Vragen met betrekking tot de Maan

 

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer]:

 

[Eerst zei vermeld,dat vrienden van Jakob Lorber – 1840 -, de schrijfknecht van de Schepper, vragen gesteld hebben over de Maan, hoe wezens, die net als de mens met een lichaam bekleed, op de achterkant van de Maan wonen].

 

https://ci5.googleusercontent.com/proxy/NoUTUdtQoKPlku0OSb9ALMrdolWQs05-sPailAWEMi7VaZ_tXx_m3yhroGFGbGWYMXs-uw5inTsERuenuZEQfqY-GN01raV_59Lt2K1m1G27=s0-d-e1-ft#http://www.tagesleitzettel.de/bibellese/mailpics/frage1.gifVraag 1. O Liefdevolle Heer en Heiland! Hoe vereren de Maanmensen U? Vormen ze onder een of ander opperhoofd een kerk of staat?

 

Antwoord op vraag 1

De Heer: ‘Jullie kunnen al deze vragen op Aarde zelf precies beantwoord zien en wel om die reden, dat tussen de mensen van de Aarde en die op de Maan in geestelijk opzicht geen wezenlijk verschil bestaat; want, zoals jullie toch al bekend is, zijn de Maanbewoners niets anders dan mensen van deze Aarde, die zich moeten beteren en ze brengen, zoals elke andere geest, hun werken met zich mee. Dat echter de wer­ken van degenen die naar de Maan zijn verhuisd nu juist niet van de beste soort zijn, is al wel duidelijk door het feit dat ze daarheen werden gebracht’.

 

‘Willen jullie iets weten over de verering die de bewoners van beide zijden van de Maan Mij toedragen?, kijk dan eens naar het wereldse volk van deze Aarde en je zult een getrouwe afspiegeling zien van hoe de Maanbewoners Mij vereren. Welke eer bewijzen de wereldse mensen op Aarde Mij en met wat voor lofprijzing betalen ze Mij de gepaste tol? Besteden deze wereldse mensen niet al hun zorg aan hun vuile lijf?’

 

‘Sommigen zijn altijd door bezorgd bezig om te bedenken met welke vodden ze de mesthoop van hun geest zullen omhullen. Weer anderen zijn bezig met te bedenken wat voor heerlijk eten ze wel niet zullen klaarmaken omdat dan daar­na in hun maag, als de werkelijke arbeidsplaats van de dood, naar bin­nen te schuiven. Weer anderen zijn bezorgd over hun prachtige huis, over een schitterende inrichting, zachte stoelen en sofa' s, glanzende ta­fels en heel zachte bedden om daarin des te gemakkelijker zowel over­dag als 's nachts, te luieren en er nauwkeurig acht op te slaan, dat hun innerlijk meest geliefde vriend 'maag' toch niet een of andere beledi­gende druk of zelfs een iets pijnlijke kwelling zou ondervinden’.

 

‘Ook zijn deze vrienden van de maag heel erg bang voor zonnestralen, waar­om ze dan ook zorg dragen dat niet teveel zonlicht door het raam naar binnen komt, waarom ze hun ramen dan ook met allerlei vodden be­hangen. Merken jullie niet dat zulke mensen hier al een flauwe ver­wantschap vertonen met de holbewoners op de Maan, die, omdat ze zich niet meer zulke prachtige huizen kunnen inrichten en niet meer in staat zijn hun ramen met vodden te behangen, daarom voor de zon­nestralen in hun holen vluchten en daarin ook tot laat in de middag blijven, net zoals de mensen op Aarde die het zich gemakkelijk maken, zichzelf goed doen en die vanuit hun kamers in mooi beklede en veren­de wagens stappen om, naar hun mening voor hun lichamelijke gezondheid wat passende beweging te nemen’.

 

‘En weer anderen hebben geen belangrijker werk dan zaken doen en met geld woekeren. En nog weer anderen hebben geen andere gedachten dan zich op te dirken, wat vooral door het vrouwelijk geslacht ijverig wordt betracht en wel met het rechtschapen doel een of ander onervaren jongmens daardoor voor de mal te houden en grof te bedriegen. Dit doet trou­wens geen rechtschapen meisje, want als ze haar werkelijke innerlijke waarde erkent en daardoor ook de waarde van haar medemens, vraag je dan af, zou ze zich dan wel zo opdirken om iemand te bedriegen en te doen als de joden, die het slechte metaal oppoetsen om het als goud aan een of andere dwaas te verkopen?’

