Waarom wij leven

         korte samenvatting

                                                          door Klaus Opitz

Betreffende de vraag van Mucius in het 11e deel v.h. GJE waarom wij überhaupt dan leven, wat er na de dood komt en hoe wij het beste in alle wijsheid van het leven kunnen worden ingeleid, daarop antwoord Jezus: Deze drie vragen omvatten de totale wijsheid van alle hemelen en de basis van Mijn leerambt op deze Aarde.

1. Mucius zei: 'Omdat U, o Heer en Meester, het mij hebt toegestaan, vraag ik U om een duidelijke uitleg, waarom wij mensen eigenlijk leven, wat er met ons na de dood gebeurt, en hoe wij het beste in alle levenswijsheid ingewijd kunnen worden.

Gisteren hebt U mij gezegd dat door het houden van Uw twee geboden*), die Uw leerling mij nader uiteengezet heeft, de juiste kennis in het hart van de mens vanzelf ontwaakt - maar het 'hoe', is voor mij nog erg versluierd gebleven, en daarom vraag ik U om opheldering daarover.' *) Heb God lief boven alles en je naaste zoals jezelf.

Ik zei tegen de waard: 'Mijn beste Mucius, juist deze drie vragen, die jij stelt, omvatten in zich de gehele wijsheid van alle hemelen en de redenen voor Mijn leraarschap op deze Aarde. Hoeveel daar door Mij ook al over is gesproken, toch kan die basisleer nooit vaak genoeg steeds weer herhaald worden, opdat het geestelijke hart van de mens die eeuwige waarheden volle­dig in zich opneemt, goed in zichzelf verteert en in zichzelf geheel in vlees en bloed zal omzetten. Ik zal jouw vragen daarom uitvoerig beantwoorden, in eerste instantie ter wille van jou en Phoikas, omdat jullie Mijn leer nog niet kennen, en in tweede instantie ter wille van de Mijnen, die al langere tijd bij Mij zijn, maar toch nog niet in alle waarheid zijn doorgedrongen. - Luister dus goed!  

De mens leeft vanuit tweeërlei werelden, die hij in zichzelf dient te ver­enigen. Enerzijds is hij de sluitsteen van de uiterlijke, materiële schepping, waarin hij de kroon van de schepping wordt genoemd en als zodanig wordt geprezen, anderzijds is hij het beginpunt van de zuiver geestelijke wereld, die met hem de eerste fase van het volledig vrije zelfbewustzijn heeft bereikt. Hij is dus aan de ene kant het begin, aan de andere kant het einde van een keten en dient in zichzelf, door zijn daartoe geëigende leven en de vrije ontwikke­ling, de juiste schakel te vinden waarmee hij die twee ketenen tot één kan maken. Ik zal jullie dat duidelijker uiteenzetten.

Alle wezens vanaf het kleinste schepsel vormen een trapsgewijs opklim­mende reeks*), en wel op zo'n manier, dat de ene trede steeds de andere aan­vult, grotere volkomenheden te zien geeft en daardoor ook een steeds grote­re intelligentie kan ontwikkelen… *) mineraal, plant, dier, mens.

Als nu de hoogste dierlijke intelligentie ontwikkeld is -let wel, het komt daarbij niet op de uiterlijke vorm, maar alleen op de ontwikkeling van de ziel aan! -dan kunnen die ontwikkelde intelligenties samenvloeien tot een mensenziel; die bevat nu dus in de eerste plaats de elkaar wederzijds aanvullende, hoogst ont­wikkelde intelligenties, maar in de tweede plaats, omdat zij de volgende stap in de ontwikkeling van vele lagere levens is, moet zij een weerspiegeling zijn van het gehele lagere leven in het algemeen, omdat zij dat allemaal in zich bevat. Ze is nu dus afgesloten wat betreft de uiterlijke vorm en de tot ont­wikkeling in staat zijnde innerlijke vorm. De kroon van de schepping, de menselijke vorm, met een kiem die in de hoogste mate tot ontwikkeling in staat is, is in de nieuw geboren mens bereikt.

Nu begint de tweede taak: de mens moet het hoogst mogelijke vrije bewustzijn bereiken in het kennen van zijn Schepper en in de ontwikkeling van de innerlijke mens.

Tot nu toe was de zielenvorm afgestompt, bekommerde zich niet om gees­telijke, maar alleen om materiële dingen; voor haar gold alleen het recht van de sterkste. De Godheid wil evenwel dat Haar werk, dat moeizaam hiernaar­toe werd geleid, Haar nu ook leert kennen en uit liefde tracht te naderen, niet uit vrees voor Haar kracht. Hoe kan dat bereikt worden?  

