie', is vernietigend (EM, hfdst. 60 en 63). Hij laakt de verkeerde opvatting die de huidige mensen van het industriële tijdperk omtrent hun levensopgave heb­ben, die lijnrecht tegenover de leer van het evangelie staat. 'De industrie van deze wereld zal voorzeker met grote ijver worden beoefend om de geest snel­ler te doden en zo mogelijk ook het toch al karige uitzaaien van het zaad voor het eeuwige leven geheel en al te vernietigen.' 'En zo verkommeren de harten der mensen, Gods enige woning op aarde.' (Hi II, blz. 367) 'De industriële mensen met hun nimmer te bevredigen verlangens gelijken op het struikgewas en de doornen, waaronder het zaad van Gods woorden wordt verstikt.' (GS II, blz. 125,5) 'Zij begraven hun talenten voor de hemel op lichtvaardige wijze in de voren der aarde.' (Hi II, blz. 350 e.v.)

De mateloosheid is echter niet alleen het kenmerk van de techniek en de eco­nomie, zij is ook algemeen het kenmerk van de mens van de eeuw zonder God. De stijging van de welvaart heeft de belangrijkheid van de aardse goederen sterk doen toenemen en de gedachte aan het eeuwige leven zelfs bij diegenen doen verbleken, die iedere zondag naar de kerk gaan. Volgens een onderzoek van het Infratest-instituut in München gelooft nog slechts ongeveer de helft van de ondervraagden aan een leven na de dood. 311 Hiertoe kan alleen maar een uitspraak van Goethe worden geciteerd: 'Het bewijs voor de onsterfelijk­heid moet eenieder in zich dragen, bovendien kan het niet worden gege­ven.' 312

De Nieuwe Openbaring brengt duidelijk naar voren, dat het juist omgekeerd is als velen geloven: '... De uiterlijke materie, die toch alles schijnt te zijn, is in werkelijkheid niets. Het geestelijke in de materie, dat de blinden en doven niets toeschijnt, is uiteindelijk toch alles.' (Hi I, blz. 177, 28)

Op de meest elementaire vragen kan de wetenschap geen antwoord geven, het positivisme kan niet doordringen tot het laatste en belangrijkste - het geeste­lijke. 'Alle geleerden van de wereld, ook al zijn zij nog zo groot, kunnen met hun diploma's en doctorshoeden niet te weten komen wat er na de dood met de mens gebeurt. . .' (Schriftt. 75) 'Laat u daarom niet verlokken door de blinde en bedrieglijke bekoringen van de wereld, doch weest altoos nuchter en slaat de waarde van de wereld niet te hoog aan.' (Gr 1167, 16)

De geest van de secularisatie van de vorige eeuw is nu volledig gaan werken, en de materialistische levensopvatting heeft de huidige chaotische en destructie­ve krachten opgeroepen. De atheïstische vroege socialisten, die door Ludwig Feuerbach geïnspireerd waren, verwachtten niet alleen het paradijs op aarde, doch zij verkondigden ook dat pas de mens die de religie had afgeworpen 'een volmaakte mens' zou zijn. 313 Dit destijds ge hoopte afwerpen van het geloof aan God en aan een eeuwig leven is nu in onze tijd volledig bewaarheid. De jezuïetengeneraal Arupe gelooft, dat er in de westelijke landen meer atheïsten zijn dan in de oostelijke. 314 De wereld waarin wij leven maakt ons op ontstel­lende wijze duidelijk op welke wijze de 'volkomen religie loze mens' in oost en west miljoenen mensen ongelukkig heeft gemaakt en onnoemelijk leed over de mensheid heeft gebracht. Nu het morele kapitaal van de godsdienst de mensheid niet meer draagt, nemen de verschijnselen van verval steeds meeraardse voordelen zijn steeds van nadeel voor de ziel.' 'Ik ben niet ten behoeve van het lichaam doch ten behoeve van de ziel op deze wereld gekomen.' (Gr X 109, 2-3) 'Een te grote verbetering in aardse dingen vormt steeds een ware en voortdurende verergering op geestelijk gebied, dat de mens met alle krachten van zijn leven toch alleen dient te cultiveren.' (Gr VII 222,9) 'Grote welvaart doet de ware God geheel en al vergeten.' (V dH 66)

De Heer heeft echter tot de profeet Jakob Lorber gezegd, dat in het industriële tijdperk slechts weinigen zich aan de dans rond het gouden kalf zullen kunnen onttrekken. 'Zij zullen omgeven zijn door mensen die in het geheel geen ge­loof hebben, die zich slechts met allerlei lucratieve industrie bezig houden en zich niet om Mijn leer bekommeren.' (Gr IX, 40, 6)

'Zij verstaan de kunst om de materiële grond van de aarde te doorwoelen. . ., doch de bodem van de geest en van het eeuwige leven laten zij braak liggen en zij bekommeren zich er maar weinig om.' (Gr IV 236, 4-5) 'Er zal spoedig een tijd komen, dat deze nijvere dienaren van de wereld van beide geslachten nog in dit leven te weten komen welk "goede loon" zij voor hun arbeid hebben ontvangen.' (Hi Il, blz. 184, 12)

Het begin van de door Jakob Lorber voorspelde tijd wordt thans op de gehele wereld zichtbaar. Snel toenemende werkloosheid, verval van de geldwaarde, economische stilstand, stijgende tekorten, milieuvergiftiging, toename van ziekten, vernieling van de bossen op de gehele aarde door menselijk toedoen op alle gebieden, langdurende droogteperioden alsook anderzijds verwoes­tende overstromingen in alle werelddelen, een opvallende keten van ongeluk­ken, om zich heen grijpende gewelddadigheid, angst voor oorlog en andere zaken veroorzaken zorgen, onzekerheid en angst bij de mensen. Algemeen komen steeds meer mensen tot de ontdekking dat de elementaire basis van het leven van de mensen, dieren en planten door de meest uiteenlopende mense­lijke invloeden wordt bedreigd. Langzamerhand onderkent men dat de over­dreven eisen op economisch drijfzand waren gebouwd. Bij de regerende krin­gen in de wereld wordt de stemmenwirwar van de radeloosheid steeds luider.

'Mijn Heilige Geest', staat er in de Nieuwe Openbaring, 'is in de huidige han­delingen van de wereld nergens te zien, waardoor deze wereld als wees volle­dig alleen staat. Ik laat haar echter nog enige tijd stijgen, totdat zij de juiste hoogte heeft bereikt van waaruit zij kan vallen.' (Wdk., blz. 56)

Het komt steeds duidelijker naar voren: de wisselvallige schittering van de ei­gengerechtigheid, die alles als mogelijk beschouwt en niet meer over een lei­dende God spreekt, bevindt zich steeds in verwantschap met de gevallen en­gel, wiens werken nimmer slagen en slechts euvele zaken teweegbrengen. Steeds werd in de geschiedenis een val voorafgegaan door vermetelheid.

In Zijn boodschap aan de mensen van de eindtijd door zijn 'schrijfknecht' Ja­kob Lorber, waarschuwt God de industrievolkeren dringend en nadrukkelijk de weg, die naar de apocalyptische catastrofe zal leiden, niet verdèr te gaan:

'Eenieder van u moge toch bedenken dat de aarde onmogelijk een paradijs kan zijn, aangezien zij een proefterrein moet blijven voor iedere geest die in het logge vlees der mensen is gelegd; zonder dit proefterrein kan geen enkele geest een volmaakt eeuwig leven deelachtig worden.' (VdH 85, 10)

'Vergeet niet dat dit aardse leven, dat zo vluchtig langs u heen snelt, een proe­ve, een proefleven is.' (Pr 19) 'Bedenkt, gij zijt niet van deze wereld! Gij waart tevoren geest en zult weer geest worden.' (Pr 121) 'Bedenkt, dat in geestelijk opzicht duizend jaar nauwelijks verdienen een zeer kort ogenblik te worden genoemd - wat is bijgevolg de uiterst korte proeflevenstijd van een mens!' (Hi II, blz. 48)

'Bij de huidige levensomstandigheden is het wel eenieders plicht voor de aard­se behoeften te zorgen. Doch deze zorg dient niet zover te gaan, dat zij een mens verhindert naar zijn geestelijk doel te streven en zijn medemensen goed te doen.' (Pr 253)

'De gulzigheid verduistert de ziel dermate dat zij in het geheel niets meer van iets geestelijks kan begrijpen; en ook al wordt zij door het hoogste en zuiverste geesteslicht verlicht, dan verandert zij dit toch al spoedig in haar zelfzuchtige, grofstoffelijke wezen en ziet en onderkent derhalve wederom niets dan mate­riële zaken.' (Gr IV 123, 12)

'Doch welke waarde hecht de wereldmens aan de uiterst belangrijke zelfken­nis, zonder welke een waarachtig besef van God niet denkbaar is.' (GrIV224, 3)

'De zielen van miljoenen weten niet eens meer dat zij de geest Gods in zich dragen, laat staan dat zij bij hun eindeloze wereldse zorgen iets kunnen of wil­len doen wat deze vrij en zelfstandig zou kunnen maken.' (Gr II 110, 13)

'Gij weet dat een mens die rijk aan aardse goederen is geworden, meestal ook in zijn hart een steen van gevoel- en liefdeloosheid wordt.' 'Waar staat zo'n mens dan in de innerlijke geestelijke levenssfeer? Ik zeg u: op het punt van het eeuwige oordeel en diens dood...' (Gr VIII 181, 1-2)

'Als er op aarde ooit zeer vele zulke epicuristen*(.*Epicurisch = genotzuchtig.) zijn, dan zal er ook spoedig van Gods zijde een algemeen wereldoordeelover alle mensen op deze aarde toegestaan worden.' 'En wel van nu af aan (ten tijde van Jezus) na iets minder dan 2000 jaar.' (Gr VIII 182, 3 en 5) 'Dat alles zal God toelaten om de mensen van hun hoogmoed, zelfzucht en grote (geestelijke) traagheid af te brengen.' (Gr VIII 185, 5)

'De mensen zijn thans zo ver van hun eigenlijke doel verwijderd, dat geen menselijke macht er meer toe in staat zou zijn hen uit hun dromen op te wek­ken en hen van hun jacht naar genot af te brengen.' (Pr 309)

'. . . nu het egoïsme als tegenpool van Mijn liefde en van de liefde algemeen het belangrijkste stokpaardje van de thans levende mensheid is geworden, nu door al het woeste tekeergaan de maat van de dwalingen aan uw kant en de maat van Mijn geduld beiden vol beginnen te raken, is dit woord (de Nieuwe Openbaring, Egg.) aan u gegeven om menigeen nog vóór het algemene verval te redden...' (LGh, blz. 190)

'De elementaire gebeurtenissen,de ongelukken en ziekten die aan die tijd (van de laatste grote rampen, Egg.) voorafgaan, vormen de laatste pogingen om nog te redden wat er te redden is, opdat niet allen in het slijk van het egoïs­me stikken. Slechts door ongeluk en harde slagen van het noodlot wordt het trotse mensenhart murw.' (Pr 330)

'Wanneer al deze ongelukkige gebeurtenissen de mensheid teisteren, gelijk eens bij de joden de vernieling van Jeruzalem - wiens schuld is dat dan? Ben Ik een wrekende God, die naar het bloed van duizenden dorst? Ofzijnzij het niet veeleer zelf, die alles naar hun opvatting buigen en zelfs de grote wetten van de stoffelijke en geestelijke wereld - als het maar mogelijk was! - graag omver zouden werpen?'

'Ik laat het hier opschrijven, opdat de gehele wereld het moge weten! Zoals Ik eens de ondergang van het joodse volk voorspelde en deze ook werkelijk plaatsvond, hebt gij hier voldoende maningen en voorspellingen waarin Ik u duidelijk heb gezegd wat er zal komen, hoe en wanneer het moet geschieden om Mijn afgedwaalde kinderen op de rechte weg te brengen.' (Pr 331)

Toen Jezus Zijn discipelen de rampen voorspelde die in onze tijd zouden plaatsvinden, zeiden zij dat het toch treurig was dat dit de mensen zou overko­men. Daarop gaf Jezus hun ten antwoord: 'Daarin bestaat de grote treurnis onder de mensen, dat het licht en de liefde hen heeft verlaten.' 'Ik kan de mens echter zijn vrije wil niet ontnemen, omdat hij zonder deze geen mens zou zijn.' (Gr VIII 213, 20 e.v.)

Naar de Heer uitdrukkelijk mededeelt, bestaat er slechts één enkele mogelijk­heid om een afglijden in het onheil tegen te houden: 'Ik leg u vooral de naas­tenliefde aan het hart, die uit de liefde tot God voortkomt. Deze alleen kan uw volledige verkeerdheid weer tot mensen in Mijn orde doen verkeren.' 'Daarom ben Ik op de wereld gekomen, om u de juiste ommekeer terug naar Mijn orde te tonen.' (Gr IV 220, 5-6)

 

Zal de mensheid acht slaan op Gods waarschuwingen?

