Predikingen van de Heer

Door het innerlijk Woord ontvangen en opgeschreven door

Gottfried Mayerhofer

Uitgeverij De Ster

Ginnekenweg 124,4818 JK Breda, Tel.: 076-226700.


Oorspronkelijke titel: 'Predigten des Herrn, durch das Innere Wort erhalten und niedergeschrieben von Gottfried Mayerhofer', Lorber- Verlag, BietigheimIWurtt.

 

Copyrights @ 1990 Uitgeverij De Ster - Breda ISBN 9065562028 NUGI 632


            Wie was Gottfried Mayerhofer?

            Inleidend woord

1          De tekenen van de toekomst    

            Eerste Advent                     

2          De vraag van Johannes 

            Tweede Advent                  

3          De getuigenis van Johannes

            Derde Advent                     

4          De boeteprediking van Johannes de Doper

            Vierde Advent                     

5          De geboorte van Jezus

            Kerstmis                   

6          De voorstelling van Jezus in de tempel        

            De Zondag na Kerstmis               

7          De twaalfjarige Jezus in de tempel      

            De eerste Zondag na Epifanie               

8          De bruiloft te Kana           

            De tweede Zondag na Epifanie             

9          De genezing van een melaatse

            De derde Zondag na Epifanie                

10       De gelijkenis van de arbeiders in de wijngaard      

            Zondag septuagesima                  

11       De gelijkenis van de zaaier        

            Zondag Sexagesima                     

12       De genezing van een blinde     

            Zondag Estomihi               

13       De verzoeking in de woestijn    

            Zondag Invocavit               

14       De verheerlijking van Jezus      

            Zondag Reminiscare        

15       De uitdrijving van de duivel      

            Zondag Oculi                      

16       De spijziging van de vijfduizend          

            Zondag Laetare                  

17       De Joden proberen Jezus te stenigen          

            Zondag Judica                   

18       De intocht van Jezus in Jeruzalem     

            Palmzondag            

19       De Opstanding van de Heer      

            Paaszondag            

20       De verschijning van de Heer aan de discipelen     

            Zondag Quasimodo                      

21       De Goede Herder  

            Zondag Misericorda Domini                    

22       De voorbereiding op het heengaan van Jezus                   

            Zondag Jubilate                 

23       De vraag naar de eeuwige verblijfplaats       

            Zondag Cantate                 

24       De juiste bede       

            Zondatg rogate                   

25       De belofte van de Trooster        

            Zondag Exandi                  

26       De Heer en Zijn kinderen           

            Pinksterzondag                  

27       Het afscheid van de Heer          

            Zondag Trinitatis                

28       De gelijkenis van het Grote Avondmaal        

            De le Zondag na Trinitatis           

29       Over het verloren schaap          

            De 2e Zondag na Trinitatis                      

30       De wonderbare visvangst         

            De 3e Zondag na Trinitatis                      

31       De ware gerechtigheid    

            De 4e Zondag na Trinitatis                      

32       De spijziging van de vierduizend        

            De 5e Zondag na Trinitatis                      

33       Over de valse profeten   

            De 6e Zondag na Trinitatis                      

34       De gelijkenis van de onrechtvaardige rentmeester           

            De 7e Zondag na Trinitatis                      

35       Het verdriet van de Heer over Jeruzalem      

            De 8e Zondag na Trinitatis                      

36       De gelijkenis van de Farizeeër en de tollenaar        

            De 9e Zondag na Trinitatis                      

37       De genezing van een doofstomme     

            De 10e Zondag na Trinitatis                    

38       De gelijkenis van de barmhartige Samaritaan         

            De 11e Zondag na Trinitatis                    

39       De genezing van de tien melaatsen    

            De 12e Zondg na Trinitatis                      

40       De waarschuwing van de Heer voor aardse zin     

            De l3e Zondag na Trinitatis                     

41       De opwekking van de jongeling te Naïn        

            De 14e Zondag na Trinitatis                    

42       De juiste Sabbatviering  

            De 15e Zondag na Trinitatis                    

43       Het grootste gebod         

            De 16e Zondag na Trinitatis                    

44       De genezing van een verlamde

            De 17e Zondag na Trinitatis                    

45       De gelijkenis van het koninklijke bruiloftsmaal       

            De 18e Zondag na Trinitatis                    

46       De genezing van de zoon van de hoveling  

            De 19e Zondag na Trinitatis                    

47       De gelijkenis van de ontrouwe knecht          

            De 20e Zondag na Trinitatis                    

48       De positie van de Heer tot de overheid         

            De 21e Zondag na Trinitatis        

49       De opwekking van de dochter van Jairus    

            De 22e Zondag na Trinitatis                    

50       Het stillen van de storm  

            De 23e Zondag na Trinitatis                    

51       De gelijkenis van het onkruid op de akker   

            De 24e Zondag na Trinitatis                    

52       De verklaring van het hemelrijk           

            De 25e Zondag na Trinitatis                    

53       De laatste tijd         

            De 26e Zondag na Trinitatis        

           

            Nawoord van de Heer       

 

 


 

Wie was Gottfried Mayerhofer (1807-1877)?

 

Na de mysticus en profeet Jakob Lorber (1800-1864) was Gottfried Mayerhofer één der eersten, die het "Innerlijke Woord" in zich hoorden en opschreven voor de mensheid.

De meeste en belangrijkste openbaringen, die Mayerhofer langs deze inspiratieve weg ontving staan in de volgende, bij het Lorber Verlag te Bietigheim (Duitsland) in de oorspronkelijke taal verschenen werken: "Lebensgeheimnisse", "Schöpfungsgeheimnisse", en vooral het hier voor U liggende, thans in de Nederlandse taal verschenen "Predikingen van de Heer".

Gottfried Mayerhofer werd in 1807 in München geboren als zoon van een hoge Beierse officier. Na beëindiging van zijn studie, die voornamelijk was gebaseerd op wiskunde, begon ook hij aanvankelijk een militaire loopbaan. Toen de tot koning van Griekenland gekozen Beierse prins Otto in 1833 naar Athene verhuisde, volgde Mayerhofer hem als majoor "à la suite". In Athene huwde hij dan met Aspasia d'Issay, dochter van een groothandelaar.

Het verblijf in Athene was evenwel slechts van korte duur. Toen in 1837 Mayerhofers schoonvader zijn groothandelsbedrijf verplaatste naar Triëst, besloot Mayerhofer na lang aarzelen, op aandringen van zijn vrouw die erg aan haar vader hing, eveneens naar Triëst te verhui­zen. Daar de Griekse regering geen uitkeringen naar het buitenland uitbetaalde, was deze verandering van woonplaats in zoverre voor Mayerhofer onaangenaam, dat hij nu financieel geheel afhankelijk was van het vermogen van zijn vrouw.

In Triëst leefde Mayerhofer veertig jaar tot aan zijn dood in 1877. In deze tijd wijdde hij zich aanvankelijk het meest aan zijn lievelings­studies, muziek en schilderen. Maar mettertijd trad bij hem zijn belangstelling voor geestelijke dingen steeds meer op de voorgrond.

Deze hang naar het religieuze en geestelijke kreeg rijke voeding door het lezen van de geschriften van Jakob Lorber, welke boeken hij in Triëst leerde kennen. Hoe meer hij zich verdiepte in de werken van deze Oostenrijkse mysticus, die hij persoonlijk nooit heeft leren ken­nen, des te meer groeide zijn geestdrift voor de openbaringen van het Innerlijke Woord en steeds meer verinnerlijkte zich zijn wezen en nam hij toe in deemoed. Dank zij deze verinnerlijking werd Mayerhofer al spoedig steeds meer geestelijk gerijpt. In maart 1870 vernam hij voor de eerste keer in zich de Stem van de Heer. Deze diende hij als een getrouwe "schrijfknecht" zeven jaar lang, tot aan zijn dood in 1877.

De manier, waarop zich meestal het Innerlijke Woord bij Mayerho­fer voordeed, is opmerkelijk. Gewoonlijk stonden, voordat Mayerhofer de drang in zich voelde tot schrijven, de te behandelen stukken in de vroege morgen in beelden van heerlijke helderheid voor zijn geestelijke oog. Bij het dan schriftelijk weergeven van wat hij had aanschouwd vertroebelde helaas - wat Mayerhofer zelf steeds betreurde - deze helderheid van het gezicht zeer. In deze omstandigheid is ook wel een van de oorzaken te zoeken, die leidde tot de stilistische onvolkomenhe­den van de geschriften van Mayerhofer.

Tot slot willen we enige verklaringen betreffende het Innerlijke Woord van Mayerhofer zelf weergeven, die hij in een brief aan zijn vriend richtte. Zij luiden: "Dat u persoonlijk de laatste boodschappen niet zo aanspraken als die over "Licht, Leven en Liefde", daarbij moet u er aan denken, dat mijn vrienden hier (in Triëst; de uitg.) niet allen op gelijke trap van geestelijke ontwikkeling staan en ook met u zelf niet kunnen worden vergeleken. De Heer geeft mij in Zijn genade vaak slechts dat, wat enerzijds voor mijn vrienden hier begrijpelijk is, ander­zijds misschien ook eens - wie weet wanneer en door wie - in regelma­tige volgorde voor een trapsgewijze geestelijke ontwikkeling zal moeten dienen. En zo komen vaak dictaten door, die niets nieuws zeggen, maar slechts datgene wat al eerder werd ontvangen in een andere vorm weergeven; want ik ben steeds volkomen passief bij zulke mededelin­gen, weet hoogst zelden waarom het gaat. Er grijpt mij gewoonlijk een niet te verklaren onrust aan, ik moet dan aan mijn schrijftafel gaan zitten, en pas wanneer ik de pen ter hand neem, verneem ik wat de Heer wil, en ook dan weet ik noch begin, noch voortzetting, noch einde; ja, niet één woord vroeger dan het andere. Zo bijvoorbeeld zegt Zijn Woord mij: "Neem het evangelie van Johannes, hoofdstuk  3 :7". Ik, die in de Bijbel niet het minst thuis ben, weet dus niets van de inhoud van dit hoofdstuk, noch van het vers, zoek het op, ga zitten en schrijf wat mij daarover wordt gedicteerd.

Zo ontstaan mijn dictaten, willoos, zonder te weten waarom en waartoe, zo gebeurt het en niet anders".

Deze uiteenzettingen van Mayerhofer laten zien, dat het bij zijn opgeschreven stukken om werkelijke inspiratie gaat en niet om werk­stukken van zijn eigen fantasie. Dat toont het originele handschrift van Mayerhofer ook uiterlijk; want het is uiterst snel en zeer vloeiend geschreven en bevat slechts uiterst zelden een kleine verbetering van de hand van Mayerhofer.

Om de lezer een gemakkelijk vergelijken met de ten grondslag liggende bijbelteksten mogelijk te maken, hebben we in deze uitgave elke prediking laten voorafgaan door de betreffende bijbeltekst. De nadere aanduidingen van de zondagen zijn de wekelijkse benamingen, zoals die ten tijde van Mayerhofer gebruikelijk waren.

 

Wie meer zou willen weten van de Nieuwe Openbaringen, die werden ontvangen door Jakob Lorber en Gottfried Mayerhofer, kan zich wenden tot de Jakob Lorber Stichting voor het Nederlandse taalgebied, Burg. de Millylaan 1, 7231 DP Warnsveld, tel. 05750­21803.

 


 

Inleidend woord

 

(Ontvangen van de Heer door Gottfried Mayerhofer in Triëst, 22 nov. 1871).

 

Reeds sinds vele jaren wordt er in de kerken iedere zondag een evangelie uit de geschiedenis van Mijn aardse leven aan de bezoekers voorgelezen en, al naar het geestelijke standpunt van de predikant, de toehoorders uitgelegd.

De tijd nadert, waarop in de hele christelijke cultus een verandering zal optreden en misschien de meeste van de tot nu toe in zwang zijnde gebruiken en plechtigheden zullen worden opgeruimd, zodat bij de samenkomsten van een christelijke gemeente alleen de prediking over­blijft of de uitleg van Mijn evangelie, dat Ik u heb nagelaten.

Ik wil daarom door Mijn schrijver voor alle tegenwoordige en toekomstige echte navolgers en vereerders van Mijn Woord, een reeks bijbelteksten uit het Nieuwe Testament nader verklaren, zoals ze eigenlijk in hun diepste betekenis moeten worden begrepen, zoals ze echter tot nu toe nog door niemand uitgelegd en verduidelijkt werden, opdat geen valse en verkeerde uitleg aanleiding geeft tot afgoderij en het aanbidden van dingen, die hoogstens vereerd moeten worden, maar niet aanbeden.

Deze reeks teksten uit de evangeliën, die u Mijn woorden weer voor de geest brengen, moeten zo uitgelegd worden als zij op uw levenswan­del van toepassing zijn en moeten u daarnaast aantonen, hoe deze woorden, die bijna tweeduizend jaar geleden werden uitgesproken, in vervulling gaan; want daar sprak Ik reeds: "De wereld met al wat er op staat zal vergaan, maar Mijn woorden zullen eeuwig duren!"

 

Amen.

 


 

1

 

Eerste Advent

 

De tekenen van de toekomst

 

Luc. 21, 25-26: En er zullen tekenen zijn aan zon en maan en sterren, en op de aarde radeloze angst onder de volken vanwege het bulderen van zee en branding, terwijl de mensen bezwijmen van vrees en angst voor de dingen, die over de wereld komen, want de machten der hemelen zullen wankelen.

 

(23 nov. 1871)

 

Dit is de eerste evangelietekst waarmee het kerkelijk jaar gewoonlijk begint. Het wordt de gelovigen alle jaren voorgelezen, alle jaren uitge­legd, - zus of zo - zoals het de predikant voor zijn bedoelingen uitkomt. Hoewel menigeen over tekenen en wonderen spreekt, weten maar weinigen waaruit deze tekenen bestaan en op welke manier zij de komende tijd zullen verkondigen. De meeste predikanten zoeken hun uitleg van deze tekst bij de politiek van de landen en willen zo geestelijke zaken door profane verklaren, terwijl het omgekeerde moet gebeuren, want de wereldse gebeurtenissen zijn het gevolg van geestelijke omwen­telingen.

Zie, Mijn kinderen, toen Ik indertijd over de tekenen sprak en de Joden de verwoesting van hun tempel voorspelde, geloofden weinigen van hen in Mijn uitspraken omdat zij Mij niet kenden. Thans, nu Ik u hetzelfde toeroep, zijn er even zoveel twijfelaars en ongelovigen, die de tekenen van elders verwachten, als vanwaar zij werkelijk zullen komen.

In die tijd voorzegde Ik de ondergang van de tempel van Jeruzalem en het einde van de joodse stam als zelfstandig volk. Ik profeteerde hen, dat de manier en de wijze waarop zij hun religie onderhielden, juist het tegenovergestelde was van wat Mozes en de profeten hen wilden geven en dat aan deze manier van zien en praktische uitoefening een einde gemaakt moest worden, en wel door de eigenlijke uitleg, waarvoor Ik gekomen was en ook Mijn leven voor deze leer had gegeven.

Zij wilden geen afstand doen van wat zij als geloof en religie al zo lang gewend waren. Voor hen gold de tempel te Jeruzalem als verte­genwoordiger van het geestelijk gebouw van de godsdienst. Daar het echter in deze tempel zo heilloos toeging en de godsdienst zo gepredikt werd als het bij de priesters en Farizeeën paste, moest, wilde de mensheid niet in het moeras van haar meest slechte hartstochten ondergaan, deze materiële tempel vallen. Pas op zijn ruïnes kon een andere, geestelijke, eeuwig durende tempel gebouwd worden, waarvoor Ik gedurende Mijn aardse leven de grondsteen heb gelegd.

Reeds vanaf die tijd, evenals na Mijn heengaan tot aan Mijn a.s. wederkomst, ontbrak en ontbreekt het niet aan tekenen als vermanin­gen tot bekering; alleen leek het nimmer de tijd te zijn om de tegen­woordige tempel, namelijk Rome en haar handelwijze, te vernietigen. Ook al werd bij veel mensen in betere momenten door een lichtstraal van de toekomst hun hart verlicht, in Rome bleef het duister en in plaats van lichter werd het steeds donkerder.

Wat eens in Jeruzalem gebeurde, waar de gewapende macht van de Romeinen lange tijd de godsdienst van de Joden en hun gebruiken eerbiedigde en vrij liet, dat gebeurde ook tot op de dag van vandaag, waar de machthebbers met het zwaard in de hand de ongepastheid in Rome, hoewel zij die kenden, niet wilden tegengaan, maar haar voor hun eigen belangen uitbuitten. Alleen, zoals eens de Joden door hun overmoed en hun zucht naar oproer de val van de tempel en de ondergang van hun eigen bestaan dichterbij brachten, zo zal ook nu het gebouw van de onfeilbare op de stoel van Petrus te Rome, door de overmoed en blindheid van zijn eigen medewerkers vallen en weer, zoals vroeger, voor Mijn leer plaats moeten maken.

Wat bij Mijn eerste komen als mens in deze wereld gebeurde, zal weer plaatsvinden. Er zullen tekenen zijn. Zalig zij die ze verstaan en ze voor hun eigen en voor het heil van de medemensen zullen benutten! Wat Ik voorzegd heb zal, in geestelijke zin, met dezelfde symptomen beginnen - en is eigenlijk al sinds lang begonnen - zoals eens tijdens Mijn aardse levenswandel. Oorlogen en revoluties, vervolgingen van Mijn aanhangers, bange verwachting van de dingen die komen zullen, allerlei ziektes, waren de voorboden in die tijd; en ook nu zullen zij niet ontbreken. Niet dat Ik deze zend, maar dit lot bereiden de mensen zich helemaal zelf door hun niet verstaan van Mijn goddelijke woorden, die steeds hetzelfde zullen blijven. Ook nu waait de wind van de geestelijke vrijheid en doordringt alle menselijke harten. De reeds lang met voeten getreden mensenrechten willen tot hun recht komen, willen geëerbie­digd worden en niet, zoals reeds meer dan duizend jaar, alleen door een sekte of kaste - namelijk die van de sterkste - met voeten getreden worden.

Men zegt ook wel: "De worm kronkelt zich wanneer op hem getrapt wordt!" Welnu, de geestelijke en profane machthebbers hebben de worm lang genoeg vertrapt, wilden hem helemaal aan zich onderdanig en gehoorzaam maken en de menselijke waardigheid pas bij henzelf

laten beginnen. Teveel is schadelijk! En nadat zij de boog te zeer hebben gespannen, staat hij nu op springen. Zij voelen het wel aan; vandaar hun angst, hun zoeken naar middelen om de zaak te sturen. Maar tevergeefs! Zoals eens te Jeruzalem, zo graven de machthebbers voor zichzelf de kuil, waarin ze eigenlijk anderen hadden willen gooien.

Toendertijd raadde Ik Mijn weinige aanhangers aan om matig te zijn, hun zielen en lichamen zuiver te houden en niet voor slechte handelingen te misbruiken, opdat zij gereinigd voor de Mensenzoon zouden kunnen staan wanneer Hij zal komen.

En nu telt dezelfde vermaning: waakt en bidt opdat ge niet in verzoeking valt. Houdt u rein, sterkt u door het geloof in Mijn liefde en in Mijn goddelijke voorzienigheid die, ook al laat ze het allerver­schrikkelijkste toe, toch niet diegenen zal straffen die Mijn leer met een kinderlijk gemoed aanhangen en met gelovige ijver er naar handelen.

De tekenen des tijds zullen dan spoorloos aan u voorbij gaan, wanneer u hebt geleerd uw lichamen in te tomen tot weinig materiële behoeften, maar des te meer bedacht zijt op de opbouw van uw geestelijke zieleleven. Zo zult u dan, net zoals indertijd Mijn volgelin­gen, een halleluja laten klinken, ook over de rokende puinhopen van  wereldse glans en over slagvelden heen, waar weliswaar de materie is neergeveld, maar de geest vrij is geworden tot teken van Mijn grootheid, Mijn liefde en erbarmen. Amen.

 

2

 

Tweede Advent

 

De vraag van Johannes

 

Matth. 11,2-6.27-30: Johannes nu hoorde in de gevangenis de werken van de Christus en liet Hem door zijn discipelen de vraag overbrengen: "Zijt Gij het, die komen zou, of hebben wij een ander te verwachten?" En Jezus antwoordde en zeide tot hen: "Gaat heen en boodschapt Johannes wat gij hoort en ziet: blinden worden ziende en lammen wandelen, melaatsen worden gereinigd en doven horen en doden worden opgewekt en armen ontvangen het evangelie. En zalig is wie aan Mij geen aanstoot neemt!" -Alle dingen zijn Mij overgegeven door Mijn Vader en niemand kent de Zoon dan de Vader, en niemand kent de Vader dan de Zoon en wie de Zoon het wil openbaren. Kom tot Mij, allen, die vermoeiden belast zijt, en Ik zal u rust geven; neemt Mijn juk op en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en gij zult rust vinden voor uw zielen; want Mijn juk is zacht en Mijn last is licht.

 

(4 dec. 1871)

 

In de tijd toen Johannes in de gevangenis zat, zond hij enige van zijn leerlingen naar Mij toe om Mij te vragen of Ik degenen was, die als de beloofde Messias zou komen om de volkeren van hun materiële druk te bevrijden en ze tot geestelijke waardigheid te verheffen, waartoe de mensen uiteindelijk geschapen werden, - of dat hij op een ander moest wachten.

Deze vraag, of Ik eigenlijk wel diegene ben over wie de profeten profeteerden, duikt ook nu weer op in de harten van diegenen, die nog niet tot een helder inzicht zijn gekomen. Zij hebben weliswaar een flauw vermoeden van een toekomstige geestelijke toestand, die de uit de oude tijd stammende religieuze gebruiken voor een deel zal vernie­tigen en voor een deel naar de juiste proporties zal terugvoeren. Daarom sturen ook zij hun volgelingen en laten dezen vragen: "Zijt Gij diegene die komen zou, of moeten wij op iemand anders wachten?"

Deze leerlingen of aanhangers van de oorspronkelijke godsdienstleer zijn nog bevooroordeeld door de in hun jeugd ingeprente godsdienstige beginselen, die Mijn leer niet altijd in het juiste daglicht stelden en, vermengd met gebruiken, de gelovigen steeds tot twijfelen brachten.

Deze volgelingen of mannen, die zich aan de top van de godsdien­stige - en geloofsbewegingen hebben gesteld, zijn nog niet bevrijd van vooroordelen en innerlijk vragen zij Mij: "Handelen wij zo op de juiste manier ja of neen?" En Ik, die de eens door Mij gegeven leer nu opnieuw door middel van Mijn knechten geef en voortdurend uitleg, zeg tot hen: "Kijk naar Mijn daden; zie naar Mijn kinderen, hoe zij de liefde tot God en de naastenliefde in praktijk brengen; zie hoe de wilskracht in sommigen wonderen verricht, niet zoals voorheen door Mijn eigen hand, maar toch zó dat zij vaak uw geleerden en doktoren beschaamd zullen doen staan."

Ook toen sprak Ik: "U gedraagt u als kinderen! U hebt gefloten, maar uw speelmakkers dansten niet; u hebt getreurd en zij wilden niet huilen!" En nu zeg Ik wederom: "Gij onmondigen gelooft en hoopt dat de mensen uw leiders zullen volgen, maar u zult het tegendeel zien. Gij mensen met uw leiders zult klagen, maar bij niemand tranen kunnen ontlokken of medelijden opwekken!"

Ja, zoals voorheen, zo is het ook nu en zal het altijd blijven: het hemelrijk moet geweld aangedaan worden! De oude Adam moet met kracht worden verdrongen en de nieuwe moet met vaste overtuiging aangetrokken worden, anders is ieder streven naar verbetering tever­geefs. Tussenwegen inslaan en gedeeltelijk Mijn leer, gedeeltelijk de gebruiken van verouderde instituten willen gebruiken, gaat niet. Ik ben een Geest, en wie Mij aanbidden wil, moet Mij in geest en in waarheid aanbidden. Met waarheid aanbidden betekent: met een onwankelbaar vertrouwen - met kracht. En wie met geweld de hemel grijpt, diens eigendom zal hij ook zijn.

Zowel de mensen van toen als die van vandaag hadden en hebben een verkeerde voorstelling van Johannes, Mijn voorloper, en van Mij Zelf. Ze meenden Johannes te vinden zoals zij zelf waren, naar hun wereldse begrippen. Mij stelden ze zich eveneens voor als iemand, die de wereldlijke verhoudingen zou verbeteren. Iedere voorganger en serieuze strijder voor Mijn leer zal het vergaan zoals Johannes: hij zal even weinig begrepen worden als Ik, hoewel Ik reeds meerdere jaren in Mijn leer onder u vertoef en Mij direkt en indirekt aan u bekend maak door Mijn schrijfknechten en dienaren.

Overal zouden de mensen, als zij iets van Mijn leer weten of hem opnieuw ervaren hebben, deze graag zo aan hun leven aanpassen, dat er geen opoffering, geen zelfverloochening nodig is om Mijn volgelin­gen, Mijn kinderen te worden.

Wat Ik eens over de stad van Juda zei, geldt ook nu nog voor de grote steden van de aarde. Daar, waar men over het grootste inzicht zou moeten beschikken, heerst de grootste duisternis, en in die steden waar Ik Mij direkt aan de mensen bekend maak, daar neemt men het minste notitie van Mij, net zoals eens in Kana, waar Ik het eerste openbare wonder verrichtte.

U ziet, dat er duizend jaren voorbij zijn gegaan, maar de mensen nog steeds hetzelfde gebleven zijn. Eens sprak Ik: "Alleen de Vader kent Mij, de Zoon, en alleen de Zoon kent de Vader." En helaas moet Ik ook nu evenzo zeggen: "Alléén Gods liefde in de hoogste zin kent Mij, de in wijsheid werkzame liefde." De mensen zouden Mij wel willen vinden, maar weten niet hoe ze moeten zoeken. De leiders en volgelingen zijn nog steeds bevooroor­deeld, nog steeds bedekt hen, zoals eens Mozes, een driedubbele sluier de ogen. En hoewel Ik deze ook weg zou willen nemen, hoewel Ik ook roep: "Kom tot Mij, gij allen die belast zijt, en Ik zal u verkwikken!", dan begrijpen zij deze roep niet. Zij kennen de stem van de Herder nog niet; zij zijn verdwaalde schapen, die pas na lang ronddolen in de duisternis tot het licht van liefde, van waarheid en van een vrij bewust­zijn zullen komen.

Ook nu zal het zijn zoals Ik eens sprak: "Aan de hoogmoedigen zal Onthouden worden, wat aan de onmondigen, die met het hart zoeken, geopenbaard wordt!"

Alle hervormers, die zich nu aan het hoofd van de gelovigen geplaatst hebben, die een vermoeden hebben van een beter geestelijk lot, zullen veel van hun geliefde standpunten moeten loslaten, evenals hun volge­lingen. Zij zullen nog veel bitterheid moeten doormaken, voor ze Mijn woord van toen begrijpen, dat luidt: "Mijn juk is zacht en Mijn last is licht." Leer van Mij de deemoed, de zachtmoedigheid en de naasten­liefde, of in religieus opzicht de tolerantie, dan zult u rust vinden voor uw ziel en tevens bekwaam zijn om anderen deze rust te geven, die hen nu nog ontbreekt.

Evenals toen vóór Mijn jaren als leraar al deze gebeurtenissen zich hebben toegedragen en Johannes als voorloper in de woestijn predikte, zo is het ook nu, vóór Mijn werkelijke wederkomst zal plaatsvinden. Mijn directe bekendmaking aan enkelen is opnieuw Mijn voorloper.

De geestelijke wind waait. Hij komt van Mijn hemelen om uw geestelijke atmosfeer, die met vele slechte dampen bezwangerd is, te reinigen. Deze geestelijke wind is de opwekker, louteraar en drager van een nieuw tijdperk, opdat de mensheid dichter bij haar geestelijke bestemming zal worden gebracht, en eindelijk zal begrijpen, wat gods­dienst in geestelijke zin betekent; wat het zeggen wil om "Mij in geest en waarheid te aanbidden" .

Nog steeds klampen de mensen zich vast aan ceremoniën en gebrui­ken, - een teken, dat zij in wezen nog zeer materieel zijn, en alleen materiële zaken verlangen en begrijpen.

Wanneer de mensen maar eerst eens geestelijk gevormd zullen zijn, wanneer zij zullen erkennen, dat Ik als Geest geen materieel middel nodig heb om door hen begrepen te worden, als zij zullen inzien wat eigenlijk geest en geestelijke vorming betekent, dan zullen zij begrijpen hoe ver ze van de rechte weg zijn afgedwaald. Zij dwongen Mij tot de uitroep, dat alleen Ik als Zoon de Vader ken en Hij Mij. Daarbij onderwees Ik eens lichamelijk op aarde hoe ook aan u, mensen, die toch allemaal een vonk van Mijn goddelijke Ik in uw harten draagt, die u steeds aanspoort u met Mij te verbinden, deze erkenning kan worden gegeven.

Al de nu volgende verklaringen van de in het christelijk kerkelijk jaar vastgestelde zondagsevangeliën zullen u duidelijk maken, hoe de gees­telijke ontwikkeling der mensheid trapsgewijs geleidelijk plaatsvindt. De uitleggingen zullen u aantonen hoe u zelf, reeds lange tijd in deze geestelijke stroom mee voortgedreven, de weg van verlichting tegemoet gaat om dat te worden, waartoe Ik u geschapen, opgevoed en bestemd heb.

Word wakker, Mijn kinderen! Sluit uw oren niet toe voor de prediker in de woestijn, voor de dictaten die Ik u in zulk een grote hoeveelheid zend! Word wakker, en luister naar de hemelse harmo­nieën, die van boven gezonden worden, om u te bewijzen, dat u - die van geestelijke oorsprong zijt -, een andere bestemming, en een andere opgave hebt dan alleen maar in het wereldse te leven!

De geestelijke wind waait en trekt door alle harten; en al verstaan duizenden zijn klank niet, weest u dan toch niet doof, u die zijn beweging en zijn doel kunt verklaren! Word wakker, werp het wereldse ver van u af! U bent geesten, bewoners van een andere, grotere, oneindige, eeuwige wereld. Vergeet niet dat dit aardse leven, dat zo vluchtig aan u voorbij snelt, een leven is, waarin u wordt beproefd en getoetst! Het grotere, ja grootste deel wacht u daar, waar eeuwig geen zon meer ondergaat, waar de nacht verbannen is en alleen licht, wat synoniem is aan liefde, als verwekker het hemelse gebied doordringt.

Neem de goede raad aan om de woorden van het evangelie, die Ik eens meer dan duizend jaar geleden heb uitgesproken, in hun hoogst geestelijke zin uit te leggen en te begrijpen! Zij bevatten Mijn gehele Vaderliefde tot Mijn kinderen.

Ook in die tijd wilde Ik het joodse volk bewijzen, welke liefde een Schepper als Vader kan hebben, en ook moet hebben; maar zij begrepen Mij niet. En nu - Ik moet het helaas bekennen - nu begrijpen de mensen Mij alles bij elkaar genomen nog minder.

Eens riep Ik hen toe: "Mijn juk is zacht", - en nu zeg Ik het weer: "Hoe kan dan een juk der liefde anders dan zacht zijn, hoe de last lichter, dan wanneer de liefde het haar helpt dragen?"

Begrijp het goed! Laat de wereld voor wat zij is; zij kan u slechts voor enkele momenten gelukzaligheid geven, maar u op de lange duur niet bevredigen; want met het bezit van een aards goed houdt de hoop op om het te krijgen.

Zo gaat het echter niet met het geestelijke! Mijn rijk is oneindig. Het geestelijk bezit kent geen grenzen en geen belemmeringen; daardoor is eeuwige vooruitgang mogelijk. Bij iedere trede een grotere kracht en een grotere bekwaamheid te bereiken.

Terwijl in het wereldlijke telkens eerst verhoudingen en omstandig­heden moeten samenvallen om het gewenste te bereiken, zo biedt de geestelijke vooruitgang altijd gelegenheid voorwaarts te gaan. Terwijl in het wereldse het meeste van anderen afhangt, zo is in het geestelijke uw eigen innerlijk de grote bron, waarin alle schatten van een oneindig geestelijke wereld verborgen liggen. Het is uw innerlijk, waaraan Ik Mij als Vader, als Zoon en als hoogste Geest bekend kan maken, en van deze bekendmaking hangt uw vrede en rust af. Hierdoor zult u alle spanningen in het leven niet als straffen, maar als wijze en noodzakelijke beproevingen leren zien en de zin pas geheel begrijpen: "Kom tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt!" De liefde, de eeuwige, oneindige liefde van de hemelse Vader heeft u deze last weliswaar opgelegd, - maar Hij helpt u ook haar te dragen.

Het lijden en de tegenspoed in het menselijk leven zijn dan geen plagen meer, maar zegeningen van een Vader, die Zijn kinderen niet tot wereldlijke heren, maar tot geestelijke voorvechters van Zijn liefde­leer wil maken; zowel hier als eens in het oneindige rijk.

Neem dit alles goed ter harte! Het eindresultaat zal u zeker duidelijk maken wat aan het eind van het evangelie (Matth. 11:30/de uitg.) staat: "Want Mijn juk is zacht en Mijn last is licht." Amen.

 

3

 

Derde Advent

 

Het getuigenis van Johannes

 

Joh. 1, 1-27: In den beginne was het Woord en het Woord was bij God. Alle dingen zijn door het Woord geworden en zonder dit is geen ding geworden, dat geworden is. In het Woord was leven en het leven was het licht der mensen; en het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet gegrepen. Er trad een mens op, van God gezonden, wiens naam was Johannes, deze kwam als getuige om van het licht te getuigen, opdat allen door hem geloven zouden. Hij was het licht niet, maar was om te getuigen van het licht. Het waarachtige licht, dat ieder mens verlicht, was komende in de wereld, en de wereld is door Hem geworden, en de wereld heeft Hem niet gekend. Hij kwam tot het zijne, en de zijnen hebben Hem niet aange­nomen. Doch allen, die Hem aangenomen hebben, hun heeft Hij macht gegeven om kinderen Gods te worden, hun, die in Zijn naam geloven; die niet uit bloed, noch uit de wil des vlezes, noch uit de wil eens mans, doch uit God geboren zijn. Het Woord is vlees geworden en het heeft onder ons gewoond en wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de enig geborene des Vaders, vol van genade en waarheid. Johannes heeft van Hem getuigd en heeft geroepen, zeggende: Deze was het, van wie Ik zeide: Die na mij komt, is vóór mij geweest, want Hij was eer dan ik. Immers uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen zelfs genade op genade; want de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid zijn door Jezus Christus gekomen. Niemand heeft ooit God gezien; de enigge­boren Zoon, die aan de boezem des Vaders is, die heeft Hem doen kennen. En dit was het getuigenis van Johannes, toen de Joden uit Jeruzalem priesters en Levieten tot Hem zonden om Hem te vragen: Wie zijt gij? En hij beleed en ontkende het niet; en hij beleed: Ik ben de Christus niet. En zij vroegen hem: Wat dan? Zijt gij Elia? En hij zeide: Ik ben het niet. Zijt gij de profeet? En hij antwoordde: Neen. Zij zeiden dan tot hem: Wie zijt gij?

Wij moeten toch antwoord geven aan hen, die ons gezonden hebben; wat zegt gij van uzelf? Hij zeide: Ik ben de stem van een die roept in de woestijn: Maakt recht de weg des Heren, gelijk de profeet Jesaja gesproken heeft. En er waren sommigen afge­zonden uit de Farizeeën. En zij vroegen hem en zeiden tot hem: Waarom doopt gij dan, indien gij de Christus niet zijt, noch Elia, noch de profeet? Johannes antwoordde hun en zeide: Ik doop met water; midden onder u staat Hij, van wie gij niet weet, Hij, die na mij komt, wiens schoenriem ik niet waardig ben los te maken.

 

(9 dec. 1871)

 

Dit evangelie gaat over Johannes de Doper, die als voorloper en prediker de weg voor Mij zou banen en het joodse volk opmerkzaam zou maken op Mijn komst en Mijn leer; vandaar zijn antwoorden aan de afgezanten van de tempel, vandaar zijn getuigenis dat hij niet de Christus, noch Elia, noch een profeet was, en dat hij niet eens waardig was om Mijn schoenriemen los te maken.

Johannes was, wat dit punt van zijn missie betrof, zich ten eerste daarvan volledig bewust en ten tweede was hij onder de Joden het enige voorbeeld van deemoed, van onderwerping aan Mijn wil.

De evangelist Johannes begint zijn evangelie met de volgende woor­den: "In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God en het Woord was God."

Zie, deze eerste tekst uit het evangelie van Mijn geliefde apostel Johannes geeft u het bewijs, welk standpunt Johannes zowel onder zijn broeders, als ten opzichte van Mij had ingenomen. Wat Johannes de Doper door zijn materiële doop tot uitdrukking wilde brengen, dat zegt Mijn apostel op geestelijke wijze, doordat hij openbaar belijdt dat het Woord, of het Idee Gods, allereerst de geestelijke doop over hem heeft uitgegoten en dat hij als eerste onder zijn medeapostelen de diepte van Mijn Geest had begrepen en verstaan. Hij was de eerste die begreep dat door het Woord (de uitdrukking van een idee, van een gedachte of een wil) al het zichtbare geschapen werd en dat het Woord, leven versprei­dend, licht schiep en dat juist dit licht destijds door weinigen werd begrepen en verstaan.

Hij, Mijn geliefde apostel, was het die als eerste met zijn hart begreep wat voor het verstand alleen niet te begrijpen is, en slechts diegene leven en licht geeft die de liefde heeft, zoals zij in het heelal door Mij verspreid, behouden en gewenst wordt.

Hij beminde Mij in de Geest terwijl de andere apostelen Mij in de Waarheid begrepen. Vandaar zijn eerste woorden in het evangelie die van Mijn macht, Mijn liefde en Mijn schepping getuigen en hoe Ik als Christus lichamelijk optrad, maar in Mijn eigendom niet èr - maar miskend werd.

Tot deze woorden als getuigenis van zijn diepgaande kennis van Mijn leer en Mijn zending, droegen de belijdenissen van zijn naamge­noot Johannes de Doper, die vóór Mij uitgezonden was om de weg te effenen en de Joden voor te bereiden om Mijn leer te ontvangen, wezenlijk bij.

Een stap als de Mijne moest worden voorbereid. Zoals blinden bij het terugkrijgen van het gezichtsvermogen het daglicht eerst als sche­mering getoond wordt, daar zij het felle zonlicht niet meteen kunnen verdragen, zo was ook Johannes de Doper de opwekker en bewerker van de harten, om ze zo voor iets edelers ontvankelijk te maken. Daarom riep Johannes uit: "Eén zal komen die reeds voor mij geweest is!" Hij bedoelde daarmee het Woord dat het hele universum schiep. Dit Woord, ofwel de machtige Wilskracht, is het die zich bewogen voelde om het menselijke kleed aan te trekken en om in werkelijkheid zelf lichamelijk, zoals bij de schepping eens het materiële, nu het geestelijke licht en leven aan diegenen te brengen, die in de duisternis wandelden.

Want de uitroep van Johannes: "In den beginne was het Woord en het Woord was God!" wil net zoveel zeggen als: In den beginne was God de machtige Schepper die licht en leven verspreidde en dit door de wijde ruimte zond om leven te verwekken. Nu is het in Christus dezelfde God die Zijn Woord wederom als licht door de wijde ruimte van het geestelijke universum zendt om er licht, liefde en leven te verspreiden.

En zoals de morgenster de voorloper is van de zon, zo was Johannes de voorloper en wegbereider van Christus. Johannes de Doper herken­de zijn Heer toen hij Hem voor de eerste maal zag; want het innerlijke zien was hem gegeven en hij zag de gestalte van een duif (het geestelijke zinnebeeld van de onschuld) de verbinding van Christus met de geestelijke wereld. Johannes gaf Mij de uiterlijke doop, terwijl Ik aan hem de innerlijke voltrok.

Ook zijn leerlingen zagen spoedig in, wie de eigenlijke Heer en wie de dienaar was; daarom verlieten ze Johannes en volgden Mij. En Natanaël, aan wie Ik dingen openbaarde, waarvan hij dacht ze alleen te weten, werd door dit getuigenis voor Mij gewonnen. In die tijd sprak Ik de profetische woorden: "Waarlijk, waarlijk, van nu af aan zult gij de hemel geopend zien en de engelen des hemels zien nederdalen op het hoofd van de Mensenzoon!"

Alles wat in die tijd, vanaf het begin van Mijn jaren als leraar, Mijn geestelijke geboorte, op aarde gebeurd is, zal zich heden herhalen en herhaalt zich dagelijks.

Ook nu zijn er Johannesen werkzaam als dopers en Johannesen als Mijn geliefden en apostelen: alleen de manier waarop verschilt van toen. In die tijd kende het joodse volk alleen waarde toe aan Mozes en de profeten. Het ging er om deze waarden niet omver te werpen, maar om de woorden te behoeden voor vervalsing, om het erts van de slakken te zuiveren en te bewijzen, dat Ik als Christus niets nieuws brengen zou, maar alleen geestelijk wilde verklaren en tot leven brengen wat woor­delijk werd verstaan en opgevat.

In de huidige tijd echter, aan de vooravond van Mijn tweede en laatste komst op deze aardbol, is de trap van beschaving en het verstan­delijk niveau van de mensheid een geheel andere dan in die tijd. Nu heb Ik met peinzende filosofen en kamergeleerden te maken of met fanatieke aanhangers van het Woord in materiële zin, met mensen aan wie het aangename leven op aarde te zeer aan het hart ligt, dan dat ze zich zouden toewijden aan een religie, die in plaats van amusement en genot, opoffering en verloochening van hen eist.

Ook nu kom Ik weer onder de mensen, evenals eertijds. "En het Licht kwam in de duisternis en de duisternis nam het niet aan." Reeds sinds lange tijd gaan er stemmen op die oproepen tot bekering,

tot inkeer naar het innerlijke, en op verschillende manieren wordt de ingeslapen mensengeest opgewekt. Net als toen prediken de Johannes­sen ook vandaag meestal slechts tot dove oren.

Zelfs diegenen, die zich als Mijn plaatsvervangers op deze aarde geïnstalleerd hebben, zijn doof en vaak nog dover dan diegenen aan wie zij hun leer willen inprenten. Ook nu, evenals toen, verlaten de volgelingen deze leiders en zoeken het Licht, zoeken het Woord - als uiting van hun God -, zoeken, hetgeen hun eigen leiders hen niet kunnen geven. Zo ontstaat de algemene drang naar licht, naar geestelijk leven, naar liefde, naar verwarmende en geestelijke leer. Zo komt de geestelijke tendens in beweging ondanks alle weerstand van diegenen, die daar tot nu toe alleen een rentegevend kapitaal voor zichzelf uit trachtten te winnen. Zo komt de drang naar vrijheid van denken en naar geestelijke vrijheid in beweging. En hoewel nu de verlichten van uw wereld met hun verstandslicht de geestelijke fakkel die boven uw hoofden brandt niet zien, zal toch spoedig het schemerlicht van het wetenschappelijke leven door haar verdrongen worden en de onmon­digen zullen in alle klaarheid zien, wat voor de zich mondig dunkenden tot nu toe verborgen bleef.

Het Woord dat in den beginne hemel en aarde schiep, zoals Mozes het uitdrukte, het Woord als daadwerkelijk leven en licht is het weder­om dat van boven af neerstromend, warmte en liefde in uw harten giet. In den beginne was het Woord en het Woord was Ik, en aan het einde zal het Woord nog eeuwig voortklinken en Ik zal eeuwig voort­duren, licht en leven met liefde verspreidend en die kinderen verblijden en leiden die niet van afkomst, noch uit vlees, maar uit de geest Mij toegewijd zijn.

Het Woord werd eens vlees en diegenen die toen leefden zagen Zijn heerlijkheid, maar ze erkenden het niet; en het Woord zal wederom vlees worden, echter vergeestelijkt vlees, en zal door de levenden in Zijn heerlijkheid erkend en begrepen worden en van Zijn volheid zullen zij allen genade op genade ontvangen.

Zoals Johannes eens met water doopte, zo wordt nu met de geest gedoopt. Stromen hemelwater worden over de harten van de mensen uitgegoten en menigeen wordt aangeraakt en opgewekt; velen echter blijven onberoerd of verbergen zich voor deze regen. Gelukkig is hij, die voor het water van boven nog een ontvankelijk hart heeft, dat omhoog gericht, de hemelse invloeden en zegeningen de toegang niet ontzegt! Over al dezen zal, zoals eens op Christus een straal goddelijk licht gelijk een duif neerdaalde, het goddelijk genadelicht zich uitgieten en rust en vrede in hun harten en omgeving verspreiden.

Velen zullen ijverige dienaren van Mij worden, zoals eens Johannes de Doper, en velen zullen als Mijn geliefden, zoals Johannes de apostel, Mijn leer verspreiden en onderwijzen!

Er komt reeds beweging. Gelijk een lichte golfslag aan de oever van de zee de voorbode is van grotere golven, zo is de huidige religieuze beweging het eerste begin van een nog grotere, voortkomend uit het bewegen van geestelijk leven, dat als het ware tussen materie en geest ingeklemd, zich een uitweg wil zoeken, daar het geestelijke de eigen­schap heeft dat het zich ook laat samendrukken en bij een te grote druk de boeien doet springen.

Ook aan u, Mijn kinderen, die geroepen zijn om door daden en woorden te getuigen dat u wegwijzers bent en de geestelijke levensweg effent, zal vaak gevraagd worden: "Wie zijt gij? Wat wilt gij eigenlijk?" De wereld zal ook van u niet meteen alles geloven, evenmin als eens van Johannes, maar wees getroost! Strooi het zaad uit, geef graag aan diegenen die om voedsel vragen en wees niet bezorgd, wanneer vaak het uitgestrooide zaad niet die vrucht brengt die u wenst. Ook in een bos groeien niet alle bomen kaarsrecht omhoog. Er zijn vergroeide, kromme en slechte bomen; het bos is toch met zijn bomen een echt bos, dat bescherming biedt aan duizenden levende wezens, waar voedsel groeit, en waarin zelfs de slecht uitgevallen gewassen en bomen nog nuttig zijn. Zo is het ook in het geestelijke bos van de mensenzielen.

Johannes predikte voor velen tevergeefs, zoals later ook Ikzelf, en toch gingen Mijn woorden niet verloren, maar zullen eeuwig bestaan, deels omdat Ik ze uitgesproken heb en deels omdat Mijn woorden onomstotelijke waarheden zijn.

Streef er allereerst naar om uzelf te reinigen en om u van de wereld los te maken zoals Johannes gedaan heeft! Ook hij gaf zich niet over aan de genoegens van het vlees, dat is als het vergankelijke kleed van een eeuwig onvergankelijke geest; nee, door een sobere levenswijze ­ naar de zin van die tijd - bereidde hij zijn lichaam voor om de geest en zijn ziel te dienen.

En zo moet ook gij al het overbodige dat het lichaam week maakt vermijden. Uw aandacht moet er op gericht zijn om geest en ziel te sterken. Neen, niet om de materiële doop, maar om die met geestelijk water zult gij streven waardig te zijn, opdat u steeds grotere dingen zult zien en beleven en in geestelijk schouwen het verband leert begrijpen tussen de wereld van de geest en de materiële wereld.

Uw streven moet er op gericht zijn in de geest wedergeboren te worden. Dan hoeft u niet, zoals eens de twee leerlingen van Johannes de Doper te vragen: "Rabbi, waar houdt Ge verblijf?", dan is Mijn woning in uw hart. Daar geeft u de Heer onderdak, die reeds vanaf het begin het Woord, het Licht, de Liefde en het Leven was en dit alles zal geven aan hen, die zich met geestelijk water tot Zijn kinderen laten dopen. Amen.

 

4

 

Vierde Advent

 

De boeteprediking van Johannes de Doper

 

Luc. 3, 2-20: Onder de hogepriesters Annas en Kajafas, kwam het woord Gods tot Johannes, de zoon van Zacharias, in de woestijn. En hij kwam in de gehele Jordaanstreek en predikte de doop ter bekering tot vergeving van zonden, gelijk geschreven staat in het boek der woorden van de profeet Jesaja: De stem van een die roept in de woestijn: Bereidt de weg des Heren, maakt recht Zijn paden. Alle kloof zal gevuld worden en alle berg en heuvel zal geslecht worden, en de krommingen zullen recht en de oneffen wegen vlak worden, en alle vlees zal het heil Gods zien. Hij sprak dan tot de scharen, die uitliepen om zich door hem te laten dopen: Adderengebroed, wie heeft u een wenk gegeven om de komende toorn te ontgaan? Brengt dan vruchten voort, die aan de bekering beantwoorden. En gaat niet bij uzelf zeggen: Wij hebben Abraham tot vader, want ik zeg u, dat God bij machte is uit deze stenen Abraham kinderen te verwekken. Ook ligt reeds de bijl aan de wortel der bomen. Iedere boom dan, die geen goede vruchten voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen. En de scharen vroegen hem, zeggende: Wat moeten wij dan doen? Hij antwoordde en zeide: Wie een dubbel stel klederen heeft, dele mede aan wie er geen heeft, en wie spijzen heeft, doe evenzo. Er kwamen ook tollenaars om zich te laten dopen en zij zeiden tot hem: Meester, wat moeten wij doen? Hij zeide tot hen: Vordert niet meer dan u voorgeschreven is. En ook die in krijgsdienst waren, vroegen hem, zeggende: En wat moeten wij doen? En hij zeide tot hen: Plundert niemand uit en perst niets af en weest tevreden met uw soldij. Toen nu het volk in afwachting was en allen in hun hart overlegden over Johannes, of hij misschien de Christus was, antwoordde Johan­nes en zeide tot allen: Ik doop u met water, doch Hij komt, die sterker is dan ik, wiens schoenriem ik niet waardig ben los te maken; die zal u dopen met de Heilige Geest en met vuur. De wan is in Zijn hand om Zijn dorsvloer geheel te zuiveren en het graan in Zijn schuur bijeen te brengen, maar het kaf zal Hij verbranden met onuitblusbaar vuur. Met nog vele andere ver­maningen bracht hij aan het volk het evangelie. Toen echter de viervorst Herodes door hem bestraft werd om Herodias, de vrouw van zijn broeder, en om alle wandaden, die Herodes bedreven had, heeft hij dit nog bij al het andere gevoegd, dat hij Johannes in de gevangenis sloot.

 

(10 dec. 1871)

 

Dit hoofdstuk behandelt een boeteprediking van Johannes de Do­per, welke hij richtte tot een rondom hem verzamelde menigte aan de Jordaan en waarmee hij de Joden op Diegene wilde voorbereiden van Wie hij zei, dat hij niet waardig is diens schoenriemen los te maken.

Een ieder van zijn toehoorders vroeg aan Johannes wat hij moest doen met betrekking tot zijn levenswijze, zijn beroep of stand, en allen gaf hij als antwoord: "Het gebod der naastenliefde!", dat hij uitdrukte in woorden die bij de gestelde vraag pasten.

Wat Johannes destijds gedaan en gepredikt heeft, dat doe Ik ook reeds sinds lange tijd. Ook Ik vermaan de mensheid met diverse middelen, woorden en gebeurtenissen tot bekering. Zoals daar de komst van de eigenlijke Leraar voorzegd en voorbereid werd, zo gebeurt het ook nu al sedert lange tijd ter voorbereiding op Mijn aanstaande wederkomst. Door de wijze waarop de Joden destijds dachten en handelden, waren zij niet geschikt om Mijn leer op de juiste manier op te nemen en te begrijpen. En zoals de mensen nu zijn, is het nog dringender om ze op te wekken en te manen, omdat zij nog dieper in de modderpoel van het egoïsme zijn gezonken. De tijd om te overleggen wat men eigenlijk zal doen of welke richting men zal inslaan is kort gemeten. Zoals bij de slapende de tijd van zijn droomleven snel vervliegt en uren als minuten voorbij gaan, evenzo snelt de tijd als door storm­vleugels gedragen voort voor diegenen, die de dag zonder nadenken doorbrengen. Vandaar de gebeurtenissen, ziektes, dreigende sociale omwentelingen welke nodig zijn om de in vaste wereldslaap verzonken mensheid uit haar traagheid wakker te schudden.

Toen reeds sprak Johannes: "Diegene die na mij komt heeft reeds de wan in Zijn hand om op de dorsvloer het koren van het kaf te zuiveren." En nu u machines hebt uitgevonden die door middel van luchtstromingen het koren zuiveren, heb Ik nu ook in plaats van de wan snellere middelen nodig om Mijn doel te bereiken en de goed wil­lenden van de tragen en luien te scheiden. Reeds draait het scheprad van Mijn geestelijke wind - en koren zuiveringsmolen. Wervelend werpt zij de massa's omhoog, het lichte schilferachtige gespuis ver van zich afslingerend, dat, doof voor iedere waarschuwing, de wereld en haar vreugden hulde bewijst. En zoals Johannes eertijds zelf de levenswandel van Herodes, de viervorst van Galilea berispte, evenzo berispt ook nu de publieke opinie de zelfzuchtige plannen van menig heerser. Destijds liet Herodes Johannes gevangen nemen; nu zouden de heersers eveneens de tongen tot zwijgen willen brengen en het volk de gedachten uit het hoofd willen bannen. Maar dat zou nu - evenals voorheen ­vergeefse moeite zijn. Het Woord, de geestelijke drager van Mijn Wil, is veel machtiger dan wapenen en dwang. Het overschrijdt als onstof­felijk wezen de grenzen van de materiële wereld en regeert alles in het geestelijke omdat Ik het Woord Zelf ben.

Destijds hoorde de menigte Johannes aan, maar zo gauw het op verloochening en zelfopoffering aankwam keerden zij hem de rug toe, zoals de rijke jongeling eens bij Mij deed. En nu drijft een overgroot aantal mensen de spot met diegenen aan wie Ik Mijn leer direkt bekend maak. Hoonlachend kijken zij op zulke mensen neer, zich met hun wereldse verstand verreweg intelligenter achtend dan diegenen, die vanuit de taal van het hart leven.

Arme verdwaalde kinderen! Er zal een tijd aanbreken waarin al uw zogenaamde wijsheid niets zal uitrichten om u ook maar enige troost of rust te geven. Bij de gebeurtenissen die over u losbreken zult u tussen twee werelden staan en God en uw lot van wreedheid beschuldigen, omdat de materiële wereld u met hoon zal afstoten en de geestelijke wereld u niet zal opnemen.

Dergelijke kwellingen van de ziel voorzag Johannes reeds destijds. Hij wilde de Joden opwekken en tot bekering aanzetten; tegenwoordig, nu reeds bijna alle edele eigenschappen van de menselijke natuur ten grave zijn gedragen en alleen het egoïsme met al zijn eigenschappen heerst, wordt deze vermaning wederom uitgevaardigd en bekrachtigd met ongelukken en tegenspoed, om met geweld dát te bereiken wat met mildheid bij het merendeel van de mensheid tot nu toe zonder succes is gebleven.

Destijds onderging zelfs Ik als Jezus de uiterlijke doop met water; nu moet u zich vrijwillig onderwerpen aan de onzichtbare geestelijke doop met Mijn Geest. Destijds stroomde het goddelijk Licht in de vorm van een duif over Mijn hoofd als teken van Mijn afkomst, van Mijn vorige en Mijn toekomstige woonplaats. O kinderen, doe nu zoveel als in uw vermogen ligt, opdat de van boven komende stromen van licht en genade niet tevergeefs over u worden uitgegoten. Toon u waardig naar uw afkomst en toekomstige bestemming! Zoals daar eenmaal de stem weerklonk: "Deze is Mijn geliefde Zoon in wie Ik Mijn welbehagen heb!", zo moge ook nu dezelfde stem over uw hoofd en in uw borst weerklinken, die u verzekert, dat u op de juiste weg bent om Mijn kinderen te worden.

Destijds sprak Johannes: "Wie twee rokken heeft, zal er één wegge­ven en wie veel eten heeft, zal het met de hongerigen delen; wie iets te ontvangen heeft, zal niet meer vorderen dan rechtvaardig is!" Al deze voorbeelden zeggen met andere woorden: Wees goedgeefs, wees recht­vaardig gelijk uw Vader in de hemel is! Geef, opdat ook u gegeven wordt, - vergeef, opdat ook u zal vergeven worden.

Laat u niet door de schijn van de wereld met haar goederen in verwarring brengen! De tijd nadert, waarin u alles moet achterlaten en waarin alleen dié goederen behouden blijven, die u in uw binnenste hebt verworven en welke u door pest noch oorlog, door verdrukking noch dood kunnen worden ontnomen.

Laat hen maar, die zich geleerd achten met hun schijnwijsheid! De tijd van hun triomf is kort. Volg Mijn raad op, Mijn vermaning, die u niet betitelt met adderengebroed, zoals Johannes deed in zijn boetepre­diking, maar die u Mijn kinderen noemt, die Ik eens naar Mijn evenbeeld heb geschapen en naar welks evenbeeld Ik ze opnieuw wil vormen. Toentertijd was de uiterlijke gestalte gelijk aan die van de geest; tegenwoordig is uiterlijk nog wel een vage overeenkomst te zien met de reeds lang verdwenen paradijselijke schoonheid, maar de ziel als tempel en zetel van Mijn godsvonk is tot karikatuur geworden. Deze inwendige verscheurdheid kan volgens Mijn wetten niet getolereerd worden en het innerlijk moet weer met het uiterlijk in harmonie worden gebracht.

Ook al kunt u het uiterlijk omhulsel, waarop de hartstochten hun sporen hebben achtergelaten niet meer veranderen, streef er dan op zijn minst uit alle kracht naar om de innerlijke geestesmens weer naar het oerbeeld om te vormen; want er bestaat geen mooier, geen grootser en geen geestelijker voorbeeld in de schepping. Het is dat beeld, waaruit ieder geschapen wezen in meerdere of mindere mate gestalte heeft gekregen en waarvan u als laatste uitdrukking van de gehele materiële schepping de vorm in u draagt, dat Oerbeeld - dat niet alleen uw Schepper en Heer wil zijn, maar ook uw Vader, die u met onverbiddelijke strengheid en wilskracht wetten zou kunnen voorschrijven en die u Of goddelijk belonen Of onverbiddelijk vernietigend zou kunnen straffen, maar die in plaats van straf alleen vergeving en verzoening, alleen liefde wil.

In die tijd was een voorloper nodig om de mensen op Mijn komst voor te bereiden; nu ben Ik het zelf die u de vredeshand toereik om u '

behulpzaam te leiden bij de verdrukkingen, die langzamerhand over de mensheid zullen losbarsten, omdat ze zo halsstarrig is. Weiger deze hand niet; want u zult nergens een sterkere, een krachtiger hand vinden. Iedere menselijke arm is te kort, alleen de Mijne reikt over alle afstanden en bereikt de smekenden zélfs in dié ruimten, waar de laatste ster zijn stralen verspreidt en het eeuwige geestesrijk zijn aanvang neemt. Ook daar is het nog steeds dezelfde hand, die de geliefden naar zich toetrekt en hen leidt.

Luister naar de stem die, zoals eens in de woestijn, u ook nu in de woestijn van het wereldgeraas toeroept: "Vergeet Diegene niet, wiens zetel staat boven de sterren, maar die deze zetel eveneens in ieder mensenhart zou willen hebben! Johannes predikte in de woestijn. Hij deed dit met opzet, omdat de woestijn, waarin al het plantaardige leven opgehouden had te bestaan, de toehoorders geen afleiding gaf. Nu predik Ik tot u in de woestijn van het geestelijke leven, dat - tengevolge van het arrogante menselijke verstand - niets meer bezit van al datgene wat het hart verkwikt. Zo probeer Ik, net als Johannes, temidden van zand - en steengebieden de geestelijke bloem der liefde te planten, die geen voeding aan de aarde onttrekt, maar deze alleen van boven ont­vangt. En nu, temidden van de door egoïsme uitgedroogde bodem van de speculatieve verstandelijke wereld, in deze gedachtenloze woestijn van geestelijk goddelijk leven, klinkt wederom de roep:

"Ontwaak! Verdiep u in uw innerlijk om daar de bron te zoeken van nimmer aflatende vreugde, van onuitputtelijke troost en nooit verwel­kende liefde, - als grondprincipe van alles wat geschapen en tot leven gewekt is. Erken weer Diegene, die door bloemrijke tuinen, door schaduwrijke bossen en verheven bergen ver omhoog tot aan de laatste wereldzon, altijd dezelfde is en nimmer verandert en - omdat Hij alles heeft geschapen - van Zijn geschapen wezens alleen die erkenning vordert, die een moeder, een vader als eerste teken van verwantschap van hun kind verwachten, namelijk de liefde."

Terwijl uw zwakke en wereldlijke heersers u door geweld en een hoeveelheid wetten tot respect willen dwingen, plaats Ik u vrij in de schepping. In vrijheid kunt u kiezen tussen liefde of haat, leven of dood, licht of duisternis. Nog steeds is aan ieder de beslissing gelaten om te kiezen. De tijd komt steeds dichterbij, waarop deze keuze beslissend genomen moet worden.

Zoals eens de vermaning voor Mijn eerste optreden klonk, zo klinkt ook nu Mijn tweede oproep, opdat u niet slaapdronken door de gebeurtenissen verrast wordt, maar met een helder bewustzijn en een gerust hart de dingen tegemoet kunt treden, welke alleen voor diegenen bestemd zijn die zich door zachte middelen niet lieten wekken.

Terwijl uw harten ontvankelijk zijn voor de zachte harmonieën der liefde, moeten daar de bazuinen klinken, waar Mijn geliefde apostel Johannes over spreekt, waar de engelen de schalen van Gods toorn over de hoofden van de hardhorigen zullen uitgieten, die ondanks alle waarschuwingen, aan Mijn liefdevolle woorden geen gehoor geven.

Vaak genoeg heb Ik verkondigd: "Er zullen slechte tijden aanbreken!" - Ik herhaal het nogmaals: De tijden zullen slecht worden! Probeer voor die tijd een goed mens te worden, opdat u in het bewustzijn van de goede daad een schild hebt tegen alle bittere gebeurtenissen. Zij zijn slechts bitter voor diegenen, die, gewend als ze zijn aan de honing van het wereldse materiële genotsleven, het bittere niet als een heils- maar als een vernietigingsmiddel beschouwen.

Dit is het nut van iedere boeteprediking, zowel voor u als voor de nu komende tijden! Wie oren heeft, die hore! Amen.

 

5

 

Kerstmis

 

De geboorte van Jezus

 

Luc. 2, 1-14: En het geschiedde in die dagen, dat er een bevel uitging vanwege keizer Augustus, dat het gehele rijk moest worden ingeschreven. Deze inschrijving had voor het eerst plaats, toen Quirinius het bewind over Syrië voerde. En zij gingen allen op reis om zich te laten inschrijven, ieder naar zijn eigen stad. Ook Jozef trok op van Galilea, uit de stad Nazareth, naar Judea, naar de stad van David, die Bethlehem heet, omdat hij uit het huis en het geslacht van David was, om zich te laten inschrijven met Maria, zijn ondertrouwde vrouw, welke zwanger was. En het geschiedde toen zij daar waren, dat de dagen vervuld werden, dat zij baren zou, en zij baarde haar eerstgebo­ren zoon en wikkelde Hem in doeken en legde Hem in een kribbe, omdat voor hen geen plaats was in de herberg. En er waren herders in diezelfde landstreek, die zich ophielden in het veld en des nachts de wacht hielden over hun kudde. En opeens stond een engel des Heren bij hen en de heerlijkheid des Heren omstraalde hen, en zij vreesden met grote vreze. En de engel zeide tot hen: Weest niet bevreesd, want zie, ik verkondig u grote blijdschap, die heel het volk zal ten deel vallen: U is heden de Heiland geboren, namelijk Christus, de Heer, in de stad van David. En dit zij u het teken: Gij zult een kind vinden in doeken gewikkeld en liggende in een kribbe. En plotseling was er bij de engel een grote hemelse legermacht, die God loofde zeggende: "Ere zij God in den hoge en vrede op aarde en bij de mensen een welbehagen!"

 

Dit hoofdstuk gaat over Mijn geboorte, een feest dat u ieder jaar naar kerkelijk gebruik op 25 december viert. Heel wat woorden over dit feest heb Ik u vroeger reeds gegeven. De bijzondere gebeurtenissen, die met Mijn geboorte gepaard gingen, weet u deels uit de geschiedenis van Mijn geboorte* (* Zie:"De jeugd van Jezus"), en deels uit het evangelie van Mijn apostelen; en toch is er nog veel uit deze daad van Mijn eerste zichtbare verschijning op uw aarde, dat nog niet opgehelderd is en waarvan u de diepere betekenis in geestelijk verband nog niet kent. Daarom wil Ik naar aanleiding van de tekst uit dit hoofdstuk van Lucas de verdere onthullingen aan u en aan al Mijn toekomstige gelovige kinderen openbaren, opdat u moogt zien, dat ook het kleinste wat op Mij en op Mijn verschijning op aarde betrekking heeft, een belangrijke betekenis heeft en zich geestelijk zal herhalen bij Mijn wederkomst op deze kleine ster, die ook de woon­plaats is van Mijn mettertijd volgroeide kinderen.

Zoals eertijds door de omstandigheden op aarde juist dat tijdstip en dat volk bestemd was om getuige te zijn van de grote genade - en liefdesdaad, welke Ik voor u en voor de gehele geestelijke wereld voltrok, zo zullen ook bij Mijn tweede zichtbare verschijnen tijd en land zo gekozen worden, dat ze het meest geschikt voor deze slotakte zullen Zijn.

U hebt dit feest niet voor niets "Weihnachten" genoemd. Het was een gewijde nacht waarin Ik, omwille van u en de gehele materiële schepping, Mijzelf tot offer van deemoed wijdde, terwijl Ik, de onein­dige Heer der Schepping, een broos en vergankelijk kleed aantrok, dat wat het uiterlijk betreft onder miljoenen andere levende wezens op andere werelden ver achterbleef bij de hoogste oervorm van een men­senbeeld. Veel bewoners zijn zodanig uitgerust, dat de mens van deze aarde slechts als een zwakke nabootsing verschijnt van wat Ik als evenbeeld van Mijn eigen Ik in deze vorm heb gelegd. Ofschoon de op andere werelden levende mensen de aardbewoners in veel overtreffen, zijn deze toch in geestelijk opzicht tot grotere dingen bestemd dan zij, die in de paradijselijke werelden en zonnen leven. Ook al straalt voor hen een eeuwige lente en leven zij onder gelukkige omstandigheden, Waarvan u zich geen voorstelling kunt maken, zo ontbreekt hun toch de heldere kennis van Mijn Ik, Mijn geestelijke schepping en Mijn Vaderliefde.

Zij zijn goed, omdat geen enkel kwaad hen tot het tegendeel tracht te verleiden. Zij erkennen een allerhoogste Wezen en vallen in eerbied voor Hem neer; maar geen van hen zou er aan durven denken, dat dit hoogste Wezen één van Zijn schepselen aan Zijn Vaderborst zou willen drukken en hem de lieflijke naam van kind geven.

Dit is slechts voorbehouden aan diegenen, die een dergelijke positie door strijd en overwinning moeten verwerven, opdat zij kinderen van God kunnen worden. Waar dus de vormingsschool voor zulke kinderen gevestigd is, daar moet naast de grootst mogelijke geestelijke verheffing ook het tegendeel, namelijk de grootst mogelijke vernedering, ja de afval van het goede kunnen plaatsvinden. Om u te laten zien dat tussen zulke tegenstellingen een ontwikkeling ten goede en een overwinning over alle hindernissen mogelijk is, trok Ik het kleed van één der nederigste, onaanzienlijkste mensengestalten aan. Ik daalde Zelf af naar deze duistere aardbol, die wat aankleding en grootte in Mijn schepping betreft vergeleken kan worden met de plaats van een infusiediertje tussen alle schoonheden en wonderen van uw aarde.

Zoals echter in Mijn gehele schepping alles met dezelfde zorgvuldig­heid gemaakt is, en het laatste infusiediertje in zijn vorm net zo volmaakt gebouwd is als de mens als heer der aarde, zo laat Mijn scheppingsprincipe, dat door alle trappen van het geschapene heen loopt, u zien, dat Ik juist in het kleinste het grootste ben en juist in het kleinste als machtige Schepper en Heer aanwezig ben. Dat was de reden waarom Ik één van de kleinste hemellichamen uitkoos om daar Mijn volle grootte te tonen, doordat Ik aan Mijn geestes- en zielenwereld bewees, dat juist alleen in het kleinste het grootste mogelijk is en in de grootste vernedering de grootste heerlijkheid is te verkrijgen, ja dat juist diegene die alles weggeeft, waardig is om alles te bezitten.

Zo vond Mijn geboorte niet plaats in een paleis of bij mensen uit hogere kringen, maar in een nederige positie. Toch moest in al de omstandigheden die daar plaatsvonden het hoge, geestelijke van Mijn geboorte aangetoond worden.

Zo was het voorbeschikt, dat de volkstelling door Herodes opgelegd werd en Ik niet in een door mensen gebouwd huis het levenslicht aanschouwde, maar in Mijn huis, hetgeen betekent onder de vrije hemel in een grot.

Keizers en koningen waren geen getuige van Mijn geboorte, zelfs geen gewone mensen, maar slechts dieren, - schepselen, die onbedorven dat waren, waartoe Ik ze heb geschapen.

De volkstelling moest er toe bijdragen, dat Maria zich opmaakte om naar Bethlehem te gaan om dat te volbrengen, wat de Koning van heel de schepping tot eer zou strekken.

Miljoenen hoge geesten zongen Mij het loflied toe: "Ere zij God in den hoge en vrede aan de mensen op aarde!" Deze en de dieren, zoals zij uit Mijn hand zijn voortgekomen, waren bij Mijn geboorte aanwe­zig. Zulke getuigen pasten bij Mij, de in doeken gewikkelde Heer der heerscharen.

Door de volkstelling kon Mijn geboorte niet onopgemerkt blijven. Ook moest juist de wrede Herodes als stadhouder en viervorst in Jeruzalem heersen om Mijn verdere opvoeding en latere levensloop te bemoeilijken. Door de overwinning op al deze moeilijkheden moest bewezen worden, dat hoewel Ik Mij in de nederigste positie geplaatst had, Ik ten aanschouwe van de hele geesteswereld Mijn opgave toch ten uirvoer zou brengen, namelijk: behalve het ten voorbeeld stellen van deemoed en zelfverloochening, uit deze kleine aarde een opleidings­school te maken voor Mijn kinderen, die mettertijd bestemd zijn om voor de op de andere sterren en zonnen levende schepselen het beeld van de grote Geest en Schepper van heel de zichtbare natuur te veranderen in dat van een liefhebbende Vader.

Wat Ik aeonen van tijdruimtes geleden besloot en meer dan duizend jaar geleden ben begonnen, dat nadert nu zijn voleinding. Mijn geloofs­leer, Mijn Woord, dat met geen betere verwisseld kan worden - al peinzen en denken de mensen nog zo veel - Mijn liefdeleer moet tot algemene geldigheid geraken. De liefde alleen moet regeren en alle hartstochten van het menselijke hart, die alleen maar door Mij hierin gelegd werden om door strijd tegen hen de liefde te verdienen en te verwerven, al deze hartstochten van het menselijke hart moeten be­heerst aan de voet van het altaar der liefde liggen. Haat, wraak, trots en hoe ze allemaal ook mogen heten, deze machtige driften van het kwaad in de mens moeten allen tot zwijgen gebracht worden. Het kruis, waaraan Ik eens vastgenageld om vergeving bad voor de verdwaalde mensheid, moet als symbool van verzoening door iedereen geliefd, geëerd en in geval van beproeving zelfs gedragen worden als herinnering aan de weg die Ik heb gewezen en die alleen de mensen naar geestelijke hoogte kan voeren.

Zoals tegen het einde van Mijn levenswandel op aarde de omstandig­heden Mij schijnbaar tegenwerkten, Mijn ondergang en dood leken te veroorzaken en toch door de opstanding uit de materie en de terugkeer naar Mijn geestelijk rijk Mijn grootste triomf moesten bewerken, w nemen ogenschijnlijk ook nu de ongelukken en de voortekenen van angstwekkende catastrofes bij de mensen toe. De mens zal daaruit als een Phoenix uit de tot as verbrande wereldlijke opvattingen en vooroor­delen ongedeerd als geestelijk produkt van Zijn Schepper, als geestelijk kind van een nog hogere geestelijke Vader tevoorschijn komen.

Daarin schuilt het doel van alles, daarheen drijft de gehele mensheid als een stuurloos schip. Alle kunstmatige omheiningen die het menselijk verstand als een ijzeren harnas rondom het voor de liefde kloppende hart opgetrokken heeft, moeten stuk gebroken worden. De barrières van afkomst, rang en oppervlakkig weten moeten worden vernietigd. De mens moet ophouden met het verstand te denken en met het hart leren voelen. Het warme vuur van de liefde moet in de eerste plaats zijn hele ziel verwarmd hebben, pas dan kan de wijsheid, als een regelende drijfveer de liefde indammen en de mensheid alles laten voelen, waarmee Ik ze heb uitgerust en waartoe Ik ze w en niet anders heb geschapen.

Zo dikwijls Ik als Christus op de wereld Mijn Vader in de hemel aanriep, was het steeds de wijsheid, die de liefde aanriep om door deze gebeden haar onbegrensd werken te beteugelen. Zoals wijsheid en liefde slechts in combinatie met elkaar kunnen bestaan, evenzo was Ik als Christus met Mijn Vader, die de Liefde is, in eenheid verbonden, waardoor Ik kon zeggen: "Niemand kent Mij dan de Vader in de hemel en Ik alleen ken Hem!" of "Ik ga heen tot de Vader!" enz... Daarmee wilde Ik zeggen: De gehele wereld is geschapen uit liefde; maar de wijsheid heeft haar voorwaarden geregeld. De Liefde schiep, de Wijsheid houdt in stand. De Liefde als "Vader" richtte het hoogste symbool van reinheid op en Ik, de Wijsheid als "Zoon" bewees haar door de daad. En wals liefde en wijsheid, alleen verenigd, het gehele Ik van Mijn Wezen uitmaken en daar in het meest volkomen evenbeeld bestaan, zo moet ook de mens als afstammeling van Mij de uitdrukking van liefde en wijsheid worden. Hij moet in de eerste plaats liefhebben en daarna leren wijs te zijn om Mij, Mijn schepping en zijn taak volledig te erkennen en te begrijpen.

Daarheen richt zich Mijn doel met u, en alle gebeurtenissen sporen u daartoe aan, om de wedergeboorte van uw Jezus in uw innerlijk tot stand te brengen. Hij wil u daarheen als uiting van wijsheid en liefde willen leiden en begeleiden, tot binnenkort deze Schepper van al het zichtbare, de Heer der heerscharen, als Vader (Liefde) gepaard gaande met de Zoon (Wijsheid), in persoon wederom zichtbaar de aarde zal betreden en voor de tweede en laatste maal kan uitspreken, wat Hij aan het kruis meer dan duizend jaar geleden heeft uitgeroepen, namelijk: "Het is volbracht, - het is volbracht, het grote werk der verzoening!"

Ik heb Mijn geesten laten zien hoe het voor hun onmogelijke, mogelijk is geworden. Ik ben als voorbeeld voorgegaan en heb nu Mijn schepselen op deze kleine aarde tot grote burgers van Mijn oneindige rijk, tot Mijn enige kinderen gemaakt.

Het is volbracht, hetgeen Ik eertijds in de wieg in een grot bij Bethlehem als onmondig kind ben begonnen, wat daar wel door mil­joenen engelengeesten werd bezongen, maar door de mensen niet begrepen, hoogstens door enkelen vaag vermoed werd.

Ik heb het werk van verzoening, liefde en vergeving volbracht. De wereld is gereinigd van al het vuil van eigenbelang en ook al verwoesten kwellingen en ongelukken het lichaam van de mensen, - de geestes- en zielemens kunnen zij niet deren. Deze staat hoogverheven boven de puinhopen van de wereld, zijn armen uitstrekkend naar de goddelijke Redder, die - wals eenmaal daar - allen zal toeroepen: Kom tot Mij, gij allen die beladen zijt, opdat Ik uw last afneem en u verkwik! Kom hier, gij strijders voor liefde en wijsheid, aan u zij de kroon des levens, voor u zijn de versperringen naar de geestelijke wereld opgeheven, opdat u moogt zien hoe de engelenscharen wederom jubelen en lofliederen zingen voor de Heer, de Vader, met dezelfde woorden als toen: "Ere zij God in de hoge en vrede voor de mensen op aarde!" Want Hij kwam in Zijn eigendom en Zijn kinderen hebben Hem niet herkend. Amen.

 

6

 

De zondag na Kerstmis

 

De voorstelling van Jezus in de tempel

 

Luc. 2, 33-40: En Zijn vader en moeder stonden verwonderd over hetgeen van Hem gezegd werd. En Simeon zegende hen en zeide tot Maria, Zijn moeder: Zie, deze is gesteld tot een val en opstanding van velen in Israël en tot een teken, dat weersproken wordt - en door uw eigen ziel zal een zwaard gaan -, opdat de overleggingen uit vele harten openbaar worden. Ook was daar Hanna, een profetes, een dochter van Fanuël, uit de stam Aser. Zij was op hoge leeftijd gekomen, nadat zij met haar man na haar huwelijksdag zeven jaar had geleefd, en nu was zij weduwe, ongeveer vierentachtig jaar oud, en zij diende God onafgebro­ken in de tempel, met vasten en bidden, nacht en dag. En zij kwam op datzelfde ogenblik daarbij staan, en zij loofde mede God en sprak over Hem tot allen, die voor Jeruzalem verlossing verwachtten. En toen zij alles volbracht hadden, wat volgens de wet des Heren te doen was, keerden zij terug naar Galilea, naar hun stad Nazareth. Het kind groeide op en werd krachtig, en het werd vervuld met wijsheid, en de genade Gods was op Hem. (25 dec. 1871)

 

Dit hoofdstuk behandelt in het begin Mijn geboorte, later Mijn besnijdenis en daarna de drie dagen, die Ik tijdens Mijn twaalfde jaar in de tempel te Jeruzalem doorbracht. De komst van de drie wijzen uit het Morgenland, de kindermoord en nog meerdere gebeurtenissen ­zoals de vlucht naar Egypte en de terugkeer na de dood van Herodes ­worden in dit hoofdstuk niet vermeld. Ook Ik wil aan het meeste hiervan voorbijgaan, omdat u hierover reeds op de hoogte bent gebracht door het Jacobus-evangelie en door andere aantekeningen van Mijn apostelen.

Wij zullen dus bij de hierboven vermelde tekst blijven, welke ver­meld: "Jozef en Maria verwonderden zich." Waarover verwonderden zij zich?

Zij verwonderden zich over de profetische woorden van Simeon en de getuigenissen van Hanna die beiden, in de geest schouwend, in het voor de besnijdenis naar de tempel gebrachte kind niet alleen de Verlosser van de Joden, maar van de gehele mensheid erkenden, die gekomen was om de geest van de dwang der materie te bevrijden.

Dat Jozef en Maria niet begrepen wat deze beiden hen profeteerden, is gemakkelijk in te zien; want wie vanaf de ontvangenis van Maria tot de geboorte en haar opgaan naar de tempel, al het raadselachtig . mystieke in ogenschouw neemt, zal gemakkelijk merken dat noch Maria, noch Jozef wisten hoe zij zich ten opzichte van dit alles moesten gedragen.

Ofschoon de Joden gewend waren om via profeten direkte medede­lingen van Mij te ontvangen, zo was het bij hen toch ook zoals het steeds is: zij schonken hen niet veel geloof zolang zij in leven waren en hun uitspraken kregen pas waarde op het moment dat ze in vervulling begonnen te gaan.

Ze hoopten op een Messias, - alleen was hun hoop op wereldse verlangens gegrond. Ze hoopten op een Messias, die, misschien in een paleis geboren, hen eens als een grote held van het gehate juk der Romeinen zou bevrijden. Dat echter een kind van een timmerman, zoals zij Mijn pleegvader kenden, hun verlosser zou worden, lag buiten het bereik van hun gekoesterde hoop en buiten hun bevattingsvermo­gen.

Daardoor verbaasden ook Jozef en Maria zich over de woorden van Simeon en Hanna. Maria had immers in korte tijd zoveel wonder­baarlijks meegemaakt, dat zij niet wist wat er met haar gebeurd was en wat er nog gebeuren zou. Zij baarde een zoon zonder omgang te hebben gehad. Zij was moeder, zonder dat zijeigenlijk het moedergevoel in zijn hele volheid kende; want in het algemeen is het kind pas de schakel, die de levenswegen van de man en de vrouw verbindt, en ze tot één geheel, tot één familie samenvoegt.

Zo was Maria moeder en voelde wel de vreugde, een vrucht van haar lichaam voor zich te zien; het was echter meer een gevoel van erbarmen voor de onmondige zuigeling dan het zalige gevoel van een moeder die het liefdespand van haar echtgenoot aan de borst kan drukken. Zo  begreep zij niet en kon niet begrijpen, wat bij haar ontvangenis, wat bij de geboorte en verder gebeurde; want ze handelde alleen naar de aanwijzing van een hogere Invloed en gedroeg zich daarbij meer passief dan actief, als vrouwen moeder alleen haar gevoelens volgend, die haar aan haar zuigeling bonden.

Dit onbewuste gevoel werd natuurlijk aangewakkerd toen ze bij de twijfels en bange voorgevoelens, waarvan zij dacht dat alleen zij die in haar hart voelde, hetzelfde en nog grotere ervoer bij anderen, toen zij het Jezuskind de tempel binnendroeg. Door de wettelijke besnijdenis en offering werd Ik als kind in de Israëlitische godsdienst opgenomen en moest volgens haar opgevoed worden.

Wat Simeon zei was voor haar een nog groter raadsel, des te meer daar hij het Kind als datgene erkende, waarvan zij nog geen vermoeden had en geen vermoeden kon hebben. Wat zij echter nog minder begreep waren Simeons laatste woorden, welke luidden:

"Zie, deze is gesteld tot val en opstanding van het volk Israël en tot een teken van tegenspraak (en een zwaard zal uw ziel doorboren), opdat de gedachten van vele harten openbaar zullen worden!"

Dat uit haar zoon iets buitengewoons kon voortkomen was wel denkbaar voor haar- immers, zijn ontvangenis, zijn geboorte enz. waren met veel buitengewone verschijnselen gepaard gegaan -; maar om een God als mens onder het hart te hebben gedragen en de te verwachten Messias die de geestelijke genezer zou zijn, niet alleen van de Joden, maar van de hele mensheid, dat waren begrippen die in haar verstand geen plaats vonden. Nog tot Mijn kruisdood heeft zij Mij niet als God beweend, maar slechts als mens en als haar zoon. Pas door Mijn opstanding werd zij, net als Mijn apostelen, in datgene bevestigd wat Ik hen zo vaak had gezegd.

Het zwaard, dat in de toekomst haar borst zou doorboren, was de moederlijke smart; want had zij geweten en erkend wie Ik eigenlijk was, dan had zij bij Mijn heengaan moeten jubelen in plaats van te treuren. Ikzelf heb haar en Mijn apostelen menigmaal voorzegd wat Mij te wachten stond en hoe Ik de dood en de hel zou overwinnen; maar waar blijft de overtuiging - in het bijzonder in die tijd van profeten en wonderwerkende Essenen -, dat Ik, een mens met vlees en beenderen net zoals zij, die eet en drinkt, een God, en wel de Heer van alle heerscharen zou zijn, die in menselijke gedaante als onmondig kind begonnen, zou eindigen aan het kruis, dat in die tijd het teken van schande en ontering was.

Daarom waren Jozef en Maria verbaasd. Zij begrepen niet wie Diegene was, die gekomen is tot val en opstanding van de Joden, - tot "val": de verwoesting van het joodse rijk vijftig jaar na Mijn heengaan, en tot "opstanding" van vele joden tot christenen, zowel als de veran­dering van het kruisteken, vroeger teken van schande, later teken van , hoogste verheerlijking.

En bij Mijn wederkomst, denkt u dat er dan meer begrip onder de mensen zal zijn? Volstrekt niet! Ook dan zullen er veel bewonderaars zijn, die Mij voor niets anders aan zullen zien dan voor een van God begeesterd mens. Bij Mijn aanstaande wederkomst, die natuurlijk niet zoals destijds als kind, maar op mannelijke leeftijd zal beginnen, zullen er ook vele twijfelaars zijn en Ik zal Mijn Godzijn aan velen door wonderen moeten bewijzen, omdat de kracht van het woord alleen bij hen niets zal uitrichten.

Zo zal Mijn jeugdgeschiedenis zich ten minste in haar hoofdlijnen en gebeurtenissen telkens herhalen, echter niet in materieel maar in geestelijk opzicht, omdat dan het geestelijk inzicht heel wat verder ontwikkeld zal zijn en de gelovigen de meerderheid, de ongelovigen en twijfelaars de minderheid zullen vormen.

Zie, Mijn kinderen, zoals Ik eens naar joods gebruik de besnijdenis heb ondergaan, zo moet ook u zich met de geestelijke doop - gelijk de besnijdenis als eerste stap en intrede in een kerkgemeenschap - met de geest van Mijn liefde laten dopen. Verwijder uit uw hart wat daar niet hoort te zijn en begin Mij en Mijn wereld dagelijks steeds meer te begrijpen, opdat niet ook u een zwaard door het hart gestoken zal worden en u, door teveel waarde aan de wereld te hechten, dat beweent wat het verdriet niet waard is.

Leg u erop toe de dingen te nemen zoals ze zijn en vervul zo dagelijks uw taak op deze aarde zolang uw levenswandel hier nog is, opdat u niets hoeft te berouwen en niets te betreuren, wanneer het ernstige uur van scheiden aanbreekt.

Op die manier kunt u, evenals Maria toen Ik opging naar de Vader, Mij herkennen, - inzien dat Diegene die gij als Christus wel kent, veel groter en liefdevoller is dan u zich Hem had voorgesteld, maar dat ook Mijn eisen aan u zwaarder zijn dan u dacht.

Velen leven nu en geloven in Mij en hebben Mij lief zoals Maria van Mij hield tijdens Mijn leven. Maar dat is niet voldoende. Maria herkende pas bij het kruis en bij Mijn opstanding, dat Diegene die zij gebaard had geen mens, maar Gods Zoon, dat wil zeggen de van de Liefde gescheiden Wijsheid was, die na drie dagen in het graf te hebben gelegen weer naar Zijn hemelrijk terugkeerde en later niet meer licha­melijk, maar alleen vergeestelijkt aan Zijn ongeduldig wachtende apos­telen en aan de moeder van Zijn lichaam verscheen.

Zorg ervoor dat ook in u Christus opstaat, zoals Hij is en was, opdat u zich in de toekomst niet hoeft te verwonderen, wanneer u Hem anders aantreft dan u verwachtte.

Dit ter vermaning en inachtneming. Amen.

 

7

 

De eerste zondag na Epifanie

 

De twaalfjarige Jezus in de tempel

 

Luc. 2, 42-50: En toen Hij twaalf jaar was geworden en zij, zoals dit bij het feest gebruikelijk was, optrokken, en de feestda­gen voleindigd hadden, bleef het kind Jezus bij hun terugreis in Jeruzalem achter, en Zijn ouders bemerkten het niet. Daar zij vermoedden, dat Hij bij het reisgezelschap was, gingen zij één dagreis ver en zochten Hem onder de verwanten en bekenden. En toen zij Hem niet vonden, keerden zij terug naar Jeruzalem, Hem zoekende. En het geschiedde na drie dagen, dat zij Hem vonden in de tempel, waar Hij zat temidden der leraren, terwijl Hij naar hen hoorde en hun vragen stelde. Allen nu, die Hem hoorden, waren verbaasd over Zijn verstand en Zijn antwoor­den. En toen zij Hem zagen, stonden zij versteld en Zijn moeder zeide tot Hem: Kind, waarom hebt Gij ons dit aangedaan? Zie, Uw vader en ik zoeken U met smart! En Hij zeide tot hen: Waarom hebt gij naar Mij gezocht? Wist gij niet, dat Ik bezig moet zijn met de dingen Mijns Vaders? En zij begrepen het woord niet, dat Hij tot hen sprak.

 

(26 dec. 1871)

 

Ook deze tekst is uit het evangelie van Lucas genomen en gaat over Mijn verblijf van drie dagen in de tempel. Wat Ik daar deed en leerde is u bekend, daar Ik het u jaren geleden verkondigd heb. Wij zullen dus dit gebeuren uit de geschiedenis van Mijn jeugd overslaan en het slechts in zoverre in beschouwing nemen als het zich geestelijk voor Mijn toekomstige wederkomst weer zal herhalen en zich reeds nu herhaalt. Wat u uit deze geestelijke herhalingsdaad kunt leren, zal aan het slot van de vandaag gegeven woorden getoond worden.

Zie, Mijn kinderen, reeds meerdere malen heb Ik u gezegd dat iedere handeling uit de toenmalige tijd, vanaf Mijn geboorte tot aan Mijn opstanding en hemelvaart, een dubbele, ja een drievoudige betekenis had. Wat Ik deed en sprak was niet alleen voor het joodse volk, maar ook voor de gehele destijds levende en toekomstige mensheid bestemd, en ver boven uw aarde uitreikend, voor Mijn gehele geestelijke rijk, dat met nieuwsgierige blikken Mijn doen en laten volgde om te zien Of, en hoe Ik als aardse mens de Mijzelf opgelegde missie zou volbrengen.

Daar Ik helemaal bekleed was met de menselijke natuur van een aardbewoner, moest Ik, om daar weer uit te komen en vergeestelijkt terug te keren naar waar Ik was vandaan gekomen, alle hartstochten van de menselijke natuur bestrijden. Ik moest zoals ieder kind, Mijn ziel geleidelijk aan vormen en Mijn opvattingen en zienswijzen ontwik­kelen, om deze door Mijzelf ingeblazen ziel aan Mijn geest aan te passen, opdat Ik aan het einde van Mijn aardse loopbaan Mijn geesten kon laten zien hoe Ik niet alleen Mijn eigen geest in zijn ware grootte had teruggebracht, maar ook Mijn ziel wist te vergeestelijken.

Zo liet Ik het grote geestenrijk zien hoe men tot Mijn kind wordt en gaf als levend, strijdend en duldzaam mensenkind het voorbeeld, hoe en tot welke prijs de vereniging met Mij bereikt kon worden.

Als deze geestelijke ontwikkeling van de mensenziel waarmee Ik Mij had bekleed, sneller ging dan bij de gewone mensenkinderen, als Ik in Mijn vroegste kindsheid reeds woorden uit de geest sprak terwijl andere kinderen nog onverstaanbare klanken voortbrengen, als Ik, zoals tijdens Mijn verblijf van drie dagen in de tempel, uitleggingen gaf en zelfs wonderen verrichtte, dan dient u te beseffen welke geest in deze Jezus schuilging en hoe licht deze bij de geringste prikkel het menselijk omhulsel doorlichtte. Ook dient u te beseffen dat Ik niet, zoals andere mensen, een heel mensenleven voor Mij had, maar slechts drieëndertig vluchtige jaren waarbinnen ten eerste Mijn aardse mens gedurende dertig jaar moest rijpen voor het grote werk en ten tweede nog maar drie jaren overbleven, waarin de grondsteen tot de hoogste, onvergan­kelijk grote geestesleer gelegd moest worden, zonder welke de geeste­lijke wereld en indirekt ook de materiële wereld niet had kunnen voortbestaan.

Het was niet voldoende om geesten te hebben geschapen met geweldige krachten en eigenschappen. Zij moesten ook weten waartoe en waarom Ik hen deze volmaaktheid heb gegeven, zodat zij, door slechts verstandig gebruik van haar te maken, Mij, hun Schepper eer zouden brengen, volkomen zouden verstaan en Mijn schepping volle­dig zouden leren begrijpen. Het doel van Mijn komst op aarde was om het grote geestenrijk zuiver goddelijk op te richten, om zowel het geheel . als het individu zijn ware geestelijke waarde te geven en hun zelfs in de materie slechts gebonden geest te leren zien, die evenals de geesten zelf - alleen via een lange omweg - de opgang naar de vergeestelijking moet doormaken, om - als eveneens deel van Mijn geestelijke Ik - eens vergeestelijkt naar Mij terug te keren. Dat was het doel van Mijn komst op aarde, tot dit doel diende Mijn hele aardse loopbaan, zoals deze u . tot haar einde bekend is.

Zo waren de gebeurtenissen rondom Mijn geboorte, Mijn vlucht en Mijn terugkeer naar het land der Joden slechts afzonderlijke vooraf bepaalde trappen voor de geestelijke ontwikkeling van de Mij gegeven mensenziel. Ook in de tempel te Jeruzalem werd ditzelfde principe bekrachtigd doordat Ik reeds op Mijn twaalfde jaar begon afzonderlijke gedachten, die ver boven de toenmalig heersende levens - en godsdienstige opvattingen uitreikten, aan het licht te stellen. Daardoor werden veel van Mijn toehoorders tot verder nadenken gebracht, daar bij het hele joodse volk de gedachte van een komende Messias, door de vroegere profeten opgeroepen, juist op deze tijd van Mijn verschijnen gericht was.

