Kruis en Kroon

Beschouwingen over de Passietijd

 

Jakob Lorber

Uitgeverij De Ster - Breda

 

Ontwerp omslag: Studio 3-P Eindhoven

 

ISBN: 9065561528 NUGI: 632

 

Copyrights @ 1990 Uitgeverij De Ster - Breda


 

Wees getrouw tot in de dood

en Ik zal u de kroon des levens geven.

 

                 Openbaring 2, 10

 

De nood van het leven is

een beker van het leven waarin dit verankerd ligt. Daarom

neme een ieder het kruis, dat Ik hem geef, op zijn schouder en volge Mij in alle liefde na, dan zal hij

zij n leven voor eeuwig behouden.

 

Himmelsgaben I, pag.335


Inhoud

Voor de inhoud van dit boek werd, op een enkele uitzondering na, geput uit het werk van de profetische mysticus Jakob Lorber (1800 - 1864). Het meest is aan zijn hoofdwerken ontleend, te weten Het Grote Johannes Evangelie (GEJ), Die Haushaltung Gottes (HG), De jeugd van Jezus OJ), Die Geistige Sonne (GS), Bischof Martin (BM), Robert Blum (RBI) (huidige titel: Von der Hölle bis zum Himmel), en Bijbelteksten en hun verborgen betekenis (Bij). De verbindende teksten zijn van Dr.Walter Lutz. Enkele bijdragen komen ook uit de ge­schriften van G.Mayerhofer en van anderen. De hier genoemde Nederlandse titels zijn van reeds vertaalde werken.

In de genoemde werken van de Nieuwe Openbaring zoals deze aan Jakob Lorber door het innerlijk woord werden gegeven, wordt de leer van Jezus Christus in zijn zuiverste vorm op een klemmende manier nieuw verkondigd. In grote liefde en helderheid wordt de mens de ware weg tot God, tot een geestelijk nieuw geboren wor­den van de ziel en tot het eeuwige leven gewezen.

Voor de lezer die nog niet eerder kennis nam van deze werken is het wellicht zinvol om eerst even de korte samenvatting over leven en werk van Jakob Lorber te lezen op pag. 162 e.v.

 

De bovenstaande Duitse titels zijn inmiddels allen vertaald (HdV-aug.2002)


Ter Inleiding

 

1. Het Avondmaal

          De Heer bij de Sabbatmaaltijd van de oervaderen

          Brood en wijn

          Mijn lichaam en bloed

          Uiterlijke aanbidding

          Een waarachtige liefdes - en gedachtenismaaltijd

          Schuldbekentenis

          Vergeving der zonden

          Woorden van de Heer

          Vermaning tot eensgezindheid

De Vader tot de Zijnen bij het liefdemaal in de hemelen

De gelijkenis van de Heer over het koninklijke bruiloftsmaal

2. Gethsémane

          Het geheim van de persoon Jezus

          De strijd van de zich ontwikkelende Jezus-ziel

          De voorbereiding op de overwinning

          De gebedsstrijd van de Heer in Gethsémane

          Uw wil alleen geschiede

          De Heer en Judas

          Simon Jona, Petrus genaamd

          Het zwaard van Petrus

'Wie naar het zwaard grijpt, zal door het zwaard omkomen'

          Over de liefde en wijsheid van de hemel

3. Veroordeling

          De tempel ten tijde van Jezus

          De hel als de laatste beproeving

          'Mijn Rijk is niet van deze wereld'

4. Kruisiging

          Over het dragen van het kruis

          Over de juiste geest bij het dragen van het kruis

Het berouw van Judas

          Het lot van de zelfmoordenaar

          De zeven kruiswoorden

          De stervensuren

          De zon wordt verduisterd - de aarde beeft

          Het voorhangsel scheurt - de graven gaan open

5. Graflegging

          De Heer in het graf van Jozef van Arimathea

          Nedergedaald ter helle

          De 'niet te overbruggen kloof

          De verheerlijking van het lichaam

6. Opstanding

          Tegenspraak in wat de evangeliën verkondigen

          Maria Magdalena - de eerste bij het graf

          De haast van de discipelen

          'Raak mij niet aan!'