 

Men heeft profeten altijd als lastposten beschouwd. Hun kritiek op de be­staande toestanden en handelwijzen wekten ergernis op en hun profetieën schenen de mensen volledig onwaarschijnlijke fantasieprodukten toe. Noach werd uitgelachen, Amos uit het land verdreven en Jeremia in de gevangenis geworpen. Doch spoedig daarna werden de volkeren die dit allemaal niet wil­den geloven, door de voorspelde vernietigende rampen geteisterd. De drin­gende vermaningen en waarschuwingen van de Heer, alsook de getoonde zui­vere leer zullen ook nu nog op uiteenlopende wijze worden opgenomen. On­danks alle overtuigende bewijzen zullen velen niet willen toegeven, dat er een bovennatuurlijk charisma bestaat en dat de profeet Jakob Lorber in opdracht van God spreekt. De ervaring heeft geleerd dat het succes van waarschuwin­gen door profeten niet mag worden overschat. Dat werd Lorber ook als volgt voorspeld: 'Zeer velen zullen zich er niet aan storen (aan de rampen, Egg.); zij zullen dat alles aan de krachten van de natuur wijten, en de waarzeggers zullen bedriegers worden genoemd.' (Gr VI 174, 6) In de Nieuwe Openbaring wordt er geen twijfel aan gelaten dat 'de Johannesen ook nu gelijk eens meestal slechts voor dovemansoren zullen spreken.' (Pr 24)

Het is niet gemakkelijk een maatschappij van haar weg af te brengen, die zich nog steeds in handen van het materialisme en hedonisme*(*Hedonisme = lust is het hoogste goed.) bevindt. De koude intellectualiteit heeft geen opnameorgaan meer voor het transcendente en kan daarom ook voorkomende rampen niet als een teken van God beschouwen. Wie het leven tot een rationeel te bevatten mechanisme degradeert en zichzelf daardoor van de laatste oorzaken en verbanden van het bestaan afsnijdt, komt onvermijdelijk in een existentieel vacuüm terecht en komt tot de overtuiging dat het leven zinloos is. Daarom zoeken de massa's die geen geloof meer heb­ben steeds meer verstrooiing in de oppervlakkigheid van de materiële con­sumptie, die van de overzijde van de oceaan naar ons is gekomen. Doch de innerlijke leegte en de geheime angst blijft bestaan.

Wanneer men de onderstaand geciteerde uitspraken van Lorber voor een prognose aanhaalt, dan bestaat er weinig kans op, dat de mensen tot bezinning zullen komen:

'. . . Wie eenmaal door de wereld gevangen is genomen, die zal zich niet dan met de grootste moeite uit haar macht kunnen bevrijden.' (Gr VIII 166, 15)

'Wanneer er eenmaal een stroom staat en deze sterk geworden is, dan is het te laat om deze in te dammen en in zijn loop te stremmen.' 'Ook al zijn zijn me­ningen (van de helderziende, Egg.) nog zo juist, hij is machteloos, wanneer de grote massa blind en doof is.' (EM 66)

De normatieve kracht van het feitelijke maakt een fundamentele ommekeer, d.w.z. een zich onttrekken aan de zuigende kracht van het denken in de vorm van succes en eisen, alsook van een luxe leventje, hoogst onwaarschijnlijk. Niemand kan nu eenmaal, naar in het evangelie staat en in de Nieuwe Openba­ring nogmaals wordt onderstreept, 'de wereld en haar mammon en tegelijker­tijd ook Gods levende rijk dienen, dat is onmogelijk.' (Gr VIII 77, 14)

Nog is de tijd niet gekomen, dat de voortdurend toenemende tekenen van het onheil in elke vorm, dat de mensheid nadert, in hun betekenis algemeen wor­den begrepen.

De volkeren hebben aan het einde van hoge culturen nimmer onderkend wat er om hen heen geschiedt; zij hebben ook nimmer begrepen dat een inflatie van eisen het einde van een cultuur ten gevolge heeft. Ook aan het verval van het Romeinse rijk ging een inflatie van eisen en een geldelijke inflatie vooraf. In het jaar 301 n. Chr. vaardigde keizer Diocletianus een lonen- en prijzenstop uit, die evenzeer faalde als de maatregelen, die enkele jaren geleden in de USA en enkele Europese landen werden genomen. Diocletianus klaagde: 'De hebzucht woedt op de gehele wereld.327 Hoezeer lijken de beeltenissen toch op elkaar! Ook destijds werd de ondergang voorafgegaan door het koude za­keninstinct en de mensen verstrikten zich in het net van hun onzinnige eisen.

Sommigen zullen zich met de gedachte troosten, dat het leven ook na de grote rampen verder zal gaan. Zij geven daarmede slechts blijk van een gebrek aan kennis van de geschiedenis. Het leven zal verder gaan, de vraag is echter ­hoe? Ten tijde van de Romeinse keizer Constantijn (vierde eeuw) had Rome 1,5 miljoen inwoners. 328 Na de ineenstorting van het Romeinse rijk leefden er in de zesde eeuw nog veertigduizend mensen en in de middeleeuwen was er van Rome niet meer over dan een dorp; op het Forum graasden de geiten. 329 Nadat de Germaanse volkeren uit de oerwouden tevoorschijn waren gekomen en over het ineenstortende Romeinse rijk waren gestroomd, duurde het vijf­honderd jaar, voordat er weer kleine steden ontstonden en vanaf dat tijdstip nogmaals eeuwen, voordat de kathedralen gebouwd werden als teken van een nieuwe cultuur. 'Wie had kunnen denken', schreef de kerkvader Hiëronymus (+ 420), 'dat Rome, dat op alle schatten van de wereld gebouwd was, ooit ten val zou komen. '330

Ook in onze tijd is - naar de uiteenzettingen over de rampen tonen, die op beangstigende wijze in wording zijn - het menetekel reeds geschreven. Doch slechts weinigen onderkennen wat de mensheid binnenkort te wachten staat.

Vooruitziende mensen beseffen hoe ernstig de bedenkelijke situatie is, even­als de tendens die eraan ten grondslag ligt. Zo zegt onder meer de voormalige president van het Duitse constitutionele hof, Ernst Benda (1971-1983) het vol­gende: 'Het gevoel dat wij in een tijd van algehele omwenteling en onzekerheid leven, is meer dan een emotie. Wij bevinden ons in een crisis. De radeloosheid van de mensen is groter dan ooit tevoren. Het proces verloopt dramatischer dan vroeger.' 331 Ook de vermaning, die de gerenommeerde geleerde Carl Friedrich von Weizsäcker naar aanleiding van verworven inzichten uit, moet ons tot nadenken stemmen: 'Ik persoonlijk ben van mening, dat de groeiende kritiek op de technocratische wereld de vooraankondiging van diepe crises, zelfs van rampen is. Het is onvergeeflijk niet naar Cassandra en Jeremia te luisteren. ' 332

Al evenmin mag de boodschap van Fatima uit het jaar 1917 genegeerd wor­den, die de komende eindtijd betreft en steeds ernstiger wordt opgevat. Bij zijn bezoek in Fulda heeft paus Johannes Paulus II volgens een mededeling in het katholieke tijdschrift Stimme des Glaubens 10/1981 in intieme kring enkele mededelingen uit deze boodschap bekendgemaakt. Volgens deze worden on­de meer 'door de oceanen hele werelddelen overstroomd, en mensen van de ene minuut op de andere tot God geroepen en wel bij miljoenen.'

In het jaar 1973 had reeds bisschop dr. Rudolf Graber, Regensburg, in een lezing te Freiburg i.H. in het bijzijn van talrijke bisschoppen verklaard, dat Fatima 'het grote eschatologische teken (van de eindtijd, Egg.) is dat God on­ze tijd heeft gegeven. '333

In de Nieuwe Openbaring wordt over de komende gebeurtenissen samenvat­tend het volgende gezegd:

Wanneer 'de tekenen van verschikkelijke rampen steeds veelvuldiger worden' (Pr 37), dan zal men wel algemeen begrijpen, dat de eindtijd nabij is. Pas dan zal volgens de mededelingen in de Nieuwe Openbaring bij velen een omme­keer plaatsvinden. 'Mijn stem kan in de menselijke ziel meestal pas dan duide­lijk weerklinken wanneer de ziel door allerlei bittere ervaringen is verinner­lijkt en zich van uiterlijkheden heeft afgewend.' (Gr XI, blz. 151)

'Er zal zich algemene nood, droefenis en ellende voordoen, zoals de aarde nog nimmer groter heeft aanschouwd.' (GrVIII 185, 2) Dan 'zullen de misstanden van het menselijke leven weldra nog menigeen naar uw zijde geleiden.' (LGh, blz. 90)

'Van nu af aan (ten tijde van Jezus) zullen iets minder dan 2000 jaar verstrij­ken, totdat het grote oordeel zal plaatsvinden.' (Gr VI 174, 7)

'Ik maak de volkeren door nood nuchter. Ik schud ze wakker uit de waan dat de wereldse, slechts naar genot strevende zucht het eerste is wat de mens dient te zoeken. Ik leer hen - helaas door onaangename gebeurtenissen - de vergan­kelijkheid van wereldse eigendunk, wereldse roem en wereldse geluksgoede­ren en bewijs hun tevens, dat geestelijke schatten van eeuwige duur zijn. Zo gaat het ieder mens afzonderlijk, de volkeren, de heersers en de priesters. Ik toon allen, dat boven hen nog een ander staat, die hen weliswaar laat doen wat hun goeddunkt, die echter alleen invloed behoudt op de in elkaar verweven omstandigheden en toestanden en die alles - zelfs het slechtste wat door men­sen is begaan - ten goede van de mensheid als geheel en ook van ieder mens afzonderlijk weet te benutten.' (Pr 308)

'. . . Ik, de Schepper van het gehele universum, moet aanzien hoe Mijn schepse­len, die door Mij met de hoogste geestelijke vermogens zijn toegerust, juist de verkeerde weg inslaan, in plaats dat zij - hun hoge afkomst indachtig - het geestelijke tegemoet ijlen.' (Pr 220)

'Duizenden verdwaalden ijlen op een dwaalweg in het vroegtijdige graf. Zij verlaten deze wereld onrijp en komen ginds nog onrijper aan. Wat moet ervan hen geworden? Hier konden zij niet blijven, en ginds behaagt het hun al even­min. 0, gij kent niet de kwellingen van zulke zielen, die besluiteloos ronddo­len! Het verloren aardse is voor hen niet meer toegankelijk, en het geestelijke is voor hun meningen en hun wezen niet passend.' (Pr 110)

'Daarom is een opwekking van node, des te meer thans in deze tijd, nu de oplossing van de gehele geestelijke bestemmingskwestie van het mensenge­slacht voor de deur staat en de meeste mensen zich zo aan een wereldse, egoïs­tische handelwijze hebben overgegeven, dat door een zachte aanraking met een vinger welhaast niemand meer kan worden opgewekt, doch voor hen die zo diep in het slijk van de wereld weggezonken zijn, meestal gewelddadige middelen moeten worden toegepast om hen eruit te trekken.' (Pr 309) 'Talloos velen zullen zich verzetten - doch het geneesmiddel moet worden ge­nomen en de bittere kelk tot op de boden worden geleegd.' (Pr 309) 'Mijn weeklagen over Jeruzalems lot zou Ik ook nu kunnen herhalen, want de dwaze mensheid onderkent ook nu haar missie, het doel waarom zij is gescha­pen en het doel van haar huidige en toekomstige leven niet.' (Pr 220) 'Overal laat Ik vonken van Mijn hemelslicht uitstrooien, overal weerklinkt Mijn vaderroep: keert om, gij verlokten, verneemt de stem van uw hemelse Vader, die u vermaant, alvorens de grote ramp naderkomt - gelijk eens voor Jeruzalem en haar bewoners.' (Pr 222)

In de Nieuwe Openbaring krijgen de mensen van onze tijd door Gods profeet vele onaangename waarheden te horen en worden er met grote nadruk verma­ningen aan diegenen gericht, die aan de tijdgeest verslaafd zijn. De Nieuwe Openbaring, die de grootste zegelverbreking van alle tijden vormt, bevat de gehele scheppings- en heilsgeschiedenis en de ware leer van Jezus. Zij valt de zielen met de volle kracht van een cataract binnen. Verward en verbijsterd zullen velen de verwijding van hun geestelijke horizon waarnemen en de hui­dige activiteiten van de mensen van de eindtijd vanuit een geheel nieuw per­spectief, bij wijze van spreken van buiten af of sub specie aeternitatis, d.w.z. vanuit de gezichtshoek van de onsterfelijkheid, leren beschouwen.

Voor vele verontruste, verwarde en de waarheid zoekende mensen zal de door de profeet Jakob Lorber bekendgemaakte ware leer van Jezus, die de grond­geheimen van de wereld en van het menselijk leven ontsluiert, een opwinden­de en vreugdevolle belevenis worden.