Dat zij allen een totaal andere Messias wilden was niet anders te verwachten, omdat de mensen in die tijd - en in het bijzonder het joodse volk - onder de verdrukking van een vreemde mogendheid levend, vol verlangen een bevrijder verwachtten. Zij hadden allen de blik naar beneden gericht, terwijl de Messias van boven kwam.

Wat Ik in de tempel leerde - waar Ik in plaats van vragen te beantwoorden, de geleerde priesters vragen stelde die hen in verlegenheid brachten -, had tot doel hen een klein bewijs te geven van de oppervlakkigheid van hun kennis van zaken, die zij alleen meenden te bezitten. Ik heb het in de tempel, de school voor het geestelijke in die tijd, en voor vele toehoorders gedaan, omdat het Woord, als drager van bet oneindig grote geestelijke, eeuwig doorwerkte en zo de kiem van Mijn toekomstige leer legde. Ik verwierf al tijdens deze drie dagen ijverige vereerders van Mijn persoon en Mijn leer, die het ook later  gebleven zijn. Zoals Ik daar beschermers gekregen had, evenzo maakte Ik Mij de Farizeeën en de priesters tot Mijn vijanden; en juist door deze beide tegenstellingen leefde Mijn toegeworpen stuk geestelijk brood voort en bracht zijn welberekende vruchten op. Indien iedereen het met Mij eens geweest was, dan had er op de vierde dag geen mens meer aan Mij en aan Mijn leer gedacht, - temeer daar men Mij slechts als een pientere en enigszins kritische knaap beschouwde.

Dat Ik Mij nadien weer terugtrok in de schijnomhulling van een timmerman en jarenlang de aandacht van Mij afleidde, had zijn bedoe­ling: ten eerste om de vroegere uitingen van Mijn goddelijke geest ­vooral die in de tempel - te doen vergeten; ten tweede om pas als man met woord en daad te bevestigen, wat men van Mij als knaap en jongeling niet geloofd zou hebben.

Ook Maria, Mijn lijfelijke moeder, begreep Mijn woorden niet, toen Ik op haar liefdevolle verwijten, vanwege het lange zoeken, antwoordde: "Wist u dan niet dat Ik moet zijn in de dingen Mijns Vaders?" Jozef en Maria begrepen niet wat met "Mijns Vaders" werd bedoeld; zij waren zelf nog teveel aan de joodse cultus gehecht en geloofden dat de hele godsdienst bestond in het onderhouden van de gebruiken. Zij kenden Mij niet - en Mijn Vader nog minder, want voor hen bestond slechts één ondeelbare God. Daarom, al hadden ze Mijn goddelijke Ik ook erkend, dan zou voor hen dit tweevoudige wezen, Ik en de Heer, - of Zoon en Vader -, niet te begrijpen zijn geweest.

Dus moest het zo zijn, dat Mijn Ik rijp werd, - tijdens de leerjaren waarin de menselijke verwantschap ten einde liep en de grote geestelijke verwantschap voor de mensheid en voor het grote geestelijke rijk zijn aanvang nam -, om Mijn missie ten volle te vervullen doordat Mijn ziel, met de goddelijke Geest verenigd, dàt onderwees en volbracht wat u in het evangelie van Johannes vindt opgetekend. Dat staat sinds die tijd in onuitwisbaar schrift op het grote plan van de hele schepping geschreven met de woorden: Inzet en juist begrip van de goddelijke eigenschappen, uitleg en juist begrip van de menselijke en geestelijke waardigheid met betrekking tot de Schepper van al het zijn en de wederkerige verhouding.

Dit was het doel van Mijn in die tijd gegronde leer, die goddelijk is en blijft daar zij door God gegeven is, omdat God ze aan Zijn goddelijke nakomelingen als maatstaf achterliet en hen liet zien hoe men God als Heer, als Schepper, maar ook als Vader kan liefhebben en hoe men tot . Hem kan naderen. En nu Mijn kinderen, nadat u kunt begrijpen waarom Ik op de wereld kwam, waarom de gebeurtenissen zich tot aan Mijn twaalfde jaar zo en niet anders moesten voordoen, wil Ik u weg van dat verleden brengen naar uw tegenwoordige tijd en u de jeugd van Jezus en Zijn vragen aan de priesters in uw huidige wereldsituatie voor , ogen stellen.

Zie, in de wereld gaat het vaak zo, dat men het oog richt op dat wat ver weg is en het nu dichtbije niet ziet, of zoals het spreekwoord zegt: dat men door de bomen het bos niet meer ziet.

Wat stelt de knapenleeftijd in het algemeen voor? - Het is het ontwaken van de innerlijke geest, de tijd waarin de ziel zich intellectuele kennis tracht te verschaffen en zij het uiterlijke, het haar omringende, aan een diepere beschouwing onderwerpt en zij ook niet meer doof is voor de stem, die in haar binnenste vaak anders spreekt dan men het wenst.

Deze knapenleeftijd van de mensheid, dit ontwaken uit de lange geloofsslaap, vooral in religieuze aangelegenheden -, deze tijd van Mijn twaalfde jaar is nu aangebroken. De geestelijke beroering, die zich van allen meester maakt, toont zich in het afwegen van hetgeen men geloven moet, in de vragen, die de ontwaakte gemoederen stellen aan de geestelijke machthebbers, de theologen en schriftgeleerden, die voor geleerd willen doorgaan en als de enige onderwezenen willen gelden, maar die, omdat ze niet in staat zijn de gestelde vragen te beantwoorden, de vraag met een tegenvraag willen oplossen.

Dit "twaalfde jaar", als voorloper van Mijn latere, rijpere leer brengt de één tot rust en de ander tot vertwijfeling. Het is opnieuw dit Woord: "In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en God was het Woord." Dit Woord is het opnieuw - als uitdrukking van geestelijke gedachten - dat oppermachtig door alle harten trekkend, duizend andere gedachten oproept en aanleiding geeft tot duizend andere woorden.

Ook in die tijd wierp Ik de steen slechts tot aan de helling; zijn gewicht trok hem dan vanzelf voort, bracht hem aan het rollen en liet hem tenslotte vallen. Zo gaat het ook met het Woord. Het is als een lawine. Weliswaar klein in het begin wordt deze groter en groter en sleurt alles met zich mee de afgrond in. Zoals de lawine de met sneeuw bedekte hellingen van hun kleed bevrijdt, waardoor het zonlicht weer gemakkelijk tot moeder aarde door kan dringen, evenzo sleurt de gedachten - en woordlawine het kunstmatig gebouw van leugen en bedrog omver en het genadeschijnsel van het goddelijke liefdeslicht verlicht en verwarmt de onder ijs - of sneeuwlaag bevroren gouden harten.

Zo speelt de voorbereiding tot het grote reinigingsproces zich af. Zelfs de sociale verhoudingen, als resultaat van het geestelijk religieuze, roeren zich en verlangen naar evenwicht, naar het herstel van op God gefundeerde mensenrechten.

Het is dit "twaalfde jaar", het lentejaar dat voorafgaat aan de hete zomer, waarin de vruchten gerijpt worden, om in de herfst de volle oogst te kunnen binnenhalen.

Ook Mijn twaalfde jaar, Mijn knapenleeftijd, was Mijn lentejaar; Mijn tijd van de jaren van onderrichten - Mijn zomer; Mijn laatste veertig dagen tot aan de hemelvaart - Mijn oogsttijd.

Zo zult u zien hoe alles zich volgens deze wetten en perioden zal ontwikkelen. Na de lentejaren, de tijd van gisting, zullen de zomerjaren tot volledige rijping met hun stormen en onweersbuien komen en dan volgen de herfst jaren, waarin Ik als Maaier het kaf van het koren zal scheiden, het goede zal Ik in Mijn geestelijke hemel en in Mijn vergeestelijkte aarde opnemen, het slechte zal echter in de vaste materie worden verbannen van waaruit het vervolgens via een lange weg dat moet bereiken, wat langs een kortere weg werd versmaad.

Bereid u dus voor om in het voorjaar van het geestelijke leven - door het gistings - en louteringsproces van een ieder in zijn eigen innerlijk ­hetzelfde te doen wat Ik in het groot heb bewerkt. Dat een ieder zijn hart zoveel als mogelijk is moge zuiveren van al het wereldlijke, opdat hij de storm en het onweer van de daaropvolgende zomer met een sterke geest kan verdragen en zoals de bomen en planten in het vrije veld, zegevierend uit de strijd tevoorschijn komt, opdat in de herfst geen kale bladeren maar mooie, gerijpte vruchten van daden en woorden, die een kind van God waardig zijn, het eindresultaat mogen zijn!

Alleen op deze wijze verkrijgt u Mijn liefde, Mijn rijk en uw zielevrede, en bent u in plaats van een wankele rietstengel tot een door weer en wind gesterkte boom geworden. Dit is de grond van de deining in tijd, van gemoederen en ook van deining in uw eigen hart, dat altijd vooruit wil. Sla dus acht op de oproep, die Ik u nu op zoveel manieren laat toekomen! Deze heeft steeds het beste voor u tot doel, en dit kunt u met Mijn genade ook bereiken, als u maar wilt. Amen.

 

8

 

De tweede zondag na Epifanie

 

De bruiloft te Kana

 

Joh. 2, 1-11: En op de derde dag was er een bruiloft te Kana in Galilea en de moeder van Jezus was daar; en ook Jezus en Zijn discipelen waren ter bruiloft genodigd. En toen er gebrek aan wijn kwam, zeide de moeder van Jezus tot Hem: Zij hebben geen wijn. En Jezus zeide tot haar: Vrouw, wat heb Ik met u van node? Mijn ure is nog niet gekomen. Zijn moeder zeide tot hen, die bedienden: Wat Hij u ook zegt, doet dat! Nu waren daar zes stenen watervaten neergezet volgens het reinigingsgebruik der Joden, elk met een inhoud van twee of drie metreten. Jezus zeide tot hen:: Vult de vaten met water. En zij vulden ze tot de rand. En Hij zeide tot hen: Schept nu en brengt het aan de leider van het feest. En zij brachten het. Toen nu de leider van het feest het water proefde, dat wijn geworden was - en hij wist niet waar deze vandaan kwam, maar de bedienden, die het water geschept hadden, wisten het - riep de leider van het feest de bruidegom, en hij zeide tot hem: Iedereen zet eerst de goede wijn op en als er goed gedronken is, de mindere; gij echter hebt de goede wijn tot op dit ogenblik bewaard. Dit heeft Jezus gedaan als begin van Zijn tekenen te Kana in Galilea en Hij heeft Zijn heerlijk­heid geopenbaard, en Zijn discipelen geloofden in Hem.

 

Dit hoofdstuk van Johannes begint met de bruiloft te Kana in Galilea, waar Ik het eerste openbare wonder verrichtte door water in wijn te veranderen.

Met deze gebeurtenis, die in het begin van Mijn leertijd viel, wilde Ik, hoewel Ik nog niet als leraar was opgetreden, juist door de samen­loop van de omstandigheden bij deze bruiloft de aandacht van velen naar Mij toetrekken; want binnen korte tijd zou Mijn verborgen levenswandel afgelopen zijn.

Een bruiloft is weliswaar een veel voorkomende en terugkerende handeling. Zij wordt echter, ofschoon er veel geestelijks in haar schuilt, door de meeste mensen slechts materieel begrepen en aangegaan.

Wanneer het slechts een dergelijke bruiloft geweest was dan zou men Mij daar niet hebben gevonden. Ik had veel grotere bedoelingen voor ogen, die echter niet door al te opvallende gebeurtenissen bereikt moesten worden. De Joden moesten langzamerhand attent gemaakt worden op Mijn toekomstige leven van onderrichten en tekenen doen. Wat deze daad en alle daaropvolgende betreft, zo is ook haar huidige geestelijke herhaling in een grotere en diepere zin te verstaan. Nu zullen ook de tijdspannen groter zijn dan tijdens Mijn kortstondige leven als leraar en Mijn verblijf op uw donkere aarde. Daar was Mij slechts weinig tijd gegeven om iets groots van eeuwige duur tot stand te brengen; maar nu, waar het om de toekomstige voleinding van de geestelijke ontwikkeling der mensheid gaat, vloeit de stroom van gebeurtenissen langzamer, maar des te krachtiger, - alle obstakels - overwinnend, die tot aan Mijn laatste komst tegen Mijn plannen zouden worden opgeworpen.

Alvorens terug te komen op de bruiloft te Kana moet Ik eerst ,beginnen met uit te leggen wat een bruiloft eigenlijk is, hoe zij bij u gevierd wordt en hoe Ik zou willen dat ze gevierd werd, zodat u later ,de geestelijke betekenis ervan met betrekking tot de hele mensheid moogt erkennen, daar de verbintenis tussen twee mensen op overeen­komstige wijze ook voor de hele mensheid haar diepere betekenis heeft. Een bruiloft is de afsluiting van een vooraf gemaakte overeenkomst tussen twee mensen van verschillend geslacht, die door sympathie aangetrokken gehoor geven aan de drang van hun ziel en van plan zijn om de eenmaal begonnen geestelijke verbinding gedurende hun hele leven niet meer op te geven, maar steeds meer één wordend, vreugde en leed samen te dragen. Zo zal als gevolg van deze eensgezindheid door een wettelijke akte het huwelijk gesloten worden, waarmee de afzon­derlijke individualiteit eigenlijk ophoudt en een gezamenlijk leven, het gezinsleven, wordt geprefereerd.

Een dergelijke daad van twee zielen, die elkaar begrepen hebben èn hun duurzame verbintenis zouden niet alleen voor dit aardse leven 'moeten gelden, maar ook voor het leven in het hiernamaals, waar - beiden door het streven naar hetzelfde doel zich meer en meer verenigen 'en tenslotte - zoals u zegt - "één van hart en één van zin" moeten worden.

Een dergelijke verbintenis zou de ware geestelijke en zedelijke liefde als basis moeten hebben, om daarop het gezinsleven te funderen, dat wederzijdse hoogachting vereist. Met de door Mij bepaalde natuurwet van de paring wilde Ik niet alleen het samenleven van twee individuen bereiken, maar Ik wilde ook uit zulk een liefde voortgekomen vruchten hebben, die de betere eigenschappen van 't gemoed van de één en de ander voortplanten en nog meer moesten veredelen.

Alzo was Mijn echtelijke wet, die Ik in de natuur heb gelegd als drang tot voortplanting, de oorzaak van een eeuwig stijgende trap van mens tot mens, tot bij Mij. Dat wilde Ik, - maar wat hebben de mensen ervan gemaakt? Een markt met mensenvlees en zielsverkopers!

Toen Ik naar de bruiloft te Kana ging was het zeker niet de zinne­lijk materiële kant die Mij deed besluiten om aan de uitnodiging gevolg te geven, maar Ik wilde enerzijds aan de wensen van Mijn aardse moeder tegemoet komen, anderzijds reeds daar de eerste grondsteen van Mijn groot geestelijk rijk leggen. Dat Ik wijn maakte uit water en dat het bruidspaar deze wijn voor de beste verklaarde, is juist voor de huidige tijd in geestelijke overeenkomst van betekenis.

Zie, wat Ik u over de echtelijke verbintenis tussen twee personen gezegd heb, dat moet nu geestelijk, op basis van de in het evangelie vastgestelde liefdesleer tussen de verschillende sekten van het christen­dom gebeuren; ook zij moeten zich door de liefde tot één familie verbinden. Reeds zoekt men toenadering en heeft men meer contact op geestelijk terrein; men komt langzamerhand tot het besef dat er maar weinig verschil is tussen de wederzijdse opvattingen en uitleggingen van de altijd onveranderde bijbel, waardoor de scheiding werd veroorzaakt. Door deze uitwisseling van meningen beginnen de vermeende hin­dernissen zich al te beperken, kleiner te worden, om eens helemaal te verdwijnen. In de huidige tijd worden de voorbereidingen voor een gemeenschappelijk leven getroffen, om daarna eens het feest van de verbintenis, de bruiloft, te vieren, hetgeen waarlijk de hoogste tijd is.

Wanneer deze verbinding zijn doel zal naderen, dan zal ook Ik het tot nu toe door iedereen gedronken water van het geloof weer in Mijn geestelijke liefdewijn veranderen; en zoals eens de keukenmeester, zo zullen dan de wachtenden vragen: "Waarom hebben wij tot nu toe de slechte wijn gedronken en is de beste tot het laatst bewaard?"

En Ik zal antwoorden: "Omdat u vroeger niet in staat was om Mijn liefdewijn geheel naar waarde te schatten, waardoor slechts misbruik het gevolg zou zijn geweest! In deze tijd echter, waarop u zich zat heeft gedronken aan uw slechte door mensen samengestelde wijn, waarop u in dranklust rustiger bent geworden en het goede van het kwade kunt onderscheiden, nu kom Ik en breng geen nieuws wat u nog niet kent, maar dezelfde wijn die u vroeger reeds gedronken heeft, alleen van al zijn slechte elementen gezuiverd, als een zuivere goddelijke drank, die , slechts diegenen verdienen, die, zinnelijkheid en materialisme ver achter zich latend, hun geestelijke natuur onderkennen en slechts naar geestelijke drank en spijze smachten.

.Al het doen en laten van de mensen is tegenwoordig hierop gericht. Iedereen is het slechte vocht, dat hen als goddelijke drank werd voor­gezet, zat. Zij hebben een voorgevoel van iets beters; een ieder gelooft, dat de ander misschien dat heeft waaraan het henzelf ontbreekt. Door dit zoeken en vragen komen de hindernissen van het geloofsfanatisme te vervallen en éénwording wordt mogelijk, waarna Ik dan zal komen en er slechts één Herder en één kudde zal zijn.

Dat is de geestelijke betekenis van de bruiloft te Kana.

Neem deze woorden goed in acht en richt uw ogen op de komende religieuze bewegingen en u zult zien hoe gelijkgezinde geesten elkaar vinden, elkaar tegemoet gaan, om de bruiloftsdag, de dag van de eeuwige verbintenis te vieren, waar allen met elkaar verenigd, Mij tegemoet zullen trekken om die naam te verdienen, die Ik voor allen heb voorbehouden, die Mijn leer beoefenen en het eerste grondbeginsel van Mijn hele geestelijke en materiële schepping tot hun levensprincipe gemaakt hebben, om waardige geestelijke kinderen van de hemelse Vader te worden. Amen.

 

9

 

De derde zondag na Epifanie

 

De genezing van een melaatse

 

Matth. 8,1-4: Nadat Hij nu van de berg was afgedaald, volgden Hem vele scharen. En zie, een melaatse kwam tot Hem en viel voor Hem neder, zeggende: Here, indien Gij wilt, kunt Gij mij reinigen. En Hij strekte de hand uit en raakte hem aan en zeide: Ik wil het, word rein. En terstond werd hij rein van zijn melaatsheid. En Jezus zeide tot hem: Zie toe, dat gij het aan niemand zegt, maar ga heen, toon u aan de priester en offer de gave die Mozes heeft voorgeschreven, hun tot een getuigenis.

 

(11 jan. 1872)

 

Dit hoofdstuk van Mijn apostel Mattheüs bespreekt meerdere gene­zingen en wonderen uit Mijn eerste jaren als leraar. Het zijn daden, die noodzakelijk waren om de streng gelovige Joden een ander idee van hun mozaïsche wetgeving en van hun Jehova-Zebaoth te geven. Ik moest voor hen daden verrichten, omdat woorden alleen niets zouden hebben uitgehaald.

Hier staat vermeld, hoe Ik slechts door aanraking een melaatse genas. Deze wijze van genezing is tegenwoordig niet meer mogelijk, ofwel ligt niet in Mijn wil besloten; want wanneer u de ziekte melaatsheid in geestelijke zin bekijkt, dan zou Ik vele mensen, en weliswaar niet de besten in één keer tot engelen moeten maken, hetgeen echter noch voor Mij en Mijn geestenrijk, noch voor de plotseling veranderde geest - en zielemensen nuttig zou zijn.

Wat is melaatsheid nu eigenlijk voor een ziekte? Waar komt deze vandaan en hoe kan hij genezen worden?

Deze vraag moeten wij allereerst beantwoorden, voordat de geeste­lijke overeenkomst duidelijk kan worden. Melaatsheid is die ziekte waarbij men - hetzij door losbandigheid, hetzij door een onnatuurlijke leefwijze wat betreft eten en drinken, hetzij door onzindelijkheid ­zoveel vreemde giftige stoffen in zijn organisme heeft binnengehaald, dat het hele menselijk uurwerk niet meer loopt. Om nu de normale en natuurlijke werkzaamheid en besturing in alle delen van het lichaam weer te herstellen, werpt de menselijke natuur alle sedert jaren opgeno­men vreemde en giftige stoffen op haar grootste en ook zeer belangrijke orgaan, op de huid, waardoor de grootste en meest uitgebreide verbin­ding met de buitenwereld bestaat. Dit ten eerste om zich op deze wijze van haar vreemde en lastige vracht te ontdoen, en ten tweede om zelf door dit giftige prikkelende middel juist de huid aan te sporen met meer activiteit het hele organisme te ondersteunen en het zo weer tot zijn vroegere gezondheid te brengen.

Het beste geneest deze ziekte natuurlijk langs dezelfde weg waarlangs ze ontstaan is, dat wil zeggen de melaatsheid kwam van binnen naar buiten, en zo moet ook de genezing dezelfde weg gaan. Het bedorven bloed, dat zijn slechte bestanddelen in de huid heeft afgezet, moet vervangen worden door vers en gezond bloed. Daarbij komt natuurlijk , het schoonhouden van de uitwendige wonden, opdat het vervuilde, dat

voor het lichaam niet meer deugt, wordt verwijderd om zo plaats te maken voor het volgende huidweefsel.

Op die manier vindt genezing plaats, waardoor bij inachtneming van een natuurgetrouwe leefwijze het lichaam zich vernieuwt, zijn organisme volop sterkt en de mens een lang en gezond leven garandeert.

Hier heeft u in grote lijnen een beeld van de aard van melaatsheid als lichamelijke ziekte. Nu willen we haar in haar geestelijke overeen­komst bezien, opdat u ook daar het ziekteverschijnsel en het genees­middel moogt erkennen. De Wonderheiland echter, die deze ziekte enkel door een lichte aanraking of een woord kan genezen, zal en moet hier wegblijven; want in geestelijk opzicht moet iedere melaatse zichzelf genezen en zo zijn eigen heiland worden.

Zie, "melaats", dat wil zeggen belast met veel giftige builen, is een groot, ja het grootste gedeelte van de mensen; maar juist omdat het merendeel melaats is, neemt men aan deze ziekte geen aanstoot. Want de enkelen die gereinigd zijn trekken zich niet van diegenen die met deze ziekte belast zijn terug, maar verplegen hen met liefde en geduld in het christelijk geloof, om de zieken, wanneer zij te zwak zijn, door middel van raad en ondersteuning tot herstel van hun verloren morele  gezondheid te leiden.

Melaatsheid is een ziekte die niemand kan verbergen. Zij toont zich openlijk op het menselijke lichaam. Dat betekent in geestelijk opzicht het openlijk ten toon spreiden van alle slechte eigenschappen, alle kwade hartstochten en gewoontes, die het resultaat zijn van slechte opvattingen en een verwaarloosde opvoeding. Wanneer geestelijk ge­zien een ziel in haar binnenste zó verdorven is, dat zij haast al haar geestelijke waarde heeft verloren, dan drijft de geest, Mijn in haar gelegde goddelijke vonk, haar zo ver, dat zij zich niet meer schaamt om deze smerige binnenkant zelfs openlijk naar buiten te tonen. De ziel wordt door dit proces tevens als het ware gedwongen om haar geweten aan haar naasten te onthullen en door haar levensstijl en denkwijze, die het gevolg is van de ingezogen valse principes, zich aan de wereld te stoten en bittere ervaringen op te doen, om tenslotte toch tot het inzicht te komen dat een beter, hoger en moreler streven en werken pas naar de ware vrede leidt.

Om deze geestelijk melaatse sneller te genezen laat Ik gebeurtenissen in de wereld toe, waardoor het afscheidingsproces sneller voortgang vindt en ook voor de genezing meer kracht en geest in het innerlijke, in het zieleleven binnendringt.

Zoals de uiterlijke genezing van binnen uit moet komen, zo moet ook de geestelijke genezing van daar uitgaan. Daardoor, dat het slechte tot in de openbaarheid is doorgedrongen, door het samenleven met anderen ondermijnd is en werd opgenomen door de buitenwereld, wordt in het binnenste de leegte weer aangevuld door moreel geestelijke geneesmiddelen en wordt de mens zo naar zijn normale toestand, als evenbeeld van zijn Schepper, teruggevoerd en voor het geestelijke herwonnen.

Zoals de materiële melaatsheid besmettelijk is voor degene die met zo' n ziekte in aanraking komt, evenzo is ook de geestelijke melaatsheid besmettelijk, omdat hij door zijn slechte principes ook anderen tot slechte handelingen verleidt. En zo ontstond, doordat de één de ander besmette, deze immorele wereld zoals u die nu ziet. Datgene wat Ik toentertijd gedaan heb, dat Ik door aanraking een melaatse genas omdat zijn innerlijk niet overeenstemde met zijn huid, is nu in het geestelijke niet mogelijk. Geestelijk moet de mens zichzelf genezen. Mijn aanra­king bestaat vaak alleen daarin, dat Ik hem in omstandigheden leid waardoor hij sneller en met geweld van de hem aanklevende onreinhe­den wordt bevrijd; maar om hem ineens geestelijk rein te maken zou een ingreep zijn in de vrije waardigheid van de mens.

Wanneer Ik plotseling van duivels engelen zou willen maken en zij - zonder strijd en verloochening veranderd zouden worden, - waar zou dan hun verdienste blijven?

Deze vorm van wondergenezing blijft dus in de huidige - en toekom­stige tijd achterwege; wat zich echter wel herhaalt en vaak voorkomt, is dat wat de hoofdman van Kapernaüm is overkomen, die met een krachtig geloof en in een vast vertrouwen van de macht van Mijn woord overtuigd was en door zijn uitspraak: "Heer, ik ben niet waard dat Gij mijn huis zult binnengaan; spreek slechts een woord en mijn knecht zal gezond worden!" liet zien hoe het met de ware christenmens gesteld moet zijn, die ondanks alle ongunstige schijn op Mij en Mijn leiding vertrouwt, Mijn woorden gelooft en daarbij - Mijn grootheid openlijk belijdend - zijn eigen onwaardigheid niet vergeet.

Dergelijke zielen die zo met Mij spreken, die smekend tot Mij komen en zichzelf vernederen, die raak Ik met Mijn vinger aan en genees hen met Mijn woord, dat wil zeggen Ik zend hen troost en vrede in het hart, die op geen andere wijze te verkrijgen zijn. Voor dergelijke zielen geldt ook wat Ik te Kapernaüm zei, dat voor zulke deemoedige gelovigen het hemelrijk is, - echter niet voor diegenen, die nog met hun melaatsheid pronken. Deze moeten zich eerst laten louteren en reinigen, of zij zullen door treurige ervaringen de duisternis van hun hart moeten inzien en erkennen, dat het beter geweest zou zijn om de slechte eigenschappen ( de geestelijke melaatsheid) uit te bannen, die zij openlijk ten toon spreidden en waar zij zich zelfs op beroemden, omdat dit niet de weg naar het geestelijke, niet_de weg naar het eeuwig leven en niet de weg tot Mij is.

Zolang zij niet zullen begrijpen dat deemoed en liefde, verbonden met een grenzeloos vertrouwen, de sleutels zijn om bij Mij alles te bereiken en zichzelf het snelst vooruit te helpen, zolang zullen allerlei ziektes en conflicten op hen inwerken totdat de melaatsheid verdwenen is en vervangen wordt door elementen van leven, geloof en liefde.

Ook u hebt nog zoveel melaatsheidbuilen op de huid van uw ziel, die vaak duidelijk in het leven aantonen dat u nog lang niet gereinigd bent, en nog lang niet al het geestelijk voedsel, dat Ik u al sinds jaren zend, in uw uiterlijk leven hebt verwezenlijkt. Er is heel wat, dat u wel leest, vaak ook wel geloofd, maar dat aan de buitenkant van uw levenshuid nog geen sporen vertoont als was deze genade - en liefdekost tot daar doorgedrongen. Slechts weinigen onder u erkennen hun onwaardigheid zoals de hoofdman te Kapernaüm, zodat ook zij zouden willen uitroepen: "Heer, zoveel genade ben ik niet waardig! Alleen een woord van troost is voldoende, en zelfs dit is nog teveel voor mij arm, zwak en wankelmoedig kind!"

De meesten van u geloven evenals de Joden destijds, alles gedaan te hebben, wanneer ze zich letterlijk vastklampen aan de bepalingen en leerstellingen van Mijn Woord. Zij zijn echter nog ver verwijderd van het in praktijk brengen van de woorden van hun Vader. Het vergaat u net als de Joden die alleen dàtgene oppervlakkig onderhielden wat hun materieel het belangrijkste toescheen. U bent enthousiast over Mijn Woord en om anderen te willen bekeren bent u meteen gereed! U wilt meteen helpen om het vuil voor andermans deuren weg te ruimen; alleen dat van uzelf laat u rustig liggen en u wacht, net als de melaatse uit het evangelie, totdat Ik misschien zal komen om u door Mijn aanraking meteen tot een hoogst moreel schepsel te bestempelen.

Hier ligt de grote fout! Daar u uw zweren niet ziet, probeert u ze ook niet te genezen.

Met deze woorden vermaan Ik u: onderzoek de huid van uw ziel en van uw leven. En wanneer u dergelijke melaatsheidzweren ontdekt, laat dat u dan een teken zijn dat u nog veel vreemds in uw innerlijk herbergt wat niet tot uw geestelijke wezen behoort. Streef ernaar die dingen uit te bannen en te vervangen door krachtige levenssubstanties, zodat u niet Mijn directe aanraking, maar enkel Mijn Woord nodig hebt, opdat uw ziel gezond worde! Amen.

 

10

 

Zondag Septuagesima

 

De gelijkenis van de arbeiders in de wijngaard

 

Matth. 20, 1-16: Want het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een heer des huizes, die des morgens vroeg arbeiders voor zijn wijngaard ging huren. Toen hij met de arbeiders eens geworden was voor een schelling 's daags, zond hij hen in zijn wijngaard. En omstreeks het derde uur ging hij naar buiten en zag nog anderen werkloos op de markt staan, en hij zeide tot hen: Gaat ook in de wijngaard en wat billijk is zal ik u geven. En zij gingen. Omstreeks het zesde en het negende uur ging hij weer naar buiten en handelde evenzo. Toen hij omstreeks het elfde uur naar buiten ging, vond hij nog anderen staan en zeide tot hen: Waarom staat gij hier de gehele dag werkloos? Zij zeiden tot hem: Omdat niemand ons gehuurd heeft. Hij zeide tot hen: Gaat ook gij in de wijngaard. Toen de avond viel, zeide de heer van de wijngaard tot zijn opzichter: Roep de arbeiders en betaal het loon uit, te beginnen bij de laatsten, tot de eersten. Toen zij, die omstreeks het elfde uur gehuurd waren, kwamen, ontvingen zij ieder een schelling. En toen de eersten kwamen, meenden dezen, dat zij meer zouden ontvangen. En zij ontvingen ieder eveneens een schelling. Toen zij die ontvingen, morden zij tegen de heer des huizes, en zij zeiden: Deze laatsten hebben een uur gewerkt en gij hebt hen met ons gelijkgesteld, die een zware dag en de hitte hebben doorstaan. Maar hij antwoordde een van hen en zeide: Vriend, ik doe u geen onrecht. Zijt gij het niet met mij eens geworden voor een schelling? Neem het uwe en ga heen; ik wil deze laatsten hetzelfde geven als u. Staat het mij niet vrij met het mijne te doen, wat ik wil? Of is uw oog boos, omdat ik goed ben? Alzo zullen de laatsten de eersten en de eersten de laatsten zijn. Want velen zijn geroepen, doch weinigen uitverkoren.

 

(..jan. 1872)

 

Deze gelijkenis had, zoals veel anderen, tot doel de Joden van toen in de vorm van vergelijkingen en beelden uit het dagelijkse leven de geestelijke waarheden beter te doen begrijpen. Bovendien was de beeldspraak en het vertellen in gelijkenissen destijds - zoals tegenwoor­dig nog in het Oosten - gebruikelijker dan nu, waar men bij alle mededelingen aan directe beschrijving de voorkeur geeft.

In deze gelijkenissen ligt altijd een diepere geestelijke zin die toen voldeed, maar ook voor de komende tijden steeds dezelfde waarde zal houden.

Deze geestelijke zin zullen we nu wat meer belichten en de nadruk leggen op zijn betekenis omdat deze het wezenlijke, de kern is, terwijl de gelijkenis slechts een schaal of een omhulsel is.

Zie, in deze gelijkenis zei Ik: "Het hemelrijk is gelijk een wijngaard." Om de geestelijke betekenis van deze woorden te vatten, moeten we eerst weten wat een wijngaard eigenlijk is.

Zie, een wijngaard is een stuk land, waar uit de bodem door het aanplanten van wijnstokken het etherische van de aarde in iets geeste­lijks, in de druif tot wijn, wordt omgezet. Door ontbinding van de elementen worden grovere stoffen in fijnere, geestelijker stoffen veran­derd.

Wat is echter naast de aarde in het bijzonder nog nodig om de druif te doen rijpen?

Het is het licht van de zon; want zonder de opwekker van boven ontwikkelt zich uit de aarde geen enkel geestelijk produkt. De zon moet met haar lichtstralen eerst de in de aarde slapende elementen opwekken, deze met haar warmte helpen vergeestelijken en zo door de kringloop van de wijnstok, door wortels, takken, bladeren en bloesems het hoogste voortbrengen, dat eindelijk na zijn ontbindingsproces duidelijk toont welk een overvloed aan geestrijke stof in de druif verborgen lag, welke geestrijke stof zich echter eerst dan begint te tonen wanneer de druif ophoudt druif te zijn.

Hier heeft u dus de wijngaard, bij wie drie dingen - namelijk aarde, water en licht - moeten samenwerken om op een hogere trap iets geestrijks voort te brengen.

Nu zal de vergelijking van Mijn rijk of het hemelrijk met een wijngaard reeds gemakkelijker te begrijpen zijn, wanneer u de hierbo­ven aangevoerde uitleg op Mijn rijk toepast.

In Mijn rijk is eveneens het hoogste slechts geest; maar deze geest, belichaamd in geestelijke wezens, kan pas vanuit de onder de geest staande lagere produkten der schepping gewonnen worden. Net zoals het ontwikkelingsproces van de wijn, vanaf het opnemen van vocht door de wortels van de wijnstok tot aan de fase van de gistende wijn in het vat, een voortdurende verandering, uitzuivering en verfijning van stof is, zo worden ook alle geschapen dingen in Mijn gehele schepping - steeds verder opstijgend - gelouterd en verfijnd tot aan hun einde als materie, waardoor bij het uiteenvallen van de bestanddelen het geeste­lijke met lichtere, etherische omkleding naar buiten kan treden. Zoals . de wortel van de wijnstok aan de aarde de stoffen onttrekt die van haar gading zijn en die tot verdere opbouw van de hele plant bijdragen, evenzo ligt de wortel van het voorheen geestelijke in het materiële begraven. Daar ligt haar eerste begin, van daaruit maakt zich vrij wat tot een hogere trap geschikt is en stijgt vanuit de duisternis van de aardkorst op in de fijnere lucht. Hier dragen vervolgens licht, lucht en water het hunne er toe bij om het vergeestelijkingsproces te voleinden, door de vaste elementen van de bestanddelen der aarde in vloeibare om te zetten, die gemakkelijker het geestelijke en edele kunnen bevatten, daar zij - de laagste regionen ontgroeid - van licht en warmte doordron­gen zich gemakkelijk kunnen overgeven aan de inwerkingen vanuit hogere regionen.

Op overeenkomstige wijze verloopt ook het opvoedingsproces tot inwoner van Mijn geestelijke hemelen.

Door de straal van licht en waarheid van boven moet hetgeen in het graf slaapt uit de grove materie getrokken worden, dan gelouterd en vervolgens in hem de drang worden opgewekt om steeds hoger en hoger te stijgen. U ziet het op uw aarde, hoe alles zich vanuit de grofste materie naar een lichter bestaan omhoog werkt, door alle klassen van het aardrijk heen naar het planten- en dierenrijk en vandaar, zich steeds verder ontwikkelend, opstijgt tot aan de mens, die dan de eerste geestelijke trede naar Mijn rijk vormt. Hij gelijkt reeds op de druif, waarin alle elementen voor een kostelijke wijn gereed liggen.

Ook in de mens is alles zo gevormd en ontwikkeld, dat de invloed van boven de sterke re en die van onder de zwakkere is. Dat was althans zo Mijn bedoeling. De ontaarding van de mens en zijn afwijken van de weg die Ik voor hem gebaand heb, zal later bij het desbetreffende punt van deze gelijkenis ter sprake komen.

Door de oplossing van het menselijk omhulsel gaat de mens over naar het geestenrijk, waar hetzelfde proces zich geestelijk herhaalt. Zoals de onderste, in de vaste materie gebonden geest eerst tot aan de hoogste trede die op aarde mogelijk is, tot aan het menszijn omhoog steeg, zo moet hij in het geestenrijk weer als een eenvoudige mensenziel beginnen om tot hoogste engelgeest, ja tot Mijzelf op te stijgen.

In dit opzicht komt het hemelrijk dus met een wijngaard overeen, omdat zowel in de één als de ander het louteringsproces van grof naar fijn, van vast naar beweeglijk en van materie naar geest wordt voltrok­ken. In dit hemelrijk als wijngaard - zoals de gelijkenis zegt - zoekt dus een heer des huizes arbeiders, die de wijngaard moeten bewerken.

Wat de eigenaar van de wijngaard in wereldlijke zin zoekt, dat zoek Ik in geestelijke zin. Ik zoek eveneens zielen, die zichzelf en Mijn schepping begrijpen en zich er voor inzetten om Mijn liefdegeboden te vervullen en die door hun onderricht en hun voorbeeld er toe bijdragen de in de materie gebonden geesten te bevrijden, om zo dat wat eens van Mij was uitgegaan weer gelouterd, verfijnd en vergeestelijkt naar Mij terug te voeren.

Zoals de heer des huizes' s morgens vroeg uitgaat en de eersten werkeloos ziet staan en hen in dienst neemt, zo ga ook Ik uit en probeer al in de vroege levensjaren op de ziel van de mensen in te werken, om ze geschikt te maken voor Mijn rijk. Zoals deze heer van de wijngaard op verschillende uren uitgaat om nieuwe arbeiders te vinden, zo zoek ook Ik bij verschillende leeftijden, bij jongeren, volwassenen en zelfs bij ouderen diegenen terug te winnen, die - tot dan toe voor Mij verloren - niet wisten wat hun taak op deze aarde was en wat hun doel in de andere wereld zal zijn.

Zoals Mijn kinderen van verschillende leeftijd zijn, zo zijn ook de volkeren - op grotere schaal -, deels op kinder -, deels op jeugdige, mannelijke of op hoge leeftijd. Ook de volkeren volgen dezelfde gang van ontwikkeling zoals de afzonderlijke mens in zijn levensfasen.

De eerste beginselen van een leer voor Mijn rijk waren de tijden van geloof, die overeenstemmen met de kinderleeftijd. Toen kwamen de tijden van twijfel en vragen, - de jeugd. Later volgden de tijden van het heldere bewustzijn, die van volwassenheid, en tenslotte die periode, die aan de komende verandering voorafgaat, de ouderdom.

Mijn eerste komst viel in de periode van de jeugd van het mensdom, toen de gewekte gemoederen begonnen om datgene wat hen als religie was gegeven te bekritiseren en te verklaren, waaruit verschillende geloofsbelijdenissen ontstonden. Opdat de mensheid in deze tijd van vele vragen niet helemaal van haar geestelijke existentie zou worden beroofd, trad Ik juist in die tijd op en redde zo het goede dat in de kinderjaren was 'aangenomen. Ik verwijderde wat door spitsvondig geredeneer was toegevoegd en gaf de mens zo zijn geestelijke waarde terug, die anders in de egoïstische, wereldlijke bedrijvigheid verloren zou zijn gegaan.

In deze "jeugd", waarin de grootste geestdrift en de grootste verne­dering elkaar de hand gaven, zocht Ik Mijn arbeiders voor Mijn hemelse wijngaard. Om hun missie te volbrengen bestegen velen als martelaar de brandstapel - waarop niet zij, maar anderen thuishoorden -.

Tijdens dit heen en weer bewegen tussen grote ideeën, tussen geestelijke leer en materialisme, rijpte de "volwassenheid" der mens­heid. Mijn in de "jeugd" geplante zaad droeg zijn vruchten, alhoewel op veel plaatsen ontaard. En weer ging Ik er op uit en verzamelde strijders voor Mijn rijk - en vond ze, al waren ze schaars. Enkelen waagden het weer om het koren van het kaf te reinigen, opdat tijdens de gerijpte "volwassenheid", ondanks het heldere inzicht, niet al het geestelijke zaad weer door wereldlijke belangen onderdrukt zou wor­den. De godsdienstoorlogen en vervolgingen begonnen, men wilde met vuur en zwaard, met haat en wraak bestrijden, wat slechts alleen door liefde en geduld gewonnen had kunnen worden.

Ook deze "volwassenheid" met zijn ernstige karakter ging voorbij. Diegenen die de wereld naar hun idee dom wilden houden en haar met blindheid wilden slaan, vielen in de kuil die ze voor anderen hadden gegraven. Zij gaan een hervorming tegemoet, die heel anders zal Uitvallen dan zij zich hadden voorgesteld.

En zo hadden Mijn arbeiders, ofschoon ze niet alles hebben vol­bracht, er toch in belangrijke mate toe bijgedragen om de plant van de geest, die de zuiverste wijn van de hemel bevat, voor vernietiging, voor bederf te behoeden.

Nu kom Ik terug in de periode van de "ouderdom" van de mensheid, waarin zij rijp is om spoedig een geestelijke verandering tegemoet te gaan. Opnieuw zoek Ik Mijn arbeiders en vind er reeds meerdere. Ofschoon er bij de "hoge ouderdom" van de mensheid - net zoals bij elk mens afzonderlijk - veel tot een gewoonte is geworden wat niet gemakkelijk is uit te roeien, zo zal toch de werking van de omstandig­heden er het meeste toe bijdragen om met kracht te verwijderen, wat niet met zachtmoedigheid en liefde voor het goede wil wijken.

Zo huurde Ik Mijn arbeiders en zond hen uit, en wanneer deze eens in Mijn rijk zullen zijn aangekomen, dan mogen zij zich bij de anderen voegen die hen reeds zijn voorgegaan, om met hen het feest van de overwinning te vieren en de kroon van de verdienste te delen.

Alle mensen heb Ik tot deze louteringsweg beroepen; maar slechts weinigen gelukte het om uitverkorene genoemd te worden, omdat zij over ellende, verdriet, zorg en strijd triomferend, steeds Mijn geloofs­vaandel hoog hielden. Velen hebben ook geleden en veel moeten doorstaan in hun vrome, maar verkeerde denken, dat soms ontaardde tot fanatisme. Deze zullen in het hiernamaals de morrenden zijn wanneer zij diegenen het eerst beloond zien, op wie zij tijdens hun leven misschien met minachting neer zagen. Zij waren weliswaar ook uitge­kozen, doch het ontbrak hun aan kracht om uitverkorenen te worden; zo zullen zij moeten toezien hoe de laatsten de eersten en de eersten de laatsten worden.

Maar de eeuwige liefde, die alles vereffent, weet ook daar middelen te vinden om de wonden van de eigenwaan, die aan de basis van de valse opvattingen liggen, te genezen.

U, Mijn kinderen, bent met de hele mensheid vanaf heden de periode van de "hoge ouderdom" binnen getreden. De tijd van de ontknoping - in geestelijk opzicht - nadert, Mijn laatste komst nadert. Vandaar de onrust in de gemoederen, omdat zij een vaag vermoeden hebben van de spoedige verandering in de wereldlijke en geestelijke dingen! Vandaar de haast om nog voor die tijd het slechte uit te bannen, om niet verrast te worden door gebeurtenissen, waarbij datgene wat men tot nu toe geloofd heeft ontoereikend is! Vandaar de ijver van de arbeiders van de avond om in deze enkele uren van geestelijk leven alsnog dat te doen, wat zij daarvoor niet konden verrichten.

Zo zal de heer van de wijngaard weldra met de uitbetaling van het loon gaan beginnen. Zo zal ook Ik spoedig de kronen en overwinnings­palmen verdelen onder hen, die - vroeg of laat - de ware vertegenwoor­digers en verspreiders van Mijn leer waren.

Zorg dat ook u niet tot diegenen behoort die geroepen zijn om Mijn woord slechts te horen, maar dat u gerekend wordt tot de uitverkore­nen, die, zoals de vlijtige arbeiders in de wijngaard, er het meeste toe hebben bijgedragen om nog in de levensavond van een vergrijsde mensheid zoveel mogelijk geestelijks op de verstarde, liefdeloze wereld te veroveren, dat dan in het hemelrijk, na het gistingsproces, geestelijke vruchten zal dragen! Amen.

 

11

 

Zondag Sexagesima

 

De gelijkenis van de zaaier

 

Luc. 8,4-15: Toen er nu veel volk samenstroomde en uit elke stad mensen tot Hem kwamen, sprak Hij door een gelijkenis: Een zaaier ging uit om zijn zaad te zaaien. En bij het zaaien viel een deel langs de weg en het werd vertrapt en de vogelen des hemels aten het op. Een ander deel viel op de rotsbodem, en toen het opkwam, verdorde het, omdat het geen vochtigheid had. En een ander deel viel midden tussen de dorens, en de dorens kwamen tegelijk op en verstikten het. Een ander deel viel in goede aarde, en toen dat opgekomen was, bracht het hon­derdvoudige vrucht voort. Dit zeggende, riep Hij: Wie oren heeft om te horen, die hare. Zijn discipelen vroegen Hem, wat de bedoeling van deze gelijkenis was. En Hij zeide: U is het gegeven de geheimenissen van het Koninkrijk Gods te kennen, maar aan de anderen ( worden zij gepredikt) in gelijkenissen, opdat zij ziende niet zien en horende niet begrijpen. Dit is de gelijkenis: Het zaad is het woord Gods. Die langs de weg, zijn zij, die het gehoord hebben; daarna komt de duivel en neemt het woord uit hun hart weg, opdat zij niet zouden geloven en behouden worden. Die op de rotsbodem, zijn zij, die het woord, zodra zij het horen, met blijdschap ontvangen; en dezen hebben geen wortel, zij geloven voor een tijd en in een tijd van beproe­ving worden zij afvallig. Wat in de dorens viel, dat zijn zij, die het gehoord hebben; en gaande weg worden zij door zorgen en rijkdom en lusten des levens verstikt en zij brengen het niet tot vrucht. Dat in goede aarde, dat zijn zij, die met een goed en vroom hart het woord gehoord hebbende, dat vasthouden en vrucht dragen in volharding.

 

(20 jan. 1872)

 

Deze gelijkenis van de zaaier en het zaad, die Ik eens vertelde aan Mijn discipelen en aan het Mij omringende volk, is in de vorm zoals hij gegeven is gemakkelijk te begrijpen, temeer omdat zelfs in het evangelie de voor die tijd passende verklaring staat, zoals Ik die aan Mijn apostelen, doch niet aan het Mij toehorende volk heb gegeven.

Volgens deze verklaring is het zaad Mijn Woord. Waar dit op de wegvalt en vertrapt wordt typeert het de onverschilligheid van diegenen die het horen, maar zich er niet om bekommeren, het minachten en, alleen hun wereldse belangen huldigend, er verder geen aandacht aan schenken. De rotsachtige grond waarop het zaad valt typeert die harten die - zoals de geleerden en theologen - het zaad slechts in zoverre opnemen als het in hun wetenschappelijk systeem past. Zo gauw echter andere opvattingen bij hen gaan gelden, dan vindt dit zaad op de rotsachtige grond geen, of zeer weinig voeding en moet verdorren.

Wanneer het zaad tussen de doornen valt en daarmee opgroeit, wil dat zeggen, dat men Mijn Woord slechts in zoverre gelooft en er naar leeft, als het zich laat verenigen met de wereldse opvattingen. Is het daarmee in strijd of verlangt Mijn Woord opoffering en verloochening, dan wordt het aan de kant gezet en werpt derhalve ook geen vrucht af. Het blijft dan hoogstens bij mooie woorden, maar tot daden komt het niet.

Tot zover de verklaring, zoals Ik die reeds aan Mijn apostelen heb gegeven. Het komt er nu op aan, hoe deze gelijkenis betrekking heeft op de tegenwoordige tijd en of er niet nog een andere, belangrijker kant aan zit.

Voordat we met deze uitleg verder willen gaan, moeten wij eerst de volgende vragen beantwoorden: Wat is eigenlijk het zaad? Welk doel heeft het uitstrooien daarvan en wat is de bedoeling van de zaaier zelf? - Pas na het beantwoorden van deze vragen kan een juiste verklaring en bedoeling in geestelijke overeenstemming volgen; want over het alge­meen spreekt u heel wat woorden uit, maar bent u zich toch niet bewust van haar diepe en geestelijke betekenis. Slechts wie de diepste zin van de woorden en haar geestelijke overeenkomst kent, beheerst zijn taal. Hij heeft de gave om door de mond tonen voort te brengen, in geestelijke zin opgevat, en ieder woord dat uit zijn mond vloeit is een straal van het geestelijke, dat in hem de ziel verlicht, vergeestelijkt en haar trapsgewijs verder leidt tot aan de vereniging met Mij. Daarom is er tussen praten en spreken een groot verschil. Men kan veel praten ­en toch niets zeggen, terwijl de gewichtige betekenis van een geestelijk gesprek rijk aan inhoud blijkt te zijn. Daarom moeten we dus allereerst met het woord "zaad" beginnen

en zijn betekenis nader bekijken. Zie, in het zaad ligt de oneindigheid. Uit de zaadkorrel ontstaan voortdurend produkten van dezelfde soort als waar het zaad toe be­hoort. Zo was de schepping van de materiële wereld daarop gebaseerd, dat Ik slechts eenmaal de dingen afzonderlijk schiep. Ik legde in elk reeds de kiem tot verdere voortplanting, zodat de eerste werking, het uit zich­zelf ontwikkelen, in eeuwigheid niet meer zal ophouden zolang de elementen bestaan, die in de aardbodem en in de lucht voor de ontwikkeling van het zaad voorhanden zijn.

Zoals het zaad van een boom alle kiemen voor zijn toekomstige bestemming in zich draagt, zo is het ook bij Mijn Woord, dat als produkt van Mijn Geest voortdurend iets nieuws verwekt, nimmer vergaat en eeuwig voortduurt. - Daarom sprak Johannes: "In den beginne was het Woord en het Woord was God!"

Ook Ik ben de zaadkorrel waaruit telkens en eeuwig weer iets goddelijks voort zal komen. Waar dit Woord ergens als zaad valt, wekt het de grond waarop het viel op tot activiteit - vaakblijvend, vaak slechts voorbijgaand.

Omdat Ik echter ook de Zaaier ben, die Zijn zaad over de gehele schepping uitstrooit, komt het ook voor - zoals in de gelijkenis is gezegd - dat niet alle zaden gelijk gedijen. De een brengt meer, de ander minder en de derde totaal geen vrucht voort. Ten eerste omdat zelfs de werelden van Mijn schepping met hun bewoners niet allemaal op een en hetzelfde peil staan en ten tweede, omdat overal de mensen hun vrije wil hebben om te doen en te laten wat hun goeddunkt. Vandaar de verschillende geestelijke resultaten op alle hemellichamen en bij alle mensen, en vandaar de langere of kortere weg, die alle geschapen wezens moeten gaan om tot hun doel, tot vergeestelijking van hun ziel te komen.

Als Zaaier strooi Ik Mijn zaad overal uit. Wordt dat met onverschil­ligheid opgenomen, dan ligt de schuld bij die zielen zelf, wanneer zij dan door bittere gebeurtenissen een harde leerschool moeten doorma­ken. Waar Mijn zaad in stenen harten valt, waar het niet duurzaam kan zijn, omdat iedere lichte wereldlijke wind het verwaait en geen spoor van hem achterlaat, daar zal ook deze hardheid van hart met de tijd murw gemaakt worden. Waar Mijn zaad op een bodem met doornen valt en met onkruid opgroeit, daar zal zijn lot gelijk zijn aan dat van het onkruid, dat met de tijd uitgeroeid moet worden. Dan zal die mensen helemaal niets meer resten dan het volkomen braak liggen van de akker in hun harten, waarop niets blijvends kan voortkomen, noch kwaad, noch deugd. Alleen daar, waar Mijn Woord in goede aarde valt, waar de harten reeds eerder door Mij werden voorbereid, daar zal het zaad van Mijn Woord opkomen, bloeien en vruchten dragen, waaraan anderen dan een voorbeeld kunnen nemen.

Mijn woord dus, als zaad, werd en wordt nog dagelijks uitgezaaid om de mensen tot ware mensen, Mij waardig, te maken, opdat zij als evenbeeld van Mijn goddelijke Ik geleidelijk aan dat worden, waartoe Ik hen bestemd heb.

Te allen tijde, vanaf Mijn levenswandel op aarde, werd door Mij en Mijn uitverkorenen Mijn goddelijke Woord van liefde uitgezaaid. En omdat eertijds Mijn toehoorders uit verschillend geaarde mensen be­stonden, wilde Ik door de gelijkenis de één zijn lichtvaardigheid, de ander zijn onverschilligheid en de derde zijn verslaving aan de wereld laten zien en hen daarmee bewijzen wat het eindresultaat is, wanneer men Mijn Woord slechts hoort en niet in daden omzet. Wat Ik Mijn toehoorders en apostelen daar toeriep: "Wie oren heeft die hore!", dat zeg Ik nu weer, daar Ik als Zaaier spoedig zal komen om de oogst van Mijn zaad binnen te halen.

Mijn Woord als geestelijk zaad tot eeuwige gelukzaligheid is nu meer dan ooit op alle wegen vertrapt en door de vogels opgegeten, waarvan laatstgenoemden zich het Woord alleen voor hún interesse wilden toeëigenen. Het is allang op te steenachtige bodems van egoïstische harten gevallen, waar het, zonder voeding, verdorren moet. En waar nog hier en daar een halmpje bloeit, staat het tussen de geneugten van de wereld in, waar het slechts zolang geduld en verzorgd wordt als met de opvattingen van de wereld overeenstemt. Vraagt het echter offers, dan wordt het door groot en klein over boord geworpen.

Er zijn maar weinigen, die ondanks alle geschillen, strijden en lijden  Mijn Woord in hun hart bewaren, het zorgvuldig onderhouden en het ook in daden omzetten. Zoals Ik eens zei dat velen geroepen zijn om zich door het zaad van Mijn goddelijk Woord na dit korte bestaan op aarde in het hiernamaals een blijvende zaligheid te verwerven, zo zijn er onder deze vele geroepenen maar weinig uitverkorenen om de zegepalm te verkrijgen, die Ik zelf eens door het kruis en aan het kruis heb verworven.

Ik diende de mensheid als voorbeeld. Zoals Mijn leven zich niet onderscheidde door een voorname geboorte en andere gunstige om­standigheden en Ik tenslotte voor de menigte als misdadiger aan de schandpaal Mijn aardse leven moest beëindigen, evenzo vergaat het allen die Mij zullen volgen. Ook zij zullen vervolgd, veracht en mis­handeld worden. Zoals echter Mijn opstanding en later de terugkeer in Mijn rijk alle plannen van de mensen te niet deden en Ik vergeestelijkt in Mijn hemelen aankwam, zo zullen ook diegenen die hun hart als vruchtbare bodem voor Mijn woorden aanboden, eens oogsten wat Ik hier in hun borst gezaaid heb. Zij zullen beloond worden door het bewustzijn gestreden, geleden, maar ook overwonnen te hebben. Zij zullen het loon ontvangen omdat zij nooit - zoals onbezorgde wandelaars - Mijn op hun weg gestrooide liefdeszaad vertrapten, noch hun hart tot steen lieten worden, noch omwille van wereldlijke geneugten, die de doornen voor het geestelijke zijn, de ontkiemende vrucht ver­waarloosd hebben. Zij zullen als een vruchtbare bodem goede vruchten voortbrengen, zoals ook Ik eens zei: "Aan hun vruchten zult gij ze herkennen!"

Zo is het gezaaide rijp geworden, zodat eindelijk het kaf van het koren gescheiden wordt, de doornen en distels een reiniging als door vuur ondergaan en het rijpe koren in Mijn schuren gebracht wordt. Het begin van de schifting ziet u reeds overal. Ik kom om verantwoor­ding te vragen over Mijn uitgestrooid zaad. - Loon naar werken!

Mijn Woord is goddelijk zaad, is zaad van de eeuwigheid voor de eeuwigheid. Ook al wordt het zaad geminacht, ook al wordt het met voeten getreden, ook al groeit het tussen doornen op, - steeds blijft de goddelijke kiem, en één zaadkorrel is voldoende, om het goede in overvloed op te wekken en over de wereld uit te storten. Vandaar dat het niets uitmaakt, ook al werden duizenden zaadkorrels tevergeefs uitgestrooid. Die korrels, die in goede aarde, in gelovige harten vielen, zullen licht verspreiden over diegenen die in de duisternis zijn gebleven. En zo zal nooit vernietigd worden wat Ik als Schepper schiep, wat Ik als Jezus door de kruisdood bezegelde en wat Ik thans binnen korte tijd als Oogster van de geestelijke velden zal binnenhalen. Ook al zal de oogst gering zijn, dan ligt juist in het kleine het bewijs dat het grote nooit verwelkt en vergaat, als het, in het kleinste ingekapseld, in staat is om de grootste uitwerking voort te brengen.

Daarom laat ook u uw harten niet verstenen, niet met onkruid en distels begroeien! Houd ze steeds gereed, om Mijn Woord, dat op zulke verschillende manieren uw ziel verkwikt, ook daadwerkelijk te laten ontkiemen, opdat u niet het lot deelt met diegenen die Mijn Woord alleen oppervlakkig opnemen en dan, als het op daden aankomt, bewijzen, dat het zaad slechts aan de oppervlakte is blijven kleven en er nooit dieper is binnen gedrongen!

Bedenk goed: een zaaier zaait, om eens ook te oogsten! De tijd van de oogst komt naderbij! Zorg dat ook u gereed bent om in Mijn schuren te worden opgenomen, zodat u niet met de doornen en distels de langere weg naar verbetering moet gaan!

Daarom: Wie oren heeft, die hore, zolang er nog tijd is! Amen.

 

12

 

Zondag Estomihi

 

De genezing van een blinde

 

Luc. 18,35-43: Het geschiedde nu, toen Hij in de nabijheid van Jericho kwam, dat een blinde aan de weg zat te bedelen. Toen deze hoorde, dat er een schare voorbijging, vroeg hij, wat dit was. En zij vertelden hem, dat Jezus de Nazareeër voorbij­kwam. En hij riep en zeide: Jezus, Zoon van David, heb mede­lijden met mij! En die vooraan liepen, bestraften hem, dat hij zwijgen zou. Maar hij schreeuwde deste meer: Zoon van David, heb medelijden met mij! Jezus nu stond stil en liet hem bij Zich brengen. Toen hij naderbij gekomen was, vroeg Hij hem: Wat wilt gij, dat Ik u doen zal? Hij zeide: Here, dat ik ziende worde! En Jezus zeide tot hem: Word ziende; uw geloof heeft u behou­den. En terstond werd hij ziende en hij volgde Hem, God lovende. En al het volk zag het en gaf Gode lof.

(21 jan. 1872)

 

Hier hebt u een voorbeeld, hoe het vaste geloof van een blinde in Mijn almacht hem het licht van zijn ogen heeft teruggegeven. Hoeveel blinden zijn er tegenwoordig op uw aarde, die allen het licht erg nodig hebben en toch zijn er onder hen maar weinigen, die de drang voelen om het gezichtsvermogen terug te krijgen. De meesten zijn met hun geestelijke blindheid tevreden en zijn er net zo aan gewend geraakt als een blindgeborene, die, omdat hem het gezichtsvermogen vanaf de geboorte ontbreekt, zijn overige zintuigen en in het bijzonder de tastzin, zó verfijnd en geperfectioneerd heeft, dat deze laatste de eerste bijna helemaal vervangt. Zij zijn met hun toestand tevreden, omdat zij geen betere kennen. Zij klagen niet over het verlies van hun gezichtsvermogen, omdat ze geen idee hebben van wat het licht en zijn werking eigenlijk is.

Zoals deze blindgeborenen materieel gezien op deze manier voort­leven, zo leven duizenden mensen in geestelijke zin voort. Door opvoe­ding en omstandigheden werd hun niets verteld over het geestelijk licht of over hogere graden van inzicht, zelfs niet met betrekking tot het materiële. Voor hen bestaan alleen begrippen van de materie. Zij geloven dat alles materie is, dat de materie de eigenlijke wereld zou zijn, dat uit de materie alles zou worden geboren en dat alles weer zou terugkeren naar de materie.

Tot deze stokblinden behoren ook die geleerden en natuurvorsers, die zichzelf door de verkeerde richting van hun studie van het laatste vonkje geestelijk licht beroofd hebben. De eerstgenoemden zijn blind en weten niet waarom, - de laatsten willen blind zijn omdat het licht, wanneer dit bij hen zou binnendringen, niet zou overeenstemmen met hun denk - en leefwijze.

Behalve degenen, die met hun blindheid tevreden zijn, is er nog een ander soort blinden die de wens koesteren om ziende te worden. Dat zijn diegenen, die zoals de blinde bedelaar aan de levensweg zitten en de voorbijgangers, wanneer zij deze door het rumoer gewaar worden, om geestelijk voedsel vragen, opdat hun blindheid Of dragelijk Of geheel genezen mag worden.

Dergelijke blinden zijn die mensen, die tijdens hun levenswandel op veel gestoten zijn, wat hen tot nadenken zette en waarover zij graag licht en uitleg zouden willen hebben, maar die niet in staat zijn zichzelf uit de duisternis te bevrijden. Het is dat soort mensen dat religieuze ceremoniën huldigt, waaraan zij méér waarde hechten dan ze werkelijk hebben. In sommige gevallen voelen zij zeer goed dat boven deze cultus toch nog iets hogers, iets geestelijks is, dat hun werkelijke troost zou kunnen geven in die gevallen, waar de menselijke wijsheid hen in de steek laat.

Deze mensen zitten aan de grote levensweg van de geesten, die allen op weg zijn vorderingen te maken. Zij zijn het die als bedelaars om geestelijke aalmoezen vragen, opdat ook zij op de aardbodem, waar het lot hen geplaatst heeft, niet eeuwig blijven vastzitten, maar dat zij de geestelijke reis kunnen aanvaarden, die anderen ten deel viel, die zij aan zich voorbij voelen gaan. Velen trekken over deze grote weg van de geestelijke voortgang; maar niet iedereen voelt zich geroepen en aange­spoord om de smekenden te helpen. Zoals ook niet iedereen een bedelaar aalmoezen geeft, maar alleen diegenen die het begrip van de naastenliefde beter hebben verstaan. Zo wordt deze geestelijke bedelaars maar een karig levensonderhoud gegeven, omdat niemand - zij het uit gebrek aan kracht of uit gebrek aan kennis - de vragenden dat kan geven wat zij eigenlijk verlangen, dat wil zeggen het geestelijke zien, dat slechts weinigen van de voorbijgangers helemaal bezitten.

Opdat echter juist aan dezen, die naar goddelijke spijs hongeren en reikhalzend uitzien naar het licht der waarheid, hun wens vervuld zal worden, en dus het gezicht weergegeven zal worden aan diegenen, die met onwankelbaar vertrouwen allang op Mij wachten totdat Ik zelf, als de grote Lichtbrenger, hen dàt volledig geven zou, wat anderen hen slechts gedeeltelijk konden aanreiken - daarom heb Ik Mijzelf op weg begeven.

Zoals de bedelaar te Jericho Mijn stem van verre herkende en Mij smekend aanriep: "Zoon van David, heb medelijden met mij!", evenzo roepen velen Mij in hun zielenood aan en wel met het volste vertrou­wen, dat Ik hun smeken zal verhoren. Aan dezen kan Ik dan al Mijn genadelicht geven; want hun geloof heeft hen geholpen. Zij waren er vast van overtuigd dat Ik Diegene ben, die hen geestelijk licht kan brengen en hen de ware weg der zaligheid kan wijzen. Deze maak Ik ziende en leg hun de woorden in het hart: "Word ziende, uw geloof heeft u geholpen!"

U, Mijn kinderen, die allen zulke blinden waart, herkende Ik uit velen, omdat u Mij vanuit een innerlijke drang en behoefte allang hebt gezocht en hebt aangevoeld, dat de christelijke geloofskennis, zoals die u is aangeleerd, niet voldoende is om in alle voorvallen in het menselijk leven steeds de juiste troost te geven.

Ik liet u zoveel bittere geneesmiddelen proeven om u des te sneller te genezen van de verkeerde en valse opvattingen, die de wereld in u gelegd heeft. Door moeilijke omstandigheden voedde Ik u op tot voorvechters van Mijn leer, zoals deze nu spoedig over de hele aarde als enige zal erkend worden, opdat u niet alleen door woorden, maar ook door daden dat bewijzen moet, wat de woorden getuigen.

Enkelen van u schonk Ik de gave om Mijn stem direkt in hun innerlijk te vernemen, opdat Mijn eigenlijke leer, zoals Ik die voor het hele universum als eeuwig blijvend heb opgesteld, niet weer vervalst en anders uitgelegd zal worden, dan Ik haar tijdens Mijn levenswandel op aarde aan Mijn discipelen heb gegeven.

Destijds moest Ik Mijn Woord voor en hen voor de volgende generaties in gelijkenissen of in mystieke uitspraken hullen; want Ik wist wat de volgende generaties met deze woorden zouden doen. Ik wist hoe vele omwentelingen Mijn Woord in het sociale leven zou oproepen en hoe vele vervolgingen en onschuldige offers het Mijn aanhangers zou kosten. Opdat de vijanden, ondanks al hun ijver om de kern van Mijn leer te vernietigen, tot op de huidige dag alleen maar aan haar schil zouden knagen, sprak Ik in gelijkenissen.

In deze tijd, nu de mensheid rijp is geworden, en in plaats van slechts hier en daar iets uit het huidige godsdienstige gebouw te verwijderen, geneigd is om het hele gebouw met zijn bewoners omver te gooien, is het tijdstip gekomen waarop zuivere wijn in het algemeen genomen niet meer schadelijk is, maar voor de meerderheid alleen versterkend kan werken. Nu zijn de blinden aan de grote weg naar Mijn geestesrijk geschikt om het licht te ontvangen, dat allang in grote hoeveelheden op hen neerstroomt. Nu is het tijdstip gekomen waarop het grote gebouw van de priesterheerschappij - zoals eens de muur van Jericho ­door de bazuinstoten van Mijn goddelijke leer omver geworpen wordt, opdat de wachtende blinden achter deze muren het vrije uitzicht zullen krijgen over het dal van de Jordaan, in wiens golven Ik Mij eens liet dopen en waar de stem uit de hemel klonk: "Deze is Mijn Zoon, in wie Ik Mijn welbehagen heb!"

Zo moet ook u nu door Mijn Woord en Mijn licht uit de eeuwige bron van de onuitputtelijke stroom van Mijn genade gedoopt en ziende worden, opdat ook Ik kan uitroepen: U bent Mijn kinderen, in wie Ik Mijn welbehagen heb! U bent diegenen, die gedoopt met Mijn Geest en begiftigd met het geestelijke zien, aan de blinden die aan de weg des levens zitten en u aanspreken, het licht hebt door te geven, dat Ik u in zo'n grote overvloed en reeds sedert lange tijd heb gegeven.

Bereid u voor om waardige leerlingen van de Timmermanszoon, de Leraar en Verzoener aan het kruis en van de God en Vader te zijn, die ver boven alle ruimten uit met grote, helder lichtende letters Zijn twee liefdewetten in de hele schepping heeft gegrift.

Bereid u voor om licht te verspreiden waar blinden u daar om vragen, opdat ook zij de genade deelachtig mogen worden, opdat zij door direkte mededeling langs de kortste weg ervaren, wat anderen pas zeer laat, na veel moeite en tegenspoed hebben erkend, namelijk dat Ik - de Heer en Schepper van al wat bestaat - ook de Vader ben, die de smekende nooit iets weigert wanneer het goed voor hem is en die graag de blinde de ogen opent, zodat hij zijn Vader in de eenvoud van Jezus en in de heerlijkheid van de Schepper moge erkennen en eren! Amen.

 

13

 

Zondag Invocavit

 

De verzoeking in de woestijn

 

Matth. 4, 1-11: Toen werd Jezus door de Geest naar de woestijn geleid om verzocht te worden door de duivel. En nadat Hij veertig dagen en veertig nachten gevast had, kreeg Hij ten laatste honger. En de verzoeker kwam en zeide tot Hem: Indien Gij Gods Zoon zijt, zeg dan, dat deze stenen broden worden. Maar Hij antwoordde en zeide: Er staat geschreven: Niet alleen van brood zal de mens leven, maar van alle woord, dat uit de mond Gods uitgaat. Toen nam de duivel Hem mede naar de heilige stad en hij stelde Hem op de rand van het dak des tempels, en zeide tot Hem: Indien Gij Gods Zoon zijt, werp Uzelf dan naar beneden; er staat immers geschreven: Aan Zijn engelen zal Hij opdracht geven aangaande u, en op handen zullen zij u dragen, opdat Gij uw voet niet aan een steen stoot. Jezus zeide tot Hem: Er staat ook geschreven: Gij zult de Here, uw God, niet verzoe­ken. Wederom nam de duivel Hem mede naar een zeer hoge berg en hij toonde Hem al de koninkrijken der wereld en hun heerlijkheid, en zeide tot Hem: Dit alles zal ik u geven, indien Gij u onderwerpt en mij aanbidt. Toen zeide Jezus tot hem: Ga weg, satan! Er staat immers geschreven: De Here, uw God, zult gij aanbidden en Hem alleen dienen. Toen liet de duivel Hem met rust en zie, engelen kwamen en dienden Hem.

 

(21 jan. 1872)

 

Dit hoofdstuk gaat over Mijn verzoeking door satan tijdens Mijn levenswandel op aarde. Zoals deze verzoeking door satan in de evange­liën van Mijn apostelen staat opgetekend, moet deze niet letterlijk opgevat worden; want het is vanzelfsprekend dat satan Mij wel kende en in Jezus zijn Heer zag. Derhalve zou het ook geen verzoeking van zijn kant zijn geweest Mij aan te sporen, dat Ik uit stenen brood zou

maken - daar hij wel wist dat Ik bij machte was nog heel andere dingen te doen -, of Mij aan te raden dat Ik Mij van de kantelen van de tempel naar beneden zou werpen en er zou Mij, indien Ik Gods Zoon was, geen kwaad kunnen overkomen. Hij wist, toen hij Mij door de lucht vanuit de woestijn tot op de kantelen voerde, dat Ik noch de aarde geheel toebehoor, noch dat de aantrekkingskracht van deze planeet enige uitwerking op Mij zou kunnen hebben, wanneer Ik dat niet zou willen.

Of toen hij Mij op een berg leidde en Mij daar alles aanbood wat Mijn menselijk oog van daaruit zag, wist de satan goed dat hij zijn Heer en Schepper niet de nietige rijken van uw duistere aarde of de hele aarde zelf zou kunnen aanbieden; want hij kon Mijn onmetelijke scheppings­rijk als geen andere geest met zijn geestelijke ogen overzien.

U ziet, dat de woordelijke verklaring van deze passages - zoals zij in het evangelie opgetekend staan - niet de verklaring kan zijn die uit deze woorden moet worden opgemaakt. De zin van deze verzoeking en haar betekenis ligt dieper en heel ergens anders! Want deze verzoekingen, zoals ze in het evangelie beschreven staan, zijn misschien wel zo voor de mensen, maar voor de God en Schepper van al het eindige - al is Hij ook in mensengestalte - kunnen zij nooit en te nimmer iets dergelijks zijn en worden.

Zie, wanneer bij u een student zich op een examen voorbereidt, dan trekt hij zich gewoonlijk meer dan anders terug in zijn kamertje en studeert daar dagen en nachten lang. Hij ontzegt zich daarvoor veel werelds genot, hetzij in eten en drinken of in andere ontspanningen, opdat in het eerste geval de maag niet teveel invloed op zijn geest uitoefent en in het tweede geval de ontspanning zijn geest niet afleidt, terwijl hij zich voor zijn studie moet concentreren.

Wat ieder mens doet, die zich op een belangrijke stap in het leven voorbereidt, dat deed ook Ik!. Nadat de tijd was aangebroken waarop Ik Mijn taak als leraar zou beginnen - namelijk als mens, in een lichaam als omhulsel van Mijn Goddelijkheid -, moest ook Ik Mij concentreren en Mijn lichamelijk voedsel tot het meest noodzakelijke terugbrengen, omdat Mijn Geest met het geestelijke en het eeuwige bezig wilde zijn en niet beïnvloed mocht worden door de materie.

Mijn aardse mens vastte, terwijl Mijn geestelijke alle zaligheden in overvloed genoot, waartoe slechts een geestelijk wezen in staat is, dat met voorbijgaan aan al het grote en machtige, zich uit liefde voor de door Hem geschapen wezens en geesten wil opofferen.

Op die momenten kwamen alle invloeden van de menselijke harts­tochten op Mij af. Alleen daardoor, dat Ik geheel mens werd en het Goddelijke zich in Mijn binnenste terugtrok, kon Ik Mijn geesten het voorbeeld geven, hoe men kan zegevieren en hoe men alle aanvechtin­gen kan weerstaan. Ik wilde door deze proef allen als eeuwig voorbeeld voorgaan en hen laten begrijpen, dat diegene, die Mijn kind wil worden, dit alleen kan bereiken door de overwinning op de sterke kwade invloeden.

De honger was het eerste, wat Mij als aardse mens hinderde. De overwinning daarover staat in de woorden waarmee Ik de duivel geantwoord heb, toen hij zijn eerste aanbod deed, welke luiden: "De mens leeft niet van brood alleen, maar van ieder woord, dat komt uit de mond van God." Met andere woorden wil dat zeggen: Wanneer lijfelijke lusten de mensenziel bestormen, dan zal hij aan deze spreuk denken, omdat namelijk het geestelijke, innerlijke ik van de mens in de eerste plaats gevoed, verzorgd en opgevoed moet worden, ook al gaat dat zelfs ten koste van het lichaam. De uitspraak die Ik tot de duivel richtte luidt voor u aldus: "Bedenk steeds dat u geschapen bent ter vervolmaking van uw ziel en niet om uw lichaam te verzorgen!"

De tweede figuurlijk voorgestelde poging van de duivel bestond daarin, de goddelijke macht die in Mij woonde, te verleiden. Dat wil met andere woorden zeggen: De begeerte kwam over Mij om met Mijn goddelijke eigenschappen te gaan pochen.

Deze verzoeking is te vergelijken met die van een mens, die ­uitgerust met grote bekwaamheden en kennis, ja begiftigd met godde­lijke macht in staat is om dingen tot stand te brengen, die andere mensen niet kunnen en die hun daarom wel wonderen moeten lijken. Als hij dergelijke eigenschappen dan niet gebruikt, om zijn medemen­sen te helpen of om de heerlijkheid van de Gever te vergroten, maar deze misbruikt om ermee te pronken.

Hierbij hoort Mijn tweede antwoord aan de satan: "Gij zult uw Heer en God niet beproeven!" Dat wil zeggen: "Gij zult u niet aan de waan overgeven dat de Heer, ofschoon Hij u macht verleent, niet ook in staat zou zijn om u deze te ontnemen, zodra u deze tot uw eigen en niet tot Zijn doel wilt gebruiken!" Een dergelijke wens is een zich verheffen boven de eigen menselijke bekwaamheden, is misbruik maken van een goddelijk geschenk, dat bij succes niet de deemoed, maar slechts de hoogmoed zou voeden. Satan probeerde Mijn menselijke ijdelheid op te wekken en geloofde dat Ik misschien deze nederige plaats, waarin naar Mijn mening alleen het slagen van Mijn grote plan besloten lag, zou verlaten.

Het derde verzoek was Mijn heerszucht op te wekken; want in het menselijk hart liggen als basis voor alle anderen deze drie meest sterke hartstochten: ten eerste de hang naar een lichamelijk luxueus leven, ten tweede de wens om méér te zijn dan een ander - dat wil zeggen: door een sociaal schitterende plaats in te nemen waarin de middelen liggen ter bevrediging van de eerste hartstocht -, en eindelijk ten derde de zucht om in plaats van te gehoorzamen te kunnen heersen, om in plaats van de laatste de eerste te willen zijn, die anderen wetten voorschrijft, terwijl hij zichzelf boven iedere wet heeft verheven en zich aan het nakomen van ook maar de geringste wet heeft onttrokken.

Op deze derde poging van de satan luidde het antwoord: "Ga weg, satan; er staat immers geschreven: De Here uw God zult gij aanbidden en Hem alleen dienen!" Dat betekent met andere woorden: Weg met deze lage hartstocht van heerszucht, die alle andere hartstochten tot gevolg heeft, zoals hoogmoed, wraakzucht, toorn en vergelding! Het geestelijke in de mens gebied deemoed, liefde, vergeving en broeder­liefde. Het geestelijke, dat God de mens in het hart heeft gelegd, verlangt van u dat u zult afdalen, de kleinste zult worden en alle anderen zult willen dienen, - wanneer u eens over grote dingen gesteld wilt worden. U zult de wens om de anderen aan u te onderwerpen volledig moeten opgeven. U zult leren gehoorzamen, om eens te kunnen bevelen, maar dan niet bevelen met rechterlijke woorden, maar bevelen met liefde, met geduld en met de overtuiging, dat alleen langs deze weg het bevel nooit hard overkomt en nauwkeurig wordt opgevolgd, ­omdat de gehoorzame eveneens inziet, dat dit alles alleen voor zijn bestwil is. Op die manier dient dan de mens zijn God en Heer, waarbij hij, Mijn voorbeeld navolgend, in het kleinste en in het nederigste de grootste resultaten zal bereiken.

Zoals Ik als mens dus zelf eens alle menselijke hartstochten moest bevechten, die Ik als Schepper opzettelijk in uw natuur heb gelegd, evenzo moet ook u, wanneer u Mij wilt navolgen, hetzelfde doen. De machtige drang van het lichamelijk goede luxueuze leven moet u bestrijden, u moet al deze genietingen aan een hoger doel ondergeschikt maken, u bevrijden van bindingen die uw ziel vleugellam maken. U moet de ijdelheid - als eerste leugenaar - uit u verbannen, omdat zij uw eigen beeld mooier voorstelt dan het is en driften van de slechtste soort met spitsvondige wijsheid verontschuldigt, waardoor u dan vaak ge­looft, meer en beter te zijn dan u in werkelijkheid bent, - hetgeen u natuurlijk in uw vooruitgang moet hinderen.

Overschat uw eigen krachten niet! Dunk u zwak en onwaardig om in geloof en vertrouwen op Mij sterk te worden, dan zal de derde slechte eigenschap, de heerszucht, u niet overmannen en u niet tot slaaf van uzelf maken! Er is niets slechters in de wereld, dan steeds de eigendunk te hebben iets beter te zijn dan anderen en om steeds te proberen iedere druk van gehoorzaamheid te ontwijken en altijd over de schouders van anderen omhoog te klimmen, waarbij dan de één enkel heer, en de anderen slaven zijn. Om te heersen over anderen zijn heel andere eigenschappen nodig dan die, welke nu op uw aarde naar heerschappij over hun medemensen streven. Kijk maar naar Mijzelf, om een goede maatstaf te hebben! Hoe heers Ik? Heers Ik met geweld? Heers Ik door onmiddellijke bestraffing of door onverbiddelijk rechterschap over gevallenen en verdwaalden? Zeker niet! Zoals u Mij kent, kunt u zien dat Ik alleen door en met Mijn alles omvattende liefde heers, dat vergeving Mijn eerste principe is en dat Ik niet diegene vervolg die misschien buiten zijn schuld dwaalt, maar hem geduldig alle middelen op zijn weg zal zetten, opdat hij zich zal beteren.

Al het kwaad dat zich in de wereld ogenschijnlijk als zodanig laat aanzien is niet door Mij geschapen, maar een produkt van het misbruik van de vrije wil van de kant van de mensen. Zij kunnen als vrije schepselen doen wat zij willen, maar moeten de gevolgen daarvan ook alleen aan zichzelf toeschrijven, - zoals Ik in het Woord over de waarheid zei: Er is slechts één waarheid en wie daartegen zondigt moet de gevolgen van de leugen voelen!

Zo is dit evangelie een voorbeeld, hoe Ik als mens ondanks Mijn hoge machtspositie de hartstochten met kracht bestreed, om u en alle geesten te laten zien dat het kwaad, ook al heb Ik het in de wereld toegelaten, toch slechts ten goede, tot vooruitgang dient.

God alleen zult u dienen; u dient Hem echter alleen wanneer u de grote liefdegeboden onderhoudt, die u ertoe zullen aansporen om uw lichaam te beheersen en om de slechte ziele eigenschappen van ijdelheid en heerszucht te bestrijden. Alleen door verloochening en bestrijding van deze sterke drang van uw menselijke natuur zult u eens in Mijn rijk begrijpen wat het betekent om over veel geplaatst te worden, of wat de spreuk betekent: "Wie zich zelf vernedert, zal verhoogd worden!"

Ook daar zult u deze gelijksoortige eigenschappen weer aantreffen, - de eerste weliswaar niet in materieel, maar in geestelijk opzicht, dat wil zeggen: als begeerte alles te willen weten en begrijpen. De andere twee eigenschappen zullen in het hiernamaals machtiger dan hier in u naar voren treden; want daar is het bewustzijn van een kracht nog groter dan hier. Dat kunt u duidelijk zien aan Lucifer en zijn scharen, die ­eveneens in het bewustzijn van hun kracht - het evenwicht verloren, van deemoed omsloegen naar overmoed en daarna als satan zelf zelfs over Mij wilden heersen.

Om daar de juiste maat te weten hoe en wanneer men zijn krachten gebruiken mag, om te begrijpen hoeveel kennis bij iedere opdracht noodzakelijk zal zijn, om te weten dat men in het hiernamaals, ofschoon men over veel geplaatst wordt, toch het geringste wezen waarmee men in aanraking komt tot dienaar moet zijn, - daartoe moeten deze hartstochten reeds hier in dit beproevingsleven bestreden en bedwon­gen worden, opdat men ook in die omstandigheden, van grotere macht voorzien, hun heer kan zijn.

Neemt u daarom Mijn woorden ter harte! U kent niet de helft van uw missie, u kent nog voor geen derde deel uw eigen natuur en u weet al helemaal niet waarom u zo en niet anders geschapen bent. U hebt nog heel veel last van staar aan uw ogen. Het licht van Mijn wijsheid kan nog niet tot uw binnenste doordringen, hoogstens roert af en toe een vonkje liefde uw hart en laat u voelen dat er nog iets hogers, iets groters bestaat. Maar nauwelijks verlicht deze lichtstraal het binnenka­mertje van uw hart, of deze drie hartstochten - egoïsme, ijdelheid en heerszucht -, verduisteren dit weer. Zij fluisteren u duizend uitvluchten in het oor: "Ja, men kan zich toch niet helemaal van de wereld losmaken!?", "Ja, zo kan men niet leven!", "Ja, zo is de wereld nu eenmaal gemaakt!" enz., - enkel uitvluchten van traagheid, omdat u allen weliswaar toehoorders van Mijn woorden bent, maar geen daders wilt worden!

Juist nu, waar u van zondag tot zondag Mijn evangelie wordt uitgelegd zoals u het nog nooit hebt gehoord, juist nu zou Ik u tot nadenken over Mijn menswording willen dwingen, opdat u haar omvang en belang enigszins zou mogen erkennen en inzien wat het betekenen wil: God, de Schepper van de hele oneindigheid, daalde naar uw aarde af en nog wel in de nederigste omstandigheden. Hij liet zich door u, verdwaalde en blinde schepselen vervolgen en zelfs lichamelijk kruisigen! Hij maakte alle fasen van uw leven door, bestreed de men­selijke hartstochten om juist aan u en alle geesten als lichtend voorbeeld voor alle tijden voorop te gaan. Hij liet zien dat, wil men geestelijk op Hem gelijken, men ook het geestelijke als het hoogste moet achten en daaraan al het andere onderwerpen, om zo de meest machtige harts­tochten te bestrijden en eens waardig te worden ook andere geesten als voorganger en leider te dienen en door de daad te bewijzen, dat de mens niet alleen van het materiële, maar bovenal van geestelijk voedsel leeft. Hij liet zien dat men God in Zijn genade niet moet beproeven, maar dat men, Zijn twee liefdegeboden onderhoudend, zichzelf en anderen daarheen leidt, waar Hij, de Vader van allen, u reeds lang wilde hebben, namelijk: in Zijn rijk als Zijn waardige kinderen. Amen.

 

14

 

Zondag Reminiscere

 

De verheerlijking van Jezus

 

Matth. 17, 1-13: En zes dagen later nam Jezus Petrus en Jakobus en zijn broeder Johannes mede en Hij leidde hen een hoge berg op, in de eenzaamheid. En Zijn gedaante veranderde voor hun ogen en Zijn gelaat straalde gelijk de zon en Zijn klederen werden wit als het licht. En zie, hun verschenen Mozes en Elia, die met Hem spraken. Petrus antwoordde en zeide tot Jezus: Here, het is goed, dat wij hier zijn; indien Gij het wilt, zal ik hier drie tenten opslaan, voor U één, en voor Mozes één, en voor Elia één. Terwijl hij nog sprak, zie, daar overschaduwde hen een lichtende wolk, en zie, een stem uit de wolk zeide: Deze is Mijn Zoon, de geliefde, in wie Ik Mijn welbehagen heb, hoort naar Hem! Toen de discipelen dit hoorden, wierpen zij zich op hun aangezicht ter aarde en werden zeer bevreesd. En Jezus kwam bij hen, raakte hen aan en zeide: Staat op en weest niet bevreesd. Toen zij hun ogen opsloegen, zagen zij niemand dan Jezus alleen. En terwijl zij van de berg afdaalden, gebood Jezus hun, zeggende: Vertelt niemand dit gezicht, voordat de Zoon des mensen uit de doden is opgewekt. En de discipelen vroegen Hem en zeiden: Hoe kunnen dan de schriftgeleerden zeggen, dat Elia eerst moet komen? Hij antwoordde en zeide: Elia zal wel komen en alles herstellen, maar Ik zeg u, dat Elia reeds gekomen is en zij hebben hem niet erkend, maar met hem gedaan al wat zij wilden. Zó zal ook de Zoon des mensen door hen moeten lijden. Toen begrepen de discipelen, dat Hij over Johannes de Doper tot hen gesproken had.

 

(25 jan. 1872)

 

Hier heeft u weer een voorval uit Mijn aardse levenswandel, dat diepe en hemelse betekenissen in zich bergt en, zoals. eens voor de discipelen die Mij begeleidden, ook voor u en de hele mensheid een betekenisvolle gebeurtenis is, die in zijn geestelijke overeenkomst van grote draagwijd­te is voor de toekomst die u tegemoet gaat. Wij willen dit voorval overdenken en verduidelijken wat het in die tijd voor Mijn discipelen voor een betekenis had, om daarna over te gaan tot zijn geestelijke, grote overeenkomst: hoe, wanneer en waar het zich in de huidige tijd herhaalt en hoe het nu als herscheppingswerk net zo'n uitwerking zal hebben als eens op de drie discipelen, die Mij begeleidden en op hun verdere levens - en handelswijze.

Het evangelie zegt dat Ik Mijn discipelen Petrus, Jakobus en Johan­nes mee nam een berg op. Daar zagen zij Mij verheerlijkt, dat wil zeggen: zij zagen Mij met hun geestelijke ogen als Diegene die Ik eigenlijk ben, was en zal zijn. Zij zagen Mij voor zich als een hoge geest, wiens kleed, de waarheid, overeenkomstig wit was en wiens aangezicht straalde als de zon, dat wil zeggen: straalde van liefde. Zij zagen daarnaast de twee machtige steunpilaren van Mijn gehele toekomstige leerschool, die het meeste er toe bijdroegen om Mijn werk te verlichten en die de voorlopers en wegbereiders waren, - zij zagen Mozes en Elia, met wie Ik sprak. Verder hoorden zij een stem vanuit een wolk de woorden spreken, die eveneens bij Mijn doop in de Jordaan hadden geklonken: "Deze is Mijn geliefde Zoon, in wie Ik welbehagen heb; luistert naar Hem!"

Dit gezicht, dat door Mij aan de drie discipelen werd gegeven, had ten doel hun een voorproef te geven van hun eigen bestemming. Petrus, die Ik de "Rots" noemde waarop Ik Mijn kerk wilde bouwen, had een soortgelijke opdracht als eens Mozes, die het joodse volk op Mijn komst voorbereidde. Hij gaf hun wetten en gedragsregels, die het joodse volk gemakkelijker kon aannemen dan ieder ander, om het tot uitverkoren volk te maken, in wiens midden Ik besloten was neer te dalen op uw aarde.

Zoals Elia, na zijn hernieuwde incarnatie in de menselijke vorm als Johannes de Doper in het kleine hetzelfde voltrok wat Mozes in het groot moest bewerken, zo was Johannes, Mijn geliefde leerling, be­stemd - door zijn speciale werken en doordat juist hij langer in leven bleef dan al zijn overige medediscipelen -, nog tijdens zijn laatste jaren in zijn openbaring aan de wereld haar geestelijke weg tot aan de loutering vooruit te beschrijven en om een getuigenis achter te laten dat de wetten - het zij morele of fysieke -, niet met voeten getreden mogen worden.

Deze discipelen als nog levenden en Mozes en Elia als gestorvenen werd het gegund getuige te zijn en Mij in Mijn volle heerlijkheid te aanschouwen, Mij als Diegene te erkennen voor wiens grote geestelijke rijk zij alles moesten opofferen, om de duurzaamheid van Mijn werk te grondvesten.

Zij zagen Mij in die glorie, die een menselijk hart in zijn aardse omhulsel slechts enkele ogenblikken kan verdragen, en juist deze nooit vermoede zaligheid en vreugde was aanleiding voor Petrus om uit te roepen: "Heer, het is goed hier te zijn; indien Gij wilt, zullen wij hier drie tenten opslaan!"

Maar, omdat zulke momenten slechts als opwekking, aanmoediging en versterking dienen, wanneer gevaar dreigt of wankelmoedigheid het hart besluipt, waren zij van korte duur. Opdat zij echter van duurzame werking zouden blijven in de herinnering, weerklonken nog vanuit de witte wolk, als geestelijke overschaduwing van Mijn persoon, die geheimzinnige, belangrijke woorden: "Deze is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik welbehagen heb; luistert naar Hem!" De stem raadde Mijn discipelen dus aan om nog meer aandacht aan Mijn woorden te schenken en deze diep in het hart te prenten, opdat eens uit hen de groene boom des levens zal opgroeien, die de hele mensheid bescher­mend in zij n schaduw zal verzamelen, waar zij beschutting en weerstand zal vinden tegen alle leed en onrecht.

De reden, dat Ik de discipelen opdracht gaf om over dit voorval te zwijgen totdat Ik Mijn leerstelsel met Mijn opstanding bekroond zou hebben, bestaat daarin, dat de andere discipelen aan het gezicht getwij­feld of het niet begrepen zouden hebben. Ook Mijn discipelen hadden, zoals alle mensen, niet hetzelfde bevattingsvermogen.

Dit was de eigenlijke toedracht van dit indrukwekkende gebeuren, dat zich ook nu moet herhalen.

Wat in die tijd Mozes deed, die het joodse volk op Mijn leer voorbereidde, dat is later eveneens door Petrus als grondvester van de kerk gebeurd. Wat Elia als Johannes de Doper toentertijd was, is in uw tijd de schare van die mannen geweest, die de op Petrus gegrondveste kerk moesten reinigen en louteren, opdat zij de eigenlijke, geestelijke waarde niet helemaal zou verliezen.

Wat destijds Petrus als toekomstige steunpilaar van Mijn leer was, dat 'lullen nu weer andere mannen worden, die Mijn rijk opnieuw oprichten. En zoals het joodse volk in Mijn tijd door zijn Farizeeën en schriftgeleerden op een dwaalspoor werd gebracht, zo leeft nu eveneens de hele mensheid in ceremoniën en gebruiken, leeft in de vervulling van de letter, zonder de geestelijke betekenis van de woorden van Mijn toch zo eenvoudig evangelie te begrijpen. Er moeten dus juist nu weer mannen zijn, die Mijn leer opnieuw naar haar oorspronkelijke basis, naar Mijn eigen woorden terugvoeren.