 

‘Ik zeg: dat zal ze niet doen, om­dat ze erkent dat ze geen namaak, maar echt goud is, waarvoor ook geen dwaas maar een verstandig mens nodig is om dadelijk te erken­nen dat het goud is en het voor de juiste prijs te nemen. Zie - Ik zou nog heel veel meer over wereldse mensen kunnen vertellen; maar het is ter verduidelijking van de zaak niet nodig. Jullie weten dat Ik eens heb gezegd dat niemand zich zorgen moet maken over wat hij zal eten of drinken en ook niet over zijn kleding, maar hij moet alleen maar Mijn rijk zoeken en diens gerechtigheid, en dat is Mijn grote liefde tot hen, die Mij ook, net zoals Ik hen, boven alles liefhebben’.  [bron: Hemelse Gaven – Jakob Lorber]

 

Vragen over de Maan

 

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer]:

 

Tijdens de levenswandel van Jezus op Aarde (2000 jaar geleden) wisten tijdens een gezellige en leerzame maaltijd met de Heer enige priesteressen heel wat merkwaardige zaken te vertellen, en het gesprek kwam op de Maan en de vaak ongeneeslijke inwerking op de Aarde en ook op heel veel mensen. ­Een priesteres vertelde dat zij een Maanzieke man gekend had, die meestal 's nachts bij volle Maan met gesloten ogen zijn kamer verliet, zijn handen naar de Maan uitstrekte en dan met onfeilbare zekerheid even gemakkelijk tegen de steilste rotswanden naar boven ging alsof hij zich over een vlakke bodem voortbewoog. Alleen één ding moest de verbaasde toeschouwer daarbij in het oog houden, namelijk dat hij stil en rustig moest blijven, omdat een menselijk geluid de Maanwandelaar het leven kon kosten. De priesteres vraagt de Heer: 'Wel, wat is dat dan voor bijzondere invloed van de Maan op bepaalde mensen, en hoe komen die mensen daartoe?’

 

Daarop zei de Heer: 'Dat de Maan als meest nabije hemellichaam van de Aarde invloed op deze Aarde uitoefent is zeker; maar in het algemeen beïnvloedt zij geen mensen, dieren, planten en mineralen, maar in het bijzonder alleen maar dat, wat op deze aarde van haar afkomstig is. Let goed op, vooral jullie kalendermakers! Kijk, de Maan is haast net zo'n wereld als deze Aarde, en zij is de voortdurende begeleidster van deze Aarde bij haar reis van een jaar om de Zon, waaromheen ook de andere planeten in verschillende tijden hun baan doorlopen; die dichter bij de Zon staan hebben minder tijd nodig dan de Aarde, en die verderaf staan natuurlijk meer. Jupiter en Saturnus hebben ook Manen, maar omdat die werelden veel groter zijn, hebben zij er meer dan de Aarde, terwijl de kleinere planeten helemaal geen Manen hebben. Bij onze Aarde zorgt de dagelijkse omwenteling voor dag en nacht, en haar baan om de Zon duurt een jaar.' Daar keken de heidenen van op, omdat deze uitleg van Mij hun kennis ver te boven ging, en een priester zei: 'Heer, wij danken U voor alles, maar houd maar op met Uw uitleg, want wij kunnen het onmogelijk begrijpen omdat wij het ons niet voor kunnen stellen!'

 

Toen zei de Heer: 'Wel, als het aanschouwelijk gemaakt moet worden, dan zal dat meteen gebeuren!' Ogenblikkelijk zagen allen in de vrije, hoge ruimte van de zaal boven de tafel de Zon, de Maan en de Aarde, en ook alle andere planeten met hun Manen, en alles bewegend als in werkelijkheid. Aan de verbazing kwam geen einde, en de Heer legde het hun twee uur lang heel nauwkeurig uit, en toen begrepen zij alles, wat hun veel plezier deed. Behalve het wiskundige deel liet Hij hun echter ook de bewoonbaarheid van de Zon en alle planeten en hun Manen zien, en heel uitvoerig de bewoonbaarheid van onze aardse Maan, en zei toen in het bijzonder: (De Heer:) Omdat jullie dat nu inzien en begrijpen, kan Ik jullie ook het nodige vertellen over de Maanzucht. De bewoners van de Maan hebben als zeer eenvoudige en in zichzelf gekeerde mensen bij uitstek de gave van de helderziendheid, en dat met name tijdens hun nacht van veertien volle aardse dagen, die zij in hun onderaardse woonholen meestal slapend doorbrengen. Tijdens deze slaap blijft hun ziel echter volkomen wakker en deze ziet dan alles om zich heen tot in de verre omtrek, en dus ook deze Aarde, waar zij eigenlijk min of meer bij horen, die zij echter, vanwege de natuurlijke positie van de Maan tijdens hun waaktoestand, op hun lange dag nooit kunnen zien. Want de Maanmensen bewonen alleen het gedeelte van de Maan dat van de Aarde is afgekeerd omdat de Maan, zoals Ik jullie al uitgelegd heb, om heel natuurlijke redenen op de naar de Aarde toegekeerde kant geen lucht en geen water heeft, en als er al hier en daar in de vele dieper gelegen delen een soort lucht aanwezig is, dan is die toch niet toereikend voor de ademhaling van wezens met een lichaam, en is er ook niet geschikt voor, omdat het element zout (de zuurstof) geheel ontbreekt.