          Het omklemmen van de voeten

          'Vrede zij met u!'

          Thomas

          Mijn Heer en mijn God!

7. De hemelvaart van Christus

          Terug in de genadezon

          Een toegankelijke Vadergod in een nieuwe hemel

Het dichten van de kloof tussen God en allen die gevallen zijn

          Het is volbracht! - Ik heb dorst!

          Christus de Middelaar

          Het grote getuigenis van Johannes

          Aanbidding

Jakob Lorber en de werken van de Nieuwe Openbaring

 


 

Ter Inleiding

 

De Heer:

De week komt weer naderbij waarin de christenheid in haar gedachten ernstig bij Mij wordt bepaald, welis­waar op een heel andere manier en niet op de wijze zoals Ik graag zou willen en het bij Mijn leven op aarde heb in­gesteld. Maar goed, laten we dat maar in het midden! Er zal nog van alles plaatsvinden, vooral omdat reeds sedert enige tijd in geestelijk opzicht de noodzakelijke voorzorg­maatregelen zijn genomen om tenslotte eens daar licht te laten schijnen waar tot nu toe duisternis heerste.

Ook gij, Mijn kinderen, herinnert u bij het naderen van deze herdenkingsdagen de woorden, die Ik u jaren eerder heb gegeven. En menigeen verlangt weer naar nieuwe woorden, terwijl hij toch een beter resultaat bij zichzelf mocht verwachten en tot zichzelf zou moeten inkeren om te zien in hoeverre hij volgens de reeds eerder gesproken woorden aan zijn opdracht heeft beantwoord. - Omdat Ik echter de Vader der Liefde ben en heel goed weet dat Ik met zwakke kinderen te maken heb, wil Ik hier uw 'alge­mene biecht' laten opschrijven, in plaats van dat u die voor Mij uitspreekt. Want menigeen zou wellicht zijn belangrijk­ste fouten verzwijgen, terwijl Ik niet van zins ben aan ook maar één enkele fout stilzwijgend voorbij te gaan.

Zie, de komende week herinnert u aan twee feiten: ten eerste aan het voorbeeld van Mijn nederigheid, zachtmoe­digheid en alomvattende, alles vergevende Liefde; ten tweede aan het grote offer dat Ik als God in de gestalte van een mens voor u bracht, om u niet als dieren aan uw harts­tocht ten onder te laten gaan, maar uw geestelijke waardig­heid te redden, zodat u, overeenkomstig Mijn evenbeeld, dat kunt worden waartoe Ik u geschapen heb!

Wat het eerste betreft moet de vraag worden beant­woord: hoe en in hoeverre hebt u Mijn voorbeeld nage­volgd, hoe hebt u uw naastenliefde tegenover uw mede­mensen bewezen, hoe hebt u van nederigheid, vergeving, liefde blijkgegeven?

Welnu, een ieder steke de hand in eigen boezem, zal zich­zelf moeten onderzoeken, en als hij zijn grootste zwak­heden ontdekt, dan moet hij daaraan werken! Want als Ik uw zwakheden zou optellen, zoudt gij ervan verzekerd kunnen zijn dat het er slecht met u voorstaat. Niemand, zonder uitzondering, is dat wat hij zou moeten zijn of dat wat Ik van hem zou kunnen verlangen, nadat Ik u tot nu toe zoveel licht heb geschonken. Want overal zie Ik onver­draagzaamheid, verkeerde zendingsdrang, zinloze praat­zucht en het vol leedvermaak onthullen van de fouten van anderen. Voorwaar, dat zijn geen eigenschappen Mijn leer­lingen waardig!