Beslist zal echter ook de Nieuwe Openbaring voor velen - evenals tot dusverre het evangelie - een steen des aanstoots zijn. 'Laat hen maar praten', zegt de Reer tot Lorber, 'laat hen Mijn oude (het evangelie, Egg.) en ieder nieuw woord (de Nieuwe Openbaring, Egg.) maar als baarlijke nonsens beschou­wen.' (Ri II, blz. 97)

'Mijn leer heeft hen van hun zoete aardse leven beroofd, dat toch hun hoogste goed is.' (Gr II 24,4) 'Mijn leer eist echter dat de mensen zich datgene ontzeg­gen, wat hun op de wereld het prettigste toeschijnt.' (Pr 130)

'Men kan het rijk Gods niet dan met geweld en grote offers deelachtig wor­den.' (Gr VIII 16, 3)

De waarlijk edele en goede mens is genoegzaam, terwijl de euvele, duistere wereldmens met niets tevreden te stellen is.' (Gr II 201, 7)

Door de gehele Nieuwe Openbaring loopt de vermaning aan de huidige mens­heid, dat het korte aardse leven een scholing voor een hoger, eeuwig leven vormt. Velen wordt een spiegel voorgehouden. Wanneer echter hebben pro­feten ooit naar de mening van de massa of naar de beweringen van de priesters gevraagd? Zij konden dat ook niet, want het waren niet hun eigen gedachten die zij onder woorden brachten of opschreven. Tot Jakob Lorber werd er ge­zegd: 'Ik zeg u: wanneer uw woord zich in de toestemming van de wereld kon verheugen, dan zou het niet van Mij afkomstig zijn. De verachting door de wereld is te allen tijde het grootste getuigenis van datgene wat uit Mij komt.' (Ri II, blz. 98) 'Waar gij niets kunt veranderen, in verband met de vrije wil en het vrije besef dat ieder mens eigen is, spaar u daar voor de toekomst elke moeite en arbeid.' (Ri II, blz. 97) 'Ret is moeilijk prediken voor doven en blinden.' (Ri I, blz. 181) 'Maak u (om hen) geen zorgen; de verbeteringsinstel­lingen zullen in het hiernamaals veel groter zijn dan op deze aarde.' (Gr II 133, 6)

'In het hiernamaals zal er voor hen wel een plaats zijn, waar hun halsstarrig­heid gelijk was wordt gesmolten.' (Hi II, blz. 143)

Zowel in het evangelie als in de Nieuwe Openbaring is duidelijk gezegd, dat slechts een gedeelte van het uitgestrooide zaad op vruchtbare aarde zal vallen. In de Nieuwe Openbaring wordt echter anderzijds ook voorspeld, dat bijna tweeduizend jaar na Christus een geestelijke opwekking van de mensen zal plaatsvinden, 'die zich gelijk een vuurzuil van het ene einde van de wereld naar het andere verplaatst' en die 'vele miljoenen' zal treffen (Gr I 72, 3).

Nieuwe geestelijke impulsen treden - naar de geschiedenis leert - nu en dan met verbazingwekkende snelheid en onweerstaanbare kracht op. Velen zijn van mening dat er reeds eerste tekenen te bespeuren zijn voor een religieuze hergeboorte buiten de uiteenvallende kerken. Volgens de verkondigingen van Jakob Lorber bestaat er geen twijfel over, dat 'de opgang van de geestelijke en eeuwige waarheidszon' (de Nieuwe Openbaring, Egg.) ondanks alle weer­stand niet kan worden verhinderd.' (Gr VIII 46, 4)

'Mijn werk zal zich ongehinderd in het daglicht openbaren als een grote mag­neet, die alles aantrekt.' (Hi I, blz. 99)

Het aantal mensen, dat voelt dat slechts een opvullen van het religieuze va­cuüm het leven een verloren gegane dimensie en een zin terug kan geven, zal dan steeds groter worden. Datgene wat Jakob Lorber op 27 juni 1841 door de innerlijke stem heeft gehoord, zal dan uitkomen: 'Ik geef het u om daarmee voor de wereld een nieuwe hoek- en grenssteen te plaatsen, waarover velen zullen struikelen, die niet de daarin genoemde wegen van deemoed, volledige zelfverloochening, geduld, zachtmoedigheid en alle liefde beschrijden.' (Hi I, blz. 390)

 

 


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

NOTEN

 

Deel I

 

1 DER SPIEGEL vom 18. Dezember 1967, S. 41

2 Küng, Hans: Wahrhaftigkeit. Zur Zukunft der Kirche, Freiburg LB. 1968, S.86

3 Kaepgen, Gearg: Die Gnasis des Christentums, Salzburg 1939, S. 153

4 Das Wart 9/1964, S. 259

5 Cheney, Sheldan: Vom mystischen Leben, Wiesbaden 1949, S. 305

6 van Leitner: Jakob Lorber - ein Lebensbild, Bietigheim/W. 1930, S. 15

7 van Leitner: Jakob Lorber - . . . a. a. 0., S. 29

8 van Leitner: Jakob Lorber - . . . a. a. 0., S. 15 f.

9 Cheney, Sheldan: Vom mystischen Leben, . . . a. a. 0., S. 220

10 Benz, Ernst: Swedenbarg, München 1948, S. 295

11 Guittan, Jean: Der geteilte Christus (impr.), Würzburg 1965, S. 165

12 Fries, Heinrich: Es geht um das echte Wesen der Religian, in: Diskussion zu    Bischaf Robinsons "Gott ist anders" hrsg. van Hermann Walter Augustin

13 Karrer, Otta: Die grasse Glut. Textgeschichte der Mystik im Mittelalter, 1926, S.I64 '

14 Mager, Alais: Mystik als Lehre und Leben, Innsbruck 1934, S. 180 u. 186

15 Sartary, Th. u. G.: In der Hölle brennt kein Feuer, München 1968, S. 175

16 Benz, Ernst, Swedenbarg, München 1948, S. 306

17 Les halluzinatians, Paris pp 30-31,179,183

18 Demi, Franz: Betrachtungen zur religiösen Situation unserer Zeit, in: Das Wart 7/1971, S. 208

19 Newman's Grammar af Assent, Landan 1913

20 Das Wort 11/1969, S. 337

21 Das Weltall, Time-Life, 1964, S. 164

22 Ducrocq, Albert: Roman der Materie, Frankfurt/M. 1965, S. 40

23 Meyers Handbuch über das Weltall, Mannheim 1967, S. 486

24 Frankfurter Allgemeine Zeitung (FAZ) vom 7. Januar 1963

25 FAZ vom 22. Februar 1967

26 Ducrocq, Albert: Roman . . . a. a. 0., S. 57

27 Ducrocq, Albert: Roman . . . a. a. 0., S. 84

28 Ducrocq, Albert: Roman . . . a. a. 0., S. 94

29 Martin, Wilhelm: Sanne - Weltall- Materie, Bietigheim/W. 1969, S. 48

30 van der Osten-Sacken, Peter: Kosmos plus minus. Vom Atom zum Spiral­nebel, München 1971, S. 153

31 Das Weltall, Time-Life 1964, S. 153

32 Bivort de la Saudée, J.: Gott - Mensch - Universum, Köln 1963, S. 202

33 Mussard, Jean: Gott und der Zufall, Bd. I, Zürich 1965, S. 67

34 FAZ vom 7. Januar 1963

35 Rhein-Neckar-Zeitung vom 30. September 1969

36 Rhein-Neckar-Zeitung vom 11. Januar 1963

37 FAZ vom 13. März 1954

38 Martin, Wilhelm: Sanne - Weltall- Materie, . . . a. a. 0., S. 46

39 Das Weltall, Time-Life 1964, S. 114

40 FAZ vom 8. Navember 1982

41 FAZ vom 18. August 1965

42 Ducrocq, Albert: Raman, . . . a. a. 0., S. 71

43 Tirala, L. G.: Massenpsychasen in der Wissenschaft, Tübingen 1969, S. 62

44 FAZ vom 15. Navember 1967

45 Kristall 3/1965

46 FAZ vom 16. Navember 1967

47 FAZ vom 15. Dezember 1971

48 Rhein-Neckar-Zeitung vom 29. Dezember 1969

49 FAZ vom 13. Oktober 1964

50 Hobby 13/1964

51 Badische Volkszeitung vom 22. August 1964

52 Bild der Wissenschaft, April 1982, S. 157

53 Mannheimer Morgen vom 19. Februar 1982

54 von der Osten-Sacken: Kosmos. . . a. a. 0., S. 180

55 Das Weltall, Time-Life 1964, S. 152

56 X-Magazin vom Oktober 1971, S. 61

57 X-Magazin vom Oktober 1971, S. 61

58 FAZ vom 22. Oktober 1971

59 Ducrocq, Albert: Roman. . . a. a. 0., S. 138

60 von der Osten-Sacken: Kosmos. . . a. a. 0., S. 186

61 Lorber, Jakob: Von der Hölle bis zum Himmel, Bd. 11, S. 481 f.

62 Bivort de la Saudée, J.: Gott - Mensch - Universum, . . . a. a. 0., S. 219

63 Mussard, J.: Gott und der Zufall, Bd. I, . . . a. a. 0., S. 71

64 FAZ vom 6. Januar 1969

65 Meyers Handbuch über das Weltall . . . a. a. 0., S. 305

66 FAZ vom 3. Januar 1968

67 Birjukow, D. A.: Der Mythos von der Seele, Leipzig 1959, S. 29

68 Ford, Kenneth, W.: Die Welt der Elementarteilchen, Heidelberg 1966, S. 2

69 Asimov, Isaac: Das Neutrino, Frankfurt/M. 1971, S. 8

70 Haber, Heinz: Der Stoff der Schöpfung, Bild der Wissenschaft, Stuttgart 1966, S. 91

71 Asimov, Isaac: Das Neutrino. . . a. a. 0., S. 44

72 Brik, Hans: Mysterium - Atom-Mysterium - Leben, Berlin 1966, S. 170

73 Bamett, Lincoln: Einstein und das Universum, Frankfurt/M. 1951, S. 37

74 Ducrocq, Albert: Roman. . . a. a. 0., S. 25

75 Mussard, J.: Gott und der Zufall, Bd. I . . . a. a. 0., S. 86

76 Mussard, J.: Gott und . . . a. a. 0., S. 85

77 Müller-Markus, Siegfried: Gott kehrt wieder, Aschaffenburg 1972, S. 105

78 von der Osten-Sacken: Kosmos. . . a. a. 0., S. 243

79 Ducrocq, Albert: Kosmos. . . a. a. 0., S. 33

80 Laun, W. L: Vom Atom bis zur Grenze des Universums, Darmstadt 1966, S.42

81 Die Zeit, Nr. 10/1972

82 Brik, Hans: Mysterium . . . a. a. 0., S. 100

83 D. ter Haar: Wendepunkt in der Physik, Braunschweig 1963, S. 127

84 Mussard, J.: Gott und der Zufall, Bd. 11, . . . a. a. 0., S. 21

85 Asimov, Isaac: Das Neutrino. . . a. a. 0., S. 98

86 Braunbeck in FAZ vom 20. Oktober 1971

87 Asimov, Isaac: Das Neutrino. . . a. a. 0., S. 105

88 Asimov, Isaac: Das Neutrino. . . a. a. 0., S. 106

89 D. ter Haar: Wendepunkt . . . a. a. 0., S. 156

90 Kahn, Fritz: Das Atom, endlich verständlich, Stuttgart 1962, S. 54

91 Schlag nacht Mannheim 1963, S. 97

92 D. ter Haar: Wendepunkt . . . a. a. 0., S. 156

93 Ford, Kenneth: Die Welt der Elementarteilchen . . . a. a. 0., S. 23

94 D. ter Haar: Wendepunkt . . . a. a. 0., S. 156

95 Ford, Kenneth: Die Welt. . . a. a. 0., S. 23

96 Ford, Kenneth: Die Welt. . . a. a. 0., S. 25

97 Die Welt des Atoms, Hrsg. von A. Cube, Tfibingen 1970

98 Ford, Kenneth: Die Welt. . . a. a. 0., S. 191

99 von der Osten-Sacken: Kosmos. . . a. a. 0., S. 258

100 Ford, Kenneth: Die Welt. . . a. a. 0., S. 11

101 Haber, Heinz: Der Stoff . . . a. a. 0., S. 129

102 Ford, Kenneth: Die Welt. . . a. a. 0., S. 165

103 Ford,Kenneth:DieWelt...a.a.0.,S.119

104 Mussard, J.: Gott und der Zufall, Bd. I, . . . a. a. 0., S. 83

105 Mussard, J.: Gott und der Zufall, Bd. I, . . . a. a. 0., S. 69 u. 105

106 Mussard, J.: Gott und der Zufall, Bd. I, . . . a. a. 0., S. 87

107 Mussard, J.: Gott und der Zufall, Bd. I, . . . a. a. 0., S. 46

108 Kollath, Wemer: Der Mensch oder das Atom?, Freiburg i. B. 1959, S. 30

109 Barnett, Lincoln: Einstein und das Universum, Frankfurt/M. 1951, S. 25

110 von Weizsäcker, Viktor: Am Anfang schuf Gott Himmel und Erde, Göttingen 1956, S. 95

111 von Weizsäcker, Viktor: Am Anfang. . . a. a. 0., S. 27

112 Weigand, Leonhard: Elementarwissen vom Atom, München 1960, S. 129

113 Haber, Heinz: Der Stoff. . . a. a. 0., S. 134

114 von der Osten-Sacken: Kosmos. . . a. a. 0., S. 260

115 Barnett, Lincoln, Einstein . . . a. a. 0., S. 147

116 Mussard, J.: Gott und . . . a. a. 0., S. 40

117 Chauchard, Paul: Naturwissenschaft und Katholizismus, Einheit und Wider­spruch von Geist und Materie, Freiburg i. B. 1962, S. 100

118 Vestenbrugg, R. E.: Eingriffe aus dem Kosmos, Freiburg i. B. 1971, S. 449

119 Bavink, Bernhard: Die Naturwissenschaft auf dem Wege zur Religion, Zitat bei Mussard: Gott und der Zufall, Bd. 11, . . . a. a. 0., S. 57

120 Zitat bei Arthur Ford: Bericht vom Leben nach dem Tode, München o. J., S.45

121 Eddington, Arthur: Das Weltbild der Physik, Braunschweig 1931, S. 6

122 Zitat bei Arthur KoestIer: Die Wurzeln des Zufalls, Bern 1972, S. 58

123 Jeans, J.: Der Weltraum und seine Rätsel, Stuttgart 1931, S. 209

124 Zitat bei Arthur KoestIer: Die Wurzeln . . . a. a. 0., S. 78

125 Firsoff, V. A.: Life, Mind and Galaxies, Edinburg/London 1967, S. 102. Zitat bei A. Koestlt<r: Die Wurzeln . . . a. a. 0., S. 63

126 Zitat bei A. KoestIer: Die Wurzeln . . . a. a. 0., S. 63

127 Zitat bei A. KoestIer: Die WurzeJn . . . a. a. 0., S. 77

128 Pauli, Wolfgang: Der Einfluss der archetypischen Vorstellungen auf die Bildung naturwissenschaftlicher Theorien bei Kepler in: Jung-Pauli: Natur­erklärung und Psyche, Zürich 1952, S. 163

129 Zitiert bei American Association for the Advancement of Science, Section L 28. 12. 1954, Berkeley, CaJifornia

130 Das Wort 1I/1969, S. 336

131 Belzer Presse 1969

132 KoestIer, Arthur: Die Wurzeln . . . a. a. 0., S. 143

133 Heisenberg, Werner: Naturwissenschaftliche und religiöse Wahrheit, in FAZ vom 24. März 1973

134 Barnett, Lincoln: Einstein . . . a. a. 0., S. 144

135 Westenhöfer, Max: Der Eigenweg des Menschen, Heidelberg 1948, S. 135, 53,43,183; Simpson, George Gaylord: The Major Features of Evolution,

S.360 Nilsson, Heribert: Synthetic Specification 1954, S. 488

Lecomte du Nouy, Pierre: Die Bestimmung des Menschen, Heidelberg 1948, S.133

Thomson d'Arcy, W.: On the Growth and Form, 1943, S. 1092 f.