Ook al zullen deze geroepen mannen niet meteen zegevieren bij hun poging om de hele mensheid te onderrichten - zoals het ook Mijn discipelen niet in één keer gelukt is -, zo zijn zij toch bestemd het zaad uit te strooien. Of dit nu overal in goede aarde of op de weg of op steenachtige bodem zal vallen, doet niets ter zake. Het ontkiemende zaad zal het verloren gegane wel vervangen en de geestelijke grond zo voorbereiden, dat hij waardig zal zijn om Mijn wederkomst met vreugde te verwachten.

Zoals Ik destijds de discipelen met Mij op een hoogte voerde en hen een klein voorproefje gaf van het loon, dat hen wacht wanneer zij trouw in Mij volharden, zo gebeurt het ook nu nog, dat Ik menigeen van de Mij toegewijden, die zich in een eenzaam kamertje of bij nachtelijke stilte aan Mij overgeeft, eveneens ver boven de aardse wereld wegvoer en hem daar als een groot vergezicht de glorierijke toekomst laat zien, die hij kan verwachten wanneer hij Mij en Mijn leer trouw blijft. Ja, Ik laat menigeen zelfs de hele zaligheid van Mijn machtige invloed in zijn hart voelen, waarbij Ik hem een glimp van de hoogste waarheid in het rooskleurige licht van de liefde laat zien en hem zo in een heerlijk visioen Mijn eigen Ik bekend maak, uitgedrukt in een zaligheid die niet hier, maar alleen in hogere sferen in geestelijke omhulling mogelijk zal zijn te verdragen.

Mozes bouwde in de mozaïsche wet zijn onomstotelijke grondstel­lingen van de joodse godsdienst op de ene idee: Er is slechts één God! En daardoor was het joodse volk - en geen ander - geschikt om Mij in de toekomst tot de zijnen te kunnen rekenen. Want omdat in die tijd overal veelgodendom heerste, zou het onmogelijk geweest zijn om alle goden in één keer te verwijderen en daar een enkele voor in de plaats te zetten. Bij de Joden echter bestond de éne God; daarom had dus bij hen de opbouw van een goddelijke religie gemakkelijker plaats.

Zo was Mozes een voorbereider, zoals een arbeider in de wijngaard, die de aarde omspit. Na hem kwam diegene die de druivestok snoeit, dat was Elia. Hij snoeide in zijn tijd, - en later nogmaals als Johannes de Doper - de druivetakken en bevorderde door deze snoei de vitaliteit om betere vruchten voort te brengen, opdat dan de oogster met zijn voorwerkers tevreden zou zijn. Zo was Johannes de Doper de tweede arbeider in Mijn wijngaard, totdat Ik zelf kwam en de laatste hand legde, het ontbrekende aanvulde en de vrucht tot rijpheid bracht, dat wil zeggen: dat Ik uit de in ontbindingstoestand rond de stam van de druivestok liggende aarde nieuw leven opriep, dat zich via de stam verfijnde en van de grove materie tot de hogere, geestelijke vrucht, de druif werd gerijpt en opgevoed.

Zoals Mozes voorheen, was Petrus later de rots waarop Mijn kerk werd gegrondvest. Alle omwentelingen en stormen konden haar niet vernietigen. Zij werd weliswaar vaak genoeg verminkt door de heers­zuchten macht van enkele mensen; maar zoals eens voor Mijn apostelen Mijn verheerlijking werd toegelaten, waarbij door Mijn aardse vorm heen Mijn geestelijk, goddelijke scheen, zo gebeurt het ook nu: uit de aardse pronk en de ceremoniën van de katholieke cultus en zijn dwaalleer begint het geestelijk gewaad door te schijnen. De verheldering en verlichting begint. Uit de nacht komt de schemering voort, en uit de schemering - de dag!

Het licht van de zo lang achter gehouden waarheid breekt door. In alle gemoederen leeft het vermoeden van een hogere vervoering, een verlichting. Allen voelen de geestelijke wind, die door het wereldlijke heen waait en de slapenden wekt. Zoals wanneer een lichtstraal door het raam op een slapende valt en deze, door diens levenskracht gewekt, zich in zijn bed begint om te draaien en toch niet weet wat er met hem gebeurt, - zo breekt deze verlichting aan. Het schemert reeds in vele hoofden.

Mozes bereidde het met hem levende joodse volk op Mijn ontvangst

voor, Petrus het na hem komende geslacht en de in de huidige tijd door Mijn leer begeesterde leraren, die nog komen, zullen de Johannessen zijn, die - zoals eens Mijn discipel - ook Mijn geliefden worden en tot op hun oude dag getuigen van Mijn liefde en Mijn genade zullen zijn. Zo voltrekt zich telkens een soortgelijk geestelijk louteringsproces, allereerst van het vaste tot het lichtere, dan van het lichtere tot het vluchtige en van het vluchtige tot het etherische en uiteindelijk tot het geestelijke!

Zoals Ik destijds aan het kruis werd genageld en Mijn leer gehoond en Mijn discipelen beschimpt en vervolgd werden, zo zal het weer zijn. In plaats van Mijn persoon zullen de mensen Mijn leer aan het kruis slaan en honen. Mijn strijders zullen eveneens tegen allerlei krenkingen en onrecht moeten vechten; maar ook zij zullen overwinnend voortgaan en Mij dan bij Mijn aanstaande wederkomst verheerlijkt aanschouwen, en de stem van hun geweten zal hen dan toeroepen: "Gezegend zijt gij, omdat u aan Deze trouw bent gebleven, Zijn woord hebt gehoord en uitgevoerd en ook aan anderen hebt meegedeeld op de manier, zoals Hij wilde dat ze door de mensen begrepen zou worden.

De verheerlijking zal dan echter niet - zoals eens bij Mijn discipelen - een einde hebben, maar Mijn voorvechters zullen Mij eeuwig van aangezicht tot aangezicht kunnen zien en zullen zich met allen die hen in het hiernamaals zijn voorgegaan, kunnen verheugen over Mijn en hun overwinning.

Dit is de overeenkomstige betekenis van de verheerlijking. Streeft ook u er naar dat u dit deelachtig moogt worden, opdat ook u tot diegenen gerekend kunt worden, die, al het wereldse achter zich latend, alleen Mij en Mijn leer tot hoofddoel van hun leven en hun streven hebben gemaakt! Dan zult u op momenten van hoogste zaligheid, waarop uw geestelijke oog geopend wordt, Hem in persoon verheerlijkt kunnen zien, die u al zo lang met Zijn zegenrijke woorden overlaadt en tot Zijn kinderen zou willen maken. Amen.

 

15

 

Zondag Oculi

 

De uitdrijving van een duivel

 

Luc. 11, 14-28: En Hij was bezig een boze geest uit te drijven en deze was stom. En het geschiedde, toen de geest uitgevaren was, dat de stomme sprak. En de scharen verwonderden zich. Doch sommigen van hen zeiden: Door Beëlzebub, de overste der boze geesten, drijft Hij de geesten uit. Anderen begeerden, om Hem te verzoeken, van Hem een teken uit de hemel. Maar Hij kende hun gedachten en zeide tot hen: Ieder koninkrijk, dat tegen zichzelf verdeeld is, gaat ten onder, en het ene huis valt op het andere. Indien ook de satan tegen zichzelf verdeeld is, hoe zal zijn koninkrijk kunnen standhouden? Want gij zegt, dat Ik door Beëlzebub de boze geesten uitdrijf, door wie doen uw zonen het dan? Daarom zullen zij rechters over u zijn. Maar indien Ik door de vinger Gods de boze geesten uitdrijf, dan is het Konink­rijk Gods over u gekomen. Wanneer een sterke, goed gewapende man zijn eigen hof bewaakt, is zijn bezit in veiligheid. Maar wanneer iemand, die sterker is dan hij, hem aanvalt en hem overwint, rooft deze zijn wapenrusting, waarop hij vertrouwde, en verdeelt zijn buit. Wie met Mij niet is, die is tegen Mij en wie met Mij niet bijeenbrengt, die verstrooit. Zodra de onreine geest van de mens is uitgevaren, gaat hij door dorre plaatsen om rust te zoeken, en als hij die niet vindt, zegt hij: Ik zal terugkeren naar mijn huis, waar ik ben uitgevaren. En als hij komt, vindt hij het geveegd en op orde. Dan trekt hij heen en neemt zeven andere geesten mede, bozer dan hij zelf; en zij komen binnen en wonen daar. En het wordt met die mens in het einde erger dan in het begin. En het geschiedde, toen Hij deze dingen sprak, dat een vrouw uit de schare haar stem verhief en tot Hem zeide: Zalig de schoot, die U heeft gedragen, en de borsten, die Gij hebt gezogen. Maar Hij zeide: Zeker, zalig, die het woord Gods horen en het bewaren.

 

(27 juni 1872)

 

Om deze daad te begrijpen en te waarderen, moet u eerst weten hoe de duivels bij de mensen binnenkomen en wat zij inderdaad zijn, opdat u het uitdrijven van hen begrijpelijker kan worden. Om u dit duidelijk onder ogen te brengen, moet Ik het verder uitdiepen en u naar vroegere tijden terugvoeren, waarin nog geen materiële wereld, maar alleen de geestelijke wereld bestond. Uit overmoed en trots misbruikte de eerste engel, lichtdrager tot in de verste ruimten van de geestenhemel, zijn macht en kwam met zijn aanhang tegen Mij in opstand. Daar zowel hij als zijn medeplichtigen niets van een terugkeer wilden weten, werden zij in de materie verban­nen en moesten langs lange wegen van louteringsfasen de terugkeer naar hun eens gewezen betere toestand aanvaarden. Dit louteringsproces duurt ook vandaag nog voort, totdat allen weer dat geworden zijn wat zij eens waren, namelijk: Erkenners van Mijn macht en liefde en werkzame bevorderaars van Mijn grote scheppingsplan.

Welnu, in dat verre verleden, waarin - zoals nu nog geldt - de individuele vrijheid van de geest als onaantastbaar werd vastgelegd, stond het de geesten, en ook satan zelf, vrij om van hun verkeerde richting terug te keren of niet. Daar de geesten echter niet allen gelijk in kennis, goedheid en inzicht waren - zoals er ook vandaag nog geen twee schepselen bestaan die geestelijk gelijk zijn - zo was de manier waarop die wezens dachten en handelden zeer verschillend. De een was tevreden met zijn geestelijk niveau, de ander niet. De een was standvastig en weerstond de aanvechtingen van het kwaad, de ander daarente­gen weerstreefde de invloed van het betere. - Zo bestond er niet één gelijkmatig geordende gradatie, maar zoveel geestelijk denkende schep­selen er waren, evenzo veelzijdig waren ook de opvattingen en voorstel­lingen van Mij, van de wereld en van de noodzakelijke vooruitgang.

Deze grote verscheidenheid, die zowel bij de goede geesten, als ook bij de slechten voorkomt, die liever satan als de hoogste aanzien - zoals de goeden Mij - bepaalde juist het geestelijk leven en streven, dat noodzakelijk is om het grote geestenrijk in stand te houden.

Ofschoon de grote massa gevallen geesten onder hun hoofdaanvoer­ders een andere richting insloeg dan die voor allen bestemd was, zo moest toch ook hun handelen, dat inging tegen Mij en Mijn principe van het goede, slechts Mijn doel dienen. Zij zullen in de resultaten, die niet met hun wensen overeenstemmen, Mijn almacht moeten erken­nen, waaraan zij zich - ze mogen doen wat ze willen - niet kunnen onttrekken.

Hetzelfde bestaan en handelen van de geesten doet zich voor bij de zielen van alle werelden waarvan zij zijn teruggeroepen, die in het hiernamaals leven. Ook zij hebben een vrije wil. Zij kunnen voor- of achteruit gaan, kunnen doen wat zij willen, kunnen in een minuut van de helse kwelling van een geweten vol wroeging tot de zaligheid van een engel geraken, kunnen blijven wat zij tijdens hun aardse leven waren of door omgang met andere, slechtere zielen zelfs nog erger, nog slechter worden. Hun invloedsfeer is door niets beperkt dan door de be­staansconditie, welke iedere geestelijke fase met zich mee brengt.

Oorspronkelijke, nog niet geïncarneerde geesten, zowel als afgeschei­denen uit menselijke lichamen, die geen aandrang hebben om vooruit te gaan, zoeken - daar werkzaamheid een levenswet is zonder wie niets kan bestaan - zich bezig te houden, waarbij zij proberen om Of geesten Of nog levende wezens wier neiging een beïnvloeding toelaat, naar zich toe te trekken om hen hun opvattingen en neigingen bij te brengen. Daardoor komt het dat de mens, hoe meer hij aan zijn kwade en slechte hartstochten toegeeft, steeds gemakkelijker aan deze invloed uit het hiernamaals onderworpen is en uiteindelijk helemaal ten prooi valt aan deze kwade, door verveling geplaagde geesten. Zoals door schrijven, kloppen en dergelijke middelen de geesten op sommige ontvankelijke zielen kunnen inwerken en indirect ten minste er toe bijdragen, dat de ongelovigen tot de erkenning komen: "Er is een andere wereld!", evenzo werken de slechte geesten van gestorvenen op het gemoed, ja op het lichamelijke organisme van de mens in, waarvan razernij en andere ziekten de uiterlijke zichtbare gevolgen zijn.

Zo zou u, wanneer u met geestelijke ogen kon kijken, een hele nieuwe wereld in en rondom u kunnen aanschouwen, die evenals de uiterlijke materiële wereld zich inspant om u de weg naar Mij zoveel mogelijk te bemoeilijken. Vandaar ook dat Ik eens Mijn discipelen in de hof van Gethsémané toeriep: "Waakt en bidt, opdat ge niet in verzoeking valt!"

Deze geestelijke invloeden zijn in het begin zo mild en zacht - hun verderfelijke gif onder spitsvondige motieven van eigenliefde verber­gend -, dat een fijn gevoel en constante waakzaamheid nodig zijn, om niet in plaats van de eigen wil de wil van anderen te doen. Is men echter standvastig en bemerkt de kwade of slechte geest dat er aan zijn invloeden geen gehoor wordt gegeven, dan laat hij zijn plannen varen, omdat ook hij zijn tijd niet onnodig wil verliezen.

Dit onzichtbare beïnvloeden en veranderen van de materie, dit ontstaan en vergaan en in-andere-vormen-overgaan, dit alles zou u - als u het geestelijk gezicht bezat - in de geestelijke wereld zich op nog grotere schaal voor uw ogen zien afspelen, omdat u de geesten zou doorzien en reeds bij voorbaat zou kunnen merken, welk idee de een of de ander beweegt om dit of dat te doen. U zou voor deze geestelijke wereld een heel andere maatstaf moeten aanleggen als voor uw materiële wereld, omdat daar de gedachten al gewogen worden, terwijl in uw zichtbare wereld duizend gedachten ongemerkt aan u voorbij gaan, totdat misschien pas de laatste, door de daad, het idee van een ander levend wezen verraadt.

U zou zich erover verbazen, hoe de overgegane zielen daar aanko­men, hoe zij door andere geesten Of met liefde Of met haat ontvangen worden. U zou verbaasd staan welke morele strijd een ziel daar moet doormaken totdat zij haar weg zelfstandig kan gaan. Daar helpt geen verstoppen, geen huichelen en geen simuleren. Daar is de mens als geest slechts de afdruk van zijn geestelijke ik, dat hij hier op aarde verwierf, weliswaar niet door daden, maar reeds door gedachten; want deze waren de oorzaak van de daden en deze geven ook in de geestelijke wereld de doorslag. Iedere gedachte, die vluchtig door uw hoofd of hart gaat, staat in uw innerlijke geestelijke mens als een onherroepelijke afdruk inge­prent en zal eens de uiterlijke geestelijke bekleding van uw zielemens bepalen.

Als de mensen zouden weten wat zij doen, wanneer zij Of met wrok van deze aarde scheiden, Of wanneer de achtergeblevenen de overledene vervloeken, dan zouden zij huiveren van de gevolgen van zulke gedach­ten; want dergelijke gedachten zijn in staat om de overledenen ­natuurlijk op geestelijk gebied - kwelling op kwelling te bezorgen en in hen de wens te ontsteken de nog levenden met wraak te ontvangen. Let daarom scherp op uw gedachten! U roept vaak met één gedachte een leger gelijkgezinde, slechte geesten uit de andere wereld in uw nabijheid. Terwijl u gelooft dat u alleen deze gedachte de vrije loop liet, zijn het deze geesten die u in hun netten trachten te verstrikken, die er op uit zijn om uw goede eigenschappen te vernietigen om dan het besluit tot een boosaardige daad tot rijpheid te brengen, hetgeen weer verstrek­kende gevolgen heeft voor u en voor de andere mensen en geesten.

Dit is wat het evangelie zeggen wil, wanneer Ik over de machtige boze geest, die bij de zieke of stomme uitgedreven werd, zei dat hij eenzaam en woest rondwaarde, om daarna weer terug te keren met zeven andere geesten, die erger waren dan hijzelf.

Dat is het geestelijk beeld van een mens, die wel een hartstocht overwint en gelooft een duivel van zich te hebben verwijderd, maar die zich dan achteloos weer aan deze gedachten, zijn lievelingsideeën overgeeft. Deze mens koestert een vlammetje en zoals de muggen van verre het licht bemerkend allen daar op af komen, evenzo is deze geestelijke gedachtengang een licht dat in de geestenwereld als leidraad dient juist voor de in het duister tastende geesten. Daar stromen zij heen en beginnen hun duivelse spel met versterkte en vereende kracht, totdat de gekwelde mens in hun net valt en hier op aarde en daar in het hiernamaals gedurende lange tijd voor Mijn rijk verloren is.

De andere wereld, de wereld van het onzichtbare, is niet zo rooskleu­rig als uw priesters ze u voorstellen; zij is echter ook niet zo hels, als de fantasie van bepaalde geloofsfanatici u die zouden willen voorschilde­ren. Het hele schilderij houdt het volgende in: Zoals de mens geestelijk gesteld is, zo ondergaat hij ook de geestelijke wereld. Zo ziet hij immers ook de materiële wereld, zij het aan deze of aan gene zijde, dat blijft hetzelfde.

Een veredeld, rein en Mij toegewijd hart zal daar niets van dat alles zien, zoals het ook hier niets daarvan zag. Het zal daar verdwaalde, zoals hier verdwaalde mensen, zien en ieder helpend ondersteunen zoals het tijdens zijn leven gedaan heeft. Als de ziel vrede meebrengt, dan vindt zij daar vrede; brengt zij haat en trots mee dan zal zij daar ook hetzelfde van anderen ervaren en datzelfde ook anderen aandoen.

In Mijn schepping geldt slechts één wet, - het is de wet van de zwaartekracht, de aantrekkingskracht. Het materiële wordt door deze wet versterkt en in stand gehouden; het geestelijke eveneens. Hoe zwaarder, dat wil zeggen hoe massiever een lichaam is, des te groter is de kracht die zijn oerelementen samenbindt; hij is steen en is op vaste grond gebouwd. Hoe lichter de substanties zijn en hoe kleiner hun bindkracht is, des te gemakkelijker is hun opheffing mogelijk. Hoe vaster de atomen zijn samengevoegd, hoe minder zij in staat zijn om licht en warmte op te nemen; hoe lichter zij zijn, des te meer zijn zij ontvankelijk voor hetgeen van boven komt.

Zo is het ook in de geestelijke wereld. Het morele gewicht bindt de geesten aan de materie; hoe lichter het is, hoe eerder zij zich van de materie kunnen verwijderen. In het eerste geval zijn de geesten duister, in het tweede des te lichter. De duistere geesten zijn het dus, die zich aan het licht van anderen willen optrekken en warmen, omdat het hun zelf aan warmte ontbreekt. Daarom trachten zij of, als zij slecht willen blijven, anderen mee te sleuren in de duisternis, ofwel zichzelf uit de duisternis vrij te maken.

Zo is het met het hele geestelijke doen en laten in de hele ether gesteld: eeuwige strijd naast rust, vervolging en afstoting naast éénwor­ding en liefdevol samenzijn, omdat de geesten hun geestelijke proces moeten volbrengen. Op tijd komt het niet aan; want de eeuwigheid is lang. Niemand wordt gedwongen; wat hij wil zijn, dat is hij, of zoals Paulus zei: "Zoals de boom valt, zo blijft hij liggen!"

Daarom, doe alle moeite om reeds hier zoveel kracht te verwerven dat u daar de verzoekingen kunt weerstaan en ook meteen met de betere geesten samenkomt, bij wie natuurlijk van strijd en verleiding geen sprake is! Onthoud u van vervloekingen en verwensingen; want de op deze wijze beledigde en in hun vooruitgang belemmerde geesten pro­beren zich te wreken! Kunnen zij het hier niet, dan verwachten zij u zeker daar, om u datgene te vergelden, waar u zich in blinde eigenliefde aan hebt schuldig gemaakt.

In het evangelie zei Ik: "Wie niet met Mij is, die is tegen Mij; wie

niet met Mij verzamelt, die verstrooit!" Onthoud dit goed; het bete­kent: Er zijn slechts twee wegen; naar Mij toe en van Mij af] Daarom zalig diegenen onder u, die Mijn woord horen en er ook naar zullen handelen! Veel zal hen in de andere wereld bespaard blijven, wat anders een onvermijdelijk gevolg zou zijn geweest voor hun aardse handelwij­ze.

Ik zou u nog veel over die wereld kunnen vertellen. U hebt er reeds een vluchtige blik in mogen werpen in de beschrijving van de "geeste­lijke zon"*.(. "Die geistige Sonne", ontvangen door Jakob Lorber; uitg. Lorber Verlag, Bietigheim) Dit is weliswaar een vluchtige schets van de grote waarheid, maar goed doordacht voldoet zij als waarschuwing om Mij niet later te beschuldigen dat Ik u geen blik heb gegund in die wereld, die eens uw verblijf zal zijn, en wel voor een heel wat langere tijd.

De extreme gevallen, waarbij één of zelfs meerdere boze geesten een mens dermate in hun greep hebben, dat zelfs zijn fysiek organisme in hun macht is, zijn zeldzaam en dikwijls om goede redenen toegelaten. Om zulke zieke en door boze geesten bezeten mensen te genezen is een wilskrachtig, religieus persoon nodig, die Mij en Mijn macht kent en ook het vertrouwen in Mij heeft, dat Ik hem help wanneer hij daar om vraagt. Daar kan dan door gebed en handoplegging in Mijn naam geholpen worden, zoals Ik dat tijdens Mijn aardse leven gedaan heb; alleen moet steeds daarbij gedacht worden: als het Mijn heilige wil is, dat het zal geschieden!

Hier heeft u een klein beeld uit het grote geestenleven, dat Ik u bij deze gelegenheid uit het evangelie wilde geven. Het is zó belangrijk, dat u niet alleen maar zou kennen wat u ziet, maar u moet ook stilaan leren begrijpen wat buiten de zichtbare wereld bestaat, wat zijn stempel daarop heeft gelegd en verreweg het grootste en belangrijkste deel van Mijn rijk uitmaakt.

Ik ben geest, u bent geest, en zelfs de materie zal nog geestelijk worden. Om zo deze grote kringloop met al zijn fasen te kennen, te overzien en om zich een eigen plaats daarin te verwerven, dat is de opdracht die u werd gegeven. Om deze gemakkelijker te volbrengen schuw Ik geen middel om de onvermijdelijke weg voor u draaglijker en korter te maken, opdat u reeds hier het meeste en het zwaarste onder de knie krijgt - en daar slechts het mindere en het lichtere hebt te overwinnen. Amen.

 

 

16

 

Zondag Laetare

 

De spijziging van de vijfduizend

 

Joh. 6, 1-15: Daarna vertrok Jezus naar de overzijde van de zee van Tiberias in Galilea. En Hem volgde een grote schare, omdat zij de tekenen zagen, die Hij aan zieken verrichtte. En Jezus ging de berg op en zat daar neder met Zijn discipelen. En het Pascha, het feest der Joden, was nabij. Toen Jezus dan de ogen opsloeg en zag, dat een grote schare tot Hem kwam, zeide Hij tot Filippus: Waar zullen wij broden kopen, dat dezen kunnen eten? Maar dit zeide Hij om hem op de proef te stellen, want Hij wist zelf, wat Hij doen zou. Filippus antwoordde Hem: Tweehonderd schellingen brood is voor dezen niet genoeg, als ieder een kleine hoeveelheid zal krijgen. Een van Zijn discipelen, Andreas, de broeder van Simon Petrus, zeide tot Hem: Hier is een jongen, die vijf gerstebroden en twee vissen heeft; maar wat betekent dit voor zovelen? Jezus zeide: Laat de mensen gaan zitten. Nu was er veel gras op die plaats. De mannen gingen dus zitten, ten getale van omstreeks vijfduizend. Jezus dan nam de broden, dankte en verdeelde ze onder hen, die daar zaten, evenzo van de vissen, zoveel zij wensten. En toen zij verzadigd waren, zeide Hij tot Zijn discipelen: Verzamelt de overgebleven brok­ken van de vijf gerstebroden, die overgeschoten waren, nadat men gegeten had. Toen dan de mensen zagen, welk teken Hij verricht had, zeiden zij: Deze is waarlijk de profeet, die in de wereld komen zou. Daar Jezus bemerkte, dat zij zouden komen en Hem met geweld meevoeren om Hem koning te maken, trok Hij zich weder terug in het gebergte, geheel alleen.

 

(16 febr. 1872)

 

Hier heeft u een van die daden voor u, die bij de Joden het meeste opzien baarden en wel dermate, dat de ooggetuigen Mij tot hun koning wilden uitroepen en Mij derhalve dwongen om voor hun plannen uit te wijken, waarop Ik Mij op de berg alleen in de eenzaamheid terugtrok. De handeling op zichzelf nu, waarbij Ik er voor zorgde dat uit de stoffen van de lucht de vijf gerstebroden en de twee vissen zich telkens vermenigvuldigden, en wel zo, dat zij ruim voldoende waren voor de vijfduizend man en van het brood nog twaalf volle korven overbleven, is voor Mij als Heer en Schepper niet zo'n grote en gewichtige daad geweest. Voor de mensen om Mij heen echter was het wel een wonder, dat Mijn goddelijke afkomst en Mijn macht voldoende bewees. Het werd door de Joden niet geestelijk, maar overeenkomstig hun materiële belangen opgevat, daar zij Mij na deze handeling tot hun koning wilden uitroepen. Ik moest Mij van hen terugtrekken; want ten eerste was dit niet het doel van Mijn leven op aarde, en ten tweede was Mijn tijd van het "verhoogd worden" nog niet gekomen, dit woord dat, - hoe vaak Ik het ook uitsprak - eveneens nooit werd begrepen, totdat de kruisiging het duidelijk maakte en Mijn hemelvaart ook geestelijk de verhoging in vervulling deed gaan.

De handeling van het verdelen van de gerstebroden en vissen heeft echter haar geestelijke overeenkomst, die eigenlijk het wezenlijke uit­maakt. Ik heb u al eens gezegd, dat Mijn hele aardse levenswandel en in het bijzonder de jaren van Mijn onderrichten en Mijn tijdens deze periode gesproken woorden en uitgevoerde daden zich bij Mijn toe­komstige wederkomst zullen herhalen, en wel geestelijk.

Zo is ook deze handeling een van die, welke nu in geestelijke zin plaats vindt. Wat eens voor de vijfduizend heeft gegolden, geldt nu voor de mensen in het algemeen. Destijds betrof Mijn werkgebied het joodse volk, als het met Mij levende meest ontvankelijke deel van de mensheid, en hun land als de voor Mijn daden uitgekozen wereld. Nu, daar Mijn leer over de hele aarde is uitgebreid en, ofschoon maar door weinigen opgevolgd, toch bij velen bekend is, - nu is ook iedere daad uit die tijd, wanneer zij zich herhaalt zoals Ik heb aangeduid, in ruime re en geeste­lijke zin op te vatten.

N u is de vraag: Wat hebben de gerstebroden en de vissen te beteke­nen? Waarom waren het slechts vijf gerstebroden en twee vissen? Want zie, bij Gods handelingen heeft alles een geestelijke en diepe betekenis en het is niet zoals bij de mensen, die vaak veel spreken of zelfs handelen, maar niet in het minste weten wat men zegt of doet.

Om nu het eerste - namelijk de vraag: Wat waren de gerstebroden en wat waren de vissen? - te verklaren, moet Ik u er op wijzen uit welk deel van de aarde het ene en van waar het andere zijn oorsprong heeft. De gerstebroden zijn afkomstig uit de aarde, van waaruit het koren uit de donkerte der aarde opgroeiend zich omhoog werkt naar meer zonlicht, waardoor datgene wat in de aarde is opgezogen door licht en warmte tot een vrucht rijpt. Deze vrucht wordt dan, omdat ze geeste­lijke elementen bevat, door het bereiden van brood geschikt om deze stoffen uit de aarde in geestelijk hogere van het menselijk lichaam te veranderen.

De broden zijn dus het resultaat van aardse en hemelse processen. De vissen zijn produkten van de in het water aanwezige stoffen, die tot levende wezens zijn uitgegroeid.

Het water zelf is een licht beweeglijk element, is verdichte lucht. En zoals lucht verdichte ether is en de ether de geboorteplaats van alle elementen, zo is de lucht de verwekker van de stoffen in het water en het water zelf weer de verwekker van de vaste aarddelen en de daarop voorkomende planten en dieren. Het water was en is de grote moeder waaruit uw aardbol ontstond en nu nog kunt u zien, wanneer u de lichamen van de levende wezens, ja zelfs uw eigen lichaam chemisch onderzoekt, dat het water de drager, voeder en bewaarder van uw eigen lichaam is.

Wat de vogels in de lucht zijn, dat zijn de vissen in het water; zij zijn de vogels in de verdichte lucht. Zoals het gerstekoren, vanuit de grove materie tot aan een hogere geestelijke trap zich omhoog worstelend, geschikt wordt om als compenserende stof door het menselijk lichaam te worden opgenomen, zo is de vis eveneens een bestanddeel van de in het water opgeloste stoffen, die, in hem tot vaste, lichamelijke materie omgevormd, geschikt gemaakt kunnen worden om zich met de be­standdelen van het menselijk lichaam te verbinden. Alleen moeten van tevoren door de warmte van de lucht of van het vuur zijn vastere delen van de lichtdelen gescheiden worden, dat wil zeggen hij moet gedroogd of gekookt worden om in het organisme van de mens tot nut te zijn, zoals ook het gerstekoren, nadat het gemalen, tot deeg gemengd en door de warmte weer is ontdaan van haar waterige bestanddelen, als gezonde voeding voor de mens kan dienen.

Nu hebben we dus de bestanddelen van het brood en die van de vissen uiteengezet; het gaat nu dus nog om het aantal. Waarom waren het juist vijf broden en twee vissen?

Wel, wanneer u deze voorwerpen optelt krijgt u het getal zeven, een getal, dat in alle dingen min of meer aanwezig is en telkens met het getal drie een factor uitmaakt, die tot schepping, instandhouding en verandering van elk ding nodig is, wanneer het naar hogere niveaus wil opklimmen.

Het getal zeven is net als het getal drie, één van Mijn basisgetallen die Ik in Mijzelf, als God, Schepper en Heer, voorstel.

Zie, wanneer u het getal zeven nauwkeurig bekijkt dan zult u ontdekken, dat drie getallen aan de ene, drie aan de andere kant en het vierde in het midden staat. Dat betekent: Het Goddelijkheidsgetal drie ligt in het Godsgetal zeven tweemaal vervat en is zo gevormd dat juist het vierde getal in het midden, verenigd met de beide drie aan iedere kant, het heilige getal zeven oplevert, dat Mijn geestelijke Ik uitdrukt.*

Wanneer in ieder geschapen wezen het getal drie als principe van zijn bestaan nodig is, zo komt in de Godheid dit getal zelfs tweemaal voor, en nog wel met toevoeging van een midden, waaromheen zich al het andere schaart.

De geschapen wezens kunnen wel het getal drie in haar hoogste volkomenheid bereiken, zoals de engelgeesten, - maar de Godheid heeft steeds hetzelfde getal in dubbele mate met een onbereikbaar midden, wat Hem kenmerkt als Heer van het geschapene.

Dat u het getal zeven in zoveel voorwerpen terugvindt heeft als reden, dat deze voorwerpen, waarin dit getal het meest naar voren treedt, het dichtst bij de Schepper van al wat is staan en zuivere uitvloeisels van Hem zelf zijn. Zo ziet u bijvoorbeeld het getal zeven in de kleuren en de tonen, omdat juist de lichtstralen in hun breking materieel de zeven eigenschappen van de Schepper in zich dragen, en de tonen de zeven grote harmonische wetten van het geestelijke leven.

 

*** ☺ ***

 

Wilt u nu dit getal zeven van de broden en de vissen in woorden uitgedrukt lezen, dan zien zij er als volgt uit: Bemin God boven alles en de naasten als u zelf!

De eerste vier woorden duiden de gerstebroden aan, die de mens geestelijk voeden en hem tot het hogere, geestelijke "zijn" moet uitrij­pen, waarvan de eerste drie weer de graad van de liefde tot God uitdrukken, terwijl de andere drie de maat van de naastenliefde aange­ven. Het woord "alles" en het voegwoord "en" duiden het middelpunt van de goddelijke liefde aan, dat wil zeggen de liefde tot God moet boven alles staan, die echter alleen door de verbinding met de volgende drie – de naasten als uzelf - uitgevoerd kan worden. Want u kunt Mij als God niet liefhebben zonder de naastenliefde; u kunt Mij niet boven alles liefhebben, wanneer u niet uw naasten als u zelf liefhebt.

Dus de drie eerste woorden kunnen wel bereikt worden, evenals de drielaatste, alleen het middelste "alles" met daarbij het voegwoord "en" geven de onbereikbaarheid aan, hoewel eeuwige voortgang mogelijk is; want - wat is "alles", en waar eindigt de naastenliefde?

Het "alles", evenals de grootste naasten - en Vaderliefde culmineren alleen in Mij. Ik alleen ben verzadigd van deze liefde. Ik alleen repre­senteer het "alles" in zijn hele oneindigheid, en in Mijn onuitputtelijke lankmoedigheid en geduld ziet u de naasten -, of broeder - en Vaderlief­de op haar hoogste niveau in Mij verenigd.

Zoals Ik u eerder zei, dat de gerstekorrel uit de donkere aarde naar het licht toe worstelend, zijn vrucht tot rijpheid brengt, zo is het ook met de liefde tot God, die de materiële mens uit zijn duistere hartstoch­ten naar het hogere morele licht moet verheffen en leiden.

En zoals Ik u zei, dat de vissen produkten van de verdichte lucht zijn, dus van een lichter element dan de aarde, zo moet de naastenliefde, - u van het vaste materiële aftrekkend en in plaats van de zorg voor u zelf, ruimte makend voor meer geestelijke gevoelens in uw harten - de gelijkvormigheid met de liefde tot God uitdrukken; want alleen in de naastenliefde kunt u tonen hoe lief u God hebt en het onbereikbare "alles" krijgt daar een benaderende maatstaf in het woord "zoals u zelf'. Zoals het brood gemaakt wordt uit gemalen koren onder invloed van water en warmte, zo moet ook de liefde tot God ontstaan uit de vernietiging van het materiële, verwarmd door Mijn leer. En zoals de vissen worden gedroogd of gekookt, zo moet ook de naastenliefde onder de zon van de eeuwige liefde al haar egoïstische bijgedachten opgeven, zich met volle ijver aan het welzijn van de medebroeders wijden en moet de mens geen andere maatstaf voor zijn handelingen erkennen dan "voor u, en niet voor mij!"

Steeds zal de drang, waaronder deze twee wetten moeten worden onderhouden, levendiger worden; en het tijdstip zal ook moeten komen waarop de hele mensheid, verzadigd van deze zeven hemelse woorden, Mij tot haar koning zal uitroepen. Dan zal Ik Mij echter niet - zoals eens - verbergen en de wensen van Mijn kinderen ontwijken, maar in alle glorie en macht tot allen komen die Mij gezocht, bevochten en gevonden hebben.

Geen koning zullen zij echter vinden, maar een Herder, die Zijn schapen in de velden van het licht zal leiden, waar elk materieel streven heeft opgehouden te bestaan en waar in een eeuwig geestelijke vooruit­gang de steeds meer toenemende liefde tot God en de naastenliefde vreugde op vreugde en zaligheid op zaligheid zal bieden, om u te bewijzen dat Ik dat, wat Ik eens met vijf broden en twee vissen heb gedaan, nu ook met zeven woorden van de meest grote geestelijke inhoud eveneens heb bereikt, namelijk: zoals eens de materiële verza­diging van Mijn toehoorders en volgelingen, zo nu de verzadiging van Mijn vergeestelijkte kinderen. Zo is altijd, ook in het kleinste woord uit Mijn aardse loopbaan, een steen gelegd voor het grote geestesge­bouw dat eens komen zal, waarin alles zijn eindbestemming zal vinden die, in het tussen de drietallen in staande midden, Mijn Ik, met Mijn geestelijke en materiële schepping het "alles" uitmaakt, waaruit alles voortkwam en waarheen alles weer zal en moet terugkeren. Amen.

 

17

 

Zondag Judica

 

De Joden proberen Jezus te stenigen

 

Joh. 8, 59: Zij namen dan stenen op om naar Hem te werpen; maar Jezus verborg Zich en verliet de tempel.

 

(17 febr. 1872)

 

Hier hebt u weer een bewijs, hoe slecht het merendeel van het joodse volk Mij, Mijn missie, Mijn herkomst en Mijn leer begreep.

Wanneer u dit hoofdstuk van het begin tot aan het einde leest moet u toegeven, dat Ik stromen van licht over Mijn toehoorders in de tempel uitgoot; maar het was tevergeefs! De meesten vatten Mijn woorden letterlijk op, de Farizeeën en schriftgeleerden, gekrenkt door Mijn diep treffende woorden over de echtbreekster, maakten zich uit de voeten en de overigen, met hun bekrompen inzicht, begrepen niet wat Ik zei. Dit verkeerde uitleggen van Mijn woorden in die tijd bestaat van­daag de dag nog net zo, en misschien wel in nog grotere mate. Want terwijl toen het verstand van elk mens de Bijbel en Mijn woord letterlijk opvatte, willen nu uw geleerden en natuurvorsers u vanuit de zichtbare natuur bewijzen, dat er noch een God, noch een Schepper bestaat en dat daarom ook geen van Zijn woorden - hetzij door profeten of door Jezus gesproken - van goddelijke oorsprong is. Destijds wilden de Joden Mij stenigen omdat Ik hen niet alleen de waarheid in het gezicht zei, maar omdat Ik Mij aanmatigde om over Mijn goddelijke afkomst te spreken, waarvan zij geen begrip hadden of zoiets wel mogelijk was.

De Joden in die tijd onderhielden hun tempelregels weliswaar streng naar de letter, maar maakten zich de leer van Mozes zo gemakkelijk mogelijk. Het was daarom niets anders te verwachten dan dat Mijn leer, die de geest van de dode letter scheidde, hen niet kon bevallen, omdat zij zich bij het onderhouden van Mijn leer moesten inperken en hun hartstochten in toom zouden moeten houden. Zij waren - wat vandaag de dag nog vele duizenden zijn - louter tempelgangers en ceremonie­ vierders. In dit opzicht hadden de priesters hun volk zo opgevoed, opdat zij het in de hand konden houden en zij het naar hun eigen belang konden uitbuiten zoals zij wilden.

Neem de geschiedenis ter hand en lees haar aandachtig door, dan zult u zien, dat vanaf de tijd, dat er een kerk met de daartoe behorende priesters in het leven werd geroepen, het onderricht van Mijn apostelen al snel werd uitgebuit met het doel, de priesterstand macht en aanzien te verschaffen. Daarop was immers ook in Mijn tijd het hoofddoel van de tempel te Jeruzalem gericht. De opvoeding van jonge mannen voor deze kaste werd volgens plan georganiseerd, opdat zij vooral niets anders zouden leren en begrijpen dan wat de belangen van de hele priesterstand ten goede kwam. Zo ontstonden dan als gevolg van de te grote misstanden de godsdienstoorlogen, de vervolging en de scheiding in de twee hoofdkampen, de katholieken en de protestanten, die steeds in de verklaring naar de letter hun heil zochten en wederom in meerdere sekten uiteenvielen, wier basis - Mijn leer - volkomen hetzelfde was en om de uitleg waarvan zij elkaar bestreden.

In deze tijd, nu het reinigingsproces is begonnen, komt dezelfde strijd weer op, alleen langs een vreedzamer weg. Nu bestrijden de sekten en kasten elkaar weer. Sommige mannen wensen een uitzuivering van de grote hoeveelheid ceremoniële gebruiken, die het hele godsdienstige gebouw bijna verbergen. Zij willen deze terugbrengen tot de eerste cultus, die eenvoudig was en waarin iedere ceremonie, wanneer die werd vastgesteld, een geestelijke grondslag had, die ook de niet-priester of leek kon begrijpen. Ook deze mannen dwalen nog; want zij lijden onder de last van de genoten opvoeding, ook zij begrijpen nog niet helemaal wat Ik eens zei: dat Mijn woord geest en waarheid is, en dat wie Mij aanbidden wil, Mij in geest en waarheid moet aanbidden.

Verschillende van Mijn apostelen raadden de gemeenten, die zich destijds gevormd hadden, de ceremoniële gebruiken af. Want de cere­monie doodt de geest en wordt gemakkelijk misverstaan; er wordt haar meer belang toegekend dan haar toekomt en zij leidt alles bij elkaar genomen in plaats van tot Mij, van Mij af.

Dit vurig verlangen, dat thans vele gemoederen bezig houdt en dat een godsdienstcultus tot doel heeft, die meer overeenstemt met de tijdgeest en de vorming van de thans levende christenheid, is echter de overgang naar de laatste geestelijke en hoogste cultus, die op gang wordt gebracht door Mijn direkte mededelingen, die Ik u reeds meer dan dertig jaar doe toekomen.

Nog zijn er velen, bij wie Mijn leer niet strookt met hun wereldse opvattingen en die deze zouden willen doodslaan, zoals eens de Joden Mij wilden stenigen. Ook nu gaat Mijn leer dwars door deze hinder­nissen heen haar eigen weg. Zij zal voor de mensheid toegankelijk worden, wanneer het geschikte tijdstip door bittere rampen, tegen­spoed en lijden naderbij gebracht zal zijn, wanneer alle bedrieglijke verwachtingen op wereldse macht en grootheid in hun naaktheid zullen staan als dwaallichten, die de hen volgende mensen in modder en moeras terecht deden komen in plaats van op droge grond. Dan pas zal het heldere inzicht van Mijn woorden zich doen gelden en zelfs diegenen tot geloof dwingen, die voorheen, steunend op hun verstan­delijk weten, reeds zeker meenden dat er geen God zou zijn, maar de god - althans voor deze aarde - waren zij zelf, namelijk de verstandsmens met zijn uitgekiende hersenschimmen. Mijn leer zal hen allemaal te schande maken en zij zullen noodgedwongen moeten inzien, dat datgene, wat zij anderen wilden doen geloven - namelijk dat er geen God zou zijn - een verkeerde gevolgtrekking was van al hun gestudeerd­heid.

Zoals Ik destijds in de tempel voor Mijn moordenaars ben uitgewe­ken, omdat Mijn tijd nog niet gekomen was, zo wijkt ook nu nog Mijn leer, zoals u haar ontvangt, uit voor de critici. En mocht hier of daar de een of ander haar, zoals eens de Joden Mij, tot de dood willen verdoe­men en al zijn giftig venijn erover uitstorten, dan schaadt hij alleen zichzelf; want de tijd zal ook hem wat anders leren en hem bewijzen, dat datgene wat Ik wil zal gebeuren en niet datgene wat hij met zijn bekrompen inzicht zou willen hebben.

Nog menigeen zal stenen naar Mijn leer gooien, stenen van harde woorden, die de zachtmoedige leer der liefde onder hun last moeten dooddrukken. Maar vrees niet dat zij zullen overwinnen! Want zoals destijds Mijn Ik ook voorbestemd was om nog zwaardere proeven te doorstaan, totdat Mijn verheerlijking volbracht en het einde van Mijn missie bereikt was, evenzo wordt ook Mijn leer gestenigd, verdoemd, gehoond en gekruisigd om daarna, schijnbaar overwonnen, in het graf te worden gelegd, waaruit zij echter - zoals eens Ikzelf, de dood overwinnend - glorierijk zal opstaan.

Want dit moet u bedenken: Hoe meer Mijn leer terrein wint, des te meer zullen de hinderpalen zich tegen haar opstapelen; want zij tast velen aan in hun stoffelijk, en nog meer in hun geestelijk welzijn, in hun tot nu toe gewende levens - en denkwijze. Het moet zo zijn, opdat tot aan Mijn volgende komst zich alles herhaalt wat eens zichtbaar de kern van Mijn drie leerjaren uitmaakte. Daar legde Ik het zaad van Mijn leer onder de distels en doornen, en weinig vruchtbare aarde nam het op, zoals het het verdiend zou hebben. Het woekerde evenwel voort, ofschoon slechts op enkele plaatsen. Ook nu valt Mijn woord, dat de mensen vrij wil maken, op rotsige bodem, door weinigen bemerkt, door de meesten vertrapt en door de schade speurende vossen met vernieti­ging bedreigd. En toch zal het tot volle ontwikkeling komen en tot een hemelse bloem worden, die Ik eens zelf op uw kleine aarde heb gebracht en die Ik u overhandigde gelijk een roos, die door haar welriekende geur het gevoel streelt, maar heel gemakkelijk een onvoorzichtige hand door haar doornen kan verwonden!

De roos is de mooiste bloem op uw aarde, omdat zij met de aangename geur ook de mooiste kleuren verenigt, waarvan de ene liefde en de ander de wijsheid uitdrukt. Zoals nu de roos in haar bekoorlijk kleed schoonheid verenigt met welriekende geur, zo laat ook Mijn woord, het woord der liefde, gepaard met goede daden, iedere aanbid­der de bekoorlijkheid van Mijn goddelijke wezen aanvoelen.

De doornen zijn de wereldse hartstochten, die allereerst door strijd en lijden uit de weg geruimd moeten worden. En daarom wil de roos eigenlijk zeggen: "Ik kan niet bestaan zonder doornen!" Deze moeten overwonnen worden. Zoals nu de roos door haar doornen elektriciteit opzuigt en deze tot verfraaiing van haar eigen ik gebruikt, evenzo zal een ieder, die Mijn leer wil navolgen en naleven, de onaangename wereldse dingen zo benutten, dat eveneens uit hen, zoals uit de doornen bij de roos, iets geestelijks en verhevens opgroeit.

Onderhoud ook u Mijn woorden! Lees ze niet als tijdverdrijf; want er zou een tijd kunnen komen, die u dit genoegen verjaagt of vergalt, wanneer u niet door gedachten en daden uw ik hebt veredeld! Handel naar Mijn woorden, opdat u, gewapend met het bewustzijn van goede daden, niet zoals het merendeel hongerig aan de letters zult hangen, maar verrukking en zaligheid zult drinken aan de levensbron van de eeuwige liefde. Vergeet Mij, Mijn woord en Mijn goddelijke liefde als uw "Vader", ook bij tegenspoed niet, en houd het vaandel van het geloof en het vertouwen hoog en zend Mij - zoals misschien velen ­geen stenen van onwil, maar woorden van zegen en dankbaarheid tegemoet, wanneer Ik zal komen om aan de standvastigen de palmen van de overwinning te overhandigen. Amen.

 

18

 

Palmzondag

 

De intocht van Jezus in Jeruzalem

 

Matth. 21, 1-9: En toen zij Jeruzalem naderden en te Betfage kwamen, aan de Olijfberg, toen zond Jezus twee discipelen uit, tot wie Hij zeide: Gaat naar het dorp, dat tegenover u ligt, en terstond zult gij een ezelin vastgebonden vinden, en een veulen bij haar. Maakt haar los en brengt haar tot Mij. En indien iemand u iets erover mocht zeggen, zegt dan: De Here heeft ze nodig. Hij zal ze terstond terugzenden. Dit is geschied, opdat vervuld zou worden hetgeen gesproken is door de profeet, toen hij zeide: Zegt de dochter Sions: Zie, uw Koning komt tot u, zachtmoedig en rijdend op een ezel, en op een veulen, het jong van een lastdier. Nadat de discipelen heengegaan waren en gedaan hadden, zoals Jezus hun had opgedragen, brachten zij de ezelin en het veulen en zij legden hun klederen erop, en Hij ging daarop zitten. En het merendeel der schare spreidde hun klede­ren op de weg, anderen sloegen takken van de bomen en spreidden die op de weg. En de scharen, die vóór Hem uit gingen en die volgden, riepen, zeggende: Hosanna de Zoon van David, gezegend Hij, die komt in de naam des Heren, Hosanna in de hoogste hemelen!

 

(18 febr. 1872)

 

Dit hoofdstuk begint met Mijn intocht in Jeruzalem. Op een ezelin, het zinnebeeld van de deemoed, nam Ik als de meest deemoedige mens de huldiging van zo menig gelovige in ontvangst en begaf Mij daarna naar de hoogmoedigsten van die tijd, naar de hogepriesters en de Farizeeën in de tempel. Daar zuiverde Ik wel uiterlijk dit bedehuis van de materiële mest, door de wisselaars en duivenhandelaren er uit te jagen, maar wat de reiniging van het geestelijke vuil in de gemoederen van de machthebbers binnen die muren betreft, moest Ik het aan de tijd overlaten, wie van hen eens gereinigd in Mijn rijk zou aankomen. Wat zich daar tijdens Mijn levenswandel voordeed had alles zijn geestelijke betekenis met betrekking tot het hele geesten - en zielenrijk.

Ik, als mensenzoon op uw aarde, stelde het grote principe van Mijn liefdeleer voor, zoals dat alle ontwikkelingstrappen van het leven moest doormaken, opdat het als voorbeeld en bereikbaar doel niet alleen door alle geschapen wezens nagestreefd zou moeten worden, maar, door Mijn eigen voorbeeld gerealiseerd, als wegwijzer op de lange weg tot geestelijke vervolmaking in de stralenglans van Mijn goddelijke al­macht, liefde en wijsheid, u ook tot navolging zou kunnen en moeten inspireren.

Wat Ik in de tempel deed - zowel de reiniging op zichzelf als ook het voorleggen van Mijn gelijkenissen aan de schriftgeleerden en Farizeeën -, is geestelijk gezien hetzelfde als wat in ieder mensenhart gebeurt zodra het zich ook maar enigszins ontvankelijk toont voor Mijn leer. Want ook daar treed Ik dan binnen als het beeld van deemoed en zachtmoe­digheid. Daar komt Mij de jubelende ziel eveneens opgewekt door de geest die in haar woont, met lofgezang en vreugde tegemoet. Ook daar gaat Mijn eerste aandacht uit naar de verwijdering van de wereldse hartstochten, hoofdzakelijk het egoïsme - daar geeft de handel immers een duidelijk beeld van. Daarna begin Ik aangepast aan de individua­liteit van de menselijke ziel geestelijk voedsel te geven, wat overeenkomt met de gelijkenissen die Ik vertelde aan de Farizeeën en de schriftge­leerden, die alles weliswaar niet in geestelijke zin begrepen, zoals Ik het bedoelde, maar de waarheid van deze vergelijkingen toch niet konden loochenen.

Wat deden de Farizeeën en schriftgeleerden na Mijn woorden te hebben aangehoord? Zij stonden Mij naar het leven en verwierpen Mijn leer. - En wat doen zoveel mensen bij wie Ik aanvankelijk met triomf

ben binnengetrokken? Zij doen hetzelfde. Zodra het in ernst op ver­loochening en zelfopoffering aankomt, keren ook zij Mij de rug toe en willen liever de indrukken van Mijn eerste komen te niet doen, dan hun materiële streven naar aardse schatten en een tijdelijk genoeglijk bestaan ondergeschikt te maken aan een geestelijk en hoger leven.

Mijn intocht in Jeruzalem en in de tempel stelt tevens het tijdperk van de bekering van de afzonderlijke mens, zowel als van de mensheid in haar geheel voor. Hierbij werden de voorbereidende werkzaamheden tot de geestelijke wedergeboorte in de uiterlijke omstandigheden inge­leid: dan, steeds meer nader optrekkend, ging de aanval op de levens­kern, op het hart zelf over, om met een laatste opperste poging de hele strijd tegen al de uiterlijke tegenwerking met de overwinning op het hoofdbolwerk te voleinden.

Ook tijdens Mijn jaren als leraar hield Ik Mij grotendeels op in afgelegen steden en dorpen en probeerde juist daar, onder het meer onbedorven volk en onder de heidenen, gelovigen voor Mij te winnen. Pas toen het einde van Mijn aardse loopbaan naderde, begaf Ik Mij, en wel vrijwillig, naar die plaatsen - zoals Jeruzalem en zijn tempel er ook één was - waarvan Ik vooruit wist, dat Mijn leer daar de grootste tegenstand zou ondervinden. Ik voorzag echter ook, dat, wanneer bij het verdere verloop van Mijn leraarstijd Mijn situatie menselijk gezien steeds slechter zou worden, dan juist op geestelijk gebied de triomf van Mijn leer van waarheid en liefde het grootst zou zijn. Toen Ik niet langer Mijn grootste vijanden en tegenstanders uit de weg ging, maar Mij nu in hun nabijheid ging begeven, wist Ik wel dat Ik niet aan hun wraakzuchtige plannen zou kunnen ontkomen; maar, het was zo door Mij beschikt, zo moest het gebeuren. Alleen op die manier kon Mijn leer voor eeuwig standvastigheid en duurzaamheid verkrijgen.

Zo zou het zaad, dat Ik in Judea en Palestina en op andere plaatsen zaaide, niet op onvruchtbare bodem vallen; want met Mijn opstanding bekroonde Ik Mijn hele werk en iedere latere vervolging, iedere grotere beproeving en ieder lijden, dat Mijn gelovigen overkwam, vermeerder­de en versterkte Mijn aanhangers. Iedere gebeurtenis in deze zin voegde een steen toe aan het grote gebouw van Mijn geestelijke schepping, dat eenmaal als het geestelijk Jeruzalem het middelpunt van al het geeste­lijk hemels leven zal zijn.

Wat Jeruzalem voor de Joden was, dat zal Mijn schepping voor Mijn geesten en zielen worden; en wat de tempel als woonplaats van Jehova in het allerheiligste was, dat zal eenmaal elk levend hart worden, ­namelijk de tempel waarin Ik Mijn woning vestigen kan zonder Mij voor Mijn behuizing te schamen.

Zoals het Mij in die tijd vergaan is, zo zal het ook de mensen in het algemeen en afzonderlijk vergaan. Hoe meer de mens zal beginnen zijn innerlijk naar Mij toe te wenden, des te meer verzet zal hij ondervinden; want met de geestelijke vooruitgang groeien de vijanden die hem bevechten en hinderen willen.

Ik ging op dat moment, na Mijn laatste verschijnen in de tempel, het grootste lijden tegemoet. Zo gaat ook de mens geestelijk bij zijn voortgang op de geestelijke weg steeds meer moeilijkheden tegemoet. De wereld wordt hem steeds vreemder. Maar de wereld wreekt zich dan ook over deze geringschatting. Hindernissen stapelen zich op in de sociale en verzet in de geestelijke wereld, die de beangstigde ziel het gaan op Mijn wegen verzwaren. Alles zal een getrouw beeld van Mijn eigen strijd en lijden worden, totdat men is aangekomen op het grote keerpunt, waarop de wereld geheel verlaten en het geestelijke rijk met alle kracht gegrepen moet worden. Dan zal het vaandel van de geeste­lijke overwinning aan de ene kant en die van de wereldse vreugden aan de andere kant de mensen Of naar Mij toe Of van Mij wegvoeren. Volgt hij Mijn voorbeeld, dan zal ook hem de opstanding in zijn geestelijke wedergeboorte ten deel vallen; volgt hij echter de wereld, dan zal zijn lot dat van Jeruzalem zijn, dat, volhardend in de wereldse vreugden, na een korte tijd een puinhoop was en wiens inwoners moesten leven als slaven in andere naties, verstrooid over alle werelddelen.

De intocht in Jeruzalem is voor de hele mensheid van een veel groter, geestelijk belang, dan zij vermoedt. De intocht in Jeruzalem betekent de toenadering van Mijn Ik tot de mensheid en is - zoals daar - de eigenlijke wijding van de levende mensen en geesten. Door de intocht in Jeruzalem en in de tempel heiligde Ik deze muren, erkende ze openlijk als Mijn eigendom en gaf het bewijs, dat Ik het niet beneden Mijn waardigheid achtte om als Heer van de schepping, eenvoudig gekleed en rijdend op een ezelin, deemoedig en zacht om toelating bij de mensen te vragen.

Deze intocht wil geestelijk gezien het volgende zeggen: Ik wil het menselijke hart tot Mijn woonplaats maken. Daar wil Ik geëerd en geliefd worden, en wel doordat Mijn leer wordt nageleefd. Zoals de tempel te Jeruzalem tot Mijn eer als godshuis was gebouwd met alle pracht en praal die in die tijd maar mogelijk was, zo moet het menselijk hart en de mensenziel uitgerust zijn met alle geestelijke deugden, die de mens tot mens, tot Mijn geestelijk evenbeeld bestempelen, waartoe  Ik hem eens geschapen en bestemd heb.

De tempel in Jeruzalem was een huis van wereldlijke pracht, waarin geestelijke heerlijkheid zou wonen; zo moet ook de mens een wezen worden, dat staande op de grens van twee werelden de voet weliswaar op het materiële steunt, maar zijn blik en zijn hart op het geestelijke richt en zo door het eerste tot het tweede komt. Deze reiniging van het materiële en het aantrekken van het geestelijke is de opdracht van de mensen op deze wereld, is de opdracht van de geesten; zij was Mijn eigen opdracht en is nog steeds de uwe.

Overal waait nu de geestelijke wind om de mensenharten van de wereldse nevels te reinigen; want de Heer en Vader is in de nabijheid. Hij wacht op Zijn ezelin, het symbool van de deemoed, het ogenblik af waarop Hij triomferend in uw hart kan binnentrekken, opdat ook u Hem het "Hosanna" kunt toezingen!

De grote tijd van de geestelijke wedergeboorte staat voor de deur, verlangend naar toegang tot al die ruimten, die steeds vanaf het begin van de schepping alleen voor de Heer van al het bestaande geschapen en ingericht waren. Maak de poort wijd open, opdat de liefdewind uw hart reinigt van wisselaars en duivenhandelaren, dat wil zeggen van werelds, egoïstisch streven. Er komt een tijd waarin de Heer rekenschap zal vragen over het u toevertrouwde goed, over de u allen geleende geestelijke gaven. Zoals de tempel in Jeruzalem eens een godshuis had moeten zijn, zo is ook uw hart ertoe bestemd Mijn woonhuis te zijn.

Bedenk wel dat de materiële tijd voortijlt, dat uw leven slinkt van minuut tot minuut, en spoedig zal de engel des doods rekenschap van u verlangen over het u toevertrouwde goed! Begraaf het niet, maar buit het uit, opdat het binnentreden in het grote geestelijke rijk, in het grote geestelijke Jeruzalem met zijn tempel - als woonplaats van uw Vader ­u geoorloofd zal zijn en u niet, zoals de verstokte Farizeeën, naderhand als slaven van uw eigen hartstochten in alle grote ruimten van Mijn schepping moet ronddwalen. U zult daar weliswaar alles kunnen vinden wat u eens genot en vreugde bracht, maar bij al deze vluchtige geneug­ten moet u toch de grotere, veel belangrijkere vreugde, die van Mijn liefde, Mijn genade en Mijn woonplaats missen. Want weet: wanneer uw hart niet Mijn woonplaats is en u Mij niet overal waarheen u zichook begeeft, in het hart draagt, dan ben Ik voor u nergens te vinden, zelfs niet in het grote geestelijke Jeruzalem, dat immers niets anders voorstelt dan het geestelijk liefdesprincipe, dat alles heeft geschapen, onderhoudt en trapsgewijs voorwaarts naar hogere vreugden voert.

Neem dit in acht! Bekijk met geestelijke ogen de gebeurtenissen en de tendensen van uw tijd en u zult gemakkelijk begrijpen, dat de tijd nabij is waarop Ik, de Heer, rijdend op een ezelin, Mijn intocht in de geestelijke wereld, in de zielen van de mensen wil houden! Zalig diegene, die voorbereid is; want Mijn komst zal hem niet verrassen! Zij bezorgt hem geen schrik, maar zij is voor hem het feest van de intocht in Jeruzalem, zoals deze eens meer dan duizend jaar geleden door Mijn aanhangers werd gevierd.

Bereid u dus voor om Mij en Mijn liefdeleer een passend ontvangst te bezorgen en haar het "Hosanna" toe te roepen! Amen.

 

19

 

Paaszondag

 

De opstanding van de Heer

 

Markus 16, 1-8: En toen de sabbat voorbij was, kochten Maria van Magdala en Maria, (de moeder) van Jakobus, en Salome specerijen om Hem te gaan zalven. En zeer vroeg op de eerste dag der week gingen zij naar het graf, toen de zon opging. En zij zeiden tot elkander: Wie zal ons de steen afwenden van de ingang van het graf? En toen zij opzagen, aanschouwden zij, dat de steen afgewenteld was; want hij was zeer groot. En toen zij in het graf gegaan waren, zagen zij een jongeling zitten aan de rechterzijde, bekleed met een wit gewaad, en ontsteltenis beving haar. Hij zeide tot haar: Weest niet ontsteld. Jezus zoekt gij, de Nazarener, de gekruisigde. Hij is opgewekt, Hij is hier niet; zie de plaats, waar zij Hem gelegd hadden. Maar gaat heen, zegt Zijn discipelen en Petrus, dat Hij u voorgaat naar Galilea, daar zult gij Hem zien, gelijk Hij u gezegd heeft. En zij gingen naar buiten en vluchtten van het graf, want siddering en ontzetting hadden haar bevangen. En zij zeiden niemand iets, want zij waren bevreesd.

 

(19 febr. 1872)

 

De voorgaande evangelietekst behandelde Mij n in tocht in Jeruzalem en in de tempel; de bovengenoemde beschrijft Mijn graflegging en opstanding, evenals Mijn verschijnen aan verschillende van Mijn leer­lingen en aan Magdalena. Tussen de intocht in Jeruzalem en Mijn graflegging ligt Mijn gerechtelijke veroordeling, liggen Mijn grootste, als mens en God doorstane smarten, Mijn grootste deemoediging als Schepper en Heer van de wereld en het bewijs van Mijn grootste liefde, waartoe Ik alleen in staat kan zijn, omdat Ik als ongeschapene, eeuwige God en Heer dit alles op Mij nam om Mijn geschapen wezens en geesten als voorbeeld voor te gaan, opdat zij allen zouden kunnen zien wat er nodig is om een kind van Diegene te zijn, die werelden, zonnesystemen en grote geestenrijken in het leven kon roepen en deze ook weer daaruit zou kunnen verdelgen, wanneer niet Zijn machtige wil juist door de alomvattende liefde eerder tot behoud dan tot vernie­tiging van het geschapene werd aangezet.

De laatste dagen van Mijn aardse levenswandel zouden aan alle geesten het daadwerkelijke bewijs leveren, dat ieder, die een Godsvonk in zich draagt, ook ver boven alle voorstellingen van de geschapen wezens uit tot grotere opoffering en verloochening in staat is, weliswaar niet voor zichzelf, maar voor het heil van anderen.

In niets is het tweede gebod van de liefde zo duidelijk uitgedrukt, zo volledig door Mijzelf vervuld als in de laatste dagen van Mijn lijden. Ik vernederde Mij door als mens al het menselijk lijden, dat de aardse schepselen het zwaarst toeschijnt - folteringen, dood en openlijke ontering - geduldig te verdragen, en wel als mens voor alle andere mensen, hen als Mijn broeders beschouwend, die, ofschoon Mij vijan­delijk gezind en Mijn grootste weldaden met ondankbaarheid en wraak belonend, Mij bij Mijn laatste ademtocht aan het kruis zagen sterven, terwijl Ik biddend vergeving voor hen afsmeekte.

Wat kan de naastenliefde meer doen, dan wat Ik tijdens die momen­ten heb gedaan? - Doordat Ik dit deed, verhief Ik dit gebod van de naastenliefde, dat ook als sociaal gebod voor de samenleving geldt, door de stelling: "Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet!", tot een goddelijk gebod dat onafscheidelijk verbonden is met het eerste, namelijk: de Schepper boven alles lief te hebben.

Mijn heengaan van de kleine aarde, die Ik uit miljoenen en miljoe­nen aardbollen en zonnen tot schouwtoneel had verkozen van de grootste daad, die alleen Mij mogelijk was, dit heengaan bezegelde met de laatste ademtocht de goddelijkheid van beide door Mij gestelde geboden der liefde. Ik als mens beoefende beiden in hun grootst mogelijke vervulling en liet op die manier de mensheid een ideaal achter, hoe een aards mens moet zijn. Ik liet als geest Mijn hogere wezens en engelen zien, tot wat zij in staat zijn te volbrengen en Waarnaar zij moeten streven, wanneer ook voor hen het moment van hun beproeving nadert.

Op aarde was Mijn opstanding uit de dood het sluitstuk tot de zekerheid van Mijn Goddelijkheid; want zonder die zouden Mijn leer, Mijn daden en zeker ook Mijn levenswandel gauw vergeten zijn. Mijn leerlingen zouden uiteen zijn gegaan, zij zouden Mij misschien voor zichzelf nog wel trouw gebleven zijn, maar zij zouden voor hun medemensen niet meer vruchtbaar hebben kunnen werken.

Mijn leerlingen geloofden onder invloed van Mijn aanwezigheid wel in Mijn Goddelijkheid. Mijn persoonlijke verschijning, Mijn woorden en Mijn daden waren te gewichtig dan dat zij niet op Mijn omgeving zouden hebben ingewerkt; maar, eenmaal zonder Mijn persoonlijke aanwezigheid en vrij van deze morele druk, zou de wereld langzamer­hand haar rechten weer op hen laten gelden en de door Mij tijdens Mijn leven gemaakte indruk steeds meer verzwakt en uiteindelijk weggewist hebben. Wanneer van Mijn levenswandel niets anders overgebleven zou zijn dan de herinnering aan iets dat voorbij was - hoewel wonder­baarlijk en onbegrijpelijk -, dan moest, wilden al Mijn werken niet tevergeefs geweest zijn, een handeling die tegen alle tot nu toe bestaande wetten inging, de opstanding van de doden Mijn Goddelijkheid bewij­zen en daardoor het geloof van Mijn leerlingen en aanhangers verster­ken, om ze daardoor pas rijp te maken voor hun verdere missie.

Op die manier was Mijn opstanding de sluitsteen van dit nimmer te vernietigen geloofs- en godsdienstgebouw, dat tot nu toe alle stormen weerstond en dat spoedig in zijn volle zuiverheid en glans zal schitteren op aarde, om zo de bemiddelaar te zijn tussen twee belangrijke factoren van de schepping, namelijk tussen materie en geest of tussen het rijk van het materiële en het geestenrijk.

Ja, zo zal het geleid worden en zo moet het komen, opdat overal op uw aarde erkend zal worden, dat de materie slechts het omhulsel van het geestelijke is en dat de materie, of het wereldlijke, slechts omwille van het geestelijke geschapen werd.

Al het materiële moet vergeestelijkt worden, opdat de mensen Mijn geestelijk rijk naderbij kunnen komen en de andere geschapen wezens op de aardbol, de vervolmaking van de mensen nastrevend, eveneens hoger en hoger stijgend, totdat de aardbol zelf, van zijn dichtheid verlost, voor zijn ontbinding geen geweld, maar slechts een geleidelijke zachte overgang zal nodig hebben.

Om u dit proces van vergeestelijking geheel doorzichtig te maken en te doen begrijpen wat Mijn opstanding, zowel als Mijn lijdensgeschie­denis van de laatste dagen van Mijn aardse leven tot aan Mijn dood betekenen, moet Ik u er aan herinneren - wat Ik reeds meerdere malen heb herhaald - dat al Mijn daden en woorden, ja zelfs de wereldgebeur­tenissen gedurende Mijn jaren als leraar, zich langzamerhand tot aan Mijn toekomstige, spoedig naderende wederkomst zullen herhalen en wel in geestelijke overeenstemming en niet daadwerkelijk aan Mijn persoon zoals destijds.

Wat Ik destijds als Mensenzoon moest doorstaan, dat gold ook voor het voortschrijden van Mijn leer, die Mij nu op uw aarde geestelijk voorstelt. Ook zij werd verontreinigd, bespot, en er werd schandelijk misbruik van haar gemaakt; uiteindelijk heeft men haar in uw kerken, die grote graf gewelven zijn, ten grave gedragen en een zware steen, de steen van de nutteloze cultus, op haar gewenteld. Daar zou zij eeuwig moeten rusten en alleen nuttig zijn voor diegenen, die er werelds maar geen geestelijk voordeel uit wilden halen.

Zo was de loop van de wereldgeschiedenis een juiste weerspiegeling van Mijn jaren als leraar. Alleen, zoals er in uw leven in geestelijk opzicht drie belangrijke periodes zijn, namelijk de kindsheid - die overeenkomt met het onvoorwaardelijk geloven -, de jeugdige leeftijd - die overeen­komt met het beoordelen van het geloofde -, en de volwassenheid - die overeenkomt met het onderscheiden van schijn en werkelijkheid -, zo volgde ook Mijn leer al deze fasen, deels tijdens Mijn eigen onderrich­tingen, deels later na Mijn heengaan tot nu toe en voortaan.

Ook Ik dwong in het begin de Mij omgevende wereld deels door Mijn wonderen tot geloof en voedde de mensen daarna op als kinderen. En wanneer zij Mij dan begonnen te begrijpen, vonden zij bij hun beoordeling de juiste waarheid van wat zij vroeger slechts geloofden, dat wil zeggen zij bereikten de jeugdige leeftijd. En toen hun geloof en weten op deze manier standvastig was geworden, werden zij rijp, namen het met volle overtuiging voor Mijn leer en voor Mij op en bevestigden met woord en daad wat hun als het heiligste en hoogste toescheen.

De geschiedenis van Mijn religie en haar latere verspreiding leert u dezelfde overgangen, alleen met dit verschil: Toen Ik zelf onderwees, was er geen reden voorhanden om punten terzijde te leggen of om te protesteren; maar toen mensen, door menselijke hartstochten gedreven en geleid door wereldse meningen en belangen Mij wilden navolgen, veranderden zij het goddelijke in het wereldse, gaven de mensen de schors in plaats van de kern van het geestelijk leven, hetgeen tot gevolg had, dat - nadat het mensengeslacht rijp was geworden en zelf kon oordelen - in de meeste gevallen het kind met het badwater werd weggegooid.

Zo kwamen de extremen van alles gelovigen en niets gelovigen te voorschijn. In deze tijd, nu dit geestelijk wakker worden sterker wordt, nu het dode lichaam in het graf, met een steen bedekt en verzegeld, zich op de opstanding voorbereidt, nu willen ze nog beginnen om, zoals eens Magdalena, met aardse specerijen en welriekende kruiden het lijk voor ontbinding te bewaren. Zoals Magdalena destijds echter teleurge­steld was omdat zij het graf leeg vond, zo zullen ook nu de bewakers bij het geestelijke graf van Mijn leer teleurgesteld zijn. Zij zullen het grafleeg vinden en alleen de doeken vinden waarin zij het dode lichaam van Mijn leer hadden gewikkeld; maar Diegene, die zij daar achter slot en grendel opgeborgen waanden, zal zijn opgestaan, zal Zijn volgelin­gen en leerlingen zelf opzoeken en hen door Zijn aanwezigheid weer nieuwe moed en ijver ingeven.

Hoe meer deze tijd nadert, des te groter is de ijver om het lijk zo goed mogelijk te bewaren en te bewaken. Zoals eens de Romeinse soldaten als niet gelovigen Mijn graf bewaakten, zo zou men ook nu willen, dat een gewapende vreemde macht de schenders en rechters van Mijn leer zouden ondersteunen. Maar het is tevergeefs. Reeds breekt de eerste straal door en valt op het stenen deksel van Mijn graf. En zoals iedere steen bij de eerste stralen van de ochtendzon begint te vibreren en dit trillen en vibreren doorgaat totdat de steen erdoor verwarmd wordt en deze warmte tot aan zijn onderlaag meedeelt, zo vibreert ook dit stenen deksel reeds. Zijn trillen en bewegen zal heviger worden, naarmate de tegenpartij hem zou willen veroordelen tot eeuwige rust. De straal van de geestelijke liefdeszon zal de steen wegrollen, de geestelijke ingeslapen machten verdrijven en hen en hun medehelpers slechts de lijkdoeken nalatend, het "lijk" opnieuw tot leven brengen en het tot zijn vervolmaking verder voeren op de weg van het licht.

In het graf heerst duisternis. De Lichtgod van de goddelijke waarheid wil evenwel alleen licht; licht echter verspreidt warmte en warmte leven. Zo zal ook het lijk van Mijn leer uit dit graf, waarin wereldse zelfzucht en heerszucht hem gelegd hebben, opstaan en daar licht, warmte en leven aanwakkeren waar zij reeds in het hart gloeien, en deze drie elementen zegenrijk daar verspreiden, waar zij misschien geheel ontbroken hebben.

Dat is het geestelijk beeld van Mijn opstanding als Mijn liefdeleer, die Ik meer dan duizend jaar geleden werkelijk heb volbracht en die nu spoedig over het rond der gehele aarde zal plaatsvinden. Zoals Ik daar opstond en Mijn leerlingen en aanhangers zich over Mijn verrijzenis verheugden, zo zal ook deze opstanding door de hele mensheid en door ieder afzonderlijk in eigen hart gevierd worden. Zo zal Ik verrijzen in de harten van Mijn gelovigen, wanneer ook zij alle lijkdoeken, waarin zij Mij gewikkeld hadden, ver van zich afgeworpen hebben en al het wereldse en ceremoniële van de godsdienstcultus ver achter zich zullen laten, om alleen aan het geestelijke van Mijn leer geloof te schenken en dit geloofde ook daadwerkelijk zullen uitvoeren.

Deze opstanding in de harten zal de wedergeboorte, zal de laatste stap tot de breuk met de wereld en de eerste stap of het begin van een geestelijk leven worden, waar geen materiële band meer bij machte zal zijn om de mens te verleiden of hem op zijn weg naar vergeestelijking op te houden.

Daarom, ontwaak, Mijn kinderen! Open uw geestelijke ogen, oren en harten! De Jezus, in de vorm van Zijn zachtmoedige leer van geduld en liefde, die daar aan het kruis niet alleen Zijn naasten nog liefhad, maar zelfs voor Zijn vijanden bad, deze Jezus moet in u verrijzen! En zoals de aarde Zijn kerk, Zijn bedehuis moet worden, waar vrede, rust en zaligheid weer in terug zullen keren, zo moet ook uw hart, paradij­selijk gesierd, alleen bloemen van liefde, van liefde tot God en naasten­liefde dragen.

Bereid u in uw hart voor op dit feest van de opstanding! Het is het

feest van de vergeestelijking en de verheerlijking van uw eigen ik. Zoals Ik destijds verheerlijkt met een vergeestelijkt lichaam uit het donkere graf opsteeg, zo moet u eveneens verheerlijkt, vergeestelijkt, verbeterd, veredeld en Mij waardig uit uw graf van wereldse hartstoch­ten en begeerten opstijgen. Wanneer de wereld, de opvoeding en de sociale verhoudingen u tot nu toe misschien in lijkdoeken hadden gehuld, met specerijen en welriekende balsem hadden versierd om uw aardse mens voor ontbinding te behoeden, werp dan al deze nutteloze middelen weg; want zij zijn werktuigen van de materie en niet van de geest. Bedenk, dat u niet van deze wereld bent! U was voorheen geest en u zult wederom geest worden. Daar is uw vaderland, daar wenkt u Diegene, die, om u dit te laten voelen en begrijpen, voor u de lijfelijke dood is gestorven, maar ook geestelijk weer is opgestaan, opdat ook u - Hem navolgend, rein wandelend zoals Hij en aan het eind met triomf het wereldse van u werpend - geestelijk kunt opstaan en Hem zo in het kleinst kunt vergelden wat Hij in het grootst aan u heeft gedaan, daar Hij u door deze geestelijke wedergeboorte tot Zijn kinderen verhoogt. Bedenk wat het betekent om een kind van de Schepper van de wereld genoemd te worden en een broeder van die geesten te worden, die al sinds lang en eerder dan u allemaal, deze school hebben doorgemaakt en zegenrijk doorstaan en die nu in eeuwige vreugde en zaligheid dit altijddurende opstaan en wedergeboren worden van hun broeders met vreugde zien en met broederliefde delen!

Beschouw de opstanding daarom geestelijk, zoals zij is, en zoals zij, als eeuwig gedenkteken en voorbeeld voor u en Mijn gehele geesten­ en zielenrijk voltrokken, door u opgevat moet worden.

Ik trok destijds Mijn menselijk kleed uit, nadat Ik de menselijke natuur had overwonnen en de goddelijke weer had aangetrokken. Doet ook u hetzelfde, dan zal de dag van uw geestelijke opstanding of wedergeboorte voor u de belangrijkste van uw aardse loopbaan, de sluitsteen van uw aardse en de grondsteen van uw geestelijke opdracht zijn! Amen.

 

20

 

Zondag Quasimodo

 

De verschijning van de Heer aan de discipelen

 

Joh. 20, 19-31: Toen het dan avond was op die eerste dag der week en ter plaatse, waar de discipelen zich bevonden, de deuren gesloten waren uit vrees voor de J oden, kwam Jezus en stond in hun midden en zeide tot hen: Vrede zij u! En na dit gezegd te hebben toonde Hij hun Zijn handen en zijde, De discipelen dan waren verblijd, toen zij de Here zagen. Jezus dan zeide nogmaals tot hen: Vrede zij u! Gelijk de Vader Mij gezonden heeft, zend Ik ook u. En na dit gezegd te hebben, blies Hij op hen en zeide tot hen: Ontvangt de Heilige Geest. Wie gij hun zonden kwijtscheldt, die zijn ze kwijtgescholden; wie gij ze toerekent, die zijn ze toegerekend. En Thomas, een der twaalven, genaamd Didymus, was niet met hen, toen Jezus daar kwam. De andere discipelen zeiden dan tot hem: Wij hebben de Here gezien! Maar hij zeide tot hen: Indien ik in Zijn handen niet zie het teken der nagels en mijn vinger niet steek in de plaats der nagels en mijn hand niet steek in Zijn zijde, zal ik geenszins geloven. En na acht dagen waren Zijn discipelen weer in het huis en Thomas met hen. Jezus kwam, terwijl de deuren gesloten waren, en Hij stond in hun midden: Vrede zij u! Daarna zeide Hij tot Thomas: Breng uw vinger hier en zie Mijn handen en breng uw hand en steek die in Mijn zijde, en wees niet ongelovig, maar gelovig. Thomas antwoordde en zeide tot Hem: Mijn Here en Mijn God! Jezus zeide tot hem: Omdat gij Mij gezien hebt, hebt gij geloofd? Zalig zij, die Mij niet gezien hebben en toch geloven. Jezus heeft nog vele andere tekenen voor de ogen Zijner discipelen gedaan, die niet beschreven zijn in dit boek, maar deze zijn geschreven, opdat gij gelooft, dat Jezus is de Christus, de Zoon van God, en opdat gij, gelovende, het leven hebt in Zijn naam.

(5 maart 1872)

 

Dit hoofdstuk bevestigt Mijn opstanding en toont u haar belang en noodzaak als voorwaarde, wil Mijn met zulke enorme offers gekochte leer duurzaamheid en succes hebben; want u ziet dat Mijn discipelen  zich angstig, zonder moed en geloof, in woningen opsluiten.

Immers, toen Ik aan Mijn discipelen verscheen - evenals aan Maria Magdalena bij het graf -, was één van Mijn discipelen zó ongelovig, dat hij zich eerst wilde overtuigen van Mijn opstanding door direkte aanraking van Mijn wonden.

Dit alles, wat destijds gebeurde, en ook de andere tekenen, die Ik bij gesloten deuren voor Mijn discipelen deed - tekenen, die u later ook zult vernemen - dit alles zal zich ook bij Mijn aanstaande wederkomst langzamerhand voor de ogen van de mensen afspelen.

Hoe meer de gelovigen van Mijn zuivere leer, zoals Ik u die nu geef, zich zullen vermeerderen, des te meer zullen zij ook alle stadia van geestdrift, twijfel, ongeloof en alle schokken van het geestelijk leven moeten doormaken, want de omstandigheden zullen vaak tegen Mij getuigen. De mensen zullen Mijn aanhangers in hun geloof misleiden, zij zullen hen vervolgen, haten en zich op hen wreken waar dat mogelijk zal zijn.

Er zullen in die tijd ook zulke ongelovigen zijn als Thomas, die misleid en ontmoedigd alle vroegere zielevrede en geloof over boord geworpen hebben en die pas door Mijn persoonlijk verschijnen te genezen zullen zijn.

Wat in de tijd van Mijn aardse leven de behuizing met de gesloten deuren waren, dat zullen in de toekomst de harten van die mensen zijn, die in zichzelf gekeerd noch het wereldse, noch het geestelijke toegang willen verschaffen. Daar zal Ik ook gedwongen zijn om door zachte influistering in het hart van Mijn volgelingen de roep te laten horen: "Wees niet bevreesd!" en "Vrede zij met u!", omdat ook zij, zonder enig houvast of steun, op het punt staan alles te verliezen en onder te gaan in eeuwige twijfel.

Er zullen dan veel ongelovigen zijn zoals Thomas, die - zelfs aan Mijn stem geen gehoor meer gevend - slechts door daadwerkelijke bewijzen naar hun vroeger bewandelde weg teruggeleid kunnen worden.

Zo moeten ook Mijn gelovigen en toekomstige kinderen de laatste vuurproef van het ware vertrouwen doorstaan; want wanneer zij, zoals eens Mijn discipelen, uitgezonden zullen worden om anderen vertrou­wen en geloof in te boezemen, dan moeten zij deze in de hoogste graad reeds tevoren bezitten. Zoals Ikzelf immers eens zei: "Aan Mijn woor­den en daden zult gij Mij herkennen!" Evenzo moeten ook Mijn kinderen en toekomstige volgelingen aan hun woorden en daden te herkennen zijn en de anderen daardoor het daadwerkelijke bewijs leveren, dat vertrouwen en standvastig geloof de eerste voorwaarden zijn om Mij waardig te worden.

Destijds zei Ik tegen Thomas, nadat hij zijn vingers in Mijn wonden gelegd had: "Gij gelooft nu; maar Ik zeg u: Zalig zijn zij, die niet zien en toch geloven!"

Ook u, Mijn kinderen, aan wie Ik reeds zoveel geestelijk brood gegeven heb, ook u bent geen haar beter dan Mijn discipelen eens waren. Ook u bent versaagd en kleinmoedig, begint te twijfelen, piekert over Mijn woorden en wendt u naar de wereld met haar verleidelijke bekoorlijkheden, wanneer niet alles meteen zo verloopt zoals u het wenste. Ook u sluit uzelf op, zoals een slak in haar huis en wilt van de innerlijke - en uiterlijke wereld niets weten, wanneer ogenschijnlijke tegenstrijdigheden opdoemen, waar u bepaalde handelingen en gebeur­tenissen niet kunt verenigen met Mijn allesomvattende liefde. Ik moet u dan toeroepen: "Vrouw, raak Mij niet aan!", want wat zij zag was Mijn vergeestelijkt lichaam, dat niet voor menselijk lichamelijk contact geschikt was. Toen Ik bij Mijn discipelen in hun gesloten woning kwam, liet Ik toe alsof zij Mij lichamelijk voelden, maar in eigenlijke zin was Ik het niet meer. Want toen Mijn zending met de kruisdood beëindigd was, hield het menselijke op Mijn omkleding te zijn; het was reeds vergeestelijkt, om zich na enkele dagen weer met de bron van Zijn Godwezen te verbinden.

Voor Mijn discipelen verrichtte Ik, zoals dit evangelie zegt, nog andere tekenen, dat wil zeggen Ik opende hun geestelijke oog en oor opdat zij, nog meer van Mijn Godheid overtuigd, de moed zouden krijgen om alle toekomstige gevaren te trotseren, die de omstandighe­den en hun leerambt met zich mee zouden brengen.

Zo lang Ik lichamelijk levend onder hen verbleef bezaten zij nog niet de vaste overtuiging dat Ik een goddelijk wezen zou zijn en dat Ik krachten en eigenschappen zou bezitten, die de gewone mens niet heeft. Zij zagen wel Mijn wonderen, maar leefden en geloofden ook alleen onder de drukkende invloed daarvan. Nauwelijks was Ik van hen weggenomen, nauwelijks nam deze direkte invloed af of hield helemaal op, of het vaste geloof en onwankelbaar vertrouwen waren reeds verdwenen! Was Ik niet opgestaan, had Ik Mijn vroegere beloftes niet vervuld, dan zou het nog geen maand geduurd hebben of Mijn leerlin­gen zouden tot hun oude werkzaamheden teruggekeerd zijn en wat zij met Mij beleefd hadden nog slechts voor een droom hebben aangezien, waarvan hun slechts een herinnering zou zijn overgebleven en van de werkelijkheid daarvan zouden zij niemand hebben kunnen overtuigen. En zoals Ik toen Mijn werk door Mijn opstanding en door Mijn veertig dagen durende omgang met Mijn leerlingen moest bekrachtigen en door Mijn hemelvaart moest bezegelen, evenzo moet Ik nu ook u, Mijn kinderen, leiden, versterken en vast maken in geloof en vertrou­wen.

Toen Ik destijds Mijn discipelen de Heilige Geest inblies, toen Ik hen de macht gaf om de zonden te binden en te ontbinden - een macht, die bij de latere priesterkaste zo verkeerd begrepen en misbruikt werd -, gebeurde dat, omdat zij tot de vaste overtuiging gekomen waren, dat er slechts één God is, die boven alle materie verheven, een geest is en alleen als zodanig begrepen kan worden en dat juist deze God, Jezus, hun leider was. Op die manier kon ook Mijn macht op hen overgedra­gen worden en zo moest deze haar werking doen, toen Mijn discipelen haar voor hogere doeleinden aanwendden en alleen Mijn geestelijk doel, de mensen tot Mijn kinderen te maken, als eindresultaat nastreef­den.

Zoals Mijn discipelen wonderen verrichtten en zieken konden ge­nezen, enkel door de machtspreuk van het woord, evenzo zullen ook u en al Mijn toekomstige aanhangers versterkt worden in het vaste vertrouwen op Mijn macht en medewerking om daden te verrichten, die de gewone mens onmogelijk, maar voor de geestelijk wedergebore­nen gemakkelijk zullen zijn. De tijden en de omstandigheden zullen u daartoe opvoeden. Velen heb Ik daartoe geroepen, maar of u het "uitverkoren-tot-dit-doel" zult bereiken, dat ligt alleen aan u.

Sluit uw hart niet voor Mijn Vaderstem! Geef niet op, ook al verdwijnen de laatste stralen van hoop! Ik ben en blijf steeds bij diegenen, die tegen iedere prijs bij Mij willen blijven. Wacht niet op Mijn persoonlijk verschijnen zoals Thomas, maar bereidt u voor om vast te geloven en vast te vertrouwen, opdat Mijn verschijnen slechts een bevestiging en bekrachtiging is van hetgeen vroeger geloofd en gehoopt werd! U zult dan geschikt zijn om Mij, u zelf en uw naasten in die zin te helpen, zoals Ik zelf eens Mijn leerlingen hielp tijdens Mijn leven met hen.

Laat uw hart niet door twijfels bestormen, uw vertrouwen niet door gepieker verzwakken! Mijn kinderen moeten hun hart niet gesloten houden; zij moeten, verheven boven al het wereldse de blik naar boven richtend, voortdurend Mijn offer, Mijn liefde en Mijn vaderlijke voorzienigheid voor hen en alle levende schepselen indachtig zijn, opdat hun hart als een blijvende tempel van Mijn liefde en onwankel­baar geloof aan Mijn onfeilbaarheid, hen tot een ware steun in alle strubbelingen van het leven en een toevluchtsoord tegen alle aanvech­tingen van twijfel en ongeloof mag zijn. Dan zult u steeds de roep in u horen klinken: "Vrede zij met u!" Want waar met het oog op Mij en Mijn liefde de vrede reeds in een hart troont, hoef Ik haar niet eerst te brengen, maar kan Ik haar alleen bevestigen!

Dus roep Ik u toe: Vrede zij met u en wijke nooit uit uw harten, opdat Ik daar steeds een toegang, en wel een vrije toegang moge vinden en Ik niet met het geweld van Mijn wil door gesloten deuren moet binnendringen, maar ongehinderd uw gemoed bereid mag vinden, Mij als Diegene te erkennen, die ook voor Zijn leerlingen destijds niets anders was dan hun Aanvoerder. Leider en Vader! Amen.

 

21

 

Zondag Misericorda Domini

 

De goede Herder

 

Joh. 10, 1-16: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, wie niet door de deur de schaapskooi binnenkomt, maar op een andere plaats inklimt, die is een dief en een rover; maar wie door de deur binnenkomt, is de herder der schapen. Voor hem doet de deurwachter open en de schapen horen naar zijn stem en hij roept zijn eigen schapen bij name en voert ze naar buiten. Wanneer hij zijn schapen alle naar buiten gebracht heeft, gaat hij voor ze uit en de schapen volgen hem, omdat zij zijn stem kennen; maar een vreemde zullen zij voorzeker niet volgen, doch zij zullen van hem weglopen, omdat zij de stem der vreemden niet kennen. In dit beeld sprak Jezus tot hen, maar zij begrepen niet, wat het was, dat Hij tot hen sprak. Jezus zeide dan nogmaals: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Ik ben de deur der schapen. Allen, die vóór Mij gekomen zijn, zijn dieven en rovers, maar de schapen hebben naar hen niet gehoord. Ik ben de deur; als iemand door Mij binnenkomt, zal hij behouden worden; en hij zal ingaan en uitgaan en weide vinden. De dief komt niet dan om te stelen en te slachten en te verdelgen; Ik ben gekomen, opdat zij leven hebben en overvloed. Ik ben de goede herder. De goede herder zet zijn leven in voor zijn schapen; maar wie huurling is en geen herder, wie de schapen niet toebehoren, ziet de wolf aankomen, laat de schapen in de steek en vlucht - en de wolf rooft ze en jaagt ze uiteen - want hij is een huurling en de schapen gaan hem niet ter harte. Ik ben de goede herder en Ik ken de Mijne en de Mijne kennen Mij, gelijk Mij de Vader kent en Ik de Vader ken, en Ik zet Mijn leven in voor de schapen. Nog andere schapen heb Ik, die niet van deze stal zijn; ook die moet Ik leiden en zij zullen naar Mijn stem horen en het zal worden één kudde, één herder.

 

(9 maart 1872)

 

Dit hoofdstuk gaat over de ware Leider naar het licht der waarheid en over de valse leiders, die beweren dat de weg naar het licht alleen door hen gaat, terwijl zij zelf de meest uitgesproken duisternis zijn. Want wat daar met "dief en moordenaar" wordt bedoeld, is in de geestelijke betekenis het streven om aan de ziel van de mens het haar toebehorende geestelijke of te ontvreemden Of geheel te vernietigen.

Wat in het evangelie vermeld staat als "de deur", die slechts Ik alleen kan zijn, betekent de enige, rechtmatige weg naar de ware erkenning en wil zoveel zeggen als: Alleen die mensen, die hun geestelijk instinct niet door de wereldse bezigheden hebben verloren of hebben laten ontnemen of, wanneer hij hun eenmaal ontnomen werd, hem weer terugvonden - alleen die mensen weten Mijn stem en Mijn leer van de valse leren te onderscheiden, en alleen diegenen zullen Mijn roep volgen, omdat zij Mijn stem herkennen en haar van de andere verlei­delijke stemmen weten te onderscheiden.

Juist nu bevindt u zich in deze geestelijke stroming, waar - figuurlijk gesproken - dieven en moordenaars door alle ramen en mogelijke openingen Mijn woning binnendringen, om de schat te bemachtigen die in haar verborgen ligt. Juist nu ziet u in de opgewonden gemoederen de religieuze bewogenheid, hoe zij de harten aangrijpt, opwekt, ze heen en weer trekt en hoe het vanwege louter aanprijzingen moeilijk te onderscheiden is waar eigenlijk de ware deur en de ware herder is. Want hoe meer het instinct de gelovige harten naar Mij toevoert, des te meer verweren zich de anderen, die slechts alleen hun voordeel voor ogen hebben, opdat niet Ik, maar zij de overwinning in de wacht kunnen slepen.