Juist in de week die komt staat het beeld van de groot­ste zelfverloochening, het grootste dulden en van de groot­ste liefde voor u, en hoe weinig hebt u naar dit beeld ge­leefd en gehandeld?! Terwijl Ik u eens zei: "Wie een zuiver geweten heeft, hij neme de eerste steen op!" - hebt u vaak met een bezoedeld geweten anderen, die tekortschoten, aan een regen van stenen blootgesteld en hebt u onbarm­hartig door het slijk gehaald wat met zachte hand daaruit zou moeten worden opgericht! - Aan het kruis sprak Ik nog: "Vader, vergeef hun, want ze weten niet wat ze doen!" Wanneer hebt gij zoiets gezegd? - Zie, onderzoek bij uzelf in uw hart en u zult vol huiver ontdekken hoeveel donkere plekken daarin blijken te zijn, hoeveel bezoedelde bladzij­den uw eigen dagboek telt!

Uit alles wat u tot nu toe van Mij hebt gehoord, blijkt toch heel duidelijk hoe u behoort te denken, te leven en te handelen, en het is niet altijd nodig met andere woorden steeds weer het oude te zeggen. U zou toch reeds hebben moeten begrijpen, dat het lezen van en luisteren naar Mijn woorden alléén, niet voldoende is om te lijken op iemand die Mij navolgt. U zou moeten weten dat niet af en toe een gebed of een verheven stemming reeds voldoende is om Mijn kind te zijn, maar dat een voortdurende blik op Mij nodig is, een voortdurend gedenken dat elke polsslag van uw hart een genade van Mij is, die u zich meestal niet waar­dig toont; al het goede dat u ten deel valt komt van Mij en al het slechte dat u overkomt is meestal aan uw eigen schuld te wijten. U zou ook tot het inzicht moeten zijn ge­komen dat het niet zo makkelijk is om mens te zijn naar Mijn betekenis en dat juist daarom alle inspanningen en alle krachten in het werk moeten worden gesteld om slechts in beperkte mate het hoge doel te bereiken waarvoor uw leven meestal te kort is, zodat u onder velerlei moeilijk­heden in het hiernamaals moet inhalen wat u verzuimd hebt.

Uw ziel zou zich dit alles als beeld moeten voorstellen, om zich vervolgens af te vragen: ben ik dan zó, zoals ik nu in deze week die naderbij komt, voor mijn Jezus, mijn Schepper, zou willen verschijnen? En is mijn eigen gedrag het wel waard dat juist deze Jezus, deze God der liefde, voor mij zo'n groot offer bracht?

Ja, zulke gedachten zouden u gedurende deze dagen vooral moeten bezielen, waar thans Mijn dode lichaam in veel kerken met veel ceremonieel in het graf wordt gelegd, totdat Ik, moe van het wachten, tot de schrik van velen voor de tweede keer zal opstaan om hen te laten zien dat niet, zoals zij denken, Ik hen dienen moet, maar dat zij Mij dienen moeten!

Kinderen, leg Mij niet in het graf! Versier Mijn woorden niet met mooie ingebonden boeken, die Mijn Ik voorstel­len, om ze dan rustig in de boekenkast te laten staan! Maar laat deze Christus in u opstaan! Hij werd in uw hart gelegd opdat Hij levend zal worden, opdat ook in u Zijn liefde, Zijn nederigheid en Zijn offerbereidheid zal oplichten! Zo­lang gij deze eigenschappen niet in de praktijk brengt, zo lang hebt ook gij slechts een dood lichaam in uw hart en niet het warme, levende Woord dat spoedig weer alle ruim­ten opnieuw zal verlichten om daarmee te tonen dat on­danks alle intriges toch slechts Mijn leer en Mijn daden eeuwig voortbestaan, dat deze voor altijd het hoogtepunt voor alle geestelijke wezens vormen die, uitgegaan van de Schepper, weer tot Hem terugkeren.