Romer, A. S.: Genetics, Paleontology and Evolution, 1963, S. 1I4

136 Glowatzki: Tausend Jahre wie ein Hauch - Woher kommt der Mensch? 1968, S. 33

137 Der neue Herder, S. 968, und FAZ vom 2. Juli 1975

138 Rhein-Neckar-Zeitung vom 10. September 1965

 

Deel II

 

I FAZ vom 17. März 1973

2 Nigg, WaJter: Prophetische Denker, Zürich 1957, S. 32

3 Geiselmann, Josef Rupert: Die Frage nach dem historischen Jesus, München 1965, S. 171

4 Lohfink, Norbert: Bibelauslegung im Wandel, Frankfurt/M. 1967, S. 50

5 Lohfink, Norbert: Bibelauslegung. . . a. a. 0., S. 56

6 Küng, Hans: in FAZ vom 21. September 1974

7 Das Wort 2/1971, S. 36 ff.

8 Rahner, Karl: Visionen und Prophezeiungen, Freiburg i. B. 1958, S. 186

9 siehe Kurt Eggenstein: Der unbekannte Prophet Jakob Lorber, Bietigheim/W. 1973, S. 109 u. 110

10 Cadburry, Joel Henry: Dunkelheit urn den historischen Jesus, in: Wer war Jesus von Nazareth? Hrsg. von Gerhard Strube, München 1972, S. 174

11 Paillard, Jean: Vier Evangelisten - vier Welten, Wiesbaden 1961, S. 167

12 Paillard, Jean: Vier Evangelisten. . . a. a. 0., S. 185

13 Paillard, Jean: Vier Evangelisten. . . a. a. 0., S. 45

14 Kammeier, Wilhelm: Die Fälschung der Geschichte des Christentums,

Heft 1, 1940, S. 46

15 Daniel-Rops, Henri: Jesus, der Heiland in seiner Zeit, (impr.) Innsbruck 1951, S. 36

16 Kammeier, Wilhelm: Die Fälschung . . . a. a. 0., S. 63 u. 71

17 Durant, Will: Cäsar und Christus, S. 693

18 Deschner, Karlheinz: Abermals krähte der Hahn, Stuttgart 1964, S. 40

19 Schweitzer, Albert: Aus meinem Leben und Denken, 1931, S. 118

20 "Inspiration" in: Handbuch theologischer Grundbegriffe, Bd. I 1962, S. 719 21 FAZ vom 3. Dezember 1965

22 Herders theologisches Taschenbuch (1) hrsg. von Karl Rahner S. J., Freiburg i.B. 1972, S. 292

23 Geiselmann, Josef Rupert: Die Frage nach dem historischen Jesus, München 1965, S. 171

24 Heer, Friedrich: Gottes erste Liebe, München 1967, S. 95

25 Jung, K. M.: Die Kultur aus der wir leben, 1958, S. 342

26 M. D. Petre: Autobiography and Life of George Tyrell, Bd. I, London 1912, S. 60. Zitat bei Oskar Schroeder: Aufbruch und Missverständnis, Köln 1969, S.107

27 Schroeder, Oskar: Aufbruch . . . a. a. 0., S. 197

28 Küng, Hans: Die Kirche, 1969, S. 305

29 Wilder, Amos: Weltfremdes . . . a. a. 0., S. 21

30 Hirsch, E.: Frühgeschichte des Evangeliums, 1941, S. 354

31 Paillard: Vier Evangelisten. . . a. a. 0., S. 132

32 Paillard: Vier Evangelisten. . . a. a. 0., S. 49

33 Paillard: Vier Evangelisten. . . a. a. 0., S. 118

34 Paillard: Vier Evangelisten. . . a. a. 0., S. 118

35 Sachkunde Religion, Informationsquelle im evangelischen und katholischen Religionsunterricht der Oberstufe, Hamburg 1969, S. 92

36 Katholisches Bibelwerk, Stuttgart, Leseplan 1973

37 Geschichte und Ergebnisse der historisch-kritischen Jesus-Forschung, S. 199, in Jesus von Nazareth, hrsg. von Franz Josef Schierse, Mainz 1972

38 Sachkunde Religion . . . a. a. 0., S. 84

39 Meyer, Eduard: Ursprung und Anfänge des Christentums, Bd. I, S. 157

40 Paillard, Jean: Vier Evangelisten. . . a. a. 0., S. 94

41 Hirsch, E.: Frühgeschichte des Evangeliums . . . a. a. 0., S. 9

42 Heussi, Karl: War Petrus in Rom?, 1936

Haller, Johannes: Das Papsttum - Idee und Wirklichkeit, Bd. I, S. 15 ff. u. 345 ff

Heussi, Karl: War Petrus wirklich römischer Märtyrer? 1955

43 Zahrnt, Heinz: Es begann mit Jesus von Nazareth, Stuttgart 1960, S. 118

44 Zahrnt, Heinz: Es begann . . . a. a. 0., S. 118

45 Zahrnt, Heinz: Es begann . . . a. a. 0., S. 119

46 Bornkamm, Günther: Jesus von Nazareth, Stuttgart 1956, S. 11

47 Nietzsche, Friedrich: Jenseits von Gut und Böse, S. 60

48 Overbeck, Franz: Christentum und Kultur, Darmstadt 1963, S. 76 Zitat bei Joachim Kahl: Das Elend des Christentums, Hamburg 1968, S. 108

49 Schweitzer, Albert: Geschichte der Leben-Jesu-Forschung, 6. Auflage, Tübingen 1951, S. XII u. 631

 

Deel III

 

1 FAZ vom 28. September 1974

2 Das Wort 11/1969, S. 336

3 Mussard, J.: Gott und der ZiJfall, Bd. 111,. . . a. a. 0., S. 139

4 Nigg, Walter: Das Buch der Ketzer Zürich 1949, S. 56 und 57

5 Zitat bei H. U. VOD Balthasar: Origenes - Geist uDd Feuer, Salzburg 1938, S.107

6 H. U. VOD Balthasar: Origenes - Geist und Feuer . . . a. a.D., S. 23

7 H. U. VOD Balthasar: Origenes - Geist und Feuer. . . a. a.D., S. 12

8 Dacqué, Edgar: Die Urgestalt, Leipzig 1940, S. 74

9 Badische VolkszeituDg vom 11. November 1964

10 Siehe hierzu die Schrift: Die Sache mit dem Apfel - Eine Wissenschaft vom Sündenfall. Hrsg. VOD Joachim Illies, Freiburg i. B. 1973

11 Mager, Alois: Mystik als Lehre uDd LebeD, IDDSbruck 1934, S. 180 u. 186

12 Materialdienst der Ev. Zentralstelle für Weltanschauungsfragen, Stuttgart vom 1. Dezember 1971

13 Wachsmuth, Günther: Die Reinkarnation des Menschen als Phänomen der Metamorphose, Berlin 1935, S. 57

14 Ohlig, Karl Heinz und Schuster, Heinz: Blockiert das katholische Dogma die Einheit der Kirchen?, Düsseldorf 1971, S. 9

15 Das Wort 1955, S. 336

16 Augustinus: "Handbüchlein" in: Text der Kirchenväter, Bd. 4, München 1964, S. 563

17 Staudinger, Josef: Das Jenseits als Schicksalsfrage, Einsiedeln 1950, S. 246

18 Staudinger, Josef: Das Jenseits. . . a. a. 0" S. 246

19 Staudinger, Josef: Das Jenseits. . . a. a.D., S. 243

20 Zitat bei Sartory: In der Hölle brennt kein Feuer, München 1968, S. 186

21 Staudinger, Josef: Das Jenseits . . . a. a.D., S. 260 u. 263

22 Staudinger, Josef: Das Jenseits . . . a. a.D., S. 270

23 Rheinische Post vom 25. September 1965. Zitat bei Friedrich Heer: Abschied von Höllen und Himmeln, München 1968, S. 305

24 Sartory, Th. u. G.: In der Hölle brennt kein Feuer, München 1968, S. 96

25 Papini, Giovanni: Der Teufel, Stuttgart 1955, S. 309

26 Papini, Giovanni: Der Teufel . . . a. a.D., S. 310

27 Althaus, P.: Die letzteD Dinge, S. 194 ff.

28 Brunner, E.: Das Ewige als Zukunft und Gegenwart, Bd. I, S. 193 u. 198 ff.

29 Rahnerl Vorgrimler: Kleines theologisches Wörterbuch, 1967, S. 39

30 Schwarz, Gerhard: Was Augustinus wirklich sagte, München 1969, S. 151

31 Zitat bei Th. u. G. Sartory: In der Hölle. . . a. a.n., S. 44

32 Ratzinger, Josef: Einführung in das Christentum, München 1968, S. 219

33 Materialdienst... a. a.n., vom 1. März 1972

34 Juttin: Gespräche mit dem Juden Tryphon

35 Schmidt, K.O.: Wiederverkörperung und Karma, Pfullingen 1962, S. 41

36 Osthagen, Karl: Gibt es eine Wiedergeburt? Feldkirchen 1958, S. 12

37 Andersen, Karl: Die Lehre VOD der Wiedergeburt auf theistischer Grundlage, Hamburg 1899, S. 187

38 Heer, Friedrich: Abschied . . . a. a.n., S. 245

39 Martin, Henri: La vie futuré. Histoire et apologie de la doctrine chrétienne sur I'aure vie, 2. partie, chap. 111

40 Geyer: Die patristische Geschichte der Philosophie (238), in F. Ueberweg: Grundriss der Geschichte der Philosophie, Bd. 2, 12. Auflage, Tübingen 1951 Siehe auch: Die Seelenwanderung Caesarius Heisterbacensis; O. List: Dialogus miraculorum. Hrsg. J. Stange, Köln 1851, Bd. I, S. 301

41 Wachsmuth, Günther: Die Reinkarnation des Menschen als Phänomen der Metamorphose, Berlin 1935, S. 7

42 Schubert, Kurt: Die Bedeutung der Handschriftenfunde vom Toten Meer für das Neue Testament, in: Theologie heute, München 1959, S. 65

43 z. B. Rudolf Augstein: Jesus Menschensohn, München 1972

44 Bultmann, Rudolf: Neues TestameDt uDd Mythologie, iD: Kerygma I (5), S. 20 45 Zahrnt, Heinz: Es begann mit Jesus von Nazareth, Stuttgart 1960, S. 158, 160, 1

46 Zahrnt, Heinz: Es begann . . . a. a.D., S. 162

47 Zahrnt, Heinz: Es begann . . . a. a.D., S. 19

48 Hildebrand, Dietrich: Das trojanische Pferd in der Stadt Gottes, Regensburg 1968, S. 163

49 Nigg, Walter: Heimliche Weisheit, Zürich 1959, S. 279

50 Hirsch, E.: Frühgeschichte des Evangeliums, 1941, S. 118

51 Nigg, Walter: Heimliche Weisheit. . . a. a.D., S. 381

52 Wilder, A. N.: Weltfremdes Christenturn? Göttingen 1958, S. 37

53 Rahner/Vorgrimler: Kleines theologisches Wörterbuch, 1967, S. 310

54 Rahner/Vorgrimler: Kleines. . . a. a. 0., S. 310

55 Heer, Friedrich: Abschied von . . . a. a. 0., S. 60 ff.

56 Schweitzer, Albert: Geschichte der Leben-Jesu-Forschung, Tübingen 1913. Zitat bei: Wer war Jesus von Nazareth? Erforschung einer historischen Gestalt. Hrsg. von S. Strube, München 1972, S. 154