 

(Opmerking: dat deel van de Maan dus, die wij vanaf de Aarde met  blote oog kunnen zien en waarop mogelijk eens  astronauten hun voetstappen achtergelaten hebben!)

 

De mensen van de Maan hebben daar in hun natuurlijke toestand ook geen behoefte aan, omdat zij in hun droomleven, waar zij het meest van houden, toch al alles kunnen zien en te weten kunnen komen wat goed is voor het heil van hun ziel. Zij verlangen er dan ook het allermeest naar om snel bewoners van deze Aarde te worden, wat dan ook eigenlijk hun bestemming is. (Opm.: Maanbewoners aan de achterzijde van de Maan) En als zij op hun wereld hun lichaam hebben afgelegd, gaan hun zielen, als zij zich tijdens hun lichamelijke leven daarvoor waardig gemaakt hebben, meteen naar deze Aarde en worden bij een passende gelegenheid in een moederlichaam verwekt. Als kinderen van deze Aarde worden zij weer geboren, groeien vervolgens op en ontvangen de opvoeding van de aardse mensen, waardoor zij in ieder geval de mogelijkheid krijgen op de weg van de kinderen van God geplaatst te worden, hetzij reeds hier of aan gene zijde.

 

Wel, de zielen van deze mensen bestaan uit de substantie van de Maanwereld en voelen zodoende, vooral tijdens hun droomleven, een bijzondere drang naar waar zij vandaan gekomen zijn, wat het sterkst tot uiting komt bij het licht van de volle Maan, omdat er door het Maanlicht een groter aantal substantiële, specifieke zieldeeltjes op de Aarde neerdalen en de genoemde mensen, die Maanzielen hebben, prikkelen en aantrekken. Dit euvel kan echter snel en gemakkelijk verholpen worden door het in geloof opleggen van de handen en door het gebruik van koude baden.’ (GJE 6-119-120) (Opm.: inderdaad, de remedie tegen nachtmerries en slaapwandelen verhelpt dit euvel snel door de betrokkene te laten lopen op een koude en natte dweil!)

 

 

Vragen met betrekking tot de Maan

 

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer]:

 

[Eerst zei vermeld ,dat vrienden van Jakob Lorber – 1840 -, de schrijfknecht van de Schepper, vragen gesteld hebben over de Maan, hoe wezens, die net als de mens met een lichaam bekleed, op de achterkant van de Maan wonen].

 

De Heer: ‘Hoe staat het dan met de verering voor Mij van een beter soort mensen op Aarde, die voor het verzorgen van hun lichaam per dag drieëntwintig uur nodig hebben, terwijl Ik wordt afgedaan met nauwelijks een verloren uurtje. Is dat wel het rijk van God zoeken? Ik zeg jullie, de kikkers op de plassen en de mollen in de grond zouden jullie wel als belerende apostelen kunnen dienen, want werkelijk, de kikker kwaakt de mees­te tijd van de dag in zijn vreugde over het leven, dat hij in zijn plas mag doorbrengen en looft Mij onbewust in zijn kwakende vreugde over het bezit van dat leven; de mol beseft het en baant zich een weg in de duisternis van de aarde; zijn weg en zijn geluidloze rust is een stille lof­zang, waardoor hij onophoudelijk Mij, zijn Schepper, prijst. Maar de mens, voor wie Ik alles heb geschapen, voor wie Ik zoveel groots heb gedaan, en nog eeuwig zal doen, ja voor wie Ik onophoudelijk zorg, en voor wie Ik al Mijn wijsheid en liefde inzet, meer dan een met liefde vervulde bruidegom voor zijn allerlief­ste, dierbaarste bruid, deze mens vindt overdag nauwelijks een uurtje voor Mij en dan alleen maar op de manier zoals een slonzige kookster vaak heel gedachteloos zout in het eten doet, omdat ze dat gewoon is te doen, of om tenminste te kunnen zeggen dat ze zout in de soep heeft gedaan ook al smaakt deze vaak niet veel beter dan puur lauw water zonder kraak of smaak’.