De Godheid moet zich verhullen om dat doel te bereiken. Dat wil zeggen dat Zij Haar schepsel in omstandigheden moet plaatsen die het de mogelijk­heid geven vrij uit zichzelf de Godheid te erkennen of niet. Daarbij mag de Godheid geen dwang uitoefenen, omdat anders de vrees, die vermeden moet worden, en niet de liefde de richting van de wil beïnvloedt. Bedenk zelf maar eens hoe het je zou bevallen om door dienaren omringd te zijn die je alleen uit vrees in plaats van uit liefde zouden dienen! Dat plantje van de liefde kan alleen maar ontstaan als de mensenziel door de steeds toenemende helderheid en inzicht in alle dingen, bewijzen krijgt van de grote liefde en wijsheid die de Godheid hem betoont, die bewondering en liefde in hem wekken.

Aan de mensenziel wordt nu een leider gegeven; want de pure ziel alleen zou, als voleindigde vorm die niet verder ontwikkeld kan worden, niets hogers meer boven zichzelf waarnemen, als er nu niet een geestelijk voelen, het gewaarworden van een macht in haar zou kunnen binnenvloeien, die haar verdeemoedigt en ertoe aanspoort om haar Schepper te zoeken. En dat is de goddelijke vonk, die als geest in haar wordt gelegd*), en die zich gelijktijdig met haar moet ontwikkelen, haar door een juiste opvoeding steeds meer moet doordringen en door zelfonderricht in alle kennis moet binnenleiden. *) sinds Adam. De mensen voor Adam (de voor-adamieten, of diermensen) waren gericht zoals de dieren.

Dit ware huwelijk, dat bij de geboorte van de mens al begint, is echter geweldig verstoord doordat nu wel de ziel ontwikkeld wordt door de onver­mijdelijke lichamelijke ontwikkeling, maar de innerlijke geest meestal slechts als een embryo in haar blijft. Doel van het leven is echter om ze allebei gelijk­tijdig te laten ontwikkelen, zodat de een in de juiste mate van de ander afhangt.

Die geestvonk komt van God en bevat van huis uit in zichzelf alle waar­heid en juiste kennis. Door die vonk staat de mens in zeer nauwe verbinding met de oergeest van God Zelf en kan hij binnendringen in alle geheimen en de wijsheid van God Zelf. Maar heel weinig mensen hebben daar evenwel een vermoeden van. En dat vermoeden, dat soms alleen nog zwak opflitst, tot volle zekerheid en tot weten te laten oplichten, is het doel van Mijn ambt als Leraar­ en de weg daar naartoe wordt gegeven door Mijn leer.'

'Mijn leerling Johannes heeft je al gezegd en Ik bevestig het jou, dat in de twee geboden: 'Heb God lief boven alles en je naaste als jezelf' de tien geboden van Mozes vervat zijn en al het overige wat de mens moet doen om de in hem wonende geestvonk te wekken en steeds meer één te laten worden met zijn ziel. Want alleen in de juiste levenswandel in Gods ogen en in de juiste daden van liefde voor jullie naasten vinden jullie de ware voldoening, innerlijke vrede en de juiste overwinning op jullie hartstochten en de dood. In wie eenmaal de overtuiging wakker is geworden die het hem onmogelijk maakt tegen die geboden te zondigen, bespeurt reeds op deze aarde de ware hemel; want hij is onaantastbaar geworden voor alle aanvallen van het kwaad, daardoor een echte heerser in zichzelf en vanuit zichzelf een heerser over de natuur.

 

Want omdat de ziel van de mens alles in zich bevat wat de aarde aan wezens draagt, zoals jullie weten, is het toch heel natuurlijk -wanneer de geest eenmaal in dit huis van hem, dat alles bevat, de heerschappij heeft ver­kregen -dat hij ook over de diverse evenbeelden van zijn ik moet kunnen heersen, evenals een koning die zich uit de slavenstand tot de troon omhoog heeft gewerkt, nu zonder op tegenstand te stuiten over al die standen heerst, waar hij zelf toe heeft behoord. Maar, welteverstaan, als de mens in zichzelf de verbindende schakel van de keten, die Mijn leer is, heeft gevonden, en beide ketens tot één enkele, onverbrekelijke keten heeft verbonden!

Als laatste scha­kel van de materiële keten, die slechts de hoogste zielenvorm en de daardoor bepaalde menselijke vorm vormt, is hij volkomen machteloos en zelf niets anders dan een uiterst intelligent, goed ontwikkeld dier. Ik denk dat jullie nu hebben begrepen waarom jullie leven, en hoe jullie tot het juiste inzicht kunnen komen.' Allen zeiden, nog verbaasd en aandachtig luisterend: ']a, Heer en Meester.'

Maar Ik ging verder: 'Nu blijft nog de derde vraag over om te beant­woorden, namelijk: wat er na de dood met de mens gebeurt.

Als het is zoals Ik jullie verteld heb, is het ook duidelijk dat de geestelijke mens, die zich in het aardse leven slechts onvolkomen ontwikkelt omdat zijn zware lichaam een grote last voor hem is, moet voortleven; want niemand zal waarschijnlijk bij zichzelf willen beweren dat hij in dit korte aardse leven een voleinding kan bereiken die hem al heel dicht bij God brengt. Hij krijgt te maken met velerlei belemmeringen in zijn lichaam en met verzoekingen van allerlei aard, opdat zijn karakter gestaald wordt en zijn wil geoefend wordt om zichzelf geweld aan te doen en het goede steeds meer aan te trekken en de slechte neigingen uit zichzelf te verwijderen.