Dit opdringen, kwaadspreken en haten zal steeds erger worden. Hoe meer Mijn invloed groeit, des te meer groeit de tegenstand. Mijn kinderen worden daardoor zwaar op de proef gesteld, waardoor hun volharding beproefd en hun geloven en vertrouwen het meest aange­vallen worden. Mijn leer is slechts één leer en dat is de liefde, terwijl de leringen van de anderen veelzijdig zijn en juist in plaats van liefde - haat, in plaats van deemoed - trots, in plaats van dulden - onverdraagzaam­heid gepreekt wordt, die dergelijke leiders zelf beoefenen. En zo zal zich herhalen, hetgeen u in het achtste hoofdstuk van het Grote Evangelie van Johannes kunt lezen, dat de Joden Mij vervolgden, Mij stenigden, dat wil zeggen wilden doden. Ook nu zal iets dergelijks gebeuren. Er zullen stenen op Mij en op Mijn leer gegooid worden, de valse uitleggers van Mijn leer zullen Mijn leer aan de satan toeschrijven en rondbazui­nen dat hun leer direkt van de hemel afkomstig is. Men zal de ideeën uit de hoofden in de vuisten drijven, en daar waar vrede en liefde gepreekt zou moeten worden, zal het fanatisme zijn bloedige fakkel zwaaien en offer op offer brengen aan zijn voor waar gehouden leer.

Zo moet Mijn woord uit die tijd vervuld worden, waarin Ik zei: "Ik breng u geen vrede, maar het zwaard!" Zoals in de hele schepping door wrijving licht en warmte ontstaan en door deze beide factoren het heelal bestaat en in stand gehouden wordt, zo moet ook geestelijke wrijving het louteringsproces volbrengen, opdat het licht van de waarheid en de warmte van de liefde zich ontwikkelen.

Juist het streven van de "dieven en moordenaars" zal de overwinning van Mijn leer en Mijn bedoelingen versnellen. Door hun te hartstoch­telijke optreden brengen zij de gemoederen tot nadenken en vergelij­ken. En hoewel velen aanvankelijk de roep volgden, zo worden zij op de hen als vals voorgestelde leer opmerkzaam gemaakt en zullen aan haar meer aandacht schenken dan zij zonder deze tegendruk gedaan zouden hebben. Zij zullen dan in deze verboden leer niet datgene vinden wat hun werd voorgeschilderd dat zij zou inhouden. Het eindresultaat zal zijn, dat velen van hen de ware herder en de ware deur zullen vinden, alleen al doordat die leiders en aanvoerders hen van het zoeken wilden afhouden. Daardoor zullen juist de bemoeienissen van Mijn tegenstanders Mij het meeste in de hand werken en tenslotte dat bereiken, wat zij wilden verhinderen: de vereniging van Mijn kinderen met Mij, de vereniging van Mijn schapen met hun enige Herder. Zij zullen zich bij de grote gevaren terugtrekken als huurlingen, terwijl Ik Mijn ware kinderen alle bescherming zal geven, aan welke bescherming Mijn volgelingen de eigenlijke Heer, de ware Herder en de machtige Beschermer van de Zijnen zullen herkennen.

Zo zal het gebeuren. Schrik en twijfel daarom niet, wanneer juist daar, waar u in geloof en vertrouwen heel dicht bij Mij denkt te zijn en waar u gelooft dat uw aantal zich zal vermeerderen, uw grootste tegenstanders de sterkste en zwaarste hindernissen zullen opstapelen, om dit gevaar voor zichzelf af te wenden!

Span u echter ook niet in met het zoeken naar gelijkgezinden of met bekeringsdrang! Het is niet zo eenvoudig als u vaak gelooft om anderen op de weg van de zuivere liefdeleer te leiden. Mijn leer verlangt ontzegging van dat, wat de mensen in de wereld als het meest aange­name toeschijnt, Mijn leer is immers niet van en voor deze, maar voor Mijn grote geestelijke wereld.

Om dus al hetgeen, waaraan u sinds lange tijd bent gewend, hebt geloofd en voor u gemakkelijk is te laten varen en de steeds sterker wordende strijd met zichzelf en de wereld te beginnen, daartoe behoort een grote liefde en een grote offervaardigheid. Reeds in de tijd dat Ik onderrichtte hebt u een voorbeeld gezien, toen Ik iemand, die Mij wilde volgen, aanraadde om alle goederen die hij bezat op te offeren, waarop hij treurig heenging. Zo zal het u vaak overkomen, zodra u een vermeende aanhanger van uw als waar en enig geloofde leer tot de daad wilt aansporen, hij zich van u zal verwijderen en misschien zelfs in plaats van een vriend uw grootste tegenstander zal worden.

Zie, dat is het gevolg wanneer de mensen nog niet rijp zijn om Mijn leer te begrijpen! Daarom wacht, totdat de hongerigen zelf tot u komen! Geef hen brood, maar ook dat alleen naar de mate van hun inzicht, omdat het anders - zoals iedere materiële voeding - niet verteerd wordt en in plaats van nut, alleen schade brengt!

Mijn stem te horen en Mijn leer te volgen is anderen niet zo gemakkelijk bij te brengen. Zelfs u, die al zo lang door Mij beleerd en gevoed wordt, hoe zwak, hoe kortzichtig gedraagt u zich vaak, alsof u nog nooit een woord rechtstreeks van Mij had ontvangen! Hoe vaak wilt u niet in uw dwaze waan het wereldse met het geestelijke verbinden, omdat het volgen van het laatste alleen u teveel moeite kost of teveel ontzegging van u eist! Wanneer u zo handelt, wat wilt u dan van anderen verwachten, die, nauwelijks bij de deur aangekomen, nog niet de moed hebben om voorwaarts te gaan, de drempel te overschrijden en alles achter te laten wat hen vroeger zo belangrijk toescheen!? Daarom, wees voorzichtig met de keuze van uw vrienden!

Bekommer u niet om de tegenstanders! Hoe meer de tijd voort­schrijdt en Mijn schapen zich zullen vermeerderen, des te minder kan deze leer hun onbekend blijven, maar des te groter zal ook de tegenstand tegen haar en haar aanhangers worden. De strijd moet ontbranden! Alleen voor de volharders is de overwinning weggelegd en deze zullen Mijn kinderen zijn, omdat zij Mijn stem en Mijn leer niet alleen geloven, maar omdat zij ook weten, dat deze alleen naar het doel leidt en alleen Ik de deur en de enige weg ben om in het oneindige geestelijke rijk te komen en daar niet met lijden, maar met zaligheid beloond te worden vanwege de doorstane strijd.

Zo ontwikkelt zich het levensproces. Het geestelijke moet van de materie bevrijd en de ziel van de mens moet van het wereldlijke gescheiden worden, en zowel de eigenlijke, geestelijke bestemming van de mens moet bereikt worden, als ook Mijn leven op aarde met zijn lijden en strijden zijn vervulling moet vinden.

De wereld zal slechts één Herder met Zijn schapen herbergen; twee heren kan men niet dienen. Wie de materie huldigt, moet in de materie wegzinken; wie echter naar het geestelijke streeft, die zal het zware achter laten. De materie is te dicht, zij laat geen licht door. Alleen het geestelijke is geschikt om Mijn liefdelicht uit de hemel op te nemen en alleen dit licht ontwikkelt levenswarmte, ontwikkelt de in de mensen­ziel gelegde godsvonk en leidt hem naar zijn oorsprong, naar Mij terug. Dat moest het doel van Mijn leer, van Mijn eerdere komen op aarde en Mijn wederkomst in de nabije toekomst zijn.

Hoe meer Mijn wederkomst naderbij komt, des te meer zullen licht en duisternis elkaar bestrijden. Maar, zoals iedere morgen de opgaande zon de duistere nacht overwint, zal ook Mijn opkomend liefdelicht de dieven en de moordenaars verjagen, die niet bij dag maar alleen in de nacht hun praktijken verrichten. Deze zullen moeten wijken, zich bekeren of in de eeuwige duisternis terugvallen, totdat in hun eigen gemoed, en wel door het vrije streven, het ochtendgloren langzamer­hand aanbreekt.

De wereld zal zich evenals vroeger, tegen Mijn plannen en bedoelin­gen willen verzetten; maar juist haar tegenstand zal Mijn einddoel bespoedigen en tenslotte zullen Mijn kinderen en Ik toch meester blijven van het terrein.

Volharding leidt naar het doel! En de naam "Mijn kind" moet door ontzeggingen en opofferingen verworven worden; want de prijs is de strijd waard. Wees daarom allen bereid om Mij nooit los te laten! Laat de wereld en de mensen gaan, bekommer u niet om de gebeurtenissen en de politieke verwikkelingen! Bedenk dat er miljoenen mensen zijn, die naar de juiste deur van het licht geleid moeten worden en om dat te bereiken, moeten er ook evenveel verschillende gebeurtenissen en omstandigheden hun invloed uitoefenen, om de op verschillende trap­pen van intelligentie staande individuen naar een gemeenschappelijk doel te leiden, - een werk, waarvan u geen begrip kunt hebben en dat alleen aan God is toegemeten, die ook daar, zoals overal, in staat is om door middel van het kleinste de grootste uitwerking te bereiken.

Dit dan tot een beter begrijpen van het evangelie van Johannes, opdat u in deze tijd Mijn vroegere tijd van onderricht pas goed leert begrijpen en moogt erkennen hoe reeds meer dan duizend jaar geleden de hele latere ontwikkelingsgeschiedenis van de mensheid in Mijn levensjaren, dat Ik rondging op uw duistere aarde van tevoren was uitgestippeld en voorbestemd.

Daarom bleef ook de bijbel bewaard, opdat zij u het grootste en sterkste bewijs zal leveren, hoe daar reeds alles werd opgetekend, wat zich in latere tijdperken fasegewijs moest ontwikkelen, wat echter alleen de wedergeborenen, die met geestelijke ogen zien, duidelijk als in een toekomstspiegel voor ogen staat.

Zo kunt u getroost de blik op Mij richten indachtig de spreuk: "Wie Mij niet verlaat, die verlaat ook Ik niet!"

Blijfbij Mij, en u zult steeds meer de stem van de Herder vernemen en als gevolg daarvan ook steeds meer door woord en voorbeeld kunnen bijdragen om andere blinden deze enige weg van het heil te tonen, opdat er tenslotte één kudde en één Herder moge zijn! Amen.

 

22

 

Zondag Jubilate

 

De voorbereiding op het heengaan van de Heer

 

Joh. 16, 16-23: Nog een korte tijd en gij ziet Mij niet meer, en nogmaals een korte tijd en gij zult Mij zien. Sommige Zijner discipelen dan zeiden tot elkander: Wat betekent dit, dat Hij tot ons zegt: Nog een korte tijd en gij ziet Mij niet, en nogmaals een korte tijd en gij zult Mij zien? En: Ik ga heen tot de Vader? Zij zeiden dan: Wat is dit, dat Hij zegt: Nog een korte tijd? Wij weten niet, wat Hij bedoelt. Jezus bemerkte, dat zij Hem iets wilden vragen en zeide tot hen: Redeneert gij hierover met elkander, dat Ik zeide: Nog een korte tijd en gij ziet Mij niet, en nogmaals een korte tijd en gij zult Mij zien? Voorwaar, voor­waar, Ik zeg u, gij zult schreien en weeklagen, maar de wereld zal zich verblijden; gij zult u bedroeven, maar uw droefheid zal tot blijdschap worden. Een vrouw, die baart, heeft droefheid, omdat haar uur gekomen is; maar wanneer zij het kind ter wereld heeft gebracht, denkt zij niet meer aan haar benauwd­heid, uit vreugde, dat een mens ter wereld is gekomen. Ook gij hebt dan nu wel droefheid, maar Ik zal u wederzien en uw hart zal zich verblijden en niemand ontneemt u uw blijdschap. En te dien dage zult gij Mij niets vragen. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, als gij de Vader om iets bidt, zal Hij het u geven in Mijn naam.

 

(10 maart 1872)

 

In dit hoofdstuk heb Ik, evenals in het vorige, Mijn leerlingen een voorproef gegeven hoe hun situatie zal zijn, wanneer Ik hen moet verlaten en zij niet meer onder Mijn zichtbare invloed en Mijn leiding zullen staan.

In hoofdstuk 15 van Johannes vergeleek Ik Mij met de wijnstok en Mijn leerlingen met de ranken, die alleen vruchten kunnen dragen, zolang zij aan de wijnstok vastzitten.

Ik liet hen met dit voorbeeld het lot zien van hen, die van Mij zullen afvallen en zei hun dat alleen diegenen zondaars zijn, die weten wat zij moeten doen en geloven en toch tegenovergesteld handelen, terwijl de onwetenden niet strafbaar zijn. Ik maakte hen door een gelijkenis duidelijk, dat wie in Mij gelooft geen knecht van Mijn geboden, maar een vrijwillige uitvoerder van deze is, die Mij dus niet willoos onderda­nig moet zijn, maar als een vriend de raadgevingen van de vriend zal volgen. Ik zei hen dat, wanneer zij Mij en Mijn leer willen volgen, zij met de wereld in conflict zullen geraken en dat, terwijl Ik hen zal liefhebben, de wereld hen met haat zal overladen! Ik gaf hen daarnaast echter de hoop, dat zij, wanneer Mijn Geest hen zal overschaduwen, genoeg schadeloosstelling zullen hebben door geestelijke vreugden, wanneer de wereld zich langzamerhand voor hen zal afsluiten.

Dit alles moest Ik Mijn leerlingen van tevoren zeggen; want zij hadden immers nog helemaal geen begrip, wat en hoe hun zending eigenlijk zou zijn. Zij leefden nog te zeer onder de invloed van Mijn persoonlijkheid en hadden, ofschoon zij ieder ogenblik toegaven: "Wij weten dat u door God gezonden bent!", toch geen juist idee van Mijn zending, noch van het belang van Mijn komst, noch ook maar een flauw vermoeden van de wijze en de betekenis van Mijn heengaan; zij waren mensen en dachten menselijk. Daarom was Ik ook gedwongen om meermalen met hen over Mijn heengaan te spreken en juist dit hoofd­stuk van Mijn geliefde Johannes spreekt er dan ook over, dat Ik Mijn discipelen weer op de gebeurtenissen moest voorbereiden, die spoedig zouden plaatsvinden.

Ik sprak met hen over Mijn heengaan, over Mijn scheiden en verklaarde hen de noodzaak er van; maar het was zo als het in dit hoofdstuk staat: "Ik heb u nog veel te zeggen, maar u kunt het nog niet verdragen of begrijpen!" Daarom waren Mijn woorden raadselachtig voor Mijn discipelen, waardoor zij de aangehaalde spreuk ook niet konden begrijpen, die luidde: "Nog een korte tijd en gij ziet Mij niet meer, en nogmaals een korte tijd en gij zult Mij zien; want Ik ga naar de Vader."

Hoe zou het mogelijk geweest zijn, dat Mijn discipelen er geloof aan zouden hebben gehecht, dat Ik gevangen en zelfs gedood zou kunnen worden, terwijl zij toch zo vaak zagen dat Ik uitweek voor allerlei gevaren en deze verijdelde. Hoe kon het in hun gedachten opkomen,  dat een van God gezondene gedood zou kunnen worden!? Alles wat Ik over Mijn verhoging, Mijn heengaan en over Mijn wederkomst vertelde was voor hen onbegrijpelijk, totdat de harde werkelijkheid hen maar al te zeer overtuigde hoe waar Mijn woorden waren geweest. Pas na deze gebeurtenissen begrepen zij, wat hun opdracht, wat Ik en wat de wereld was.

Hetgeen Ik destijds veelvuldig verkondigde aan Mijn leerlingen over het Rijk Gods, het belang van Mijn leer en haar naleving, waarbij Ik hen door voorbeelden verklaarde hoe het diegene zou vergaan, die zich van Mij en Mijn leer verwijdert, dit alles verkondig Ik reeds eeuwen in alle talen en door duizend verschillende gebeurtenissen in de wereld. Allen roep Ik toe: "Verlaat Mij niet; want zonder Mij is er geen troost en geen heil in de wereld!" En zoals Ik Mijn leerlingen Mijn heengaan voorspelde, maar hen echter de hoop niet ontnam dat ze Mij na een korte tijd weer zouden zien, evenzo roep Ik het u en iedere gelovige toe: "Verlaat de ingeslagen weg niet! De weg van Mij afis duisternis en zalig zult u zijn, wanneer u, na kort ronddwalen, na een korte pauze Mij weer te zien krijgt!" Wee echter diegene, die hun gezicht geheel van Mij afwenden! Zij gaan de weg van duisternis, van de grove materie, waar lange louteringsprocessen nodig zullen zijn om het verlorene terug te vinden en dat wat met voeten werd getreden weer te beteren.

Ik deelde Mijn discipelen mee, dat het in het plan van Mijn leven op aarde besloten lag, wanneer Ik hen zou verlaten. Ik zei hun vooraf, dat Ik hen om te beginnen slechts voor een korte tijd zou verlaten, opdat zij eraan zouden wennen om Mijn persoonlijkheid voor lange tijd te ontberen; maar Ik beloofde hen als vervanging voor het bittere verlies van Mijn zichtbare aanwezigheid de Trooster of de Geest Gods

Wanneer Ik de mensen in menig uur eveneens toeroep: "Verlaat Mij niet!", dan is dit ook zo bedoeld, als eens bij Mijn discipelen de  uitspraak: "Houd moed, wanneer u Mij binnen korte tijd niet meer ziet!" Het wil zoveel zeggen als: "Mijn kind, wanhoop niet tijdens Mijn afwezigheid, als er momenten komen waarin de wereld en haar gebeurtenissen op u afstormen en u Mijn hand niet meer voelt en Mijn stem _ niet meer hoort! Wanneer de wereld u door uw berusting beloont met hoon, haat en vervolging, houd vol! Binnen korte tijd zult u Mij weer zien, weer voelen, weer horen, - weer zien in de taal van de natuur, weer voelen in de wending van de gebeurtenissen en weer horen in de zachte stem van de herkregen vrede in uw hart!"

Zoals Ik Mijn discipelen voorspelde, dat zij bittere uren van verdriet zouden moeten doormaken, zo gaat het ook met iedere gelovige die meer aan Mij dan aan de wereld hangt; immers Mijn terugkeer in het zwaar beproefde hart van de mens, zijn na langdurige strijd verkregen vaste overtuiging dat de zon, ook al verduisteren de wolken haar, toch uiteindelijk zal overwinnen en glorierijk overal haar weldaden versprei­dend, weer tevoorschijn zal komen, - dit alles zal de bittere, doorstane pijnen doen vergeten en het geloof in Mij en het vertrouwen op Mij versterken.

De taak van Mijn discipelen na Mijn heengaan was van te groot belang, dan dat zij niet geoefend moesten worden in het verdragen van het bitterste. Zij moesten om te beginnen gewend raken aan Mijn afwezigheid, om daarna zelfstandig handelend te kunnen optreden.

Wat Mijn discipelen als scholing was voorgedaan, is ook nu de weg

van een ieder, die de voetstappen van Mij en Mijn discipelen wil volgen. Tegen de discipelen zei Ik: "De wereld zal u haten en vervolgen omdat u niet van haar bent!" En hetzelfde moet Ik Mijn huidige kinderen toeroepen; want hoe meer zij Mij liefhebben, hoe meer zij Mij volgen, des te meer komen zij in conflict met de wereld, met het merendeel van de mensen, totdat Ik ook dezen door gebeurtenissen zal bewerken, zodat zij voor iets beters ontvankelijk worden.

Deze gevolgen zijn ten eerste vanzelfsprekend en ten tweede nood­zakelijk; want om een kind van de Schepper van heel de zichtbare en onzichtbare natuur te willen worden, is niet zo eenvoudig. Wanneer een kind in geestelijk opzicht vooruitgaat, dan moet het met de wereld en de alledaagse mensen steeds meer in tweedracht komen. De haat van de wereld groeit met de liefde tot Mij. Houd daarom moed, wanneer u Mij voor een korte tijd niet ziet, na een korte tijd zult u Mij weerzien! Ik moet u soms alleen aan uw eigen krachten overlaten; u moet ondervinden, of u ook werkelijk in staat bent om datgene openlijk en zonder schaamte te bekennen, wat u bij menige voorlezing uit Mijn Woord zo zeer begeestert. Aan u moet de vraag zich voordoen, in  hoeverre u de wereld vreest.

Geloof toch niet dat u zo'n geweldige heldenmoed bezit, zoals het u vaak toeschijnt! Kijk naar Mijn apostel Petrus! In de hof van Gethsemané verdedigde hij Mij met het zwaard en korte tijd daarna verloochende hij Mij. Wanneer dus een Petrus falen kan, dan kunt u zich indenken, hoe het op een beslissend moment met uw moed zal staan. Daarom moeten er dikwijls dergelijke omstandigheden voorkomen, die u sterken en vaster doen geloven in Mij. Als degene die Mij persoonlijk kende, Mij verloochende, wat moet men dan van u verwachten, die Mij nog nooit heeft gezien, maar Mij alleen kent van de zachte stem in uw hart!?

Daarom moet Ik u vaak verlaten, moet Ik u alleen laten, moet Ik u met de omstandigheden en de wereld laten worstelen, opdat u zult kunnen meten wat u hebt verworven en wat u nog ontbreekt.

Gedenk steeds de woorden: "De wil is sterk, maar het vlees is zwak!" Zij zijn belangrijk en beschrijven de hele menselijke natuur. Op mo­menten van geestdrift meent u een olifant op de schouders te kunnen laden en op het ogenblik van de werkelijke uitvoering is u vaak een vlieg nog te lastig.

Onderzoek daarom ijverig in uw hart hoeveel liefde, hoeveel vertrou­wen u bezit opdat, wanneer u af en toe Mijn schijnbare afwezigheid voelt, u moed houdt en getroost de wederkomst van uw Leider en Vader tegemoet ziet!

Heeft u uw eigen zwakheden erkend en weet u hoeveel liefde er nodig is om praktisch uit te voeren wat u in het gevoelsleven vaak zo gemak­kelijk voorkomt, pas dan kent u de weg die naar Mij voert helemaal; dan weet u ook, zoals eens Mijn discipelen door Mijn afwezigheid geschoold -, hoeveel er voor nodig is om de taak als mens en als Mijn kind in de strengste zin van het woord te vervullen.

Dit zeg Ik u allen als waarschuwing, opdat u uzelf niet in dromerige vermetelheid in staat acht om lasten te dragen, waartegen u niet bent opgewassen, en tot troost, opdat u in bittere omstandigheden en gebeur­tenissen bij de schijnbare afwezigheid van uw hemelse Vader u zich zult herinneren, wat Hij eens tegen Zijn discipelen zei: "Nog een korte tijd en gij ziet Mij niet meer, en nogmaals een korte tijd en gij zult Mij zien!" Amen.

 

23

 

Zondag Cantate

 

De vraag naar de eeuwige verblijfplaats

 

Joh. 16, 5-6: En nu ga Ik heen tot Hem, die Mij gezonden heeft, en niemand van u vraagt Mij: Waar gaat Gij heen? Maar omdat Ik dit tot u gesproken heb, heeft droefheid uw hart vervuld.

 

(18 maart 1872)

 

Zie, dit is de tekst voor deze zondag, en ofschoon hij op het eerste gezicht gemakkelijk te begrijpen is, ligt er toch iets veel diepers in dan u zou vermoeden.

Naar uw beoordeling zeg Ik deze woorden daarom tegen Mijn discipelen, omdat Ik - altijd over de Vader en de Zoon sprekend - hen wilde voorbereiden op de komende gebeurtenissen, die de afsluiting van Mijn aardse levenswandel waren. Omdat Ik hen Mijn verhouding tot hun Jehova niet anders begrijpelijk kon maken dan door het beeld van de Vader en Zoon, een beeld, dat dichter bij hun werelds verstand lag en ook in geestelijke overeenkomst volledig de verhouding van de liefde tot de wijsheid uitdrukt: hoe Ik weliswaar als Wijsheid mens ben geworden, maar als Liefde de eeuwige Bewaarder en Schepper van het hele universum ben gebleven.

Ik zei daar: "Ik ga heen tot Hem, die Mij gezonden heeft, en niemand vraagt Mij: Waar gaat Gij heen?, maar gij zijt bedroefd vanwege de gedachte dat u Mij zou kunnen verliezen."

Deze onverwachte voorzegging dat een scheiding tussen Mij en hen mogelijk zou zijn, deze gedachte, die niet in hun voorstelling van Mijn goddelijkheid en Mijn zending paste, maakte hen bedroefd en daardoor Wisten zij op deze woorden noch te antwoorden, noch een vraag te stellen. Daarom herinnerde Ik hen er aan door te zeggen, dat niemand Mij vroeg: "Waar gaat Gij heen?" Dit was de vraag, waar zij zelf nooit aan dachten. Het was voor hen ongelooflijk, dat Ik Mij ooit van hen  zou verwijderen. En ofschoon zij Mij aanvaardden als God, die afdaalde om de mensheid van de wereldse banden te verlossen, wisten zij natuurlijk niet, waarheen Ik moest gaan; want alhoewel zij door de invloed van Mijn woorden en wonderen overtuigd waren van Mijn goddelijke oorsprong, veranderden zij vele geestelijke begrippen toch in wereldse ideeën. Daar moesten natuurlijk verkeerde conclusies uit voortkomen, wat zeer vaak gebeurde, wanneer zij Mijn beelden of Mijn woorden niet begrepen en Mij ervan beschuldigden, dat Ik hard of onbegrijpelijk sprak.

Ik zei destijds: "Ik ga naar Hem, die Mij gezonden heeft!" En nu, na zoveel eeuwen, stel Ik aan u en de hele mensheid de vraag en zeg: "Waar gaat u dan heen, en wie heeft u dan gezonden?" Want zoals Ik Mijn zending, Mijn doel of een "waarom" voor Mijn bestaan heb, zo hebben alle uit Mij geschapen wezens dit ook, ja zelfs de meest dichte, ruwe materie, daar ook zij als zichtbare uitdrukking van gebonden, vastge­legde geesten zeker haar doel, haar opdracht moet hebben.

Daar de proeftijd het einde nadert, vraag Ik nu door politieke, godsdienstige en natuurlijke gebeurtenissen aan de mensen: "Waar gaat gij heen?", opdat zij zullen bedenken wie zij eigenlijk zijn en waarom zij eigenlijk op deze aarde gezonden of geplaatst werden.

De geestelijke wind, die aan Mijn spoedige komen vooraf gaat, om, zoals in het natuurlijke leven, de lucht van slechte dampen te reinigen, wekt als de voorjaarslucht alles op tot activiteit. Overal klinken de vragen: "Waarom ben ik eigenlijk hier?" en "Wat ben ik eigenlijk?" en "Wat is mijn einddoel, of waar ga ik heen?"

De denkende mens, die eenmaal door deze gedachten werd verrast, ziet zich natuurlijk geplaatst tussen twee werelden, tussen een zichtbare en een onzichtbare. De weinige aanknopingspunten, die de verganke­lijkheid van al het geschapene biedt, voldoen niet meer om hem troost en rust te brengen. Alles wat voor zijn ogen ontstaat ziet hij weer vergaan, veranderen of overgaan in andere vormen. En juist deze voorbeelden sporen hem ook aan, zowel aan zichzelf als aan de voor hem ontstane en vergane voorwerpen de vraag te stellen: "Vanwaar komt gij, gij schepselen vol van wonderen en geheimen, en waar gaat gij heen?"

Zo begroet hij het komende, en zo vraagt hij aan het gaande; en juist deze vragen is hij gedwongen aan zichzelf te stellen, omdat hij zelf, wanneer hij ook maar een beetje nadenkt, een nog groter, nog onoplosbaarder raadsel is dan alle andere, voor hem zichtbare dingen. Deze vragen, die telkens weer opduiken, zijn het, die de mensen, of tenminste velen onder hen, dwingen tot een betere beoordeling van het bestaande en van wat hen is aangeleerd. En waar het eindresultaat van een dergelijk onderzoek niet voldoende waar en helder is, daar verheft zich natuurlijk een leger van twijfelaars, die niet tevreden met al het ontdekte, meer zekerheid en meer duidelijkheid willen hebben.

Deze aandrang was telkens het begin van geestelijke en maat­schappelijke omwentelingen. Het was de onvermijdelijke geestelijke wind, die de menselijke natuur telkens weer opwekte, zodra deze zich juist wilde laten wegzinken in een aangename slaap van werelds plezier en genot.

Omdat nu twee dingen deze wind weer opwekten - ten eerste Mijn spoedig komen als beëindiging en bekroning van Mijn eerste, op uw aarde volbrachte taak. Ten tweede de neiging van de gehele mensheid om zich van hoog tot laag aan werelds genot over te geven en het geestelijke te verloochenen -, daarom klinkt weer in alle gemoederen, bij de meesten onbewust, de roep: "Waar gaan wij heen?" en "Waarom zijn wij hier?" Het onbevredigende antwoord, dat de huidige denkrich­ting op deze vragen geeft, geeft aanleiding tot het omverwerpen van al het bestaande en het uitzien naar iets nieuws, echter niet iets bedriege­lijks maar de waarheid.

De mensen ondervinden, dat het rijk van het onzichtbare niet te loochenen is. Het is tevergeefs, dat verscheidene geleerden zich de moeite geven om te bewijzen, dat alleen de materie bestaat en niets geestelijks. De mensen voelen dat de leegte in hun hart niet wordt gevuld, hoeveel grof materiaal er ook door het verstand wordt ingewor­pen. Als in een vat zonder bodem verdwijnt het zoals het is gekomen en de oude vraag staat weer nieuw voor hun geest.

Zo wordt de mensheid gedrongen om uiteindelijk eens alle banden te verbreken, zich van de leibanden te bevrijden, die velen alleen voor hun eigen voordeel willen gebruiken.

Deze omstandigheid, deze strijd moest aan Mijn komen voorafgaan, opdat Ik aan het eind alleen met diegenen te doen heb, die het geestelijke boven het materiële verkozen en ook wisten, vanwaar zij kwamen, waarom zij hier zijn en waarheen zij bestemd zijn te gaan.

Het zullen diegenen zijn, die alle stormen doorstaan en zich midden tussen het vuil van werelds egoïsme en lichtzinnigheid rein gehouden hebben; want alleen voor dezen wil Ik de Herder zijn en alleen zij zullen Mijn schapen zijn.

Ook aan u Mijn kinderen, die Ik uit zovelen heb uitverkoren, opdat u, geleid door Mijn direct woord de anderen als voorbeeld zult voor­gaan, ook aan u wordt deze ernstige vraag gesteld. Ook aan u stelt de levenstijd, die u nog op deze aarde is toegemeten, de vraag: "Waar gaat u heen?" Zij wil daarmee zeggen: Denk aan de verantwoordelijkheid die u op u hebt genomen door het Woord van uw God, uw Vader te willen horen! Met dit horen bent u ook de verplichting aangegaan om naar dit Woord te leven; want zonder er naar te leven is het leven nutteloos.

U, die Mijn Woord hoort, ervaart en nu ook weet hoe men het moet nakomen, u bent dubbel strafbaar wanneer u het in praktijk brengen achterwege laat.

Toen Ik sprak over Mijn heengaan naar Hem, die Mij gezonden had, vervulde het hart van Mijn leerlingen zich met droefheid. Welk gevoel zal dan over u komen, wanneer ook u moet heengaan naar Hem, die u gezonden heeft? Streef ernaar, dat u met het u toevertrouwde kapitaal, goed besteed en belegd, in Mijn rijk terugkeert en niet zoals de luie knecht uw kapitaal begraaft; want anders komt u onrijp in een andere wereld aan, waarin het u zelfs tot een last zou worden om als onrijpe tussen de gerijpten, als ongelukkige tussen de gelukkigen te moeten leven!

Wanneer u moet heengaan naar Hem, die u gezonden heeft, streef er dan toch op zijn minst naar om dat geestesrijk binnen te treden met het bewustzijn alles gedaan te hebben, wat overeenkomstig de woorden die u ontvangen hebt van u te verwachten was! Streef ernaar Mijn woorden en Mijn leer zo voor u en voor anderen te benutten, dat veel goede daden en slechts weinig fouten uw levensbalans uitmaken, opdat u dan rustig kunt voortgaan en uw broeder, die u vraagt: "Waar gaat gij heen?", getroost kunt wijzen op de morgen van het eeuwige liefde­licht, terwijl u zegt: "Ik ga daarheen, vanwaar ik gekomen ben en waar het mogelijk is eeuwig voort te gaan en mijn Schepper en Vader steeds meer te naderen!"

Ook Ik zei: "Ik ga naar Mijn Vader, die Mij gezonden heeft!" Ik ging echter ook in het volle bewustzijn, Mijn zending in de volle zin van het woord volbracht te hebben, ofschoon het allerbitterste Mij als mens nog te wachten stond. Eens zult u hetzelfde zeggen en u kunt u reeds nu al verheugen op de triomf, wanneer u na doorstane strijd en de overwinning van uw verzoekingen getroost de hand naar de zegepalm moogt uitstrekken.

Wie van Mijn woorden slechts vage begrippen heeft of helemaal niets weet, die kan Ik voor zijn handelen niet zo verantwoordelijk stellen als diegenen, die Mijn leer kennen en begrijpen hoe en wanneer zij naar haar moeten handelen. Dezen zijn strafbaar, wanneer zij opzettelijk tegen haar zondigen en zij zullen - niet door Mij, maar door hun eigen geweten - vanwege hun wankelmoedigheid en kleinmoedigheid aange­klaagd worden, omdat het hun zo zeer aan kracht ontbreekt en omdat zij, omringd door geestelijke hulp van boven, zich zo in het net van werelds genot lieten verstrikken, dat zij daarbij hun geestelijke waarde ingeboet hebben.

Gedenk dus Mijn woorden! Hoe aangenaam het aanhoren daarvan ook mag zijn, neem ze toch serieus omdat alleen het handelen naar Mijn twee enige liefdegeboden in de strengste zin van het woord, u tot Mijn, tot kinderen van de Schepper van de hele oneindigheid kan stempelen. De prijs, die Ik u in het vooruitzicht stelde, kunt u nog niet in zijn volle betekenis en volle diepte begrijpen, omdat u Mijn geestelijke rijk niet kent; maar wanneer u kon zien hoe engelen en grote geesten u om dit voorrecht benijden, dan zou u er zeker trots op zijn van Hem te zijn uitgegaan en weer naar Hem terug te kunnen keren, die de Liefde zelf is, een liefde, die een menselijk hart niet kan begrijpen.

Welk een onbegrijpelijke liefde ligt daarin, dat de hoogste Godde­lijke liefde u tot Zijn kinderen wil maken, dat deze Liefde de nederigste staat op uw aarde heeft verkoren, om juist dat te bewijzen, wat zij als  Jezus eens zei, - dat zij zich als Wijsheid, na de volbrachte taak zich weer wil verenigen met de Liefde waarvan zij is uitgegaan en naar welke ook u kunt komen, wanneer u uzelf haar waardig weet te maken.

Ik ging eens naar Mijn Vader, die Mij gezonden heeft; streef er ook naar om dat te bereiken, om uit Zijn handen de kroon der overwinning voor uw strijd en lijden te ontvangen - zoals eens Ik als Godmens en Jezus meer dan duizend jaar geleden! Amen.

 

24

 

Zondag Rogate

 

De juiste bede

 

Joh. 16,23: En te dien dage zult gij Mij niets vragen. Voor­waar, voorwaar, Ik zeg u, als gij de Vader om iets bidt, zal Hij het u geven in Mijn naam.

 

(19 maart 1872)

 

Dit vers, dat in het katholiekkerkelijk jaar voor deze zondag bestemd is, laat u zien hoe Ik Mijn discipelen als troost voor het gemis van Mijn persoon de hoop gaf, dat zij, wanneer het nodig mocht zijn, van Mijn Vader in de hemel alles zouden ontvangen waar zij om mochten vragen. Ik stelde hen deze vreugde in het vooruitzicht, omdat zij daardoor in geestelijke gemeenschap met Mij konden blijven, doordat Ik, weliswaar voor hen niet meer zichtbaar, toch hun beden kon vernemen en ook zou helpen vervullen.

De tekst, zoals hij in de bijbel staat opgetekend, is niet moeilijk te begrijpen. En toch ligt er iets veel diepers in, zodra u hem in alle ernst wilt overdenken!.

Om u dichter tot zijn geestelijke overeenkomst en betekenis te brengen moeten wij allereerst de vraag beantwoorden: "Wat is eigenlijk een bede?"

Zie, er wordt door u - zoals Ik reeds vaker gezegd heb - zo menig woord uitgesproken, zonder dat u er ook maar het minste vermoeden van hebt wat het eigenlijk betekent! Dit is een teken, hoe weinig u de diepte, de kracht en het gezag van het woord, als uitdrukking van een gedachte, kent. Daarom ben Ik zo vaak gedwongen om u van tevoren op de afzonderlijke woorden, waaruit een aangevoerde tekst uit de bijbel bestaat, opmerkzaam te maken en u langzamerhand binnen te leiden in zijn betekenis. Zolang u de ontleding van de woorden en hun overeenkomstige betekenis niet kent en niet weet te ontdekken, zo lang is van een eigenlijk begrijpen van de bijbelteksten, ook van de een­voudigste, geen sprake. De bijbel met al de in haar gelegde schat van wijsheid blijft dan voor u onbegrijpelijk; hoogstens verschaft zij de een of de ander, die zich tevreden stelt met de oppervlakkige, letterlijke betekenis, tijdens moeilijke momenten in het aardse leven enige troost en vrede.

Om op onze tekst uit het evangelie van Johannes terug te komen, willen wij allereerst de vraag beantwoorden wat een bede is, en overgaan tot de geestelijke betekenis, hoe een bede is op te vatten, wanneer zij aan Mij als alwetende Heer en Schepper gericht wordt.

Zie, een bede is een smeken om hulp bij een machtiger of sterker iemand, wanneer de eigen krachten ontoereikend zijn. Het is een verzoek om daadwerkelijke bijstand, Of voor zichzelf Of voor een ander schepsel, dat ondersteuning of hulp nodig heeft.

Waarvan getuigt nu dit smeken? Het betuigt de eigen onmacht; deze geeft aanleiding tot vragen, daar men niet kan bevelen.

Wanneer nu een vraagsteller een verzoek indient bij iemand en zich daarbij op andere, welwillende of bevriende mensen beroept om door het noemen van hun naam of door middel van de voorspraak van die persoon zelf bij meer invloedrijke mensen een gunstige indruk te maken, dan betuigt dit weer, dat de vraagsteller hoopt door de aanroe­ping van een naam, die ook bij de derde dierbaar en aangenaam is, deze des te eerder te bewegen om de verzochte verlangens in te willigen.

Wanneer u dus deze eenvoudige opmerking overdenkt, dan begrijpt u gemakkelijk, waarom Ik als Jezus Mijn discipelen heb aanbevolen om in Mijn naam tot de Vader in de hemel te bidden en waarom Ik hen van tevoren beloofd heb, dat geen van hun beden onvervuld zal blijven. Ik wilde hen daardoor steeds aan hun eigen onmacht herinneren, hen op het gemoed drukken dat zij uit zichzelf niets kunnen verrichten en wilde daarbij eveneens de herinnering aan Mijn werken en leven onder hen levendig houden, omdat zij alleen zo - meer gericht op het geestelijk streven - het wereldse naar zijn eigenlijke waarde zouden inschatten, en het dus nooit verkeerd zouden uitleggen.

Deze vorm van bidden moest een gestadig groeien van het vertrou­wen in Mij bewerken, daar Ik, ofschoon niet meer zichtbaar, toch geestelijk steeds in hun nabijheid was. Zij geloofden daardoor ook meer in Mijn afkomst van boven en konden anderen dit onwankelbaar geloof in de leiding van een allerhoogst Wezen als Schepper, Behouder, Heer en Vader bijbrengen.

Dat Ik als God hun beden niet nodig had en reeds sinds aeonen van tijden vooruit wist wat zij nodig hadden en wat voor hun het beste was, is vanzelfsprekend. Het bidden had alleen tot doel in hen, zoals in de mensen in het algemeen, het vertrouwen in Mij als hoogste Wezen op te wekken, dat Ik niet een God ben voor wiens grootte de nietige mens moet sidderen, maar dat Ik - hoewel een God en een hoogst Wezen ­als liefhebbende Vader voor Mijn kinderen en geschapen wezens toegankelijk ben en wel door een deemoedige toenadering, door vurig vragen of gebed, dat alleen maar door een liefhebbende Vader, echter niet door een streng richtende God verhoord kan worden.

Dat Ik Mij als Jezus tot voorspraak aanbood en dat Ik zei: "Wat u in Mijn naam vraagt, zal de Vader in de hemel u geven!", gebeurde daarom, omdat zij gedurende Mijn levenswandel Mijn liefde, Mijn verdraagzaamheid en Mijn geduld met de gebreken van anderen gezien en begrepen hadden en zich zo vaag een voorstelling van de Vader konden maken, die een Zoon zoals Ik als Jezus was, bij alle gelegenhe­den Zijn liefde bewees. Alleen zo werd hen de ontoegankelijke God Jehova toegankelijk, alleen zo vatten zij moed om hun hart tot Mij op te heffen, en alleen zo vertrouwden zij erop, dat wanneer zij in Mijn naam baden of om verhoring van hun bidden smeekten, zij ook een welwillend oor bij Mij zouden vinden.

Op deze wijze werd de geestelijke verbinding, die Mij als Jezus vroeger enerzijds met hen en anderzijds met Mijn liefde of de Vader verbonden had, nooit verstoord. Alleen zo trokken Mijn discipelen getroost de wereld in, onderwezen en predikten Mijn evangelie, deden wonderen en offerden zelfs hun eigen leven, omdat hun verbinding met Mij, die nooit was verbroken, hen steeds van de materiële wereld af- en naar de geestelijke wereld toe trok.

Zo gaven zij een eeuwig voorbeeld van de kracht van het geloof en van het gebed, wanneer dat, opborrelend vanuit een rein hart en alleen verlangend naar het geestelijke, zich tot Mij verheft en Mij de dank vooruitgeeft voor weldaden, die Ik Mijn kinderen ook dan niet ont­houden zou hebben, wanneer zij er niet om gebeden zouden hebben.

Zie dus Mijn kinderen, wat achter het woord "bede" steekt, hoe groot zijn betekenis is, hoe groot het genot dat aan het vragende hart is toegestaan! En zoals in het aardse leven een biddende zich vaak aan de zoete hoop overgeeft dat zijn smeken verhoord zal worden en reeds tevoren _de vreugde geniet, die het vertrouwen op de aangesprokene verhoogt en de liefde tot hem vergroot, evenzo is in geestelijk opzicht het benaderen van Mij als Vader van al het geschapene de enige troost en de enige geruststelling, dat een rechtvaardige, alles met liefde om­vattende God zeker alleen het juiste en het goede wil en iedere bede, wanneer zij billijk is, ook zeker zal vervullen.

Op deze manier is de verbinding tussen schepsel en Schepper steeds aanwezig. Zij is niet gegrond op vrees of kruipen voor de troon van een almachtige, toornige en streng oordelende God, neen, zij is gegrond op vertrouwen, op liefde, die een onmondig kind voor zijn machtige Beschermer, voor zijn Vader koestert.

Het is de liefde en niet de angst, die het hart in hoogste activiteit houdt en het vreugdevol kloppend tot de eeuwige, steeds dezelfde blijvende Vader van alle creatuur wendt. Het is de mooiste band die de natuur kent, de band van kinder- en vaderliefde, terwille waarvan de hele schepping geschapen, in stand gehouden en vervolmaakt wordt. Deze band kan slechts de enige zijn, die met een geest als Mij overeen­stemt, en die aan een mens of een geschapen wezen zijn geestelijke adel kan verlenen.

Begrijp daarom Mijn kinderen wat "vragen" wil zeggen, wat "bid­den" wil zeggen en wat het betekent om zich in Jezus' naam tot Mij te wenden. De naam "Jezus" houdt Mijn grootste handelen, Mijn groot­ste daad en Mijn grootste offer in, dat Ik omwille van u en alle geesten volbracht.

Bij de herinnering aan Mijn lijdzaamheid kunt u niet trots zijn, bij de herinnering aan Mijn liefde kunt u niet haten, maar alleen bij de aanroeping van Mijn aardse naam kunt u al deze deugden nastreven, die Ik persoonlijk tijdens Mijn aardse leven heb beoefend.

De bede tot Mij zal u boven al het wereldse verheffen en zal u in Mijn geestelijke rijk voeren, waarin Ik de biddende graag verleen wat in geestelijk opzicht voor hem of voor zijn naaste het beste is.

Wanneer u nu weet, wat "bidden" betekent, wanneer u weet, tot Wie u bidden moet, dan is er nog een tweede punt om te overwegen, namelijk: voor wat u kunt bidden om ten minste op verhoring te mogen hopen.

Hier nu op dit tweede punt wordt door velen het meeste gefaald. Velen bidden pas, wanneer de nood hen daartoe dwingt en vele anderen weer dan wanneer het gaat om profane voordelen of andere onbelang­rijke dingen.

Uit het voorafgaande kunt u zien wat eigenlijk een bede, en wel een bede tot Mij is. U kunt u daarbij herinneren, dat Ik meerdere malen zei: "Mijn rijk is niet van deze wereld!", en "Wie tot Mij wil bidden, moet in geest en in waarheid bidden!"

Zie, deze teksten bewijzen u precies dat het niet om wereldse dingen gaat en dat het van weinig respect en weinig liefde uwerzijds getuigt, wanneer u Mij voor zo'n gewone rechter of monarch houdt, aan wie men slechts smeekschriften hoeft te overhandigen en bij wie men dan door bepaalde voorspraak zijn doel gemakkelijker meent te kunnen bereiken.

Kijk naar de wereld, hoeveel onzin wordt daar van Mij verlangd! Hoeveel ingebeelde voorsprekers en voorspreeksters worden aangeroe­pen, die bij Mij ten gunste van de biddenden moeten voorspreken. Wanneer de mensen ook maar een beetje zouden nadenken over hun eigen manier van doen, dan zouden zij zich voor hun eigen kortzich­tigheid moeten schamen en blozen, hoe zij God, de Schepper en Heer van de oneindigheid, voor nietszeggende dingen in het bekrompen profane leven naar beneden zouden willen halen. Zij bedenken niet dat het meeste kwaad en de meeste ongelukken niet door Mij, maar door het gedrag van de mensen zelf komen.

Wanneer Ik de mensen laat doen wat zij willen en zij zich ziektes en ongelukken op de hals halen, waaruit zij vervolgens geestelijk nut kunnen trekken, waarom zou Ik dat verhinderen, wat juist het beste voor de mensen is en tot hun geestelijk heil dient? Ik kan toch alleen de geestelijke vooruitgang en niet het wereldse goede leventje van iedere enkeling als hoofddoel van zijn aardse leven voor ogen hebben! Hoe

zou Ik Mijn kinderen dat kunnen laten toekomen, wat juist schadelijk voor hen zou zijn?

Kortzichtige, lichtgelovige mensen! U komt Mij vaak voor als kin­deren, die met alle geweld hun handen in het vuur willen steken, omdat zij nog niet ervaren hebben dat vuur niet alleen licht geeft, maar ook brandt.

Hoeveel gevallen zou Ik u kunnen opnoemen, waar al niet om gebeden wordt! De één wil geld, de ander gezondheid, de derde het welslagen van zijn ondernemingen, de vierde jammert omdat de dood leegtes in zijn familie bracht, de vijfde zou zijn kinderen in luxe en welzijn zo naar de hel willen zien lopen enz. enz.; maar niemand bedenkt dat bij het verhoren van hun gebeden het geestelijk wel en wee van de toebedeelden vaak nog erger, nog slechter zou worden. Zij bedenken niet dat juist lijden en ongeluk de hoekstenen zijn waaraan de wankelende mensen zich stoten, wanneer zij profane zaken huldigen en de geestelijke vooruitgang aan de kant zouden willen zetten.

U, vaders en moeders van gezinnen, u wilt voor uw kinderen al het goede hebben, gezondheid, rijkdom, een lang leven en een goede positie in de wereld. Nu, wat u wilt als nietige creaturen in Mijn schepping, zal toch Mij denk Ik ook geoorloofd zijn! Het zal Mij toch ook wel toegestaan zijn Mijn kinderen zo op te voeden, dat zij van al het goede en mooie dat Ik in Mijn schepping, en nog wel voor hen alleen, opgestapeld heb, in volle mate kunnen genieten en dat zij geestelijk gezond, rijk aan liefde en in Mijn nabijheid over grote dingen gesteld kunnen worden.

Zie, Ik wil niets anders dan wat u zelf wilt; alleen bestaat er dat onderscheid, dat u mensen, andere scholen moet doorlopen om Mijn kinderen te worden, dan dat u uw kinderen wilt laten bezoeken. Hier gaan onze standpunten dus uiteen.

Daarbij moet Ik nog opmerken, dat u zich slechts om een korte tijdspanne bekommert waarin het uw kinderen naar uw begrippen goed moet gaan, terwijl Ik zorg draag dat het eeuwige, toekomstige leven van Mijn pupillen vol zaligheden en nimmer vermoede genietingen zal worden.

U merkt hieruit op, dat Ik Mij op dit punt vaak als de onverbiddelijke moet voordoen en uw dwaze vragen in het zand moet schrijven, opdat zij bij de eerstvolgende windvlaag weer verwaaien, terwijl Mijn veror­deningen in onvergankelijke, eeuwige stenen als wetten geschreven staan. Denk daarom goed na over uw gebeden en verlang niet van Mij de ondergang van Mijn kinderen! Ik heb ze voor het eeuwige leven, voor het geestes - en engelleven geschapen en niet voor een luxueus leven in het vuil van de wereld om Mij misschien eens een bevlekte ziel over te dragen.

Wanneer u dus bidt en Mijn hulp aanroept, bedenk dan dat Ik al vooruit weet om wat u tot Mij bidt en dat u Mij niets nieuws kunt vertellen! Bedenk dat de mensen, wanneer het niet Mijn wil geweest zou zijn om hen door hun eigen fouten wijzer te laten worden, niet in deze bittere omstandigheden terecht gekomen zouden zijn. Bedenk, dat uw enige troost uw vertrouwen in Mij is! Ook Ik had vertrouwen, toen Ik in de hof van Gethsemané onder de drang van Mijn grootste lijden dat Ik daar als mens moest ondervinden, bad: "Vader, neem deze bittere beker van Mij weg!" En toch werd de beker niet van Mij genomen, maar Ik moest hem ledigen tot aan de laatste druppel. Bedenk, dat Ik daar sprak: "Niet Mijn wil, maar Uw wil geschiede, O Vader!"

Wat Ik eens uitriep, waarop Ik Mij vrijwillig aan Mijn lot overgaf, dat moge ook uw enige troost en leidster zijn tijdens uw aardse levensloop!

Ja bid! Bid in Mijn naam, smeek vurig tot Mij! Het smeken geeft u troost, geeft u vrede, en u hebt uw plicht en wat u verschuldigd was tegenover Mij gedaan. Laat het verhoren of het niet verhoren van uw gebeden echter aan Mij over! Ik zie beter en verder en kan niet alles verhoren, wat blinde en onmondige kinderen wensen. U geeft uw kinderen immers ook niet alles wat zij willen, en waarom? Omdat u als volwassen mensen duidelijker ziet en verstandiger bent. En wat kleine kinderen met betrekking tot u zijn, dat bent u met betrekking tot Mij, en zelfs veel minder.

Vertrouw daarom op Mij! Ik weet te geven en te nemen, wanneer de tijd daar rijp voor is. Mijn wegen zijn ondoorgrondelijk, en vaak juist daar waar bij u tranen van verdriet in overvloed vloeien, vieren Mijn geesten en engelen een vreugdefeest.

Het was het vertrouwen in Mijn altijd liefdevolle bedoelingen, dat Ik ooit Mijn leerlingen aanraadde. Datzelfde vertrouwen zou Ik ook bij u willen opwekken; want zonder dat kunt u geen stap voorwaarts maken, zonder dat moet u wel aan uw lot wanhopen en tot het loochenen van God komen. Vertrouwen is de draad die u veilig uit het labyrint van het leven voert aan de hand van een liefhebbende Vader, die vaak juist daar waar Hij u het verst verwijderd leek, het dichtst bij was.

Vraag en bid; maar verlang niets onmogelijks, niets wat werelds is! Geest bent u en geest ben Ik! Ik kan alleen oordelen als een geestelijk wezen, en ook u moet er een gewoonte van maken om reeds tijdens uw leven hier aan het geestelijke in u de voorkeur te geven boven het wereldlijk - materiële.

Dan geldt ook voor u, wat Ik eens tegen Mijn discipelen zei: "Wat gij in Mijn naam vraagt, dat zal u gegeven worden!" Daarvan kunt u verzekerd zijn, temeer omdat Ikzelf het u nu hier bij herhaling beloof! Amen.

 

25

 

Zondag Exaudi

 

De belofte van de Trooster

 

Joh. 15,26 en Joh. 16, 7: Wanneer de Trooster komt, die Ik u zenden zal van de Vader, de Geest der Waarheid, die van de Vader uitgaat, zal deze van Mij getuigen. Doch Ik zeg u de waarheid: Het is beter voor u, dat Ik heenga. Want indien Ik niet heenga, kan de Trooster niet tot u komen, maar indien Ik heenga, zal Ik Hem tot u zenden.

 

(20 maart 1872)

 

Deze tekst komt in twee hoofdstukken van het Johannesevangelie voor en wel in het eerste als een belofte dat Ik Mijn achtergebleven leerlingen de Trooster, de Geest der Waarheid zou zenden, die hen zou laten zien, dat alles wat Ik hen leerde waar en juist was, - en in het tweede als een verwijzing dat Mijn heengaan noodzakelijk was om dat te bevestigen, wat Ik hen over Mij en Mijn missie gezegd had. Want in dit tweede hoofdstuk wordt gezegd: "Indien Ik niet heenga, komt de Trooster niet tot u!" Daardoor bewees Ik hen, dat Mijn heengaan tot de "Vader" - zoals Ik Mij uitdrukte - absoluut noodzakelijk was. Dit einde van Mijn opdracht was tevens het begin van hun zending volgens Mijn plannen, die Ik tot redding van de mensen had ontworpen.

Wanneer een meester zijn leerlingen verlaat voordat ze geheel rijp zijn om ook zonder hem de leergang voort te kunnen zetten, dan benoemt hij gewoonlijk een plaatsvervanger, die datgene realiseert wat noodzakelijk is voor de voltooiing van het geheel. Zo deed ook Ik. Mijn taak op aarde of Mijn verblijf onder Mijn leerlingen was slechts nuttig, zolang zij nog niet helemaal in Mijn leer waren ingewijd. Ik moest Mijn aanwezigheid op aarde eerst met de grootste daad van deemoediging en liefde afsluiten, hetgeen het praktische gedeelte van Mijn leer was. Ik moest Mijn leerlingen door de daad laten zien, welke offers Mijn leer en het behoud daarvan verlangt. Ik wilde hen als het ware voorgaand, als eeuwig voorbeeld laten zien wat Mijn ware leerlin­gen ook moeten kunnen verdragen, namelijk zelfs hun leven voor hun geloof te laten, welk lot velen van hen later overkwam. Ik moest hen door Mijn opstanding ook bewijzen, hoe weinig de dood zijn macht op Mij kon uitoefenen. Opdat zij zich echter in de tussenperiode, tot aan Mijn hemelvaart of terugkeer in Mijn rijk, konden herstellen van de harde slag welke de afwezigheid van Mijn zichtbare persoonlijkheid veroorzaakte, was het Mijn eigen hoogste plicht als hun Meester en Leraar, hun een vervanging voor Mijn verlies in het vooruitzicht te stellen. Dus beloofde Ik hen de Trooster, die zij zich, toen Ik hun dat zei, zoals ook later toen Ik het herhaalde, eerder als een persoonlijkheid dan als een kracht voorstelden.

Toen Ik deze en nog vele andere woorden tot hen sprak, waren zij nog te zeer wereldlijke mensen; zij konden de geestelijke betekenis van Mijn woorden, zelfs van Mijn laatste, voornaamste en diepste afscheids­woorden niet in geestelijke zin begrijpen. Derhalve zei Ik hun immers ook: "Ik heb u nog veel te zeggen, maar u kunt het nog niet dragen!", wat met andere woorden wil zeggen: "Ik kan geestelijke begrippen niet voor u in wereldlijke veranderen. U bent weliswaar gelovige, maar nog onmondige kinderen en er moet eerst de laatste wijding over u komen, die u van kinderen tot mannen rijpt, opdat u geschikt zult zijn om dat, wat u van Mij gehoord hebt, te verstaan en het aan anderen zo weer te geven, zoals u het van Mij hebt ontvangen."

Deze overschaduwing van Mijn Geest maakte hen tot wedergeborenen; want Mijn Geest voltrok deze daad door het geestelijke van het wereldlijke af te scheiden. Het verstandsleven eindigde en het leven van de geest of het hart begon. Zo werden Mijn discipelen dan met geestelijke wilskracht uitgerust om te spreken en te werken zoals Mijn leer vereiste, om zo het door Mij begonnen verlossingswerk van zijn eeuwige duur te verzekeren.

Wat in die tijd met Mijn discipelen gebeurde, dat gebeurde in iedere eeuw met enkele, door Mij daartoe gekozen mannen opnieuw. Nooit heeft het aan dergelijke, Mij geheel toegewijde mensen, ontbroken, die hun leven lieten voor hun overtuiging. Altijd waren er dergelijke vermaners en vernieuwers van Mijn voor de mensheid zo duur betaalde leer. Het was hun bestemming om te midden van het grote misbruik, dat men met Mijn leer bedreef, de leer van het echte en ware geloof niet in de vergetelheid te laten geraken.

Ook in uw eeuw ontbreekt het niet aan dergelijke begeesterde mensen en thans, nu de mensheid nog meer in het wereldlijke ver­dwaalt, nu het einde van deze proefperiode voor de mensheid nadert, vermeerderen zich ook de aanhangers van Mijn ware leer, die zo voor de fundering van Mijn rijk de eerste bouwstenen zullen leveren, opdat Ik reeds bij Mijn aankomst gelovige harten zal aantreffen. Want voor de tweede maal wil Ik niet tot dove oren spreken, maar de schemering van het morgenrood moet aanwezig zijn en de geestelijke ogen van Mijn vereerders moeten reeds voorbereid zijn, om het volle licht van Mijn liefde en Mijn verschijnen zonder schade te kunnen verdragen.

Zoals Ik destijds Mijn discipelen de Trooster beloofde, die Ik hen zou zenden, zo laat Ik nu in ieder vroom Mij toegewijd hart de ware troost binnenstromen, die alleen Mijn leer, alleen de ware religie en de ware geloofsbelijdenis die uit Mijn woorden oplicht, kan geven.

Nu is de ware Trooster in de mensen gelegd. Hij ontwikkelt zich door het juiste handelen naar Mijn beide liefdegeboden, wanneer zij juist opgevat, ook in die zin uitgevoerd worden.

Om Mijn werk te bespoedigen ben Ik ertoe overgegaan door directe mededelingen alles duidelijk uiteen te zetten wat voor de mensen, zoals Mijn discipelen eens zeiden, te hard en onbegrijpelijk was. Daar Mijn mededelingen nu zo rijkelijk vloeien, ben Ik eigenlijk reeds geestelijk naar uw aarde afgedaald en leer en leid Ik Mijn kinderen daadwerkelijk zoals eertijds. Alleen Mijn zichtbare verschijning ontbreekt, die echter de twijfelaars maar tot geloof zou dwingen, hetgeen tegen de vrijheid van de mens zou zijn.

Nu kies Ik weer Mijn leerlingen uit, die het gouden zwaard van Mijn liefdeleer moeten uitzaaien; alleen is het nu niet meer nodig ze zo te leiden als eertijds. In die tijd moest Ik andere middelen gebruiken, Ik moest zelf komen om hun het werkelijk bestaan van God door Mijn woorden en daden te bewijzen. Nu zijn deze paardemiddelen niet meer nodig; want de wetenschap heeft met haar ontdekkingen op het gebied van Mijn schepping van de wereld, voor de met geest en hart ob­serverende mensen genoeg wegen geopend om Mij overal te vinden en  Mijn werkelijk bestaan te erkennen.

Parallel aan de geloofsleer loopt tegenwoordig de leer door overtui­ging. Alleen iemand die opzettelijk blind wil zijn zal het bestaan van God loochenen, die toch in alle uithoeken van de schepping, onder en boven, ja zelfs in de mens zijn eigen hart bestaat, ondanks alle tegenbe­wijzen. Alleen een dergelijk mens zal loochenen, dat er een God, een Wetgever en - zoals het nagelaten werk, uw bijbel het u leert - ook een liefhebbende Vader bestaat, die ondanks dwalingen en ondenkbare losbandigheid van de mensen telkens vergeving in plaats van vergel­ding, telkens geduld in plaats van een streng gerecht uitoefent en die telkens het leven en niet de dood, namelijk de geestelijke, wil versprei­den.

Daarom ook is nu de Trooster u in het hart gelegd en u bent heer over uw vrede en uw rust. Ik hoef u deze niet meer te zenden, daar u haar reeds van Mij hebt ontvangen. Het is aan u, om het ontvangene gehoorzaam in woord en daad uit te oefenen, omdat u daardoor laat zien, dat u Mijn kinderen, Mijn leerlingen van de tegenwoordige tijd bent.

Bekommer u niet om de buitensporigheden op religieus gebied, die nu overal de kop opsteken! Zij zijn wel opwekkers, maar het zal hun aanhangers vroeg of laat ontbreken aan de hoofdfactor, de Trooster, die Ik toendertijd alleen aan diegenen beloofde, die Mijn ware discipe­len waren en die u ook in alles moet navolgen.

Er mogen nog zoveel godsdienstige gebouwen opgericht worden, ­wie niet terugkeert naar Mijn eenvoudige huis, waarin slechts de liefde, geleid door de wijsheid, als enige troont, die vindt in moeilijke ogen­blikken nergens de Trooster, want hem ontbreekt naast het ware geloof ook de ware overtuiging; hem ontbreekt de Geest der Waarheid, die Ik eens aan Mijn discipelen beloofde en ook gezonden heb en die een ieder ten deel valt, die Mij in geest en waarheid begrijpt en in geest en waarheid Mijn leer metterdaad toepast.

Er is slechts één waarheid, zoals Ik u onlangs bewees. Wie deze niet huldigt, die heeft op zand gebouwd. Komen dan de grote aardse en geestelijke stormen, die voor de reiniging van het geest zielewezen op deze aarde moeten plaatsvinden, dan zal een dergelijk huis, gebouwd op vluchtig wijsheids - of verstandszand, met zijn fundering spoorloos verdwijnen alsof het nooit bestaan had. Slechts dat gebouw zal stevig staan, alle stormen trotseren en zich als enige waarheid, als enig stevig fundament bewijzen, dat op Mijn Woord, op het Woord van uw God en Schepper van het hele universum, gebouwd is; want wat God sprak en door een dergelijk offer ook daadwerkelijk aan Zijn hele geesteswe­reld bewees, zoals Ik op uw aarde gedaan heb, dat kan geen leugen of bedrog zijn. De bedrogenen zijn diegenen, die hun oren sluiten voor alle vermaningen en oproepen uit de zichtbare en onzichtbare natuur en die de Trooster in hun verstandelijk denken zoeken, terwijl Hij alleen in uw hart te vinden is.

Gedenk daarom de woorden, die juist in deze hoofdstukken 15, 16 en 17 staan en die Ik eens tegen Mijn discipelen heb gesproken.

Zij zijn de belangrijkste, de gewichtigste en de diepzinnigste; want zij waren de afscheidswoorden van uw Vader, die, voordat Hij de laatste liefdedaad moest voltrekken, nog één, en wel de sluitsteen van Zijn geestelijk gebouw dat Hij op aarde achterliet, gelegd had, waarvan de betekenis ver over de huidige tijd heen reikt.

Wat Ik Mijn discipelen beloofde als de "Trooster", die Ik hen zou zenden, dat lag reeds in deze, door Mijn geliefde Johannes opgeschreven woorden. Mijn discipelen begrepen ze niet; maar u, die nu reeds tamelijk geschoold en voorbereid bent om Mijn leer te doorzien en zo te begrijpen als Ik graag heb dat ze begrepen en uitgevoerd wordt, u kunt in deze nagelaten woorden de Trooster vinden, die u kan verlich­ten, verheffen en sterk maken tegen al het komende, zoals ook eens Mijn Geest de discipelen versterkte, om hun toekomstige lotgevallen met de voor hun taak noodzakelijke zielekracht te dragen.

Bij u ontstaan weliswaar niet zulke bittere momenten, zoals eens voor Mijn discipelen tijdens hun leerambt; maar u hebt des te meer te strijden met de wereld, met haar genoegens en met uw medemensen, waarvan het merendeel niet de weg die u gaat, maar juist de verkeerde weg heeft ingeslagen.

Het zal u vergaan, zoals Ik het Mijn discipelen profeteerde: "De wereld zal u haten, omdat u niet van haar bent!", omdat u een ander fundament en andere principes er op na houdt dan het merendeel van de mensen; maar hier is de Trooster u het meest nabij, die u voor dit korte proefleven een langer, groter, ja een eeuwig genot in uitzicht stelt als loon voor uw trouw volharden bij het eenmaal vastgestelde woord van uw Vader, uw Jezus, die Zijn aardse leven gaf, om de aardse schepselen van het geestelijke verderf te redden.

Daarom laat ook dat voor u de beste troost zijn, die Ik iedereen na een volbrachte goede daad in het hart leg, laat dat de beste beloning en de beste geruststelling zijn: Mijn leer en Mijn woorden gevolgd te hebben, die toch aan het einde, ondanks alle wereldse glans en alle wereldmacht, de laatste steunpilaren zullen zijn, die voor de strijdenden als reddingsbakens in de grote oceaan van de wereldgebeurtenissen zullen blijven.

Verlaat daarom de Trooster in uw hart niet, en Diegene, die deze Trooster in uw hart legde, zal u niet verlaten! Dat verzekert u Diegene, die reeds zoveel hemels brood, zoveel geestelijke zegen en zoveel ware troost over uw hoofden heeft uitgestort. Amen.

 

26

 

Pinksterzondag

 

De Heer en Zijn kinderen

 

Joh. 14,23: Indien iemand Mij liefheeft, zal hij Mijn woord bewaren en Mijn Vader zal hem liefhebben en Wij zullen tot Hem komen en bij Hem wonen.

 

(24 maart 1872)

 

Om deze tekst te verklaren zijn weinig woorden nodig; want het is volkomen natuurlijk dat, wanneer iemand genegenheid heeft voor een ander die ook nog hoger geplaatst en wijzer is, hij al het mogelijke zal doen om het respect en de liefde van zijn hooggeplaatste vriend of heer te winnen. Hij zal trachten zijn genegenheid en liefde door daden te bewijzen en precies naar de leer en raadgevingen van de hoger geplaatste vriend of leraar handelen. Wanneer dit het geval is, dan wordt de genegenheid van de een door de liefde van de ander beantwoord en daardoor zal een geestelijke verstandhouding ontstaan, zoals voorkomt bij eendrachtig samenlevende familieleden.

Dat is ongeveer de betekenis van deze woorden, die Ik eens tegen Mijn discipelen spraken die een aansporing waren om ook nog na Mijn heengaan, wanneer geen zichtbare invloed van Mijn woorden en daden meer mogelijk was, op deze eenmaal ingeslagen weg te volharden en uit liefde tot Mij Mijn woord te onderhouden en ernaar te leven. Ik zei dit Mijn discipelen wijselijk vooruit, omdat Ik wist welke verzoekingen en invloeden van de wereld zij bij het uitvoeren van hun opdracht zouden tegenkomen.

Daarom maakte Ik hen op een punt opmerkzaam, dat zij nog niet begrepen hadden, namelijk dat Ik en de Vader één zijn, en dat degene die Mij zag, ook de Vader heeft gezien; want - zoals Ik reeds in een vorige tekstverklaring vermeld heb - zij dachten nog altijd te menselijk. Zij konden zich een geestelijke wereld, een geestelijke invloed van een geestelijk hoger wezen, zoals Ik ben, in een lichamelijk omhulsel niet goed voorstellen. Soms geloofden zij wel dat zij dit begrip geheel juist hadden opgevat; toch hielden zij dit niet vast. Wanneer het er op leek dat zij dit begrip geheel zouden verliezen, dan moest Ik het opfrissen en weer in hun hart opwekken, vooral in die tijd, waarin de laatste ogenblikken naderden die voor Mij de bitterste waren en ook hen de hardste slagen toebrachten, omdat zij niet voor mogelijk hadden ge­houden, wat toen voor hun ogen gebeurde.

Daarom beloofde Ik hen een Trooster en maakte voor hen de gedachte aan het verlies van Mijn zichtbare persoon zo dragelijk mogelijk.

Wat Ik daar tegen Mijn discipelen zei, dat geldt ook in latere tijden voor al diegenen, die eveneens de rechte weg van het geloof en de liefde inslaan; want alle mensen, die Mij waarachtig willen liefhebben, maken dit eigenlijk alleen dan waar, wanneer zij Mijn woorden onderhouden en opvolgen.

Het opvolgen van Mijn woorden, het bewijzen door daden is pas de toetssteen of het de mensen ernst is Mij op de weg van verdeemoediging en zelfverloochening, waarop Ik zelf ben voorgegaan, te volgen, door alle genoegens van de materiële wereld achter te laten en de blik alleen op de geestelijke en eeuwige wereld te richten..

Er zijn er velen op deze wereld, die het woord "liefhebben" totaal niet begrijpen of het zo zouden willen uitleggen, als het hun uitkomt; bij dezen echter ben Ik niet. Ik zal in hun hart geen woning nemen, noch als Zoon, noch als Vader; want het is grotendeels gevuld met wereldlijke zorgen. En er wordt door hen alleen aan Mij en Mijn leer gedacht, wanneer er bijvoorbeeld een kerkelijke feestdag is of bittere ervaringen en ongelukken hen eraan herinneren, dat naast de materiële wereld een geestelijke wereld, met daarachter de Regeerder, Behouder en Leider van beiden staat, die zich ondanks de nalatigheid van de kant der mensheid als liefhebbende Vader laat vinden.

Bij zulke mensen, die Mij nauwelijks naast hun wereldse zaken dulden, daar kan Ik de belofte in hun hart te wonen natuurlijk niet vervullen; want zij hebben Mij niet lief, zoals de liefde tot Mij zou moeten zijn. Zij hebben slechts een zekere sympathie voor Mijn leer en voor Mijn persoon - waarbij zij nog in twijfel staan of deze bestaat -, omdat Ik hen door Mijn woord slechts goede raad wil geven en het beste voor hen wil. Maar, om zich geheel aan Mij over te geven en alles op te offeren aan Mij en Mijn beschikkingen, zover willen zij hun liefde niet laten gaan; want dan zouden zij zich vele wereldse genoegens en vermaak moeten ontzeggen, wat naar hun mening toch niet aangaat, daar men nu eenmaal in deze wereld is en - zoals zij zich veront­schuldigen - met haar moet leven.

Deze mensen - en zo zijn er miljoenen - hebben nog een lange weg van bittere ervaringen te gaan, voordat zij tot het inzicht zullen komen, dat het zogenaamde lonken naar Mij van geen enkele waarde en nut is, maar dat men zich Of geheel aan Mij over moet geven of in 't vervolg de wereld ten prooi zal vallen.

Overal zullen zij vrede en rust zoeken, alles aanklagen, Mij, de natuur, de omstandigheden ofhet noodlot, zoals ze het zullen noemen; alleen zichzelf zullen zij niet willen zien als veroorzaker van hun eigen ongeluk. Zo zal hun lot zijn: geen Trooster, geen Vredestichter zal tot hen kunnen komen, omdat zij niet begrijpen, dat Hij niet van buiten naar binnen, maar alleen van binnen uit de vrede kan herstellen.

Wanneer u nu de wereld steeds bozer en slechter ziet worden, wanneer de mensen steeds ontevredener, steeds mismoediger, steeds wreder, steeds egoïstischer worden, dan is overal de oorzaak dat nie­mand de eigenlijke weg naar de vrede, naar bescheidenheid en naar het zich volledig overgeven aan Mijn beschikkingen meer kent. Hoe meer deze zucht naar vluchtige goederen van de wereld en machtige posities voortgaat, des te meer verwijderen de mensen zich van de eigenlijke bron van alle betere deugden, en zelfs het woord "liefde" is hen slechts in zoverre bekend, als het betrekking heeft op wereldlijke genietingen, die zij in grote haast najagen en die zij tot elke prijs willen bemachtigen. Hier ziet u de oorzaak van vele zelfmoorden, als gevolg van afkeer van het leven, omdat het gewenste niet te bereiken was. Dit is ook het bewijs, hoe weinig religie in zulke harten aanwezig is, hoe weinig begrip van een eeuwig, geestelijk leven, waar vergelding voor het goede en het kwade de overledene wacht wanneer hij in dergelijke omstandigheden geplaatst wordt, waarin hij, op zichzelf aangewezen, al het slechte en verkeerde uit zijn binnenste moet verwijderen, voordat hij een betere positie in het geestesrijk kan verkrijgen.

Onder zulke mensen is natuurlijk voor diegenen, die werkelijk voor Mij leven, Mij volgen en door daden willen bewijzen, dat zij Mij liefhebben, het voortgaan aanzienlijk verzwaard, omdat zij tegen de mening van de meerderheid in moeten vechten en, zoals eens de discipelen, voor het verspreiden van zegen slechts haat en spot oogsten. Maar dit strijden, dit vechten tegen de machtige stroom van de materiële wereld, dat ook het lot van Mijn discipelen was, dit strijden is noodzakelijk om Mijn kindschap te bereiken. Want wanneer het niet God, het hoogste Wezen zou zijn die u tot Zijn kinderen wil opvoeden, dan zou het naar menselijke begrippen en maatstaven reeds voldoende zijn, wanneer u zou leven zoals de grote meerderheid van de mensen, namelijk dat u Mij de eer zou toekennen u wel de beste leer te hebben gegeven, maar dat het aan u werd overgelaten, hoe en wanneer u deze op een aangename manier met uw wereldlijke behoeften wilt verenigen. Maar zo heb Ik het niet bedoeld, toen Ik Mijn discipelen destijds zei: "Wie Mij liefheeft, die zal Mijn woord onderhouden!", en zoals Ik u ook nu weer toeroep: "Wie Mij liefheeft, die moet het door daden bewijzen!"

Zoals Mijn discipelen destijds of heidenen of fanatieke Joden tegen­over zich hadden aan wie zij Mijn evangelie moesten verkondigen, zo hebt u nu eveneens heidenen, ongelovigen, fanatieke letterknechten en bekrompen ceremonievierders tegenover u, waarvan de eersten hele­maal niets geloven, omdat het hun zo beter bevalt en de anderen geloven alles te hebben gedaan wat zij Mij verschuldigd zijn door het houden van de religieuze eredienst.

Zoals Ik Mijn discipelen eens beloofde hen de Trooster te sturen, die hen zou voorgaan en leiden, wanneer zij overal moeilijkheden en hindernissen zouden ontmoeten, zo zal het ook nu met diegenen gaan, die Mij in de ware zin liefhebben en zich aan Mijn woord willen houden.

Zou dit niet de belofte van God zijn, die al het doorstane rijkelijk wil vergelden, dan zou het te verontschuldigen zijn, wanneer zelfs de ijverigsten in hun taak zouden mislukken en de hoop verliezen, ook maar het kleinste deel van de mensheid van haar totale verderf te redden. Daar Ik echter als Schepper, Heer en Vader de teugels van de hele wereld in handen heb, zal Ik ook, zoals Ik het Mijn discipelen beloofde, bij diegenen wonen, die Mij liefhebben en Mijn woord onderhouden, dat wil zeggen Ik zal hun Raadgever en Leider zijn. Ik zal de rijpe zielen op hun weg leiden, die door bittere tegenslagen toegankelijk en murw gemaakt zijn, de vergankelijkheid van de wereld geproefd hebben en verlangen naar het betere.

Ik zal Mijn huidige volgelingen steeds meer sterken in hun geloof en vast vertrouwen in Mijn beschikkingen. Ik zal hen door Mijn wonen in hun hart schadeloos stellen voor alles, wat zij om Mijnentwege en vanwege Mijn leer moesten dulden, opdat zij midden in de troebele warboel van alle menselijke hartstochten het heldere uitzicht behouden en het doel van hun opgave niet uit het oog verliezen. Volg daarom met volharding Mijn woorden en Mijn leer!

Weet u, waarom Ik nu zelf door Mijn knecht en schrijver Mijn wil aan u meedeel?

De oorzaak, waarom sedert verscheiden jaren Mijn directe medede­lingen rijkelijker vloeien dan in vroegere tijden, en dat Ik u zo veel hemelsbrood geef als sinds Mijn wandel op aarde nog nooit is gebeurd, is deze, dat juist nu het tijdstip nadert waarop de wereld haar hoogte­punt in dwaling en in het afwijken van Mijn scheppingsdoel zal bereiken. Opdat nu - temeer daar dit voorwaarde is voor Mijn weder­komst - niet alle mensen verloren gaan, heb Ik bepaald, dat van nu af aan enkelen, zoals eens Mijn discipelen, Mijn woord en leer onvervalst zullen ontvangen, niet versluierd zoals bij de profeten, maar helder en begrijpelijk, zoals Mijn discipelen het eens aan de volkeren leerden. Daar was het verspreiden van de leer moeilijker; tegenwoordig is echter door de uitvinding van de boekdrukkunst het verspreiden van Mijn leer veel gemakkelijker, zodat overal waar de duisternis van de wereldlijke macht zich wil doen gelden, het schijnsel van Mijn eeuwig liefde - en genadelicht kan doordringen.

Ik wil nu de ongelovigen de ogen openen en de letterknechten van Mijn bijbel de eigenlijke zin duidelijk maken, opdat niemand zich zou kunnen verontschuldigen, als zou hij er niets van geweten hebben en Mij door deze uitspraak zou willen beschuldigen, terwijl de hele schuld toch op hemzelf zal vallen.

Daarom wees sterk, gij weinigen, die verspreid in verschillende landstreken Mijn parels nog in eigen hart bewaren! Vertrouw op Mij! Ik woon bij en in u. Ik zal u leiden en niet verlaten, zolang u Mij liefhebt en Mijn woord onderhoudt. U heb Ik alles - Mijn Ik, Mijn schepping en de menselijke verhouding tot beide - met veel woorden duidelijk laten zien. Voor u is er geen reden tot verontschuldiging, als zou u er niet van geweten hebben. Alleen één ding is bij menigeen van u nog het geval, dat zij Mijn woord niet in de meest diepe geestelijke zin opvatten. Maar daartoe zal Ik u wel Mijn Trooster en Heilige Geest in de vorm van bittere ervaringen en twijfels zenden, om ook deze laatste schaduwzijde uit de harten van de Mij toegewijden te verwijderen; want wie geroepen is om eens op anderen in te werken, die moet standvastig zijn in zichzelf en precies weten, wat hij heeft te doen en te laten.

Mijn woorden zijn eenvoudig en duidelijk, maar de eigenliefde van vertalers en valse uitleggers mag er niet bij zijn; want anders zou door u veel verontschuldigd worden, wat bij Mij niet kan worden vergeven. Daarom onderzoek uzelf grondig! Onthoud goed: Ik maak geen gekheid met u en wil ook niet dat u alleen dan met Mij omgaat, wanneer het u toevallig uitkomt!

Het leven is ernstig en Mijn zaak heilig! Achter dit vluchtige, aardse schijnleven staat een eeuwig, waar leven, waarin geen uitvluchten, geen verontschuldigingen kunnen en mogen gelden; want het is het rijk van de ware God, die slechts één waarheid kent en de liefde tot haar.

Leg u er op toe Mij lief te hebben en Mijn woord te onderhouden! U bewijst uzelf daarmee de grootste dienst; want u behaalt door deze liefde het rustgevend bewustzijn van een edele daad, van een betere positie en een gemakkelijker vooruitgang in het hiernamaals.

Ik ben geen streng Rechter, geen toornende God en wil dat ook niet zijn. Ik ben - zoals Ik het u vaak heb gezegd - een liefhebbende Vader, een vooruitziende Herder, die Zijn schapen op goede weidegrond zou willen voeren, ver weg van die streken, waar afgronden of andere hindernissen hun geestelijk leven in gevaar zouden kunnen brengen.

Ik wil alleen het goede, omdat Ik de Goedheid zelf ben! Ik wil alleen liefde, omdat Ik de Liefde zelf ben en Ik wil u tot geestelijke, hogere wezens maken, omdat Ik als het hoogste geestelijke Wezen zelf alleen zulke kinderen om Mij heen zou willen hebben, die Mij en Mijn rijk eer aandoen en hun vrede en vreugde alleen in Mij zoeken.

Hiervan getuigt het woord, dat Ik eens tegen Mijn discipelen sprak: "Wie Mij liefheeft, die zal Mijn woord onderhouden!" Onderhoud dus Mijn woord en maak u Mijn liefde waardig, en dit woord in het evangelie is ook aan u vervuld! Amen.

 

27

 

De zondag van Trinitatis

 

Het afscheid van de Heer

 

Matth. 28, 18-20: En Jezus trad naderbij en sprak tot hen, zeggende: Mij is gegeven alle macht in de hemel en op aarde. Gaat dan henen, maakt al de volken tot Mijn discipelen en doopt hen in de naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes en leert hen onderhouden al wat Ik u bevolen heb. En zie, Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding der wereld.

 

Deze woorden sprak Ik tot Mijn discipelen, toen Ik na Mijn opstan­ding uit de dood aan hen verscheen op een berg in Galilea. Het waren deze woorden, die niet Jezus, de timmermanszoon uit Nazareth tot Zijn leerlingen sprak, maar het waren woorden, die God de Heer van al het geschapene tot Zijn kinderen en enige vereerders en gelovigen van Zijn leer sprak. Want met de kruisdood was Mijn levenswandel op jullie aarde afgesloten en met Mijn opstanding had Mijn Goddelijkheid haar bevestiging gevonden.

Reeds bij een andere gelegenheid zei Ik tot Mijn discipelen, dat Ik, de Zoon en de Vader in de hemel één zijn, en dat wie Mij ziet, ook de Vader ziet; maar helemaal begrijpelijk waren deze woorden voor Mijn discipelen toch niet, omdat zij Mij wel erkenden als iemand die met een grotere wilskracht voorzien was dan andere mensen, maar van hun God toch een ander beeld in hun hart droegen, dan dat het door hen met Mijn persoonlijkheid gelijkgesteld had kunnen worden.

Na Mijn opstanding, een naar menselijke begrippen buitengewone daad, nam hun besef van Mijn Goddelijkheid reeds iets toe; echter pas op Hemelvaartsdag bereikte zij haar hoogtepunt, waar zij Mij als dat herkenden, wat Ik hen zo vaak gezegd had.

Ik moet bij de weinige woorden van deze tekst dergelijke opmerkin­gen vooraf zeggen, opdat u de verhouding van Mijn discipelen tot Mij in die tijd begrijpelijker is en opdat u gemakkelijker leert inzien, dat de tekst ook voor u en de huidige en nog komende tijd van toepassing is. Zoals toen Mijn discipelen na Mijn graflegging verlaten en trooste­loos ronddwaalden en treurden over het verlies van hun Leider, ja zelfs twijfelden aan Mijn goddelijke zending, evenzo is de huidige mensheid - gelovig of ongelovig - besluiteloos, of zij iets moeten geloven of dat zij alles moeten verwerpen.

Mijn discipelen hadden ook niet allemaal hetzelfde begripsvermo­gen, waren niet allen met dezelfde ijver voor Mijn leer bezield en niet allemaal van Mijn Goddelijkheid overtuigd. Daarom moest Ik af en toe, zelfs na Mijn opstanding gebruik maken van buitengewone be­kendmakingen, om ook de zwakken volledig te overtuigen, dat Ik Diegene was, waarvoor Ik Mij uitgaf en dat Mijn woorden, evenals Mijn leer niet voor hen alleen, maar voor de gehele wereld, voor het hele geestesrijk en voor de eeuwigheid bestemd waren.

Zoals het toen was, zo is het ook nu: Ook nu moet Ik door krachtiger handelingen in het wereldlijke gekrioel op uw aardbol de ingeslapenen wekken, de half ontwaakten versterken en de volledig wakkeren be­schermen, opdat ook nu geen twijfel en gepieker de opkomst van het uitgestrooide zaad zal verhinderen.

Want zie: Wanneer Ik vandaag weer zichtbaar op uw aarde zal verschijnen, gelooft u dan, dat men Mij zo zonder verdere bewijzen voor dat zal houden, wat Ik eigenlijk ben? Volstrekt niet! Er zullen genoeg twijfelaars en loochenaars, vervolgers en haters optreden. En zoals destijds de hogepriesters de Romeinse soldaten omkochten, zodat zij verklaarden dat Mijn lichaam gestolen zou zijn, zo zullen ook de verstandsmensen, de geleerden en de priesters bij Mijn wederkomst alles in het werk stellen om de mensheid te overtuigen van het tegendeel van datgene, wat Ik de mensen zal zeggen.

Geloof maar niet, dat deze mensenmassa, die nu aandachtig bij de voor Mij gebouwde altaren en kerken knielt, zich zo snel met het idee vertrouwd zal maken, dat Ik zal zijn wedergekomen, vooral wanneer zij zal horen, waar Mijn eerste optreden en hoe Mijn woorden tot hen gericht zullen zijn!

In die tijd, waarin door gebeurtenissen in de natuur en andere wonderen de Joden zich zeker hadden kunnen overtuigen, dat Diegene, die zij aan het kruis hielpen iets anders was dan een gewoon mens, kon Ik Mij na Mijn opstanding toch niet aan het hele joodse volk laten zien, maar alleen aan Mijn discipelen en kon Ik alleen aan de weinigen, die waarachtig in Mij geloofden het daadwerkelijke bewijs geven, dat de woorden, die Ik hen vaak duidelijk, vaak gekleed in beelden had gezegd en die handelden over de overwinning op de dood en Mijn opstanding, waar waren.

En zoals het was in die tijd, zo zal het nu weer gaan. Slechts een kleine kring van Mijn werkelijke volgelingen zal het in het begin ten deel vallen Mij als terugkerende Jezus, maar ook als God, Heer en Schepper van het oneindige te kunnen verdragen en herkennen. Aan dezen zal Ik verschijnen en zal hen, zoals eens Mijn discipelen op de berg in Galilea, toeroepen: "Mij is gegeven alle macht in de hemel en op aarde! Ga dan heen, leer de volkeren en doop hen, dat wil zeggen wijd hen allen in in deze leer in de naam van de goddelijke Drie-eenheid, in de naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes! Leer hen echter ook onderhouden, dat is in daden uitoefenen, hetgeen u zelf als waar erkend hebt en wees verzekerd, dat Ik bij u zal zijn van het begin tot in eeuwigheid! Amen."

Zo zal de roep uitgaan naar die kleine schaar, die Ik heb uitverkoren voor de verdere verspreiding van Mijn goddelijk woord, dat Ik eens als mens met Mijn bloed gekocht en bezegeld heb. Zo zal het gebeuren, dat ook deze nieuw uitverkorenen als wedergeborenen door Mij met alle macht uitgerust worden zoals eens Mijn discipelen, om hun woorden en daden te bekrachtigen en Mij de weg te effenen, opdat Ik geen vervreemde, maar alleen Mij toegewijde harten ontmoet.

N u reeds is Mijn wederkomst ingeleid, doordat Ik, ook al is het niet zichtbaar, toch reeds geestelijk inwerk om Mij een aantal volgelingen te vormen, die de weg zullen effenen. En wat destijds de opdracht van Mijn discipelen was, wat Mijn uitverkorenen toen bij Mijn zichtbare komst werd opgedragen, dat moeten Mijn huidige aanhangers geeste­lijk volbrengen. Ook hen, evenals u allen, roep Ik toe: "Mij is gegeven alle macht in de hemel en op aarde! Twijfel niet aan Mijn liefde, aan Mijn leer en aan Mijn belofte, die Ik de mensheid en daarmee ook u heb gegeven; want Ik ben, was en zal steeds de Heer zijn, die Zijn kinderen zal beschermen, leiden en ook eens belonen voor hun volhar­den.

Mij is alle macht gegeven, Mij moet alles gehoorzamen, van Mij ging alles uit en tot Mij moet alles wederkeren. Strooi Mijn zaad uit in die harten, die blijk geven goede aarde voor zulke vruchten te zijn! Ver­meerder Mijn aanhangers en wijd hen in in het eigenlijke begrijpen van Mijn twee enige liefdegeboden, opdat zij het ware van het valse kunnen onderscheiden en weerstand bieden aan de dwaalleren! Mij is de macht gegeven, om met de zachtste liefdeleer de hardste en verstoktste gemoe­deren te bekeren en te vertederen.

Doop uw medebroeders en zusters met de geest der verdraagzaam­heid, opoffering en vergeving! Leer hen allen de verdraagzaamheid, zoals Ik die tegenover u en de hele mensheid reeds sinds oneindige tijden heb beoefend! Leer hen de wereldlijke genoegens ondergeschikt te maken aan de geestelijke. Leer hen de grote, lang voortdurende eeuwigheid aan de andere kant van het graf niet te verspelen door het najagen van ijdele, nietszeggende, wereldse goederen!"

Zo moet u Mijn leer uitstrooien als geestelijk zaad, opdat ook u een aandeel kunt hebben in het vernieuwingswerk van Mijn geestelijk rijk, dat na Mijn komst op aarde zal heersen.

Zo voert u geestelijk uit, wat Mijn apostelen eens daadwerkelijk hebben gedaan. En zoals Ik Mijn discipelen daar in het vooruitzicht stelde, dat zij allen eens bij Mij zouden zijn, zo verwerft u zich ook dit recht om in Mijn nabijheid de liefde en de volle zaligheid te mogen voelen, die aan diegenen is voorbehouden, die zich Mijn woord en Mijn leer zo eigen gemaakt hebben, dat zij volledig hun ik zijn geworden.

Zie, Ik beloof u veel; maar zoals Ik het al eens zei, zo zeg Ik het ook nu: in Mij is alle macht! Ik ben de Heer en Schepper, ben echter tegelijk ook uw Vader, uw liefhebbende, steeds begrijpende Vader, die Zichzelf alleen weer verheerlijkt ziet in de vreugden, de geestelijke genietingen en de zaligheden van Zijn kinderen.

Daarom zult u, - als het u allen misschien niet ten deel zal vallen Mijn persoonlijke verschijnen op deze wereld mee te maken - daarvan­daan Mij begeleiden van waar Ik kom, en met verrukking en tevreden­heid Mijn vaderlijke vreugden meegenieten, waartoe u, zoals uw be­wustzijn het u zal zeggen, eveneens uw steentje hebt bijgedragen.

Dan zult u Mij en Mijn leiding prijzen, wanneer u duidelijk zult herkennen hoe de woorden bedoeld waren, die Ik eens tot Mijn discipelen sprak; want u zult Mij in Mijn volle macht, in Mijn volle liefde en in Mijn volle heerlijkheid zien, zoals Ik weer zichtbare omkleding kies, om voor Mijn gelovige, reeds lang vurig naar Mij verlangende schapen de enige en ware Herder te worden. Dan zal de aarde materieel het beeld volgen van haar geestelijke wereld; zij zal weer tot een paradijs worden, waarin de zielevrede ofhet geestelijke Eden in alle harten haar intrek zal hebben genomen.

Het is niet mogelijk om dit genot en deze vreugde verder te beschrij­ven; want u verdraagt en begrijpt het niet, maar dat zij u is voorbehou­den, dat kan Ik u verzekeren, - en Mijn woord bedriegt niet.

N u reeds wordt deze verandering geestelijk voorbereid op uw hemel­lichaam. Een innig verlangen naar de geestelijke lente verheft de bedrukte harten. Er komt overal beweging. Velen weten niet wat hen overkomt. De een handelt met, de ander zonder vooropgezet doel. Alles ontwikkelt zich tot geestelijke rijpheid; zelfs de grootste materialisten, de meest verstokte ongelovigen en onverschilligen laat het niet met rust. Zoals een zonnestraal, die door een kleine opening van een gesloten vensterluik op een slapende valt en hem rust geeft, evenzo treft allen deze liefdesstraal, die aan Mijn wederkomst voorafgaat. Sommigen willen zich door verstandelijk gepieker aan zijn werking onttrekken. Voor enige tijd maken zij zichzelf wijs rust in het hart te hebben; maar het helpt niets. Nieuwe twijfel, nieuw "waarom" komen op. Telkens weer komt er beweging; de heersende geest, die reeds de hele wereld in zijn sfeer gehuld heeft, beweegt hen. Het is tevergeefs deze geestesdwang te willen afschudden. De omstandigheden en de gebeurtenissen laten de mensen telkens weer voelen, dat alles, wat zij als einddoel, als de zin van hun leven beschouwen, niet het einde, niet het laatste doel is. Onophoudelijk worden zij voortgedreven. In een stormachtig tempo gaat het de tijd tegemoet waarin Mijn wederkomst hen allen zal bewijzen, dat niet naar het wereldlijke, maar naar het geestelijke ge­streefd moet worden, dat niet een kort leven op aarde, maar de lange eeuwigheid het eigenlijke verblijf is van Mijn, door Mij als geest geschapen wezens.