 

‘Werkelijk, Ik zeg jullie, door zo'n verering wordt jullie God niet dikker en daardoor jullie eigen leven ook niet krachtiger. Want het leven van jullie houten huis - en kamercrucifixen, die jullie door een erbarmelijk lichaam toont hoezeer jullie verering en jullie godsdienst op die van de joden lijkt, die tenminste de levende aan het kruis hebben geslagen, terwijl jullie hier veel te lui en te lauw voor zouden zijn en er genoegen mee nemen, dat iemand jullie zo'n volbrachte houten kruisiging verkoopt, die dan juist geschikt is om in Mijn plaats de atomen van jullie verering aan te nemen. O, jullie dwazen! Jullie vereren dus het bewerkte hout, steen of metaal, net zoals de hond een hoeksteen vereert, die een voorganger heeft besnuffeld, zo drukken jullie je lippen op het hout en denken, als jullie daarbij nog een zogenaamd 'Onze Vader' en 'Weesgegroet' hebben gebrabbeld, of als jullie in een stenen kerk vol beeldhouwwerk bijna een uur lang gedachteloos en uitgedost, met een verguld gebe­denboek in de hand hebt doorgebracht, dat je Mij gediend en Mij bo­ven alles vereerd hebt. O, jullie dwazen’.

 

‘Geloven jullie dan dat Ik in hout ben, in steen, in metaal of enig ander ijdel houtsnijwerk dat ge­maakt is door meubelmakers, beeldhouwers, draaiers, bankwerkers, slotenmakers, smeden, metselaars en schilders? Waarlijk, Ik zeg jullie: al die vereerders, als ze zich tenminste hier op Aarde niet anders zullen bedenken, zullen mettertijd aardig lang op de Maan naar school moeten gaan en daar onder de grootste geestelijke en ook lichamelijke moeilijkheden moeten ervaren, dat de levende God beslist geen wel­gevallen heeft aan zo'n onzinnige verering, want die is veel slechter dan die van de blinde heidenen, die hun afgoden tenminste uit vrees, al is het dan niet uit liefde, een werkelijk offer brengen terwijl jullie Mij de levende God, vereren alsof Ik helemaal niet bestond, of alsof Ik waarlijk alleen maar van hout was of, in een gunstiger geval, oudbak­ken of pas gebakken uit meel’.

 

‘Willen jullie nu weten hoe de Maanmensen Mij vereren? Bij de Maanmensen bestaat de verering van God, zowel op de geestelijke alsook op de lichamelijke kant van dit hemellichaam, uit niets anders dan het langzamerhand leren waaruit de ware Godsverering bestaat; tengevolge van dit leren beginnen ze God in geest en in waarheid te vereren en wel in zichzelf, maar niet zoals jullie het doen, slechts een uurtje per dag en daarbij ook heel lauwtjes en in hout en an­dere geestelijk geprezen dwaasheden. Ook bestaat die verering van God daaruit, dat diegenen, die hier hun lichaam drieëntwintig uur per dag hebben welgedaan, daarginds lange tijd zullen moeten leren, zulke extra fijne lichamelijke genoegens te ontberen, zich tot in de binnenste vezels van het leven te verloochenen en alles alleen maar van Mij te ver­wachten. Ze moeten hun geloof vaak door de veelvuldigste en zwaarste beproevingen heen, steeds weer als levend erkennen, maar niet zo als jullie, die of helemaal geen geloof hebben, of, als jullie er al een hebben, Mij, de levende God, dan omvatten met een even weinig vertrouwende kracht als waarmee je een houten, slecht gevormde cru­cifix omvat’. [bron: Hemelse Gaven – Jakob Lorber]

 

Vragen met betrekking tot de Maan

 

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer]:

 

[Eerst zei vermeld, dat vrienden van Jakob Lorber – 1840 -, de schrijfknecht van de Schepper, vragen stelden over de Maan, hoe bijvoorbeeld wezens, die net als de mens - met een lichaam bekleed zijn, op de achterkant van de Maan wonen].