Begrijp in die zin de betekenis van de week die komt! ­- U wilt immers allen Mijn kinderen worden en zo door Mij worden genoemd! Laat dus zien dat u deze naam en de hiermee verbonden zegen en het geluk ook waard bent, en terstond zal in uw hart de in het graf gelegde Christus in Zijn mooiste licht herrijzen. Hij zal Zijn en uw feest van de geboorte vieren, doordat Hij in u door middel van de werk­zame liefde tegenover de naaste de Liefde van God ver­sterkt. En nadat Hij zo weer is opgestaan en gij wedergebo­ren zijt, zult gij de totale omvang van Zijn Liefde en Zijn macht mogen begrijpen.

Zo moet gij elk jaar steeds gereinigder en op een geeste­lijk hoger niveau voor Mij staan en met het voornemen uw leven steeds te beteren zult gij u langzamerhand verder ont­wikkelen tot het moment dat de aardse levensweg van ieder mens naar Mij in het hiernamaals voert, waar de strijd en het lijden weliswaar niet ophouden te bestaan, maar gij ­al naar gelang de ontwikkeling die gij hebt bereikt - met meer kracht en macht zult zijn toegerust om ook deze hogere scholingsweg van de geest tot Mijn tevredenheid te gaan.

Daarom Mijn kinderen, waakt en bidt - opdat gij niet in verzoeking komt!

Zoals Ik het eens Mijn discipelen op de Olijfberg toeriep, zeg Ik het u nu weer: bewaak uw geheimste driften wan­neer ze u besluipen, opdat gij niet ten val komt! Want zoals Petrus berouw had over zijn verloochening, zo zal ook bij u op de verkeerde daad het berouw volgen. Probeer veeleer door goede wil en goede daden de tevredenheid en rust te versterken, opdat gij sterker wordt en gij u niet als een riet door elk zuchtje wind van uw hartstochten laat buigen! Zie naar Mijn leven op aarde! Hoe vaak voelde ook Ik niet de weeën van de menselijke natuur en bood er weerstand aan! Zoals Ik deed als mens, zo kunt ook gij evenzo in het geestelijke overwinnen. Want hiertoe ben Ik immers ge­komen om u door woord en daad te laten zien waartoe de mens in staat is als hij door iets hogers wordt bezield dan alleen maar door de alledaagse zorg en genoegens. Ik volg­de Mijn doel met liefde, ernst en geduld tot het einde toe, waar de woorden: 'Het is volbracht!' de menselijke levens­loop beëindigden en Ik het aan u overliet de uwe te begin­nen.

Nu uw ziel weer wordt herinnerd aan deze dagen, moet gij u ook goed herinneren wat Ik eens deed en waarom Ik dat deed. Dan zult gij gemakkelijk begrijpen wat uw taak is, die reeds lang met vlammend schrift in uw harten moest zijn gegrift!

Na de dood van het lichaam stond Ik weer op - staat ook gij op, nadat gij uw hartstochten, dat wil zeggen de zinnelijke wereld, ten grave hebt gedragen! Verheft u, aardse mensen, om geestelijke kinderen van een eeuwige Vader en burgers van een geestelijk rijk te worden. Gij zijt toch allen bestemd om met Mij en door Mij een groot op­standings - en wedergeboortefeest te vieren, zodat gij eens, net als Ik, met de kroon van de overwinning op het hoofd kunt uitroepen: 'Het is volbracht!' - volbracht de grote, zware taak van mijn ware menswording! Ik heb gestreden, geleden en geduld, maar de overwinning behaald! Ik heb de aardse natuur overwonnen en sta, vergeestelijkt, voor Mijn Schepper, voor Mijn Christus die met Zijn onmetelijke Liefde mij als hoogste Voorbeeld voorging om mij daar naar toe te leiden, waar duisternis en kilheid niet meer be­staan; waar slechts licht en warmte, liefde en gelukzalig­heid hen beloont, die aan de verzoekingen van de wereld weerstand boden, die hun taak hebben volbracht en het feest van de opstanding volop kunnen vieren!"

Neemt dit van Mij aan met het oog op de ophanden zijn­de herdenkingsfeesten, die gij niet op een uiterlijke wijze, maar des te meer in uw innerlijk moet vieren - opdat het Woord waar zal worden: "Wie Mij wil liefhebben en aan­bidden, moet Mij in de geest en in de waarheid aanbidden!" Amen.