Pas aan gene zijde treedt hij een nieuwe wereld binnen, die hem de won­deren Gods en het heelal steeds meer onthult, waar hij met zijn geestelijk oog ziet en niet met zijn zwakke lichamelijke ogen, die hem de materiële wereld tonen. Bij het aanschouwen van de grote wonderwerken ziet hij nu echter in, dat de echte zaligheid alleen gelegen is in werkzaamheid, en dat God Zelf het meest werkzame Wezen is. Al naargelang zijn vooruitgang kan hem dan ook een passend werkterrein worden gegeven, dat hij met grote ijver behartigt; en in die bezigheden en bij het zien van zijn nuttige werk zal hij de ware vreug­de en hoogste zaligheid genieten. (GJE.11_009,05 e.v.)

2. 'Als jullie waarachtig aan Mij geloven, moeten jullie Mijn wijsheid, die alle dingen in de wereld leidt en beslecht, ook niet vóór willen zijn, maar je moet je geduld met het Mijne verenigen en denken: in deze wereld, waar de levensvrijheid op de proef wordt gesteld, is de orde voor ééns en voor altijd zo, dat ieder mens kan doen wat hij wil. Want alleen door volledige wilsvrijheid kan hij het eeuwige leven van zijn ziel bevech­ten. En zoals hij een volledige vrije wil heeft, heeft hij ook een juist denkvermogen en een vrij verstand, waarmee hij al het goede en ware kan onderscheiden en beoordelen; en hij kan dan ook dienovereenkomstig handelen, omdat de krachten hem daarvoor rijkelijk gegeven zijn.

Als de mens het goede en ware onderscheidt, maar toch vrijwillig in strijd daarmee handelt, bouwt hij zijn eigen gericht en zijn eigen hel en is daardoor hier op aarde reeds een volslagen duivel. En zie, dat is dan de straf die een mens zichzelf aandoet, zonder dat Ik dat wil!

Houd je daarom niet bezig met Mijn grote geduld en liefde voor de mensen, of deze goed of slecht zijn. Ik waarschuw ze alleen als ze op het verkeerde pad zijn; maar ondanks Mijn almacht kan Ik hen niet beetpakken en op het juiste levenspad terugplaatsen, omdat dat zou betekenen dat Ik hun de vrije wil zou afnemen, wat hetzelfde zou zijn als wanneer Ik hun het leven van de ziel en dat van de geest daarin zou ontnemen.

Daarom moet ieder wandelen zoals hij wil! Het is voor de mens meer dan genoeg dat hij de wegen kent en de vaststaande gevolgen die hij te verwachten heeft, of ze nu goed of slecht zijn. Want ieder mens die tot het gebruik van zijn rede en zijn verstand komt, weet wat volgens de openbaringen uit de hemelen juist en goed -en ook, wat onjuist en slecht is. De keuze om daarnaar te handelen is geheel aan zijn vrije wil overge­laten.

Als jullie dat goed begrijpen, mogen jullie niet klagen over Mijn geduld en lankmoedigheid; want op deze aarde, die een opvoedingshuis voor toekomstige ware kinderen van God is, moet dat nu eenmaal zo zijn en het kan onmogelijk anders. Waar de mensen geroepen zijn om volledig aan God gelijke geesten en wezens te worden, moet omgekeerd ook hun wilsvrijheid eindeloos vrije speelruimte hebben om een volslagen duivel te worden, die dan echter door eigen schuld op ellendige wijze datgene moet dragen wat hij door zijn eigen wil zelf veroorzaakt heeft.

Ik zal daarom niemand voor zijn slechte daden door Mijn almacht richten en straffen, maar dat doet diegene zelf en ook de onveranderlijke wet van Mijn eeuwige orde, die aan ieder, via de weg van het licht van de vele openbaringen, bekend is gemaakt, reeds vanaf het eerste begin van menselijk bestaan op deze Aarde.

Als jullie dit nu begrepen hebben, oefen jezelf dan ook in geduld en heb dan ook in jezelf een waar medelijden niet alleen met de zieke lichamen, maar meer nog met de zieke en blinde zielen van de mensen, dan zullen jullie op de minst moeilijke en snelste wijze tot ware en volledige gelijkenis met God komen en worden als de engelen in de hemel!'  (GJE.07_202,05 e.v.)

De volledige tekst  „Warum wir leben“ met de delen 1.Woher wir kommen, 2.Warum wir leben, 3.Wohin wir gehen“ kun je bekijken op www.JESUS2030.de, linker zijkolom onder  „Texte der Neuoffenbarung zu…“ Klaus Opitz

www.zelfbeschouwing.info