 

https://ci5.googleusercontent.com/proxy/NoUTUdtQoKPlku0OSb9ALMrdolWQs05-sPailAWEMi7VaZ_tXx_m3yhroGFGbGWYMXs-uw5inTsERuenuZEQfqY-GN01raV_59Lt2K1m1G27=s0-d-e1-ft#http://www.tagesleitzettel.de/bibellese/mailpics/frage1.gifVraag 2. Hoe voeden ze hun kinderen op?

 

Antwoord op vraag 2

De Heer: ‘En als daarmee de eerste vraag is beantwoord, dan volgt daaruit vanzelf de tweede; want waar Ik ofwel Zelf uiterlijk optreed door daarheen gestuurde engelen, ofwel innerlijk Zelf als leraar optreed, daar zijn geen kerkelijke en ook geen anderssoortige leiders nodig ­ waaruit jullie kunnen opmaken dat degene, wiens leraar Ik ben gewor­den, alle andere opperste leiders heel gemakkelijk kan missen, vooral als de leider veel meer een gouden dan een geestelijk leider is. En zo is de hele Maan niets anders dan een geestelijke correctiestaat onder Mijn persoonlijke leiding.

 

Volgens deze innerlijke leer worden hun kinderen ook opge­voed. Het enige wat ze nodig hebben is de liefde en hieruit het geloof volgens de leer van de geesten, dat Ik een mens ben en dat Ik de licha­melijke natuur heb aangenomen op de wereld waar zij oorspronkelijk van afstammen, om niet alleen alle mensen van de Aarde en de Maan za­lig te maken, maar ook om allen die in de eindeloze ruimten over tallo­ze hemellichamen verstrooid zijn, bijeen te brengen en onder het kruis van de liefde ook voor hen een blijvende woonplaats te stichten. - Dit is dan alles over de religie en Godsverering op de Maan’.

 

‘Daarom moeten daar de mannen hun vrouwen ronddragen, op­dat ze door de hen steeds drukkende last van hun zinnelijke vlees lust zullen genezen. Waarlijk Ik zeg jullie: op Aarde moest een koning in zijn rijk zo'n beslist noodzakelijke plicht aan alle wellustigen opleg­gen, namelijk dat, als zo'n wellusteling met een deerne overspel had gepleegd, hij haar dan een heel jaar lang op zijn rug moest rondslepen en haar zo dag en nacht, liggend, zittend, staand of lopend bij zich moest houden. Voorwaar, hij zal in deze tijd het zoete vlees zeker zo beu worden, als iemand die zijn maag zo bedorven heeft door het snoe­pen van honing, dat hij, als hij weer hersteld is, nog banger is voor de honing dan voor de bij die steekt!

 

‘Dit werd hier evenwel verteld om een duidelijker beeld van de Maan te krijgen en hoeft hier op Aarde, waar de mens in zijn volste vrijheid is, niet toegepast te worden, omdat de straf wel het vlees een tijdje betert en tot orde brengt, maar echt niet de ziel en nog minder de vrije geest. - Vandaar dat op de Maan deze handeling niet als straf plaatsvindt, maar als uiting van een inniger, be­tere liefde’. [bron: Hemelse Gaven]

 

Vragen met betrekking tot de Maan

 

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer]:

 

 [Eerst zei vermeld, dat vrienden van Jakob Lorber – 1840 -, de schrijfknecht van de Schepper, vragen stelden over de Maan, hoe bijvoorbeeld wezens, die net als de mens - met een lichaam bekleed zijn, op de achterkant van de Maan wonen].

 

https://ci5.googleusercontent.com/proxy/NoUTUdtQoKPlku0OSb9ALMrdolWQs05-sPailAWEMi7VaZ_tXx_m3yhroGFGbGWYMXs-uw5inTsERuenuZEQfqY-GN01raV_59Lt2K1m1G27=s0-d-e1-ft#http://www.tagesleitzettel.de/bibellese/mailpics/frage1.gifVraag 3. Wat denken ze van onze Aarde, en weten ze, dat U op Aarde een mens bent geworden en door Uw bitter lijden en sterven de zonden van de wereld hebt weggenomen?

 

Antwoord op vraag 3.

 

De Heer: ‘De vraag, wat de Maanbewoners van de Aarde denken, is na dit alles overbodig. Want de bewoners die vanwege hun plaatsing aan deze kant van de Maan op Aarde zouden kunnen zien, zijn geesten en kunnen het materiële alleen maar langs de weg van de geestelijke overeenkomst zien; bewoners aan de andere kant van de Maan krijgen de Aarde toch nooit te zien en kennen haar alleen maar geestelijk’.