 


 

De Messias zal een groot feestmaal bereiden.

Dit grote feestmaal zal de leer van de Messias zijn.

Wie naar deze leer luistert en er naar handelt, zal een waarachtig deelgenoot aan de grote maaltijd zijn en hij zal overvloedig gezegend worden.

Voor wie de leer echter slechts aanhoren zal, maar deze niet daadwerkelijk in de praktijk brengt ­

voor hem is zij een welvoorziene tafel, waarvan hij niets eet, en voor hem maakt het niet uit of hij als genodigde naar het feestmaal komt of niet.

 

Zoals de Vader MIJ heeft liefgehad - zo heb ook Ik u liefgehad: blijf in Mijn Liefde!

Wanneer gij Mijn geboden opvolgt, zult gij in Mijn Liefde blijven, zoals Ik de geboden van Mijn Vader

heb opgevolgd en in Zijn Liefde blijf.

Dit is Mijn gebod, dat gij elkaar zo liefhebt zoals Ik u heb liefgehad.

 


 

1. Het Avondmaal

 

De Heer schildert ons in het 'Grote Johannes Evangelie' Zijn afscheidsmaal met de discipelen:

"Toen het rond het middaguur was, gelastte Ik de Mijnen op te stappen, en we begaven ons op ons gemak weer naar de weg tussen Jeruzalem en Jericho. Vandaag was het ech­ter de dag van het Paaslam en de Mijnen vroegen Mij of en waar Ik dat met hen wilde eten. Ik bevestigde de eerste vraag en wilde dat twee van ons naar de stad zouden gaan en daar het lam zouden klaarmaken, daarna zou Ik met de anderen volgen.

In de stad leefde een man, die behoorde tot degenen, die reeds in het begin van de tijd dat Ik leerde door Mij was genezen. Deze man was een trouw aanhanger van Mijn leer en vreesde de joden en de afgunstige Farizeeën niet. Hij bezat een tamelijk kleine herberg die steeds werd be­zocht door mensen uit de gegoede kringen. Vooral veel Romeinen, die op reis waren naar Jeruzalem, waren bij hem te gast. Om die reden stond hij bij het volk in hoog aanzien en kon goed in zijn levensonderhoud voorzien. Via Mijn discipelen had deze herbergier Mij vroeger reeds vaker verzocht bij hem intrek te nemen.

Ik zond nu Petrus en Johannes tot hem om daar het Paas­lam gereed te maken. Als teken waar ze zijn huis konden vinden, gaf Ik hen de aanwijzing, dat ze iemand moesten volgen die een kruik water naar dit huis zou brengen.

De eigenaar van het huis kende de beide discipelen. En toen hij van Mijn wens hoorde, liet hij direct in zijn woning het beste vertrek, dat hij anders bij familiefeesten voor zich­zelf gebruikte, in orde maken, opdat we daar ongestoord het gebruik van het Paaslam in ere konden houden; als een,volgens de leer van de tempel afvallig geworden Israëliet nam hij dit gebruik zelf niet meer in acht, temeer daar zijn vrouw een Griekse was, met wie hij overeenkomstig Mijn leer leefde.

Hij was dus de eigenaar van de gepleisterde zaal waar­over de evangelisten, met uitzondering van Johannes, be­richten, omdat het hen later heel belangrijk scheen om aan te geven waar het avondmaal heeft plaatsgevonden - ter­wijl Johannes alleen maar belang stelde in de woorden die hier gesproken werden en niet in de uiterlijke dingen.

Het was avond geworden toen Ik met de Mijnen aan­kwam. Nadat we door onze gastheer en zijn gezin blij waren begroet, werden we met de verzekering dat niemand ons hier zou storen naar de genoemde zaal geleid, waar we plaatsnamen om de paasmaaltijd te gebruiken.