Onophoudelijk gaan we het eindpunt tegemoet, waarin Ik tegen Mijn nieuwe uitverkorenen dezelfde woorden zal spreken, als eens tegen Mijn discipelen: Mij is de macht - zowel op de aarde als in de hemel! Bereid u voor, Mijn kinderen, waar u zich ook moogt bevinden - hier of daar -, om dit opstandingsfeest van de geestelijke menselijke waardigheid met Mij te vieren; want het is niet alleen het grootste feest voor u mensen, maar ook het belangrijkste voor Mijn gehele, grote geestesrijk, waar dit slot het bewijs zal zijn, waarom Ik eens naar uw kleine aarde afdaalde en waarom Ik juist u, onaanzienlijke en kleine schepselen op een in de oneindigheid rondcirkelende zandkorrel, heb uitverkoren om Mijn kinderen te worden.

Ik wil wederom bewijzen dat Ik in het kleinste het grootste ben. Zou Mij niet alle macht gegeven zijn, dan zou Ik dit niet kunnen uitvoeren, zou dan ook geen God zijn, die door deze macht, welke zelfs voor de grootste engelgeest onbereikbaar is, ver boven al het geschapene is verheven.

Gij kleine kinderen van de grote God, neem deze woorden aan als teken van Zijn liefde en herinner u Zijn woorden, die Hij als Jezus eens sprak: "Wie over het kleine is gesteld en het plichtsgetrouw beheert, aan hem zal eens het grote toevertrouwd worden."

Zoals Ik eens bij u, nietige wormen in Mijn grote schepping, de grootste liefdedaad voltrok, zo moet ook u proberen om juist in het kleinste, zelfs bij verder onbeduidende gebeurtenissen, Mijn liefdewet­ten na te leven en ze zo vlug en nauwgezet mogelijk uit te voeren, opdat ook u in het kleinste uw grootste zielesterkte kunt tonen en bewijzen. Zo bent u Mijn waardige kinderen, die waard zijn eens over het grote gesteld te worden, waar u dan in het groot vrede en zaligheid kunt verspreiden, zoals u het niet hebt nagelaten te doen op uw kleine aarde bij de meest onbeduidende omstandigheden.

Onthoud dit goed! Wijd ook anderen in de geheimen van uw hart in, leer hen eveneens Mijn evangelie te verstaan en te begrijpen, opdat u, als Mijn volgelingen, aanspraak kunt maken eens in Mijn nabijheid de volle kracht van de liefde te genieten, waartoe een goddelijk vaderlijk hart in staat is! Amen.

 

28

 

De 1e zondag na Trinitatis

 

De gelijkenis van het grote avondmaal

 

Luc. 14, 16-24: Hij zeide tot hem: Iemand richtte een grote maaltijd aan en nodigde velen. En hij zond zijn slaaf uit tegen het uur van de maaltijd om de genodigden te zeggen: Komt, want het is nu gereed. En zij begonnen zich allen opeens te verontschuldigen. De eerste zeide tot hem: Ik heb een akker gekocht en ik moet die noodzakelijk gaan bezien; ik verzoek u, houd mij voor verontschuldigd. En een ander zeide: Ik heb vijf span ossen gekocht en ik ga die keuren; ik verzoek u, houd mij voor verontschuldigd. Weer een ander zeide: Ik heb een vrouw getrouwd en daarom kan ik niet komen. En de slaaf kwam terug en berichtte zijn heer deze dingen. Toen werd de heer des huizes toornig en zeide tot zijn slaaf: Ga aanstonds de straten en stegen der stad in en breng de bedelaars en misvormden en blinden en lammen hier. En de slaaf zeide: Heer, wat gij hebt opgedragen, is geschied en nog is er plaats. En de heer zeide tot de slaaf: Ga de wegen en de paden op en dwing hen binnen te komen, want mijn huis moet vol worden. Want Ik zeg u: Niemand van die mannen, welke genodigd waren, zal van mijn maaltijd proeven.

 

(27 maart 1872)

 

Deze gelijkenis toont u Mijn streven om de mensheid voor Mij en Mijn leer te winnen, zoals ook de voorgaande verzen in een gelijkenis duidelijk maken, dat Ik niet gekomen ben voor de gezonden, maar om de zieken op te zoeken en hen te genezen. Verder liet Ik in eerdere verzen van dit hoofdstuk zien hoe een ieder uitgerust moet zijn, die tot Mij of Mijn tafel wil naderen, dat namelijk bescheidenheid of deemoed de eerste eigenschap van een mens moet zijn, die Mij wil navolgen. Ook de verdere verzen van dit hoofdstuk zetten duidelijk uiteen, hoe degene, die Mij wil navolgen, zijn hart van alles moet afwenden en alleen aan Mij onderdanig moet zijn.

Daarom moet een ieder, voordat hij besluit Mij te volgen, zich afvragen of hij ook kracht en uithoudingsvermogen bezit om zich steeds onder alle omstandigheden en gebeurtenissen tot de banier van Mijn liefde - en geloofsleer te bekennen en deze te verdedigen. Daaruit volgt - hetgeen Ik u reeds vaak heb gezegd -, dat het een ernstige zaak is Mij te volgen, Mijn woorden te vernemen en uit te voeren. Dit mag niet licht worden opgenomen, omdat slechts die in de strengste zin verant­woordelijk en dus zondaar zijn, die de wet of Mijn wil kennen en daar toch tegenin gaan, hoewel hun geweten het hun afraadt. Daarom wordt er ook aan het slot van dit hoofdstuk gezegd: "Wie oren heeft, die hore!', wat met andere woorden wil zeggen: Men moet Mijn woorden niet het ene oor in- en het andere uit laten gaan, maar het gehoorde goed in zijn hart opnemen, overdenken en er naar handelen!

Om nu op de eigenlijke gelijkenis van het grote avondmaal terug te komen, moeten wij weer, zoals in de meeste gevallen, beginnen met de woordverklaring, willen we de diepere zin van Mijn toespraak duidelijk voor ogen hebben.

Ik zei dus: Iemand richtte een avondmaal aan. Wat is nu onder een "avondmaal' te verstaan? - Het woord is samengesteld uit "avond' en "maal'. Het is dus onze eerste taak om deze beide woorden afzonderlijk nader te verklaren, daarna op de betekenis van het samengestelde woord en tenslotte op zijn gebruik, zoals Ik dit in de gelijkenis deed, over te gaan,

"Avond' is het eerste woord en betekent het laatste deel van de dag, waarop de arbeid is beëindigd en men in de komende nacht tot aan de volgende morgen rust en versterking zoekt. De avond is dus eigenlijk de sluitsteen van al het werk, dat gedurende de hele dag werd gedaan. En als de avond rust en tevredenheid wil brengen, dan moet gedurende de dag alles, wat men zich bij het aanbreken van de morgen had voorgenomen om te doen, plichtsgetrouw gedaan zijn.

Dat die mens, die de hele dag bezig is geweest en gewerkt heeft, er 's avonds ook naar verlangt zijn verbruikte krachten weer te herstellen om de volgende dag zijn beroep weer uit te oefenen, spreekt vanzelf. En omdat zowel het lichaam als ook indirect de ziel probeert door opgenomen voeding datgene aan te vullen wat gedurende de dag verbruikt is, voert de behoefte van het lichaam en de ziel de meeste mensen naar een maal, dat, daar het in de avond genomen wordt, nu juist de naam "avondmaal" heeft gekregen als onderscheid van het middagmaal, dat voor dezelfde behoefte midden op de dag wordt gebruikt.Dit heeft echter niet, zoals het avondmaal, het uitrusten en het weer terugwinnen van de verbruikte krachten tot gevolg, maar op hem volgt na een korte pauze weer actieve arbeid en inspanning. Het middagmaal is daarom slechts te vergelijken met een korte rustperiode op de ingeslagen weg, terwijl het avondmaal, als afsluiting van de dag, naast het uitrusten ook nog aanzet tot het overdenken van datgene wat tijdens de dag is gedaan, waarbij alleen diegene met rust en tevredenheid wordt vervuld, die zich aan tafel kan zetten met het rustige bewustzijn, alles gedaan te hebben, wat zijn plicht of zijn geweten van hem verlangde.

Hiermee hebben we de betekenis van het avondmaal overeenkomstig zijn diepere zin nader aangeduid en we komen nu tot de tweede vraag, namelijk waarom - zoals in de gelijkenis naar voren wordt gebracht ­iemand zijn gasten heeft uitgenodigd voor het avondmaal.

Welnu, de hoofdzaak van deze handeling is wederom de geestelijke betekenis, die ons dit beeld doet begrijpen, dat Ik in deze gelijkenis Mijn discipelen en de andere aanwezigen op het hart wilde drukken.

Het uitnodigen van anderen om deel te nemen aan een maaltijd berust op het belangrijke feit, dat de mens niet alleen lichaam, maar ook geest is en dat, ofschoon hij vaak slechts iets lichamelijks verricht, zijn geest en ziel daarbij niet verwaarloosd mogen worden. Dit is een van de diepgaande bewijzen van de dubbele natuur van het menselijk organisme, afgezien van Mijn godsvonk, die Ik in u gelegd heb. Zelfs de dieren voelen de behoefte om samen te leven en zijn alleen, wanneer zij zich bij elkaar hebben aangesloten, dus alleen verenigd, vrolijk en tevreden.

Uw knappe materialisten geloven, dat de hele wereld alleen door kracht wordt bewogen en aangedreven en uit stof bestaat - twee dingen, die zij echter zelf niet goed kunnen verklaren. Zij zouden zichzelf eens bij een eenvoudig maal moeten observeren, dan zouden zij gemakke­lijker dan bij alle andere onderzoekingen ervaren, dat de mens twee kanten heeft, dat hij bestaat uit het materiële en uit het geestelijke, waarbij het ene slechts dan gedijt en gezond is, wanneer het andere ook zijn deel krijgt. Zij zouden zich overtuigen, dat een gerecht alleen dan goed bekomt, wanneer het met geestelijke voeding, met liefde ver­mengd is en zo met de beide hoofdelementen van het menselijk wezen overeenkomt.

Deze onbewuste drang van de meeste mensen om ook geestelijk voedsel tot zich te nemen, is de reden waarom zij een maaltijd in gezelschap verkiezen boven het alleen eten, waarom de wens zich in een ieder duidelijk doet kennen om ook anderen bij een maaltijd uit te nodigen en waarom er ook in het huiselijke leven voor gezorgd wordt het middag - en avondmaal samen te gebruiken.

Dat deze behoefte om vrolijk bij elkaar te zijn ook kan ontaarden in het extreme, waarbij de mens zijn geestelijk ik totaal vergeet of zelfs door dronkenschap verliest, dat past niet in ons onderzoek, omdat Ik alleen spreek over mensen, bij wie het geestelijke nog de overhand heeft boven het lichamelijke. Wij gaan dus aan deze twee veel voorkomende gevallen voorbij, waarin de geestelijk geschapen mens, ondanks zijn hogere bestemming, ver beneden het dier zinkt.

Wij zijn bij het punt aangekomen, waarop wij zowel het avondmaal als de reden van de uitnodiging verklaard hebben en kunnen nu overgaan tot een nadere beschouwing van de gelijkenis, zoals Ik deze aan Mijn discipelen en aan de Farizeeën heb gegeven.

In de voorgaande verzen van dit hoofdstuk wordt u getoond, hoe Ik de Farizeeën en de hoger geplaatsten een kleine wenk wilde geven, dat niet trots, maar bescheidenheid het sieraad van de mens is. Ik vermeldde daar, dat het beter is zich als genodigde gast aan een maaltijd eerder naar de laagste plaats dan naar de hoogste te begeven, opdat men niet beschaamd zou worden bij een terechtwijzing. Ik sprak tot hen: "Wie zich zelf verhoogt, zal vernederd worden, en wie zich zelf vernedert, zal verhoogd worden!", hetgeen met andere woorden wil zeggen: geef geen gehoor aan uw eigenliefde om te ontdekken, welk een moreel geeste­lijke waarde u hebt, maar verwacht dit oordeel van andere personen, die wijzer en hoger geplaatst zijn! Zo ontloopt u iedere terechtwijzing; want wie zich zelf op deze manier beoordeelt, is ook reeds geoordeeld. Toen Ik hen verder zei, dat een mens, wanneer hij iemand uitnodigt, met deze uitnodiging zo mogelijk ook een daad van broederliefde moet verbinden, deed Ik dit om hen te laten zien, dat de mens bij iedere handeling, ook bij de meest onbeduidende, zijn hoge geestelijke adel indachtig moet zijn. Daarom zei Ik tot hen: Verplicht anderen niet uw liefdedienst te beantwoorden met wederdienst; want zou het u vergol­den worden, dan houdt de werking van uw goede daad op, als had u er geen gedaan. Handel daarom zo - ook wanneer ondank uw loon zou zijn - dat de ontvanger van een weldaad ze u nooit, of hoogstens in geringe mate kan vergelden! Daarmee laat u zien dat u hogere principes hebt gevolgd dan enkel wereldlijk belang.

De gevolgen van deze uitnodigingen, zoals Ik die in de gelijkenis aanvoerde, waar iedere uitgenodigde gast zich met uitvluchten veront­schuldigde, moesten Mijn toehoorders laten zien hoe weinig dank en erkenning men ontvangt, wanneer men weldaden en gunsten uitdeelt aan hen, die het niet nodig hebben. Zo zag diegene, die het avondmaal wilde geven, om het niet tevergeefs bereid te hebben zich gedwongen, zijn knecht dichtbij en ver de straat op te sturen om alle armen, lammen en dorstigen voor de maaltijd te verzamelen, opdat deze niet verloren zou gaan.

In dit geval heeft de heer des huizes weliswaar geen daad van mensen ­of naastenliefde beoefend - want het was niet zijn oorspronkelijke bedoeling om dergelijke gasten aan tafel te hebben -; maar de nood dwong hem tot een dergelijke stap. Hij nam echter voortaan als regel aan meer rekening te houden met de geestelijke toestand van de mensen, en de waarde of onwaarde van zijn medemensen niet meer te meten naar hun aardse goederen.

Dit en nog meer wordt uit dit hoofdstuk duidelijk, omdat elk woord uit Mijn mond iets oneindigs inhoudt. Wij zullen dit echter afsluiten en onze aandacht richten op de verklaring in hoeverre deze gelijkenis toepasselijk is op de huidige tijd of op de mensheid in het algemeen, opdat u er een geestelijk en blijvend nut uit kunt halen.

Het grote avondmaal, dat Ik van plan ben om binnenkort aan de mensheid te geven, laat zich uit al het voorafgaande gemakkelijk verklaren. Ik nodigde uit en heb reeds sedert lang de hele mensheid tot deze maaltijd uitgenodigd, waar zij na gedane arbeid, tevreden over zichzelf, zich zal verheugen over de volbrachte levenswandel en dan, na de geestelijke rust getroost de nieuwe, aanbrekende morgen van een nimmer eindigende dag tegemoet kan zien.

Maar zoals het de heer des huizes in de gelijkenis verging, zo vergaat het ook Mij. De meesten verontschuldigen zich vanwege louter wereld­se zaken en versmaden of mijden Mijn tafel, waarop Mijn geestelijk hemels brood van liefde, deemoed, zachtmoedigheid en onvoorwaarde­lijk vertrouwen opgediend zal worden. En waarom? Omdat zij tijdens hun hele levenswandel juist de tegenovergestelde neigingen hebben aangehangen.

Zo zal ook Mij niets anders overblijven, dan Mijn knechten en dienaren, die Mij trouw gebleven zijn, over de gehele wereld uit te zenden om onder armen, kreupelen en lammen tafelgasten te zoeken, die op hun levensweg genoeg gelegenheid hadden om - al was het geen liefde - dan toch geduld en zachtmoedigheid te beoefenen tegenover hun medebroeders. Doordat aardse goederen hun deels ontbraken, of dat zij weinig van deze konden genieten, zijn zij verdraagzamer en gemakkelijker toegankelijk geworden en genieten met vreugde van de op Mijn tafel uitgestalde spijzen, omdat in hun lichamelijk en geestelijk lijden dit avondmaal voor hun aan het eind van een moeizaam doorlo­pen levensbaan, toch op zijn minst het einde van al hun lijden en ontbering is.

Het "lamme" en "kreupele" moet ook betrokken worden op het geestelijk zieleleven, omdat er toch verreweg meer geestelijke dan lichamelijke kreupelen zijn. Ook zij zullen geholpen worden, omdat zij - verwaarloosd, maar niet bedorven - de zuivere, ware geestelijke kost eerder zullen aannemen dan diegenen, die zich in hun eigendunk verlicht wanen en geloven, geen belering nodig te hebben. Het zal hen bij Mijn avondmaal net zo vergaan als de Joden, tot wie Ik eens zei, toen zij Mijn woorden niet wilden aannemen, dat het hen ontnomen en aan de heidenen gegeven zou worden.

Zo zal dan het grote avondmaal voor Mijn wederkomst de waardigen van de onwaardigen scheiden. Voor de een wordt de weg naar Mij aanzienlijk verkort, terwijl de anderen, voor lange tijd terugverwezen, aan zichzelf worden overgelaten totdat het ook in hen gaat dagen. Pas wanneer zij de gehele dag ijverig gewerkt, gestreden en geleden hebben, pas dan, na lange tijdsruimten is ook bij hen een avondmaal mogelijk. Ook het avondmaal, dat Ik voor Mijn heengaan met Mijn discipelen hield, had hetzelfde doel, dat de uitleg van deze gelijkenis u aangeeft.

Tijdens Mijn levenswandel op aarde nodigde Ik het hele joodse volk, de heidenen en allen die Mij wilden horen uit; maar de meesten verontschuldigen zich en Mij restten slechts de zwakken en de verwaar­loosden, die - ofschoon niet met aardse -, maar dan toch met vele geestelijke goederen gezegend - eerder rijp waren om Mijn brood en Mijn leer overal in de wereld uit te dragen.

Zo verkeert ook u momenteel in dezelfde omstandigheden. Nog heeft zich geen rechter, geen hooggeplaatste gemeld om naar Mijn tafel te gaan, waarop Ik hem de spijzen van een grote geestelijke wereld kan opdienen. Zij keren zich allemaal van Mij af en alleen de hard beproef­den en door de wereld half verlatenen zijn het, die aan Mijn woord gehoor geven. Uit dezen zal Ik dan ook Mijn schaar arbeiders vormen, die voor Mij op de landwegen en achter de hagen de nog in sterke mate kreupelen en behoeftigen moet zoeken. Zulke mensen zijn het gemak­kelijkst voor Mijn hemelrijk te winnen. Ze zijn het gemakkelijkst tot een kinderlijke gezindheid en tot vertrouwen in Mij te brengen, omdat tijdens hun leven in hen nooit de trotse verwaandheid ontwaakt is, die gewoonlijk bij diegenen te vinden is, die door de goederen van de wereld een plaats verworven hebben, waardoor zij menen het geestelijke Of te kunnen verloochenen Of geheel te kunnen missen.

Neemt ook u dit voorbeeld en deze gelijkenis uit Mijn leerjaren als vingerwijzing, dat u ten eerste op iedere handeling een geestelijk stempel moet drukken, en ten tweede, dat u slechts door liefde, zachtmoedigheid en geduld weer liefde, hoop en vertrouwen kunt oproepen. Streef ernaar dat uw maal gekruid zal zijn met rust en tevredenheid en dat u niet de grote aanbrekende morgen van het eeuwig liefdesrijk tegemoet ziet met angst en beven, wanneer uw levensdag afgelopen is en u rekenschap zult gaan afleggen! Handel daarom alle dagen zo, als moest u vandaag nog van deze aarde scheiden! Laat uw geweten iedere avond rekenschap afleggen en vraag uzelf: "Zou ik gereed zijn, wanneer de Heer, mijn God, mij nu tot het avondmaal zou uitnodigen?" - Alleen zo kunt u, alle dagen iets verbeterend, langzaam maar zeker het huis van uw ziel opbouwen, opdat het zowel uiterlijk als innerlijk het huis wordt van een door Mij, door Mijn goddelijke vonk veredelde ziel, die eens waard zal zijn en daar met recht aanspraak op heeft, Mijn kind, een kind van de Heer van de ganse schepping genoemd te worden.

Zo ziet u nu, hoe Ik u help om door iedere tekst en door ieder vers uw innerlijk te vergeestelijken en te veredelen, opdat u, allereerst zelf

waardig als werktuig, Mij eens kunt dienen - en wel met succes - voor de hoge opgave, die Ik met u voor ogen had toen Ik het toeliet, dat u, bevoorrecht onder zovelen, de genade geniet door Mij met directe mededelingen opgevoed te worden voor Mijn doel en voor Mijn grote geestesrijk.

Onthoud dit goed! Ik kan het u niet vaak genoeg herhalen: Volhard! Het einde zal u leren, dat Mijn woorden geen woorden van verganke­lijkheid, maar woorden van eeuwigheid zijn, zoals Ik zelf eeuwig was, ben en zal zijn! Amen.

 

29

 

De 2e zondag na Trinitatis

 

Over het verloren schaap

 

Luc. 15,3-32: En Hij sprak deze gelijkenis tot hen en zeide: Wie van u, die honderd schapen heeft en er één verliest, laat niet de negenennegentig in de wildernis achter en gaat het verlorene zoeken, totdat hij het vindt? En als hij het vindt, tilt hij het met blijdschap op zijn schouders, en thuisgekomen, roept hij zijn vrienden en zijn buren bijeen en zegt tot hen: Verblijdt u met mij, want ik heb mijn schaap gevonden, dat verloren was. Ik zeg u, dat er alzo blijdschap zal zijn in de hemel over één zondaar, die zich bekeert, meer dan over negenennegentig rechtvaardi­gen, die geen bekering nodig hebben.

Of welke vrouw, die tien schellingen heeft, en er één verliest, steekt niet een lamp aan en veegt het huis en zoekt zorgvuldig, totdat zij hem vindt? En als zij hem gevonden heeft, roept zij haar vriendinnen en buren bijeen en zegt: Verblijdt u met mij, want ik heb de schelling gevonden, die ik verloren had. Alzo is er, zeg Ik u, blijdschap bij de engelen Gods over één zondaar, die zich bekeert.

En Hij zeide: Iemand had twee zonen. De jongste van hen zeide tot de vader: Vader, geef mij het deel van ons vermogen, dat mij toekomt. En hij verdeelde het bezit onder hen. En weinige dagen later maakte de jongste zoon alles te gelde en ging op reis naar een ver land, waar hij zijn vermogen verkwistte in een leven van overdaad. Toen hij er alles doorgebracht had, kwam er een zware hongersnood over dat land en hij begon gebrek te lijden. En hij trok er op uit en drong zich op aan een der burgers van dat land en die zond hem naar het veld om zijn varkens te hoeden. En hij begeerde zijn buik te vullen met schillen, die de varkens aten, doch niemand gaf ze hem. Toen kwam hij tot zichzelf en zeide: Hoeveel dagloners van mijn vader hebben brood in overvloed en ik kom hier om van de honger. Ik zal opstaan en naar mijn vader gaan en tot hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u, ik ben niet meer waard uw zoon te heten; stel mij gelijk met een uwer dagloners. En hij stond op en keerde naar zijn vader terug. En toen hij nog veraf was, zag zijn vader hem en werd met ontferming bewogen. En hij liep hem tegemoet, viel hem om de hals en kuste hem. En de zoon zeide tot hem: Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u, ik ben niet meer waard uw zoon te heten. Maar de vader zeide tot zijn slaven: Brengt vlug het beste kleed hier en trekt hem aan en doet hem een ring aan zijn hand en schoenen aan zijn voeten. En haalt het gemeste kalf en slacht het, en laten wij een feestmaal hebben, want mijn zoon hier was dood en is weer levend geworden, hij was verloren en is gevon­den. En zij begonnen feest te vieren. Zijn oudste zoon was op het land, en toen hij dicht bij huis kwam, hoorde hij muziek en dans. En hij riep een van de knechten tot zich en vroeg, wat er te doen was. Deze zeide tot hem: Uw broeder is gekomen en uw vader heeft het gemeste kalf laten slachten, omdat hij hem gezond en wel terug heeft. Maar hij werd boos en wilde niet naar binnen gaan. Toen kwam zijn vader naar buiten en drong bij hem aan. Maar hij antwoordde en zeide tot zijn vader: Zie, zovele jaren ben ik al in uw dienst en nooit heb ik uw gebod overtreden, maar mij hebt gij nooit een geitebokje gegeven om met mijn vrienden feest te vieren. Doch nu die zoon van u gekomen is, die uw bezit heeft opgemaakt met slechte vrouwen, hebt gij voor hem het gemeste kalf laten slachten. Doch hij zeide tot hem: Kind, gij zijt altijd bij mij en al het mijne is het uwe. Wij moesten feestvieren en vrolijk zijn, want uw broeder hier was dood en is levend geworden, hij was verloren en is gevonden.

 

(30 maart 1872)

 

Dit hele hoofdstuk van Mijn evangelist Lucas gaat over het verlorene en over de vreugde van het weervinden. Aan de aanwezige schriftgeleerden en Farizeeën werd in drie gelijke­nissen uitgelegd, waarom Ik niet de gezonden, maar de zieken, niet de goeden en rechtvaardigen, maar de zondaars opzocht. Om ook deze gelijkenissen in hun ware zin te begrijpen, moeten wij - zoals bij de meeste teksten - de belangrijkste woorden er uit iets nader verklaren; want ofschoon u een taal hebt en u gebruik maakt van woorden als uitdrukking van uw gedachten, moet Ik u eerlijk zeggen dat u van alle gebruikte woorden de diepe betekenis niet begrijpt. En dus moet Ik zowel als leraar en uitlegger van Mijn evangelie, bij u ook nog als taalleraar optreden.

Uit deze drie gelijkenissen - van het verloren schaap, van de verloren schelling en van de verloren zoon - moet het volgende worden verdui­delijkt: Ten eerste: Wat betekent "verloren"?

Ten tweede: Waarom verlangt men er zo naar om het verlorene terug te vinden?

En ten derde: Waarom beleeft men zo'n buitengewone vreugde aan het teruggevondene, een vreugde die vaak veel groter is dan die over dingen die men nog in bezit heeft, welke waardevoller en belangrijker zijn?

Zie, deze drie vragen moeten allereerst behandeld worden, voordat we kunnen overgaan tot de geestelijke verklaring en tot de geestelijke toepassing op u en op het hele mensengeslacht, ja op de hele zichtbare schepping; want wanneer men om iets vraagt, dan moet men eerst precies en duidelijk de bedoeling van de vraag en haar waarde kennen, omdat daardoor het antwoord reeds half gegeven is.

Daarom zullen wij nu systematisch met de eerste vraag beginnen, welke luidt: Wat betekent het woord "verloren"?

Zie, dit woord geeft de gedachte aan, welke diegene ondervindt, die iets wat hem toebehoort of hem waardevol is, hetzij een persoon of zaak, ontrukt ziet aan zijn invloedssfeer en waar hij geen gebruik meer van kan maken of enig genot van kan hebben. Verloren is ieder ding dat een andere bestemming heeft gekregen of een andere richting gevolgd is dan hem is toegewezen.

Wanneer nu deze betekenis zo diep in het zieleleven van de mens kan ingrijpen, dan ontstaat daaruit de tweede, hierboven aangehaalde vraag, die luidt: Waarom verlangt men zo naar het verlorene?

Het antwoord daarop luidt: Omdat de zielerust van de mensen door het verlies verstoord werd en de mens ernaar verlangt zijn evenwicht weer terug te krijgen. Het verlorene heeft dus voor de bezitter eigenlijk een geestelijke waarde, die vaak verreweg groter is dan de materiële waarde ervan.

De mens verlangt er dus naar om het verlorene weer in zijn bezit en binnen zijn invloedssfeer te krijgen. Hij zal zich bij het terugvinden verheugen, omdat het ontbrekende weer in zijn vroegere positie en op zijn plaats terecht komt en hij het weer voor die bestemming kan aanwenden, die hij als de beste gedacht had.

Vanuit dit verlangen volgt de ijver voor het zoeken of het aanwenden van alle mogelijke middelen, om het verlorene weer in bezit te krijgen, een bezigheid, die vaak met moeite en inspanning gepaard gaat en waaruit dan vanzelf de derde vraag naar voren komt, die luidt:

Waarom verheugt men zich meer over het teruggevondene, dan over dat wat men reeds in bezit had? Dat laat zich gemakkelijk verklaren. Omdat namelijk het weervinden, resp. het zoeken, moeite kost en deze inspanning door het vinden beloond werd!

Daar nu echter een vreugde - welke dan ook - pas dan echte vreugde wordt wanneer men ze kan delen met anderen, zo zijn deze aangevoerde gelijkenissen ook daarom de aandacht waard, omdat zij ook dit ziels­genot niet vergeten, maar het erbij vermelden. Eveneens is in deze drie gelijkenissen, die Ik koos uit verschillende levensomstandigheden, ook de pijn uitgedrukt om wat verloren is, overeenkomstig ieder beeld.

Voorop staat de vergelijking van een herder, die een verloren schaap zoekt. Deze gelijkenis gaat in tegen de opmerking, dat Ik gezelschap opzocht van in de ogen van de schriftgeleerden en Farizeeën met zonden belaste mensen.

Wat is een herder?

Zie, een herder is een mens, aan wie een zeker aantal dieren is toevertrouwd, die hij naar de juiste weideplaats moet leiden en in geval van nood voor alle gevaren moet beschermen. De herder is juist vanwege deze opdracht aan zijn heer verantwoording verschuldigd, dat geen van de hem toevertrouwde dieren schade lijdt en dat zij steeds voldoende voer hebben, waartoe de herder de geschikte plaats moet uitzoeken.

Daar Ik met zondaars at en op deze wijze bewees, dat Ik juist de zieken bevoorrechtte tegenover de gezonden, die geen geestelijke arts nodig hadden, was juist deze gelijkenis over het verloren schaap het meest geschikt om Mijn discipelen het principe van Mijn gedrag duidelijk te maken; want een verloren, verdwaald schaap is – figuurlijk gesproken - net als een niet bekeerd, een niet geestelijk geleid of ziek mens.

Zoals een verdwaald schaap blootgesteld is aan ongelukken en ten prooi kan vallen aan roofdieren of in afgronden kan storten, welke gevaren het niet vaak kan beoordelen, evenzo loopt een verdwaald, geestelijk ziek mens, die - misleid door de wereld - van zijn geestelijke bestemming niets weet, het gevaar om zijn eigenlijke bestemming als lid van een toekomstig, eeuwig rijk geheel mis te lopen, om pas na lange tijdsruimten door groot lijden en bittere ervaringen daar te komen, waar Ik hem langs de kortste weg wilde leiden.

Ik zei: De herder is verplicht om zijn schapen naar goede weiden te leiden en dit was immers ook Mijn plicht, toen Ik eraan begon om de mensen van de dwaalwegen, waarop zij zorgeloos wandelden, weer terug te leiden op het ware levenspad, naar hun eigenlijke, geestelijke bestemming.

Het voorbeeld van de herder voerde Ik daarom aan, omdat het ten eerste voor de mensen in die tijd het gemakkelijkst te begrijpen was en omdat het het meest overeenkwam met Mijn roeping als Mensenzoon, doordat Ik, de op aarde nedergedaalde Wijsheid, er naar streefde om Mijn Vader de verloren kinderen, net als de verdwaalde schapen van een herder, weer terug te brengen.

Zoals de vreugde van een herder groot is wanneer hij na lang zoeken en ronddwalen zijn verloren schaap, het hem toevertrouwde goed, terugvindt, zo is ook Mijn vreugde groot over een teruggevonden ziel. Om dit vergelijk echter nog duidelijker te maken koos Ik de tweede gelijkenis, die spreekt van een vrouw, die een schelling verloor en alles doorzocht om hem weer te vinden.

Ik wist goed, welke waarde de Farizeeën en schriftgeleerden hechtten aan geld en dus was dit ijverige zoeken van de vrouw - juist aan hun denkwijze ontleend - voor hen gemakkelijk te begrijpen. Men kan immers ook bezorgd zijn over een kleine munt en net zo lang zoeken, tot zij gevonden is!

Ik had nog andere redenen, toen Ik hen eerst de gelijkenis van het verloren schaap als wezen met een ziel, daarna het verlies van materieel goed van vermeende waarde en tenslotte het verlies van de geestelijke waarde in de verloren zoon voorlegde. Ik wilde hen daarmee zeggen, dat verliezen die betrekking hebben op de ziel licht te vervangen zijn, materiële verliezen moeilijker en geestelijke het moeilijkst.

Want bij de eerste kan door omstandigheden en gebeurtenissen de verdwaalde van zijn verkeerde standpunten afgebracht worden, waarop hij de juiste weg weer begint op te gaan. Materiële verliezen echter oefenen gewoonlijk zo'n zware druk uit op de ziel, dat zij wankelt in vertrouwen op Mij, ja geheel vertwijfelt en vanwege het gewende leven al het mogelijke doet om de wereldlijke genoegens weer terug te krijgen. De door Mij genoemde vrouw zou zich met de overige negen schellin­gen tevreden hebben kunnen stellen; alleen, het verloren penninkje lag haar zo na aan het hart, dat zij liever alles doorzocht om het te vinden. Dat Ik ook bij deze gelijkenis niet de materiële toedracht, maar alleen het geestelijke voor ogen had, is logisch. Daarom zei Ik ook, toen de vrouw bij het terugvinden van de verloren schelling de vondst meedeel­de aan alle buurvrouwen en vriendinnen, dat in de hemel een zelfde vreugde zal zijn over een zondaar die boete doet, dus over een van de ondergang geredde ziel.

Wat de derde gelijkenis van de verloren zoon betreft, had Ik Mijn toehoorders inmiddels zo ver binnen het bereik van het geestelijk begrip betrokken, dat Ik hen als grootste en laatste voorbeeld een vertelling kon geven, waarin het niet om materieel verlies ging, maar om het verlies van de geestelijke waarde van een mens, die, niet aan zijn eigen waarde denkend, zich alleen aan de wereld en haar genoegens overgeeft en alle andere banden die hem verbonden met zijn huis en familie verbreekt en de wereld binnenstormt en alle hartstochten de vrije teugel laat, totdat hij afgemat en geestelijk vernietigd pas in het grootste ongeluk de diepte van de afgrond beseft, waarin hij zich vrijwillig stortte.

In het eerste voorbeeld was het een herder, die een ver onder hem staand wezen, een schaap van de ondergang redde, daar hij het weer bij de zijnen bracht. In het tweede geval was het een vrouw, die, haar materieel bezit terugvindend, zich gelukkig achtte. In beide gevallen is alleen het wereldlijke als voorbeeld gebruikt. In de derde gelijkenis echter komt bij al deze mogelijke verliezen nog de vaderliefde, die een nog groter en waardevoller verlies lijdt. Deze gelijkenis was met betrek­king tot Mij, als Vader van alle schepselen, 't meest van toepassing, omdat in haar enerzijds de rouw over een verloren ziel en anderzijds de nooit aflatende barmhartige liefde van een liefhebbende vader met al haar gevolgen figuurlijk beschreven is.

Het voorbeeld van de verloren zoon, aan het menselijke leven ontnomen, was het allerbelangrijkste, omdat Ik daarin Mijn toehoor­ders naast de familiebanden liet zien hoe een vader moest zijn en hoe er helaas bij hen maar heel weinigen zo waren. Ik wilde hen door de vreugde van de vader over de teruggekeerde zoon laten zien, hoe groot de vreugde van de Schepper van alle wezens wel zal zijn wanneer Hij de mensen, die Hij vrij in de wereld heeft geplaatst, weer vrijwillig naar Zich terug ziet keren. Dat de vreugde in Mijn geestelijke wereld over iemand die zo terugkeert nog groter is dan de vreugde bij de terugkeer in een gezin van een sinds lang vermist familielid, kon Ik hun in deze gelijkenis begrijpelijk en duidelijk maken door figuurlijk van een feest te spreken, dat de vader aanrichtte ter ere van de terugkeer van zijn reeds lang dood gewaande zoon.

Zo waren deze gelijkenissen drie taferelen uit het menselijke leven, die niet alleen in die tijden te vinden waren, maar zich telkens weer herhalen en ook bij u te vinden zijn.

Om de verloren schapen en zonen weer te redden, de eersten zelf naar huis te leiden en de laatsten er toe te bewegen vrijwillig om te keren, schuw Ik geen moeite. Waarschuwingen, benarde toestanden van allerlei aard, ziekten en sterfgevallen moeten hen voortdurend voor ogen houden, dat er nog een andere wereld is dan de gewoon zichtbare. Niets laat Ik achterwege en zelfs de hele schepping is er een voorbeeld van, op welke wijze de verloren zoon geleidelijk weer naar Mij, Zijn Schepper en Vader, moet terugkeren. Reeds sedert aeonen van tijds­ruimten speelt dit proces zich af op andere werelden. Op deze, uw aarde nadert het spoedig zijn eind. Daardoor zal een grote stap beëindigd zijn, opdat het gebonden geestelijke zich gemakkelijker en sneller kan ont­wikkelen om tot de bestemming te komen, waartoe Ik deze aardbol en zijn bewoners heb uitverkoren.

Alles in het hele universum moet zich vergeestelijken, moet omhoog stijgen; maar u, mensen, voor wie Ik zelf naar de aarde kwam, hebt een grotere taak voor u liggen dan miljoenen andere geesten op andere werelden; want niet zonder reden en doel koos Ik uw aarde uit en op haar Mijn eigen verdeemoediging als voorbeeld voor Mijn hele geestes­rijk.

Daarom bent u allen hier ook meer met beproevingen omgeven, omdat de prijs van uw toekomstig bestaan een grotere is dan die van veel op andere werelden levende wezens, die langzaam hun louterings - ­en veranderingsproces doormaken, terwijl u, met het grote licht van Mijn woord en Mijn voorbeeld uitgerust, door een sterke wil in korte tijd daar kunt komen, waar andere wezens pas na ondenkbare tijds­ruimten geraken. Hier op deze kleine aarde moet het proces van vergeestelijking sneller plaatsvinden. Alle middelen zijn nu voorhanden en alle beschikkingen getroffen, dat de mensen, naarmate zij zichzelf, hun ziel en door haar hun lichaam vergeestelijken, ook terugwerkend de in de duistere materie gebonden geesten tot een sneller voortschrij­den aandrijven; want voor grof gebouwde zielen is een grove, starre materie nodig en voor fijnere, geestelijk ontwikkelde wezens een lich­tere ondergrond. Zoals de mensheid zich dus vergeestelijkt, zo volgt haar stap voor stap ook de wereld na, die haar als woonplaats is aangewezen.

Daarom haast u, om al het mogelijke bij te dragen tot dit proces van vergeestelijking! Begin bij uzelf; want hoe meer u zelf het wereldlijke kunt ontberen, des te meer vergeestelijkt zich uw innerlijk! Uiteindelijk licht dit door de uiterlijke vorm heen en vertoont daardoor een afspie­geling van de innerlijke waarde.

Dit voortschrijden, hoe meer dit zich in het begin bij enkelen en later bij velen openbaart, zal de grote oplossing van Mijn geestelijke vraag naderbij brengen, waar Ik dan, als de ene Herder, u allen als Mijn schapen op de vette weiden van het hemelse licht al het geestelijke zal laten ontvangen, wat een liefhebbende Vader voor u sinds aeonen van tijden heeft voorbereid.

Zorg er daarom voor dit doel zoveel mogelijk na te komen! Gedenk de vreugde van de geesten en wezens die aan uw lot deelhebben. En ofschoon leed en strijd van allerlei aard dit voortgaan moet begeleiden,  is het einddoel toch al deze moeiten waard. De eigen vreugde, alle moeite te hebben doorstaan, de vreugde van hen die met u jubelen in het hiernamaals, de beloning met Mijn eeuwige Vaderliefde en de eeuwig durende stijging van zaligheid naar zaligheid, van genot naar genot zullen u de lichte ongemakken van een kort leven van beproeving doen vergeten.

Volg daarom de Herder en verdwaal niet weer op andere wegen, nadat Hij zoveel moeite heeft gedaan om u de goede weg naar het eeuwige leven en naar Zijn kindschap te wijzen! Amen.

 

30

 

De 3e zondag na Trinitatis

 

De wonderbare visvangst

 

Luc. 5, 1-11: En het geschiedde, toen de schare op Hem aandrong en naar het woord Gods hoorde, dat Hij zelf aan de oever van het meer Genezareth stond, en Hij zag twee schepen aan de oever liggen. De vissers waren eruit gegaan en spoelden de netten. Hij ging in één van de schepen, dat van Simon, en vroeg hem de zee in te gaan, niet ver van de oever. En Hij zette Zich neder en leerde de scharen van het schip uit. Toen Hij opgehouden had met spreken, zeide Hij tot Simon: Ga naar diep water en zet uw netten uit om te vissen. En Simon antwoordde en zeide: Meester, de gehele nacht door hebben wij hard gewerkt en niets gevangen, maar op uw woord zal ik de netten uitzetten. En toen zij dit gedaan hadden, haalden zij een grote menigte vissen binnen, en hun netten dreigden te scheuren. En zij wenkten hun makkers in het andere schip, dat zij hen zouden komen helpen. En dezen kwamen en vulden beide schepen, tot zinkens toe. Toen Simon Petrus dit zag, viel hij neder aan de knieën van Jezus en zeide: Ga uit van mij, want ik ben een zondig mens, Here. Want verbazing had hem en allen, die bij hem waren, aangegrepen over de vangst der vissen, welke zij gevangen hadden; evenzo ook Jakobus en Johannes, de zonen van Zebe­deüs, die metgezellen van Simon waren. En Jezus zeide tot Simon: Wees niet bevreesd, van nu aan zult gij mensen vangen. En zij trokken de schepen op het land en lieten alles achter en volgden Hem.

 

(1 april 1872)

 

In dit hoofdstuk gaat het niet over gelijkenissen of beelden, waarin veel geestelijks verborgen ligt, maar Lucas vertelt u van het winnen voor Mij van één van Mijn ijverigste discipelen, van Petrus, vroeger Simon genaamd en zijn medewerkers Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedëus. Lucas vertelt u hoe Ik de visser Simon voor Mij won door hem te laten zien, dat wie een vast vertrouwen in Mij heeft nooit in zijn verwachtingen bedrogen wordt, vooropgesteld dat zijn wensen ook in Mijn ogen als billijk en rechtmatig worden beschouwd en tot geestelijke vooruitgang zullen strekken.

Het uitwerpen van het net door Simon, ondanks zijn overtuiging dat het tevergeefs zou zijn en de rijke visvangst hebben een dubbele betekenis. Ten eerste bewees het de visser, dat Mijn macht groter was dan de heersende omstandigheden en ten tweede toonde het hem, dat zijn vertrouwen in Mij niet onbeloond bleef. Toen Petrus hierop onderscheid tussen Mij en hemzelf leerde kennen, riep hij smekend uit: "Heer, ga uit van mij, want ik ben een zondig mens!", en Ik, zijn toekomstige roeping vooruit wetend, antwoordde hem: "Wees niet bevreesd, van nu aan zult gij mensen vangen!"

Dat Ik bijna al Mijn discipelen koos uit de visserstand heeft zijn goede geestelijke grond daarin, dat hun arbeid op het beweeglijke element, het water en de daarmee verbonden gevaren hen meer aan een God, aan een voorzienigheidsleer bond en zij daardoor religieuzer, vromer en ook tengevolge van hun hoofdvoedsel, de vis, vredelievender gezind waren dan andere, vleesetende mensen.

Ik leidde de omstandigheden gewoonlijk zo dat zij, zonder Mijn bedoeling te bemerken en Mijn invloed te voelen, zelf tot Mij kwamen en Mij volgden. Dit was ook hier weer het geval. Ik wilde door een wonder - naar uw denkwijze - hun harten winnen en ze aanzetten tot de grote stap om alles in de steek te laten en Mij alleen te volgen, wat niet zo eenvoudig was als u misschien gelooft. Ik moest deze voorwaarde stellen; want in die tijd en in verband met het toekomstige leerambt van Mijn discipelen was het een onmogelijkheid Mij te volgen en gelijktijdig de wereld of zijn familie toe te behoren.

Tegenwoordig is het niet meer nodig Mijn volgelingen dergelijke zware voorwaarden op te leggen, omdat de omstandigheden anders zijn; en zou Ik zoiets verlangen, dan zou het aantal van Mijn volgelingen zeer gering uitvallen. Want bij zo'n aangenaam, reeds van de jeugd af aan gewend gezinsleven en bij zulke huiselijke verhoudingen zou het voor de meeste mensen die zich nu zo enthousiast voor Mijn leer tonen, onmogelijk zijn om alles te verlaten en Mij te volgen, zoals eens Mijn discipelen deden.

Ook onder u, die zich voor Mij en Mijn leer zo geestdriftig wanen, zouden weinigen de karaktersterkte bezitten om uit liefde tot Mij deze stap te doen, ook wanneer zij Mij, zoals eens Mijn apostelen, zichtbaar in hun midden zouden zien leven en werken. Ik heb zulke middelen nu niet meer nodig en weet even goed ook langs andere wegen Mijn doel te bereiken dan eens onder die voorwaarden, waarvan de vervulling Mijn volgelingen pas tot Mijn discipelen maakte.

Nu verlang Ik van u en van allen, die Mij willen navolgen de eigenschappen van Petrus, namelijk zijn onbegrensd vertrouwen in Mij en de duidelijke erkenning van zijn eigen onwaardigheid. Omdat hij niet meende waardig te zijn om in Mijn nabijheid te blijven en te leven, zo heeft deze vrijwillige vernedering voor Mij, de visser Simon tot de "rots", tot "Petrus" gemaakt, waarop Ik Mijn kerk wil bouwen, die hemel en aarde nimmer zullen verwoesten. Zijn vast vertrouwen op Mij, reeds bij zijn eerste ontmoeting, versterkte zich allengs en werd tot een rots van zijn geloof.

Als Ik dus deze tekst als woord tot u en de gezamenlijke gelovige mensheid richt, dan koos Ik hem daarom uit, omdat Ik u als voorbeeld de man voor ogen kan brengen, die u bovenal moet navolgen.

Ook Johannes, als gepersonifieerde liefde, is een gids en leidster van de eerste orde aan de geestelijke hemel; maar om aan hem gelijk te worden en zijn bijnaam "Mijn geliefde" te verdienen, moet u allereerst de school van Petrus doorlopen, en deze school is voor u de wereld met haar verzoekingen.

Tussen de klippen van de wereld, waar alle mogelijke omstandig­heden en gebeurtenissen ertoe bijdragen juist dat mooi, aangenaam en bijzonder belangrijk te vinden, wat slechts uiterlijk glanst, maar geen duurzaamheid, doch vergankelijkheid in zich bergt, juist temidden van deze verzoekingen moet uw geloof en vertrouwen zich allereerst ver­sterken. Juist daar kunt u het beste zien, hoe gebrekkig u bent en op wat voor zwakke voeten uw eigen morele kracht staat. Midden in het wereldse gebeuren zijn het deze twee hoofdsectoren, die u steeds voor ogen moet houden: Mijn almacht en uw onmacht! Anders is het onmogelijk om tot de rust van Johannes te komen, die alleen maar liefde en kinderlijke, innige verering voor Mij voelde.

Deze tedere gevoelens, deze overgave in Mijn handen, dit leven alleen voor het geestelijke, is voor de mensen en ook voor Mijn aanhangers in de huidige wereldomstandigheden niet zo gemakkelijk en niet zo eenvoudig uit te voeren, daar het verval van de wereld en zijn binnen­dringen in het geestelijk leven de mensen te machtig is, zodat niemand er zich geheel van zou kunnen bevrijden.

Uw opgave en die van Mijn huidige en toekomstige aanhangers en volgelingen ligt daarin, allereerst - zoals Petrus - het innerlijke, geestelijke "ik" te grondvesten op het vertrouwen in Mij en op het vaste geloof, dat Ik niemand zal verlaten, hoe benauwend de omstandigheden zich ook zouden voordoen, die op andere wegen schijnen te wandelen, dan op die welke naar Mij leiden.

Wat Ik als Zoon en Vader, als Wijsheid en Liefde, geestelijk ben in de schepping, dat stelden Petrus en Johannes voor als Mijn discipelen. Petrus was het ten opzichte van de wereld te gebruiken verstand en Johannes de ondanks alle valsheid in de wereld nooit aflatende goedheid des harten, van welke eigenschappen de eerste overeenkomt met Mijn wijsheid en de laatste met Mijn liefde.

Zo moet ook u er naar streven de woorden, die Ik tot Mijn discipelen sprak, geestelijk op te vatten: "Wees listig als de slangen en eenvoudig als de duiven!" Want de list van de slang betekent in geestelijke zin de wereldwijsheid en de eenvoud van de vriendelijke duif beduidt de deugd, die niets arglistigs en niets slechts denkt of uitvoert.

Zo ziet u, hoe in de woorden, werken en wonderen van uw Jezus gedurende Zijn leraarsjaren alles van geestelijke oorsprong is en alles een geestelijke betekenis heeft. Het is voldoende dat men met geestesogen de innerlijke betekenis van de gebeurtenissen overweegt, zodat de dichte sluier van onbegrip zich langzamerhand opheft en zuivere, heldere waarheid daar verschijnt, waar men tevoren slechts mystieke en onsa­menhangende woorden had gelezen. Zoals de natuur voor de wederge­borene, de geestelijk gevorderde een levend boek wordt, waarin hij niet alleen voordelen voor het aardse leven leest, maar waarin hij waarschu­wingen en geestelijke wenken opgetekend vindt, evenzo is Mijn u achtergelaten boek, de Bijbel, een eeuwige vindplaats, waarin unieke en meest heerlijke waarheden verborgen liggen, welke Ik heb voorbehou­den aan diegenen, die, na Petrus' school te hebben doorlopen, bij de liefde van Johannes zijn aangekomen.

Legt u zich er daarom ook op toe, terwijl u midden tussen de doornen wandelt, toch met ongedeerde voeten uw doel te bereiken, dat aan het einde van alle verzoekingen en strijd de onbegrensde liefde is, die figuurlijk in al het geschapene en geestelijk in Mijn persoonlijke nabij­heid rijkelijk het vertrouwen en het geloof zal belonen, dat u tijdens uw levenswandel hebt getoond.

Herinner u Mijn waarschuwing aan Petrus voor Mijn gevangenne­ming, toen Ik hem, die zich al sterk waande, door Mijn voorspelling: "Eer de haan kraait, zult gij Mij driemaal verloochenen!" aan zijn menselijke, zwakke natuur herinnerde, die hij eens daar in het schip bekende, toen hij uitriep: "Ga uit van mij, O Heer; want ik ben een zondig mens!" In de tuin op de Olijfberg toonde hij zich sterk, sloeg met het zwaard er op in, was vol geloof en vertrouwen, maar kort daarna ­zie de zwakke menselijke natuur - verloochende hij Mij driemaal uit angst!

Geeft u zich daarom ook niet aan de illusie over, als zou u reeds de uitverkorenen en onfeilbaren zijn! Vertrouw op Mij en niet op uw eigen kracht; want een lichte geestelijke windstoot is vaak voldoende en het hele gebouw van geestelijk zelfbewustzijn en morele kracht zakt in elkaar, dooreen gegooid als een door kinderen opgericht kaartenhuis en u hebt aan uzelf dan het resultaat ervaren, dat de rots Petrus in Mijn nabijheid beleefde, dat zonder Mij niets, maar met Mij alles uitvoerbaar is!

Zo moet ook deze tekst, die begint met een grote visvangst, eindigen met dit kleine, doch belangrijke resultaat: Wanneer u, evenals Simon er toe bestemd bent geen vissen, maar mensen in Mijn geloofsnet te vangen, dan moet u allereerst bij uzelf beginnen en nooit buiten beschouwing laten dat het geen woorden, maar daden zijn, gedaan met de edelste bedoeling, die de naasten, uw broeders en zusters, in Mijn handen leiden.

Maar voordat dit mogelijk is moet u zelf de levenswijsheid van Petrus en dan de liefde van Johannes reeds in uw hart hebben en steeds indachtig zijn aan uw zwakheid en Mijn kracht. Op deze manier volbrengt u Mijn wil ten opzichte van uzelf en ten opzichte van anderen, waartoe u Mijn zegen nooit zal ontbreken. Amen.

 

31

 

De 4e zondag na Trinitatis

 

De ware gerechtigheid

 

Matth. 5, 20: Want Ik zeg u: Indien uw gerechtigheid niet overvloedig is, meer dan die der schriftgeleerden en Farizeeën, zult gij het Koninkrijk der hemelen voorzeker niet binnengaan.

 

(2 april 1872)

 

Hier voor u in dit hoofdstuk ligt Mijn hele leer als samenvatting van al datgene wat betrekking heeft op de mens. Er wordt u getoond in hoeverre zijn lijden, zijn opoffering en strijd eenmaal een geestelijke waarde zullen hebben en hoe hij zijn geweten als weegschaal en richt­snoer voor alle gedachten, woorden en daden moet gebruiken, wanneer hij eens Mijn kind genoemd wil worden.

Deze bergrede was de meest machtige prediking, die Ik tijdens Mijn levenswandel op aarde gehouden heb en juist daarom omvat zij alles wat Mij bewoog tot u op deze duistere aarde neder te dalen en de grootste smaad te dulden voor de grootste triomf van Mij en Mijn leer.

In deze prediking stelde Ik Mijn toehoorders en discipelen alle zaligheden in een hoopvol vooruitzicht, welke diegenen ten deel zullen vallen, die Mijn liefdegeboden onderhouden en om hunnentwille beproevingen en lijden verdragen. Ik hield hun echter ook in figuurlijke beelden het belang van hun opdracht voor, omdat Ik Mijn leer niet tevergeefs wil prediken, maar wil dat ieder die haar hoort, haar ook zal toepassen en verspreiden. Het zijn die teksten, die gaan over het zout der aarde, over de stad op de berg en over het aangestoken licht, opdat het licht geve en niet verborgen brandt onder de korenmaat.

Ik zei hun dat zij het zout der aarde waren, wat overeenkomt met het etsende of aansporende aspect van de geestelijke wereld, omdat het noodzakelijk is voor de activiteit, voor de verdrijving van het slechte en voor de materiële stofwisseling.

Waar geen zout of een prikkelende stof is, daar is geen leven, geen beweging, geen warmte en geen licht. Waar het zout ontkracht wordt - zoals in het evangelie staat -, waar het bederft, daar ontstaan de omgekeerde resultaten, om welke reden het moet worden uitgeschei­den, opdat de mensen het vertrappen. Vertrapt tot stof en zand zal het andere scheppingen op een andere basis tot verdere vorming behulp­zaam zijn, zoals het door de mensen begane slechte, eveneens door Mijn beschikkingen tenslotte moet bijdragen tot vooruitgang en verbetering van de geestelijke wezens, alleen in andere vorm en onder andere omstandigheden.

Daarom waarschuwde Ik het volk en Mijn discipelen, dat zij Mijn woord niet slechts moeten aanhoren en voor zichzelf behouden, maar dat zij het ook aan anderen moesten meedelen en het zelf door de daad verwezenlijken. Ik zei hun ook dat Mijn leer niet nieuw was, maar dat zij enkel de door Mozes en de profeten gegeven raadgevingen in het ware licht stelde, de zin van de woorden verklaarde en zo aan de gehele mensheid liet zien, hoe al deze goddelijke voorspellingen en verorde­ningen van de door Mij gezonden mannen steeds hetzelfde doel hadden, namelijk de mensen hun geestelijke waarde te leren kennen en hen allen langs de kortste weg voor te bereiden het grote geestelijke rijk binnen te kunnen gaan, zoals het past bij wezens, die een goddelijke vonk van Mij in het hart dragen. Ik verzekerde allen, dat Mijn woorden van eeuwige duur zijn, omdat zij door het eeuwige, hoogste Wezen werden gegeven.

Ik zei hun ook, dat Ik iedere versmading van deze Mijn geboden hier en in het hiernamaals zal bestraffen, omdat Ik vooruit wist, dat in latere tijden mensen Mijn geboden van de liefde als dekmantel zouden gaan gebruiken, waaronder zij, hun eigen belangen navolgend, de hartstoch­ten van haat en wraak ongestoord zouden uitoefenen. Reeds in Mijn tijd bedreven de Farizeeën en schriftgeleerden hetzelfde spel met de leer van Mozes en de profeten, waarom Ik tot Mijn discipelen en het rondom Mij verzamelde volk de woorden sprak: "Want Ik zeg u: Indien uw gerechtigheid niet beter is dan die der schriftgeleerden en Farizeeën, zult gij het Koninkrijk der hemelen voorzeker niet binnengaan!"

Ofschoon slechts dit ene vers voor deze zondag gegeven is, moest Ik de voorgaande verzen uit dit hoofdstuk eerst verklaren, opdat wij  logisch op dit twintigste vers komen en van daar uit verder kunnen gaan.

Omdat Ik de valse en schijnheilige gerechtigheid van die kaste aanhaalde, aan wie in die tijd de macht en het recht waren gegeven om de zin, de cultus en de dogma's van hun religie aan het volk bij te brengen en te verklaren, en omdat Ik wist, op welke wijze zij dit uitvoerden - niet naar Mijn, maar naar hun zin en plannen -, daarom was Ik natuurlijk gedwongen om deze reeds gegeven geboden aan het volk en aan Mijn discipelen beter uit te leggen en hun geweten ontvankelijker te maken. Ik moest het ook daarom doen, omdat de priesters en geleerden in die tijd de geboden zo verklaarden, dat het hun niet veel moeite kostte deze te vervullen, en omdat hun daardoor een grote speelruimte overbleef om de meest afschuwelijke daden te begaan zonder schijnbaar tegen de mozaïsche godsdienstwetten in te gaan; ja, zelfs de indruk konden wekken, dat zij deze in de strengste zin uitoe­fenden.

Daarom volgen op het twintigste vers alle andere echte liefdege­boden, die in die tijd juist als tegenstelling van hetgeen men geloofde werden beschouwd; want vergelding, wraak, haat en vervolging waren door enkele godsdienstige spreuken schijnbaar gerechtvaardigd. Ook daarom zag men ze als tegenstellingen aan, omdat het veel gemakkelij­ker is de dorst naar wraak en haat te koelen, dan degene te vergeven die vijandelijk gezind is, of om diegene met weldaden te overspoelen die slechts kwaad in zijn schild voert.

Juist daarom werd deze rede, in het bijzonder vanaf het twintigste vers, de belangrijkste genoemd, omdat in haar het symbool van de liefde, het vaandel van de naastenliefde en de vergeving door Mij werden voorgesteld als enig richtsnoer voor de levensweg, daar Ik allen toeriep: "Alleen onder dit vaandel en met deze allesomvattende liefde, waarmee Ik als God en Schepper al Mijn wezens omvat, alleen met deze liefde kunnen de mensen burgers van een geestelijk rijk, burgers van Mijn hemel worden!"

Ik haalde in de daarop volgende verzen verscheidene levensom­standigheden aan, waarin de mens deze broeder - en naastenliefde moet en kan uitoefenen. Ik liet zien, hoe ver deze liefde zal en moet gaan, willen uw daden voor Mij een geestelijke waarde hebben. Ik plaatste de hoeksteen van offervaardigheid, waaraan zich helaas in die tijd en tot op de huidige dag velen gestoten hebben.

Ik zei Mijn toehoorders: "Zoals Ik als God de zon laat opgaan over goeden en bozen, zoals Ik de velden van rechtvaardigen en onrechtvaar­digen bevochtig met zegen brengende regen, zo moeten ook Mijn ware volgelingen - verheven boven alle menselijke hartstochten, met Mijn voorbeeld als Schepper en ook als Jezus voor ogen - iedereen met gelijke liefde helpen, onbekommerd of u ooit wel of niet dank ten deel zal vallen.

Ik bracht in deze rede het ideaal van een geestelijk verheven mens naar voren en bewees door Mijn levenswandel zelf, dat men zo leven kan, wanneer men wil. De inhoud van deze toespraak, of het nu gaat over de beloofde zaligheden voor de lijdenden, strijdenden en geduldig volhardenden, of over hoe ver de naastenliefde moet gaan, heeft van­daag nog dezelfde geldigheid als vroeger en zal deze ook nooit verliezen, zolang Ik, Mijn geestelijke - en Mijn materiële wereld bestaan. Want alleen door deze geboden en het naleven ervan worden de verstandig levende wezens veredeld en worden zij getuigen van hun goddelijke oorsprong, terwijl zij op de tegenovergestelde, meest gebruikelijke en helaas nu nog door velen als juist voorgestelde weg in plaats van naar geestelijke hoogte op te stijgen, naar materiële diepte afzakken.

In de volgende hoofdstukken van Mattheüs wordt deze leer nog verder uiteengezet, opdat niemand zich kan verontschuldigen, als zou hij niet hebben geweten, wat liefde tot God en naastenliefde in eigenlijke zin zijn. Zo vindt u ook in het zesde hoofdstuk het enige gebed, dat Ik de Mijnen leerde, en dat u heden nog kunt beschouwen als een allesom­vattend gebed. Alleen moet u de diepe, geestelijke zin van elk daarin besloten woord begrijpen; want weet, het is iets anders wanneer u met uw eigen woorden bidt, of wanneer Ik u woorden in de mond leg, die u in benarde omstandigheden, ja ook wel dagelijks tot Mij moet richten, opdat Ik u Mijn hulpvaardige hand reik in de chaos van iedere nieuwe dag, zodat u niet valt, maar Mijn bergrede steeds in gedachten houdt en als enig richtsnoer op de weg van beproeving in dit aardse leven voor ogen hebt, om de in het begin van ons hoofdstuk genoemde  zaligheden deelachtig te worden.

Ja, Mijn kinderen, ook naar u gaat deze waarschuwing uit, zoals eens naar diegenen, die Mij bij de bergrede aanhoorden, waar Ik zei: "Indien uw gerechtigheid niet overvloedig is, meer dan die der schriftgeleerden en Farizeeën, zult gij het Koninkrijk der hemelen voorzeker niet binnengaan!" Ook tegen u zeg Ik: Wanneer u de begrippen gerechtig­heid, liefde, deemoed en vergeving niet serieuzer opneemt, dan zij u door velen worden gepredikt en verkeerd uitgelegd, dan kunt u niet in Mijn rijk komen en niet Mijn kinderen worden; want tot Mijn kinderen kunnen slechts zij gerekend worden, die naar Mijn voorbeeld gewillig hun kruis dragen en die als Ik, als voorbeeld van deemoed en zelfverloochening, alle aardse genoegens ver achter stellen bij de gees­telijke en bij Mijn hoofdprincipe blijven, dat staat opgetekend in de uitspraak: "Mijn rijk is niet van deze wereld!"

Mijn kinderen mogen geen kinderen van de wereld zijn. Zij moeten er naar streven de hoogste morele hoogte te bereiken, die de mens überhaupt bereiken kan. Zij moeten, zoals Ik, hun hartstochten meester worden en vol vertrouwen aannemen wat Ik u voor hun bestwil overzend. Zij moeten de wereld niet als een gevaar ontvluchten, maar zij moeten er midden in al haar eigenaardigheden, genoegens en verzoekingen naar de juiste waarde schatten, opdat zij er niet voor bezwijken. Zij moeten in gedachten, woorden en daden zuiver van geweten zijn, opdat anderen niet alleen geloof hechten aan hun woor­den, maar ook in hun daden het werkelijke bewijs kunnen zien van het gesprokene. Zij moeten, zoals in het evangelie staat, daar staan als een licht, dat ver over alle oneffenheden van het menselijk leven heen zijn rustig licht laat uitstromen, het licht van liefde, van vertrouwen en vergeving.

Zo alleen kunnen ze, wanneer zij zelf rechtvaardiger, liefdevoller en groter van vertrouwen zijn dan veel andere verdwaalde kinderen, hen tot richtsnoer en als wegwijzer dienen en alleen zo kunnen zij na de volbrachte levensloop en beproevingstijd er aanspraak op maken door Mij als kind aangenomen te worden en in Mijn eeuwig grote geestelijke rijk, in Mijn hemel binnen te gaan, waar hen voor al het doorstane en geledene die zaligheden ten deel zullen vallen, die bij het begin van Mijn bergrede beloofd worden.

Neem dit ter harte! Lees deze prediking, die Ik meer dan duizend jaar geleden voor Mijn discipelen aan het volk gehouden heb, vaak door! Zij bevat grote beloften en eisen aan u en aan Mijn geestelijke wereld.

Wie deze voorwaarden niet wil nakomen, diens leven komt overeen met een fraai ingebonden boek, dat echter alleen witte, lege bladzijden bevat.

Streef er naar, uw levensboek vol goede gedachten, woorden en daden mee te brengen in het andere leven! Ik heb u immers in deze verzen laten zien, hoe de gedachten reeds een zich bezondigen tegen Mijn geboden der liefde kunnen zijn; want vaak ontbreekt alleen de gelegenheid om ze uit te voeren. Zou deze aanwezig zijn, dan volbracht de wil, wat slechts vluchtige gedachten bleven.

Daarom hoed u allereerst voor zondige gedachten! Zij verlagen uw innerlijke zielemens. Ontvlucht verder de gelegenheid om zulke ge­dachten ten uitvoer te brengen! Bestrijd de gedachten en u zult eerder macht hebben over uw handelen! Maar geeft u ze eerst de ruimte, dan bent u reeds in het rijk van de zonde verstrikt en er hoeft slechts een geschikt ogenblik te komen, - en uw ziel is door een ondoordachte daad van haar hele schoonheid, haar zuiverheid, rust en tevredenheid en haar goede voornemens beroofd!

Lees daarom deze verzen allemaal en heel vaak door! Er wordt u daarin zoveel getoond, waarin u nog zo zwak bent en zo vaak zondigt tegen u en tegen Mij. Daardoor bent u er nog ver van verwijderd om aandeel in Mijn geestelijke hemelrijk te hebben.

Mor niet, wanneer Ik u door omstandigheden steeds gelegenheid geef, u in dat te oefenen wat u nog het meest ontbreekt, namelijk het vertrouwen in Mij en het voortdurend waakzaam zijn over de bewegin­gen van uw eigen hart, om al het kwade en slechte dadelijk in de kiem te smoren!

Zo, door voortdurende oefening neemt uw kracht toe; zo wordt u bekwaam om te rechter tijd baas te worden over alle verzoekingen; en zo, indachtig aan Mijn bergrede zult u ook eens het loon van Mijn volgelingen ontvangen, wanneer uw taak hier op deze aarde eindigt en de zege behaald is, om dan daar met hernieuwde kracht aan grotere opdrachten te kunnen voldoen; want wie over weinig getrouw is geweest, die zal Ik daar over veel plaatsen!

Gedenk uw Vader, die u niet voor niets al deze woorden zendt! Gedenk dat Hij u tot dat zou willen maken, waartoe Hij u geschapen heeft, namelijk tot Zijn geestelijke kinderen en daarmee tot die wezens, die eens in Zijn rijk over werelden en miljoenen wezens het licht van liefde en genade van hun eeuwig liefhebbende Vader zullen uitstrooien! Dat bij zulke opdrachten wezens behoren, die geheel door leed en ongeluk beproefd en dus gehard zijn, spreekt vanzelf, omdat zij de zuiverheid van gedachten en daden als stempel op hun voorhoofd dragen en anderen omhoog kunnen trekken door de verhevenheid van hun geest.

Daarom gaf Ik u deze uitvoerige uiteenzetting van Mijn liefdege­boden, opdat u geen ruimte geeft aan de invloeden van uw eigenliefde, om juist dat te verontschuldigen wat bij Mij misschien de grootste zonde is, namelijk het spelen met gedachten, die het zaad tot allerlei onrijpe en kwade daden zijn. Amen.

 

32

 

De 5e zondag na Trinitatis

 

De spijziging van de vierduizend

 

Marc. 8, 1-9: In die dagen, toen er weder een grote schare bijeen was en zij niets te eten hadden, riep Hij Zijn discipelen tot Zich en zeide tot hen: Ik heb medelijden met de schare, want zij zijn nu reeds drie dagen bij Mij gebleven en hebben niets te eten; en indien Ik hen zonder voedsel naar huis laat gaan, zullen zij onderweg bezwijken, en sommigen van hen zijn van ver weg. En Zijn discipelen antwoordden Hem: Vanwaar zal iemand dezen hier in een eenzame streek met broden kunnen verzadi­gen? En Hij vroeg hun: Hoeveel broden hebt gij? Zij zeiden: Zeven. En Hij gaf aan de schare bevel op de grond te gaan zitten. En Hij nam de zeven broden, dankte, brak ze en gaf ze aan Zijn discipelen om ze hun voor te zetten, en zij zetten ze voor aan de schare. En zij hadden enkele visjes; en nadat Hij daarbij de zegen had uitgesproken, zeide Hij, dat zij ook die moesten voorzetten. En zij aten en werden verzadigd en zij raapten het overschot der brokken op, zeven korven. En het waren er ongeveer vierdui­zend en Hij zond hen weg.

 

(7 april 1872)

 

Dit evangelie gaat weer over een spijziging van het volk dat rondom Mij verzameld was en wel ten getale van vierduizend, waarbij na afloop zeven korven vol met brood overbleven, terwijl er aanvankelijk slechts

  zeven broden en enige vissen waren.

Ik verrichtte reeds eenmaal een soortgelijk wonder, doordat Ik vijfduizend mensen verzadigde met vijfbroden en twee vissen, waarbij toen twaalf korven met brood overbleven. Wat de vijf broden en twee vissen daar voor geestelijke betekenis hadden weet u; ook bij deze tweede keer, waar Ik in plaats van vijfduizend slechts vierduizend man met zeven broden en enige vissen spijzigde, waarna zeven korven vol brood overbleven - zoals toen twaalf - heeft alles een geestelijke beteke­nis, welke Ik u nu nader wil verklaren.

De twaalf resterende korven bij het eerste wonder betekenen zowel de twaalf stammen van Israël, als ook de twaalf geboden, die de mensen na Mijn heengaan nog zouden resten. De zeven korven, die de tweede keer overbleven, betekenen Mijn zeven hoofdeigenschappen, die ter versterking en tot richtsnoer voor de mensen moesten blijven, wanneer zij Mij niet meer persoonlijk bij zich zouden hebben. De zeven eigen­schappen heten: liefde, geduld, deemoed, vergeving, standvastigheid, opoffering en barmhartigheid.

Toen Ik voor het joodse volk predikte, moest Ik hen soms toeroepen: "Wie oren heeft, die hore!" Dit was er een duidelijk bewijs van dat zelfs bij hen veel het ene oor in - en het andere uitging en dat het merendeel Mijn leer niet zo opvatte, zoals Ik het wilde. Het figuurlijk uit te leggen spijzigingswonder aan het eind van Mijn toespraak tot hen, verklaart het overblijven juist als het belangrijkste. Zoals zij het brood en de vissen enkel verteerden om hun lichamelijke honger te stillen en zeven korven met brood overlieten, zo oppervlakkig slechts begrepen zij ook de inhoud van Mijn rede en schonken geen aandacht aan de hoofdinhoud ervan, Mijn zeven basiseigenschappen, die Ik hen door gelijkenissen, wonderen en werkelijke leringen wilde inprenten.

Ook al moesten al die gelijkenissen, woorden en verrichte wonderen het volk de ogen openen, dan waren er toch steeds weer genoeg schriftgeleerden en Farizeeën, die al het mogelijke deden om iedere indruk, die Mijn doen en laten op het volk maakte, af te zwakken of

helemaal te vernietigen. Zo zochten zij in het feit, dat de ceremoniële gebruiken van de kerk - de wassingen enz. - door Mij en Mijn discipelen niet werden onderhouden, een reden tot verdachtmaking. Zij namen vaak aanstoot aan de goede werken, aan genezing van zieken en dergelijke, wanneer deze op een Sabbat of een andere kerkelijk gewijde dag gebeurden. Zij wonden zich er over op, wanneer Ik Mij niet hield aan de voorgeschreven vasten of Mij zelfs ophield met mensen, die in hun ogen grove zondaren of oneerbare personen waren. Zo deden zij alle moeite om alles wat door Mij gesproken en gedaan werd verdacht te maken.

Vandaar dat Ik Mijn discipelen en het volk, dat naar Mij luisterde en Mij volgde, diverse waarschuwingen gaf, waarmee Ik hun wilde bewijzen, dat bij Mij alleen het geestelijke geldt en niet het materiële! Vandaar de woorden: "Wat bij de mens binnen gaat, kan hem niet vals of onrein maken, maar dat, wat van hem uitgaat, dat is het wat de mens kan verlagen!" Vanuit dit zelfde principe ging de waarschuwing naar Mijn discipelen om zich te hoeden voor het zuurdesem van de Farizeeën en van Herodes en om dezelfde reden bracht Ik naar voren wat een vroegere profeet voorspeld had: "Dit volk eert Mij met de lippen; maar hun hart is ver van Mij!"

Toen Ik deze vierduizend man met zeven broden en enige visjes had gespijzigd en hen aldus materieel had verzadigd, bleven zeven korven brood over. Al waren zij naar de schijn ook geestelijk verzadigd, toch lieten ze de door Mij als voornaamste aangeduide eigenschappen ongeacht. Elke korf met zijn veelzijdige inhoud van grote en kleine stukken brood toont voldoende aan, op hoeveel manieren deze Mijn eerder genoemde eigenschappen in het menselijk leven zouden kunnen worden uitgeoefend, indien de mens niet zijn eigen levenskorf meestal meer met andere, wereldlijke dingen zou hebben gevuld, waardoor dan geen plaats meer is voor Mijn brood en voor Mijn geesteseigenschap­pen.

Er zijn er maar weinige, die denken zoals de vrouw uit Syrophönizi, die op Mijn uitspraak: "Men moet Mijn brood niet voor de honden werpen!" toch vol vertrouwen antwoordde, dat het toch echter de honden is toegestaan om zich te verzadigen met de broodkruimels, die de kinderen onder de tafel laten vallen, hetgeen met andere woorden wil zeggen: Ook al zijn de zwakken en de nog onmondigen niet in staat zich te voeden met de directe hemelspijs, dan zou het hun toch vergund zijn om uit het afval dat te zoeken, wat bevorderlijk is voor hun momentele geestelijke toestand.

Zulke gelovige zielen kwamen in die tijd slechts sporadisch voor en tegenwoordig zijn ze helemaal hoogst zeldzaam geworden.

Zoals Ik tegen al de heersende meningen, hetzij wereldlijke of kerkelijke, moest vechten en - zoals Ik zelf soms zei - minder verwachtte van de Joden dan van de heidenen, zo is het ook tegenwoordig, waar weinig te verwachten is van diegenen die zich katholiek noemen en menen het ook werkelijk te zijn, wanneer zij zich maar aan de voorge­schreven gebruiken houden. Ja, juist zij, die het beste en vruchtbaarste veld voor Mijn leer zouden moeten zijn, juist zij zijn de felste tegen­standers van al datgene, wat hen uit hun zo aangename ingerichte godsdienstleer opwekt en opofferingen en ontzeggingen eist waartegen zij niet zijn opgewassen, omdat hun de morele kracht ontbreekt om de aangewende gebruiken en ideeën te overwinnen.

Zij lijken op de meeste toehoorders uit die tijd. Overal zoeken zij Mij enkel in de kerken, maar niet op de weg des levens, waar zij door daden moeten bewijzen, wat zij in de kerken vaak zo plechtig beloven. Zij zijn ook hongerig gelijk de eerstgenoemden, maar laten het hoofd­principe van Mijn leer, de zeven korven, rustig staan en eten alleen datgene, wat hun op dit moment het beste smaakt.

Wanneer Ik dit voorbeeld van de spijziging van de vierduizend mensen met zeven broden en enkele vissen als thema voor een zondagsprediking bij u naar voren breng, dan wordt hierdoor tevens een waarschuwing gericht tot ieder persoonlijk alsook tot alle toehoorders van Mijn woord, om zich niet tevreden te stellen met de oppervlakkige indruk van Mijn woorden, maar de daarin verborgen liggende geeste­lijke spijzen er uit te zoeken, zijn handelen hiernaar te richten en ook anderen tot dezelfde beleving aan te sporen.

Dat Mijn toehoorders in die tijd weinig vruchtbare akkers voor Mijn leer waren, wist Ik wel; Ik wist echter ook, dat Ik niet enkel voor hun, maar voor de hele mensheid na hen sprak en handelde. Ik bouwde niet alleen voor het heden, maar Mijn plannen reikten verder. Als de plannen van een goddelijk, oneindig Wezen waren zij van eeuwige duur en werking.

Zelfs aan de Farizeeën en schriftgeleerden antwoordde Ik na hun vraag om een wonderteken, dat aan dit geslacht geen teken van Mij wordt gegeven, hetgeen betekent dat daar, waar Mijn zichtbare verschij­ning het grootste wonderteken was, geen ander, nog meer bewijzend teken nodig was om Mijn Goddelijkheid en de waarheid en de eeuwige duur van Mijn leer te bewijzen.

Wat Ik daar over de Farizeeën en schriftgeleerden zei, geldt ook heden ten dage voor alle schijnheilige kerkgangers en alle over de materie filosoferende geleerden van uw tijd. Ook zij zullen geen tekenen zien, omdat zij het grootste teken, de stem van God en Vader in het eigen hart niet willen erkennen.

Ondanks alle voortdurende ontdekkingen van de wetten der natuur geloven veel van uw geleerden evenmin dat er ook een wetgever moet zijn. Zij loochenen in hun discussies liever het bestaan van eigen en andermans ik, dan dat zij toegeven door daadwerkelijke bewijzen het bestaan van God te erkennen.

Ook in deze tijd woedt een voortdurende strijd tussen ceremonie en geest, tussen bedrog en waarheid, die alle gemoederen in beweging brengt. Alle sekten, alle gelovigen matten zich af om het nieuwe wat opkomt te verbinden en te vermengen met het oude vertrouwde; maar tevergeefs. Men kan geen twee heren dienen: het is of de materie, of de geest! En omdat velen geen beslissing kunnen of willen nemen, heeft dat als gevolg dat zij, - hoeveel Ik de mensen ook met geestelijk brood wil verzadigen - op enkele uitzonderingen na van het bijkomstige genieten, ja dat najagen, maar het eigenlijke, wezenlijke en geestelijke ware laten liggen.

Zo moeten de volgelingen van de huidige tijd, net als die van toen, de overgebleven brokken van Mijn hemelse leer of het geestelijke brood telkens weer verzamelen en dan bij andere hongerigen hun geluk beproeven, tot uiteindelijk de zeven korven van Mijn goddelijke eigen­schappen leeg zijn en overgegaan in de grote levenskorf van de mens­heid, als ook van ieder mens afzonderlijk.

Zo gaat ook naar u de waarschuwing uit: Leg u er op toe, om u Mijn zeven eigenschappen eigen te maken! Denk niet te oppervlakkig over de geestelijke verzadiging door te geloven, als zou lezen en luisteren reeds voldoende zijn! Daar is geen sprake van! Want ook naar u zal Ik eens de verzamelaar zenden en het overgeblevene in korven doen en laten bewaren voor betere en waardiger mensen, die eerder geschikt zijn om de geestelijke inhoud te benutten, terwijl u - in de waan, reeds alles te weten - niet eens de eerste trap van geestelijk inzicht hebt beklom­men.

Streef er daarom naar Mijn directe mededeling waardig te worden, zoals eens Mijn discipelen! Wordt ook u, net als deze apostelen, verspreiders van Mijn woord! Strooi het uit, echter zo, dat het niet op onvruchtbare bodem valt! Bedenk altijd, dat alles wat u nu in zo'n overvloedige mate van Mij ontvangt, niet voor u alleen, maar door u ook eens voor anderen bestemd is! De één of de ander zal gebeurtenissen doormaken, waarbij hij het gelezene en gehoorde moet bewijzen; hij moet laten zien in hoeverre hij het heeft begrepen en het zich heeft eigen gemaakt, om het ook zo aan anderen door te geven, als Ik het hem deed toekomen.

Laat dus niets van Mijn broden over! Verwerk ze geestelijk! Maak ze tot uw eigen ik, opdat u als levend wandelende voorbeelden niet alleen door het woord, maar ook door daden kunt bewijzen, dat liefde, geduld, deemoed, vergeving, volharding, opoffering en barmhartigheid de grondvesten van uw geloof zijn, de zeven korven waarin u uw goede daden wilt verzamelen om ze in eigen levenskorf als eigendom aan Diegene te overhandigen, die u telkens met zoveel genade en zoveel licht uit Zijn hemel heeft overgoten! Amen.

 

33

 

De 6e zondag na Trinitatis

 

Over de valse profeten

 

Matth. 7, 15-23: Wacht u voor de valse profeten, die in schaapsvacht tot u komen, maar van binnen zijn zij roofgierige wolven. Aan hun vruchten zult gij ze kennen: men leest toch geen druiven van dorens of vijgen van distels? Zo brengt iedere goede boom vruchten voort, maar de slechte boom brengt slechte vruchten voort. Een goede boom kan geen slechte vruch­ten dragen, of een slechte boom goede vruchten dragen. Iedere boom, die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen. Zo zult gij hen dan aan hun vruchten kennen. Niet een ieder, die tot Mij zegt: Here, Here, zal het koninkrijk der hemelen binnengaan, maar wie doet de wil des Vaders, die in de hemelen is. Velen zullen te dien dage tot Mij zeggen: Here, Here, hebben wij niet in uw naam geprofeteerd en in uw naam boze geesten uitgedreven en in uw naam vele krachten gedaan? En dan zal Ik hun openlijk zeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, gij werkers der wetteloosheid.

 

(10 april 1872)

 

Dit hele hoofdstuk gaat over leefregels zoals zij, gegrond op Mijn leer, in acht genomen moeten worden, opdat de mensen - en in die tijd vooral Mijn discipelen en toehoorders zouden weten, hoe zij hun eigen godsdienstige geboden in de praktijk van het leven moesten uitoefenen. Daar de uitleg van de mozaïsche wetten vooral in die tijden niet naar Mijn zin was, moest Ik zelf komen om de geestelijke levensboom van de aan de Joden overgeleverde godsdienst van verval te redden, opdat hij weer vruchten zou dragen, die overeen komen met de wetten van Mijn geesteswereld.

Dus leerde Ik in dit hoofdstuk geduld te hebben met de fouten van anderen, evenals de voorzichtigheid om Mijn leer niet zonder voorbe­reiding bij een ieder op te dringen, voorts de milddadigheid en liefde, welke de mensen overeenkomstig Mijn voorbeeld tegenover anderen moeten beoefenen. U ziet het gebod van de naastenliefde in de diepste zin verklaard en u wordt er ook op attent gemaakt dat Mijn eisen niet zo gemakkelijk zijn, omdat de opofferingen voor Mijn liefdegeboden in tegenstelling zijn met de verzoekingen van de wereld en de eigenliefde, die zo gemakkelijk veld wint.

Ik verkondigde niets nieuws, maar verklaarde Mijn discipelen en aanhangers het reeds bekende in zijn ware betekenis, opdat ook zij in het vervolg aan de medemensen de ware inhoud van de geboden konden meedelen. Ik moest daarbij allereerst de leraren en daarna de leerlingen zekere maatregelen en kenmerken geven, waaraan de eerst­genoemden hun ware weetgierigen en gelovigen, de laatsten echter hun leraren konden herkennen en de valse leraren of profeten van de echte konden onderscheiden. In enkele teksten is gezegd dat woorden niet voldoende zijn om een ander te overtuigen, maar dat daden het bewijs moeten leveren, dat de leraar werkelijk doordrongen is van de waarheid van zijn woorden.

Deze maatstaf om valse leiders van echte te onderscheiden moet het oordeel van de toehoorders bij alle gelegenheden als richtsnoer dienen, omdat zij anders, door dwaalleraren misleid, op geheel verkeerde wegen zouden kunnen geraken.

Omdat Ik vooruit wist, dat na Mijn heengaan ook anderen naast Mijn discipelen zouden gaan optreden, die onder de dekmantel van Mijn liefdeleer slechts hun eigen voordeel wilden doen, maakte Ik Mijn toehoorders hier destijds op attent. Ik zei hun ook vooruit wat het lot van deze valse leraren zal zijn, evenals dat van diegenen, die op dergelijke waanleringen hun geestelijk welzijn bouwen, wanneer geestelijke en fysieke stormen hun levensschip in gevaar zouden brengen, waarin alleen diegene met kalmte de toekomst tegemoet kan zien, die Mijn leer ook daadwerkelijk uitoefent, hoe deze zich ook zou ontwikkelen. Ik vergeleek hen met mensen, waarvan de een zijn huis op een rots en de ander zijn huis op zand had gebouwd.

De levensregels die Ik destijds aan Mijn discipelen en aanhangers op hun weg vol doornen heb meegegeven, zijn op alle tijden van toepas­sing, tot en met de huidige en de nog komende tijden; want Mijn woorden zijn immers woorden van eeuwigheid. Zij kunnen nooit vergaan of buiten gebruik geraken, omdat zij, eveneens gebouwd op de rots van Mijn waardigheid, de tempel van Mijn geestelijke hemel uitmaken.

Net als daar geldt ook nu deze waarschuwende roep. Hij zal zowel de leiders, als ook diegenen tot richtsnoer dienen, die zich aan hun handen hebben toevertrouwd en van hen in benarde en nog benardere komende tijden troost en hulp verlangen.

Er is reeds veel misbruik gemaakt van Mijn liefdeleer en velen zijn ten prooi gevallen aan dwaalleraren; maar nu is de bijl aan de boom gelegd, die de verdwaalden zo lang overschaduwde en daardoor het eigenlijke, goddelijke licht verhinderde om tot hen door te dringen.

Voordat Ik kom, moeten alle schaduwen in geestelijk opzicht ver­wijderd worden; want Ik ben het Licht en Ik verdraag geen schaduw. Mijn leer is gegeven om alle hoeken in de materiële en geestelijke schepping te verlichten. Uw schijnleven heeft weliswaar licht- en schaduwzijden, zoals uw aarde de dag en de nacht, - maar dit is noodzakelijk, omdat u, zoals de gehele materiële wereld naast het werk ook rust moet hebben, waarin de verbruikte krachten aangevuld en het organisme tot verdere werkzaamheid gesterkt moet worden. Zo is het echter niet in de geestelijke wereld! Daar bestaat geen nacht, behalve die welke de geesten zichzelf bereiden. Daar is eeuwig licht, eeuwige warmte, eeuwige liefde en eeuwige werkzaamheid.

Kijk maar eens naar uw ziel! Ook zij slaapt niet, ofschoon zij aan een aards lichaam is gebonden, maar zij werkt dag en nacht aan uw geestelijk lichaam om dat zo volmaakt mogelijk in het grote hiernamaals te brengen.

Hetzelfde streven ligt in de hele geestelijke schepping, en wat zich hier tegen wil verzetten vervalt in zijn ondergang, zoals de huidige tijd u maar al te duidelijk laat zien. Instellingen, hoe slim en welberekend zij ook opgezet en sedert eeuwen onderhouden werden en hoeveel goeds zij ogenschijnlijk zouden verspreiden, zijn toch slechts op zand ge­bouwde huizen, die de stortregens en stormen van Mijn goddelijk waarheidslicht niet kunnen weerstaan.

Zoals kalksteen zich bij aanraking met de levens - of zuurstof van uw atmosfeer oplost in een brij, waarbij zijn compacte vorm verandert en als fijn stof, aan de winden overgeleverd in alle richtingen verdwijnt zonder het geringste spoor van zijn vroegere vorm achter te laten ­wanneer hij niet met zand vermengd als specie in een andere vorm tot versteviging van een gebouw moet bijdragen -, zo zal het de aardse instellingen ook vergaan. Omdat een dergelijk allang bestaand gebouw en diens beheerder niet zo gemakkelijk aan de druk van de omstandig­heden toegeven, roep Ik u allen toe: "Hoed u voor de valse profeten, die in schaapsvacht tot u komen, maar in hun binnenste verscheurende wolven zijn!"

Ik weet heel goed dat deze leer, die nu direct door Mij aan u gegeven is, in het begin door velen bespot en verdacht gemaakt zal worden en, wanneer het op deze manier niet lukt om hun doel te bereiken, zij dan zullen besluiten deze leer van Mij als dekmantel te gebruiken, om hun bestaan te rekken; maar dan geldt wat Ik eens tegen Mijn discipelen zei: Aan hun daden zult u herkennen, of zij werkelijke, ijverige uitvoer­ders van Mijn liefdeleer zijn of alleen maar haar verkondigers met het woord.

Het is nergens zo noodzakelijk om op zijn hoede te zijn als juist daar, waar deze valse profeten en valse uitleggers van Mijn woord zien, dat al hun inspanningen mislukken en zij zich of moeten bekeren of moeten ondergaan. Want zij zullen alle middelen aanwenden, die hen naar hun vroegere glans en hun vroegere macht moeten brengen.

Daarom geldt hier wederom Mijn waarschuwende roep: Wees listig als de slangen en eenvoudig als de duiven, opdat u de misleiding van uw grootste tegenstander al van verre bemerkt en door de eenvoud van uw hart alle gifpijlen van u en van uw medegelovigen kunt afkeren. Mochten enkele u treffen, dan leiden ze u naar het leven in plaats van naar het verderf.

Zoals het begin van dit hoofdstuk hoofdzakelijk geldt voor u als gelovigen en vereerders van Mijn ware liefde-woord, dat u geduld en zachtmoedigheid aanraadt, zo is ook de verdere inhoud voor u geschikt, dat u uw aanhangers opmerkzaam moet maken op alle gevaren, die hen in de chaos van de wereld bedreigen, waar naast het ware het valse, naast het werkelijk zijn de schijn een voorname rol speelt, opdat zij niet, misleid door valse leraren en profeten, u van bedrog beschuldigen.

Wees daarom ook voorzichtig als de slangen en geloof niet blinde­lings iedereen die zich tot u wendt en om hemelsbrood vraagt of - zoals in het evangelie staat - "Here, Here!" tot Mij zal roepen! Zij hebben heel andere bedoelingen dan u te volgen; zij willen alleen door u ervaren, wat voor hun doel dienstbaar zou kunnen zijn.

Lees dit evangelie heel vaak! Er schuilt veel meer geestelijke, diepe waarheid in dan Ik u hier kan geven. Let op dat wat gezegd is, opdat ook u uw huis niet op zand bouwt, maar op de vaste rots van het vertrouwen! Anders gaat het u zoals zovelen, die bij het geringste geestelijk of moreel onweer het evenwicht verliezen en niet weten, hoe hen te raden en te helpen is.

Veel woorden en nog veel meer geestelijke zaken geef Ik u in duizenderlei vormen. Nu ontvangt u in deze zondagspredikingen als het ware de sleutel van Mijn woorden, die Ik eens aan Mijn discipelen en Mijn eerste volgelingen heb gegeven.

En weet u, waarom dit alles gebeurt? Zie, omdat Ik maar al te goed weet, hoe de tijdsomstandigheden in de toekomst verder zullen gaan verlopen, waarin sterkte, zekerheid en een vaste volharding steeds noodzakelijker zullen zijn! Bij menigeen zal beproefd worden, of hij zijn geestelijk huis op de rots van Mijn geloofs- en liefdeleer heeft gebouwd of dat hij zich slechts met het lezen en horen van Mijn woorden tevreden heeft gesteld, wat overeenkomt met het huis op het zand. Zoals de wind het zand verwaait of de regen het wegspoelt, evenzo wist de tijd de gehoorde of gelezen woorden weg uit het geheugen.

De vaste bouwstenen voor Mijn en tot uw toekomstig, geestelijk woonhuis zijn daden, - daden, uitgevoerd op grond van de Gods- en naastenliefde. Alleen deze zijn blijvend, geven u rust en vrede en schitteren als mooie voorbeelden voor anderen, die u aan uw goede werken zullen herkennen als echte en niet als valse profeten en leraren, wier hart niet dat van verscheurende wolven is, maar dat van goedmoe­dige lammeren en geen haat, toorn, nijd, afgunst of wraak, maar slechts liefde ademt, liefde verspreidt en weer liefde wil oogsten.

Zo zult u Mijn uitverkorenen worden, die met Mijn woorden in de hand elke schaduwen twijfel verdrijven en het licht van een grote, hoog boven u verheven geesteswereld zullen verspreiden, opdat er bij Mijn  wederkomst slechts één kudde en één Herder moge zijn en uw woon­plaats, de aardbol, weer tot een paradijs omgevormd moge worden, hetgeen hij eens is geweest en hetgeen niet door Mij, maar eens is verloren gegaan door de uit liefde geschapen mensen.

Neem dit ter harte en leef er zoveel en zo vaak mogelijk naar. Alleen zo bloeit bij u rust en vrede, en alleen zo bent u geschikt om ook aan anderen troost te geven. Amen.