57 Glaubensverkündigung für Erwachsene (Deutsche Ausgabe des Holländischen  Katechismus, 1968, S. 509)

58 Kirsch, P. A.: Zur Geschichte der Beichte, Würzburg 1902, S. 7

59 Kirsch, P. A.: Zur Geschichte . . . a. a. 0., S. 167

60 Kirsch, P. A.: Zur Geschichte. . . a. a. 0., S. 76

61 van der Meer: Augustinus der Seelsorger, 1946, S. 452

62 Weiss: Beichtgebot und Beichtmoral, S. 30

63 Henne by Rhyn: Deutsche Kultmgeschichte, Bd. I, S. 118

64 Catholicus: Urn die Kirchen, Nürnberg 1967, S. 49

65 Kirchliches Amtsblatt, Trier (Ausgabe 21/1970 Nr. 260) Erklärung des Bischofs Stein

66 Herders theologisches Taschenlexikon. Hrsg. von Karl Rahner, Freiburg i. B. 1972, S. 353

67 Nigg, Walter: Heimliche Weisheit. . . a. a. 0., S. 238

68 Küng, Hans: Wahrhaftigkeit. Zur Zukunft der Kirche, Freiburg i. B. 1968, S.57

 

Deel IV

 

I Bultmann, Rudolf: Jesus, Tübingen 1961, S. 15

2 Zitat bei Holm Sören: Das Ende der Vergangenheit, Tübingen 1963, S. 185

3 Zitat bei Holm Sören: Das Ende. . . a. a. 0., S. 183

4 Kritischer Katholizismus, hrsg. von Ben van Onna und Martin Stankowski, Frankfurt/M. 1969, S. 35

5 Bea, Augustin: Die Geschichtlichkeit der Evangelien, Paderborn 1966, S. 39

6 Daniel-Rops: Jesus . . . a. a. 0., S. 249

7 Daniel-Rops: Jesus . . . a. a. 0., S. 146

8 Stauffer, Ethelbert: Jesus, Gestalt und Geschichte, Bern 1957, S. 32

9 Stauffer, Ethelbert: Jesus . . . a. a. 0., S. 31

10 Hirsch, E.: Frühgeschichte . . . a. a. 0., S. 188

11 Stauffer, Ethelbert: Jesus . . . a. a. 0., S. 34

12 Josephus Flavius: Bellum Iud. IV 661

13 Das Wort 7/1968, S. 205

14 Hirsch, E.: Frühgeschichte . . . a. a. 0., S. 35

15 Bildatlas zur Bibel, S. 19

16 Dalman, Gustav: Orte und Wege Jesu. 3. Auflage 1924. Zitat bei Eberhard Jaene: Dan ich für die Wahrheit zeugen soli, Lüneburg 1961, S. 42

17 Daniel-Rops: Jesus . . . a. a. 0., S. 270

18 Stauffer, Ethelbert: Jesus . . . a. a. 0., S. 44

19 Stauffer, Ethelbert: Jesus . . . a. a. 0., S. 46

20 Hirsch, E.: Frühgeschichte . . . a. a. 0., S. 9

21 Zahrnt, Heinz: Es begann . . . a. a. 0., S. 52

22 Link, Georg: Die Geschichte Jesu als Modell und Kritik gegenwärtiger Protest­bewegungen, in: Jesus von Nazareth, hrsg. von Franz Josef Schierse, Mainz 1972, S. 101

23 Stauffer, Ethelbert: Jesus . . . a. a. 0., S. 81

24 Daniel-Rops: Jesus . . . a. a. 0., S. 186

25 Stauffer, Ethelbert: Jesus . . . a. a. 0., S. 95

26 Bultmann, Rudolf: Jesus, S. 26. Zitat bei Joachim Kahl: Das Elend des Christentums, Hamburg 1968, S. 81

27 Daniel-Rops: Jesus . . . a. a. 0., S. 180

28 Stauffer, Ethelbert: Jerusalem und Rom, Bern 1957, S. 16

29 Stauffer, Ethelbert: Jerusalem . . . a. a. 0., S. 17

30 Stauffer, Ethelbert: Jerusalem . . . a. a. 0., S. 18

31 Jordan, Pascual: Der Naturwissenschaftler vor der religiösen Frage, Oldenburg 1963, S. 82

32 Köhler, Hans: Gründe des dialektischen Materialismus im europäischen Denken, München 1961, S. 39

33 Marx, Karl: Differenz der demokratisch en und epikureischen Naturphilosophie

nebst einem Anhang, Marx-Engels, Historische Gesamtausgabe Abt. I, Bd. I (1927), S. 10

34 Kühner, Hans: Lexikon der Päpste, Zürich o. J., S. 277

35 Steinmann, J. und Stenzel, M.: Die Bibel im Spiegel der Kritik, Würzburg 1957, S.49

36 Kahl, Joachim: Das Elend des Christentums, Hamburg 1968, S. 81

37 Renan, Ernst: Das Leben Jesu, 1863, S. 152 f.

38 Renan, Ernst: Das Leben Jesu . . . a. a. 0., S. 137

39 Renan, Ernst: Das Leben Jesu. . . a. a. 0., S. 1I

40 Renan, Ernst: Das Leben Jesu . . . a. a. 0., S. 86

41 Trilling, Wolfgang: Geschichte und Ergebnisse der historisch-kritischen Jesusforschung, S. 209 in: Jesus von Nazareth. Hrsg. von F. J. Schierse, Mainz 1972

42 Strauss, D. F.: Das Leben Jesu I, Tübingen 1840, S. 97 f.

43 Daniel-Rops: Jesu . . . a. a. 0., S. 363

44 Nietzsche, F.: Werke in drei Bänden, München 1954, Bd. 11, S. 1190

45 Nietzsche, F.: Werke . . . a. a. 0., Bd. lIl, S. 641

46 Post, Werner: Jesus in der Sicht des modernen Atheismus, Humanismus und Marxismus, in: Jesus von Nazareth, hrsg. von F. J. Schierse, Mainz 1972, S. 89

47 Schoof, Mark: Der Durchbruch der neuen katholischen Theologie, Wien 1969, S.80

48 Schweitzer, Albert: Geschichte der Leben-Jesu-Forschung, 6. Auflage, Tübingen 1951, S. 631 f.

49 Heiler, Friedrich: A. Loisy, der Vater des katholischen Atheismus, München 1947, S. 169

50 Trilling, Wolfgang: Geschichte und Ergebnisse . . . a. a. 0., S. 202

51 Daniel-Rops: Jesus . . . a. a. 0., S. 710

52 Zahrnt, Heinz: Es begann . . . a. a. 0., S. 54

53 Zahrnt, Heinz: Es begann . . . a. a. 0., S. 71

54 Zahrnt, Heinz: Es begann . . . a. a. 0., S. 54

55 Hoskyns, E. C. und Davey, F. N.: The Riddle ofthe New Testament, 1931, 263 (deutsch 1938, 188)

56 Barth, Karl: Der Römerbrief, 2. Auflage, München 1922, S. X

57 Zahrnt, Heinz: Es begann. . . a. a. 0., S. 118

58 Trilling, W.: Geschichte und Ergebnisse . . . a. a. 0., S. 206

59 Bultmann, Rudolf: Neutestamentliche Theologie, S. 413

60 Zahrnt, Heinz: Es begann . . . a. a. 0., S. 97

61 Althaus, Paul: Das sogenannte Kerygma und der historische Jesus. Zur Kritik der heutigen Kerygma-Theologie, Gütersloh 1958, S. 27

62 Bloch, Ernst: Das Prinzip der Hoffnung, Frankfurt/M. 1959, S. 1482

63 Bloch, Ernst: Das Prinzip . . . a. a. 0., S. 1482

64 Kahl, Joachim: Das Elend . . . a. a. 0., S. 110 f.

65 Käsemann, Ernst: Das Problem des historischen Jesus, München 1972, S. 283 66 Ebeling, Gerhard: Das Wesen des christlichen Glaubens, S. 70

67 Zitat bei Daniel-Rops: Jesus . . . a. a. 0., S. 713

68 Hildebrand, Dietrich: Das trojanische Pferd . . . a. a. 0., S. 224

69 Gollwitzer; Post; Bultmann I. 17. Zitat bei Joachim Kahl: Das Elend . . a. a. 0., S. 105

70 Guitton, Jean: Der geteilte Christus. . . a. a. 0., S. 73

71 Wilder, A. N.: Weltfremdes Christentum? . . . a. a. 0., S. 20

72 Bornkamm, G.: Die christliche Botschaft und das Problem der Entmythologisierung, in: Theologie heute, München 1959, S. 35

73 Papini, G.: Leben Jesu. Zitat bei Paul Konrad Kurz: Der zeitgenössische Jesusroman, in: Jesus von Nazareth, hrsg. von F. J. Schierse, S. 110

74 Lehmann, Johannes: Jesus-Report. Protokoll einer Verfä1schung, Düsseldorf 1970

75 Dupont-Sommer, André: Aperçus preliminaires sur les manuscrits de la Mer Morte (8. 121)

76 Braun, Herbert: Die Bedeutung der Qumranfunde für das Verständnis Jesu van Nazareth, S. 197 in: Wer war Jesus van Nazareth? München 1972, hrsg. van Strube. Siehe auch Kurt Schubert: Die Bedeutung des Handschriften­fundes vom Taten Meer für das Neue Testament, S. 69 ff. in: Thealagie heute, München 1959

77 Müller, Karlheinz: Die Geburt des Rabbi J. aus dem Geiste van Qumran, in: Rabbi J. - Eine Auseinandersetzung mit Jahannes Lehmanns Jesus-Repart, Würzburg 1970, S. 28 f..

78 Braun, Herbert: Die Bedeutung der Qumranfunde . . . a. a. 0., S. 197

79 Schnackenburg, Rudalf: Das wahre Bild van Jesus? in Rabbi J. . . . a. a. 0., S. 22 u. 23

80 Kurz, Paul Kanrad: Der zeitgenössische Jesusroman . . . a. a. 0., S. 115

81 Dautzenberg, Gerhard: Der Jesusrepart . . . a. a. 0., S. 68

82 Carmichael, Jael: Leben und Tod des Jesus van Nazareth, München 1965

83 Herberger, Günter: Jesus in Osaka (Raman); Andermann, Frank: Das grosse Gesicht (Raman)

84 Kurz, Paul Kanrad: Der zeitgenössische Jesusroman . . . a. a. 0., S. 133

85 Eisler, Rabert: Jesus Basileus au basileuses, Heidelberg 1929

86 Zitat bei Hengel, Martin: War Jesus Revalutionär? . . . a. a. 0., S. 244

87 Zitat bei Hengel, Martin: War Jesus Revalutionär? . . . a. a. 0., S. 244

88 Winter, Paul: On the Trial of Jesus. Forschungen zur Wissenschaft des Judentums, Bd. I, Berlin 1960

89 Zitat bei Hengel, Martin: War Jesus Revalutionär? . . . a. a. 0., S. 246

90 Cadbury, H. J.: Dunkel urn den histarischen Jesus, in: Wer war Jesus van Nazareth? . . . a. a. 0., S. 167

91 Häring, Bernhard: Macht und Ohnmacht der Religion, 1956, S. 57

92 Weil, A.: Der Bauernkrieg, S. 195

93 Weil, A.: Der Bauernkrieg, S. 44

94 Link, Hans Gearg: Die Geschichte Jesu . . . a. a. 0., S. 104

95 Daniel-Raps: Jesus . . . a. a. 0., S. 169

96 Nietzsche, Friedrich: Ges. Werke Bd. 1, Der Wille zur Macht, S. 86 u. 784

97. Publik Forum vom 22. März 1974

98 Deutsche Zeitung vom 11. Januar 1974

99 Die Zeit vom 27. Juli 1973

100 Zitat nach FAZ vom 29. September 1972

101 Augstein, Rudolf: Jesus Menschensohn, München 1972

102 Blank, Josef: Christus, S. 239

103 Augsteins Jesus, hrsg. van Rudolf Pesch und Günther Stachel, Köln 1972, S.17

104 Westermann, Claus: Umstrittene Bibel, Stuttgart 1960, S. 94

105 Der neue Herder, Freiburg 1951, S. 1653

106 Cheney, Sheldan: Vom mystischen Leben. . . a. a. 0., S. 118

107 Cheney, Sheldan: Vom mystisch en Leben. . . a. a. 0., S. 125

108 Kamlah, Wilhelm: Christentum und Geschichtlichkeit, S. 208

109 Weigel: Sappha aus Lesbas, 1951, S. 103

110 Deschner, Karlheinz: Das Christentum. . . a. a. 0., S. 336

111 DER SPIEGEL, Weihnachtsausgabe 1967

112 Robinsan, Jahn: Gott ist anders, München 1964, S. 27

113 Robinsan, Jahn: Gott ist . . . a. a. 0., S. 73, 74 u. 75

114 Die Wahrheit der Ketzer, hrsg. van Schulz, 1968, S. 312

115 van Büren, Pal". The secular meaning of the Gospel, Londan 1963, British

edition. Zitat bei Rabert Adalfs: Wird dir Kirche zum Grab Gottes?