 

Vraag 4. Hoe veroorzaakt de Maan het slaapwandelen of somnambu­lisme?

 

Antwoord op vraag 4.

De Heer: ‘Wat de laatste vraag betreft, jullie gedachte als zou de Maan het slaapwandelen veroorzaken, is volkomen onjuist. Dit wordt in de tijd dat het volle Maan is alleen maar veroorzaakt door het intensiever wor­den van het magnetisch fluïdum van de Aarde zelf. Als de Maan zich in het volle licht van de Zon bevindt, drijft het licht het magnetisch fluï­dum van de Maan als het ware weer naar de Aarde terug, waardoor de Aarde dan weer hoger geladen wordt en mensen, wier bloed door in­werking van water, lucht of etenswaren meer metalen bevat, hebben dan de natuurlijke mogelijkheid in zich, juist dit terugstromend fluï­dum geleidend op te nemen’.

 

‘Als hun zenuwen dan daarmee zijn opgevuld en een hinderlijke druk op de ziel beginnen uit te oefenen, dan ontwaakt deze of liever gezegd: ze maakt zich los van haar lichamelijke banden en wil de druk van het lichaam ontvluchten. Het lichaam heeft nog een geheel eigen zenuwgeest, die ten eerste sterk verwant is met het magnetisch fluïdum, ten tweede echter net zo innig met de ziel, die weer door deze zenuwgeest verbinding heeft met het lichaam en er mee correspondeert. Als de ziel er tussenuit zou willen gaan, wekt ze ook de innig met haar verbonden zenuwgeest en deze dan natuurlijk weer het lichaam en zo werkt dan de zogenaamde slaaptrein, alsof er drie mensen achter elkaar liepen die aan elkaar zijn gebonden; maar de geest blijft in de ziel, waardoor zij ook leeft’.

 

‘Als dan zo'n slaapwandelaar zijn gezicht naar de Maan toekeert en vaak op daken en kerktorens klimt, gebeurt dat omdat hij zich uit de magnetische overvolle diepte van de Aarde wil verheffen en daardoor zijn drukkende overvloed van dit fluïdum wil verminderen, zodat het lichaam weer geschikt is zijn ziel met de geest door de ze­nuwgeest opnieuw op te nemen en te herbergen. Als het lichaam vrij is geworden, brengt de ziel het door middel van de zenuwgeest op zijn vorige plaats terug en verenigd zich dan pas weer helemaal met het li­chaam. Natuurlijk weet de ziel niets van die toestand, omdat ze geen geheugen heeft. Dit wordt ten onrechte door de filosofen voor een zielsvermogen aangezien, terwijl het zo is, dat de ziel alleen datgene weet wat ze juist ziet, de herinnering van de ziel in het lichaam is niets dan een herhaald terugzien van de overeenkomstige vormen die de geest in zich draagt’.

 

‘Nu weten jullie alles, behalve hetgeen eigenlijk het essentiële is van dit magnetisch fluïdum. Wat dit is en waaruit het bestaat is niet te verduidelijken met een paar woorden; want met enkele wijze woor­den zouden jullie het moeilijk begrijpen en voor een lange uiteenzet­ting zijn jullie reeds te vermoeid.

Wachten jullie daarom de volgende gelegenheid af om dit niet onbelangrijk naschrift te ontvangen, waarmee dit werk eigenlijk pas afgerond is. Dus voor vandaag Amen! Ik, jullie Vader, Amen!’ [bron: Hemelse Gaven]

 

[Opmerking: Alle woorden, waarin ‘maan’ ligt verscholen houden op de een of andere manier een boodschap in, een maning of vermaning, waarover elk mens wat dieper kan nadenken. Er bestaan basiswoorden die ontstaan of afgeleid zijn van de Maan, of afvloeiende woorden daarvan in verzwakte vorm. De eerste dag van de week is Maandag en vernoemd naar de Maan. De maand is dus vernoemd naar de Maan en kent oorspronkelijk 28 dagen, analoog aan de vrouwelijke cycli, de Maanstonden of de benodigde verbanden met de Maan. In de bioritme is er een link met geboortedag en de weekdag, waarbij de vrouw haar cycli meestal rond zo’n weekdag heeft. Is dit niet het geval, dan loopt ze uit de pas van het Maanritme.]

 

www.zelfbeschouwing.info