Wat op deze avond is gesproken, heeft de evangelist Johannes nauwkeurig opgetekend en kan bij hem worden nagelezen. Hier moet alleen nog het een en ander worden vermeld opdat er meer begrip ontstaat ten aanzien van de dingen die toen gebeurden.

Nadat we volgens het traditionele gebruik het lam had­den genuttigd, stond Ik op, omgordde Mij en was van plan tot de voetwassing over te gaan, een blijk van zeer diepe nederigheid van de Mensenzoon, omdat dit het werk van de geringste dienaren en slaven was. Tegelijkertijd werd hiermee echter gezegd dat niemand Mijn wegen kan gaan, zonder dat Ik eerst bij hem de instrumenten heb gereinigd, die het hem mogelijk maken deze wegen te gaan. Dat wil zeggen het mensenhart moet volledig gereinigd worden van al het stof van de wegen die hij tot nu toe in de wereld is gegaan, en Ik ben het die hem hiervoor de middelen aan­reikt. Niemand mag daarom vrees hebben voor deze (voet -) wassing, anders kan hij geen deel hebben aan Mij.

In een zinnebeeldige handeling gaf Ik hier de discipelen dus een diepzinnige leer, waarbij niet de handeling de hoofdzaak is, maar de daarin verborgen kern alles bete­kent.

Zoals Ik echter Mijn discipelen reinigde, zo moeten ook de mensen onderling zich inspannen om elkaar te reinigen, opdat ze rein van hart, dus met 'gewassen voeten' Mij waar­achtig kunnen navolgen.

Nu was het gewoonte dat na de maaltijd nog een stukje brood door de huisvader werd gegeven, waarbij hij tot degene die dit brood ontving een tekstgedeelte uit de Schrift sprak. Dit gebruik bestaat thans niet meer, het werd echter in die tijd algemeen in praktijk gebracht en voor velen was het een soort voorspelling voor de komende tijd. Terwijl Ik bezig was met de voorbereiding van dit eten, werd Mijn ziel door grote droefheid overmand, en Ik sprak de woor­den: "Eén onder jullie zal Mij verraden!"

De discipelen, die ontsteld waren over deze uitspraak, waarvan ze de betekenis niet begrepen, bestormden Mij met vragen wat Ik daarmee bedoelde en wie Mij zou kun­nen verraden. Ik weigerde echter elk antwoord en begon het stuk brood te verdelen, waarbij Ik iedereen naar de aard van zijn karakter nog een vermanend woord gaf.

Petrus, die een van de eersten was, was het meest onder de indruk van Mijn uitspraak en gaf een teken aan Johan­nes, die naast Mij zat, dat hij moest proberen te weten te komen wie Ik wel zou kunnen bedoelen.

Het 'aan-de-borst-liggen' van Johannes, is door on­bekendheid van het spraakgebruik veelal verkeerd begre­pen. Wij lagen niet aan tafel zoals de Romeinen dat deden - tot dit als heidens beschouwde gebruik zouden de joden nooit overgaan, zoals zij ook alles vermeden wat ze met heidense volkeren gemeen zouden kunnen hebben - maar wij zaten. Degene nu, aan wie een bijzonder blijk van vriendschap werd gegeven, zat aan de rechterkant van de heer des huizes en werd door hem daardoor geëerd, dat hij voor hem de spijzen toebereidde. In dat geval moest de heer des huizes zich tot hem richten, zich hem de borst toe­keren. In het taalgebruik van die tijd betekende deze toe­stand juist dat wat nu vertaald is met 'aan-de-borst-liggen', waardoor er evenwel een ander begrip is ingeslopen, dat niet bedoeld was.

Johannes vroeg Mij er nu zacht naar en als de discipel die Mij het meest vertrouwd was, zei Ik hem: "Hij is het, aan wie Ik het stuk brood geef!" - daarop gaf Ik het aan Judas met de woorden: "Wat gij doet, doe dat snel!"