Köln 1967, S. 45

116 Zitat bei Franz Deml in: Das Wart 3/1970

117 MacIntyre, Alasdair: Gott und die Theologen, in: Diskussion zu Bischof Robinsans "Gott ist anders", München 1964, S. 66

118 FAZ vom 20. März 1974

119 Das Wart 3/41970, S. 84

120 Das Wart 3/4 1970, S. 84

121 Hildebrand, Dietrich: Das trojanische Pferd . . . a. a. 0., S. 220 u. 224

122 Sölle, Dorothee: Ein Kapitel Theologie nach dem Tode Gottes, Stuttgart 1966, S. 176

123 Das Wart 11/1967, S. 349

124 Demi, Franz: in: Das Wort 3/4 1970, S. 74

125 Das Wort 11/1969, S. 342

126 Das Wort 11/1969, S. 342

127 Maclntyre, Aiasdair: Gott und die Theologen . . . a. a. 0., S. 64

128 Nietzsche, Friedrich: Die fröhliche Wissenschaft, Kerners Taschenbuchausgabe, Bd. 74, Leipzig 1941, S. 140

129 Cheney, Sheidon: Vom mystischen Leben. . . a. a. 0., S. 223

 

Deel V

 

1 Thorpe, W. H.: Der Mensch in der Evoiution, München 1965, S. 173

2 Spüibeck, Otto: Der Christ und das Weltbild der modernen Naturwissen­schaft, Berlin 1950, S. 129

3 Darwin, Fr.: Leben und Briefe von Charies Darwin. Übersetzung Carus, Gesammeite Werke, Bd. XV., S. 23

4 Schirmbeck, Heinrich: lhr werdet sein wie die Götter - Der Mensch in der bioiogischen Revoiution, Düsseidorf, S. 36

5 Heberer, Gerhard: Die Evoiution der Organismen. S. 555

6 Giowatzki, Georg: Tausend Jahre wie ein Hauch. Woher kommt der Mensch? Stuttgart 1968, S. 23

7 Giowatzki, Georg: Tausend Jahre. . . a. a. 0., S. 21

8 Giowatzki, Georg: Tausend Jahre . . . a. a. 0., S. 45

9 Howell, F. C.: Der Mensch in der Vorzeit, Life 1971, S. 36

10 Spülbeck, Otto: Der Christ . . . a. a. 0., S. 154

11 Bergner, Günther: Geschichte der menschiichen Phyiogenetik seit dem Jahre 1900, in: Sammeiwerk - Menschliche Abstammungsiehre, Stuttgart 1965, S.37

12 Weiss, Kari: Der Geist ist's, der iebendig macht, Regensburg 1947, S. 82

13 Remane, A.: Methodische Probieme der Hominiden Phyiogenie 11. Möglich­keiten der Verwandtschaftsforschung innerhaib der Hominiden, in: Zeit­schrift für Morphoiogie und Anthropoiogie 46/1954, S. 249

14 Weiss, Kari: Der Geist. . . a. a. 0., S. 82

15 Weiss, Kari: Der Geist. . . a. a. 0., S. 122

16 Weiss, Kari: Der Geist. . . a. a. 0., S. 122

17 Heberer, Gerhard: Grundlinien in der pieistozänen Entfaltungsgeschichte des Euhominiden in: Quartär 5/1951, S. 53 f.

18 Heberer, Gerhard: Homo - unsere Ab- und Zukunft, Stuttgart 1968, S. 15

19 Bogen, Hans Joachim: in Knauers Buch der modernen Bioiogie, München 1967, S. 14

20 Spüibeck, OHo: Der Christ . . . a. a. 0., S. 133

21 Overhage, Paul: Das Christentum und das Weitbild der modernen Bioiogie, in: Theoiogie heute . . . a. a. 0., S. 146

22 Weiss, Kari: Der Geist. . . a. a. 0., S. 98 ff.

23 Lorenz, Konrad: Die Rückseite des Spiegeis. Versuch einer Naturgeschichte menschiichen Erkennens, München 1973, S. 53, 62, 155 und 233

24 Simpson, George Gayiord: The Major Features of Evoiution, 1958, S. 360

25 Fleischmann, A.: Die Deszendenztheorie, 1901, S. 251

26 Order, in Life 1972, S. 120

27 Heberer, Gerhard: Homo. . . a. a. 0., S. 112

28 Spüibeck, OHO: Der Christ . . . a. a. 0., S. 136

29 Portmann, Adolf: Vom Ursprung des Menschen, Baseil965, S. 30

30 Portmann, Adolf: Vom Ursprung . . . a. a. 0., S. 32

31 von Weizsäcker, Viktor: Am Anfang schuf Gott Himmei und Erde, Göttin­gen 1956, S. 95

32 Zitat bei W. H. Thorpe: Der Mensch in der Evoiution . . . a. a. 0., S. 35 f.

33 Poianyi, M.: Terry Lectures, 1962, S. 15. Zitat bei W. H. Thorpe: Der Mensch in der. . . a. a. 0., S. 76

34 Burnei, F. Macfariane: Enzyme, antigen und virus, 1956, S. 163

35 Zitat bei Joachim Illies: Wo kommt der Mensch herr in: Deutsche Zeitung vom 10. November 1972

36 Whyte, L. L.: Internationai Factors in Evoiution, London 1965

37 Thorpe, W. H.: Der Mensch in der. . . a. a. 0., S. 50

38 Heberer, Gerhard in FAZ vom 21. August 1962

39 Spülbeck, Otto: Der Christ . . . a. a. 0., S. 52

40 Glowatzki, Georg: Tausend Jahre . . . a. a. 0., S. 78

41 Heberer, Gerhard: Keine Brücke vom Menschenaffen zum Menschen, in: FAZ vom 21. August 1962

42 Heberer, Gerhard: in FAZ vom 25. September 1968

43 Heberer, Gerhard: in FAZ vom 21. August 1962

44 Zitat bei Karl Weiss: Der Geist. . . a. a. 0., S. 107

45 Science vom 19. Mai 1972 und FAZ vom 5. Juli 1972

46 Christ und Welt vom 5. März 1965

47 Heberer, Gerhard: Homo. . . a. a. 0., S. 16

48 FAZ vom 6. April 1965

49 Howell, F. Clark: Der Mensch in der Vorzeit (Life) 1971, S. 143

50 Howell, F. Clark: Der Mensch . . . a. a. 0., S. 126

51 Nilsson, Heribert: Der Entwicklungsgedanke und die moderne Biologie, Leipzig 1941, S. 22

52 Howell, F. Clark: Der Mensch in der Vorzeit . . . a. a. 0., S. 143

53 Kurth, Gottfried: Die (Eu)Hominiden. Ein Jeweilsbild nach dem Kenntnis­stand van 1964. Im Sammelwerk Heberer: Menschliche Abstammungslehre, 1965, S.408

54 Heberer, Gerhard: Homo. . . a. a. 0., S. 99

55 Howell, F. Clark: Der Mensch . . . a. a. 0., S. 130

56 Howell, F. Clark: Der Mensch. . . a. a. 0., S. 170

57 Howell, F. Clark: Der Mensch . . . a. a. 0., S. 152

58 Howell, F. Clark: Der Mensch . . . a. a. 0., S. 154

59 FAZ vom 28. April 1971

60 FAZ vom 19. Januar 1973

61 FAZ vom 9. April 1974

62 Portmann, Adolf: Vom Ursprung . . . a. a. 0., S. 45

63 FAZ vom 28. Oktober 1971

64 Dobzhansky, Theodosius: Die Entwicklung zum Menschen, Hamburg 1958, S. 15

65 Wisemann, P. J.: Die Entstehung der Genesis, S. 31

66 Heberer, Gerhard: Ober den systematischen und physikalischen Status der Australopithecinen, in: Sammelwerk Menschliche Abstammungslehre, 1965, S.352

67 Selimchanow, I. R.: Die Chemie und die Metalle des Altertums, in: Die BASF, vom April 1970, S. 20

68 FAZ vom 11. Februar 1969

69 FAZ vom 31. Januar 1973

70 Science vom I I. Dezember 1959, S. 1630

71 FAZ vom 3. Juli 1968 und 31. August 1966

72 Rothacker, Erich: PhilosophischeAnthropologie, Bonn 1964, S. 138

73 Zitat bei W. H. Thorpe: Der Mensch in der. . . a. a. 0., S. 159

74 Westenhöfer, Max: Der Eigenweg des Menschen, Heidelberg 1948, S. 47

75 Portmann, Adolf: Vom Ursprung . . . a. a. 0., S. 10

76 Dobzhanski, Theodosius: Die Entwicklung . . . a. a. 0., S. 341

77 Gehlen, A.: Der Mensch. Seine Natur und seine Stellung in der Welt. Zitat nach Karl Weiss: Der Geist ist's, der lebendig macht, Regensburg 1947, S. 124

78 Lorenz, Konrad: Die Rückseite des Spiegels. Versuch einer Naturgeschichte menschlichen Erkennens. München 1973, S. 53, 62, 65, 155 u. 223

79 Westenhöfer, Max: Der Eigenweg. . . a. a. 0., S. 12

80 Overhage, Paul: Urn das Erscheinungsbild des ersten Menschen, Freiburgi. B. 1959, S. 73

81 Thorpe, W. H.: Der Mensch in der Evolution, München 1969, S. 35

82 Berril, N. J.: The Origin of Vertebrates, S. 10

83 Schindewolf, O. H.: Paläontologie, Entwicklungslehre und Genetik, Berlin 1936, S. 60

84 Zitat bei Spülbeck: Der Christ . . . a. a. 0., S. 137 f.

85 Wood, J. G.: Bible AnimaIs, S. 732

86 Spülbeck, Otto: Der Christ . . . a. a. 0., S. 130 u. 136

87 Hübner, Paul: Vom ersten Menschen wird erzählt, Düsseldorf 1969

88 Woodgel', J. H.: Biological principles, 1929

89 Kurth, Gottfried: Die (Eu)Hominiden . . . a. a. 0., S. 368

90 Heberer, Gerhard in FAZ vom 21. August 1962

91 Nilsson, Heribert: Entwicklungsgedanke und moderne Biologie, 1941, S. 251

92 Dacqué, Edgar: Vermächtnis der Urzeit, 1948, S. 193

93 Schirmbeck, Heinrich: Ihr werdet sein wie Götter - Der Mensch in der biolo­gischen Revolution, Düsseldorf 1966, S. 31

94 Zimmermann, Walter: Evolution. Die Geschichte ihrer Probleme und Erkenntnisse, Freiburg i. B. 1953, S. 547

95 Beurlen, K.: Die stammesgeschichtlichen Grundlagen der Abstammungslehre, S. 190 u. 191

96 Rostand, Jean: The Orion Book of Evolution, S. 79

97 Romer, A. S.: in: Genetics, Paleontology and Evolution, 1963, S. 114

98 Westenhöfer, Max: Der Eigenweg des Menschen, 1948, S. 210

99 Dacqué, Edgar: Das fossile Lebewesen, S. 152

100 Dacqué, Edgar: Das fossile Lebewesen, S. 152

101 Tirala, Lothar Gottlieb: Massenpsychosen in der Wissenschaft, Tübingen 1969, S. 8

102 Thompson d'Arcy, W.: On the Growth and Form, 1943, S. 1092 ff.

103 Fleischmann, A.: Die Deszendenztheorie, S. 251

104 Meyer-Abich, A.: Naturphilosophie auf neuen Wegen, 1948, S. 63 ff.

105 Fanauf, Werner: Seit Darwin nichts Neues. Rastatt 1960, S. 62 u. 153

106 TrolI, W.: Das Virusproblem in ontologischer Sich1. 1951. Zitat bei W. Zim­mermann: Evolution . . . a. a. 0., S. 490

107 Gray, Sir James: Science Today. S. 29 f.

108 Simpson, George Gaylord: The Geography of Evolution, 1965, S. 17, 469 und

470. Zitat bei: Hat sich der Mensch entwickelt oder ist er erschaffen worden? Watchtower Bible and Tract Society of New York

109 Overhage, Paul: Urn das Erscheinungsbild des ersten Menschen, Freiburgi. B. 1959, S. 73

110 Illies, Joachim: Wo kommt der Mensch her? in: Deutsche Zeitung vom 10. November 1972

111 Meurers, Josef in einemVortrag 11. Badische Volkszeitung v. 14. April1967 112 Haas, Johannes: Der Ursprung des Lebens. Ergebnisse und Probleme der

Biogenesisforschung unter besonderer Berücksichtigung der sowjetischen For­

schungsergebnisse, München 1964, S. 28

113 Zitat bei Loren Eiseley: Die ungeheure Reise, S. 320 f.

114 Käjin, Josef: Festvortrag. FAZ vom 16. Oktober 1956

1l5 Hengstenberg, H. E.: Evolution und Schöpfung, München 1963, S. 91

116 Portmann, Adolf: Vom Ursprung des Menschen, Basell965, S. 26

117 Zitat bei M. Westenhöfer: Der Eigenweg. . . a. a. 0., S. 16

118 Berril, N. J.: The Origin of Vertrebrates

119 von Bertalanffy, Ludwig: Forschung und Information, Berlin 1972, S. 81

120 Sir Fred Hoyle: Die WELT vom 25. Januar 1982

121 Sir Arthul' Keit: Zitiert in: Schweizerische Akademiker- und Studentenzeitung NI'. 51/1976

122 Evan Shute (US-Biologe): Flaws in the theory of evolution, 1962, S. 229

123 Kahle, Henning: Evolution, Bielefeld 1980, S. 159 und 161

124 American Scientist, Januar 1953, S. 105

125 Rostand, J.: The Orion Book of Evolution, S. 95, Zitate NI'. 480-482 bei:

Hat sich der Mensch entwickelt oder ist er erschaffen worden? Watchtower Bible and Tract Society of New York