 

34

 

De 7e zondag na Trinitatis

 

De gelijkenis van de onrechtvaardige rentmeester

 

Luc. 16, 1-13: Hij zeide ook tot Zijn discipelen: Er was een rijk man, die een rentmeester had. Van deze werd hem aange­bracht, dat hij zijn bezit verkwistte. En hij liet hem roepen en zeide tot hem: Wat hoor ik daar van u? Doe verantwoording van uw beheer, want gij kunt niet langer rentmeester blijven. De rentmeester zeide bij zichzelf: Wat moet ik doen? Want mijn heer ontneemt mij mijn rentmeesterschap. Spitten kan ik niet, voor bedelen schaam ik mij. Ik weet, wat ik doen zal, opdat zij mij, wanneer ik uit mijn rentmeesterschap ontzet ben, in huis zullen nemen. En hij ontbood de schuldenaars van zijn heer één voor één bij zich. Hij zeide tot de eerste: Hoeveel zijt gij mijn heer schuldig? Hij zeide: Honderd vaten olie. Hij zeide tot hem: Hier hebt gij uw schuldbekentenis, ga vlug zitten en schrijf vijftig. Daarna zeide hij tot de tweede: En hoeveel zijt gij schuldig? Hij zeide: Honderd zakken tarwe. Hij zeide tot hem: Hier hebt gij uw schuldbekentenis, schrijf tachtig. En de heer prees de onrechtvaardige rentmeester, dat hij met overleg gehan­deld had, want de kinderen dezer wereld gaan ten aanzien van hun geslacht met veel meer overleg te werk dan de kinderen des lichts. En Ik zeg u: Maakt u vrienden met behulp van de onrechtvaardige Mammon, opdat, wanneer deze u ontvalt, men u opneme in de eeuwige tenten. Wie in het minste getrouw is, is ook in veel getrouw. En wie in het minste onrechtvaardig is, is ook in veel onrechtvaardig. Indien gij dus niet getrouw geweest zijt ten aanzien van de onrechtvaardige Mammon, wie zal u dan het ware goed toevertrouwen? En indien gij niet getrouw geweest zijt ten aanzien van het goed van een ander, wie zal u het onze geven? Geen slaaf kan twee heren dienen, want hij zal Of de ene haten en de ander liefhebben, Of zich aan de ene hechten en de andere minachten; gij kunt niet God dienen en de Mammon.

 

(11 april 1872)

 

Dit evangelie gaat over een onrechtvaardige rentmeester, die nadat zijn heer op de hoogte was gebracht van zijn ontrouw, op zijn minst een achterdeurtje wilde openhouden, zodat hij niet door nood gedwon­gen gedoemd zou zijn tot armoede of tot zware handarbeid om zijn dagelijks brood te verdienen.

Ik vertelde deze gelijkenis daarom aan de Farizeeën en schrift­geleerden, omdat zij het geld of de Mammon het meeste aanhingen en, om het in grote hoeveelheid te verkrijgen, zich geen middel schuwden om hun doel te bereiken.

Wat de onrechtvaardige rentmeester in deze gelijkenis heeft gedaan, namelijk dat hij de schuldbrieven van zijn heer door de schuldenaars voor de helft liet verminderen om zich bij hen weer in de gunst te stellen, dat deden de Farizeeën met hun godsdienstwetten, doordat ze het naleven ervan voor de rijken gemakkelijker maakten, wanneer deze daar goed voor betaalden. Zo waren zij streng tegenover armen en inschik­kelijk voor de rijken, zoals het heden nog bij uw priesterschap toegaat.

De beleringen, die Ik Mijn discipelen gaf: Mijn aanmaningen om zich door middel van de Mammon vrienden te vetwerven, zodat zij in geval van nood geen gebrek zouden hoeven te lijden; daarna het volgende vers: "Wie in het minste getrouw is, is ook in veel getrouw, en wie in het minste onrechtvaardig is, is ook in veel onrechtvaardig!"; verder: "Indien gij dus niet getrouw geweest zijt ten aanzien van de onrechtvaardige Mammon, wie zal u dan het ware goed toevertrou­wen?"; en verder: "En indien gij niet trouw geweest zijt ten aanzien van het goed van een ander, wie zal u het uwe geven?"; alsmede het volgende vers: "Geen slaaf kan twee heren dienen; want hij zal Of de ene haten en de ander liefhebben, of omgekeerd!", wat geestelijk ook betekent: "Gij kunt niet God dienen en de Mammon!", - al deze verzen houden met maar weinig verschil hetzelfde in; alleen het negende vers staat in schijnbare tegenstelling met de volgende, omdat daar wordt aangeraden zich vrienden te vetwerven door de Mammon, opdat in geval van nood de hand van een vriend ons moge ondersteunen, terwijl er in de andere verzen juist meer op wordt gewezen, dat men geen twee heren kan dienen en in het dertiende vers zelfs duidelijk is gezegd: "Gij kunt niet God èn de Mammon dienen!" Want hoe kan iemand vrienden verwer­ven met de Mammon en daarbij God dienen?

U ziet, hier bestaan naar het schijnt tegenstrijdigheden; want God en de Mammon, dat betekent de materiële wereld, haar schatten en haar genoegens, zijn toch zeker tegenovergestelde dingen en het is volkomen natuurlijk dat degene, die de Mammon of de wereld aan­hangt, niet eveneens God kan liefhebben en Zijn leefregels kan volgen.

Om de tegenstrijdigheden op te lossen, willen we deze verzen wat nader onderzoeken en proberen om ondanks al hun schijnbare tegen­stellingen het gemeenschappelijk bewegen naar één doel aan te tonen.

Zie, wanneer Ik in deze gelijkenis zei dat de slechte rentmeester de schuldbrieven van zijn heer aanmerkelijk liet verminderen, dan bete­kent dat in geestelijke zin eigenlijk niets anders, dan dat de fouten van een mens, die hij tegenover Mij als hoogste Wezen heeft begaan, met het oog op zijn eigen natuur en de omstandigheden waarin hij leven moet met meer mildheid worden bezien. Zou Ik zonder hier rekening mee te houden uw daden beoordelen of zelfs bestraffen, dan zou het er met de hele mensheid wel zeer slecht voor staan. Het einde zou dan een tweede vernietiging moeten zijn van het hele mensengeslacht, zoals eens bij de zondvloed. Als Ik de mensen weer opnieuw zou scheppen, dan moest Ik hen - wilde Ik niet dat zij in dezelfde voetstappen zouden vallen - tot machines maken en niet tot vrije mensen.

Wanneer er gezegd wordt: "Maakt u vrienden met behulp van de Mammon!", dan wil dat zoveel zeggen als: verlicht de last van diegene die met zonde en gewetenswroeging beladen is! Laat hem zien, dat zijn schuld tegenover Mij weliswaar groot is, maar van zijn kant niet als onuitwisbaar moet worden gezien! Bewijs hem, dat de mens zonder de wereld niet op aarde kan leven, maar dat hij met zijn medemensen moet leven; alleen moet hij het goede bewerken zoveel in zijn vermogen ligt, hoewel hij hierin door slechte invloeden kan worden gehinderd. Leer hem, dat Hij Mij niet moet aanzien voor een allerhoogste, strenge Rechter, maar als een liefhebbende Vader, die bij een misslag goed weet, hoeveel eigen schuld en hoeveel schuld van de wereld in rekening moet worden gebracht!

Op deze wijze maakt u zelfs de last van de verontrusten lichter en verzoent hen meer met de wereld, waaraan zij zich misschien wilden onttrekken vanuit een te grote ijver. Doordat u hen, zo troostend, goede

raad verleent, komt uw handelen overeen met de woorden: "Maakt u vrienden met behulp van de Mammon!" Zo wint u de harten van anderen die zich op andere wegen, misschien wanhopig, of geheel in de armen van de wereld zouden hebben geworpen of aan God, aan de eeuwigheid en zelfs aan het bestaan van hun eigen ziel zouden zijn gaan twijfelen.

Het volgende tiende vers, dat zegt, dat diegene die in het minste trouw is, het ook in veel zal zijn, betekent: Wanneer een gelovige eenmaal heeft begrepen dat hij met zijn zwakke krachten de wereld kan weerstaan, wanneer hij zich door haar niet laat verleiden, maar aan alles slechts die waarde toekent, die het eigenlijk heeft, dan zal hij zich niet laten verblinden door de glans van het materiële, en zouden de omstan­digheden hem eens op een hogere wereldlijke rang plaatsen, ook dan zal hij zijn trouw met betrekking tot zijn grondprincipes bewaren, zoals hij het vroeger eveneens heeft gedaan met geringe krachten en in een beperkt werkgebied.

Dat bevestigt ook het twaalfde vers; want het "goed van een ander" betekent uw materiële en het "onze" uw geestelijke bestemming. Zich geheel aan het een of het ander overgeven, is natuurlijk alleen dan mogelijk, wanneer men het ene helemaal terzijde stelt en slechts het andere aanhangt (hetgeen wil zeggen, dat men geen twee heren kan dienen), terwijl het toch geoorloofd is dat men het ene benut om in het andere zijn doel volledig te bereiken. Alleen zo is het mogelijk, dat de mensen tot Mij naderen en hun geestelijke vervolmaking kunnen nastreven, namelijk wanneer zij, weliswaar levend in de wereld en deze en al haar rijkdommen en schatten benuttend, toch geen ander doel voor ogen hebben dan door verstandig gebruik te maken van het hun toevertrouwde, de naasten en door hen Mij zelf het meest te bewijzen, hoe zij Mijn twee liefdegeboden hebben begrepen.

De hierop volgende gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus moest Mijn toehoorders nog meer laten zien, wat de gevolgen zijn wanneer men zich volledig aan de Mammon overgeeft, in plaats van hem voor geestelijke doeleinden te benutten. Ze moest hen laten zien, dat op deze wijze de één zijn loon reeds op aarde ontvangt, terwijl voor de ander de vergelding wordt opgespaard voor een ander, en wel langer leven, en dat het ene leven van korte duur is en het ander eeuwig zal zijn. De weg naar de zaligheid zal voor de wereldgezinde net zo onmogelijk zijn - behalve wanneer het vanuit zijn binnenste komt - als voor de goedwillige de terugkeer naar de wereld.

Dat de rijke in zijn kwelling gebeden had om op zijn minst toch zijn broeders te redden, waarop Abraham hem antwoordde, dat diegene, die niet gelooft in zijn religie en haar grondstellingen, ook niet door de doden bekeerd zou worden, ook al zouden deze op aarde terugkeren, wil zeggen, dat diegenen, die zich volledig overgegeven hebben aan de wereld of de Mammon, er weinig acht op zouden slaan, zelfs wanneer bovenaardse invloeden zich zouden doen gevoelen, omdat zij, zelf te laag van zin, het bovenaardse allang beschouwen als iets dat niet bestaat en het door daden en woorden verloochend hebben.

Uit het gehele evangelie over de onrechtvaardige rentmeester komt dus naar voren, dat u mensen - en in het bijzonder ook u, die Ik meer dan anderen wil binnenvoeren in Mijn scheppingsgeheimen en in Mijn leer -, indien u voor uzelf vrienden en voor Mij kinderen wilt verwerven, u de weg voor de ander vooreerst niet zwaarder mag maken door te overdreven eisen en dat u zelfs voor uzelf, wanneer u faalt, het aan Mijn genade moet overlaten in hoeverre Ik u uw fout wel of niet aanreken.

Het teveel strekt in geen enkel opzicht tot nut, maar is overal alleen schadelijk. U moet de weg naar Mij toe voor uzelf en voor anderen niet verzwaren, u moet niet Mijn geesten willen zijn, terwijl u nog zwakke mensen bent! Dit streven kan uw menselijke natuur niet verdragen. U kunt Mij toch volledig liefhebben, vol liefde zijn tegenover uw naasten en midden in de bedrijvigheid van de wereld uw zedelijke reinheid bewaren; u kunt Mij volledig dienen, zonder de wereld de rug te moeten toekeren.

Ziet u dan niet, hoe Ik zelf de wereldlijke gebeurtenissen benut om de mensheid geestelijk op te voeden? Ikzelf veracht niet en kan niet haten, wat Ik zelf geschapen heb; alleen is dit het verschil, dat heel het gedrag van de mensen, hoe slecht het van de een of andere kant ook mag zijn, Mij toch moet dienen tot geestelijke vervolmaking van Mijn kinderen en van de gehele mensheid.

Zoals Ik als hoogste Rechter en Bestuurder te werk ga, zo moet ook u doen! U moet de omstandigheden, gebeurtenissen en samenhangen die u op uw levensweg ontmoet, eveneens zo benutten, dat u het meest door daden aan uw medemensen Mijn doel helpt bevorderen. Dan is het niet nodig gestorvenen op te roepen - zoals de rijke in de gelijkenis meende te moeten vragen - wanneer u als levenden de beste zichtbare getuigen bent, dat de menselijke ziel temidden van het aards gewoel, indachtig aan haar hoge opdracht, geen twee heren, maar slechts één Heer en wel de Heer van het hele universum, namelijk Mij alleen kan dienen, zonder de omstandigheden onbenut te laten, die er wijselijk alleen zijn om de belangrijke opgave van de mensenkinderen te bespoe­digen en glorierijk tot een einde te brengen.

Zo ziet u in een gelijkenis, waarin de ongerechtigheid als voorbeeld dient, hoeveel voordeel er zelfs uit omstandigheden kan worden ge­haald, die naar het schijnt slecht zijn, maar waarvan het eindresultaat het heerlijkste is, waarnaar Ik als God, als Jezus gestreefd heb en wat u, als Mijn kinderen mee moet helpen voltooien! Amen.

 

35

 

De 8e zondag na Trinitatis

 

Het verdriet van de Heer over Jeruzalem

 

Luc. 19,41-46: En toen Hij nog dichterbij gekomen was en de stad zag, weende Hij over haar, en zeide: Och, of gij ook op deze dag verstond wat tot uw vrede dient; maar thans is het verborgen voor uw ogen. Want er zullen dagen over u komen, waarin uw vijanden een bolwerk tegen u zullen opwerpen en u omsingelen en u van alle zijden in het nauw brengen, en zij zullen u en uw kinderen in u vertreden en zij zullen in u geen steen op de andere laten, omdat gij de tijd niet hebt opgemerkt, dat God naar u omzag. En Hij ging de tempel binnen en begon de kooplieden uit te drijven, en Hij zeide tot hen: Er staat geschreven: En Mijn huis zal een bedehuis zijn, maar gij hebt het tot een rovershol gemaakt.

 

(12 april 1872)

 

Reeds in de mededelingen over "De geestelijke zon" vindt u uitge­legd, wat het wil zeggen: "En Jezus weende!"

Daar is u getoond, dat deze woorden in geestelijk opzicht het grootste verdriet van God uitdrukken, die aan Zijn kinderen Zijn hele hemelrijk op hun aarde bracht, ja aan dezen hun Schepper en Heer van alle werelden in zichtbare gestalte toonde, en hoe de verblinde mensen Hem, die de uitdrukking van de hoogste liefde, deemoed en genade is, ondanks alles niet erkenden. Zij behandelden Hem op de meest verachtelijke en pijnlijke manier die een mens kan overkomen, zoals zij ook Zijn leer, de leer van liefde, verzoening en vergeten, met voeten traden. Juist deze grote verblindheid van de meesten van Zijn tijdge­noten was het, die de grote Schepper, zichtbaar belichaamd als Jezus, tot tranen toe bewoog. Hij weende over het verval van de hoofdstad van het joodse volk en voorzag diens volledige einde als zelfstandige natie, waarbij tot in de verre toekomst ook aan het tegengestelde geestelijke denken werd vastgehouden, dat deze eens door Mij tot het hoogste uitverkoren natie tot op de huidige dag nog aanhoudt.

Het jubelen van Mijn discipelen, die in Mijn intocht in Jeruzalem het hoogtepunt van Mijn zending meenden te herkennen, stond de Farizeeën en schriftgeleerden niet aan en op de eis om Mijn discipelen terecht te wijzen antwoordde Ik: "Laat hen jubelen; indien deze zwegen, zouden de stenen roepen!"

Ik wilde deze misleide mensen daarmee zeggen, dat wanneer het jubelen van Mijn discipelen zich zal omzetten in verdriet, korte tijd daarna de stenen van de vetwoeste muren van hun stad en hun tempel hun zullen tonen, dat zij Mij niet erkend hebben, toen Ik met de vredespalm hun muren binnentrok. Zij erkenden noch de goddelijke Leraar, noch Zijn hemelse leer en verlangden slechts naar wereldlijke glans en pronk en naar een wereldlijke Messias, die hen nog meer moest sterken en bevestigen in hun luxe leven en hun bedenkelijk genot.

Er waren na Mijn dood nog geen vijftig jaren verstreken en Mijn waarschuwing ging reeds in vervulling. Het uitverkoren volk had opgehouden als zelfstandige natie te bestaan. Zoals Ik eens uit de tempel de verkopers en kopers verdreef, die van het bedehuis een marktkraam hadden gemaakt, zo werden later de Joden uit Jeruzalem verdreven, omdat zij, wat vroeger in de tempel gebeurd was, ook in de stad voortgezet hadden. Zij hadden namelijk het geestelijk, hoger leven van de mens totaal vergeten en hadden, puur werelds gezind, slechts genoegens, macht en rijkdom nagejaagd. Zo vervulden zij zelf Mijn voorspelling, die Ik tot in het diepst bedroefd uitsprak over de muren van Jeruzalem en hun tempel.

Zoals Ik in die tijd de afgedwaalde mensen Mijn klaagwoorden heb toegeroepen, zo zou Ik ze ook nu het levende en komende geslacht weer toe willen roepen; want Ik ben nu eveneens bedroefd over het lot van zovele zielen, die Ik zelfs als God niet kan redden, omdat Ik hun de vrijheid van handelen niet mag ontnemen.

Zo zie Ik ook nu, hoe het schip van de mensheid met volle zeilen op rotsen en klippen aanstuurt, Ik voorzie het te pletter slaan van al hun hoop en gedroomde gelukzaligheden, Ik zie, hoe vele duizenden en nog eens duizenden pas laat, ja te laat zullen inzien, wat zij hadden moeten doen, maar toch niet gedaan hebben. Ook tegen hen zou Ik willen zeggen, zoals eens tegen Jeruzalem en zijn inwoners: "Mocht gij toch verstaan wat tot uw vrede dient; want er zal een tijd komen, waarin u allen bitter zult voelen, wat u niet beseft hebt in die tijd, toen u door Mijn zegen en Mijn genade werd bezocht!"

Het weeklagen over het onvermijdelijk lot van Jeruzalem zou Ik ook vandaag kunnen herhalen; want de dwaze mensheid kent heden ten dage ook niet haar taak, het doel van haar geschapen zijn en het doel van het huidige en toekomstige leven. Dus moet dan volgens een geheel natuurlijk geestelijke weg de reactie ontstaan, die overeenkomstig Mijn goddelijke wetten de geesten, zielen en wezens weer binnen die grenzen terugwijst, waarbinnen zij alleen de graad van vervolmaking kunnen bereiken, die Ik hen als hoogste doel heb gesteld.

Het is vaak triest voor een aardse vader, wanneer hij ziet hoe zijn kinderen ondanks alle opoffering, liefde en zorgzaamheid, die hij had aangewend voor hun geestelijke en morele opvoeding, toch mislukken en de verkeerde weg inslaan in plaats van eens de troost en de vreugde van zijn oude dag te worden en hoe zij hem met verdriet, zorgen en vaak met schande vergelden, wat hij uit liefde voor hen heeft gedaan. Maar wat kan hij, de teleurgestelde, nog doen? Hij kan de individuali­teit van zijn kinderen niet beheersen; zij zijn geestelijk vrij en kunnen denken en doen wat ze willen. Zo ziet een ouderpaar vaak al zijn zo mooi opgebouwde verwachtingen een voor een verdwijnen, als lucht­kastelen in elkaar zakken, zonder daar ook maar iets aan te kunnen doen.

Wat hier de wereldlijke ouders overkomt, dat overkomt ook Mij op een nog intensiever wijze. Ik, de Schepper van het hele universum, moet toezien hoe Mijn schepselen, die door Mij voor de hoogste geestelijke waarde geschapen zijn, juist de verkeerde weg gaan, in plaats van ­indachtig hun hoge afkomst - het geestelijke tegemoet te snellen; Ik moet toezien, hoe het geestelijke met voeten wordt getreden, hoe er honend om wordt gelachen en het als een hersenschim van dwaze, fanatieke schijnvromen wordt voorgesteld, terwijl men het grove ma­teriële genot van het wereldse leven als het hoogste aanprijst; Ik moet toezien, hoe juist het uiterlijk kleed als hoofdzaak beschouwd wordt en de geestelijke inhoud, die onder deze bekleding schuilgaat, als niets wordt beschouwd.

Ook hier geldt, wat Ik eens tegen de Farizeeën zei: Ook al zwijgen Mijn volgelingen en Mijn aanhangers, dan zullen toch de stenen ­namelijk het hele materiële rijk van de natuur - spreken en de mensen overal toeroepen: "Mens, wordt wakker uit de wereldse roes! U tracht tevergeefs uw bestemming en uw Schepper te verloochenen! Ook al wilt u geen geloof hechten aan Zijn nagelaten leer uit de tijd van Zijn zichtbare levenswandel op aarde, ook al wilt u de stem in uw eigen hart tot zwijgen brengen, die u als een soort "geweten" toch steeds weer toeroept en u vermaant wanneer u dit alles wilt verloochenen, ­aanschouw de natuur!"

De meest ijverige denkers, natuurvorsers en onderzoekers van de materie, allen komen tenslotte tot de bevinding, en moeten ondanks al hun tegenstribbelen zover komen, dat hoog boven de materie een grote geest leeft, die zowel de kleinste atomen als ook de grote werelden tot één geheel verenigt en die, zoals uit al Zijn werken te zien is, alleen een God van liefde, van genade en lankmoedigheid kan zijn en die - zoals eens in de gelijkenis van de verloren zoon werd gezegd - meer vreugde heeft over één teruggevondene dan over negenennegentig rechtvaardigen, die geen troost nodig hebben.

"Er is één God!" Vanuit alles schalt deze roep. Zelfs de aaneenscha­keling van politieke en sociale omstandigheden laten de opmerkzame waarnemer duidelijk genoeg zien, dat niet altijd gebeurt wat de mens wil bereiken, maar dat zowel bij de afzonderlijke mens, als ook bij hele volkeren de resultaten van dat wat men nastreefde vaak heel anders zijn dan wat men hoopte. Overal laat deze macht van de Godheid zich zien - liefdevol aan de liefhebbenden, toornend aan de vertoornden en verzoenend aan de verzoenenden.

En zoals Ik eens tranen van goddelijk verdriet over de blindheid van de bewoners van Jeruzalem vergoot, omdat Ik voorzag, hoe deze verdwaalde kinderen zich allereerst aan Mij - lichamelijk -, daarna aan Mijn leer - geestelijk - zouden vergrijpen en hoe zij uiteindelijk zelf de dood zouden moeten smaken en voor altijd als natie ophouden te bestaan, omdat zij het zelf niet anders hadden gewild, zo vervult ook nu zich Mijn hart met droefheid over de blindheid van het mensenge­slacht.

Overal laat Ik vonken van Mijn hemellicht uitstrooien, overal weer­klinkt Mijn Vaderroep: "Keer toch om, gij misleiden! Hoor Mijn roep, hoor de stem van uw hemelse Vader, die u waarschuwt, voordat de grote catastrofe aanbreekt - zoals eens over Jeruzalem en haar inwoners! Hoor de stem, die u de ogen wil openen en u wil laten zien hoe lichtzinnig u allen als dronkaards rond waggelt aan de afgrond van de eeuwigheid en ieder ogenblik gevaar loopt om voor een lange tijd door deze te worden verslonden. Onrijp en ontijdig zult u dan in die tijdloze ruimten slechts door veel inspanningen en met de grootste moeite dat kunnen bereiken, wat hier in dit aardse proefleven met zoveel minder moeite te verwerven is!"

Zoals destijds de verwoesting van Jeruzalem slechts kort na Mijn heengaan plaats vond, zo zal het ook nu niet lang meer duren, voordat uw sociale verhoudingen, waarvan u gelooft dat zij voor altijd zullen bestaan, ineen zullen storten.

Destijds ging het om de verwoesting van één stad en één volk, nu gaat het om veel steden en veel naties, het gaat om de hele aarde en de daarop levende mensheid.

Destijds hield na de verwoesting van Jeruzalem, de joodse cultus over 't geheel genomen op en begon Mijn leer onder de heidenen in plaats van onder Mijn volk, de Joden, de eerste vruchten te dragen. Evenzo zullen de zogenaamde vertegenwoordigers van Mijn leer nu ophouden hun zondige spel met Mijn woorden en met Mijn leer te bedrijven. Daar vielen de muren van de tempel, die als het ware het volk van het heiligdom scheidden; nu vallen de geestelijke muren. Wat tot nu toe het eigendom van een kaste was, zal thans gemeengoed worden. Van de tempel bleef geen steen op de andere staan, slechts verwoesting en gruwel kenmerkten de plaats, waarin de grote God verkeerd en onbe­grepen werd vereerd. De verwoeste ringmuren van de stad waren de enige restanten, die aanduidden, dat daar de hoofdstad van een volk stond.

Evenzo zal het nu in het geestelijke toegaan. Men zal slechts met moeite kunnen herkennen, waar eens onder een dekmantel van louter leugens de zuivere waarheid verborgen en begraven lag. De duisternis zal wijken en niet de matte lamp van een tempelgewelf, maar de almachtige zon van het geestelijke licht zal alles verlichten en alles verwarmen. Op de ruïnes van waan en bedrog zal men de eeuwig groenende boom van de hoop planten, die - steeds naar boven, naar het hemelrijk dat nimmer vergaat omhoog groeiend - een symbool van de weg voor de overgebleven mensheid zal zijn.

Daarom Mijn kinderen, omdat Mijn genadelicht tevergeefs schijnt over de grote massa verdwaalden, hetgeen Ik met bedroefde ogen en een bekommerd hart moet waarnemen, neemt u daarom het genade­licht aan en bedenk, dat Ik u daarom onder zovele duizenden heb uitgekozen, om eens na het verwoeste waangebouw van bedrog de eerste vaste bouwstenen te zijn van de nieuwe tempel van een nieuw Jeruza­lem!

Eens wandelde Ik zichtbaar onder Mijn kinderen en zij herkenden Mij niet; nu echter, waar u Mij herkent of op zijn minst de gelegenheid daartoe hebt - zij het door Mijn woorden, of door Mijn werken -, om Mij als liefhebbende Vader te aanvaarden, probeert u nu dan tenminste u van het algemene verval te redden, opdat u, wanneer de muren van het vanouds gewende instorten, rechtop blijft staan! Bewijs door uw volharding en uw vertrouwen, dat, ook al moet Ik nu weer tranen van verdriet storten over veel verlorenen, er toch nog enkelen zijn, die de liefdeblik van de Vader weten te begrijpen en te verstaan en die, ondanks het vele treurige, een aanknopingspunt kunnen worden voor een toekomstige onuitputtelijke vreugde!

Wanneer anderen tranen van medelijden verdienen, streeft u er dan naar, dat in Mijn geestelijke wereld tranen van vreugde en zaligheid over u, uw gedrag en uw volharding worden vergoten, die het grootste bewijs zullen zijn van uw overwinning! Amen.

 

36

 

De 9e zondag na Trinitatis

 

De gelijkenis van de Farizeeër en de tollenaar

 

Luc. 18,9-14: Hij sprak ook met het oog op sommigen, die van zichzelf vertrouwden, dat zij rechtvaardig waren en al de anderen verachtten, deze gelijkenis: Twee mensen gingen op naar de tempel om te bidden; de één was een Farizeeër, de ander een tollenaar. De Farizeeër stond en bad dit bij zichzelf: O God, ik dank U, dat ik niet zó ben als de andere mensen, rovers, onrechtvaardigen, echtbrekers, of ook als deze tollenaar; ik vast tweemaal per week, ik geef tienden van al mijn inkomsten. De tollenaar stond van verre en wilde zelfs zijn ogen niet opheffen naar de hemel, maar hij sloeg zich op de borst en zeide: O God, wees mij, zondaar, genadig! Ik zeg u: Deze keerde, in tegenstel­ling met de ander, gerechtvaardigd naar huis terug. Want een ieder die zichzelf verhoogt, zal vernederd worden, doch wie zichzelf vernedert, zal verhoogd worden.

 

In verschillende evangeliën die Ik tot nu toe verklaard heb kwamen gelijkenissen voor, waarin door voorvallen uit het dagelijkse leven Mijn leer of eigenlijk alleen Mijn twee liefdegeboden toegelicht werden, en waarvan nog verschillende zullen volgen.

Deze verklaringen hebben allereerst ten doel om andere uitleggingen te voorkomen, zoals ook Mozes Mijn geboden in tien andere nader omschreef, omdat de mensen maar al te vaak door zich slechts aan de letter te houden in de waan verkeren en verkeerden, dat hetgeen niet speciaal in de geboden vermeld staat ook niet verboden zou zijn.

Omdat Ik gedurende Mijn leven als leraar de beperktheid van het begripsvermogen van Mijn discipelen en de overige toehoorders wel kende, koos Ik vaker voorbeelden, gelijkenissen en vergelijkingen van stoffelijk bestaande dingen met een geestelijke achtergrond, om nie­mand in twijfel te laten, hoe hij Mijn leer moest opvatten en hoe hij de hem reeds eerder gegeven kerkelijke geboden moest verstaan.

Hier in dit evangelie ziet u weer, hoe Ik in het bijzonder de Farizeeën, die steeds in de eigendunk leefden als waren zij beter dan het gewone volk, een gelijkenis gaf, die op hun fouten betrekking had; want zij geloofden, dat, wanneer zij de religieuze gebruiken maar onderhielden, zij alles gedaan hadden en de God van hun religie kon daarmee tevreden zijn.

Ik vertelde hun over twee mensen van wie de ene, die de wetten van zijn godsdienst door de verschillende gebruiken ogenschijnlijk onder­hield, met veel hoogmoed en verachting op een ander neerkeek, die hij ver onder zich waande, omdat zijn beroep behoorde tot het soort, dat destijds niet als het meest rechtschapen stond aangeschreven.

Wel, deze vergelijking van die ene, die in zijn overmoedige trots geloofde nooit of slechts zelden gezondigd te hebben, met de ander, die zich geheel deemoedig bewust is van zijn misstappen, die door de menselijke natuur vaak zo gemakkelijk gesteund worden, - deze verge­lijking was geschikt om de grenzeloze trots van de Farizeeën te breken. Zij gaf Mijn discipelen en toehoorders ook een verklaring over veel van Mijn daden, die tegen de normale gebruiken van de Joden ingingen, opdat zij allen zouden inzien wat voor verschil het maakt om een wet naar het woord of de letter te onderhouden of om deze in geestelijke zin te verstaan en te volgen.

Als verklaring van dit voorbeeld zei Ik tegen Mijn discipelen: "Wie zichzelf verhoogt zal vernederd worden, doch wie zichzelf vernedert zal verhoogd worden!"

In de volgende verzen van dit hoofdstuk is tpt uitdrukking gebracht, dat niemand "goed" genoemd kan worden dan God alleen, waarbij Ik Mijzelf als Mensenzoon niet uitzonderde. Ik deed dit opzettelijk, opdat zij allen zouden horen en begrijpen, dat het woord "goed" als eigen­schap niet zo eenvoudig te verwerven en te verdienen is en dat er veel, ja zeer veel bij komt kijken om op een dergelijke benaming aanspraak te kunnen maken; want het woord "goed" heeft hier ook de betekenis van het begrijp "zondenvrij".

In het verdere verloop van dit hoofdstuk zei Ik bij de gelegenheid waarbij men de kinderen tot Mij bracht, dat de mensen, indien zij aanspraak willen maken op Mijn rijk, moesten zijn als kinderen wat betreft de eenvoud van hun hart, hun onschuld en het grenzeloze vertrouwen in hun ouders. Want alleen diegene, die deze eigenschap­pen van het kind bezit, zal door bidden en smeken de toegang tot Mijn rijk kunnen afdwingen, - om welke reden het eerste vers van dit hoofdstuk zegt, dat men altijd moet bidden zonder ophouden, hetgeen betekent dat men alles moet volbrengen met de blik gericht op Mij en op Mijn twee enige geboden. Om dat echter te kunnen, moet men ook in staat zijn om zijn lievelingsgewoonten, desnoods dat wat het moei­lijkste te missen is op te offeren, hetgeen Ik door het voorval met de overste nader verklaarde; want van deze man verlangde Ik juist de opoffering van datgene wat hem het meest na aan het hart lag.

De gelijkenis, dat een kameel (scheepstouw) gemakkelijker door het oog van een naald gaat, dan een rijke in de hemel komt, wil zeggen dat het eerste gemakkelijker te bewerken zou zijn - ofschoon het tot de onmogelijkheden behoort -, dan dat een mens, die nog aan wereldlijke dingen hangt in Mijn rijk der geesten zou kunnen komen; want alleen wanneer al het wereldlijke aan het geestelijke doel onderworpen wordt, is de ommezwaai van het wereldlijke niveau naar het geestelijke moge­lijk.

Dat, wat Petrus bij dit voorval met de overste ten slotte er toe bracht te zeggen, zij zouden Mijn discipelen zijn juist omdat zij alles achter­gelaten hadden en Mij gevolgd waren, laat duidelijk zien hoe makkelijk de mensen hun gebrachte offers overschatten en de beloning ervoor reeds op deze aarde verwachten, terwijl deze hen misschien pas in het hiernamaals, in het bewustzijn van vervulde plicht, ten deel valt. Mijn discipelen hadden daar dus een andere opvatting over, omdat zij allen nog sterk onder de invloed van Mijn zichtbare persoonlijkheid stonden en daardoor niet tot eigen rijping konden komen. Ja, toen Ik hen Mijn lijdensgeschiedenis voorspelde, begrepen zij het niet; want zij geloofden dat, wanneer aan hén reeds vanwege hun materiële opofferingen hier en daar zaligheden beloofd werden, hoeveel temeer moest Ik, die zonder zonde en rein voor hun ogen rondwandelde, deze deelachtig worden.

Zij waren blind zoals de blinde aan de weg naar Jericho, zij hoorden Mij wel, maar zij begrepen de betekenis van Mijn woorden niet. En zoals Ik deze blinde ziende maakte, omdat hij vast geloofde aan de mogelijkheid door Mijn hand genezen te worden, zo werd ook hun geestelijke blindheid met de uitstorting van de Heilige Geest genezen, en zij begrepen en zagen toen pas in het volste licht, wat Ik hen in vele gelijkenissen en beelden gedurende Mijn driejarige tijd als leraar gezegd had. Toen pas begrepen zij wie Ik was, wat Mijn leer te betekenen heeft, en wat hun eigen opdracht was.

Kijk, dit evangelie zegt u vanaf het begin tot aan het eind met weinig woorden steeds hetzelfde! Het vertelt u hoe moeilijk het "goed" of het "zonder zonde zijn" in het dagelijkse leven is en hoeveel duizend verschillende afwijkingen de offervaardigheid heeft. De letter van het evangelie drukt daarom niet alleen het vermeende ene uit, maar de zin van het evangelie is er volledig op gericht de menselijke verwaandheid te matigen, dat men beter zou zijn dan de ander. Vandaar de verwijzing naar de deemoed, zoals zij in de tollenaar als deugd, dan bij de overste als hoogst wenselijk, in het kind als onbewuste onschuld verzinnebeeld, aan Mijn discipelen als toekomstige beloning beloofd werd en door Mij als aards mens tijdens Mijn laatste lijdensweg als hoogste voorbeeld werd voorgeleefd.

Zo ziet u de trappen van deemoed voor u, het vernederen van de eigen natuur om het geestelijk hoogste standpunt te bereiken, dat Ik als mens u toonde als eeuwig voorbeeld.

Geef acht op dit evangelie, waarin u de diepste beleringen voor ogen staan in Mijn woorden en in Mijn eigen levensweg! Geloof niet dat u reeds beter zou zijn, omdat Mijn woord u eerder ten deel valt dan vele anderen en als het ware uit Mijn eigen mond verneemt hoe men het moet opvatten en in praktijk brengen!

Ook onder u zijn nog velen zoals de overste. Wanneer voor u het uur zal naderen waarin ook u het kostbaarste van deze wereld, wat u tot nu toe met zoveel angst bewaard hebt, moet afstaan, wees dan verzekerd dat velen van u treurig zullen zijn en zich uit de voeten zullen maken, evenals de overste. Dan wordt de toetssteen aan uw menselijke natuur gezet, hoeveel van het geestelijke u uit Mijn u in overvloed geschonken hemelsbrood met uw eigen ik hebt vermengd en u hebt eigen gemaakt. Daarom gaat ook naar u uit de roep van het eerste vers uit het evangelie: Bid zonder ophouden, opdat u steeds voldoende kracht overhoudt om onder alle omstandigheden en gebeurtenissen niet te wankelen, maar standvastig bij Mij te staan; want alleen de volharders zullen in het hiernamaals hun wereldlijke verliezen vergoed krijgen, de aarzelenden en twijfelenden echter niet!

Bid zonder ophouden, dat de hoogmoed en trots u in ieder opzicht mogen verlaten en trek het kleed van de deemoed aan! Word als de kinderen! Geloof vol vertrouwen in Mijn beloften; want dat, wat Ik u nu zeg, is immers niets nieuws! Reeds meer dan duizend jaar geleden werd het door Mij aan Mijn discipelen en gelovige toehoorders gegeven. Reeds lang ligt het, zoals u zegt zwart op wit voor uw ogen; maar blind als de bedelaar van Jericho ziet u het licht niet, dat uit deze woorden straalt. In uw hart daartoe gedrongen roept ook u vaak tot Mij: "0 Heer, maak mij ziende!" En degenen onder u, die zich net zo vertrou­wensvol als de blinde van Jericho aan Mijn handen toevertrouwen, vergaat het zoals in dit evangelie staat: "Wie zonder ophouden vraagt en bidt, die zal Ik verhoren!", want ook bij hen zal, evenals bij de blinde, hun geloof helpen.

In deze zondagprediking ontvangt u nu zoveel licht uit Mijn heme­len, dat het onmogelijk lijkt, dat u over de eigenlijke zin van Mijn woord, zoals het eens werd gesproken, nog enige twijfel kunt koesteren en verder hoe het in praktijk gebracht moet worden, en dat nu zelfs in de sociale en politieke ontwikkeling van uw hele werelddeel, het eindresultaat, de uiteindelijke vergeestelijking van de menselijke ziel, dichterbij.komt.

Ik voorzei Mijn discipelen Mijn lijden en Mijn dood, maar zei hen echter niet, dat juist dit lijden en deze dood de grootste triomf, de grootste overwinning van het geestelijke over de menselijke natuur zou zijn en blijven. Ik verzweeg het, omdat zij Mij niet begrepen zouden hebben; maar nu verkondig Ik het vrijuit, dat alles er op aanstuurt om tot rijping te brengen, wat Ik in die drie jaar van onderrichten heb uitgezaaid. Mijn leer zal ondanks alle bloedige en afschuwelijke gebeur­tenissen, die zij gedurende vele eeuwen als dekmantel moest dienen, tenslotte toch overwinnend tevoorschijn komen, wanneer de mensheid door lijden en droefenis gedwongen zal zijn om zich van alle vuiligheid te ontdoen, die haar nog aankleeft.

Wat toen met Mij gebeurde - het lijden en strijden en zelfs de dood, die echter door de opstanding en de hemelvaart tot overwinning werd gekroond - dat gebeurt nu met de mensheid. Wat Ik destijds als mens leed, zal nu de mensheid moeten lijden.

Het wereldlijke moet bespot, veracht, gekruisigd worden, wil het geestelijke in de mens opstaan, wil enige benadering van Mijn geestes­rijk mogelijk worden!

Ik ging in die tijd door Mijn voorbeeld voorop en nu moeten de mensen navolgen. Welzalig diegene, die reeds vroeg de hand uitsteekt en afwerpt, wat als wereldlijke ballast zijn opgang naar hogere geeste­lijke sferen hindert! Hij wint vooraf veel, en diegenen die te diep in de materie vastzitten en Mijn roep om wakker te worden niet willen vernemen, zal het vergaan als de muren van Jericho, die bij de bazuin­stoten ineenstortten. Zij zullen eveneens niet aan hun vernietiging ontkomen, omdat zij, als enkel materie, niet in het geestelijke rijk kunnen worden opgenomen.

Niet voor niets zijn deze drieënvijftig predikingen aan de mensheid bekend gemaakt. Zij zijn gegeven voor u en voor al degenen, die eens dorstig naar het levenswater zullen snakken. Allen zullen zien welke volheid van liefde, waarheid en levenswarmte in de door Mijn discipe­len opgetekende evangeliën verborgen ligt, waarvoor echter tot nu toe het geestelijke begrip bij het merendeel nog ontbrak.

Ik zend u deze verklaringen om de evangeliën, die afgesloten zijn met meer dan zeven zegels, voor u te openen en door deze boeken de weg naar Mij en Mijn hemelen te bereiden. Willen zij nuttig zijn, dan moeten zij niet alleen gelezen, maar gedurende het leven in praktijk gebracht worden, opdat diegenen in volle mate rust, vrede en troost vinden, die zich tot doel gesteld hebben om Mijn kinderen te worden. Amen.

 

37

 

De 10 e zondag na Trinitatis

 

De genezing van een doofstomme

 

Marc. 7, 32-37: En zij brachten tot Hem een dove, die moeilijk sprak, en smeekten Hem deze de hand op te leggen. Hij nam hem terzijde, buiten de schare, en stak zijn vingers in zijn oren, spuwde, raakte zijn tong aan, en Hij zag op naar de hemel en zuchtte en zeide tot hem: Effata, dat is: word geopend! En zijn oren werden geopend en terstond werd de band zijner tong los en hij sprak goed. En Hij gebood het hun niemand te zeggen. Maar hoe meer Hij het hun gebood, des te meer maakten zij het ruchtbaar. En zij waren buiten zichzelf van verbazing en zeiden: Hij heeft alles wèl gemaakt, ook de doven doet Hij horen en de stommen spreken.

 

(17 april 1872)

 

De snelle genezing van een doofstomme, waarvan deze verzen spre­ken, was één van die daden, waarmee Ik van tijd tot tijd Mijn leer moest bekrachtigen, opdat Mijn discipelen, evenals het volk dat Mij volgde, ook door daden werden overtuigd, dat Mijn woorden van goddelijke afkomst zijn. Ook moesten deze daden bevestigen en bewijzen, dat Mijn aanwezigheid op uw aarde een hogere missie was dan die van een profeet of een ziener. Want het volk, door de schijnbare wonderwerken van de Essenen en magiërs er aan gewend geraakt om wonderbare dingen voor hun ogen te zien verrichten, die het niet kon begrijpen, schreef maar al te gemakkelijk de een of ander een naam of kracht toe, die hem niet eigen was, om welke reden Ik hoofdzakelijk alleen genezingen of dergelijke wonderen ten uitvoer bracht, die zulke goo­chelaars en magiërs onmogelijk konden verrichten.

Wat de daad van genezing, zoals Ik deze verrichtte, op zichzelf betreft, heeft hij een diepere, geestelijker zin dan alleen die, dat Ik een doofstomme genas opdat hij daarna over Mij en Mijn wonderkracht zou spreken. Ik had dergelijke aanbevelingen niet nodig, immers – zoals één van de verzen duidelijk zegt - verbood Ik zowel de genezene als de getuigen om deze daad verder te vertellen. Dit werd echter slechts zelden opgevolgd; want juist door het verbod ontwaakt de drang om te zondigen nog sterker. Ook Mijn apostel Paulus ondervond dit toen hij zuchtend zei: "Zou de wet er niet zijn, dan was er ook geen lust om er tegen te zondigen!" Hij bekende in deze woorden de zwakte van de menselijke natuur en waarschuwde tegelijkertijd voor de te grote zekerheid een zekere kracht te hebben verworven, opdat men niet onverhoopt des te dieper zou vallen.

Wat het begrip betreft voor de geestelijke betekenis van deze gene­zing van een doofstomme voor u allen, dan moet u de woorden" doof' en "stom" goed voor ogen houden en daarna uit de gegeven verklaring de geestelijke conclusies trekken.

De handeling werd als grondslag voor een zondagprediking geno­men, om u dichter naar Mij toe te trekken. Want u moet weten dat bij elk woord dat Ik sprak, en nog meer bij elke handeling die Ik tijdens Mijn leven op aarde verrichtte, het hoofddoel verreweg meer op het geestelijke vlak lag dan bij de daad op zich, de gelegenheid of de omstandigheden, waaronder Ik Mijn leer verkondigde aan het volk dat Mij volgde. Elk woord van Mij uit had een verstrekkender betekenis dan de toehoorders toen vermoedden en ook de meeste bijbelverklaar­ders en -vorsers heden ten dage nog gevonden hebben.

Daarom moet Ik ook hier deze beide woorden" doof' en "stom" wat nader verklaren, opdat wij door de geestelijke overeenkomst gemakke­lijker te weten kunnen komen, wat nu heden Mijn doel dient, en wat destijds reeds in Mijn woord "Effata" en in de handelwijze, evenals in de persoon aan wie Ik de handeling voltrok, besloten lag. Want het was geen toeval, dat een doofstomme op deze bijzondere wijze door Mij genezen moest worden, terwijl Ik bij andere gelegenheden blinden, lammen, melaatsen en anderen alleen door Mijn woord of door het opleggen van Mijn handen de gezondheid teruggaf.

Zie, om dit alles geestelijk op te vatten en te begrijpen moeten wij deze beide woorden "doof' en "stom" nader beschouwen, waaruit het verdere zich dan vanzelf laat verklaren.

"Doof' zijn is een toestand, waarbij de innerlijke geestesmens een zintuig armer is en daardoor veel van de genoegens en geestelijke invloeden van de buitenwereld moet missen, die de gezonde mens door het gehoor van alle kanten toestromen. Deze laatste wordt daardoor bewezen, dat zelfs in het vibreren van de materie, dat het geluid voortbrengt, meer groots en geestelijks ligt dan hij vermoedde. Want de indrukken van het geluid vormen, van het zachtste geruis tot aan de hoogste harmonie van de muziek of tot de nog hogere uitdrukking van alle geestelijke begrippen in het woord, een grote stijgende reeks van genietingen, verklaringen en verkondigingen van Mijn goddelijkheid en eeuwigheid in de hele materiële schepping, die allemaal voor de doven vreemd en niet verklaarbaar zijn, evenmin als kleuren voor blinden, vooral wanneer deze gebreken vanaf de geboorte bestaan.

"Stom" is weer het tegenovergestelde van "doof'. Terwijl namelijk bij de dove de innerlijke mens door het niet horen van duizenderlei invloeden van buitenaf wordt beroofd, zo moet omgekeerd de stomme, beroofd van het spraakvermogen het gebrek voelen, de invloeden die de hem omgevende buitenwereld op hem uitoefent niet te kunnen uiten; hij kan anderen datgene wat zich in zijn binnenste afspeelt door de invloeden van buiten, niet meedelen door middel van het grootste en meest omvattende werktuig, de stem en het spraakvermogen. In het gunstigste geval staan hem, naast gebaren en tekenen, ongearticuleerde geluiden ten dienste.

Zoals Ik in een ander woord u reeds zei, dat wederkerige medede­lingen een hoofdbehoefte, ja een noodzakelijk middel zijn tot vooruit­gang op de geestelijke weg, zo spreekt het vanzelf dat diegene die stom is een enorme hoeveelheid genietingen moet ontberen, waarvan hij zich dan pas bewust wordt, wanneer hij dat, wat hij van buiten ontvangen heeft door het mee te delen weer zou willen terugstralen.

Nadat Ik u de betekenis van deze beide woorden en de nadelen van het verliezen van de ene of de andere van deze eigenschappen nader verklaard heb, kunt u zich een goede voorstelling maken van die schepselen en mensen, die niet alleen het ene of het andere zintuig, maar beiden moeten missen.

Het voelen of de opname van de van buitenaf komende harmonieën en het weergeven van de hierdoor op de innerlijke mens voortgebrachte indrukken ontbreken. In dit gebrek ligt een enorme rem voor de vooruitgang in het geestelijke; want wie alleen door andere middelen dan door het gehoor het buiten hem liggende kan opnemen en het opgenomene nauwelijks weer kan meedelen, die mist in Mijn grote schepping veel, wat anderen, zonder het te weten, rijkelijk in de schoot valt.

Niet zonder reden smeekte het volk Mij destijds om deze doofstom­me te genezen. Dit kwam voort uit de gedachte, dat ook hij Mijn woord moest vernemen, en dat hij zo, wanneer zijn innerlijk met een nooit vermoede grote geestelijke rijkdom gevoed zou zijn, zijn en ook Mijn opdracht op aarde zou kunnen begrijpen.

Hoeveel mensen hebben nu hun geestelijke oor nog voor Mijn schepping en Mijn leer gesloten, en voor hoevelen is tot nu toe Mijn hele schepping nog een stom, bijeengeworpen mengsel van stof en materie, wier wetten naar hun mening alleen van het toeval afstammen. Hoe velen roep Ik toe: "Effata!", wat betekent: "Doe uw oren open, hoor de jubelzang van de hele natuur, die van het laatste atoom tot aan de grootste centraalzon slechts liefde predikt! Maak uw oren open en hoor de geestelijke diepte, die u in Mijn leer werd gegeven om u tot iets hogers, tot iets groters op te voeden, dan tot vegeterende kruiden- en vleesetende dieren, die alleen maar met meer intelligentie begiftigd zijn dan de anderen!"

Hoe velen roep Ik dit alle dagen, ieder uur, ja elk ogenblik toe en iedere gemoedsbeweging, elk idee, dat toch niet het produkt kan zijn van stof of materie, laat hen duidelijk zien, dat in de lichamelijke diermens een geestelijk, hoger mens verborgen ligt, die de uiterlijke mens zo moet vergeestelijken, dat hij een waardige omkleding van het innerlijk wordt en een schepsel, dat zijn Schepper tot eer strekt.

En zie, duizenden hebben zichzelf tot doofstomheid verdoemd. Zij begrijpen niet, welk een grote schat aan geestelijke zaligheden in Mijn natuur op hen wil inwerken; zij zijn koud of stom voor deze indrukken. Alle geestelijke harmonieën gaan ongemerkt aan hun oren voorbij en hun innerlijk is leeg of alleen gevuld met indrukken, die uit de laagste sferen van de materie of de zinnelijkheid afkomstig zijn en hen van mens tot dier verlagen.

Hun innerlijk is leeg en omdat zij niets geestelijks kunnen geven, ontvangen zij ook niets van anderen. Voor hen regeert alleen de materie en het geestelijke is een produkt van een verdwaasd brein.

Door de woorden, die Ik u reeds sinds verscheiden jaren doe toekomen, roep Ik Mijn verdwaalde kinderen het "Effata" toe, leg Ik Mijn vingers in hun oren om hen nog te redden zo lang het nog mogelijk is en voordat de hele natuur met bazuinstoten in plaats van met zachte harmonieën in hun oren zal schallen, wat zij via een vreedzame weg niet willen verstaan.

Ik heb de mensen niet geschapen om doof te zijn ten opzichte van al Mijn werken, en Ik heb Mijn schepping niet met zoveel wonderen uitgerust om voor Mijn geestelijke wezens een stom boek te zijn.

Niets is en zal doofstom zijn in Mijn hele natuur! Alles wat leeft moet de stem van zijn Schepper, zijn Vader vernemen. Want Hij wil met de indrukken van Zijn scheppingen de ziel van de geschapen wezens zo vervullen, dat in de mededeling van wat wordt aanschouwd, gevoeld en gehoord de hele zaligheid van het bestaan ligt.

Mijn natuur moet niet stom zijn; want "stom" is zoveel als geestelijk dood. Jubelend zal alles getuigen dat het leeft, dat het zich in het leven verheugt en dat het in alle scheppingen van de uiterlijke wereld zijn Schepper, zijn liefhebbende Vader weer herkent! Zo zal de materiële schepping de basis van het geestelijke zijn en de geestelijke schepping het materiële vergeestelijken!

Niets in de wereld zal doof of stom zijn, en allerminst de mens, die als laatste produkt van de materiële schepping op deze aarde Mijn evenbeeld in zich draagt!

Zoals Ik aan de doofstomme het gehoor teruggaf, opdat hij zou horen, wat en hoe alles in de natuur Mij looft en prijst, zo moest hij ook niet meer stom zijn, opdat hij met deze jubelzang zou kunnen instemmen en Mij als zijn Heer, maar tevens als zijn liefhebbende Vader zou kennen.

Laat u ook genezen zoals Ik de doofstomme genas, opdat u, niet doof voor Mijn woorden, de anderen met de macht van een stem vol overtuiging luid kunt verkondigen, dat die daden en wonderen, die Ik meer dan duizend jaar geleden verrichtte, geestelijk alleen wilden aanduiden, wat Ik met de hele mensheid van plan was toen Ik haar schiep en toen Ik de mensen op deze aarde als rentmeesters aanstelde!

Ik wilde geen doven en geen stommen, maar wezens voor Mijn rijk opvoeden, die open geestesoren en spraakzame tongen zouden hebben om Mij en Mijn schepping te verstaan en luid te verkondigen: "Ho­sanna in den hoge! Heil aan Hem, die ons deze buitengewone genade gaf om Hem te verstaan, en ons daarnaast ook de middelen verschafte, om het verstane weer te geven, opdat het niet alleen voor ons, maar voor allen die Zijn kinderen willen worden gemeengoed zal zijn!"

Zo wens Ik, dat u Mij de dagelijkse lof toezingt, zodat u de hele wereld door woord en daad bewijst, dat u tijdens Mijn lessen noch doof, noch stom bent geweest!

Neem dit ter harte voor uw heil, alsook voor het welzijn van uw naasten! Amen.

 

38

 

De 11 e zondag na Trinitatis

 

De gelijkenis van de barmhartige Samaritaan

 

Luc. 10,25-37: En zie, een wetgeleerde stond op om Hem te verzoeken en zeide: Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven? En Hij zeide tot hem: Wat staat in de wet geschreven? Hoe leest gij? Hij antwoordde en zei de: Gij zult de Here, uw God, liefhebben uit geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw kracht en met geheel uw verstand, en uw naaste als uzelf. En Hij zeide tot hem: Gij hebt juist geantwoord; doe dat en gij zult leven. Maar hij wilde zich rechtvaardigen en zeide tot Jezus: En wie is mijn naaste? Daarop hernam Jezus en zeide: Een zeker mens daalde af van Jeruzalem naar Jericho en viel in handen van rovers, die hem niet alleen uitschudden, maar ook slagen gaven en weggingen, terwijl zij hem halfdood lieten liggen. Bij geval daalde een priester af langs die weg; en deze zag hem, doch ging aan de overzijde voorbij. Evenzo ging ook een Leviet langs die plaats, en hij zag hem en ging aan de overzijde voorbij. Doch een Samaritaan, die op reis was, kwam in zijn nabijheid, en toen hij hem zag, werd hij met ontferming bewo­gen. En hij ging naar hem toe, verbond zijn wonden, goot er olie en wijn op; en hij zette hem op zijn eigen rijdier, bracht hem naar een herberg en verzorgde hem. En de volgende dag stelde hij de waard twee schellingen ter hand en zeide: Verzorg hem en mocht gij meer kosten hebben, dan zal ik ze u vergoeden, op mijn terugreis. Wie van deze drie dunkt u, dat de naaste geweest is van de man, die in handen der rovers was gevallen? Hij zeide: Die hem barmhartigheid bewezen heeft. En Jezus zeide tot hem: Ga heen, doe gij evenzo.

 

(10 april 1872)

 

Deze verzen vertellen u de gelijkenis van de Samaritaan. Met dit overtuigende beeld wilde Ik de Farizeeër op zijn vraag: "Wie is mijn naaste?" laten zien, wie deze zou zijn en hoe het tweede liefdegebod ­"Gij zult uw naasten liefhebben als uzelf!" - in geestelijke zin moet worden verstaan.

De mensen maakten en maken te allen tijde tussen mensen -, broe­der - en naastenliefde, welke allemaal in één liefde samenvloeien, een groot onderscheid, waarover Ik u lange tijd geleden een uitvoerige openbaring heb gegeven die hier ingevoegd zou kunnen worden, als hier geen andere verklaring mogelijk was.

Daar men echter in die tijd, toen Ik deze gelijkenis gaf, door het onderscheid tussen standen en kasten, als ook door de opvattingen van de mensen ver verwijderd was van wat Ik onder "Heb uw naasten lief

als uzelf!" wilde laten verstaan - wat ook uit het antwoord van de Farizeeër naar voren komt, die eerst moest vragen: "Wie is dan eigenlijk mijn naaste?" - was het dus volkomen logisch, dat Ik vanuit deze gegronde reden een voorbeeld moest opstellen om te laten zien, wie eigenlijk de naaste van ieder mens is. In alle toekomstige tijden bestaat er over het begrip "naaste" en over de uitoefening van de liefde tot de naaste geen twijfel meer, want met welwillendheid alleen, of met vrome wensen is de naaste, de mensheid en Ikzelf het minst geholpen.

Hoeveel er al over dit tweede liefdegebod geschreven en gesproken werd, toch hebben slechts een gering aantal mensen eigenlijk begrepen, wat de naastenliefde en wie de naaste is.

De algemene conclusie is meteen gemaakt: "De mensheid is mijn naaste, en door het gebod, dat ik mijn naaste moet liefhebben als mijzelf, is ook de maatstaf van de liefde bepaald!"

Geheel juist, zeg Ik; maar nu komt het er op aan: "In hoeverre is de mensheid of ieder mens mijn naaste en wat betekent: zichzelf - echter wel te verstaan - in juiste mate liefhebben?"

In deze beide begrippen ligt de sleutel tot Mijn rijk, waarom Ik uit alle denkbare geboden juist dit gebod van de naastenliefde tot tweede hoofdgebod gemaakt heb en niet alleen voor uw aarde, maar voor alle werelden en zelfs voor het grote geestesrijk.

Het is derhalve vooral het gebod van de liefde, omdat er zonder liefde geen warmte, zonder warmte geen leven en zonder leven geen schep­ping bestaat - hoe men zich die ook denkt. De liefde is de eerste drang, die tot werkzaamheid aanspoort; de werkzaamheid brengt overeen­komstig warmte voort. De warmte - als uitdrukking voor beweging, vibreren - geeft zich te kennen als leven, en leven is ontstaan, bestaan en vergaan als zichtbaar teken van het leven of de schepping in haar volledige omvang.

De liefde veredelt alle wezens, die haar voelen en aan anderen geven. Zonder liefde zou er geen geestelijke maatstaf voor het handelen zijn en zonder liefde zou noch Ik bestaan, noch iets dat geschapen is, dat duurzaam zou kunnen worden.

Nu, zoals de liefde in Mij Mijn geesten, de levende wezens en zelfs de materie schiep en ze allen met dezelfde gloed omvat, ze voedt, in stand houdt en leidt tot het grootst mogelijke geestelijke doel, tot toonbeeld van de hoogste liefde, - evenzo moet ook de mens zijn omgeving, de wereld waarin hij moet leven, met dezelfde liefde omvat­ten. Al het geschapene, uit liefde en door Mijn goddelijke liefde voortgebracht, zal een voortdurend bewijs zijn, dat Ik pas dan een liefhebbende Vader ben, wanneer Mijn geschapen wezens, Mijn naas­ten, hun plicht, hun opdracht zo volbrengen, zoals Ik Mij dat gedacht heb en zoals Ik haar vanuit een vrije impuls en niet door dwang ten uitvoer gebracht wil hebben. De vrije wil veredelt het schepsel, in tegenstelling tot het door instinct geleide wezen, dat zo handelen moet en niet anders kan.

Deze zich over alles uitspreidende liefde zal de maatstaf voor de mensenliefde zijn, die in de borst van ieder mens haar woonoord moet opslaan en als blijvend gedenkteken van een hogere afkomst ook alle gedachten, woorden en daden op haar zal afstemmen. Deze liefde moet echter ook, evenals die van Mij, geen ander doel kennen dan alles te doen ten bate van zijn medemensen en alle met hem levende wezens, waarbij men wat de naaste wenst natuurlijk niet altijd hoeft in te willigen, maar hem ook menig ding moet ontzeggen, als het toestaan misschien schade in plaats van nut zou kunnen brengen.

Let op Mij! Ik heb u mensen allen lief, Ik heb u lief met een liefde, die u niet begrijpen, niet bevatten en niet beantwoorden kunt, en toch zeg Ik niet op alle vragen, waarmee u Mij overstelpt: "Ja!", maar meestal het tegenovergestelde "Nee!" En waarom? Omdat u vaak dingen wenst, die schadelijk voor uw geest zouden zijn! En wanneer deze weigering dan lijden en strijd, ongelukken en sterfgevallen over u en de uwen meebrengt, dan is zij toch puur een uitvloeisel van liefde, de liefde van uw hemelse Vader, die terwille van u alles geschapen, terwille van u zoveel heeft verdragen en u steeds uw ondankbaarheid, bespotting en verloochening met zegen vergeldt.

Hier ziet u hoe de liefde moet worden opgevat, wil zij het goede en niet het kwade bewerken. Zo moet ook u uw mensen - of naastenliefde opvatten! Zoals een vader op aarde zijn onmondige kinderen niet alles toestaat, wat zij in hun onverstand van hem verlangen, maar altijd het hogere doel van de opvoeding voor ogen houdt, evenzo zult ook u pas goed doen aan uw naaste, wanneer u overtuigd bent, dat naar uw inzicht niet een slechte gewoonte gevoed of uw naaste in het nietsdoen gesterkt wordt, in plaats van dat hij er aan gewend raakt om te werken.

Dit is de liefde, waarmee Ik vanuit Mijn wijsheid Mijn werelden bestuur. Evenzo moet ook u met uw verstandelijk vermogen de drang om goed te doen bedwingen en regelen, opdat niet het tegenovergestel­de resultaat het gevolg is van uw, weliswaar edele wil.

Het tweede punt ter overweging is: "Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf!"

Nu, ook hier zijn net zoveel inzichten mogelijk, als er geestelijke niveaus van de menselijke natuur zijn, die vanaf de verloochening van eigenliefde, kan stijgen tot aan de hoogste vorm van egoïsme, - en zo ontstaat de vraag:

"Wanneer is mijn eigenliefde de juiste, zodat hij nuttig is voor mij en anderen?"

Alleen na beantwoording van deze vraag weet men, welke liefde en hoe zij aan anderen bewezen moet worden! U ziet, dat strikt genomen de woorden "liefde" en "zichzelf', totaal andere begrippen blijken te zijn dan men bij hun oppervlakkige beschouwing zou denken.

De betekenis van eigenliefde moet u eerst duidelijk voor ogen staan; u moet weten, hoe en wat u van uzelf moet liefhebben, om dan na deze kennis uw liefde op anderen te kunnen overdragen of om de liefde, waarmee u anderen moet behandelen precies te kunnen beoor­delen.

In ieder mens is de drang gelegd om zijn leven te behouden, het te verlengen en zo aangenaam mogelijk te maken. Deze noodzakelijke drang tot behoud van het uiterlijk omhulsel of de omkleding van de geestelijke zielemens moest diep in hem gelegd en ingeplant worden, opdat hij niet bij de geringste conflicten tijdens zijn aardse levensloop op de gedachte komt deze hinderlijke drang te onderdrukken en zich nog voor het rijpen van de innerlijke mens van zijn lichaam te ontdoen.

Deze levensdrang is zo machtig en noodzakelijk, dat alleen mensen, die al het geestelijke verwerpen, die geen geloof of godsdienst in de ware zin hebben of door verkeerde wereldopvattingen of geestelijke storingen in hun levensorganisme verzwakt zijn, er toe kunnen komen om de zo diep gewortelde liefde om te leven te vernietigen en zelf aan hun bestaan eerder een einde te maken dan bepaald was volgens het plan van Mijn goddelijke, overal geldende geboden.

Zulke zielen van zelfmoordenaars zullen in het hiernamaals een met veel moeilijke omstandigheden gepaard gaande weg tot rijpheid af te leggen hebben, omdat zij onrijp uit deze wereld zijn gegaan en eveneens onrijp in een andere zijn binnengetreden.

De tweede vorm van eigenliefde is een hogere, namelijk de drang tot behoud en vervolmaking van het geestelijke. De mens probeert zijn geestelijke "ik" zoveel mogelijk gelijk te maken aan Diegene, die deze vonk van het goddelijk bewustzijn in hem heeft gelegd en hem daarmee ver boven de materie verheven en aan de grens van twee werelden heeft geplaatst, zodat hij naast zijn lichamelijk omhulsel tot de materie en naar zijn geest tot de geesteswereld behoort.

Zowel in het materiële als in het geestelijke wezen van de mens kan een gebrek of een overvloed aan eigenliefde aanwezig zijn.

Het gebrek aan materiële eigenliefde wordt kenbaar door levens­moeheid, waarbij de lichamelijke levensdrang zo gering wordt, dat de mens vaak vanwege onbeduidende onaangenaamheden van het aardse leven zijn lichamelijke leven vernietigt. Deze toestand wordt vaak teweeggebracht door een verkeerde opvoeding, door het niet geloven in een God of in het voortleven van de ziel, of door geestelijke storingen.

Tegenover dit extreem gebrek aan eigenliefde staat dan weer een overmaat aan zelfzucht. Een dergelijk mens, dat zijn lichamelijke welzijn het hoogst acht, wil zich alleen wijden aan dat, wat het laagste egoïsme is. Hij grijpt alle middelen aan om zijn doel te bereiken. Er bestaat voor hem niets anders dan zijn eigen "ik", en hij is, iedere band van de naastenliefde verloochenend, steeds maar alleen zijn eigen naaste. Deze mensen staan op de onderste geestelijke trede; want zij onttrekken zich aan iedere strijd en aan alle opofferingen. Zij willen alleen genot, en wel slechts voor zich alleen, en alle middelen - geoor­loofde of ongeoorloofde, wettelijke of onwettelijke, goddelijke of dui­velse - worden aangegrepen, als zij maar hun nagestreefd doel bereiken. Zulk een eigenliefde sluit alle naastenliefde volledig uit.

Eigenliefde kan ook bestaan, wanneer de mens slechts omwille van zichzelf zijn innerlijk zo wil uitbeelden, zo wil vervolmaken, dat zelfs zijn lichaam hem tot last wordt en hij zich er zo spoedig mogelijk van vrij zou willen maken.

Hier heeft u de beide extremen: gebrek en overvloed aan eigenliefde, hetzij in het materiële, hetzij in het geestelijke wezen van de mens. Wil men echter een middenweg aanhouden, waar noch het ene noch het andere extreme te dicht genaderd mag worden, dan ontstaat de vraag hoe het met de naastenliefde staat, die zich toch moet schikken naar de eigenliefde.

Ook hier geldt hetzelfde, wat Ik reeds in het begin verklaarde: De gematigde, door het verstand geleide liefde, die het eigenlijke geeste­lijke doel van de mens en het doel van zijn aardse levensloop steeds voor ogen heeft, deze liefde zal de eigenliefde in zulke banen leiden, dat het lichaam niet onder invloed van de geest en de geest niet onder die van het lichaam lijdt of geheel verkommert. De mens moet steeds bedenken, dat ook zijn lichaam hem als een goed werd toevertrouwd, en zoals hij eens van zijn ziel rekenschap zal moeten geven, zo zal ook de vraag naar hem uitgaan: "Hebt u uw lichaam voor het doel gebruikt, waartoe het bestemd was, of hebt u het misbruikt?" Zo zal de reken­schap, die de mens over zijn geest en de aan hem toevertrouwde talenten heeft af te leggen, samenvallen met die, welke hij over het materiële leven heeft af te leggen.

Beiden, geest en lichaam moet u zo gebruiken, zo opvoeden en ze zo beheersen, dat alle handelingen alleen gesteld worden met het oog op Mij, de Gever en zo het stempel van de goddelijkheid dragen. Deze manier van denken, van handelen en van werken moet ook de maatstaf zijn voor de manier waarop u uw liefde aan de naaste zult geven! Deze liefde zal aan de naaste al het goede geven, in zoverre het met Mijn eigen morele grondbeginselen overeenkomt.

De mens moet allereerst bij zichzelf herkennen, tot welke prestatie hij in staat is, alvorens dit prestatievermogen bij anderen te meten. Hij moet allereerst bij zichzelf het goede van het kwade leren onderschei­

den. Hij moet leren wat de geest en wat het lichaam tot nut strekt of schaadt, voordat hij uit blinde liefde datgene aan anderen verleent, wat hen slechts naar de ondergang en niet naar een hoger doel leidt.

Breng daarom eerst uw eigenliefde op orde! Houd daarin de juiste maat en het goede gewicht, en de juiste liefde voor uzelf zal u het best tot de naastenliefde voeren! Want alleen daar, waar duidelijke opvat­tingen heersen kunnen ook volwaardige daden het resultaat zijn; anders loopt u tastend in de duisternis rond en miskent of misbruikt u uw liefde tot schade voor anderen. Overal in de gehele wereld zijn de extremen schadelijk en leiden tot niets: zowel in liefde als in haat, in geven als in weigeren, in spreken als in zwijgen.

Gedenk daarom bij iedere handeling uw hogere bestemming en vergeet daarbij niet dat u mensen en geen goden bent, en dat zowel te grote liefde als ook te geringe liefde voor zichzelf tot even slechte resultaten leidt, als te hoog of te laag gespannen begrippen van de naastenliefde, die de naaste eerder schaden dan dat zij tot nut kunnen strekken.

Ken allereerst uw eigen zwakheden, om toegeeflijk tegenover de anderen te zijn! Beproef, of de inwilliging van een verzoek bij u iets goeds of iets slechts zou opleveren, en regel daarnaar uw liefdegaven, uw opofferingen ten opzichte van uw naaste! Nergens kan zoveel schade worden aangericht, als met een letterlijk opgevat begrip van naastenliefde.

Zie, Ik ben uw naaste en Ik doe alles, opdat u Mijn naasten, Mijn broeders en zusters, ja, Mijn kinderen zult worden; en toch ben Ik ondanks alle liefde en wijsheid niet zo toegevend om de mensen alles te geven, wat zij vaak in hun onmondigheid van Mij verlangen, omdat Ik als geest, en wel als hoogste Geest, het beste weet wat het meest heilzame is voor Mijn kinderen, Mijn geestelijke broeders en zusters, en omdat ik hen wil opvoeden en niet verwennen.

Neem daarom een voorbeeld aan Mij, hoe Ik Mijn hele schepping bijeen houd en haar delen gemeenschappelijk tot het grote doel van de verlossing uit de materie leid en u zult zeker de juiste weg vinden tussen geven en nemen, tussen toestaan en weigeren! Dan pas zal het tweede grote liefdegebod de eigenlijke geestelijke uitdrukking niet alleen in het woord, maar ook in de daad vinden, wanneer u dat aan uw naasten doet, wat u - zou u in de positie en de omstandigheden van uw medemens verkeren - voor uzelf als geestelijk wezen voor het beste zou hebben gehouden.

U moet het geestelijke steeds hoog houden, ja hoger dan al het andere en daarin het begin- en uitgangspunt van al uw handelen zoeken, opdat deze met Mijn grote scheppingsgedachten overeen­stemmend, u veredelen en verheffen en u Mij daardoor telkens meer als uw liefdevolste Vader van vreugde doet stralen en als dat erkent wat Ik voor u allen zou willen zijn, namelijk uw geestelijke Aanvoerder, Leider en Vader. Amen.

 

39

 

De 12 e zondag na Trinitatis

 

De genezing van de tien melaatsen

 

Luc. 17,5-19: En de apostelen zeiden tot de Here: Geef ons meer geloof. De Here zeide: Indien gij een geloof hadt als een mosterdzaad, gij zoudt tot deze moerbeiboom zeggen: Word ontworteld en in de zee geplant, en hij zou u gehoorzamen. Wie van u zal tot zijn knecht, die voor hem ploegt of het vee hoedt, als hij van het land thuiskomt, zeggen: Kom terstond hier aan tafel? Zal hij niet veeleer tot hem zeggen: Maak mijn maaltijd gereed, schort uw kleren op en bedien mij, tot ik klaar ben met eten en drinken, en daarna kunt gij eten en drinken? Zal hij de knecht soms danken, omdat hij deed wat hem bevolen was? Zo moet ook gij , nadat gij alles gedaan hebt wat u bevolen is, zeggen: Wij zijn onnutte knechten; wij hebben slechts gedaan, wat wij moesten doen.

En het geschiedde gedurende Zijn reis naar Jeruzalem, dat Hij dwars door Samaria en Galilea trok. En toen Hij een zeker dorp binnenging, kwamen Hem tien melaatse mannen tegemoet, die op een afstand bleven staan. En zij verhieven hun stem en zeiden: Jezus, Meester, heb medelijden met ons! En Hij zag hen aan en zeide tot hen: Gaat heen, toont u aan de priesters. En het geschiedde, terwijl zij heengingen, dat zij gereinigd werden. En één van hen keerde terug, toen hij zag, dat hij genezen was, met luider stem God verheerlijkende, en hij wierp zich op zijn aangezicht voor Zijn voeten om Hem te danken. En dit was een Samaritaan. En Jezus antwoordde en zeide: Zijn niet alle tien rein geworden? Waar zijn de negen anderen? Waren er dan geen anderen om terug te keren en God eer te geven, dan deze vreemdeling? En Hij zeide tot hem: Sta op, ga heen, uw geloof heeft u behouden.

 

(14 april 1872)

 

In deze verzen wordt verteld, hoe Ik door Mijn wil tien melaatsen genas. Toen zij zich gesterkt door het geloof in Mijn woorden aan de priesters wilden tonen, verdween de melaatsheid bij het binnengaan  van de tempel; want belast met melaatsheid zou de toegang tot de tempel voor hen verboden zijn geweest. Om gezondheidsredenen hield iedereen zich, ook buiten het Godshuis, ver van mensen die door dergelijke ziekten geplaagd werden.

Deze daad was een bewijs wat een vast geloof en een onwrikbaar vertrouwen vermogen, wanneer de ziel volledig erdoor beheerst wordt. Ik wilde door dit voorbeeld deze kracht tonen en zei tegen Mijn discipelen - in hetzelfde hoofdstuk, vers zes - de woorden: "Indien gij een geloof hebt als een mosterdzaad en zegt tot deze moerbeiboom: "Word ontworteld en in de zee geplant!" dan zal hij u gehoorzamen!"

Wat deze woorden geestelijk betekenen, liet Ik kort nadien zien door de genezing van deze tien mannen. Zo volgde de praktijk de theorie op de voet, opdat Mijn discipelen de kracht van het geloof bij anderen konden waarnemen, die henzelf bij zo veel gelegenheden ontbrak.

Daar Ik u dit voorbeeld van het vaste geloof als zondagprediking geef, willen wij het woord "geloven" een beetje beter onderzoeken, opdat u en vele anderen leert verstaan, wat" geloven" eigenlijk is. Want ook dit woord is één van die woorden, die in veler mond ligt, maar in weinig harten.     ,

Ik moet beginnen met deze verklaring, anders begrijpt u de gelijkenis van de moerbeiboom niet, die Ik aan de discipelen gaf, - en nog minder Mijn handelen met de tien melaatsen. Hebt u begrepen, wat Ik onder "geloof" versta, dan pas kunnen wij overgaan tot zijn betrekking op u, zowel op de huidige, als op de komende toestanden, waarbij ook gedacht zal worden aan de ene Samaritaan, die terugkeerde om Mij te danken.

Alles heeft zijn natuurlijke gevolgen! Wie een huis bouwt begint niet bij het dak, maar bij de fundamenten. Wanneer deze stevig zijn, rust ook het dak op een vaste basis. Zoals het in het materiële is, zo is het ook in het geestelijke leven! Vandaar de vele verklaringen die Ik u geef; vandaar de vele belichtingen van vaak één en hetzelfde onderwerp, opdat u uw geestelijke oren en ogen opent en het u niet vergaat als een mens, die aan iets denkt en zich daarbij niet bewust is, hoe gedurende deze tijd vele duizenden wonderen van Mijn schepping zich op het netvlies van zijn ogen afspiegelen, omdat zijn elders werkzame wil daaraan geen aandacht schenkt.

In de vorige prediking lichtte Ik de eigenliefde en de naastenliefde toe. In deze zult u de ware betekenis van het woord "geloof' ervaren, het woord, dat zo vaak misbruikt en zeker door het grootste percentage niet in zijn diepst geestelijke betekenis wordt opgevat.

Zie, destijds wisten Mijn discipelen niet wat "geloof" eigenlijk is. Ik moest het hun begrijpelijk maken, terwijl Ik hen zichtbaar en persoon­lijk leidde en voor hen wonderen deed, - en toch begrepen zij de betekenis van het woord "geloof' niet. Gelooft u misschien, u die bijna dagelijks zoveel hemelsbrood van Mij ontvangt, dat u weet wat "geloof' wil zeggen? Ik moet u zeggen: u begrijpt dit woord net zo min en u laat dagelijks ieder uur zien, dat u zeer weinig geloof bezit, ofschoon u meent toch sterk in het geloof te zijn, ook al bent u zwak in het liefhebben. Het doel van Mijn woorden zal zijn om u dit te bewijzen.

Wat betekent "geloof' eigenlijk?

Welnu, de meesten van u zullen om een antwoord verlegen zitten of het zal als volgt uitvallen: "Ik geloof, wil zoveel zeggen als: ik ben overtuigd, dat dit of dat werkelijk zo is, zoals men het mij zei of leerde." - "Geloof stoelt op de autoriteit van diegene, die mij dit of dat zegt." ­"Ik geloof het, omdat diegene, die het mij zegt, daarvan overtuigd moet zijn."

Dergelijke en soortgelijke antwoorden zult u overal te horen krijgen, die echter allen op één punt neerkomen en slechts altijd te kennen geven, dat dit geloof op zulke wankele voeten staat, dat de lichtste windstoot het omwerpt of te gronde richt.

Een dergelijk geloof heb Ik nooit bedoeld. Want het geloof dat Ik Mijn discipelen in de hierboven aangevoerde gelijkenis - vers zes ­verklaarde, door te zeggen: "Wanneer gij gelooft, dan zullen de bergen zich verheffen!", dit geloof betekent iets heel anders dan wat men gewoonlijk aanneemt, wanneer er bijvoorbeeld gezegd wordt: "Het geloof maakt zalig!" Dat geloof betekent een geheel andere toestand, dan ooit door een geloof werd bereikt, zoals de priesters het aan het volk leren. Ik betwijfel ten zeerste, of met het aangeleerde geloof ooit iemand zalig geworden is, wanneer hij het niet heeft opgevat naar Mijn betekenis, maar naar die van de priester.

Dus het geloof, dat Ik Mijn discipelen leerde, en dat Ik hen door de genezing van de tien melaatsen wilde laten zien en begrijpen, is een veel machtiger kracht in de geestelijke wereld, dan u gelooft en veronder­steld; want dit geloof is de vaste overtuiging, dat dit of dat onherroe­pelijk moet gebeuren, zoals het zich bij Mijn woord voordeed. Dit geloof is een ingrijpen in Mijn macht, een deel hebben aan Mijn almacht, dat Ik graag toesta aan die kinderen, die deze naam waarachtig verdienen, die echter ook - begrijp dat goed - deze geweldige kracht nooit zullen misbruiken, omdat zij maar al te duidelijk en helder inzien, hoe groot dit geschenk is van de kant van de almachtige Schepper, dat alleen een liefhebbend kind als geschenk van zijn Vader kan ontvangen.

Dit geloof was het, dat de tien melaatsen zo zeer begrepen hadden, dat zij, hoewel nog belast met de ziekte, rustig naar de priesters gingen, er vast van overtuigd dat Mijn woord - als goddelijk woord - niet zou kunnen bedriegen en in vervulling moest gaan, omdat Ik het wilde en zij het geloofden en er volledig op vertrouwden.

Deze manier van geloven, wie van u bezit die? Leg de hand op uw hart en ondervraag uzelf, en het zal u vergaan zoals Mijn discipelen! De bekentenis zal zijn: "Een dergelijk geloof begrijpen wij niet! Een dergelijk geloof, zo'n vaste, onwrikbare overtuiging, zo'n vast vertrou­wen in uw goddelijke beloften ontbreekt ons volledig; wij zijn daartoe niet in staat!"

En Ik antwoord u: "Ja, Ik weet dat u nog lang niet in staat bent tot zo' n geloof; anders zou u de zaligheid - in de betekenis van: geloof maakt zalig - in u bespeuren, wanneer u met goddelijke macht uitgeruste goden zou zijn in menselijke lichamen. Welk een groot werkterrein zich dan voor u zou openen, hoeveel goeds u dan zou kunnen verrichten en hoe verheven u boven de banale bezigheden van de gewone wereld zou staan, dat kunt u niet begrijpen. Dan zou dat woord vervuld zijn; want een dergelijk geloof maakt u zalig, overgelukkig en tevreden. U zou het langzame opgaan van uw "ik" in het Mijne waarnemen, wanneer u zich met zo'n macht uitgerust zou voelen, zoals zij ten dele aan de eerste mensen verleend was, maar door henzelf weer werd verspeeld.

Dit geloof, deze vaste overtuiging was en is het, wat bij Mijn discipelen ontbrak en die ook u en alle mensen ontbreekt; en juist daarom wil Ik u dit geloof op het hart drukken, dat gebaseerd is op de liefde tot Mij, opdat ook u daar naar zult streven. Want ofschoon het niet zo gemakkelijk is te bereiken, omdat er veel beheersing en een grote reinheid van zeden voor nodig is, kunt u deze toch ten dele en in momenten van hoogste begeestering deelachtig worden, wanneer u de grondgedachte van dit machtige werktuig van Mijn goddelijke macht en liefde eenmaal hebt begrepen.

U heeft de uitspraak "Ik wil!" nog niet begrepen; want deze uitspraak baseert zich op het geloof dat datgene wat men wil, ook gebeuren moet. Deze macht van wilskracht is dat geloof, dat bergen verzet, dat zelfs aan de natuur haar meest geheime wetten afdwingt en waardoor veel mogelijk is, wat tot nu toe tot de onmogelijkheden wordt gerekend.

Alleen - alles wat u wilt, moet ten eerste tot geestelijke doeleinden en ten tweede slechts door Mij en Mijn macht gewild worden; want zónder haar bent u onmachtig en alleen mét haar almachtig!

Want wat is het anders bij het magnetisme dan de wilskracht of dit geloof, dat vast en onwrikbaar op Mij vertrouwend, door het opleggen van de handen binnen korte tijd de kwaal geneest, die anders een lang verloop zou hebben!?

Dit geloof alleen verzacht alles! Niet, dat het teweegbrengen buiten het bereik van de natuurwetten zou liggen, neen, maar deze wetten die zich tot nu toe aan de menselijke macht onttrokken hebben, worden dienstbaar aan de mens en gehoorzamen hem als geestelijk wezen, als afstammeling van Mij, terwijl zij de materiële mens met zijn gepieker en zijn onderzoeken versmaden.

Zodra dit geloof zich echter in het mensenhart geeft ingeburgerd zal ook hetgeen als tweede in het evangelie wordt vermeld, namelijk de dankzegging en de erkenning voor het ontvangen geschenk van boven, plaats hebben.

In het evangelie staat in het vijftiende vers: "Eén van de tien die genezen waren keerde terug en dankte Mij."

Om de Joden op de juiste wijze te laten voelen wat ondank voor ontvangen weldaden betekent, moest het juist een Samaritaan zijn; want de Joden beschouwden deze stam van het joodse volk als de meest verachtelijke, van wie zij geloofden dat zij alle slechte, en geen goede eigenschappen bezaten.

In het vorige evangelie was het al een Samaritaan, die de Farizeeën en priesters tot voorbeeld moest dienen, dat men mensen niet moet verachten, van welke stam of van welke afkomst zij ook mogen zijn. Ook deze keer moest weer een uit deze verachte stam de trotse en zich beter dunkende Joden beschamen en hen bewijzen dat niemand, noch tollenaar, noch Samaritaan, zo slecht is, dat hij de naastenliefde niet zou kunnen beoefenen en dat men bij hem niet ook goede, ja, vaak zelfs betere eigenschappen zou kunnen aantreffen, dan bij vele zich hoog­roemende standen, - een voorbeeld voor de huidige tijden, waarin menigeen op zijn medemensen neerziet zoals de Farizeeër op de tolle­naar of een Jood op een Samaritaan.

Dat van de tien melaatsen slechts één en wel diegene terugkeerde, van wie men het minste verwachtte, laat zien dat het ware geloof alleen in hem wortel geschoten had en hij, overmand door de genade van de Heer, niet anders kon dan de eer brengen aan Diegene, van wie deze genade was uitgegaan.

Zo zal het ook zijn met de genadegaven in het leven van alle mensen. Alleen zij zullen zich kunnen verheugen op de mooie resultaten van hun vast geloof op Mij en hun eigen wilskracht, die frank en vrij de woorden van het tiende vers belijden, die luiden: "Zo moet ook gij, nadat gij alles gedaan hebt wat u bevolen is, zeggen: Wij zijn onnutte knechten; wij hebben slechts gedaan, wat wij moesten doen!"

Ik liet bij deze genezing toe, dat naast het standvastig geloof van de genezenen toch ook de grotere eigenschap, de dankbaarheid voor de ontvangen weldaden niet vergeten werd. Een ontvangen weldaad zon­der een gevoel van dankbaarheid jegens de gever is een halve, ja vaak helemaal geen weldaad. In plaats dat een verleende genade de bedeelde deemoedigt, maakt het achterwege laten van het danken hem trots. Het eerste is een teken van liefde, het andere een teken van haat; het eerste is een openlijk bekennen van de eigen onmacht, het tweede een betreuren dat de omstandigheden het vereisen om anderen dankbaar te moeten zijn; het eerste is van hemelse, het tweede van helse aard.

Zo wilde Ik in deze handeling de nadenkende onderzoeker van deze daad nog na duizenden jaren in zijn geheugen terugroepen, dat de macht van het geloof, hoe mooi zij ook kan zijn tot in haar hoogste ontwikkeling, toch niets voorstelt, wanneer zij niet vóór zowel als ná de daad door de blik naar boven eerst haar eigen onmacht laat zien en daarna de almacht van Hem, die de mens als nietige aardworm in de schepping kan uitrusten met zulke krachten.

Bij die mens, die zich van zijn goddelijke oorsprong bewust is en zijn blik alleen naar boven richt en alles wat van daaruit geschonken wordt weer deemoedig en dankend op het altaar van de liefde neerlegt, bij zo'n hart zal de kracht van zijn willen door Mijn wil versterkt worden. In een dergelijk hart leeft als een vrucht van de overtuiging het ware geloof, hetwelk de mens door het bewustzijn van de kracht de zaligheid geeft, die alleen een kind kan genieten, wanneer het de macht van zijn liefhebbende Vader erkent en zich deze waardig voelt.

Streef naar deze waardigheid! En waar dan dankbaarheid is, daar zal ook het volbrengen van het gewilde uw wensen bekronen!

Neem dit evangelie dus op als een wegwijzer door het labyrint van het leven. Bouw op een solide, vaste grond, en het dak dat daarna het hele huis onder zijn bescherming zal nemen, zal Mijn geesteswereld zijn, onder wiens bescherming u, al naar de maat van uw geloof, van trap tot trap over hogere wezens gesteld zult worden en hen kunt bijbrengen, wat Ik u tijdens uw levens - en proeftijd vaak liet voelen, namelijk de oneindige liefde als Vader en de oneindige macht als kinderen, wanneer u geleerd hebt om vast te geloven en te vertrouwen. Amen.

 

40

 

De 13e zondag na Trinitatis

 

De waarschuwing van de Heer voor aardse zin

 

Matth. 6, 24-34: Niemand kan twee heren dienen, want hij zal of de ene haten en de andere liefhebben, of zich aan de ene hechten en de andere minachten; gij kunt niet God dienen en Mammon. Daarom zeg Ik u: Weest niet bezorgd over uw leven, wat gij zult eten of drinken, of over uw lichaam, waarmede gij het zult kleden. Is het leven niet meer dan het voedsel en het lichaam niet meer dan de kleding? Ziet naar de vogelen des hemels: zij zaaien niet en maaien niet en brengen niet bijeen in schuren, en toch voedt uw hemelse Vader die; gaat gij ze niet verre te boven? Wie van u kan door bezorgd te zijn één el aan zijn lengte toevoegen? En wat zijt gij bezorgd over kleding? Let op de leliën des velds, hoe zij groeien: zij arbeiden niet en spinnen niet; en Ik zeg u, dat zelfs Salomo in al zijn heerlijkheid niet bekleed was als een van deze. Indien nu God het gras des velds, dat er heden is en morgen in de oven geworpen wordt, zó bekleed, zal Hij u niet veel meer kleden, kleingelovigen? Maakt u dan niet bezorgd, zeggende: Wat zullen wij eten, of wat zullen wij drinken, of waarmede zullen wij ons kleden? Want naar al deze dingen gaat het zoeken der heidenen uit. Want uw hemelse Vader weet, dat gij dit alles behoeft. Maar zoekt eerst Zijn Koninkrijk en Zijn gerechtigheid en dit alles zal u bovendien geschonken worden. Maakt u dan niet bezorgd tegen de dag van morgen, want de dag van morgen zal zijn eigen zorgen hebben; elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad.

 

(20 april 1872)

 

Deze verzen geven gedragslijnen voor het leven van Mijn leerlingen. Letterlijk genomen hebben zij een heel speciaal karakter, doordat zij, aangepast aan het leven van Mijn discipelen, hen vertrouwen voor de toekomst moesten geven, wanneer Ik niet meer onder hen zou vertoe­ven.

Het volledige zesde hoofdstuk bevat maatregelen voor het toekom­stige beroepsleven, dat Mijn discipelen tegemoet gingen. Het waren de laatste vaderlijke vermaningen die Ik hun gaf, opdat zij Mijn woorden in hun geestelijke betekenis en niet letterlijk leerden opvatten, wat vaak gebeurde; want het moest eerst voor hen zelf duidelijk zijn, voordat zij anderen konden onderwijzen en leiden op de weg naar het ware inzicht.

Zo bevat dit hoofdstuk uitvoerige uiteenzettingen over de vorm en wijze hoe men aalmoezen moet geven, hoe men moet bidden en de kerkelijke gebruiken geestelijk en tot nut voor de ziel moet houden. Verder wordt er de eigenlijke waarde van de tijdelijke, materiële en van de eeuwige geestelijke goederen getoond en de manier, hoe men de zorgen voor het dagelijkse brood met het vertrouwen op Mij kan verbinden. Het laatste was een belangrijk punt, omdat Mijn discipelen na Mijn heengaan tussen de Geest en de wereld, of zoals het daar geschreven staat, tussen God en de Mammon hadden te kiezen.

Mijn discipelen verlieten alles wat hen verbond met de wereld en volgden Mij, de wereldlijke goederen en banden opofferend aan de geestelijke goederen. Het was dus vanzelfsprekend dat, nadat Ik hen Mijn heengaan zo vaak voorzegd had, in hen de gedachte opkwam: "Wat zal er van ons worden? Het is waar, in Zijn nabijheid hadden wij nergens voor te zorgen; maar wanneer Hij niet meer onder ons zal zijn, - wat dan?"

Op deze vaak bij hen opkomende gedachte moest Ik hun antwoor­den, om hun opgewonden gemoederen niet alleen tijdens Mijn leven op aarde, maar ook voor latere tijden te kalmeren, opdat ook de zorg om voeding en kleding niet zo zwaar op hen zou drukken, waaronder hun geestelijke opdracht aanzienlijk geleden zou hebben. Vandaar de vaderlijke woorden, vandaar de verwijzing naar de leliën des velds en daarop, dat de liefhebbende Vader in de hemel niets vergeet van wat Hij geschapen heeft en Hij vanuit dit principe ook hen, de uitverkore­nen voor het hoogste doel, niet in de steek zal laten!

Al deze woorden, gesproken tot Mijn discipelen, hadden voor hen in de omstandigheden waarin zij leefden, een letterlijke betekenis, maar zijn voor u en alle toekomstige geslachten geestelijk op te vatten; want u leeft onder andere omstandigheden en u hoeft zich niet van alles te ontdoen om Mij geestelijk op de aangegeven weg te volgen.

Toen Ik destijds zei: "Men kan geen twee heren dienen!", wilde Ik daarmee zeggen, dat men onmogelijk twee verschillende dingen met dezelfde graad der liefde kan omvatten. "Of God of de Mammon dienen" wil zoveel zeggen als: ofwel het ene of het andere als hoogste doel voor ogen hebben; want "dienen" betekent: zich met zijn hele ziel overgeven aan wat men boven alles liefheeft.

In deze betekenis geldt dit woord ook voor u en voor het nu levende en komende mensengeslacht. Wie volledig voor de wereld en haar genoegens leeft, slechts streeft naar bevrediging daarvan en alle midde­len aanwendt om dat te verkrijgen, wat hem als het belangrijkste toeschijnt - namelijk het tijdelijk welzijn - die kan van God en van de geestelijke goederen natuurlijk maar een middelmatig begrip hebben en dit begrip zal hij steeds ondergeschikt maken aan de andere begrip­pen, omdat alleen het wereldlijke belang en niet het geestelijke zijn hoogste doel, zijn enige wens is. In dit opzicht is de stelling: "Men kan niet God èn de Mammon dienen" waar.