126 Westenhöfer, Max: Der Eigenweg. . . a. a. 0., S. 183

127 Kerkert, G. A.: Zitat in: Klar und wahr, Juni 1973, S. 25

128 Hengstenberg, H. E.: Evolution und Schöpfung, München 1963, S. 176

129 Christ und Welt vom 5. März 1965

130 Hürzeler, Basell1. Christ und Welt vom 5. März 1965

131 Weiss, Karl: Der Geist. . . a. a. 0., S. 109

132 Zeitmagazin, Beilage der Zeitschrift "Die Zeit" vom 7. April 1973, S. 32

133 Jungk, Robert: Heller als tausend Sonnen, 1962, S. 243

134 Haas, Johannes: Der Ursprung des Lebens . . . a. a. 0., S. 399

135 Karl Marx - Friedrich Engels: Briefwechsel, Bd. 11 1854-1860, S. 548

136 Grützmacher: Modern-positive Vorträge, Leipzig 1904, S. 47 u. 50

137 Tirala, L. G.: Massenpsychosen . . . a. a. 0., S. 13

138 Tirala, L. G.: Massenpsychosen . . . a. a. 0., S. 23

139 Tirala, L. G.: Massenpsychosen . . . a. a. 0., S. 6

140 Westenhöfer, Max: Der Eigenweg. . . a. a. 0., S. 229

141 Morgan: Mind at the Crossways, Zitat nach Sacher: Evolution und Gottes­idee, 1967, S. 145

142 Haldane, J. B. S.: Possible Worlds, London 1927, S. 240, Zitat bei W. H. Thorpe: Der Mensch in der Evolution, München 1965, S. 159

143 Badische Volkszeitung vom 10. November 1964

144 Portmann, Adolf: Ursprung . . . a. a. 0., S. 52 f.

145 Portmann, Adolf: Ursprung . . . a. a. 0., S. 64 f.

 

Deel VI

 

1 de Luback: Die Tragödie des Humanismus oh ne Gott, S. 156

2 Information Catholiques International, Zitat in: Das Wort 1970/3-4, S. 83

3 Spectator: Das Konzil- Wende oder Enttäuschung? Bietigheim/W. 1969, S.42

4 Erzbischof Elchinger von Strassburg, Zitat bei Hirschauer: Der Katholizismus ...a.a.O.,S.24O

5 von Balthasar, Hans Urs: Klarstellungen . . . a. a. 0., S. 94

6 FAZ vom 4. Oktober 1974

7 Adolfs, Robert: Wird die Kirche zum Grabe Gottes? Graz 1967, S. 49

8 Hutten, Kurt: Was glauben die Sekten? Stuttgart 1965, S. 13

9 Siehe hierzu: Spectator: Das Konzil- Wende oder Enttäuschung? Bietigheim/W. 1969

10 FAZ vom 1. April 1972

11 Christ und Welt vom 30. September 1966, S. 32

12 Fuchs, Konstantin: Glauben - aber wie? Mainz 1968, S. 20 f.

13 Konradsblatt vom 30. September 1973 (Erzdiözese Freiburg i. B.)

14 Fequet, Henri: Rom vor einer Wende? Freiburg i. B. 1968, S. 61

14a »stern« vom 24. Oktober 1974, S. 68

15 Das Wort 1969, 9/10, S. 253

16 Taylor, G. R.: Das Selbstmordprogramm, Frankfurt/M. 1971, S. 10

17 Dollinger, Hans: Die totale Autogesellschaft, München 1972, S. 197

18 Dollinger, Hans: Die totale. . . a. a. 0., S. 182

19 FAZ vom 19. August 1980 und DER SPIEGEL vom 8. September 1980

20 Dollinger, Hans: Die totale. . . a. a. 0., S. 194

21 Die WELT vom 21. Januar 1975

22 Hannoversche Allgemeine Zeitung vom 29. November 1971

23 Schweizerische medizinische Wochenzeitschrift Nr. 15/1976

24 FAZ vom 5. März 1974

25 FAZ vom 29. März 1975

26 Dollinger, Hans: Die totale. . . a. a. 0., S. 94

27 FAZ vom 15. Juni 1977

28 Egger, Kurt u. a.: Wie funktioniert das? Die Umwelt des Menschen, Mann­heim 1975, S. 376

29 Egger, Kurt u. a.: Wie funktioniert . . . a. a. 0., S. 367

30 Die Zeit vom 9. März 1973 und Dollinger: Die totale. . . a. a. 0., S. 193

31 Reformrundschau 2/1980

32 Frankfurter Rundschau vom 3. Februar 1978

33 Das Gewissen, Mai 1974

34 Egger, Kurt u. a.: Wie funktioniert . . . a. a. 0., S. 388

35 Die Zeit vom 23. März 1973

36 Die WELT vom 28. Februar 1975

37 Lobsack, Theo: Gifte schon im Säugling? in: Rhein-Neckar-Zeitung vom 20. Februar 1975

38 Das Gewissen, Mai 1974, S. 3

39 FAZ vom 18. Dezember 1974

40 Kölnische Rundschau vom 6. Mai 1976

41 Studie über den Systemzusammenhang in der Umweltproblematik im Auftrag

des Referats für Stadtforschung, München 1971

42 Die Rheinpfalz vom 8. März 1977

43 Coenen u. a.: Alternativen zur Umweltmisere, München 1972, S. 17 ff.

44 FAZ vom 9. Juni 1976

45 Westdeutsche Allgemeine Zeitung vom 19. Juli 1976

46 Life vom 3. Januar 1970

47 Kulturdienst, München, vom 21. August 1970

48 Egger, Kurt u. a.: Wie funktioniert . . . a. a. 0., S. 350

49 Freeman, A. E. (u. a.): Proc. Nat. Acad. Sc. US 68 445/1971, Zitat bei Fre­deric Vester: Das Überlebensprogramm . . . a. a. 0., S. 53

50 Vester, Frederic: Das Überlebensprogramm . . . a. a. 0., S. 53

51 Frankfurter Rundschau vom 8. Mai 1983

52 FAZ vom 6. Mai 1971 und 4. November 1972

53 FAZ vom 5. September 1979

54 FAZ vom 18. Mai 1974

55 FAZ vom 19. Juni 1974

56 FAZ vom 24. Juli 1976

57 Die Zeit vom 4. Juni 1976

58 Stuttgarter Zeitung vom 9. Juli 1980

59 Taylor, G. R.: Das Selbstmordprogramm . . . a. a. 0., S. 110

60 Taylor, G. R.: Das Selbstmordprogramm . . . a. a. 0., S. 112

61 Coenen u. a.: Alternativen . . . a. a. 0., S. 81; Bildzeitung vom 23. Juli 1973 sowie »Die Drei« vom Juni 1971, S. 291

62 DER SPIEGEL Nr. 33/1981

63 Lebensschutz 4/1973, S. 4

64 »stern« vom 4. Februar 1982 und 10. Oktober 1982

65 Die Zeit vom 12. Februar 1982

66 Thiring, M.: New Scientist 51, 637 (1972)

67 Vester, Frederic: Das Überlebensprogramm . . . a. a. 0., S. 99

68 Die WELT vom 15. August 1981 und Mannheimer Morgen vom 15. 8. 1981

69 X-Magazin vom Mai 1971, S. 29 und FAZ vom 26. April 1972

70 Rhein-Neckar-Zeitung vom 26. April 1972

71 FAZ vom 3. Juli 1976. Lt. Aussage des Vorsitzenden der Reaktorsicherheits­

kommission Birkhofer vor dem Innenausschuss des Bundestages im Juni 1976. Betr. Die Schweiz, siehe FAZ vom 17. Juli 1976

72 Die Rheinpfalz vom 24. August 1983

73 Coenen u. a.: Alternativen . . . a. a. 0., S. 85

74 Coenen u. a.: Alternativen . . . a. a. 0., S. 85

75 Taylor, G. R.: Das Selbstmordprogramm . . . a. a. 0., S. 124

76 FAZ vom 5. Februar 1972

77 DER SPIEGEL Nr. 32/1979

78 Coenen u. a.: Alternativen . . . a. a. 0., S. 91

79 Taylor, G. R.: Das Selbstmordprogramm . . . a. a. 0., S. 135

80 Taylor, G. R.: Das Selbstmordprogramm . . . a. a. 0., S. 135 und Reform­rundschau 5/1975

81 Taylor, G. R.: Das Selbstmordprogramm . . . a. a. 0., S. 133

82 Süddeutsche Zeitung vom 5. August 1982

83 Taylor, G. R.: Das Selbstmordprogramm . . . a. a. 0., S. 133 und 342

84 Fudalla, S. G.: Die Gegenwart als Patient, Herford 1969, S. 59

85 Die WELT vom 29. Juni 1973

86 Die Rheinpfalz vom 27. Juli 1979

87 von Randow, Thomas: Auf den Spuren der Hauptschuldigen, in: Die Zeit vom 30. Januar 1976