Om echter de Mammon, de wereldlijke goederen voor geestelijke doeleinden te benutten en er geen grotere waarde aan te geven dan hij werkelijk heeft, om hem voor eigen nut en voor het welzijn van zijn medemensen te gebruiken, vooral wanneer Ik sommigen met bijzon­dere aardse goederen begiftigd heb, dat is een andere zaak!

Er waren ook rijken, vermogenden en hooggeplaatsten, die deson­danks alleen Mij aanhingen en de wereld zo beschouwden, als Ik het wenste. De hun toevertrouwde goederen waren daarom alleen midde­len tot het doel, maar niet uitsluitend het enige einddoel van al hun streven.

Daarom is voor deze stelling: "Men kan geen twee heren dienen!" het juiste begrip uiterst noodzakelijk.

Ook de overige woorden van troost, die Ik tot Mijn discipelen sprak, zijn niet letterlijk op te vatten; want onder de huidige levensomstan­digheden is het zelfs plicht van een ieder om voor de aardse behoeften te zorgen. Alleen moet deze zorg niet zo ver gaan, dat zij een mens verhindert zijn geestelijk doel na te streven en zijn medemens goed te doen!

Het is wel waar: "De vogels zaaien niet, zij oogsten niet en zij verzamelen niet in schuren en de Vader in de hemel zorgt voor hen"; maar de dieren zijn onmondig en het instinct zorgt voor hun behoud, waardoor de hongerigen naar het voedsel en de dorstigen naar de bron

geleid worden. De meeste dieren hebben ook slechts voor zichzelf of voor hun kleine familie te zorgen en voor deze laatsten maar een korte tijd.

Zo is het niet bij de mens. Hij is vrij. Niet de stem van de natuur, maar zijn geest drijft hem ertoe om door middel van het verstand zijn situatie dermate te verbeteren, dat hij niet door zorgen voor zijn lichaam gestoord wordt om aan zijn geestelijk "ik" te werken. Hij moet dus voor zijn toekomst zorgen, voor zichzelf en zijn familie, omdat deze een langere voorzorg vraagt dan die van de dieren.

Het hoofddoel van zijn leven moet in ieder geval het Rijk Gods en zijn hogere, geestelijke bestemming zijn, die na dit korte proefleven in het hiernamaals eeuwig geldt. Het is dus zijn plicht om de hem toevertrouwde geschenken - de talenten en de aardse goederen - zo te gebruiken, dat hij nooit zijn geestelijk kleed voor de eeuwige levensduur er bij inschiet.

Er wordt hier wel gezegd: "Maak u niet bezorgd om de dag van morgen; want iedere dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad!"; maar dit woord was voor Mijn discipelen in andere zin gesproken, dan het nu voor u moet worden uitgelegd. Het wil - zoals ook alle voorgaande verzen - slechts zoveel zeggen, dat de mens zijn zorgen niet te ver moet laten gaan en niet in de raderen van het noodlot of in de goddelijke leiding van de enkeling moet ingrijpen, omdat zijn terrein hier op­houdt.

Gij mensen moet uw zorgen en inspanningen slechts zoveel ruimte geven, als zij door Mijn leer, door Mijn woord goedgekeurd worden en resultaat beloven. Dan zijn zij gerechtvaardigd, maar ook niet te groot; want steeds zult u het kleinere, Ik echter het grotere deel van uw wensen te vervullen hebben. Wanneer u daarbij nog bedenkt, dat uw inzicht als eindige wezens altijd begrensd, het Mijne als dat van de almachtige Heer en Schepper echter onbegrensd is, dan moet u ook inzien, dat het door vurig smeken gewenste niet altijd kan worden vervuld, maar dat Ik het vaak moet weigeren omdat Ik verder zie dan u.

U ziet uit de verklaring van deze verzen, hoeveel misverstand door eenzijdige opvatting van deze destijds heel anders bedoelde woorden veroorzaakt kan worden. Destijds waren zij aangepast aan het op handen zijnde levens beroep en aan de sociale positie van Mijn discipe­len; heden ten dage zijn zij weliswaar ook waar - want uit Mijn mond kan immers alleen waarheid komen -, maar haar geestelijke betekenis moet meer de leidraad van uw doen en laten zijn. De aan Mijn eerste discipelen gegeven woorden van troost moeten Mijn huidige, misschien laatste discipelen, totaal anders voorkomen.

Alles wat Ik sprak blijft waar; maar het geestelijke standpunt van een ieder motiveert het begrip van de waarheid. Wanneer het steeds aan de eigen omstandigheden aangepast en op Mij betrokken wordt, dan kan zij die resultaten opleveren, die Ik eens bedoelde en die Ik nu bij deze geestelijke verklaring weer bereiken wil. Ik herhaal hier, dat het juiste begrip van Mijn woorden - die, omdat zij van Mij afkomstig zijn, van eeuwige duur en eeuwige schoonheid moeten zijn - u dingen openbaart, die u vaak in bepaalde momenten vermoedt, maar waarvan u de sluier nooit volledig kunt verwijderen.

Leg u er dus op toe het geestelijke inzicht te verkrijgen, opdat het licht dat bij u binnenstraalt in zijn volledige sterkte uw ziel kan verlichten, verwarmen, opwekken en met Mijn Geest kan verbinden! Dan is het ogenblik gekomen, waarop de dekmantel van de materiële schepping niet meer voor uw ogen bestaat, waarop zij geweken is voor het geestelijke oog en u overal slechts het geestelijke laat zien en Mij als Heer van het geestelijke, als eeuwig liefhebbende Vader.

Daar bloeit voor u de vrede en de rust, als einddoel van alle terechte en ijdele zorgen; daar is de vergelding voor alle bittere belevenissen, de beloning voor al het eerlijk verdiende; daar zijn de laatste bouwstenen van de materiële wereld tot de eerste van de geestelijke omgevormd, waarop de volledige, grote bouw van een nimmer eindigende geestes­wereld rust. Aan de materiële dingen wordt hun geestelijke plaats gewezen en aan de geestelijke wezens de voor verdere loutering nodige weg, opdat zij -van trede naar trede, van werelden naar werelden, van zonnen naar zonnen omhoog stijgend -, steeds meer vermogens ontvan­gen, steeds meer zaligheden genieten en als einddoel van alle moeiten uiteindelijk die trap bereiken, waar de Vader als de ene Herder door Zijn kinderen, als de ene kudde, omringd wordt, waarvan het bijeen­brengen in het stoffelijk leven is begonnen en in de geestelijk hoogste gebieden eindigt.

Dat is uw bestemming, en dat is het doel van al Mijn openbaringen die Ik u geef! Ik doe, zoals u ziet en wel kunt vermoeden, alles wat in Mijn vermogen ligt. Het ligt alleen aan u om Mijn vele woorden zo op te vatten, zoals Ik, omdat Ik geest ben, ze alleen bedoeld kan hebben.

Leg u er op toe het te begrijpen en het eindresultaat zal u bewijzen, dat alleen via deze weg een Vader Zijn kinderen naar zo'n doel kon leiden! Amen.

 

41

 

De 14e zondag na Trinitatis

 

De opwekking van de jongeling te Naïn

 

Luc. 7, 11-17: En het geschiedde kort daarna, dat Hij reisde naar een stad, genaamd NaÏn. En Zijn discipelen reisden met Hem, en een grote schare. Toen Hij dicht bij de stadspoort gekomen was, zie, een dode werd uitgedragen, de enige zoon zijner moeder, die weduwe was, en veel volk uit de stad was bij haar. En toen de Here haar zag, werd Hij met ontferming over haar bewogen en Hij zeide tot haar: Ween niet. En naderbij gekomen raakte Hij de baar aan - de dragers stonden stil - en zeide: Jongeling, Ik zeg u, sta op! En de dode ging overeind zitten en begon te spreken, en Hij gafhem aan zijn moeder. En vrees beving hen allen en zij verheerlijkten God, zeggende: Een groot profeet is onder ons opgestaan, en: God heeft naar Zijn volk omgezien. En dit gerucht over Hem verbreidde zich in het ganse joodse land en de gehele omtrek.

 

(22 april 1872)

 

Hier hebt u weer een van die wonderdaden, die het volk en Mijn discipelen moesten sterken in het geloof, dat Ik niet slechts een gewoon mens, niet slechts een profeet, maar iets groters moest zijn, opdat zij allen langzamerhand gewilliger Mijn wegen zouden inslaan en zich gemakkelijker zouden laten leiden.

Ook de Esseeën wekten doden op; het "hoe" echter heb Ik u reeds in het Grote Johannes Evangelie bekend gemaakt. Wanneer Ik een wonder wilde verrichten, was altijd de omstandigheid in aanmerking te nemen, dat Mijn wonderen anders bewerkstelligd waren dan de wonderen van anderen. Alleen langs deze weg en alleen door de meest afdoende bewijzen kon Ik dit volk, dat in de mozaïsche leer en ceremo­niën was vastgelopen, iets beters leren.

Een dodenopwekking zoals bij de jongeling te Naïn was bij hen nog niet voorgekomen; vandaar hun terechte verbazing over Mijn macht over leven en dood, die zij nog niet bij mensen hadden gezien.

Zo voedde Ik Mijn discipelen op en velen uit het volk, ook heidenen, om Mijn geloofs- en liefdeleer door te geven. De echtheid van Mijn woorden en het belang van Mijn zending, de reden waarom Ik op deze aarde kwam, en wat het doel en de bestemming van Mijn aardse loopbaan als mens was, dat alles bewees Ik hen nu eens door gelijkenis­sen, dan ,weer door toespraken, dan weer door wonderen. Weinigen begrepen Mij; maar toch was het zaad in hun harten gelegd, dat langzamerhand opkwam en, ofschoon spaarzaam, toch vruchten begon te dragen. Overal paste Ik Mij aan de omstandigheden aan; of Ik hield geweldige toespraken of Ik verrichtte wonderdaden, die er toe moesten bijdragen om de Mensenzoon als dat te verkondigen, wat Hij eigenlijk was.

De wonderdaad van de opwekking van de jongeling te Naïn moet, wil zij als prediking van nut zijn, echter geestelijk worden opgevat. Wij moeten de daad van het natuurlijke ontdoen om zijn voor altijd geldende betekenis te ontdekken, opdat u erkent dat in iedere daad uit Mijn leerjaren iets verborgen ligt dat geldt voor alle eeuwigheden.

Hier in dit evangelie heeft u een eenvoudige begrafenis van een dode voor u, waarbij een wenende moeder de doodskist volgde van haar geliefde, enige zoon. Een gewoon voorval, dat u dagelijks kunt tegen­komen - of in eigen familie of bij vrienden en bekenden. Overal zult u een onbeweeglijk lijk en een wenend gevolg aantreffen.

Om dit natuurwettelijk gebeuren in het menselijk leven geestelijk te verklaren, moet u ook dat wat aan een begrafenis vooraf gaat geestelijk leren begrijpen.

Zie, ieder sterfgeval is een overgang van het ene extreme naar het andere, van het leven naar de dood, een verandering van het vaste lichaam in eenvoudige elementen, een afscheiding van het geestelijke van het materiële of, wanneer u het nog beter wilt uitdrukken, het begin van het geestelijke en het einde van het materiële leven.

Er bestaat in de schepping een materieel schijnbare en een geeste­lijk werkelijke dood. In zoverre is een begrafenis of als een begraven van het geestelijke in de mens of als een verlaten van al het wereldlijke aan te zien.

Hier in dit geval beweent een moeder haar enige zoon en volgt zijn doodskist. Ik trad op deze treurige pijnlijke scène toe. Ik had medelijden met de moeder. Ik liet de dragers stoppen en wekte haar zoon op, opdat hij nog verder de steun zou blijven van zijn moeder die hem zo liefhad.

Deze handeling wil geestelijk het volgende zeggen: Nu en nog vaak zullen ouders wenen over hun kinderen, die een verkeerde richting zijn ingeslagen. Zij zullen treuren, wanneer zij zien hoe dezen - ongeacht hun moeiten en zorgen - evenals een stoffelijk lijk niets geestelijks meer in zich bergend, slechts de wereld en haar genoegens achterna lopen en zo de geestelijke dood tegemoet gaan.

Menigmaal ga Ik naar dergelijke wenende en treurende ouders toe bij zulke omstandigheden, waar de vader en moeder helaas te laat moeten toegeven, dat zij zelf ook schuld dragen aan de vroege, geeste­lijke dood van hun kind en roep de in zonde en slechte gewoonten verzonken kinderen weer terug tot leven, tot geestelijk leven, doordat Ik hen de gevolgen van hun levenswandel op de meest bittere manier laat proeven. Ik wek hen op door lijden en ziekten, verstoor hun lichamelijke gezondheid en hun wereldse relaties en geef op deze manier het tot lijk geworden kind het geestelijke weer terug, opdat het opnieuw het verlorene kan beginnen terug te winnen, en zo door een berouwvolle omkeer het zelfverwijt van zijn ouders verzacht en hun geweten verlicht.

Zulke begrafenissen komen dagelijks zowel in het gewone als in het geestelijke leven voor. Op uw aarde is momenteel meer ontbinding dan geestelijk leven aanwezig; bijna de hele mensheid ligt in materiële lusten begraven, als het ware onbeweeglijk in de doodskist van wereldse zorgen en geneugten. En de weinigen, die nog geestelijk leven bezitten, zijn de rouw dragenden, die achter deze doodskist voortgaan en tot Mij om hulp en redding smeken, omdat zij de doden, hun naasten, betreuren en beklagen - en toch niet kunnen redden.

Deze begrafenis, zowel in het klein als in het groot, alsook het weeklagen van de weinige beteren noopt Mij tot deze doodskist toe te treden en de slapenden of de schijnbaar doden op te wekken, zodat zij voor het geestelijke leven niet verloren gaan. Ik wek zowel mensen afzonderlijk als ook hele volken op door gebeurtenissen en ongelukken van allerlei aard en laat hun de gevolgen van hun verkeerde levenswan­del voelen, omdat zij het geestelijke totaal verwaarlozen.

Zie, deze grote begrafenis trekt langzaam voort naar de plaats, waar de ontbinding van het stoffelijk lichaam plaatsvindt. De zieletoestand van veel mensen, evenals de politieke situaties van de volkeren, begint tot bederf over te gaan en er openbaart zich een algemeen ontbindings -, reinigings - en af scheidingsproces, zoals bij ieder lichaam gebeurt, dat door het leven is verlaten en, onderworpen aan de natuurwetten, weer voor andere ontwikkelingen als grond - en als voedingsstof moet dienen.

Midden in dit algemeen oplossingsproces van de hele mensheid, die - figuurlijk gesproken -levenloos in de doodskist van werelds genot ligt, treed Ik naderbij, laat door Mijn boden en schrijvers nieuw leven, nieuwe kracht en een nieuwe geest in de slagader van de menselijke ziel stromen en roep de ingeslapen wereldmensen, evenals eens de jongeling te Naïn, toe: "Jongeling! Ik zeg u, sta op!"

De mensheid, zoals zij nu is, lijkt vanwege de korte duur van haar proefleven op een jongeling, die zijn opdracht nog lang niet vervuld heeft. Ook de mensheid moet naar de volwassenheid en later naar de ouderdom overgaan, opdat zij rijp wordt en zich gereed maakt om haar oude kleren van halfvergane wereldopvattingen uit te trekken en een geestelijk, onvergankelijk kleed aan te trekken, dat boven dit korte aardse leven uit ook voor het andere, grotere leven geschikt is. Deze tot ontbinding overgaande mensheid roep Ik toe: "Sta op, want u bent niet geschapen om de langdurige weg van de materie te gaan, maar de kortere van de geest! Sta op en sla acht op Mijn roep, voordat het totale verval van alle sociale banden u al te bitter zal leren, dat er nog een heel andere wereld is dan die, waaraan u tot nu toe gedacht hebt, en die slechts uit louter speculatie, bedrog en machthebberij bestaat!"

Zie, ook nu doet deze toestand van ontbinding Mij verdriet, net zoals toen. Ik heb verdriet om de betere leed dragenden, maar ook om de doden, die - omdat zij Mijn woord niet kennen - het verval, het geestelijke ontbindingsproces onherroepelijk ten deel zullen vallen en de lange en zware weg tot erkenning van binnen uit vrijwillig moeten aanvaarden. Het doet Mij verdriet om de mensheid als lijk voor Mij te zien, daar Ik toch immers bij de schepping van de mensen ieder een geestelijke vonk van Mijn eigen wezen als bruidsschat gaf. Later door Mijn afdalen op uw aarde heb Ik niet alleen deze vonk weer tot werking  gebracht, maar heb Ik jullie mensen boven zoveel andere schepselen uitverkoren - hetgeen Ik door verdeemoediging en opoffering betalen moest -, om Mij niet alleen te erkennen als hoogste Geest, maar ook als Vader en om met Mij en door Mij mee te werken aan de verdere ontwikkeling van andere werelden, aan wie u dan nieuwe zaligheden

en nieuwe waarheden moogt brengen. Het doorgeven hiervan zal uzelf nog grotere zaligheden brengen, en u zult als kinderen van Mijn liefde dan ondervinden wat het wil zeggen om de bevoorrechten te zijn van de almachtige Schepper en Heer van het hele universum!

Daarom heb Ik met deze begrafenisstoet zo te doen, en daarom klinkt door Mijn woorden en hemelse gaven, welke Ik op u en de hele mensheid al jaren lang laat neerstromen, steeds de oproep: "Sta op, ontwaak voor het geestelijke, voor het eeuwige leven; want alleen daar is de verlossing van uw eigen bestaan! Daar alleen is het begin en het einde van het menselijk geslacht! U hoeft u niet zoals het stoffelijk lichaam op te lossen, om andere vormen, wezens en dingen toe te behoren! Neen, u zult uw eenvoudige oorsprong wel indachtig, als onmondige zielen de knapen -, jeugd -, en volwassen leeftijd doorma­ken, om op oudere leeftijd met het bewustzijn van zuivere daden en met verheven gevoelens in die wereld over te kunnen gaan, waar geen ontbinding van het wereldlijke meer voorkomt, maar waar alles geest, alles liefde, alles licht is, waar alles warmte en eeuwig leven ademt, waar geen leed dragenden, maar louter vrolijke, jubelende geesten zijn! Zij zullen met en door u naar het grote einddoel, naar Mijn oneindig geestenrijk worden geleid, en Ik zal als Vader van Mijn kinderen de ontwaakten naar de eeuwige lichtbron van het leven leiden. Dan pas zullen zij Mij als Vader volledig begrijpen."

Deze opstanding uit de materiële, de wereldlijke doodskist, is het doel van Mijn woorden, zoals Ik eens met Mijn wonderdaden, woorden en gelijkenissen eveneens de toenmalige wereld wilde beschermen en voorbereiden, zodat zij geestelijk niet zou ontbinden.

In die tijd waren de profeten, Mijn discipelen en verdere gelovigen de leed dragenden; heden ten dage bent u het, aan wie Ik het woord van heil en eeuwig leven heb gegeven, opdat ook u zoveel mogelijk aan het reddingswerk kunt bijdragen!

Werk met dat doel binnen uw eigen familiekring! Laat daar geen dood of ontbinding ontstaan! Zaai de zaden van het leven, die Mijn geestelijke wind daarna in de door lijden en ongelukken toebereide harten zal voeren, zoals de herfststormen de materiële zaden op de te bevruchten velden, opdat ook daar het feest van de opstanding zich moge herhalen! Dan zal van het hele levenloze lichaam van de mensheid niets dan de doodskist, de wereld zelf overblijven, die zich dan - wil zij de mensheid tot nut strekken - door de invloed van de vergeestelijkte mensheid eveneens moet vergeestelijken. Zo zal het paradijs van vroeger weer ontstaan, waarin de mens, als geestelijk schepsel uit Mijn schep­pende hand voortgekomen, weer geestelijk heer over al het gedierte en zelfs over de elementen is, - waartoe alleen de levende, en niet de dode "jongeling te Naïn" in staat is. Amen.

 

42

 

De 15e zondag na Trinitatis

 

De juiste sabbatviering

 

Luc. 14, 1-6: En het geschiedde, toen Hij op een sabbat in het huis van een der hoofden van de Farizeeën kwam om brood te eten, dat zij nauwkeurig acht op Hem sloegen. En zie, er stond een waterzuchtig mens vóór Hem. En Jezus antwoordde en zeide tot de wetgeleerden en Farizeeën, zeggende: Is het geoor­loofd op de sabbat te genezen of niet? En zij hielden zich stil. En Hij vatte hem bij de hand en Hij genas hem en liet hem gaan. En Hij zeide tot hen: Als een zoon of een os van iemand van u in een put valt, wie zal hem er dan niet terstond uittrekken (ook) op de sabbatdag? En zij waren niet in staat iets daartegen in te brengen.

 

(23 april 1872)

 

Het begin van dit evangelie gaat over de genezing van een waterzuch­tige, en wel in het huis van de overste der Farizeeën en op een sabbat, waarop naar de strengste voorschriften van de Joden niets meer gedaan mocht worden, dan het nakomen van kerkelijke gebruiken en ceremo­niën.

Dat deze genezing zich onder de aangegeven omstandigheden voor­deed, had zijn goede reden. Deze overste was weliswaar een aanhanger van Mijn leer, maar toch vatte hij de voorschriften van de tempel slechts in de letterlijke zin op; ook luisterde hij graag naar Mij, wanneer Ik maar niets ondernam wat in strijd was met zijn opvattingen en met zijn waardigheid als Farizeeër. Daarom liet Ik toe dat, terwijl Ik bij hem aan tafel zat, er een met waterzucht belaste man de kamer binnentrad en Mij smeekte hem te genezen van zijn ziekte.

Dat Ik hem genas, laat het evangelie zien. Maar omdat Ik hem juist op een joodse sabbat genas, was dat een steen des aanstoots. Juist daardoor wilde Ik de Farizeeën laten zien, hoe slecht zij hun eigen voorschriften begrepen en hoe verkeerd zij deze het volk bijbrachten.

Vandaar de opmerking, waarop Ik zei: "Als uw os of ezel op sabbat in een put valt, dan trekt u hem er immers uit, omdat uw eigen belang het nu eenmaal eist; maar om op sabbat een goede daad aan anderen of voor anderen te verrichten, dat beschouwt u als zonde!"

Ik wilde hen daardoor bewijzen, dat weldaden en goede handelingen de voorgeschreven feestdag of sabbat niet ontheiligen, maar hem eerder heiligen dan de vele nutteloze gebruiken en ceremoniën die gedachteloos uitgevoerd worden.

Bij het joodse volk waren dergelijke misstanden veelvuldig aan de orde. Ofschoon zij de wetten van Mozes en de profeten hadden, wisten zij hun woordelijke inhoud niet geestelijk te verklaren. Zij werden door de Farizeeën en schriftgeleerden in de waan van de letterlijke opvatting gesterkt, omdat de laatsten er veel belang bij hadden de wetten zo uit te leggen en omdat het niet veel moeite kostte om een jood in de letterlijke zin te zijn.

Vandaar Mijn komst juist temidden van dit volk, dat reeds lang een religie bezat, die als onderbouw voor Mijn leer het meest in aanmerking kwam. Het kwam er alleen maar op aan de oude wetten niet omver te werpen, maar om ze weer gereinigd aan het joodse volk terug te geven, ze geestelijk te verklaren en op deze wijze de menselijke waardigheid te redden, die bijna op het punt stond om onder te gaan in louter ceremoniële gebruiken van de tempel en in egoïstische wereldse geneug­ten.

Gedurende de drie jaren dat Ik onderricht gaf hield Ik dit doel voor ogen. Ik zocht gelegenheden op of liet zulke toe, die aanleiding gaven de valse opvattingen en vooroordelen van de Joden te bestrijden.

Zo was ook de viering van de sabbat een kwestie, waaraan Ik als stichter van Mijn goddelijke en enige ware religie niet onverschillig voorbij kon gaan. Om een einde te maken aan deze vooroordelen begon Ik juist in het huis van een overste der Farizeeën daartegen te handelen, opdat deze handeling aanleiding zou geven tot een discussie. Omdat nu de Farizeeën de eersten wilden zijn en meenden alles beter te weten en begrijpen dan anderen, daarom moesten zij als eersten van hun onjuiste begrippen gereinigd worden, wilde het volk ooit nog zuivere wijn geschonken worden. Daarom verrichtte Ik deze genezing juist voor hun ogen en antwoordde hen, dat zij wel verstommen moesten, zoals de verzen 5 en 6 laten zien.

De oversten van de tempel hadden een heel andere visie op het bewijzen van weldaden, zodat Ik Mij meerdere malen genoodzaakt zag hun de woorden over de naastenliefde in voorbeelden en gelijkenissen nader uiteen te zetten; want volgens hun opvattingen moesten welda­den alleen bewezen worden aan de tempel en aan hen persoonlijk. Al het andere wat aan mensen werd gedaan, was voor hun de aandacht niet waard.

Reeds in die tijd werd de viering van de wekelijkse rustdag elke week verkeerd opgevat; en heden ten dage wordt deze dag evenmin juist gevierd of - met andere woorden gezegd - aan de geestelijke vorming gewijd als toen. Het is daarom ook nu niet verkeerd wanneer Ik, aansluitend op deze daad van genezing op sabbat, enige opmerkingen vastknoop over de viering van deze dag en u laat zien, dat ook u nog ver verwijderd bent om deze dag zo te vieren als Mozes het bedoeld heeft en Ik zelf graag zou zien dat het begrepen wordt.

In de wereld, zoals zij was en nog is, zijn er steeds mensen die bevelen en mensen die gehoorzamen. Van oudsher gebeurde dat de mensen die bevelen vaak alleen hun eigen belang in het oog hielden, misbruik maakten van hen die gehoorzamen en hun te weinig rust en te weinig tijd gunnen, ook maar éénmaal in de week het tijdelijke aan de kant te kunnen zetten om of een woord van geestelijke betekenis te horen of een diepere beschouwing te houden over de ware grond van hun eigen bestaan en te denken aan wat zij als mensen zijn of wat zij als met de goddelijke geest begiftigde wezens moeten worden.

Dit was de reden, waarom Mozes dat, wat de machtigen niet vrijwillig willen, als van God bevolen in zijn wetten neerschreef. In de figuurlijk geschreven scheppingsgeschiedenis liet hij de hoogste Heer en Schepper zelf na zesdaagse arbeid de zevende dag als de dag van rust instellen.

Deze verordening, die voor het behoud van de morele waarde van de mens noodzakelijk was, is ook door andere volkeren overgenomen en bestaat nu bijna overal. Ook al was de week toentertijd anders ingedeeld dan in de huidige tijdrekening, toch is er altijd een dag in de week vastgesteld, die bestemd is om uit te rusten na lichamelijke inspanningen, om in zichzelf te keren en na te denken over de geestelijke opdracht van de mens.

Wat de Joden teveel deden, omdat zij door letterlijke opvatting van hun wetten te ver gingen, dat is bij de christelijke volkeren reeds sinds lange tijd omgekeerd het geval. Terwijl bij de eersten de heiliging van de hele dag als streng gebod bevolen was, is het voor de christenen voldoende zo nu en dan naar de kerk te gaan; de overige tijd wordt met vermaak, brasserij en feesten doorgebracht. Op zon - en feestdagen wordt over het algemeen méér slechts gedaan dan gedurende de hele week, waar wegens werkzaamheden en gebrek aan middelen de nodige tijd en gelegenheid ontbreekt.

Wat de Farizeeën bij de Joden deden, dat zetten de christelijke priesters later voort. Zij dachten slechts aan hun eigen aanzien en macht. De Farizeeën plaatsten de tempel als voornaamste voorop en de christen priesters hun kerk. Bij de eersten breidde de wijding van de feestdag zich uit tot 24 uur - ook buiten de tempel moest de feestdag nog in acht genomen worden -, bij de christenen beperkt zij zich slechts tot enige uren in de kerk. De meeste mensen menen Mij tevreden gesteld te hebben, omdat zij een paar uur in de kerk zaten, stonden of droomden, nietszeggende gebeden aframmelden of gemoedelijk inge­slapen een natuurlijk stilzwijgen onderhielden tegenover de preek van de priester. Daarmee is misschien de eerzucht van de priester gestreeld, daar zij de kerk vol menselijke lichamen zien; maar de zielen van deze mensen houden zich of met helemaal niets bezig of met geheel iets anders dan met dat, wat de kerk of Mijn door Mij gestichte religie vereist.

Zo grijpt het misbruik steeds meer om zich heen, en nu begint men er zelfs mee deze dag ook niet meer als rustdag te laten gelden, doordat men het geweten van diegenen die gehoorzamen weet te doen zwichten voor geld, waarbij men het weinige dat zij nog geloven wegredeneert zonder hen daarvoor iets beters te geven.

Zo gaat het verval stap voor stap voort. Degenen die bevelen geloven daardoor winst te hebben geboekt, omdat hun eigenbelang nu vrijwillig door de arbeidende klasse ondersteund wordt, die eveneens weer uit eigenbelang werkt. Maar zij vergissen zich geweldig! Zij zullen zien waartoe het zal leiden, wanneer men de minderbedeelden de weinige geestelijke elementen, die ook de machtigen totaal vreemd zijn gewor­den, afneemt en door vermeerdering van de winst zijn zonde vergroot. Zij verachten alles wat betrekking heeft op Mij en op Mijn leer. En dit voorbeeld wordt ook door de ondergeschikten nauwgezet nagevolgd. Zo zegeviert het materiële uiteindelijk over het geestelijke, totdat Ik de omstandigheden zo zal laten verlopen dat de machthebbers de vruchten van hun egoïsme - die totaal anders zullen uitvallen, dan zij zich voorgesteld hebben - moeten oogsten.

De zon - en feestdag moet een zekere rem zijn. Het moet een dag zijn waarop de machtigen aan de minderen een blijk van waardering voor hun verrichte arbeid moeten geven. En voor hen die gehoorzamen moet de zon - en feestdag een dag zijn, waarop zij zich zullen herinneren dat één dag ter overdenking van de eigen geestelijke bestemming niet teveel is; het moet de dag zijn waarop we de werkzaamheden laten rusten.

Op deze dag spreekt Mijn natuur haar eeuwige, zelfde taal tot alle harten: "Vergeet naast al uw werkzaamheden de Schepper niet, die zoveel heerlijks en wonderbaarlijks op deze aarde heeft geschapen, om u er telkens aan te herinneren dat u niet alleen voor deze wereld bestemd bent, dat uw arbeid niet altijd materieel, maar ook geestelijk moet zijn! Erken Diegene, die u, zwakke kinderen, met zoveel liefde en geduld leidt en die u midden tussen de heerlijkheden plaatste, die u minstens één dag in de week uw zware arbeid willen doen vergeten!"

Volgens de scheppingsgeschiedenis van Mozes stelde Ik zelf als Schepper de rustdag in op de zevende dag. Hij was er als het ware het beeld van, hoe Ik, nadat Ik Mij met de materie had beziggehouden, op de zevende dag de Geest liet binnengaan in het tot dan toe starre omhulsel. En deze dag, waarop Ik de materie tot iets geestelijks verhief, was de dag van de viering of van de wijding. Daarom moet hij ook door de mens gevierd worden, wanneer hij - evenals Ik - zes dagen gewerkt heeft.

Op de zevende dag moet de mens zijn week overdenken, om daarin de geestelijke gedachte waar te nemen, die hem leidde om zulk werk tot stand te brengen. Deze dag moest een dag worden van viering in geestelijk opzicht, waarop hij moet erkennen, dat zijn wekelijkse werk­zaamheden en zijn eigen bestaan niet een materiële, maar een geestelijke basis hebben, die hij zich juist op deze dag meer dan op andere dagen moet herinneren. Op deze dag, waarop geen plicht en geen arbeidsuur hem tot materieel handwerk dwingt, moet hij zich Mijn schepping herinneren, Mijn leer, Mijn liefde en Mijn opoffering voor hem persoonlijk als ook voor de hele mensheid.

Deze dag zal daarom voor hem een gewijde dag worden, omdat hij op deze dag het materiële aflegt en het geestelijke, verheven en grootse doel, dat hij en de hele schepping moeten bereiken, dichter kan naderen.

Zo moet ieder mens de zondag vieren als een gedenkdag aan Mijn liefde en aan alles, wat Ik voor hen gedaan heb. Dan zal van deze dag een zacht, religieus gevoel uitgaan over alle werkdagen, waardoor ook de meest materiële arbeid geheiligd wordt. Zo kan de mens op alles wat hij doet en tot stand brengt het stempel van zijn eigen goddelijkheid drukken.

Zo moet de zondag en rustdag door u begrepen en gevierd worden. U moet zich steeds herinneren, dat er eens zo'n dag voor Mij geweest is en dat iedereen dan een dergelijke feestdag zal beleven, wanneer hij ontdaan van het materiële omhulsel, in de andere, eeuwige wereld aankomt als vergeestelijkt zielemens en als herinnering het bewustzijn meeneemt, op al zijn materiële werkzaamheden het stempel te hebben gedrukt van een grote mensengeest, die hem veredelde en die hij waardig was.

Daarom moet ook u deze rustdag in een hogere, geestelijke betekenis zien. Zie het geestelijke licht schijnen door de harde korst van de letter heen! Dit is het wat zalig maakt. Vergeestelijk alles, uw omgeving, uzelf, uw daden en uw woorden!

Niet alleen de zevende, maar elke dag waarop u geestelijk voorwaarts schrijdt zal dan voor u een zon - en feestdag zijn, die, zoals de zon, waarnaar deze dag bij u genoemd is - licht, warmte en leven over u en uw omgeving zal doen uitstromen. Iedere dag zal een dag van feest of van zaligheid worden, wanneer u - uw Schepper waardig en uw doel duidelijk herkennend - stap voor stap voorwaarts schrijdt, totdat u de  eeuwige, nooit eindigende feestdag, de feestdag van de eeuwige zalig­heid in die ruimten ten deel valt, waarin iedere dag een gewijde dag en een dag van vrede is, wals een liefhebbende Vader reeds eeuwigheden geleden deze voor Zijn kinderen bereid heeft. Amen.

 

43

 

De 16e zondag na Trinitatis

 

Het grootste gebod

 

Matth. 22, 34-40: Toen de Farizeeën gehoord hadden, dat Hij de Sadduceeën tot zwijgen had gebracht, kwamen zij bijeen, en één van hen, een wetgeleerde, vroeg, om Hem te verzoeken: Meester, wat is het grote gebod in de wet? Hij zeide tot hem: Gij zult de Here, uw God, liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand. Dit is het grote en eerste gebod. Het tweede, daaraan gelijk, is: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. Aan deze twee geboden hangt de ganse wet en de profeten.

 

(24 april 1872)

 

Over het antwoord, dat Ik de Farizeeër gaf op zijn vraag: "Wat is het voornaamste gebod?", is u reeds veel gezegd en het is eigenlijk niet nodig om hier verder nog meer te zeggen over de beide liefdegeboden: "Heb God lief boven alles en uw naaste als uzelf!" Maar omdat het hier speciaal in een zondagprediking aangehaald is om te laten zien hoe de Farizeeën en schriftgeleerden Mij op de proef stelden om een aanklacht tegen Mij te kunnen vinden - omdat Mijn doen en laten evenals Mijn waarheden hen tot last waren -, gaan we deze twee geboden dus aan een nadere beschouwing onderwerpen. Ik zal u zowel de toenmalige stand van zaken, als ook hun analoge geestelijke situatie in de huidige tijd wat nader uiteenzetten, zodat u de samenhang van Mijn woorden en daden in die tijd gemakkelijker kunt afstemmen op de huidige gebeurtenissen.

Zie, tijdens Mijn leven op aarde was de priesterkaste net zo eer - en hebzuchtig als zij in alle latere tijden is geweest, en wie haar macht wilde verminderen of geheel vernietigen was natuurlijk een vijand van de kerk, omdat hij een vijand van de priesters was en het volk van hen wilde afkeren, hetgeen zij dan vooral met betrekking tot hun macht en het meest aan hun geldzakken gemerkt zouden hebben. Zo gauw er dus een leraar optrad, zoals Ik het deed, die zij vanwege zijn duidelijke taal weinig tegenspraak konden bieden, waren zij er alleen op uit om hem onder een of ander voorwendsel als een gevaarlijke opruier tegen de bestaande politieke instellingen ter bestraffing aan de overheid uit te leveren, hetgeen hen ook lukte toen de tijd van Mijn zending op aarde ten einde liep. Zo vaak zij het vroeger probeerden, ontweek Ik persoon­lijk aan hun geplaatste valstrikken en op hun netelige vragen antwoord­de Ik met welbedachte woorden.

In dit hoofdstuk vindt u verscheidene vragen, verscheidene pogingen om Mij in conflict te brengen met de overheid, opdat zij hun doel konden bereiken zonder dat het de schijn zou hebben, dat zij de veroorzakers van Mijn gevangenneming waren, omdat zij bang waren voor het volk dat Mij aanhing en volgde. Vandaar zulke vragen als die over de belasting, en meer anderen van die aard. Ook de vraag van een schriftgeleerde: "Wat is het voornaamste gebod?" was als een valstrik bedoeld; want deze vragensteller verwachtte van Mij een antwoord, waaruit men een minachting voor de bestaande wereldlijke wetten kon afleiden, waardoor de dienaren en knechten van de stadhouder een gegronde reden zouden hebben om Mij aan het gerecht uit te leveren. Omdat Ik echter hun gedachten en bedoelingen vooruit wist, was Ik goed op Mijn hoede om hen niet voor de tijd aanleiding te geven tot leugenachtige beschuldigingen. Mijn antwoord hield datgene in wat al lag besloten in hun wetten, alleen was Mijn uitleg van deze wetten anders dan die van hun en verschilde ook de toepassing van deze wetten, dus de manier zoals Ik wilde dat ze werden nageleefd.

De mozaïsche wetten bevatten eveneens de beide enige en belang­rijkste wetten. Maar de interpretaties en verklaringen van de priesters en schriftgeleerden maakten ze bij het volk alleen van die kant toegan­kelijk, van waaruit voor de geestelijke mens maar weinig naar buiten straalde en het moeilijk voor hem werd om zijn juiste positie tot Mij en zijn naasten, als ook tot de gehele schepping te ontdekken, een verhouding die ook nu nog door weinigen in die zin opgevat wordt, zoals ze volgens de geest zou moeten zijn. Destijds hield het volk zich aan de letter, en nu, na meer dan duizend jaar, kleeft het nog steeds angstig daaraan vast zoals een vlieg aan een lijmband, die graag vrij zou willen zijn maar de nodige kracht niet heeft om zichzelf vrij te maken.

Ofschoon Ik de Farizeeër deze twee enige geboden als de grootste aanduidde, begreep hij ze net zo min als het antwoord op Mijn vraag: "Wat dunkt u van de Christus?" Dit antwoord was ontleend aan een psalm van David en toonde hun in het vooruit, dat alles Mij als Heer der schepping, ten slotte toch onderdanig en tot een voetbank wordt, waarop Mijn voeten zullen rusten, dat wil zeggen waarop Mijn leer als gebouw zal worden opgericht.

Wat het wil zeggen "God boven alles liefhebben", begrepen destijds en begrijpen vandaag de dag nog velen niet; en wat "Zijn naaste liefhebben" betekent - een aanvullend gebod op het eerste -, is vele mensen evenmin duidelijk.

Zie, "God boven alles liefhebben" is een zin, die eenvoudig uit te spreken, maar niet zo eenvoudig te begrijpen en nog moeilijker in praktijk te brengen is! Eerst moet Ik weer vragen: "Waarom moeten de mensen God dan boven alles liefhebben?" - Deze vraag moet eerst beantwoord worden, voordat over liefde en haar grootte gesproken kan worden.

Nu, wanneer u deze vraag met een nuchter verstand bekijkt, dan volgt daaruit een andere vraag, namelijk: "Waarom moet Ik God dan liefhebben?" Hier moet men in aanmerking nemen, dat de koel oorde­lende mens als volgt zal antwoorden: "Wanneer ik eens goed nadenk, vind ik geen reden om een God lief te hebben, ten eerste omdat ik iets onzichtbaars niet kan liefhebben, en ten tweede omdat ik die God, die mij schiep geen dank verschuldigd ben.

Toen Hij mij schiep, heeft Hij mij niet gevraagd of ik er wel of niet mee akkoord ging! Hij heeft daarbij alleen Zijn eigen plezier van het scheppen voor ogen gehad, maar er niet naar gevraagd, of ik dan als geschapen wezen met mijn toestand en mijn positie, die Hij mij onder de andere wezens aangewezen heeft, werkelijk tevreden ben, en of ik mij er gelukkig voel."

Uit deze conclusie komt naar voren dat er van de kant van de mensen totaal geen verplichting zou bestaan om zijn Schepper lief te hebben, zelfs wanneer Hij hem in de gelukkigste omstandigheden geplaatst zou hebben, en nog minder wanneer in aanmerking wordt genomen met hoeveel tegenspoed, lijden en conflicten de mens van zijn geboorte tot aan zijn dood te kampen heeft. Daarvoor zouden de mensen God moeten liefhebben, en daarbij nog boven alles? Dat zou toch wat teveel gevraagd zijn! Zo menig mens zou tegen zijn Schepper willen zeggen: "Wanneer U mij niet als mens geschapen had, dan zou U nog eerder aanspraak op mijn liefde kunnen maken; maar onder deze trieste levensomstandigheden moet ik wel onnozel zijn om Diegene lief te hebben, die mij materieel gezien in velerlei opzicht onder het dier geplaatst heeft en die mij alleen de bekwaamheid verleende om mijn situatie goed te kunnen beoordelen en betreuren!"

Kijk, Mijn kinderen, zo oordeelt, en niet ten onrechte, de verstands­mens, bij wie de koude werkelijkheid - dat wil zeggen datgene, wat hij voor zich ziet, voor de hand ligt en met zijn zintuigen kan waarnemen - de hele wereld uitmaakt. Een dergelijke denkwijze was sinds het ontstaan van de mensheid altijd al bij enkelen het principe van hun handelen, en tegenwoordig verkondigen uw geleerde materialisten dergelijke dingen zonder blikken of blozen en vinden een groot publiek, bij wie hun opvattingen aanslaan en bijval vinden.

Wanneer Ik dus het gebod: "Gij zult God liefhebben boven alles!" in deze prediking weer aanhaal, dan gebeurt dit om het grootste deel van de mensen te wijzen op hun verkeerde opvattingen over Mij en de wereld - met de daarmee samenhangende foutieve gevolgtrekkingen ­en omwille van hen, die nog waarde hechten aan iets anders en meer willen zijn dan slechts vereerders van de vergankelijke materie, en die voelen dat er zich nog iets beters en diepers in hun innerlijk beweegt en hen tot geestelijk leven aanspoort.

Wanneer Ik een gebod gegeven heb, dan moet er toch een reden voor zijn, waarom het gebod uitgevoerd en nagevolgd moet worden. Zo moet er dus ook een reden bestaan, waarom Ik dit gebod van de liefde aanwees als het voornaamsteen grootste gebod in Mijn schepping, en waarom het tot haar voortbestaan, samenhang en vervolmaking werd ingesteld.

Nu zie, bij ieder gebod kan gemakkelijk beoordeeld worden, wat de beweegreden was om het gebod zo en niet anders te geven, en of het gebod uit liefde, dus ten goede van anderen, of slechts uit eigenbelang voor de wetgever zelf werd gegeven.

Wanneer Ik nu als Schepper de door Mij geschapen en op Mij lijkende wezens als eerste gebod de liefde voorschrijf, die zij tegenover hun Schepper moeten hebben, dan is het toch duidelijk, dat men de reden of het waarom van dit gebod ook in Mijn verordeningen herken­nen moet, en men begrijpt dat overal - wat er ook mag gebeuren - de   liefde aan ten grondslag ligt.

Wat is dan eigenlijk "liefde"?

Zie, ook dit begrip moeten wij verklaren, om de grootte daarvan beter te kunnen beoordelen!

Liefde is niets anders dan een zekere genegenheid voor een bezield of een onbezield voorwerp. Deze genegenheid is voorwaarde voor de instandhouding van dit voorwerp in de mate waarin het een beroep

doet op onze liefde. Onder levende wezens is liefde een genegenheid of een aangetrokken worden tot andere wezens, die vanwege hun eigen­schappen gevoelsmatig harmoniëren. Bij de mensen komt daar nog bij, dat diegene, die liefde geeft, ook weer liefde ontvangt. De liefhebbende zou met het geliefde wezen zijn gezindheid en gevoel willen blijven uitwisselen en, weer liefde van hem terugontvangend, zich als het ware met hem verenigen en een geestelijke eenheid uitmaken. De liefde, welke geen ander doel heeft dan de geliefde zo gelukkig mogelijk te zien, is voorts de eigenschap die ons geschikt maakt om de geliefde alles te geven en niets voor onszelf te houden dan alleen het bewustzijn, hem zo gelukkig gemaakt te hebben als onze krachten het toelieten.

Welnu, wanneer de mens deze liefde van de kant van zijn God, Schepper en Heer begrepen en verstaan heeft, dan is het gebod van de liefde voor hem ook gemakkelijk te begrijpen, dat hem gebiedt om de God, die alles gegeven heeft om Zijn schepselen gelukkig, ja eeuwig zalig te maken, ook met zijn hele ziel en met alle kracht, die in zijn vermogen ligt lief te hebben.

Hoe bewijst God echter de mensen deze liefde, die Hij voor hen ingezet heeft om zijn menselijke liefde zo aan te sporen, dat zij boven al het aardse, zichtbare en onzichtbare uit, de Schepper van het grote universum boven alles leert lief te hebben?

Zie, hier zijn twee wegen, die de mens de liefde van zijn Schepper kunnen bewijzen en duidelijk maken: de geestelijke, onzichtbare in hem wonende wereld, en de materiële, zichtbare, hem omgevende wereld. Beide wegen, ofschoon verschillend in hun manier van uitdruk­ken, leiden naar hetzelfde doel, namelijk de Schepper als liefhebbende Heer en Vader te kennen.

Laten we allereerst de eerste weg bekijken.

In vroegere tijden, toen men de natuur minder kende, werd door de geleerden zo menig begin van het oneindige zowel in het groot als in het klein onthuld. In die tijd was het de innerlijke mens, die de van geest vervulde wetgevers, zoals Mozes en de profeten en zieners bezig­hield. Zij maakten de mens attent op hun innerlijk en stelden dat als gebod in, wat eigenlijk uit eigen beweging moest gebeuren.

Destijds bestond dit gebod van de liefde voor de mensen echter niet als liefdegebod, maar als wet. Daarom vroeg de Farizeeër dan ook, wat het voornaamste gebod zou zijn, omdat hij dit gebod niet zo belangrijk achtte en misschien geloofde van Mij een antwoord te krijgen, dat wees op een burgerlijke wet. Want liefde, zoals Ik die gebood, was deze Farizeeër en ook vele andere mensen in die tijd vreemd, zoals ook nu nog de liefde, wanneer zij iets anders betekent dan slechts liefde voor zichzelf, voor miljoenen levenden ondanks alle duidelijkheid een on­bekend iets is.

Om dit gebod van Mijn grote schepping van kracht te doen zijn, daalde Ik zelf naar uw donkere aarde af en toonde u door woord en daad wat liefde tot God en wat liefde tot de naasten is. Zo bracht Ik de mens uit zijn materiële gerichtheid en verhief hem tot een geestelijk schepsel, dat weliswaar de wortels, zijn voeten op aarde, in de stofheeft, maar zijn hoofd of de geestelijke bloem in regionen opheft, die met materie niets te maken hebben.

Zoals Ik aan diegenen die met Mij leefden de liefde tot God uitlegde, zo liet Ik hen ook in vele gelijkenissen, woorden en daden zien, wat naastenliefde eigenlijk is, hoe zij begrepen en beoefend moet worden; Ik toonde hen hoe het tweede gebod, dat van de naastenliefde, alleen dan vervuld kan worden, wanneer men het eerste volledig in geestelijke zin heeft opgevat en hoe omgekeerd de liefde tot God alleen dan echt en zuiver is, wanneer zij ten opzichte van de naaste en de hele, de mens omgevende wereld als broederliefde wordt uitgeoefend.

De tweede weg, om de liefde Gods door de natuur te bewijzen en in haar Gods taal bij iedere stap waar te nemen, was aan latere eeuwen voorbehouden, ofschoon ook in de tijd van Mijn aardse leven en nog vroeger de priesterkasten al met de geheimen van de natuur vertrouwd waren, even goed, als er nu maar weinigen zijn. Lang bleef deze stem, door welke Ik de mensen vele duizenden bewijzen van Mijn allesom­vattende liefde wilde geven, onopgemerkt. Ook nu is het slechts aan enkelen voorbehouden deze stem bij hun onderzoekingen te vernemen. Helaas kennen de meesten die in het gebied van de natuurwetenschap rond wroeten alleen de materie en haar door Mij opgelegde wetten, in plaats van de zachte roep der liefde te vernemen, die hen vanuit ieder atoom tegemoet waait, omdat juist in ieder atoom een adem van liefde van Mijn goddelijke Ik verborgen ligt, dat eveneens wacht op zijn verdere ontwikkeling volgens de wetten der liefde.

Voor u, die nu leeft, was het de telescoop, die de verre ruimtes voor u ontsloot; het was de microscoop, die u het wonder van het kleine onthulde. Door beide instrumenten kunt u zelf de oneindigheid en de oneindige Zelf wel vermoeden, maar niet begrijpen.

Beide wetenschappen, de astronomie en de natuurwetenschap, zijn de mens gegeven om zijn trots te dempen, zijn verwaandheid uit de weg te ruimen en hem toch als geest boven alle ruimten te verheffen, omdat zij het eindige de mogelijkheid gaven om het oneindige te beseffen en te vermoeden.

Beide wetenschappen zullen naar de liefde tot God leiden, de liefde tot God naar de menselijke waardigheid en de menselijke waardigheid naar de naastenliefde, die vervolgens weer naar Diegene terugleidt, die alles zo geordend heeft, dat ieder vonkje van liefde zijn kringloop voleindigen kan, daar het, van Mij als God uitgegaan, weer naar Mij terugkeert.

Zo zal de liefde tot God dan vanzelf gestalte krijgen in de harten van de mensen en haar uitdrukking vinden in de naastenliefde, doordat deze op de eerstgenoemde gegrond de kringloop bespoedigt en zo beide wetten, waaruit alles voortgekomen is en waarnaar alles probeert terug te keren, de belangrijkste, maar ook de enige ware blijken te zijn. Dus zijn deze wetten de voornaamsten; want zij zijn op liefde gebouwd, op de geneigdheid van het gelijke tot het gelijke en kunnen slechts harmo­nie, dat wil zeggen rust, gelukzaligheid en verrukking brengen.

Ook al heeft de mens op zijn levenspad zo menige strijd en bitter lijden te verdragen, dan ziet de geestelijke zielemens daarin toch niet de gevolgen van materiële of sociale omstandigheden, maar ziet hij er de scholing in naar een hoger leven. De verzoekingen van de materiële wereld moeten eerst overwonnen zijn, voordat de geestelijke in haar volledige omvang verstaan en begrepen worden. Zo zijn strijd en lijden voor een kind van God slechts een aansporing om voorwaarts te gaan en niet een reden om teleurgesteld te zijn; zo voelt het zich in de strijd met de materiële wereld verheven en als geestelijk kind van een hem eeuwig liefhebbende Vader sterk genoeg, om hen te overwinnen, zoals Ik u als Jezus tot grotere versterking een stralend voorbeeld heb gegeven.

Vanuit dit bewustzijn begrijpt de mens waarom hij God boven alles - namelijk ver boven iedere andere neiging uit - moet liefhebben, hoe hij de liefde tot God bijgevolg als het hoogste moet achten en alleen aan haar moet voldoen, en waarom hij zijn naaste, eveneens een uit Gods hand voortgekomen geestelijk wezen, evenwel als zichzelf moet liefhebben, dus hem zo moet achten als hijzelf, als Gods evenbeeld, wenst aangezien en geacht te worden.

Zo moet u Mij als God liefhebben en deze liefde aan de naaste bewijzen, opdat u de ware afstammelingen van Diegene moogt zijn, die in alles zo vele wonderen gelegd heeft. Dan zal u duidelijk worden, dat een wereld alleen dan kan bestaan, wanneer liefde haar grondwezen, liefde haar bestaans - en vervolmakingsdrang is.

Dat is, wat Mijn twee wetten u verkondigen, wat zij u vanaf de wieg tot aan het graf in duizend vormen en omstandigheden zeggen en wat zij ver boven dit aardse leven uit telkens zullen herhalen, dat er zonder liefde geen Vader kan zijn, maar zonder liefde ook geen kinderen zouden kunnen bestaan. Amen.

 

44

 

De 17e zondag na Trinitatis

 

De genezing van een verlamde

 

Matth. 9, 1-8: En in een schip gegaan zijnde, stak Hij over en Hij kwam in Zijn eigen stad. En zie, men bracht een verlamde, op een bed liggende, tot Hem. En daar Jezus hun geloof zag, zeide Hij tot de verlamde: Houd moed, Mijn kind, uw zonden worden vergeven. En zie, sommige der schriftgeleerden zeiden bij zichzelf: Deze lastert God. En daar Jezus hun overleggingen kende, zeide Hij: Waarom overlegt gij kwaad in uw hart? Want wat is gemakkelijker, te zeggen: Uw zonden worden vergeven, of te zeggen: Sta op en wandel? Maar, opdat gij weten moogt, dat de Zoon des mensen macht heeft op aarde zonden te vergeven - toen zeide Hij tot de verlamde: Sta op, neem uw bed op en ga naar uw huis. En hij stond op en ging naar huis. Toen de scharen dit zagen, vreesden zij en zij verheerlijkten God, die zulk een macht aan de mensen gegeven had.

 

(25 april 1872.)

 

Dit evangelie vermeldt weer verschillende wonderen die Ik verrichtte en vertelt hoe Ik afhandelde met de op - en aanmerkingen van de Farizeeën, die Mijn leer - en handelwijze telkens bekritiseerden.

Reeds het eerste wonder aan de verlamde stoorde hen in hun priesterlijke ijver, omdat Ik, voordat Ik het wonder van de genezing verrichtte, tegen de zieke zei: "Uw zonden zijn u vergeven!" Ik vergaf de lamme zijn zonden vanwege zijn geloof of anders gezegd vanwege de vaste overtuiging, die hij en zijn verwanten en bekenden bezaten en vervolgens vergaf Ik hem zijn zonden, omdat hij - zoals de meeste zieken die zich de kwaal zelf op de hals halen, omdat zij tegen hun natuur zondigen - daar nu de gevolgen van moest dragen.

De Farizeeën en Hogepriesters geloofden, dat alleen zij het recht hadden om zonden te vergeven; vandaar hun opwinding. Maar Ik wilde hen laten zien, dat Ik niet alleen de zonden kan vergeven - en dat in zijn meest ware betekenis - maar dat Ik ook de macht bezit om de gevolgen van de zonde te genezen, hetgeen zij niet konden.

De reden van hun haat en nijd was, dat Ik het volk door zulke treffende voorbeelden van wonderdaden voor Mij won en het lang­zamerhand van hen verwijderde.

Het was in die tijd nodig om Mijn woorden door zulke daden te bewijzen en kracht bij te zetten. omdat de grote massa van het volk nog niet op dat religieuze ontwikkelingsniveau stond op grond van geeste­lijke bewijsvoeringen alleen op de rechte weg van het heil te kunnen belanden. En zo ziet u in dit gedeelte van het evangelie hoe Ik ernaar streefde de geestelijke ziekten en verkeerde opvattingen van Mijn omgeving te verbeteren en hoe Ik telkens door daden datgene als waar bewees, wat Ik hen zojuist geleerd had. Onder de priesters van het joodse volk bestonden in die tijd zeer veel vooroordelen, die Ik eerst moest opruimen, wilde Ik Mijn leer algemeen ingang doen vinden; want voor Mij waren alle mensen gelijk, allen hadden door de in hen gelegde goddelijke geest recht op Mijn kindschap.

Ik moest de verkeerde geestelijke opvattingen door Mijn woorden weerleggen en als bewijs van Mijn macht de lichamelijke ziekten door de daad wegnemen. Vandaar dat u ziet, hoe Ik en Mijn discipelen vaak juist het tegendeel deden van wat de godsdienstige ceremoniën van de Joden voorschreven, opdat het volk er daardoor op attent werd ge­maakt, dat de navolging van de tempelwetten naar de letter nog geen godsdienst, nog niet datgene was wat Mozes, de profeten en Ik wilden.

Zo werkte Ik eraan om alle verkeerd opgevatte gebruiken tot hun juiste waarde terug te voeren om plaats te maken voor Mijn zuivere geestelijke leer. Daarom sprak Ik de woorden: "Zij die gezond zijn hebben geen geneesheer nodig, maar zij die ziek zijn!" - "Barmhartig­heid wil Ik en geen offerande!" - en bij de opmerking aangaande het vasten: "Kunnen soms bruiloftsgasten treuren, zolang de bruidegom bij hen is? Er zullen echter dagen komen, dat de bruidegom van hen weggenomen wordt en dan zullen zij vasten!" - "Niemand zet een niet gekrompen lap op een oud kledingstuk!" - "Men doet geen nieuwe wijn in oude zakken!" enzovoort.

Uit dit alles ziet u, hoe Ik door alle mogelijke middelen, door woorden en gelijkenissen de oude vooroordelen bestreed, opdat Mijn leer als geestelijk erkend zou worden en men zou inzien, dat zij niet te vervangen is door ceremoniën en geloop naar de tempel en de spreuk bewaarheid zou worden: "Wie Mij wil aanbidden, die moet Mij in geest en in waarheid aanbidden!"

Ook Mijn discipelen herinnerde Ik daaraan. Ik toonde hen de vele verdoolde kinderen en zei hun dat de oogst groot, maar de arbeiders weinig zijn. Daarom vermaande Ik hen: "Bid de Heer van de oogst, dat Hij arbeiders uitzendt in Zijn oogst!"

Zie, Mijn kinderen! Bij de genezing van de lamme zei Ik vooraf tegen hem: "Uw zonden zijn u vergeven!" Zijn ziekte was ontstaan door zonden tegen zijn eigen organisme. Ik vergaf hem die zonden; want hij

wist niet, dat hij zich dit kwaad door de jacht naar zinnelijke lusten zelf had aangedaan. Ik zei ook niet tegen hem: "Ga heen en zondig niet meer!"; want hij was er nog ver van verwijderd deze zonden te kunnen begrijpen en betreuren.

Zijn plotselinge genezing enkel door een woord van Mij zou hem tot dieper nadenken aansporen en hem bewijzen, dat niet datgene wat hem aanvankelijk zoveel plezier en later zoveel lijden veroorzaakte het eigenlijke leven van de mens uitmaakt, maar dat er nog iets hogers, geestelijkers in de mens is, dat hem naar mooiere regionen wil brengen, waarin andere genietingen dan louter smadelijke prikkelingen der zinnen hoofdzaak zijn.

Met Mijn woorden wilde Ik deze zieke verlamde verheffen en de trots van de Farizeeën vernederen, zodat zij hun onmacht zouden voelen, daar zij niet bij machte waren hun woorden een dergelijke kracht te geven. Woorden sterven weg, maar de daad spreekt voort! Zo waren Mijn opmerkingen, die Ik bij verschillende gelegenheden maak­te, er op gericht om het opgeblazen, trotse mensenverstand op zijn grenzen te wijzen, opdat hij zich deemoedig zou buigen voor de hoge macht van de Geest.

Alles wat Ik destijds bij deze gelegenheid gezegd en gedaan heb, vindt heden en in alle tijden zijn toepassing. Lammen, blinden, kreupelen, ja doden zijn er overal, waarheen het oog zich ook mag wenden. Overal heerst meer duisternis dan licht, hoogstens schemering. Ook nu zijn er velen, die geestelijk kreupel of verlamd zijn vanwege de verkeerde gerichtheid van hun ziel, die zich vastklampen aan de dingen van vergankelijke aard en het geestelijke volledig verachten en verwaarlozen. Het gevolg van deze geestelijke verlamming is een verkeerde opvatting over materie en geest. Dit zijn de zonden die Ik hun dag in dag uit vergeven moet, wil het grootste deel van de mensen niet te gronde gaan.

Ook nu gebeuren er in de wereld veel wonderen; maar de mensen nemen die niet als zodanig aan. Zij proberen met hun verstand alle natuurlijke gebeurtenissen en alle politieke voorvallen naar geheel

normale oorzaken terug te voeren en bemerken daarbij niet, hoe Ik zelf hen uit de knoop help, wanneer zij zich door hun eigenzinnigheid in een labyrint van hypothesen en noodlottige gebeurtenissen verwik­keld hebben.

Maar, zoals Ik eens zei, dat Ik de zieken en niet de gezonden opzoek, zo gebeurt het ook nu. De zieken, zwakken, lammen, blinden en de met allerlei kwalen belaste zielen zoek Ik op en doe Mijn best om hen te genezen, doordat Ik hun eigen zonden tot hun school maak, waaruit zij mogelijk gesterkt en krachtig vandaan zullen komen. Menigeen genees Ik, omdat hij een vast geloof heeft. Ik breng hem in omstandig­heden, die hem tijd geven om over zijn levensloop en over zijn dwalingen na te denken en ze te verbeteren.

Ook u, die veelal reeds beter inziet, wat Ik eigenlijk met de mensen wil bereiken en waartoe Ik hen uitverkoren heb, moet Ik vaak zonden vergeven, omdat u er zich nog niet geheel van bewust bent waar de vele conflicten vandaan komen, die uw bestaan verbitteren. Ik kan tegen u nog niet zeggen, wat Ik tegen de echtbreekster zei: "Ga heen en zondig niet meer!"; want niet allen zijn zo ver tot inzicht gekomen, dat zij ondanks de beste wil en de grootste opoffering slechts onnutte knechten Zijn.

Ook nu zucht menigeen onder de druk van het kennen van zijn zwakheden. Zo hoeft hij zich, evenals de zieke in het evangelie, alleen tot Mij te wenden met het vaste geloof, dat Ik hem zal genezen en hij zal spoedig in zijn binnenste de stem horen, die hem toeroept: "Uw zonden of dwalingen zijn u vergeven! Neem uw bed op en ga naar huis!" Dat wil zeggen: "Verlaat je niet op anderen, niet op toekomstige gebeurtenissen en betere omstandigheden, maar werp de zwakheden, in wier bed u tot nu toe gelegen hebt, van u af! Neem uw verkeerde opvattingen en dwalingen op uw schouders, draag ze en ga met stevige pas uw vervolmaking tegemoet! Uw opvattingen en dwalingen, waarop u tot nu toe als een zieke hebt gelegen, zullen u op uw weg vooruit niet hinderen, daar het u nu lichter is geworden, en u zult ze dan ook al gaande weg volledig kwijtraken! U moet alleen de zaken omkeren. Vroeger lag of rustte u op hen, nu moet u ze, welbewust van hun betekenis, zelf op uw schouders nemen, zonder dat zij u als gevolg van hun gewicht tot last mogen worden!

Zo moet ook u, die Ik vanuit velen bevoorrecht en met Mijn leer vertrouwd gemaakt heb, met de genezing bij uzelf beginnen. Daartoe zend Ik u die omstandigheden, waaronder uw zielekracht beproefd en geoefend moet worden; want ook nu moet Ik de zieken opzoeken. Ik moet hen helpen, opdat zij als ze genezen zijn tot goed voorbeeld kunnen dienen voor anderen.

Ook Ik kan op een oud zondenkleed geen nieuwe lap vastmaken en geen nieuwe wijn in oude zakken doen. Beide dingen houden dan geen stand. Het kleed scheurt en de zak barst. Allereerst moet dus het oude kleed of de oude zak opzij gelegd worden, de oude Adam moet uitgetrokken worden, wil de nieuwe er voor in de plaats komen. Vooraf moeten de zonden, de veroorzakers van het kwaad, vergeven, dat wil zeggen uitgeroeid worden - pas dan kan de voormalige zieke als genezen zijn weg moedig verder gaan. Bij dit alles moet echter elk woord, elke daad en iedere gebeurtenis bijdragen om de arbeiders te vermeerderen, die voor de oogst nodig zijn.

Ik zei al eens: "Velen zijn geroepen, doch weinigen uitverkoren!" Er zijn nog vele kreupelen, blinden en lammen. Zij moeten allen gezond worden. Daartoe zijn bekwame arbeiders nodig in Mijn wijngaard, en deze arbeiders moeten tegen iedere arbeid opgewassen zijn, willen zij hun dienst vervullen. Ditis pas dan mogelijk, wanneer ook zij de school van kennis en inzicht, die zij anderen willen bijbrengen, doorlopen hebben.

Zo vormt zich voor hen een ketting van beproevingen, lijden en strijd, die als laatste resultaat zullen hebben het afleggen van aangewen­de gewoonten, en de vernieuwing met het kleed van de goddelijke

 

waarheid, opdat ook zij allen de roep kunnen volgen: "Sta op, neem uw bed op en ga naar uw huis!"

U was allen ziek, min of meer verlamd. Ik heb u de middelen ter genezing voldoende aangereikt. Wanneer u volledig genezen zult zijn, dan zult u de arbeiders zijn voor de oogst, die binnenkort in grotere mate dan tot nu toe bewerkt moet worden.

Streef er daarom naar, dat ieder van u zijn plicht, zoals Ik die van hem kan en mag verlangen, op zijn plaats getrouw vervult, daar het bij u aan geneesmiddelen niet ontbreekt! Amen.

 

45

 

De 18e zondag na Trinitatis

 

De gelijkenis van het koninklijke bruiloftsmaal

 

Matth.22, 1-14: En Jezus antwoordde en sprak wederom in gelijkenissen tot hen en zeide: Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een koning, die voor zijn zoon een bruiloft aanrichtte. En hij zond zijn slaven uit om de ter bruiloft genodigden te roepen, doch zij wilden niet komen. Wederom zond hij andere slaven uit, met de boodschap: Zegt de genodigden: Zie, ik heb mijn maaltijd bereid, mijn ossen en gemeste beesten zijn ge­slacht en alles is gereed; komt ter bruiloft. Maar zij sloegen er geen acht op en gingen heen, de een naar zijn akker, de ander naar zijn zaken. De overigen grepen zijn slaven, en zij mishan­delden en doodden hen. En de koning werd toornig, en hij zond zijn legers uit en verdelgde die moordenaars en stak hun stad in brand. Toen zeide hij tot zijn slaven: De bruiloft is wel gereed, maar de genodigden waren het niet waard. Gaat daarom naar de kruispunten der wegen en nodigt allen, die gij aantreft, tot de bruiloft. En die slaven gingen naar de kruispunten der wegen en verzamelden allen, die zij aantroffen, zowel slechten als goeden. En de bruiloftszaal werd vol met hen, die aanlagen. Toen de koning binnentrad om hen, die aanlagen, te overzien, zag hij daar iemand, die geen bruiloftskleed aanhad. En hij zeide tot hem: Vriend, hoe zijt gij hier gekomen zonder bruilofts­kleed? En hij verstomde. Toen zeide de koning tot de bedien­den: Bindt hem aan handen en voeten en werpt hem uit in de buitenste duisternis; daar zal het geween zijn en het tandenge­knars. Want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren.

 

(26 april 1872)

 

Hier ligt de gelijkenis van een bruiloft voor u, waarmee Ik de Farizeeën hun eigen intriges en de gevolgen daarvan duidelijk wilde maken; want zij leefden steeds in de waan, dat niemand hun streken doorzag. Ik, die probeerde hen tot betere inzichten te brengen, verhulde bij veel gelegenheden Mijn woorden en vermaningen, die Ik tot hen richtte, in gelijkenissen die voor de Farizeeën wel, maar voor het volk niet altijd begrijpelijk waren. Ik wilde hun autoriteit, hun aanzien bij het volk niet helemaal te niet doen, zolang zij nog voor verbetering vatbaar waren. Omdat Ik echter altijd de spijker op de kop sloeg, groeide hun woede tegen Mij steeds meer, totdat hun uiteindelijk, zoals het bestemd was, gelegenheid en macht gegeven werd om aan Mij te vervullen wat de profeten reeds lang geleden voorzegd hadden en wat Ik ook Mijn discipelen als Mijn toekomstig lot en einde geprofeteerd had.

Hier nu, in deze gelijkenis, vergeleek Ik het hemelrijk of de Vader in de hemel met een koning, die voor het feestmaal van zijn zoon uitnodigingen liet uitgaan aan vrienden en bekenden, maar overal een ontwijkend of afwijzend antwoord ontving. De hierover vertoornde koning nam wraak op hen door hun have en goed te laten verbranden en henzelf te doden.

Bij de tweede uitzending van zijn knechten liet hij iedereen uitno­digen, die zij op de straten en pleinen zouden vinden en de knechten brachten goeden en slechten naar de tafel van de heer. Onder deze binnen gebrachte gasten bevond zich er ook één, die geen bruiloftskleed droeg. Toen hij niets ter verontschuldiging kon antwoorden, werd hij naar buiten geworpen in de buitenste duisternis om daar voor zijn fout te boeten. En het einde van de gelijkenis waren de belangrijke woorden: "Velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren!"

Dat is de inhoud van deze gelijkenis. Om ze echter geestelijk te kunnen begrijpen, moeten we alle aangevoerde omstandigheden on­derzoeken, totdat wij aan de eigenlijke geestelijke betekenis van de gelijkenis komen en ons haar toepassing duidelijk wordt voor die tijd, voor nu en ook voor de toekomstige. U moet altijd bedenken, dat in de woorden uit Mijn mond een diepere betekenis ligt, dan de toehoor­ders destijds dachten en ook vele lezers in de huidige en toekomstige tijd zullen vermoeden. Wij zullen daarom allereerst met de vorm van deze gelijkenis beginnen, opdat u ziet, hoe alles zijn diepe, geestelijke betekenis heeft, wanneer het geestelijk belicht voor het innerlijke oog van de zielemens geplaatst wordt.

Ik vergeleek het hemelrijk met een koning, die voor zijn zoon een bruiloftsmaal wilde geven. Zie, dit vergelijk betekent in de diepste zin de toekomstige volledige vermenging of vereniging van de materiële­ met de geesteswereld of de oplossing van de materie en de bevrijding van de in de materie opgesloten geest, om zijn vereniging met de Hogergeplaatste te verwezenlijken.

Het eerste beeld - een bruiloft - betekent de vereniging van twee tot één geestelijk wezen, ook al zijn ze gescheiden in twee lichamen. De bruiloft is het beeld van de hoge of hoogste tijd, waarin gelijkgezinden elkaar vinden en verenigd dat volbrengen, wat voor de enkeling niet mogelijk geweest zou zijn.

Voor deze vereniging of bruiloft, die - zoals gebruikelijk - op aarde met een bruiloftsmaal gevierd wordt, was iedereen uitgenodigd die waardig geacht werd voor deelname; de gelijkenis vertelt echter, dat de genodigden weigerden deel te nemen aan het bruiloftsmaal.

Zie, dit bruiloftsmaal betekent de hele periode vanaf de schepping van de mens tot aan de zondvloed. De aarde, pronkend in haar bruiloftskleed, nodigde alle mensen uit voor een geestelijke vereniging. Als stoffelijk beeld van het vreugdevolle ontwikkelingsproces van de hele schepping wilde zij de geestelijke wezens, de mensen tot dit vreugdefeest aantrekken. De mensen echter, die de zinnewereld en haar geneugten meer aanhingen dan het geestelijke, letten niet op de uitno­digingen en de oproep om zich naar het hogere te richten, maar zij gaven de voorkeur aan het lagere. En dus moest, opdat de vereniging van Mijn geestenrijk met de materie toch zou geschieden, de zondvloed een einde maken aan de hele toen levende mensheid en juist die mensen treffen, die Ik met alle voortreffelijke eigenschappen uitgerust had en door alle mogelijke middelen liet onderrichten en opvoeden.

N a deze catastrofe ging naar de overgebleven nakomelingen in latere tijden weer een uitnodiging uit om zich gereed te maken voor het feest van vereniging, en de toen levende mensheid verlangde, geschrokken van het vroegere gericht, maar ook door een innerlijk gevoel gedreven, naar een vereniging van het geestelijke, van het in het lichaam gebon­dene met de hogere regionen van de geestelijke wereld. Dit verlangen werd evenwel niet duidelijk ontwikkeld en werd door verschillende mensen verschillend uitgelegd; daarom kwamen, zoals de gelijkenis zegt, goeden en slechten naar deze bruiloftstafel.

Zo, vervolgt de gelijkenis, bevond zich onder deze genodigden ook een mens, die geen bruiloftskleed droeg en daarom in de buitenste duisternis geworpen werd. Dit wil zoveel zeggen als: Allen die op zijn minst een drang naar geestelijke verbetering ondervonden, verkeerden in de zoete hoop hun wensen, hun ideeën vervuld te zien. Zij waren allen vol vreugdevolle hoop, dat wil zeggen een ieder trok - figuurlijk gesproken - het beste wat hij had, als bruiloftskleed aan. Zo droegen de goeden hun innerlijke liefde, hun innerlijke ware streven om steeds zuiverder en beter te worden openlijk ten toon, ja zelfs de minder goeden en zelfs de slechten tooiden zich naar buiten toe met het kenteken van de vromen, omdat zij zich toch beter wilden doen voorkomen dan dat zij werkelijk waren.

Alleen een enkeling, zoals de gelijkenis zegt, bekommerde zich noch om het zijn, noch om de schijn. Hij wilde zich vertonen zoals hij was, maar wilde ook aan deze vereniging deelnemen, vooropgezet, dat zij overeen zou komen met zijn opvattingen. En deze enkeling, die Mij, de Koning, zo brutaal het hoofd wou bieden, is niemand anders dan de door Mij sinds lang verstoten geest Lucifer of satan, die als geperso­nifieerd kwaad principe de tegenpool van Mijn eigen Ik uitmaakt. Nu, deze kwade, met opzet meest kwade geest werd in de buitenste duister­nis gestoten, waarin gejammer en tandengeknars is, of - met andere woorden gezegd - waarin hij, overgelaten aan de duisternis van zijn eigen gemoed, zo lang mag wachten, totdat een in hemzelf opkomende verbetering zijn terugkeer mogelijk maakt.

Wat nu de satan als persoon is, dat vertegenwoordigt op uw aarde dat soort mensen, dat goed op de hoogte is van het goede en het edele, doch wetens en willens het slechte liefheeft en uitvoert. Met de aandui­ding "goeden en slechten", die aan de bruiloftstafel zaten zijn al diegenen bedoeld die zondigen, omdat zij te zwak zijn, maar, deels zwichtend onder hun eigen zwakheden, ten minste de drang tot verbeteren niet verloren hebben en die niet verachten noch met voeten treden. De slechtsten, onverbeterlijken en de meest achtergeblevenen in de schepping zijn die geesten en zielen, die het goede wel kennen, maar het uit haat er tegen niet uitvoeren en waar mogelijk anderen tot afval van het goede willen verleiden. Dit pogen is van duivelse aard, omdat de door Mij in alle geesten en wezens ingelegde drang der liefde zich toegewend heeft naar het slechte in plaats van naar het goede.

Dat de Farizeeën zich aangesproken voelden door het beeld van de mens zonder bruiloftskleed, was wat hen met woede vervulde. Zij merkten dat zij door eigen schuld van alle toekomstige genietingen in het geestesrijk uitgesloten zouden zijn, zolang geen vrijwillige omme­keer hen waardig maakte om Mij te naderen. Daarom luidt het slotwoord van de gelijkenis: "Velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren!" Dit wil zoveel zeggen als: Voor alle geesten van Mijn schepping waren en zijn de poorten van Mijn grote geestesrijk open, maar slechts weinigen zal het lukken om in die ruimten binnen te dringen waar eeuwige vrede, rust en zaligheid heersen. Het zal niet eerder mogelijk zijn, dan tot zij al het wereldlijke en zinnelijke uit hun hart verdreven hebben. Alleen dan zijn zij als uitverkorenen geschikt voor deelname aan Mijn rijk; alleen dan kan hun geestelijke oog ­wanneer daaruit een gelijksoortige hemelse straal schijnt die slechts in de weerschijn van de grote geestelijke lichthemel zijn bevrediging, zijn volledige verzadiging kan en moet vinden - de glans van Mijn liefde­ en lichthemel verdragen.

Hier hebt u de geestelijke betekenis van deze gelijkenis, die, omdat zij door Mij gegeven is, van die tijd af tot op de huidige dag haar betekenis bewaard heeft.

Sedert die tijd zond Ik Mijn knechten uit om allen voor het brui­loftsmaal in Mijn woning uit te nodigen; maar vaak keerden zij onverrichterzake weer terug. De ene eeuw na de andere rolt in de diepten van de afgrond van het verleden, en Ik hield niet op met uitnodigen. Er kwamen wel genodigden; maar gek genoeg verwachtten zij van Mij en Mijn rijk, wat Ik van hen verlangde. Zij keerden het geestesrijk de rug toe en verkozen de lange weg boven de kortere en moeilijker weg.

Nog altijd houd Ik niet op met boden uit te zenden, die Mijn wil verkondigen en de mensen duidelijk moeten maken wat het eigenlijke doel van hun bestaan is en dat zij ondanks al hun tegenstribbelingen binnen een korte of lange tijd toch daar moeten aankomen, waar Ik hen hebben wil. Velen stoppen hun oren toe om de stem van de liefde en vrede niet te horen; zij zijn voor lange tijd verloren. Met verdriet zie Ik hoe de grote massa Mij meer en meer de rug toe begint te keren en in plaats van Mij te volgen, datgene volgt waarvan ze weten dat het slecht is.

Zoals Ik eens, omdat Mijn uitnodigingen tevergeefs waren, door de zondvloed de verloren mensheid moest redden, zo zal Ik ook nu gedwongen zijn om terwille van de goeden en om het doel van de mensheid niet uit het oog te verliezen, een soortgelijke catastrofe over de mensen te laten komen. Alleen zal het materiële water van die tijd vervangen worden door het geestelijke water van Mijn lichtwaarheid. En zoals de mensen zich destijds voor het stijgen van de materiële vloed trachtten te redden, zo zal Ik ze nu met licht overgieten en zal betere geesten opwekken, zodat zij het verspreiden: en wanneer dan overal licht zal zijn, rest de duisterlingen niets anders dan te vluchten voor deze glans en zich te verbergen in de buitenste duisternis van hun eigen zwakheden.

Zo zal zich geestelijk voltrekken wat Ik figuurlijk tegen de Farizeeën zei. Ook nu zullen sommigen zich vertoornen over dit geweldige licht, omdat het hun lang in de duisternis gehouden bouwwerk verlichten zal. Maar het moet licht worden, - al stribbelt satan nog zo tegen; want Mijn rijk is een rijk van licht! Ofwel in de eeuwige duisternis van de eigen ziel, die gelijk is aan de dichtste materie, een lang reinigingsproces voor zich zien, ofwel met opoffering en krachtsinspanning, met lijden en strijd de kortere weg van de erkenning gaan: Dat is het lot van de geesten en van de door Mij geschapen wezens, alsook van de hele mensheid.

Zij zijn allen als geesten genodigd; doch wee degene, die zonder bruiloftskleed in het rijk van het licht wil binnendringen! Het zou hem vergaan als diegene, waarvan deze gelijkenis vertelt: hij zou uitgestoten worden in de duisternis, totdat het vanzelf in zijn innerlijk begint te schemeren! Zoals Ik in de tijd van Mijn zichtbaar gaan over uw aarde door Mijn woorden alle duistere hoeken van het menselijk hart wilde verlichten, evenzo moeten ook bij Mijn naderende komst alle harten licht hebben of toch minstens ontvankelijk gemaakt zijn voor het licht, opdat het bruiloftsfeest gevierd kan worden. Dan zal Ik als Koning en Vader voor de zoon, Mijn geesten, het bruiloftsmaal bereiden, en wij zullen één van hart en één van zin het jubelfeest van de grootste geestelijke vereniging vieren, waarvoor Ik destijds het grootste voor­beeld van deemoed en liefde voor u allen heb gegeven. Amen.

 

46

 

De 19e zondag na Trinitatis

 

De genezing van de zoon van de hoveling

 

Joh. 4, 47-53: En er was te Kafarnaüm een hoveling, wiens zoon ziek was. Toen deze hoorde, dat Jezus uit Judea naar Galilea gekomen was, ging hij tot Hem en verzocht Hem te komen en zijn zoon te genezen; want deze lag op sterven. Jezus zeide dan tot hem: Indien gijlieden geen tekenen en wonderen ziet, zult gij niet geloven. De hoveling zeide tot Hem: Heer, kom af, eer mijn kind sterft. Jezus zeide tot hem: Ga heen, uw zoon

leeft! De man geloofde het woord, dat Jezus tot hem sprak, en ging heen. En reeds terwijl hij afdaalde, kwamen zijn slaven hem tegemoet en zeiden, dat zijn kind leefde. Hij vroeg hun naar het uur, waarop de beterschap was ingetreden; zij zeiden tot hem: Gisteren op het zevende uur werd hij vrij van koorts. De vader dan bemerkte, dat het dat uur was, waarop Jezus tot hem gezegd had: Uw zoon leeft, en hij werd zelf gelovig en zijn gehele huis.

 

(27 april 1872)

 

Dit hoofdstuk vermeldt een daad, waarbij Ik een stervend kind alleen door het woord zijn gezondheid teruggaf. Het bewijst u, hoe machtig het woord is en hoe het, begeleid door een standvastige wil, dingen kan bewerken, die voor de gewone man onmogelijk schijnen.

Ook deze hoveling ervoer hetzelfde, toen hij op de terugweg reeds van de hem tegemoet snellende knechten vernam, dat zijn kind het leven terugkreeg op hetzelfde moment, waarop Ik het veelbetekenende woord had uitgesproken.

Bij deze daad had Ik drieërlei bedoelingen. Ik wilde Mijn discipelen en Mijn volgelingen laten zien, dat de hoveling ten eerste een man uit de hogere stand en ten tweede daarbij ook nog een heiden was, en ten derde zou zijn beproeving als standvastig gelovige alle aanwezigen de ogen openen voor datgene, wat bij hen nog het meest ontbrak.

Reeds op een andere plaats zei Ik tegen de Joden, dat alles van hen afgenomen en aan de heidenen geschonken zal worden, omdat juist zij, de in eerste instantie uitverkorenen, zo koppig waren om Mij en Mijn zending niet te erkennen; - dat deze zegen hen ontnomen en aan de heidenen gegeven zou worden was, omdat bij dezen Mijn leer een betere akker zou vinden.

Daarbij wilde Ik hen laten zien, dat niet alleen het onontwikkelde volk uit de laagste klasse tot Mij kwam, maar ook mensen uit de hogere standen, die wetenschappelijk onderlegd waren en zich niet schaamden om naar Mij toe te snellen en Mij door woord en daad om hulp te smeken.

Hier was het weliswaar niet alleen de overtuiging van Mijn macht, maar veel meer de liefde voor zijn kind, die deze Romein tot Mij dreef; want pas na de genezing volgde de overtuiging op de voet. Daarom zei Ik ook tegen hem: "Indien gij geen tekenen en wonderen ziet, gelooft gij niet!" Ik zei dat, omdat Ik wel wist, dat deze man na de genezing van zijn kind niet anders kon dan te geloven. Het feit stond toch tastbaar voor hem, namelijk: in plaats van zijn dode, zijn genezen kind.

Het allerbelangrijkste was echter de derde bedoeling. Ik wilde Mijn discipelen en de overige vereerders van Mijn woord door middel van voorbeelden laten zien, dat voor alle daden als hoofdfactor van de zijde van de vragenden het vertrouwen op Mij nodig is, hetgeen juist meestal bij hen ontbrak. Daarom was dit voorval geschikt om hen te tonen dat men nooit bedrogen uitkomt, wanneer men Mijn woord absoluut gelooft en daarop vertrouwt.

De hoveling ging van Mij weg en had een grote afstand af te leggen om thuis te komen; maar hij verliet Mij met het vaste vertrouwen, dat zijn zoon zou leven, omdat Ik tegen hem zei: "Uw zoon leeft!" Juist dit vertrouwen op Mijn woord en dit standvastig geloven, dat mogelijk is en steeds aanwezig zou moeten zijn, wilde Ik door een daad aan Mijn discipelen en toehoorders laten zien.

Zo was deze daad vruchtbrengend voor Mijn omgeving; want Ik liet niet na om deze drie argumenten en Mijn daarmee verbonden bedoe­lingen uiteen te zetten.

Twijfelaars waren daar ook; ja zelfs deze hoveling was een twijfelaar, ondanks zijn geloof in Mij. Hij ondervroeg zijn knechten, wanneer deze verandering in de ziektetoestand van zijn zoon plaatsgevonden had. En  pas toen hij hoorde, dat het op hetzelfde ogenblik was, als Ik het hem gezegd had, pas toen was hij vast overtuigd van Mijn goddelijkheid en hij, evenals zijn hele huis geloofde in Mij en Mijn zending.

Zie nu, hoe dit voorbeeld - als een schakel in de grote ketting waarmee Ik Mijn leer op aarde wilde bevestigen en blijvend verankeren - u laat zien, dat een gelukkige afloop alleen dan kan worden verkregen, wanneer de smekende een vast vertrouwen heeft. Ook nu wil Ik u in herinnering brengen, dat zonder een vast vertrouwen op Mij en zonder vertrouwen in Mijn beloften, die Ik u dikwijls geef, geen bevredigend resultaat kan worden verwacht. Zoals bij een lichamelijke genezing niet alleen de arts de gezondheidsbrenger is, maar het vertrouwen in hem en de vaste overtuiging van de werkzaamheid van de middelen, die hij aanwendt een hoofdfactor, ja vaak dé hoofdfactor zijn, die de genezing kan brengen, evenzo is bij ieder verzoek aan Mij - om geestelijke en ook wereldlijke dingen - het vertrouwen in of het zich toevertrouwen aan Mij de machtigste hefboom, die de vervulling kan bespoedigen en verwerkelijken. Dit vaste vertrouwen bindt Mij meteen om dat te

verlenen, wat Mijn kind aan Mij als zijn Vader vraagt; waar anders zou de Vaderliefde zich kunnen tonen, dan juist in het inwilligen? In de weigering zeker niet!

Reeds eerder heb Ik het met u gehad over "vertrouwen", niet lang geleden nog over "geloven", en nu zal deze uiteenzetting over beiden gaan - echter in een andere zin. Het vertrouwen moet hier als het toevertrouwen aan Mij worden verklaard en het geloof niet als de machtige hefboom om zelf daden te volbrengen, maar als vaste over­tuiging van het gewicht van Mijn woorden en Mijn beloften.

De hoofdman in het evangelie had dit toevertrouwen en de vaste overtuiging, dat Mijn woorden niet konden bedriegen, vandaar dat hij Mij getroost verliet en naar huis ging. Hij was ervan overtuigd dat hij zijn kind gezond zou weervinden.

Begrijpt u, wat dat voor een geloof is, dat in de borst van een vader zo machtig kan werken, dat hij afziet van Mijn persoonlijke komst in zijn huis en alleen Mijn woorden, Mijn verzekering gelooft, als het gaat om het leven van zijn enig kind?

Waar hebt u dit vertrouwen reeds getoond, u, die Ik met zoveel genadewoorden overstelpt heb en zo vaak door de daad heb laten zien, hoe Ik steeds met u ben? - Leg de hand op uw hart en beken open en eerlijk, dat u in geloof en vertrouwen nog ver achter blijft bij de man in het evangelie.

U bent bij de minste tegenspoed, die u treft, moedeloos. U snelt meteen naar Mijn schrijfknecht en verlangt directe woorden van Mij, daar u nog doof bent voor Mijn stem, die u in uw hart zo vaak troostend wil toespreken. Zo bent u, die u zelf nog wel tot de uitverkorenen wilt rekenen!

Ik wil u door dit voorbeeld weer tot de juiste maat van eigenwaar­dering terug brengen, opdat u erkent wat u ontbreekt en hoe ver u nog van het eigenlijke doel van wedergeborene verwijderd bent.

Wanneer u als bevoorrechten zo bent, wat moet Ik dan van diegenen verwachten, bij wie het aan deze genadewoorden ontbreekt, die in de stroom van de wereldchaos heen en weer geslingerd worden en ondanks alle vermaningen en lijden, dat Ik over hen laat losbarsten, niet tot bezinning kunnen komen?

Hier in deze uiteenzetting wil Ik u tonen waarde grens van het vragen aan Mij moet liggen, opdat u niet bij iedere gelegenheid komt vragen en van Mij een antwoord wilt hebben.

Iedere vraag van u aan Mij is een gebrek aan toevertrouwen, gebrek aan vertrouwen, gebrek aan geloof, gebrek aan het eigenlijke begrijpen van Mijn woorden en gebrek aan besef wat het eigenlijk wil zeggen, Mij iets te willen vragen. Had u een juist begrip van Mijn grootte en Mijn heiligheid, dan zou u ook de waarheid van Mijn woorden vaststellen, die Ik u in de evangeliën gegeven heb in antwoord op uw vaak eenvoudige vragen. Ik had als doel om u alle geheimen van Mijn natuur, van uw hart, Mijn menswording en Mijn toekomstige weder­komst duidelijk te maken.

Alleen, u bent nog lang niet tot het inzicht gekomen, wat een Schepper en Heer van het universum is, daarom vraagt u vaak teveel, waarop Ik natuurlijk niet als Heer, maar als een liefhebbende Vader geduldig

antwoord. Maar het zou u beter staan om er wat dieper over na te denken waartoe de vele woorden dienen, die Ik u tot nu toe door Mijn schrijver gegeven heb. U moet ze niet alleen lezen, overschrijven en in boeken laten inbinden, neen, u moet er naar streven om ze u eigen te maken, U moet door hen Mijn hele materiële schepping steeds meer leren begrijpen, evenals de eigenlijke waarde van de aardse goederen en uw zending en positie in het heelal. U moet in het kleinste atoom en zonnestofje, dat in de lucht rondzweeft, tot aan de grootste, meest ver verwijderde ster, die als een centraalzon u zijn licht vanaf miljoenen en miljoenen mijlen toe straalt, overal uw Vader herkennen, die ofschoon groot, zich in het kleinste en in het geringste juist het machtigste vertoont.

Uit deze overdenkingen moet u het bewijs putten, dat Zijn woorden net zo waar en werkzaam zijn als de taal van Zijn schepping, en hoe groot, onmetelijk, goed en liefdevol Hij is. Aan Zijn toezeg­gingen en beloften moet het grootste geloof gehecht worden, omdat het geen woorden van een eindig, maar wel van een oneindig hoogst Wezen zijn, dat is neergedaald in een nietige mensengestalte om u het bewijs van de grootste deemoed en de grootste zelfverloochening te geven.

Leer van de hoofdman in het evangelie, wat het wil zeggen om vertrouwen in Mijn woord te hebben! Hij stelde bij het grootste verdriet, het verlies van zijn kind, Mijn woorden hoger dan deze pijn, wierp zich vol vertrouwen in Mijn armen en werd in zijn verwach­tingen niet bedrogen.

Deze u in het evangelie van Johannes meegedeelde daad nam Ik als onderwerp ter belering, niet om de hele toekomstige mensheid, maar om Mijn uitverkorenen een maatstaf te geven, hoe zij al Mijn woorden moeten opvatten en daarop moeten vertrouwen; want alleen dan, wanneer ze in dit vertrouwen een standvastig en waar toevertrouwen aan Mij zullen hebben, kunnen zij ook hopen iets dergelijks bij anderen op te wekken. Anders zijn zij gelijk aan de meeste priesters van uw tijd, die iets verkondigen wat zij zelf niet geloven. Zo kan Mijn rijk op aarde niet gevestigd, zelfs niet eens opgericht worden.

Allereerst moet u en alle latere uitverkorenen, zoals eens Mijn discipelen, met het goede voorbeeld voorgaan, wanneer u wilt dat iemand u zal volgen!

Neem dus deze hoveling als voorbeeld! Word sterker in vertrou­wen en geloven en u zult rust en vrede hebben en beide overal kunnen verspreiden! Amen.

 

47

 

De 20e zondag na Trinitatis

 

De gelijkenis van de ontrouwe knecht

 

Matth. 18, 23-35: Daarom is het Koninkrijk der hemelen te vergelijken met een koning, die afrekening wilde houden met zijn slaven. Toen hij begon te rekenen, werd een voor hem geleid, die tienduizend talenten schuldig was. Omdat hij niet bij machte was te betalen, beval zijn heer hem te verkopen, met zijn vrouwen kinderen en al wat hij bezat, opdat er betaald kon worden. De slaaf wierp zich neder als smekeling en zeide: Heb geduld met mij en ik zal u alles betalen. De heer van die slaaf kreeg medelijden met hem en liet hem vrij en schold hem de schuld kwijt. Toen die slaaf wegging, trof hij een zijner mede­slaven aan, die hem honderd schellingen schuldig was, en hij greep hem bij de keel en zeide: Betaal wat gij schuldig zijt. De medeslaaf nu wierp zich voor hem neder en bad hem dringend, zeggende: Heb geduld met mij en ik zal u betalen. Doch hij wilde niet, maar ging heen en zette hem gevangen, totdat hij het verschuldigde zou betaald hebben. Toen nu zijn medeslaven zagen, wat er gebeurd was, werden zij zeer verdrietig en gingen hun heer al wat er gebeurd was, mededelen. Toen ontbood zijn heer hem en zeide tot hem: Slechte slaaf, al die schuld heb Ik u kwijtgescholden, daar gij het mij dringend hadt gevraagd. Hadt ook gij geen medelijden moeten hebben met uw medeslaaf, zoals ook ik medelijden had met u? En zijn meester werd toornig en gaf hem in handen van de folteraars, totdat hij hem al het verschuldigde zou betaald hebben. Alzo zal ook Mijn hemelse Vader u doen, indien gij niet, een ieder zijn broeder, van harte vergeeft.