88 FAZ vom 2. Juni 1976

89 Frankfurter Rundschau vom 20. Februar 1976

90 Zitat bei Frederic Vester: Das Überlebensprogramm . . . a. a. 0., S. 112

91 Süddeutsche Zeitung vom 30. März 1976

92 Westfälische Allgemeine Zeitung vom 13. April 1976

93 Deutsche Zeitung vom 23. Dezember 1976

94 FAZ vom 2. Mai 1973

95 Rhein-Neckar-Zeitung vom 3. Dezember 1975

96 FAZ vom 24. April1975

97 ARD-Sendung vom 30. Juni 1976

98 FAZ vom 14. Juli 1976

99 FAZ vom 18. Mai 1975

100 Stuttgarter Zeitung vom 2. Juni 1975

101 Die WELT vom 9. Juni 1975

102 Löbsack, Theo: Arznei fürs liebe Vieh, in: Die WELT vom 20. März 1976

103 Die Zeit vom 9. Juli 1976

104 FAZ vom 10. Oktober 1980 und Volksgesundheit 9/1983, S. 408

105 FAZ vom 17. Mai 1974

106 Süddeutsche Zeitung vom 31. August 1974

107 Die Wirtschaftswoche vom 13. August 1979

108 Reform-Kurier 1/1974

109 ARD-Sendung am 13. April1976

110 Süddeutsche Zeitung vom 4. November 1977

111 F AZ vom 24. Oktober 1976

112 Informed-Pressedienst und Reformrundschau 4/1976

113 FAZ vom 22. Februar 1976

114 Nach Angaben von Prof. Häusler in der ARD-Sendung am 26. Februar 1976 115 Reformrundschau 3/1978

116 Leben und Gesundheit 6/1977, S. 47

117 Die WELT vom 2. September 1975

118 FAZ vom 12. September 1975

119 Bussauer Manifest zur umweltpolitischen Situation, Stuttgart 1975, S. 9

120 Die Zeit vom 6. Mai 1980 und Kölnische Rundschau vom 29. Januar 1980

121 Volksgesundheit 11/1974, S. 391; und DER SPIEGEL 14/1983, S. 89

122 DER SPIEGEL vom 27. März 1978, S. 217

123 Süddeutsche Zeitung vom 6. März 1980 und Mannheimer Morgen vom 29. 1. 1980

124 Löbsack, Theo: Angriff aus dem Untergrund, in: Rhein-Neckar-Zeitung vom 20. Februar 1976

125 FAZ vom 11. Februar 1976

126 FAZ vom 15. Mai 1976

127 Schwab, Günther: Der Tanz mit dem Teufel, Hameln 1969, S. 239

128 Deutsche Zeitung vom 5. September 1975

129 Klee, Ernst: Elf Millionen sind seelisch krank, in: Die Zeit vom 5. Dezember 1975

130 FAZ vom 12. September 1973

131 Die Zeit vom 14. Juni 1974

132 Die Zeit vom 22. Dezember 1972

133 Zahlen des Statistischen Bundesamtes

134 Kloehn, Ekkehard: Verhaltensstörungen - eine neue Kinderkrankheit? München 1977

135 Volksgesundheit April 1976, S. 137

136 Adam F.: Kinder im StreJ3, in: Die Rheinpfalz vom 22. Juli 1975

137 Weltgesundheit, Dezember 1975

138 Adam F.: Kinder im StreJ3, in: Die Rheinpfalz vom 22. Juli 1975

139 Mühlen, Norbert: Niemand ist mächtiger, in: Deutsche Zeitung vom 2. Mai 1975

140 Mühlen, Norbert: Niemand ist mächtiger, in: Deutsche Zeitung vom 2. Mai 1975

141 Taylor, G. R.: Das Selbstmordprogramm . . . a. a. 0., S. 57

142 Taylor, G. R.: Das Selbstmordprogramm. . . a. a. 0., S. 57

143 Mannheimer Morgen vom 31. März 1982

144 Lützenkirchen, W.: in Kölner Stadtanzeiger. Zitiert in: GenieJ3e dein Leben neu, 5/1975

145 FAZ vom 18. Februar 1976

146 Taylor, G. R.: Das Selbstmordprogramm . . . a. a. 0., S. 57

147 ZDF-Sendung vom 14. Dezember 1973

148 Die Zeit vom 14. Dezember 1973

149 Mannheimer Morgen vom 7. Februar 1983

150 Fudalla: Die Gegenwart . . . a. a. 0., S. 104 f.

151 Sedlmayr: Gefahr und Hoffnung . . . a. a. 0., S. 53

152 Reinhard, D.: Bändigt den Menschen, 1954, S. 38 f.

153 Taylor, G. R.: Das Selbstmordprogramm . . . a. a. 0., S. 259

154 Die WELT vom 29. Oktaber 1977

155 Mannheimer Margen vom 12. August 1983

156 FAZ vom 24. Oktaber 1982

157 Jünger, Friedrich Gearg: Die Perfektian der Technik, S. 98, 120,67 u. 25

158 Lebensschutz 5/61972

159 Die WELT vom 20. Januar 1975

160 Frankfurter Rundschau vom 25. Mai 1973

161 Caenen u. a.: Alternativen. . . a. a. 0., S. 13 f.

162 Daria, Horst: Verändern wir unser Klima? in: Bild der Wissenschaft, März 1975, S. 56

163 Taylor, G. R.: Das Selbstmordprogramm . . . a. a. 0., S. 73 und FAZ vom 8. Septembe. 1971

164 Impact-Team: Der Klima-Schock . . . a. a. 0., S. 67

165 Impact-Team: Der Klima-Schock . . . a. a. 0., S. 64 u. 19

166 Süddeutsche Zeitung vom 25. Mai 1973

167 Siehe hierzu: Nigel Calder: Die Wettermaschine, 1975 und Impact-Team: Der Klima-Schock, S. 16

168 Impact-Team: Der Klima-Schack . . . a. a. 0., S. 16 u. 18

169 Kölnische Rundschau vom 8. Dezember 1980

170 Impact-Team: Der Klima-Schack . . . a. a. 0., S. 19

171 FAZ vom 27. August 1980 und 15. Oktober 1980

172 Süddeutsche Zeitung vom 22. Juni 1976

173 Kirches, Walter: Lust am Untergang, in: Rhein-Neckar-Zeitung vom 1. Juni 1976

174 Düsseldarfer Nachrichten vom 22. Juni 1976

175 Impact-Team: Der Klima-Schock . . . a. a. 0., S. 14 u. 18

176 Impact-Team: Der Klima-Schock . . . a. a. 0., S. 14, 16, 18

177 Impact-Team: Der Klima-Schock . . . a. a. 0., S. 62

178 Taylor, G. R.: Zukunftsbewältigung . . . a. a. 0., S. 296 f.

179 FAZ vom 27. Juni 1979

180 Impact-Team: Der Klima-Schock . . . a. a. 0., S. 69

181 Impact-Team: Der Klima-Schock . . . a. a. 0., S. 110

182 FAZ vom 4. November 1972

183 Der Bund, Bern 37/1981

184 Zitat bei Sedlmayr, H.: Gefahr und Hoffnung . . . a. a. 0., S. 66

185 Frankfurter Rundschau vom 15. August 1981

186 Bild der Wissenschaft vom Februar 1975 (Akzent S. 4) und Die Zeit vom 27. September 1974, ferner: Die WELT vom 12. Juni 1975

187 Rhein-Neckar-Zeitung vom 14. April 1982

188 Umschau in Wissenschaft und Technik, Mai 1980

189 Flöhl, Rainer: Geringerer Ozonabbau durch Spraydosen? in: FAZ vom 26. Mai 1976

190 Fudalla: Die Gegenwart . . . a. a. 0., S. 85

191 Eichholz, Fritz: Biologische Existenz des Menschen in der Hochzivilisation, Karlsruhe 1959, S. 87

192 Bruker, M.O.: Sind Kunstdünger und Pestizide die Ursachen der ernährungs­bedingten Zivilisationskrankheiten? in: Lebensschutz 4/1974, S. 56

193 Stuttgarter Nachrichten vom 17. April 1973

194 Vester, Frederic: Das Überlebensprogramm . . . a. a. 0., S. 101

195 Fudalla: Die Gegenwart . . . a. a. 0., S. 85

196 Meadow, Dennis: Die Grenzen des Wachstums, 1972, S. 43

197 Dittmar, Friedrich: Umweltschäden regieren uns, Herford 1971, S. 93

198 Fudalla: Die Gegenwart . . . a. a. 0., S. 91

199 Süddeutsche Zeitung vom 14. März 1975

200 Schwab, Günther: Der Tanz mit dem Teufel, 1969, S. 275

201 Demeter Blätter 33/1983

202 F AZ vom 11. Oktober 1974

203 FAZvom 11. Oktober 1974

204 DER SPIEGEL 22/1983

205 Rhein-Neckar-Zeitung vom 13. April 1976

206 Mannheimer Morgen vom 30. Mai 1976

207 Stiftung Warentest, Februar 1976, S. 22

208 Stiftung Warentest. . . a. a. 0., S. 22

209 Verbrauchspolitische Korrespondenz Nr. 51 vom Dezember 1977

210 FAZ vom 19. April 1983

211 Die WELT vom 22. März 1975

212 FAZ vom 21. Juni 1972

213 Stuttgarter Nachrichten vom 25. September 1981 und Mannheimer Morgen vom 22. November 1981

214 Gutachten Dornier-System GmbH 1972

215 Fudalla: Die Gegenwart . . . a. a. 0., S. 88

216 Taylor, G. R.: Das Selbstmordprogramm . . . a. a. 0., S. 258

217 DER SPIEGEL Nr. 47/1980

218 Die Zeit vom 20. Juni 1980

219 Mannheimer Morgen vom 15. Oktober 1981

220 FAZ vom 5. Juli 1980

221 Pestel, Eduard und Mihailo Mesarovic: Menschheit am Wendepunkt, 1974

222 »stern« vom 24. Oktober 1974, S. 203 f.

223 Impact-Team: Der Klima-Schock . . . a. a. 0., S. 118 u. 197

224 Die WELT vom 7. März 1981

225 Rhein-Neckar-Zeitung vom 24. Juli 1976

226 FAZ vom 9. August 1975

227 FAZ vom 25. Juli 1980

228 DER SPIEGEL 2/1973

229 FAZ vom 6. Januar 1975

230 Die Zeit vom 3. Januar 1975

231 Dönhoff, Marion: Die Zeitbomben ticken schon, in: Die Zeit vom 3. Januar 1975

232 FAZ vom 22. Februar 1975

233 Die Zeit vom 15. April 1983

234 Jünger, Georg Friedrich: Die Perfektion der Technik, S. 135

235 Süddeutscher Rundfunk 27. März 1983

236 Hannoversche Allgemeine Zeitung vom 17. Dezember 1982

237 Mannheimer Morgen vom 23. September 1983

238 FAZ vom 9. November 1976

239 FAZ vom 9. Juli 1982 und Die Zeit vom 4. Februar 1983

240 Die WELT vom 17. Mai 1983

241 »stern« vom 24. Oktober 1974, S. 203

242 Frankfurter Rundschau vom 7. Januar 1982

243 E. R. Koch und F. Vahrenholt: Seveso ist überall, Köln 1978, S. 25

244 E. R. Koch und F. Vahrenholt: Seveso ist überall . . . a. a. 0., S. 202

245 Volksgesundheit 4/1983, S. 184

246 FAZ vom 10. Mai 1983

247 E. R. Koch und F. Vahrenholt: Seveso ist überall . . . a. a. 0., S. 371

248 Der Fischer Öko-Almanach, Frankfurt/M. 1980, S. 129

249 E. R. Koch und F. Vahrenholt: Seveso ist überall . . . a. a. 0., S. 147

250 Die Zeit vom 21. März 1980

251 E. Lahmann und F. Herzei: Immission von Harnstoff-Herbiziden in der Bun­desrepublik Deutschland. In: Gesundheitsingenieur 97,70 (1976) siehe auch E. R. Koch und F. Vahrenholt: Seveso ist überall . . . a. a. 0., S. 192 f.

252 FAZ vom 2. November 1979

253 DER SPIEGEL 45/1980

254 DER SPIEGEL 45/1980

255 Giersch, Herbert: Die Investitionsschwäche überwinden, in FAZ vom 24. April 1976

256 DER SPIEGEL 30/1977

257 Süddeutscher Rundfunk am 8. Oktober 1972, Zitat in FAZ vom 15. Juli 1976 258 Müller, Klaus: Die präparierte Zeit, 1972, S. 546

259 Widener, Don: Kein Platz für Menschen. Der programmierte Selbstmord, Stuttgart 1971, S. 214

260 Zitat bei Herbert Grohl: Ein Planet . . . a. a. 0., S. 243

261 Stearn, Jess: Der schlafende Prophet - Prophezeiungen in Trance (1911­1998), Genf 1969

262 Bild der Wissenschaft, Dezember 1974, S. 32 ff.

263 Rhein-Neckar-Zeitung vom 6. November 1982

264 Die Kommenden 4/1974

265 Süddeutsche Zeitung vom 30. August 1973

266 Die Zeit vom 28. März 1974

267 FAZ vom 24. September 1975 und vom 26. März 1977

268 Schneider, Reinhald: Macht und Gnade, 1940, S. 149

269 FAZ vom 23. Juli 1976

270 Zitat bei Wilhelm Seuss in FAZ vom 15. Mai 1976

271 van Nell-Breuning, Oswald: Der Menseh. . . a. a. 0., S. 39

272 PIesser, Ernst H.: Leben zwischen Wille und Wirklichkeit - Unternehmer im Spannungsfeld van Gewinn und Ethik, Düsseldarf 1977

273 Die Zeit vom 8. August 1980

274 Zitiert in: FAZ vom 16. Juni 1977

275 Blühmann, Heinz: Wenn die Macher versagen, in: Die Zeit vom 19. Mai 1978 276 FAZ vom 19. Januar 1971

277 Die Zeit vom 5. August 1977

278 van Nell-Breuning, Oswald: Der Menseh. . . a. a. 0., S. 48 f.

279 FAZ vom 17. Juni 1971

280 Die Zeit vom 30. Dezember 1977

281 Eucken, Rudalf: in der Zeitschrift "Tatwelt" im Jahre 1926 unter dem Pseud­anym Dr. Kurt Heinrich veröffentlicht. Zitiert nach FAZ vom 31. Januar1981 und vom 21. Mai 1983

282 Röpke, WilheIm: Jenseits van Angebat und Nachfrage, 1958 und FAZ vom 31. Januar 1983 und 21. Mai 1983

283 FAZ vom 21. August 1981

284 Die Zeit vom 23. April 1976

285 Zeitmagazin vom 11. Januar 1974

286 FAZ vom 1. Oktaber 1974

287 DER SPIEGEL 45/1980 und FAZ vom 23. April 1983

288 FAZ vom 13. September 1980

289 Rheinpfalz vom 10. Navember 1981

290 Taylar, G. R.: Zukunftsbewältigung . . . a. a. 0., S. 114

291 Die Zeit vom 29. Juli 1977

292 FAZvom31. Januar 1981 undDieWELTvom 11. Februar und 4. März 1981

293 van Arnim, Gabriele: Geht das Heroin bald den Weg des Marihuanas? in: FAZ vom 7. August 1976

294 Mannheimer Margen vom 13. Dezember 1979

295 FAZ vom 21. August 1980

296 FAZ vom 23. Oktaber 1975

297 FAZ vom 14. Juli 1977

298 Die Zeit vom 29. Juli 1977

299 Zitiert in DER SPIEGEL vom 27. März 1978, S. 236

300 DER SPIEGEL vom 27. März 1978, S. 236

301 DER SPIEGEL vom 27. März 1978, S. 235

302 Heisenberg, Werner: Der Teil und das Ganze, München 1967, S. 254 (Taschenbuchausgabe)

303 Deutsche Zeitung vom 18. Navember 1977

304 Die Zeit vom 9. Dezember 1977

305 Zitat bei Antan Kimpfler: Fragmentarisches aus ungeistiger Zeit, Achberg 1952, S. 52

306 Götz, Wilhelm: Naturwissenschaft und Evangelium, 1964, S. 174

307 Zitat in: Die Zeit vom 14. September 1973

308 Kapita13/1974

309 FAZ vom 16. Juni 1973

310 Stuttgarter Zeitung vom 5. Februar 1975

311 Materialdienst... a. a. 0., vom 1. Dezember 1971

312 Gaethe an Freiherr van Müller im Mai 1782. Zitat bei Emil Back: Wiederhal­te Erdenleben, Stuttgart 1932, S. 69

313 Dühring, Eugen: Der Ersatz der Religian durch das Vallkammenere und die

Abstreifung des Asiatismus, Berlin 1882. Zitat bei Benz: Schöpfungsglaube

...a.a.O.,S.IO9

314 FAZ vom 2. Dezember 1974

315 Refarm-Rundschau vom 30. Oktaber 1980

316 FAZ vom 7. Januar 1978

317 Die Zeit vom 22. April 1983

318 FAZ vom 26. Februar 1975

319 Frankfurter Rundschau vom 3. November 1977

320 Die Zeit vom 31. Dezember 1976

321 Rhein-Neckar-Zeitung vom 23. Mai 1981

322 Mannheimer Margen vom 5. Februar 1980

323 FAZ vom 25. Juli 1981

324 Taylor, G. R.: Zukunftsbewältigung . . . a. a. 0., S. 379

325 Rass, Thamas: Die Wurzeln des Elends, in: FAZ vom 13. Mai 1978

326 Die WELT vom I. April1978

327 Lauffer, Siegfried: Diakletians Preisedikt, Berlin 1972

328 Fudalla: Die Gegenwart . . . a. a. 0., S. 102

329 Kammeier, Wilhelm: Die Wahrheit der Geschichte des Spätmittelalters, 1937, S.48

330 Wahr und Klar 10/1973

331 DER SPIEGEL vom 23. Januar 1984, S. 35

332 Die Zeit vom 15. Juni 1979

333 konradsblatt, Diözesanblatt der Erzdiözese Freiburg i. B. vom 30. September 1973

 Kaartje van het gebied rond het meer van Galiléa

 

UpToDate 2024-2025