 

(28 april 1872)

 

Reeds vaker heb Ik u gezegd, dat Ik Mijn discipelen en Mijn andere aanhangers alles in details moest uitleggen, wat in Mijn twee liefdege­boden is gezegd en in de tien geboden van Mozes nog duidelijker is uitgelegd. Alleen, daar Ik met mensen te doen had, die graag uitgebreide geboden wilden hebben, opdat zij precies wisten hoe zij zich in verschil­lende gevallen moesten gedragen, was Ik vanwege deze neiging gedwon­gen alles te verduidelijken en hun bij iedere gelegenheid de geboden door nadere uitleggingen of door gelijkenissen zo weer te geven, dat zij voor ieder voorkomend geval in het leven een houvast boden.

Zo vindt u in dit hoofdstuk vanaf het begin tot aan het eind gedragsregels, deels duidelijk, deels in beelden en gelijkenissen uitge­drukt, om Mijn discipelen en de toekomstige aanhangers van Mijn leer niet in twijfel te laten, hoe zij zich in alle voorkomende gevallen zouden hebben te gedragen en hoe zij ook anderen daarover met veel succes kunnen onderwijzen.

Mijn discipelen waren nog als onmondige kinderen, die aanvanke­lijk de hoge betekenis van Mij en Mijn rijk niet konden vatten, zoals later na het ontvangen van Mijn Geest. Dus vindt u vaak vragen, zo onschuldig en eenvoudig, dat het verbazingwekkend is. Hoe konden Mijn discipelen, die steeds onder de invloed stonden van Mijn aanwe­zigheid, van Mijn woorden en daden, nog vragen: "Wie is de grootste in de hemel?" Wanneer nu Mijn discipelen nog zulke vragen konden stellen, dan kunt u zich indenken, hoe dan de andere, minder ingewij­den dachten. Vandaar is ook het antwoord, dat Ik hen daarop gaf eenvoudig, evenals de volgende in de andere verzen.

Ik vergeleek de eenvoud van het kind met het engelengemoed van de dichtst naast Mij staande wezens. Zoals Mijn engelen zich niet gekrenkt moeten voelen, zo moeten ook de gemoederen die rijk zijn aan kinderlijke eenvoud niet vertoornd worden, omdat in hen geen valsheid is en kinderen in het algemeen met het volste vertrouwen een ieder tegemoet gaan, die naar hen toekomt. Daarom is het de grootste zonde om deze eenvoud met valsheid, hoon, spot en haat te bejegenen. Daarop slaan de andere verzen, waarin figuurlijk gezegd wordt dat, wanneer een hartstocht de ziel van een mens beheerst, het beter is deze proberen te overwinnen, dan dat de hele ziel door deze ene hartstocht verloren gaat.

Deze voorbeelden en gelijkenissen zijn in beeldende taal van die tijd gegeven, zoals ook heden ten dage in het Oosten de beeldspraak nog zeer gebruikelijk is.

Nadat Ik Mijn discipelen had voorgehouden dat het beter is om een deel van het "ik" op te offeren dan de hele zielemens, wees Ik hen in de daarop volgende verzen op de vreugde, die Ik als Schepper heb, wanneer niets verloren gaat van hetgeen Ik in de wereld heb uitgezet, maar dat alles eens gereinigd en vergeestelijkt naar Mij terugkeert. Dat is in de gelijkenis van de herder en het verloren schaap voldoende uitgedrukt.

Om de verlorenen te winnen, gaf Ik - zoals de verdere verzen berichten - Mijn discipelen de middelen aan hoe ze de verdwaalden en zij die verkeerd handelden konden beteren, zonder hun eigenliefde teveel aan te tasten. Ik gaf hun adviezen, wat met verstokte zondaars of minder hardnekkigen is te doen. Ik gaf hun verder de verzekering, dat wanneer twee zich verenigd hebben, in hun opvattingen één geworden zijn en Mij om Mijn zegen vragen, Ik hen deze niet zal weigeren. Ik zei hun, dat waar twee in Mijn naam vergaderd zijn, Ik als derde, als verbindende - en vredesgeest midden onder hen zal zijn. Ik hield hen voor, dat de fouten van een berouwvolle broeder niet slechts éénmaal, maar oneindig veel keren vergeven moeten worden, om mogelijk te maken dat hij zich betert. Ik zei hun ook: wanneer zij, toegerust met de deugd van verdraagzaamheid, een broeder zijn fouten vergeven, dan zouden deze hem ook door Mij vergeven en vergeten worden.

Ik bracht hun de gelijkenis van de ontrouwe knecht voor ogen. Met deze gelijkenis wilde Ik zeggen, wat Ik hen reeds leerde in het gebed dat Ik hun had achtergelaten, waarin staat: "Vergeef ons onze schuld, gelijk ook wij vergeven aan onze schuldenaren!", - dus dat zij in hardnekkige gevallen niet het geduld verliezen; niet verdoemen, waar zij moeten vergeven en niet vervloeken, waar zij moeten zegenen.

Ik hield hun daarom het voorbeeld van de ontrouwe knecht in zo'n scherp licht voor, opdat zij geen reden zouden vinden om hard te zijn - ook niet in een paar woorden -, zij het uit overdreven ijver, zij het uit werkelijke verkeerde beoordeling en intolerantie tegenover de mense­lijke fouten. Zo leerde Ik hun Mijn lankmoedigheid en grenzeloze geduld begrijpen en zo bewees Ik hun, waarom Ik Mijn zon laat opgaan over goeden en slechten, omdat Mijn "Ik" juist alleen liefde is en liefde niet straffen, maar alleen verbeteren wil.

In dit hoofdstuk vindt u het hele menselijke leven geschilderd, hoe het zou moeten zijn: hoe de mens, alleen door liefde geleid, allereerst als een kind vertrouwensvol zijn blik op Mij moet richten, alles zonder valsheid en zonder bijgedachten moet doen en geen ander doel voor ogen moet hebben, dan alleen Mij, zijn Vader, welgevallig te zijn om zo de naam "Mijn kind" waardig te worden. Verder wordt aangetoond, hoe de mens met kinderlijke eenvoud steeds weer liefde moet oproepen en dat het slecht zou zijn om zo iemand die in alle eenvoud en vertrouwen tot ons komt, het goede dat hij wil met kwaad te vergelden. Er wordt getoond hoe de mens de naastenliefde moet verstaan en uiterst teder en zachtzinnig moet proberen zijn broeder op zijn fouten opmerk­zaam te maken, hoe hij alleen in de meest erge gevallen naar strenge middelen moet grijpen, en telkens moet vergeven, vergeten en zelfs ten slotte kwaad met goed moet vergelden.

In dit hoofdstuk ligt de hele geestelijke opdracht van de mens, hoe hij zichzelf moet opvoeden tot het kind, zoals Ik het wens, en hoe hij op zijn tijdgenoten moet inwerken om ook hen in Mijn armen te leiden, om vervolgens zodanig in het hiernamaals te staan, als Ik bij het scheppen van de eerste mens gewild heb, namelijk als Mijn waardig evenbeeld.

Zo moet u Mijn evangelie lezen en opvatten, dan zal het genadelicht u verlichten en zult u in de gelijkenissen niet de harde bast van de levensboom herkennen, maar de achter haar verborgen kern van god­delijke waarheid. Om dit, wat voor de profane ogen verborgen is, te kunnen en te begrijpen, daartoe behoren geestelijke ogen en een diep begrip.

Zo wordt de Bijbel een rijke vindplaats en een lichtbron voor alle menselijke betrekkingen en de verstandige lezer zal vinden, dat reeds sinds meer dan duizend jaren de kostbaarste schatten in dit boek bewaard liggen, om de mensheid tot enige leider te zijn en haar te tonen, hoe Ik er reeds in die tijd voor gezorgd heb, dat niets verloren zou gaan, van wat gezegd werd voor alle tijden en eeuwigheden.

Nu, waarde tijd spoedig nadert, waarin de mensen strenger gevraagd zal worden, of zij eigenlijk wel weten, waartoe zij op de wereld zijn en of zij ook weten, waarom Ik op deze aarde kwam, nu is het hoog tijd om de bast van de letter en woordelijke inhoud van Mijn evangelie weg te nemen en de mensen onder deze schijnbare harde bast de glanzende stroom van het goddelijk licht te tonen, opdat zij dat wat zij voor zichzelf en anderen verzuimd hebben, nog in deze laatste tijd in kunnen halen en zo hun zending kunnen vervullen. Vandaar Mijn vele ophel­deringen en uitleggingen aan u, vandaar deze hele reeks van zon­dagspredikingen, opdat niemand kan zeggen dat hij dit of dat niet heeft geweten of begrepen.

Ik ben de God van licht, liefde en wijsheid. Wanneer Ik eenmaal terugkom, kan geen duisternis naast Mij bestaan. Het moet daarom licht worden in de harten van alle mensen. Zij moeten allen leren om lief te hebben en deze liefde, met wijsheid verbonden, voor hun naasten te gebruiken.

De reden van Mijn woorden, de oorzaak van Mijn vermaningen en het einddoel van Mijn streven is om u op deze wijze tot Mijn kinderen te maken en de wereld weer in een paradijs te veranderen, zoals zij ten tijde van de eerste mensen was, waarin geen haat, geen toorn, geen spot, maar liefde, vrede en rust alle schepselen bezielde en de mens, het laatste scheppingswerk van de aarde, alle goddelijke eigenschappen in zich verenigde.

Zo moet het worden en daar moet alles naar streven! Streef ernaar ­u en alle mensen - uw opdracht zo te vervullen, door zo goed als mogelijk is te worden! Draag er uit alle macht toe bij om uw medemen­sen de weg naar hetzelfde doel te wijzen, dan zijn Mijn woorden aan u niet verspild en u zult, de naam van Mijn kinderen waardig, ook de Vader in het hiernamaals vinden, die hier reeds met zoveel liefde en geduld Zijn verdwaalde schapen probeert te redden! Amen.

 

48

 

De 21e zondag na Trinitatis

 

De positie van de Heer tot de overheid

 

Matth. 22, 15-22: Toen gingen de Farizeeën heen en beraadslaagden, hoe zij Hem in een strikvraag konden vangen. En zij zonden tot Hem hun leerlingen, met de Herodianen, die zeiden: Meester, wij weten, dat Gij waarachtig zijt en de weg Gods in waarheid leert en dat Gij u aan niemand stoort; want Gij ziet de mensen niet naar de ogen. Zeg ons dan, wat dunkt U? Is het geoorloofd de keizer belasting te betalen of niet? Doch Jezus doorzag hun valsheid en zeide: Wat verzoekt gij Mij, huiche­laars? Toont Mij het geldstuk voor de belasting. Zij brachten Hem een schelling. En Hij zeide tot hen: Wiens beeldenaar en opschrift is dit? Zij zeiden: Van de keizer. Toen zeide Hij tot hen: Geeft dan de keizer wat des keizers is, en Gode wat Gods is. Toen zij dit hoorden, verwonderden zij zich en zij lieten Hem verder ongemoeid en gingen weg.

 

(29 april 1872)

 

Dit 22ste hoofdstuk is vol van gelijkenissen, die Ik bij de Farizeeën en schriftgeleerden naar voren bracht, om al hun tegenwerpingen juist te weerleggen.

De bovenstaande verzen behandelen een van de valstrikken, die de Farizeeën Mij legden om Mij door een onvoorzichtig antwoord te kunnen overleveren aan de overheid.

De Romeinen, als hun heren, bekommerden zich om niets anders dan over hun heerschappij in het land der Joden; wat echter de godsdienst van de Joden en hun reformatoren betreft - of het nu profeten of predikers waren, zoals Mijn voorloper Johannes of zelfs de verwachte Messias, zoals Ik deze vertegenwoordigde -, dat was hun volkomen om het even, zolang deze vernieuwingen op kerkelijk gebied bleven en zich niet uitstrekten op politiek terrein. Vandaar dat het de Farizeeën hoofdzakelijk daar om te doen was een vraag te vinden, waar Ik bij een eerlijke beantwoording onmogelijk om de politiek heen kon.

Dus zonden de Farizeeën hun leerlingen met enige dienaren van Herodes tot Mij met de dubbelzinnige vraag: "Is het geoorloofd de keizer belasting te betalen of niet?"

Dit was een vraag waarbij zij vermoedden, dat Ik hun als antwoord zou geven dat het offer aan de tempel boven alles gaat en dat de belasting aan de keizer onterecht is, daar deze last door de macht van het zwaard was opgedrongen. - Omdat zij door een dergelijk antwoord de meest treffende bewijzen in de hand zouden hebben, dat Ik het volk met verkeerde uitleg verleidde en het vijandelijk stemde tegenover de rege­ring, meenden zij Mij in conflict te kunnen brengen met de overheid. Opdat de schijn echter niet op hen zou vallen en zij ook getuigen zouden hebben in het geval Ik Mijn antwoord zou ontkennen, zonden zij dienaren van Herodes mee, die Mijn door hen verwachte uitspraken moesten bevestigen.

Ik moet toegeven, de vraag was netelig. Daar de Romeinen niet de rechtmatige heren waren, maar slechts de door omstandigheden opge­drongen bezitters van dit land, vermoedden de Farizeeën, dat Ik als geboren Jood de vreemde heerschappij zou verachten en tegen deze op zou komen. Ik echter, die harten en nieren van de mensen doorgrond en goed wist wat de Farizeeën wilden, antwoordde hun met weinig woorden zo, dat een verdere vraag hunnerzijds onmogelijk werd. Want in het antwoord: "Geef de keizer, wat des keizers is, en Gode wat Gods is!" lag reeds de volledige uitleg, die alleen Ik als Diegene, die Ik was, kon geven - wat nu juist niet het antwoord was dat zij verwachtten.

Daar Ik hun op de Mij aangereikte munt de afbeelding van de keizer en zijn opschrift had getoond, kon Ik niets anders zeggen dan: "Deze afbeelding op de ene kant van de munt toont u, wiens onderdaan u bent; en wanneer u de bedoeling van de afbeelding niet wilt begrijpen, dan bewijst het opschrift op de andere kant het u nog beter. Deze munt is een pasmunt, waarmee u handel en wandel kunt bedrijven en daarmee uw wereldlijke behoeften kunt bevredigen; het geestelijke echter is verheven boven alle munten - zij mogen van goud of van ander metaal zijn -, het geestelijke heeft een andere oorsprong, een andere basis en een ander doel!" Daarmee maakte Ik streng onderscheid tussen de plichtmatige belasting ten opzichte van de wereldlijke macht tegen­over die van de geestelijke overheid.

Mijn aan hen gericht antwoord moest hun zeggen: "Met de belasting aan de keizer koopt u uw wereldlijke ordening, rust en zekerheid; met de geestelijke offers echter verschaft u zich ordening in uw innerlijk, de rust van een zuiver geweten en de zekerheid in het handelen, zodat u weet, wat en waarom u iets doet. Zo verkrijgt u op beide wegen hetzelfde doel, hier in het geestelijke en daar in het wereldlijke. Beide moeten bestaan; want zonder hen is geen samenleven van groepen mensen mogelijk, en zonder hen is niet duidelijk uitgesproken, wat eigenlijk het belangrijkste is: de schatten van de wereld of de schatten van de geest.

Wat Ik tegen de Farizeeën zei, dat heeft ook voor alle latere tijden zijn waarde behouden en zal ze nog verder hebben, zolang de mensen in steden en dorpen samenleven, en zolang nog religie en geloof in een hoogste wezen in hun harten leven. Zo goed als een heerser als wereld­lijk hoofd nodig is, evenzo goed is ook een God nodig, die het hele universum bijeenhoudt. Beiden zijn ordestichters, ordehandhavers en daarom ook de enige wetgevers. De wereldlijke heersers mogen heten zoals zij willen, telkens zal de uitvoerende macht slechts aan één enkeling overgedragen worden; evenzo kan er ook in geestelijk opzicht slechts één regent zijn en geen meerdere goden.

Dat er altijd mensen geweest zijn, die als heerser hun macht mis­bruikten en anderen die geen macht boven zich wilden erkennen, is even natuurlijk, als dat er mensen en volken geweest zijn, die niet genoeg hadden aan één God, en zich een heel leger goden en godinnen schiepen om hun wereldlijke hartstochten aangenaam te kunnen uitle­ven, - waarbij uiteraard ook elke daad door een goddelijk besluit gesanctioneerd was. Evenzo waren en zijn er nog mensen, die helemaal geen heerser, helemaal geen God willen hebben, dan slechts hun eigen ik.

En toch - de mensen mogen doen en laten wat zij willen, de belasting moeten zij overal betalen! Zij moeten aan de wereldlijke heerser een deel van hun verworvenheden, en aan de geestelijke Heerser, namelijk God, alle wereldlijke hartstochten offeren, willen zij bij de eerstgenoem­de in een goed aanzien staan en bij de laatstgenoemde het doel bereiken, dat Hij voor hen gesteld heeft.

Overal dreigt straf bij het niet betalen - hier wereldlijke, daar geestelijke - en dus had Ik wel gelijk, toen Ik de Farizeeën zei: "Geef de keizer, wat des keizers is, en Gode wat Gods is!"; dat wil zeggen: "Vervul uw sociale plichten even zo goed als de geestelijke! Ken uw positie als mens ten opzichte van uw naasten en ten opzichte van de wereldlijke heerser! Vergeet daarbij echter uw verplichtingen niet, die u tegenover Diegene hebt, die u in de wereld plaatste en u talenten of ponden gaf, waarvan Hij eens tienden of belasting zal vorderen! Haal beide plichten niet door elkaar en probeer niet om op één weg beiden tevreden te willen stellen, hetgeen niet mogelijk is; want u kunt u evenmin van het wereldlijke als van het geestelijke volledig ontdoen!"

Wat voor u bij deze uitspraak aan de Farizeeën duidelijk wordt is, dat ook u de belasting aan de wereld niet mag weigeren, zonder echter het geestelijke van uw wezen daarbij in te boeten, zonder daarbij echter ook geheel geest te willen zijn, zolang u nog in het lichamelijke omhulsel deze aardbol moet bewonen! Het is dus nodig om zowel hier in het aardse leven, als ook in het hiernamaals in het hoogste geestelijke leven de juiste middenweg te kennen, opdat niemand in het extreme vervalt, waarin hij niemand tot nut kan zijn, maar zichzelf en anderen slechts schaadt.

Neem daarom ook u dit aan de Farizeeën gerichte woord in acht, waarvan de diepere betekenis uw hele aardse en toekomstige leven verlicht, opdat een foute opvatting geen verkeerde resultaten oplevert! Zoals Ik zei, dat de liefde, als liefde alleen, slechts verderfelijk voor zowel de liefhebbende als de geliefde zou zijn, wanneer zij niet door de wijsheid werd geleid en getemperd, evenzo kan iedere deugd - ook de beste - verderfelijk worden, zo gauw zij boven de grenzen van het mogelijke uit wil.

Vergeet nooit om tijdens uw hele aardse leven aan de wereld dat te geven, wat zij rechtmatig van u mag verlangen!

Geef de wereld, wat van de wereld is, laat echter de wereldlijke bezigheden de geestelijke niet overspoelen! Vergeestelijk, wanneer u wilt, alle mogelijke bezigheden, maar verwereldlijk niet uw heilige, geestelijke eigenschappen, die langer dan dit korte aardse pelgrimsleven moeten duren! Geef Gode wat van God is! Beschouw ook de wereldlijke goederen als geschenken van de hemel; vergeet echter voor de vergan­kelijke, wereldlijke, aardse goederen de eeuwige, blijvende niet! Of­schoon wereld en God naar het schijnt twee verschillende dingen zijn, die verschillende doelen nastreven, toch is het mogelijk om niet alleen aan beide te voldoen, maar ze ook te verenigen, voorzover ook de wereld door God als middel geschapen werd om de geestelijke eigenschappen van Zijn wezens te verhogen en te versterken en zo op deze wijze het grof wereldlijke of materiële weer naar zijn oorsprong terug te leiden, vanwaar het uitgegaan is.

De schatting of belasting moet aan de wereld gegeven worden; want zij leidt naar het geestelijke. Zoals men het licht alleen daarom waar­deert, omdat men de duisternis kent, zo zal men ook het onverganke­lijke dan hoger waarderen, wanneer men het vergankelijke, het wereld­lijke kent. De belasting, die u aan de wereld moet geven, bestaat uit de bestrijding van haar verzoekingen, verder uit een duidelijk inzicht over de eigenlijke waarde van haar goederen, die alleen dan goed benut zijn, wanneer zij een geestelijk produkt van liefde kunnen leveren. Ook de materiële belasting aan de keizer geeft de mens, de onderdaan de rust om zijn vredige arbeid te verrichten en daardoor voor het welzijn van zichzelf en zijn familie te kunnen zorgen. Zo zorgt de leider voor het algemeen en de burger voor zijn eigen welzijn.

Zo is het aardse leven slechts de basis voor een hoger bouwwerk, dat op de ruwe stenen van de materiële werkelijkheid begonnen, zal eindi­gen in de laatste, geestelijke lichtelementen van een andere, hogere wereld. Om het hogere leven te bereiken, moet de wereldlijke belasting rijkelijk vloeien, opdat ze veel goeds en verhevens in het geestelijke mag bewerken. Op deze wijze kan dat wat van de keizer is, en dat wat van God is, verenigd worden. Dit kan het geestelijke leven van de afzon­derlijke mens alleen maar bevorderen en komt overeen met de eigenlijke bedoeling, waarom Ik u in de wereld plaatste en met zoveel verschillen­de eigenschappen - zowel goede als slechte - uitrustte. Als de laatste bevochten worden, zullen zij bijdragen tot versterking van de eerste en zullen u tot Mijn geestelijke evenbeeld vormen.

Schenk daarom aandacht aan dit woord, dat Ik u in dit evangelie gegeven heb; ook daarin ligt veel verborgen, waar de verstandige en behoedzame lering uit kan trekken voor zijn hele leven! Hij zal dan niet het extreme van zichzelf, van zijn naaste en van de wereld verlangen, maar de juiste middenweg bewandelen, terwijl hij door het betalen van zijn belasting het zijn naaste gemakkelijker maakt ook zijn tribuut bij te dragen. Zo zal hij zijn opdracht en Mijn doel vervullen, om welke reden Ik overigens geesten en materie schiep, waarvan de laatstgenoem­de, het bindmiddel van de eersten, tenslotte zal en moet oplossen en dat weer verenigen, wat Ik gescheiden in de grote wereldscheppings­ruimte uitgezet heb.

Zo zult ook u door de middenweg te gaan er toe bijdragen, dat het materiële vergeestelijkt zal worden, opdat Mijn wederkomst op uw aarde door de vergeestelijking van u en de mensheid gerechtvaardigd wordt. Dan zal blijken, wat u de keizer en wat u God gegeven hebt en in hoeverre in dit geven de juiste maat en het juiste gewicht overheerste. Alleen, wanneer u in staat bent om ook het geringste van Mijn woorden in de juiste, diepe en geestelijke zin op te vatten, is een vereniging met Mij en Mijn geestenwereld mogelijk. Ik laat voor dit doel geen middel achterwege om u te tonen wat van de wereld en van de keizer is; Ik herinner u er echter ook steeds aan, wat van God of van Mij is, en hoe beide, hoewel gescheiden, toch verenigd kunnen worden, wanneer met het juiste begrip ook de juiste uitvoering komt. Amen.

 

49

 

De 22e zondag na Trinitatis

 

De opwekking van de dochter van Jaïrus

 

Matth. 9, 18-19,23-25: Een overste van de synagoge kwam tot Hem en viel voor Hem neder, en zeide: Mijn dochter is zo juist gestorven, maar kom en leg uw hand op haar en zij zal leven. En Jezus stond op en volgde hem met Zijn discipelen. - En toen Jezus in het huis van de overste kwam en de fluitspelers en het misbaar van de schare zag, zeide Hij: Gaat heen, want het meisje is niet gestorven, maar het slaapt. En zij lachten Hem uit. Toen de schare uitgedreven was, ging Hij binnen en vatte haar hand en het meisje ontwaakte.

 

(30 april 1872)

 

Dit hoofdstuk gaat weer over genezingen, deels door handoplegging, deels door het vaste geloof van de lijdenden; en onze tekst behandelt zelfs de opwekking van de dode dochter van een overste, die zoveel geloof in en vertrouwen op Mijn macht had, dat hij - zoals in het evangelie staat - Mij smeekte om in zijn huis te komen, opdat zijn dochter door oplegging van Mijn handen weer levend zou worden.

Zie, waar Mij zoveel vertrouwen wordt getoond, daar kan Ik niet anders dan de vraag van de smekende inwilligen om allen te laten zien, wat men door een absoluut vertrouwen in Mij kan verkrijgen. Wanneer een kind zijn vader innig smeekt om vervulling van zijn wens, dan verhoort hij het zeker. Wat reeds eerder over het oprechte geloof werd gezegd, heeft ook betrekking op deze dodenopwekking en het zou overbodig zijn, hetzelfde te herhalen. Deze voorbeelden laten u allen maar al te duidelijk zien, welke weg de mensen moeten inslaan, om zeker te zijn van de vervulling van hun wensen - vooropgesteld, dat zij rechtmatig zijn.

Ofschoon Ik destijds lichamelijk zichtbaar deze handeling verrichtte, zo kan nu desalniettemin hetzelfde gebeuren; want het lichaam geeft hier niet de doorslag, maar Mijn geest. Zoals Hij daar onder Mijn discipelen en vereerders van Mijn woord aanwezig was, zo is Hij ook bij u. Alleen de zichtbaarheid van Mijn persoon ontbreekt; deze zou u echter, daar u weet wie Ik ben, alleen maar storen. Bij Mijn discipelen en het volk dat Mij volgde lag het anders, daar zij in Mij weliswaar een machtig profeet of de door hen verwachte Messias meenden te zien, maar niet de Heer van de schepping, die alles geschapen heeft.

Wat de opwekking van de dochter van de overste betreft, deze was het loon voor het grenzeloze vertrouwen van de vader en tegelijkertijd een wegwijzer en vingerwijzing voor de opgewekte dochter.

Dit lichamelijk opwekken van destijds komt overeen met het gees­telijk opwekken in de huidige tijd; want wat in die tijd door Mij geschiedde, bewerkt en door Mij besproken werd, dat doet zich nu weer voor, alleen in geestelijk opzicht. Destijds trok Ik van stad tot stad, van dorp tot dorp, predikte, genas en bewees de mensen weldaden. Ik gaf de half ingedommelden weer een aansporing en wekte lichamelijke en geestelijke doden op. En ook nu gebeurt al sedert lange tijd hetzelfde. Overal wek Ik door een onbewuste drang de innerlijke eigenschappen van de zielen op, wek Ik door een aaneenschakeling van gebeurtenissen, door ongelukken en lijden van allerlei soort de mensen op, opdat zij niet helemaal vergeten, dat zij uit meer dan een substantie gevormd zijn en zij de geest en de ziel niet geheel verloochenen. Overal drijf Ik, zoals bij de overste, de fluitspelers en klaagzangers het huis uit, die zelfs een rouwdienst het aanzien van een vrolijk gebeuren willen geven. Het leven en zijn doel zijn te ernstig, om met zijn perioden en wisselvallig­heden om te gaan als met kinderspeelgoed.

Eer het ware inzicht komt, moet het in het innerlijke huis stil worden, zodat de ziel tijd wint om weer in de juiste toestand te komen en zij er langzamerhand op attent kan worden gemaakt, hoe weinig inhoud en duur er is in het wereldse, zodat zij aan het geestelijke de voorkeur gaat geven en geen moeite en geen offer schuwt zich deze toe te eigenen.

Zo wek Ik menigeen uit zijn geestelijke slaap. Ik leg hem Mijn hand op of raak hem slechts met een vinger aan, opdat hij niet volledig verloren gaat en in het materiële zijn geestelijke ondergang vindt; want uit deze nacht is slechts een langzaam ontwaken mogelijk.

Zoals Ik tegen de omstanders zei: "Het meisje is niet gestorven, maar het slaapt!", zo laat Ik ook nu vaak aan de mensen zien, dat velen, naar de schijn de meest verdorven mensen, slechts in een geestelijke slaap verzonken zijn en de juiste wekroep nodig hebben om deze lethargie op te heffen om zo van de langslaper een actieve arbeider in Mijn wijngaard te maken.

Hoevelen heb Ik reeds opgewekt, die Mij daar nu duizendvoudig voor danken, ofschoon de manier waarop deze erkenning kwam, niet naar hun smaak was. Maar naargelang de geestelijke individualiteit waren er vaak opwekkende middelen nodig, die alleen bij machte waren het einddoel te bevorderen. Ook u, die allen in een gezapige geestesslaap waren ingewiegd, omdat u uw geloofsopvatting zo gemakkelijk moge­lijk maakte, heb Ik door verschillende middelen gewekt, om de rustende eigenschappen van de ziel weer in beweging te brengen. Ook onder u legde Ik zo menigeen de handen op en velen raakte Ik met de vinger aan, al naar gelang de ene een zachte en de ander een sterkere, invloed­rijkere aanraking nodig had, om tot de erkenning te komen waar hij eigenlijk staat en hoeveel er bij hem nog ontbreekt om tot het nage­streefde doel te komen of het op zijn minst te erkennen. Omdat Mijn voor u opgesteld doel niet zo dichtbij is en niet zo gemakkelijk te bereiken, moest Ik, zoals Ik eens de muzikanten bij sterfgevallen wegstuurde, bij u allereerst de vanouds aangewende vooroordelen verwijderen, voordat u tot de kennis van Mijn leer kon komen.

Wat Ik bij u op zo vele manieren bewerkte, dat gebeurt ook nu nog met hele volkeren. Ook bij hen verdrijf Ik de jammerende muzikanten, fluitspelers en trommelaars, die zelfs vanwege graven nog vreugdevolle dagen willen organiseren. Door nood maak Ik de volkeren nuchter. Ik ruk ze weg uit de waan, dat de wereldse zucht naar genot het voornaam­ste zou zijn, wat de mens moet zoeken. Ik leer hun - helaas door onaangename gebeurtenissen - de vergankelijkheid van wereldse eigen­waan, wereldse roem en wereldse aardse goederen en bewijs hun daarnaast de eeuwige duur van geestelijke schatten.

Zo vergaat het de enkeling, de volkeren, de heersers en zo ook de priesters. Allen laat Ik zien, dat er boven hen nog een Ander staat, die hen weliswaar laat doen wat zij willen, maar die als enige de draad van  de samenhang van omstandigheden en gebeurtenissen in de hand houdt en alles - zelfs het slechtste, door mensen uitgevoerd - nuttig weet te maken, zowel ten gunste van de hele mensheid als van de enkeling.

Zo gaat het ontwikkelingsproces weliswaar langzaam vooruit, doch gaat onweerstaanbaar op zijn doel af. Ik wek alle mensen op, alle volkeren, alle koningen en priesters. Allen zullen inzien en begrijpen moeten, dat zij voordien geslapen hebben. Allen zullen echter ook moeten erkennen, dat men niet altijd slapen kan en dat de slaap alleen dan goed en nuttig is, wanneer hij ertoe dient de verbruikte krachten weer te herstellen. Waar hij dit echter niet bewerkstelligt is hij nutteloos, schadelijk en verergert slechts de zaak. Zo is de geestelijke slaap, waarin velen werden gesust of zichzelf in hebben gewiegd, alleen te beschou­wen als een grote nalatigheid op de weg naar de geestelijke ontwikke­ling. Daarom is dit opwekken nodig, temeer in deze tijd, waarin de oplossing van de hele vraag naar de geestelijke bestemming van het menselijk geslacht voor de deur staat en de meeste mensen zich zo in het wereldse, egoïstische doen en laten hebben ingeleefd, dat door een lichte aanraking met een vinger bijna niemand meer opgewekt kan worden, maar dat voor de zo diep in het slijk van de wereld verzonkenen meestal krachtmiddelen gebruikt moeten worden om hen daaruit te trekken.

De mensen zijn nu zo ver van hun eigenlijke doel afgedwaald, dat geen menselijke macht meer in staat is ze uit hun dromen op te wekken en hen van hun jacht naar genot af te brengen. Nu moet Ik meer dan anders tussenbeide komen, omdat ook de heersers evenals hun volkeren door dezelfde waan bevangen zijn. Juist daarom klinkt overal en in verschillende vormen de wekroep, zowel aan enkelingen als ook aan hele volkeren.

Tot nu toe is het noch de mensen, noch de volkeren duidelijk wat zij willen. Doch heb slechts geduld! Laat allereerst de muzikanten verdreven zijn, dan zal de ernstiger stemming, de bezinning spoedig volgen! De omstandigheden zullen zich ontrafelen en het onnatuurlij­ke, onwettige en overdrevene zal plaats moeten maken voor het reële en het onvergankelijke. Er zal van alle kanten enorm worden tegenge­stribbeld, - maar het geneesmiddel moet worden ingenomen en de kelk vol bitterheid moet tot op de bodem worden geleegd!

Zijn de mensen eenmaal zo ver van de rechte weg afgedwaald, dan moet natuurlijk ook de terugweg een langere zijn, - maar er moet worden omgekeerd! Zij moeten tot het inzicht komen, dat er slechts één God en één geestesrijk is, voor wie al het andere als voetbank dienen moet, en dat het materiële, al mag het nog zo vereerd worden, toch geen blijvende inhoud heeft en geen blijvend genot kan geven.

Duizenden verdwaalden snellen op de dwaalweg het vroege graf in. Zij gaan onrijp uit deze wereld en komen nog onrijper aan de andere kant aan. Wat zal er van hen worden? Hier konden zij niet blijven en daar bevalt het hen ook niet. Oh, u kent niet de kwellingen van dergelijke zielen, die besluiteloos ronddolen! Het verloren aardse is voor hen niet meer toegankelijk, en het geestelijke is voor hun opvattingen en hun wezen niet passend.

Zo gaat het, wanneer mensen, ja hele volkeren hun geestelijk geluk met voeten treden en slechts het wereldse aanhangen en tenslotte, nadat zij het wereldlijke verloren hebben, niet in staat zijn om zich het geestelijke toe te eigenen. Het is hun eigen schuld. - Dit is de reden van de opwekking Mijnerzijds. Niet voor niets zei Ik: "Wanneer een oog u ergert, ruk het uit; want het is beter dat u met één oog in een betere wereld aankomt, dan dat u zich met twee ogen aan de grootste geestelijke kwelling blootstelt!"

Accepteer alle gebeurtenissen, hoe en wanneer zij ook mogen komen, als gaven van de liefde; want Ik weet het beste hoe, wanneer en waarmee Ik verwaarloosde mensen en verdwaalde volkeren op de rechte weg kan brengen en ze zo nog bijtijds van het totale verval kan redden!

Men leerde u over het vagevuur, waarin de zielen van hun slechte hartstochten gereinigd moeten worden, voordat zij in het paradijs of in de hemel kunnen worden opgenomen. Ik zeg u: zoals men u het vagevuur beschreef, is het klinkklare onzin; geestelijk bestaat het echter wel, namelijk in de mensen zelf. Daar moet al het slechte eerst wegge­vaagd worden, totdat men zich onder betere omstandigheden thuis kan voelen; en tot dit wegvagen draag Ik bij door het zenden van allerlei strijd en lijden. Daardoor wek Ik in de menselijke ziel de sluimerende goede eigenschappen op, opdat zij zich zal vermannen en overeind  komt om het kwade met energie te bestrijden en alles weg te vagen, wat haar schade kan toebrengen.

Toen Ik eenmaal zei: "Het meisje is niet dood, zij slaapt slechts!", werd Ik door de anderen uitgelachen. Evenzo word Ik ook vandaag door zeer weinigen begrepen wanneer Ik hen wil opwekken, ofschoon het voor hun bestwil is. Streef er daarom naar om Mijn wenken en vermaningen te verstaan, opdat u het bemerkt, wanneer Ik u voor uw bestwil alleen maar met de vinger aanraak! Want een liefhebbende Vader, die het om het welzijn van Zijn kinderen te doen is, kan alleen op het goede pad brengen, niet straffen. Houd dit reeds in gedachte! Amen.

 

50

 

De 23e zondag na Trinitatis

 

Het stillen van de storm

 

Matth. 8, 23-27: En toen Hij in het schip ging, volgden Zijn discipelen Hem. En zie, er kwam een grote onstuimigheid op de zee, zodat de golven over het schip sloegen; maar Hij sliep. En zij kwamen en maakten Hem wakker en zeiden: Here, help ons, wij vergaan! En Hij zeide tot hen: Waarom zijt gij bevreesd, kleingelovigen? Toen stond Hij op en bestrafte de winden en de zee, en het werd volkomen stil. En de mensen verwonderden zich en zeiden: Wat voor iemand is deze, dat ook de winden en de zee Hem gehoorzaam zijn?

 

(1 mei 1872)

 

Dit evangelie vertelt, hoe Ik eens in een schip stapte en er een storm opstak, terwijl Ik ingeslapen was. Mijn discipelen wekten Mij, opdat Ik de storm en de zee tot rust zou willen gebieden.

Deze daad gebeurde alleen voor de ogen van Mijn discipelen, hoewel ook aan land staande mensen gadegeslagen hadden, hoe op Mijn bevel de golven gingen liggen en de storm verstomde. Zo gaf Ik Mijn begeleiders een nieuw bewijs, dat Ik niet alleen Heer over dood en leven ben, maar ook Heer over de gehele zichtbare natuur.

Hoewel deze daad menigeen de ogen had kunnen openen met Wie men te doen had, begrepen toch weinigen dat Ik meer dan een mens, dat Ik Gods Zoon of God Zelf was. Mijn discipelen verloren de moed toen de storm in kracht toenam en wekten Mij vol angst, omdat zij geloofden, dat hun einde nabij was. Zij hadden dit niet hoeven te denken, daar zij Mij zo rustig zagen slapen. Maar voor hen was het begrip "Zoon van God" nog niet duidelijk, en daarom ziet u hen bij diverse gelegenheden moedeloos worden en aan Mijn almacht twijfe­len, hoewel zij Mij slechts enige ogenblikken daarvoor daden zagen verrichten, die geen normaal mens, maar alleen Hij kan verrichten, die ver boven al het lichamelijk materiële, de draden van de hele schepping vast in Zijn handen houdt. Door wonderdaden toonde Ik Mijn disci­pelen dikwijls Mijn macht, en toch konden ze zich niet volledig verenigen met de gedachte, dat zij niet met een gewoon mens, maar met een Godmens te doen hadden. Steeds liet Ik de omstandigheden zich zo voordoen, dat behalve Mijn leer Mijn daden nog duidelijker zouden getuigen van Degene, die Mij gezonden had. Zelfs na Mijn dood, toen Ik weer verscheen onder Mijn discipelen, waren er nog twijfelaars, zoals bijvoorbeeld Thomas er een was.

Wat destijds onder Mijn directe, zichtbare invloed zo moeilijk was, is nu, nu Ik of door speciaal daartoe bestemde schrijvers of door het hart van ieder mens met hem spreek, nog moeilijker en twijfelachtiger geworden. Nu zullen en moeten Mijn woorden voldoende zijn, daar de tijd van het noodgedwongen geloof voorbij is en er geen wonderen meer gedaan, noch toegelaten worden door medewerking van andere mensen. De meesten, die nu in Mijn woord geloven, zijn niet in het minst van de onfeilbaarheid daarvan overtuigd. Ook hen vergaat het bij het geringste gevaar zo als de discipelen, dat wil zeggen ook zij twijfelen aan Mijn beloften, aan Mijn woorden.

De situatie, waarbij Ik met Mijn discipelen op een schip verbleef, komt overeen met het eigen levensschip van ieder mens, waarin Ik als goddelijke vonk sluimer, totdat ongelukken van allerlei aard de mens ertoe manen om zijn toevlucht bij Mij te zoeken.

Het vergaat de meeste mensen als Mijn discipelen. Zolang het hen niet slecht gaat, komen zij niet tot Mij. Mijn discipelen waanden zich verloren en riepen Mij aan. De mens probeert in benauwde toestanden, waarin de gebrekkigheid van al het aardse hem het masker van de naakte werkelijkheid laat zien, in het binnenste van zijn hart troost en rust te vinden, die hij tevergeefs van de buitenwereld verwacht. Tot op dat moment sluimerde Ik ook bij deze mens. Hij beschouwde Mij niet als iets noodzakelijks, dat werkelijk bestaat, maar als iets wat men zich inbeeldt, dat hem door anderen, bijvoorbeeld door priesters werd aangepraat, dat ontdaan van alle realiteit slechts daarom aan de mensen werd onderwezen om de macht van de priesters te vergroten, terwijl het geestelijke welzijn van de mensen helemaal niet in aanmerking werd genomen.

Wanneer dan het levensscheepje door wereldlijke stormen geteisterd en rondgeslingerd wordt, dan komen angst, twijfel en vrees op. Men haalt elke leer weer tevoorschijn, die de ziel bij de opvoeding werd ingestampt, maar ervaart huiverend, dat al deze dogma's en fraaie spreuken niet geschikt zijn om de beangstigde ziel rust en vrede te geven. Dan wendt de mens zich tot de in hem sluimerende goddelijke Geest. Dan zoekt hij in de tot dan toe buiten beschouwing gelaten binnenkant van het menselijke leven een steun, opdat hij niet te gronde gaat onder de druk van de omstandigheden. En wanneer hij deze schat in zijn binnenste gevonden heeft, wanneer hij heeft begrepen hoe weinig al het materiële uitmaakt vergeleken bij één enkele gedachten­flits uit dit heiligdom, dan bedaren de golven. Dan zwijgen de winden van hartstochten en zorgen, en rust en vrede keren met hem in de buitenwereld terug; want de buitenwereld zelf was niet troebeler, maar alleen de kijk erop was vertroebeld. Dan zegt de in het binnenste gewekte goddelijke vonk tot de beangstigde ziel: "Waarom ben je toch zo kleinmoedig, terwijl je immers zulk een Heer over al het lichamelijke in je draagt?"

Zie, zo heeft deze daad op het meer haar geestelijke overeenkomst met het individuele menselijke leven.

Ook in het leven van de volkeren is een vonk van goddelijke drijfkracht, die hen op gezette tijden tot nadenken aanspoort, zodat net als bij ieder afzonderlijk ook een heel volk zich bewust wordt van zijn opdracht op deze aarde. Want alles wat zich op deze zichtbare aarde voordoet, is slechts een eenvoudig werk van de liefde, om het ziele gees­telijke in de mens tot zijn recht te doen komen.

Dit proces doet zich ook voor in het leven van dieren, planten en stenen, maar is daar alleen zichtbaar voor het geestelijk oog. Het zich gestalte geven, het zich vormen en het zich weer ontleden van alle materie is geen andere drang dan die van de gewekte geest, die in de materie gebonden lag te sluimeren. Het opklimmen van niveau tot niveau, het zich vervolmaken zou niet kunnen plaatsvinden, wanneer de door uiterlijke omstandigheden gewekte geest zich niet in het binnenste van de materie zou bevinden.

Zoals destijds het scheepje met Mijn discipelen en Mij de hele wereld uitmaakte, die op het beweeglijke element, het water, rondgeslingerd werd, evenzo is ook de door uiterlijke inwerking tevoorschijn geroepen opwekking van de in de materie liggende geest hetzelfde, dat naar vooruitgang en naar vervolmaking dringt. Mijn discipelen moesten eveneens door verschillende gebeurtenissen tot vooruitgang worden gebracht in geloof en vertrouwen. Zij moesten sterk worden, opdat zij in de toekomstige levensstormen niet zouden twijfelen, maar vast vertrouwen.

De geest is in de vaste materie een onbewuste drijfveer, hij openbaart zich bij het dier als instinct en is bij de mens de hoogst ontwikkelde goddelijke vonk. De mens zal sterker worden in het bewustzijn, dat hij niet slechts een burger van deze aarde is, maar ook van het heelal, die staande tussen twee werelden op deze aarde weliswaar de stoffelijke omkleding heeft, maar daarbij ook het geestelijke evenbeeld is van het hoogste wezen, de Schepper, die ver boven alle vergankelijkheid in de oneindigheid vertoeft. Hij wil Zijn nakomelingen opvoeden tot dat, waartoe Hij ze heeft geschapen: tot veredelaars van de materie, tot volgelingen die het grove en vaste vergeestelijken en tot eeuwige bewo­ners van het geestesrijk, waaruit de materie eens is voortgekomen en waarin ze haar laatste einde moet en zal vinden.

Daarom, weest ook u ijverig om de goddelijke vonk in uw innerlijk op te wekken, te cultiveren en te begrijpen, opdat u in de beweeglijke golven van het leven onder de stormen van hartstochten, omstandig­heden en gebeurtenissen niet de moed verliest zoals eens Mijn discipe­len in het scheepje, maar steeds indachtig bent dat uw Vader bij u is. Ook al is Zijn stem niet altijd te vernemen, toch slaapt Hij niet, evenmin als Mijn goddelijke geest in het scheepje van Mijn discipelen geslapen heeft, maar alleen geduldig afwachtte totdat een nieuwe kleinmoedigheid de zwakte van Mijn discipelen openlijk aan de dag legde.

Daar gebood Ik winden en zee tot rust; evenzo zal degene, die Mij in zijn innerlijk zal zoeken, door de in hem gewekte goddelijke geest ook rust en vrede hebben - allereerst in zijn innerlijk - en dan zal hij deze rust ook op de buitenwereld kunnen overdragen.

Onthoud dit goed en wanhoop niet direct wanneer uw wensen niet altijd zo vervuld worden, zoals u graag zou willen. Word ook u sterker in geloof en vertrouwen op uw, in u gelegde goddelijke geest! Amen.

 

51

 

De 24e zondag na Trinitatis

 

De gelijkenis van het onkruid op de akker

 

Matth. 13, 24-30: Nog een gelijkenis hield Hij hun voor en Hij zeide: Het Koninkrijk der hemelen komt overeen met iemand, die goed zaad gezaaid had in zijn akker. Doch terwijl de mensen sliepen, kwam zijn vijand en zaaide er onkruid overheen, midden tussen het koren, en ging weg. Toen het graan opkwam en vrucht zette, toen kwam ook het onkruid tevoor­schijn. Daarna kwamen de slaven van de eigenaar en zeiden tot hem: Heer, hebt gij niet goed zaad in uw akker gezaaid? Hoe komt hij dan aan onkruid? Hij zeide tot hen: Dat heeft een vijandig mens gedaan. De slaven zeiden tot hem: Wilt gij dan, dat wij het bijeenhalen? Hij zeide: Neen, want bij het bijeenha­len van het onkruid zoudt gij tevens het koren kunnen uittrek­ken. Laat beide samen opgroeien tot de oogst. En in de oogsttijd zal ik tot de maaiers zeggen: Haalt eerst het onkruid bijeen en bindt het in bossen om het te verbranden, maar brengt het koren bijeen in mijn schuur.

 

(2 mei 1872)

 

De gelijkenissen van dit hoofdstuk bevatten de hele geschiedenis van Mijn leer en de geschiedenis van Mijn schepping van het begin tot het einde. De geschiedenis van Mijn leer, omdat zij u laat zien op welk verschillende bodems Mijn leer en Mijn woorden vallen en de geschie­denis van Mijn schepping, omdat zij u duidelijk voor ogen stelt hoe het goddelijke woord van de hoogste Geest trapsgewijs opstijgend in miljoenen werelden zijn uitdrukking vindt. En zoals de indruk, die Mijn woord op miljoenen mensen maakt bij iedereen verschillend is, zo is ook het ontwikkelingsproces van elke wereld verschillend van die van een andere.

Deze gelijkenissen, zoals Ik ze aan het volk van Israël vertelde, waren uit het dagelijkse leven genomen, opdat de toehoorders ze gemakkelijk konden begrijpen. Maar zij begrepen van de gelijkenis, die voor deze zondag bestemd is, nochtans niet wie van hen met de goede en wie met de rotsachtige bodem te vergelijken was, en wie met de weg, waarop het uitgestrooide zaad valt.

Deze gelijkenis bevestigt, dat Ik mensen weliswaar door daden en woorden wilde verbeteren, maar dat het goede zaad, daar de wereld met haar genoegens zich er inmengt, slechts op sommige plaatsen gedijt, maar in het algemeen niet zulke vruchten opbrengt, als men overeen­komstig de woorden uit Mijn mond zou kunnen verlangen. Het bevestigt u dat het einde, de oogst, het goede van het slechte zal scheiden en de goeden hun rechtvaardige loon zullen ontvangen, maar de halstarrigen en slechten zullen de lange weg door de materie moeten doormaken, totdat zij al het onreine afgelegd hebben en zich in Mijn hemelse rijk van de geest als een geestelijke toon kunnen voegen in de daar heersende harmonie.

Zie, sinds de val van Lucifer heeft in de hele schepping het goede of lichte, geestelijke - zijn tegenpool in het slechte of zware, materiële!

De ontzaglijke menigte afgevallen geesten, die met Lucifer vielen en daarna als dragers van de materie in haar gebonden werden, zij allen classificeren de schepping van alle werelden naar hun geestelijke in­houd, en deze werelden zijn daarom meer of minder moreel geestelijk licht of zwaar, wat niets anders wil zeggen dan: Op alle werelden is het grote principe van de voornaamste eigenschappen van Mijn eigen Ik als hoogste liefde met alle daaruit voortvloeiende eigenschappen tot uitdrukking gebracht.

Toen Ik Mijn discipelen onderwees en zelf naar uw aarde kwam, had dit geen ander doel dan aan alle geschapen wezens Mijn geestelijk rijk bekend te maken met zijn wetten en basisprincipes. Toen Ik op aarde onderwees zei Ik niets nieuws, maar altijd hetzelfde wat Ik vanaf het begin van de wereld al Mijn geesten had ingeprent, namelijk: wat hun uiteindelijke doel en hun hele streven moest zijn. Zelfs in de materie met de in haar ingesloten geesten legde Ik de drang om te worstelen naar vervolmaking, om zo de buitenkant, de bestanddelen van de materie te vergeestelijken, totdat deze zich uiteindelijk in overeenstem­ming met het innerlijk naar hogere potenties van levensontwikkeling, vanuit het zware gesteente omhoog kon werken tot een zichzelf bewust mens die dan - zich bewust van zijn missie - zijn eigen materiële "ik" moet vergeestelijken, totdat hij, wanneer zijn uiterlijk met zijn innerlijk geestelijk gelijk geworden is, rijp is om opgenomen te worden in Mijn rijk.

Het doorlopen van deze fasen stemt overeen met de gelijkenissen over het zaad; want het uitgestrooide zaad zal, op verschillende bodem vallend, verschillende produkten voortbrengen al naar gelang wat voor elementen hij daar voor zijn groei aantreft. Het vrijgeven van de menselijke natuur, dat wil zeggen de vrije wil, veroorzaakt de verschil­lende opvattingen over Mijn leer, zoals Ik haar eens aan Mijn discipelen predikte en nu op deze aarde slechts aan weinigen weer bekend maak. De mensen, staande midden tussen beide polen van goed en kwaad, moesten natuurlijk ook verschillende reacties tonen, hoe zij Mijn leer wilden of konden opvatten.

Zoals de werelden in Mijn hele schepping miljoenenvoudig verschil­lend zijn en daardoor figuurlijk het verschillend opvatten van Mijn zuivere waarheid uitdrukken, evenzo verschillend zijn de mensen met hun miljoenen verschillende afwijkingen, ieder afzonderlijk te beschou­wen als een geestelijke wereld op zich.

U ziet dus in deze gelijkenissen de verstrekkende betekenis van het zaad en het woord "Er zij!", dat Ik eens gesproken heb, dat vandaag nog doorwerkt en aan het eind alle geesten in een geestesrijk verenigen zal, hoewel sommige werelden en individuen een langere en anderen een kortere weg daarheen moeten afleggen.

Mijn woord, of de uitdrukking van liefde in iedere betekenis, bevat de hele schepping en bevat Mijn hele leer. Dat bewijst dat Ik alleen wetten van liefde, en wel slechts twee, gegeven heb, die echter alleen dan van waarde zijn, wanneer de één de ander aanvult.

Deze wetten van de liefde zijn het zaad, dat Ik materieel in Mijn hele schepping en geestelijk in de harten van alle verstandelijke wezens gezaaid heb. Het ontkiemen van dit zaad, al naar gelang de meer of minder grote invloed van de materiële wereld, is voorwaarde voor het voortschrijden naar het goede of het terugvallen in het kwade, het materiële.

Indachtig de vrijheid van de mensen en alle geschapen geesten moest er onder het goede koren ook onkruid ontkiemen, zoals Ik het in de gelijkenissen figuurlijk zei. In dit geval zullen de mensen, die niet op de juiste weg wandelen, pas aan het einde van hun aardse loopbaan erkennen, hoe ver zij zijn afgedwaald van de eigenlijke weg naar hun heil. In de andere wereld moet dan deze strijd, die zo velen met hun einde op deze wereld meenden te hebben beëindigd, weer opnieuw begonnen worden van binnen naar buiten onder andere omstandighe­den, met weinig middelen en grote hindernissen.

Wat voor ieder mens afzonderlijk als kleine geestelijke wereld de lichamelijke dood is, dat is voor de mensheid op aarde het einde van al het materiële, het einde van alle wereldse verzoekingen, dat nog voor Mijn wederkomst zal intreden, omdat daarna het geestelijk rijk op uw aarde zijn aanvang zal nemen en Mijn zaad of Mijn woord overal gelijke vruchten zal dragen.

Daarop doelen al Mijn voorbereidingen in uw tijd; want op uw aarde overheerst het onkruid helaas het goede koren, er is bijna alleen nog rotsachtige en zanderige bodem te vinden en distels en dorens zijn de hoofdgewassen, die de oppervlakte van uw aarde ontsieren. Mijn maaiers zijn reeds lang werkzaam en roeien het woekerende onkruid met alle middelen uit; maar het zal nog erger worden, omdat juist de vrije mens werkelijk een bijna stenen hart heeft gekregen waarop, zoals op een harde steen, een aanraking geen spoor meer achterlaat, maar over wiens oppervlakte alles spoorloos wegglijdt.

Hoedt u ervoor, dat in uw hart niet zoveel onkruid van slechte hartstochten, begunstigd door wereldlijke invloeden, ontkiemt! Ik zeg u, zoals eens tegen Mijn toehoorders: "Wie oren heeft, die hore, en wie ogen heeft, die zie!" Want helaas zijn er nog velen die oren hebben, maar de geestelijke wind, die door de hele schepping gaat niet horen, en die ogen hebben maar niets bemerken van de lichtstraal uit Mijn eeuwig geestesrijk, die langzamerhand alle hoeken van uw duistere aarde begint te verlichten, opdat er bij Mijn aankomst als Koning van het licht geen schaduw, geen duisternis meer aanwezig zal zijn.

Er zijn er nog velen, die slechts wereldlijke geneugten en wereldlijke goederen najagend, geen geestelijke wereld, geen hoger geestelijk prin­cipe en geen God als Schepper willen erkennen. Zij zijn als de distels en doornen. Ga weg van hen! Hun stekels laten u voelen, dat u dergelijke schijnfilosofen en geleerden slechts voorzichtig moet benaderen. Zij wor­den, wals geschreven staat, in het vuur geworpen, in het vuur van kwelling en lijden. Pas dan, gelouterd na een langdurige strijd, zullen zij aan het geestelijke rijk kunnen deelnemen, dat zij voorheen zo sterk verloochend hebben.

Voor hen zijn de natuurrampen en epidemieën, die hen massaal wegrukken. Anderen worden door het verlies van geliefde personen eraan herinnerd, dat er nog een andere dan alleen deze natuurlijke materiële wereld bestaat. Hun ontwaken zal droevig zijn, - en toch moet Ik hen wekken, omdat Ik niet één atoom en nog veel minder een mensenziel zou willen verliezen, die Ik eens zowel innerlijk als uiterlijk naar Mijn evenbeeld geschapen heb.

Leert ook u verstaan, echter met geestelijke oren, wat Ik u zeg, wat de gebeurtenissen in de wereld u zeggen en wat de hele natuur u toeroept: "Er is een God, en deze God is een God van liefde!"

Onbekommerd om de bodem zaait Hij Zijn zaad uit, ook al is het op de weg of stenen bodem of tussen doornen en distels. De mens is vrij, en het zaad kan daarom al naar gelang de individualiteit van de enkeling werken; maar tenslotte zal toch het doel vervuld worden, dat Ik als Zaaier voor ogen had.

Ondanks de verschillende akkergronden zal er aan het eind toch een overvloedige oogst komen, de eeuwigheid verzekert Mijn welslagen. Mijn woord, nadat het alle fasen doorlopen heeft, doordat het door de één met voeten getreden en door de ander met een vreugdevol hart begroet werd, moet toch hetzelfde resultaat voortbrengen; want Mijn woord - het zaad - is een Goddelijk woord, en daarom kan en moet het de bodem, waarop het valt, verbeteren en vergeestelijken, is het niet hier op deze aarde, dan zeker in het hiernamaals.

Mijn streven en het doel van deze mededeling is immers alleen, om deze weg voor de mensen te verkorten en hun het voortschrijden gemakkelijker te maken. Vandaar de herhaalde waarschuwing in dit hoofdstuk: "Wie oren heeft, die hore!"

Versta en begrijp het goed en handel ernaar, en u zult aan uzelf bemerken of het zaad op goede of op rotsachtige bodem gevallen is! Amen!

 

52

 

De 25e zondag na Trinitatis

 

De verklaring van het hemelrijk

 

Matth. 13,31-33,44-50: Nog een gelijkenis hield Hij hun voor en Hij zeide: Het koninkrijk der hemelen is gelijk aan een mosterdzaadje, dat iemand nam en in zijn akker zaaide. Het is wel het kleinste van alle zaden, maar als het volgroeid is, is het groter dan de tuingewassen en het wordt een boom, zodat de vogelen des hemels in zijn takken kunnen nestelen.

Nog een gelijkenis sprak Hij tot hen: Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een zuurdesem, welke een vrouw nam en in drie maten meel deed, totdat het geheel doorzuurd was.

Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een schat, verborgen in een akker, die een mens ontdekte en verborg, en in zijn blijdschap erover gaat hij heen en verkoopt al wat hij heeft en koopt die akker.

Evenzo is het Koninkrijk der hemelen gelijk aan een koop­man, die schone parelen zocht. Toen hij een kostbare parel gevonden had, ging hij heen en verkocht al wat hij had, en kocht die.

Evenzo is het Koninkrijk der hemelen gelijk aan een sleepnet, neergelaten in de zee, dat allerlei bijeenbrengt. Wanneer het vol is, haalt men het op de oever, en zet zich neer en verzamelt het goede in vaten, doch het ondeugdelijke werpt men weg. Zó zal het gaan bij de voleinding der wereld. De engelen zullen uitgaan om de bozen uit het midden der rechtvaardigen af te zonderen, en zij zullen hen in de vurige oven werpen; daar zal het geween zijn en het tandengeknars.

 

(3 mei 1872)

 

In deze verzen wordt het hemelrijk met verschillende dingen figuur­lijk vergeleken, om Mijn discipelen en het rondom Mij verzamelde volk begrijpelijk te maken, wat voor een rijk hen allen wacht na hun levenseinde en om hen er verder op attent te maken hoe zij dit deelachtig kunnen worden, maar ook, wat hun lot zal zijn indien zij, handelend tegen de goddelijke wetten, zich er onwaardig voor maken.

Van het hemelrijk, van de andere geestelijke wereld hebben de mensen helaas nooit een juiste en ware voorstelling; want wanneer zij deze hadden, dan zouden zij er zeker alles voor over hebben om het te verkrijgen en het niet zo lichtzinnig te verspillen, zoals zij tegenwoordig doen.

Alles wat in de wereld zichtbaar is, heeft door zijn zicht - en tastbaar­heid verreweg meer bewijzen in zich dan een geestelijke potentie, die zich niet laat zien, niet grijpen en niet wegen. Vandaar ook de grotere invloed van deze materiële wereld op het gemoed van de mensen vergeleken met die van de geestelijke wereld! Het is waar, zouden de mensen de materiële wereld juist begrijpen en beoordelen, zoals hij werkelijk is, waaruit hij bestaat, hoe hij behouden wordt en tot welk doel hij er is, dan zouden zij ook uit dit grote boek van Mijn schepping zoveel kunnen lezen wat voor hen de deur naar Mijn geestelijke wereld gemakkelijk zou openen.

Wanneer men een of andere machine bestudeert en diens samenstel­ling heeft leren begrijpen, dan zal men moeten erkennen, dat iemand deze gemaakt moet hebben en men zal voor zijn bouwer steeds meer achting krijgen, hoe meer men in de geheimenissen van deze machine binnendringt. Het wordt zo iemand duidelijk, dat geen toeval, maar een welberekend systeem alles zo en niet anders geordend doet verlo­pen.

Het zou wenselijk zijn, dat men bij het beschouwen van Mijn natuur eveneens zo te werk zou gaan, maar helaas gebeurt dat niet. Iedere ontdekking op natuurwetenschappelijk gebied wordt door uw geleer­den op een verkeerde manier verklaard en alleen voor materiële doel­einden uitgebuit, dat weinig voordeel oplevert voor de Schepper van deze vernuftige machine der natuur. Ook al ontdekt de een of ander sporen van een hogere, geestelijke macht dan de sinds lang bekende elementen, dan doet hij alle moeite om via verre omwegen en met grote, wetenschappelijke woorden datgene weg te loochenen wat zo dicht bij hem is, of hij verklaart het naar zijn goeddunken anders, omdat hij geen God wil erkennen. En wanneer er één zou moeten bestaan, dan zou hij het zelf willen zijn!

Deze verkeerde opvatting van Mijn natuur is de oorzaak, dat juist het grootste boek misleidt, dat voor de ogen van de mensheid dag en nacht open ligt. Een ieder zou daarin kunnen lezen, wat Ik alles doe om Mijn schepselen Mijn liefde duidelijk te maken en hoe kort de weg naar Mij zou zijn, wanneer de mensen zouden letten op deze natuur en haar wetten, en zich niet door tegen de goddelijke wetten te handelen, zich door de verkeerde opvatting van de materiële, zichtbare wereld de veel grotere, eeuwige ontoegankelijk maakten.

In die tijd, waarin Ik deze in het evangelie vermelde gelijkenissen aan het volk gaf ter geestelijke verwerking, moest Ik alle wetenschappelijke vergelijkingen weglaten en alleen gebruik maken van beelden, die bekend waren en gemakkelijker konden worden begrepen.

De als eerste aangevoerde gelijkenis van het mosterdzaadje getuigt reeds, dat Ik een vergelijk met een zaadkorrel maakte, dat zowel als zaad alsook als plant bij het volk bekend was. Zo wilde Ik hen aantonen: Zoals in dit kleinste zaadje een zo grote plant ligt besloten, evenzo rust verborgen in het menselijk hart het hele toekomstige geestelijke rijk, het hemelrijk. Er hoeft bij het menselijk hart alleen de almachtige liefde als geestelijke wekker te komen, zoals bij het zaad het vocht, om deze ingesloten kiem van goddelijke afkomst te ontwikkelen, welke ontwik­keling daarna in zo'n grote mate voortschrijdt, dat - zoals het evangelie vermeldt - zelfs de vogels van de hemel komen en in de takken nestelen. Geestelijk wil dat zeggen, dat zelfs de engelen, de lichte, zalige bewoners van de geestelijke sferen - als de vogels, de bewoners van de lucht ­deelnemen aan de hemel, die van een door God begeesterd hart uitgaat en overal rondom vrede en vreugde verspreidt.

Zo wilde Ik met deze gelijkenis van een klein zaadkorreltje en diens ontwikkeling bewijzen, hoe oneindig de kracht van het goddelijk woord is, wanneer het evenals het zaad op goede grond valt en daarmee stof vindt voor zijn verdere ontwikkeling.

De volgende gelijkenis, waarin het hemelrijk met zuurdesem wordt vergeleken, stelt het geestelijk proces voor, dat zich voordoet in een menselijk hart, zodra dit het woord in zich opneemt en het goede van het kwade begint te scheiden, zoals ook het zuurdesem in het met water toebereide meel een gistingsproces bewerkt, waardoor de verschillende elementen van de meelsubstantie in gevecht raken. Dit proces eindigt hiermee, dat daardoor het voortgebrachte brood minder schadelijk gemaakt wordt voor het menselijk organisme, wat vooral bij verschil­lende kunstmatig verkregen meelsoorten bijna onvermijdelijk noodza­kelijk is.

Zo moest met deze gelijkenis de strijd aangetoond worden, die begint zodra het menselijk hart zich van het wereldlijke af - en naar het geestelijke toewendt.

Verder wordt een gelijkenis vermeld vaneen mens, die een verborgen schat in een akker vond en alles verkocht om eigenaar te worden van deze akker en daarmee van de schat van deze akker. Dat wil zeggen: Wie eenmaal erkend heeft welk een genot en vreugde van nimmer vermoede zaligheid opgroeien uit het opnemen en opvolgen van het goddelijk woord, die laat al het andere achter zich en volgt alleen de drang om deze geestelijke genietingen niet meer te moeten missen, net zoals de koopman, die voor een parel alles opofferde om zich te verzekeren van diens bezit.

Zo waren deze gelijkenissen beelden van het hemelrijk, die allemaal iets belangrijks moesten aanduiden. Het eerste toont de grootse ont­wikkeling van het hemelrijk, wanneer het eenmaal in het menselijk hart wortel heeft geschoten; het tweede de strijd die het hemelrijk oproept tussen wereld en hemel of tussen materie en geest; het derde de waarde van het hemelrijk en de daarmee verbonden rust en zaligheid. Met deze schat kan al het aardse zich niet meten of ook maar enigszins vergeleken worden.

Er is nog een andere gelijkenis, namelijk die van het net, dat in de grote zee wordt uitgeworpen om een rijke buit binnen te halen. Deze gelijkenis wil zeggen, dat het goddelijke woord voor iedereen toegan­kelijk is, voor zwakken en sterken, voor goeden en slechten, en dat pas aan het eind de vangst wordt uitgezocht en de goeden hun loon zullen ontvangen, terwijl de verachters van dit woord de gevolgen aan zichzelf toe te schrijven hebben.

Zoals deze gelijkenis zegt, zal er een schifting plaatsvinden tussen degenen, die Mijn woord, dat aan iedereen gegeven werd, geestelijk in zich opgenomen hebben en degenen, die er geen aandacht aan schon­ken. Dat moest Mijn toehoorders destijds duidelijk maken, dat het niet direct binnen hun oordeel zou liggen om Mijn woord aan te nemen of niet, maar dat de mensen door velerlei omstandigheden gedwongen kunnen worden om hun vrije wil een betere richting te geven.

Ik schilderde hen de gevolgen van het niet in acht nemen van Mijn leer met de uitdrukkingen "in het vuur werpen" en "eeuwige duister­nis", wat hetzelfde betekent als geestelijke pijnigende verwijten en een verwaarloosd hart. Mijn Geest moest toch licht en geen duisternis verspreiden!

Zo voorspelde Ik hen het einde of de scheiding, die uiteindelijk tussen licht en donker komen moet, opdat allen zouden begrijpen, dat God aan dat wat Hij schiep ook een doel verbond, dat Hij niet wenst op te geven vanwege de halsstarrigheid van de een of de ander.

Dat zulke en soortgelijke toespraken onder het volk opzien baarden was te voorzien, daar hen door hun priesters en geleerden de weg naar toekomstige genieting van geestelijke zaligheden en zelfs het naar hun begrippen rechtmatig handelen zeer eenvoudig en aangenaam werd gemaakt, terwijl Ik weliswaar dezelfde zaligheden beloofde, doch hun het verwerven ervan helemaal niet zo eenvoudig voorstelde en hen waarschuwde voor de gevolgen van overtreding van de gegeven wetten.

Vandaar hun ontzetting over Mijn taal, en vandaar hun ergernis over Mij, wat Mij aanleiding gaf tot de uitspraak: "Een profeet is niet geëerd in zijn eigen land!", een spreekwoord, dat heden ten dage bij u nog zeer gebruikelijk is en door duizenden voorbeelden bevestigd kan worden.

De wereld is nog altijd dezelfde, die zij ten tijde van Mijn leven op aarde was. Toen predikte Ik voor vele dove oren, en nu is eveneens doofheid voor geestelijke dingen mode geworden. Een ieder gelooft, dat hij geen ontwikkeld mens is, wanneer hij zich niet op deze doofheid kan beroemen. Destijds gebeurde het vaak, dat men zijn doofheid achter mooi klinkende woorden verborg, maar in de huidige tijd van verlichting schaamt men zich niet meer over de geestelijke doofheid: men legt er juist grote nadruk op echt stokdoof te zijn en daagt op deze wijze Mij zelfs als het ware voor een wedstrijd uit om iets beters te bewijzen, als Ik daartoe in staat zou zijn.

Welnu, tegenover deze zogenaamde sterke geesten plaats Ik een oneindig grote lankmoedigheid, en aan het eind zullen wij wel zien of er geen middel te vinden is, ook hun doofheid te genezen. De overigen echter - verreweg kleiner in getal -, die van Mijn hemelrijk een vaag vermoeden hebben, doe Ik een mosterdzaadje van Mijn liefde toeko­men. Ik let er op of het korreltje de kracht heeft in hun hart te groeien en een strijd op te roepen gelijk aan die van het scheidings - of gis­tingsproces in het zuurdesem, en of het in staat is, hun de verborgen waarde van de schat in hun eigen hart kenbaar te maken, opdat zij al het andere overboord werpen om alleen deze schat te bezitten. Dan wacht Ik af, hoeveel er van het uitgestrooide zaad in Mijn geestelijke net terugkeert. Uiteindelijk zal de schifting plaats hebben en beslist worden, of de mens de geestelijke zaligheid waardig is, of dat hij pas na lang ronddolen in de duisternis tot de erkenning moet komen, dat er toch goddelijke wetten zijn, die men niet ongestraft mag overtreden.

Om de mensen algemeen tot dit inzicht te brengen en opdat het hen niet ontbreekt aan gelegenheid om ook de kleinste vonk van hun betere ik levend te houden, zijn allang alle voorbereidingen getroffen. Reeds geruime tijd zijn alle wereldlijke gebeurtenissen, evenals het lot van ieder mens afzonderlijk er op uit de bodem voor te bereiden, opdat Mijn woord daar, waar het nog geen of slechts weinig gehoor gevonden heeft, opgenomen zal worden en als een mosterdzaadje zijn almachtige ontwikkeling zal beginnen.

U hebt reeds bij uzelf ervaren, hoe, wanneer en waarmee Ik de mensen weet te wekken. Uzelf kent Mijn middelen. Het is waar, zij waren en zijn niet altijd de meest aangename; maar Ik als de grootste en enige Zielearts weet het beste, welk stimulerend middel nodig is om de in schijnbare religieuze sluimer verzonken zielen op te wekken.

Ik heb u gewekt en daarna in uw bloedende hart en door mededeling van Mijn woord het mosterdzaadje van de liefde gelegd, en ofschoon een prikkel op het eerste moment niet bepaald aangenaam was, hebt u toch door de uitwerking erkend, dat u Mij moet danken voor datgene, wat Ik u heb gegeven als vervanging voor wat werd afgenomen.

Zo is bij u het gistingsproces ingetreden, en u hebt daarna uiteinde­lijk de waarde van de verborgen schat in uw innerlijke ziel zelf leren kennen en de kostbare parel ingeruild tegen al het andere. Zo hebt u Mij bij het uitwerpen van het net de vangst en het scheiden van de goeden en slechten gemakkelijker gemaakt, daar u door uw eigen voorbeeld anderen van het geestelijk verderf hebt gered en hen de weg naar Mij beduidend hebt verkort en verlicht.

Ga daarom door met het verzorgen van het mosterdzaadje van de liefde in uw hart; want - zoals Ik eens tegen Mijn toehoorders zei - het hemelrijk ligt in u en niet buiten u! U kunt het overal vinden, wanneer u het daarheen meeneemt. Door uw innerlijk zal alles vergeestelijkt worden, indien het innerlijke, uw hart maar geest is.

Blijf daarom onophoudelijk streven naar vergeestelijking! Met het voortschrijden daarin groeien de ware genietingen, en met het vorderen in de leer groeit ook uw inzicht. Dan zult u rijp zijn voor de andere, eeuwige, grote, geestelijke wereld, waarvoor al het werken en handelen hier als basis moet dienen en waarin u Mij met een rijke zegen de u toevertrouwde ponden rijkelijk terug kunt geven!

Bereid u voor en vrees niet! Wie bij Mij is en op Mij vertrouwt, die zal ook niet versagen bij alle verschrikkingen, die misschien nog over uw kleine aarde zullen losbreken - gelijk een gistingsproces, omdat Ik Mijn woord als zuurdesem, als een etsend middel in de harten van de volkeren heb geworpen. Hij weet, dat de Vader Zijn net uitwierp in de grote zee van zielen en geesten. En mocht hij hierdoor ook mee gevan­gen worden, dan kan de goede toch steeds maar alleen het goede oogsten.

Bewaar uw schat, uitgerust met de parel van vertrouwen en liefde, tot aan de verandering! Dan zal Ik in andere werelden en onder andere omstandigheden deze hier op aarde verworven schat verruilen met een grotere, die als een aanvulling van het vroegere, het mosterdzaadje, de grote boom zal voorstellen, in wiens takken dan de engelen met u voor Mij het lofgezang van de liefde en het vertrouwen zullen inzetten. Amen.

 

53

 

De 26e zondag na Trinitatis

 

De laatste tijd

 

Matth.24, 15-28: Wanneer gij dan de gruwel der verwoesting, waarvan door de profeet Daniël gesproken is, op de heilige plaats ziet staan - wie het leest, geve er acht op -laten dan wie in Judea zijn, vluchten naar de bergen. Wie op het dak is, ga niet naar beneden om zijn huisraad mede te nemen, en wie in het veld is, kere niet terug om zijn kleed mede te nemen. Wee de zwangeren en de zogenden in die dagen. Bid, dat uw vlucht niet in de winter valle en niet op een sabbat. Want er zal dan een grote verdruk­king zijn, zoals er niet geweest is van het begin der wereld tot nu toe en ook nooit meer wezen zal. En indien die dagen niet ingekort werden, zou geen vlees behouden worden; doch ter wille van de uitverkorenen zullen die dagen worden ingekort. Indien dan iemand tot u zegt: Zie, hier is de Christus, of: Hier, gelooft het niet. Want er zullen valse christussen en valse profe­ten opstaan en zij zullen grote tekenen en wonderen doen, zodat zij, ware het mogelijk, ook de uitverkorenen zouden verleiden. Zie, Ik heb het u voorzegd. Indien men dan tot u zegt: Zie, Hij is in de woestijn, gaat er niet heen; zie, Hij is in de binnenkamer, gelooft het niet. Want gelijk de bliksem komt van het oosten en licht tot het westen, zo zal de komst van de Zoon des mensen zijn. Waar het aas is, daar zullen de gieren zich verzamelen.

 

(4 mei 1872)

 

Dit woord is het laatste evangelie, dat Ik aan u wil verklaren. Het behandelt de laatste tijd van het jodendom, evenals de laatste toestan­den van de mensheid en tenslotte zelfs de laatste gebeurtenissen aan het einde van de zichtbare wereld, die dan zal overgaan in andere vormen op hogere trappen van ontwikkeling en wederom een nieuwe kringloop zal beginnen.

Eens voorspelde Ik Mijn discipelen de ondergang van de tempel in Jeruzalem, de eerste akte van het einde van de Joden als volk. Zij hadden destijds als zodanig hun rol uitgespeeld en waren het verder niet waard om verbonden met elkaar op deze aardbodem een rijk te vormen, nadat zij het grootste rijk, dat ooit is gegeven, Mijn eeuwige geestelijke rijk wilden vernietigen. Zoals zij van het begin af aan uitverkoren waren, door hun godsdienst en hun profeten dat volk te zijn, in wiens midden Ik Mijn komst op uw aarde kon bewerkstelligen, zo ondeugdelijk toonden zij zich later deze leer van Mij aan te nemen en verder te verspreiden.

Slechts aan Mijn discipelen en enkele uitverkorenen van dit volk was het gegeven het licht der waarheid te erkennen. De overigen versmaad­den het en prefereerden de duisternis en het vasthouden aan de dode letter, een eigenschap die zij, ofschoon zij verspreid onder alle volkeren moeten leven, heden ten dage nog niet afgelegd hebben.

De geschiedenis vertelt u duidelijk, dat alles wat Ik voorspelde werkelijk uitgekomen is, en wel korte tijd na Mijn heengaan in Mijn rijk. Zo eindigde met de tempel, die geestelijk weliswaar reeds lang verwoest was, ook de geschiedenis van het volk, dat Ik uit velen had uitgekozen om drager en uitbreider van Mijn eeuwige waarheid te worden.

Ik voorspelde Mijn discipelen ook, hoe in het vervolg Mijn religie, Mijn leer in strijd met het jodendom langzamerhand zal toenemen en steeds voorwaarts schrijdend ook haar vereerders zal doen vermeerde­ren, terwijl het jodendom met zijn cultus tot op de huidige dag in plaats van vooruit te gaan, stil is blijven staan en de aanhangers vandaag nog hun Messias verwachten met dezelfde wereldlijke ideeën als meer dan duizend jaar geleden. De onjuistheid van hun voorstellingen probeerde Ik hen reeds toentertijd duidelijk te maken; maar aan de halsstarrigheid van de Joden had Ik de grootste tegenstander.

Alles in Mijn schepping schrijdt voorwaarts. Alles verandert en vervolmaakt zich in de verandering. Alleen de Joden wilden geen vernieuwing, geen verandering en dus moesten zij hun huidige lot aan zichzelf toeschrijven, terwijl zij als de minsten op aarde alleen de Mammon huldigen en door alle volken veracht zijn. Zo straft zich, wie naar het materiële en niet naar het geestelijke streeft; want Mijn rijk, ofschoon het zichtbaar materie schijnt te zijn, is toch alleen maar geest en geen materie.

Wat de Joden ten tijde van de verwoesting van Jeruzalem overkwam, dat zal zich ook als einde van de nu levende mensheid herhalen; want de gruwelen van oorlog en verwoesting zullen weer optreden, alleen in andere vormen. En zoals in die tijd slechts de weinigen, die in Mij geloofden of een beter lot hadden, of al was het wel hard het gemakke­lijker konden dragen, omdat zij in geloof en in vertrouwen op Mij niet wankelden, zo zal het ook in die tijd zijn, die aan Mijn wederkomst voorafgaat. Ook dan zullen trouwen geloof op aarde verdwenen zijn, daar de mensheid of tenminste het grootste deel van de mensen de materie, de wereld en haar genot aanhangen, zoals u het nu reeds overal kunt constateren.

Zo moet de zuivering en loutering van het geestelijke rijk der zielen geschieden, zoals Ik het in het evangelie van de vijgeboom vertelde. Wanneer zijn bladeren beginnen te groeien en stevig worden, dan is dat het begin van de zomer, het begin van de periode van ontwikkeling en vruchtvorming, die ons geestelijk aan de scheidings- en proeftijd herinnert, waarin rekenschap gevraagd zal worden over het aan de mensen toevertrouwde geestelijke goed.

De natuurrampen, de ongelukken en ziekten, die aan deze tijd voorafgaan zijn de laatste pogingen om nog te redden wat er te redden valt, opdat niet iedereen in het slijk van het egoïsme verstikt. Alleen door ongeluk en wrange tegenslagen zal het trotse mensenhart murw worden.

De waarheid moet zich net als de werkelijkheid naakt tonen, opdat geen illusie haar verschoont. Alleen zo werkt zij genezend. En wanneer de materiële wereld zich in haar eigenlijke gewaad van vergankelijkheid en bedrog toont, wanneer zij de mens met hoon terugstoot en hem, die haar wilde liefkozen, met verachting de rug toekeert, dan pas - helaas meestal te laat - begint het geestelijke zijn invloed uit te oefenen, dan pas ontwaken betere gedachten en zuiverder gevoelens. Zo moet Ik als liefhebbende Vader de mens leiden, opdat hij de juiste waarde van de dingen leert kennen en Hem vindt, die de onafgebroken rust is.

Dat tegen deze zich toenemende pogingen om de mens in het nauw te drijven met alle mogelijke middelen gewerkt wordt, dat spot, wraak en vervolging de gelovigen treffen, dat valse, maar ook ware profeten het volk proberen te onderwijzen, dat tenslotte bij de meesten een volledige verwarring van begrippen zal optreden - dat spreekt vanzelf. Al Mijn vermaningen zullen, evenals voor de zondvloed, bij velen vruchteloos blijven en slechts weinigen zullen zich bekeren. Wanneer de gebeurtenissen elkaar echter snel zullen opvolgen, dan zal toch het merendeel geestelijk gered worden en zij zullen Mij danken, dat Ik hen door zulke strenge middelen aan het algemene verderf heb onttrokken.

Wanneer al deze ongelukkige gebeurtenissen over de mensheid zullen losbreken, zoals eens bij de Joden de verwoesting van de tempel en Jeruzalem - wie is daar dan schuldig aan? Ben Ik een wraakzuchtige God, die het bloed en de ellende van zo vele duizenden wil? Of zijn zij het niet veelmeer zelf, die alles naar hun zin zouden willen buigen en zelfs de grote wetten van de materiële - en de geestelijke wereld omver zouden willen stoten, indien het maar mogelijk zou zijn?!

Zie, Ik laat het hier opschrijven, opdat de hele wereld het moge weten! Zoals Ik eens het verval van het joodse volk voorspelde, en dat ook werkelijk gebeurde, zo hebt u hier in 53 predikingen genoeg vermaningen en voorspellingen, waarin Ik u duidelijk heb gezegd wat komen zal, hoe en wanneer het moet geschieden, om Mijn verdwaalde kinderen op de rechte weg te brengen. Reeds in die tijd zei Ik tegen Mijn discipelen: "Het evangelie van het rijk Gods zal verkondigd worden in de hele wereld!", en dit evangelie is dit werk, dat Ik u hier als teken van Mijn liefde en genade toevertrouw.

De tijd van gruwel en verwoesting is meer geestelijk dan materieel te verstaan; want wat in het evangelie staat, zoals bijvoorbeeld: "Wie op het dak is, ga niet naar beneden!" enz., dit alles wil zeggen: Laat het wereldlijke varen en houdt u aan het onvergankelijke geestelijke! Daar is het anker, dat uw levensschip in de stormen van materieel ongeluk en geestelijke nood kan vasthouden! Zonder dit anker vindt u geen rust, geen vrede!

Verzamelt u daarom rondom Mij en houdt u vast aan Mij en Mijn leer! Want er staat geschreven: "Hemel en aarde zullen vergaan!" Ja, hemel en aarde zullen vergaan, zij zullen zich in andere elementen oplossen, en uit hen zullen andere vormen en andere werelden voort­komen. De hele schepping zal hetzelfde proces doormaken, dat ook het  joodse volk, dat met zijn tradities en met zijn religie de basis van Mijn leer was, moest doormaken.

Ik heb bij de schepping in alles, ook in het geringste atoom, Mijn geest gelegd om de materie geschikt te maken zich tot iets groters en hogers te ontwikkelen. Evenzo was het joodse volk het geschikte element waarin Ik Mijn komst op aarde kon bewerkstelligen en - net als in de gehele zichtbare schepping - Mijn groot geesteswerk kon voleindigen. Echter, zoals het joodse volk na zijn opdracht ophield een volk te zijn, en zoals de mensheid na haar loutering zal ophouden drager van alle egoïstische eigenschappen te zijn, omdat er voor iets beters plaats gemaakt moet worden, evenzo zal de hele schepping, die tot nu toe nog de basis van Mijn liefde tot alle geschapen wezens is, eens moeten ophouden de uitdrukking van Mijn goddelijke gedachten te zijn.

Wanneer de wezens van de schepping, rijp voor de vergeestelijking op het punt aangekomen zullen zijn, waar ook de fijnste materie nog als grof moet voorkomen, dan is deze met zovele wonderen en schoon­heden uitgeruste wereld een te grove drager voor het zuiver geestelijke, en de hele schepping moet dan als woonoord in overeenstemming met haar bewoners worden ingericht, waarvoor haar oplossing nodig is. Tegen deze tijd zal de Mensenzoon in alle heerlijkheid verschijnen ­zoals Ik eens zei - omdat ook de geschapen wezens in een geestelijke gemoedstoestand zullen verkeren, om deze glans en deze heerlijkheid te kunnen verdragen. Dan zullen de hoogste geesten en engelen de uitverkorenen verzamelen uit alle vier windstreken, van het ene uiterste van de hemel tot het andere.

Ja, zo zal het nog vaak gebeuren, steeds op hogere trappen en verbonden met grotere zaligheden. Ik kan Mij aan Mijn geesten steeds alleen maar zo laten zien, zoals zij Mij kunnen begrijpen. Daar Ik echter oneindig ben, zijn ook de opvattingen van Mij oneindig, en Mijn rijk zou niet oneindig zijn, wanneer geen constante stijging van de geeste­lijke potenties mogelijk was.

In die tijd voorzegde Ik Mijn discipelen dit alles in beelden, niet alleen opdat zij het zouden weten, maar opdat daarmee bewezen werd, dat Mijn woorden nooit vergankelijk zijn en steeds waar zullen blijven!

Geloof maar niet, dat Ik alleen voor u op de wereld kwam, dat Ik alles duldde vanwege de kleine aarde en haar bewoners, neen, Mijn daden zijn daden van oneindigheid! Ook de Bijbel, waarin voor een deel Mijn woorden geschreven staan, die Ik gedurende Mijn aardse jaren sprak, is niet voor u alleen, zij behoort de hele schepping toe.

En wanneer miljoenen werelden tot nu toe nog niets van Mijn bestaan weten, dan zal toch de tijd komen, waar ook deze woorden van God tot hen doordringen en door hen begrepen worden overeenkom­stig hun geestelijke vorming. Dan zal bij de geestelijk volmaakt weder­geborenen de harde schors van letters en de woordelijke opvatting verdwijnen, en zal de zuivere en diepe zin van de woorden Gods, de woorden van een liefhebbende Vader, duidelijk en helder schijnend voor de hele schepping begrijpelijk zijn en allen toeroepen: "Heb elkander lief, O, heb allen elkander lief!" Want uit liefde heb Ik de wereld geschapen, uit liefde heb Ik de grootste daad van deemoed op uw aarde volbracht, uit liefde heb Ik de mensheid gelouterd door kwellingen en lijden, opdat Mijn woorden, die Ik eens sprak en in dit evangelie verklaarde, steeds waar blijven! Zij hebben geen ander doel, dan Mijn kinderen werkelijk tot dat te maken, dat velen slechts in naam waren.

Zo zal na de gruwel der verwoesting, zoals na onweer, regen en storm, voor iedereen de genadezon weer in haar volle glans schijnen! Wanneer de geestelijke lucht van alle slechte giftige stoffen gezuiverd zal zijn, dan bereidt zich alles tot een nieuw en werkzaam leven voor, zoals de verfriste aarde na een onweersbui. Amen.

 

Nawoord

 

Nu zijn dus deze 53 predikingen voltooid, en u hebt een schat voor u, die u, al waardeert u hem ook, toch niet helemaal kunt begrijpen; want in Mijn woorden liggen oneindigheden. Individueel genomen bent ook u oneindig verschillend, vandaar dat het geestelijk bevattings­vermogen, hoewel het ook reeds geestelijk is, telkens toch nog een hogere graad toelaat.

Het woord is als een mosterdzaad, dat al groeiend steeds nieuwe dingen voortbrengt en waarbij zich uit het ene wonder het andere ontwikkelt. Zo is ook dit boek bestemd om u wonder na wonder te laten zien, hoe meer uw inzicht vooruitgaat.

Neem daarom op zondag de betreffende prediking ter hand, lees haar en viert u tenminste tussen vele duizenden mensen na de materiële arbeid de zon - of rustdag op een manier, die Mij en u waardig is!

Zo zal rust en tevredenheid in uw hart stromen en u zult menigmaal beleven, hoe juist de een of andere prediking uit Mijn mond precies bij de omstandigheden aansluit en geschikt is het geestelijke evenwicht in u weer te herstellen, wat u waarschijnlijk op een andere manier niet zou bereiken.

De mens moet een troost hebben! De wereld met haar omstandighe­den, de verwikkelingen in het maatschappelijk - en familieleven beroven hem vaak in een ogenblik van reeds lang gekoesterde verwachtingen en laten hem in ontgoocheling achter. Waar zal nu de mens, door alle mogelijk leed en conflicten vervolgd, een betere troost vinden, dan in de woorden die uit Mijn mond kwamen?

Zie, Mijn kinderen, iedere dag heeft zijn zorgen, iedere week brengt u - tenminste uiterlijk - meer bittere dingen dan aangename! Waar zal het door uiterlijke invloeden halfgeknakte bloempje van vertrouwen en liefde tot Mij een betere steun en een sterkere voedingsstof vinden dan weer in Mijn woord, door de vertroostingen van uw liefhebbende Vader, die ze reeds meer dan duizend jaar geleden voor u bestemd had?

Zij liggen in het boek van de Bijbel voor u; maar kortzichtig als u bent, herkent u niet wat uit haar woorden aan het licht komt. Daarom ben Ik gekomen om u te helpen deze sluier op te lichten. Ik zeg u: Arme kinderen, wat kijkt u vaak troosteloos in de verte, naar de oneindige blauwe hemel omhoog, terwijl de hemel met zijn glans en zijn licht toch zo dichtbij ligt? Neem deze predikingen ter hand, lees vooraf het daar aangegeven evangelie in de Bijbel, verdiep u in de zin van de aangehaalde tekst en u zult spoedig gewaar worden, welke helderheid en welke warmte u uit deze woorden van vaderlijke liefde tegemoet zullen stralen! Voelt u zich meer dan eens getroffen en schrikt u zelfs van uw innerlijk, wanneer u gewaar wordt, hoe ver u nog verwijderd bent van wat u meende allang te zijn, troost u er dan mee, dat iedere fout verbeterd kan worden, wanneer men haar kent! Heeft de prediking u de fout doen inzien, dank Mij dan, dat Ik u liet zien wat bij u ontbreekt! Het ligt dan alleen in uw handen om deze fout, die u vroeger niet eens voor een fout hebt gehouden, zorgvuldig te verwijderen.

Steeds zullen u deze hier opgeschreven woorden rust en troost brengen, ook al is het niet direct. Zij zullen u vaak een stootje geven en u als leidraad dienen, hoe beiden verworven kunnen worden.

Zo zullen deze predikingen lijken op treden die u geleidelijk aan Mij, Mijn woorden en uzelf steeds meer doen kennen en uw inzicht leren verruimen, want om alles wat Mijn twee enige geboden van de liefde bevatten te verklaren, zouden aeonen van tijden niet toereikend zijn.

En nu jij, Mijn beste schrijver, die met volharding dit werk tot een eind gebracht hebt en dat niet altijd onder de meest gunstige omstan­digheden, daar je uiterlijk en innerlijk menige storm uit het spoor brachten, - troost je! Als Ik je ook al bitterheden stuurde, dan was dat omdat alleen door strengheid de beste genezing bereikt kan worden.

Jij zult genezen worden, en door hetgeen Ik door jouw stift liet schrijven voor anderen, zullen ook zij naar hun genezing en zelfkennis toegroeien. Daarmee heb je twee dingen in hetzelfde werk vervuld. Je hebt het weliswaar onder bittere omstandigheden geschreven, maar daaruit zal zegen voor je groeien; want je hebt aan anderen verheven goddelijke dingen gegeven, wat eveneens voor hen zegen, rust en vrede in woelige ogenblikken zal brengen. Zo heb je je opgave volbracht.

Het nu levende en toekomstige geslacht zal in dit boek de sleutel vinden zijn opdracht en zijn bestemming beter te begrijpen, waartoe Ik iedereen en overal Mijn Vaderlijke zegen zal geven. Amen.

 


Overige werken van Gottfried Mayerhofer

 

Lebensgeheimnisse

In dit boek (ontvangen in 1875) lezen wij: "...wanneer de mensheid door eigen toedoen zich veel rampspoeden op de hals heeft gehaald, murw is geworden en in staat betere beleringen aan te nemen, dan ligt het materiaal reeds klaar, waarmee de oude, lang vergeten, ontredderde boom van het leven van de mens weer opgebouwd zal worden, en niet tijdelijk, maar voor altijd!"

 

Schöpfungsgeheimnisse

Ons wordt inzicht gegeven in de grote kosmische samenhang en wetmatigheden voor alle geestelijke (dus energetische) natuur, terwijl de opdracht van de mens op deze aarde voor onze tijd wordt belicht.

 

UpToDate 2024-2025