Natuurlijk konden de andere discipelen uit deze uit­spraak niet opmaken wat Ik bedoelde. Judas echter, die eveneens door Mijn eerste uitspraak was geschrokken, omdat hij zich getroffen voelde, vatte deze woorden op als een dringend verzoek dat volledig aan zijn plannen beant­woordde. Hij stond snel op en ging innerlijk triomferend naar buiten.

Hij raakte helemaal vervuld van de trots van een toe­komstige medeheerser, wat hij door Mij hoopte te worden, zoals hij ook vervuld raakte van de intense begeerte abso­lute roem en eer te oogsten; Satan nam daardoor met alle duivelen der hoogmoed bezit van zijn ziel, waarin slechts het verlangen brandde om te heersen en alle tegenstanders te vernietigen.

Had Ik dit alles nu niet kunnen vermijden? Zeker! Hier stond echter aan de Mensenzoon de keuze

open om zich alle heerlijkheid en alle eer van deze aarde toe te eigenen. Daarom moest Hij ook werkelijk in de situ­atie komen om te kunnen kiezen. En daar lag voor Hem de beslissing.

Daarom sprak Ik, nadat Judas was weggegaan: "Nu is de Mensenzoon verheerlijkt. En God is verheerlijkt in Hem. Is God verheerlijkt in Hem, dan zal God Hem ook ver­heerlijken in Zich Zelf en zal Hem spoedig verheerlijken!" Dat betekent dus: de Mensenzoon zal waarachtig Gods Zoon zijn en de Vader zal zich spoedig voor alle eeuwig­heid met Hem verenigen.

Ik gaf toen Mijn discipelen nogmaals Mijn gehele leer in enkele woorden, zoals het in de Schrift bij Johannes is te lezen, samen met het woord en wederwoord van de disci­pelen, met de bedenkingen van Petrus en Filippus en Mijn antwoord daarop.

Het was echter door al dat spreken reeds laat geworden, en Ik nam nu nogmaals het brood, waarvan Ik de eerste stukken had toebereid en sprak tot de elf aanwezigen: "Neemt allen nog een stuk dat Ik hier heb toebereid! Het is Mijn lichaam, het vlees geworden Woord dat in jullie levend moet worden. Neemt ook deze kelk! Drinkt allen daaruit! Het is Mijn bloed dat voor jullie ter vergeving van jullie zonden zal worden vergoten. - Wie niet Mijn lichaam eet en Mijn bloed drinkt, zal nimmer zalig worden. Jullie weten nu echter hoe dit begrepen moet worden en jullie zullen je niet meer aan zulke woorden stoten. Eet, drinkt en zo vaak je dit doet, doe dit tot Mijn gedachtenis! Waar ook maar twee dit tot Mijn gedachtenis zullen doen en in Mijn Naam bijeengekomen zijn, daar zal Ik ook onder hen zijn!"

De discipelen deden nu aldus, zoals Ik ze geleerd had. Daarna verlieten we het huis, nadat Ik ook onze herbergier had bedankt, die liefdevol van Mij afscheid nam.

 

De Heer bij de sabbatmaaltijd van de oervaderen

 

In het werk van de Nieuwe Openbaring 'Die Haushaltung Gottes' (1/169) werden reeds de oervaderen op de liefde­maaltijd van de Heer met Zijn discipelen als gedachtenis­maaltijd voor het aards bestaan van de hemelse Vader in Jezus gewezen.

God, de Heer, kwam dikwijls in verschillende gedaanten tot Adam en zijn nakomelingen op de berg om hen te leren en te behoeden voor de slechte invloeden van het diepe dal. Zo kwam de 'Abba' of 'Vader der heerlijkheid' ook als een door God verlichte mens met de naam Abedam naar de kinderen van de hoogte, verkeerde onder hen en gaf hen heilige leren.

Op een sabbatochtend gebruikte hij met hen de och­tendmaaltijd, die uit brood, melk en honing bestond. Nadat de maaltijd was beëindigd en allen met hun van liefde ver­vulde harten Abedam Abba hadden gedankt, stond de Ver­hevene op en richtte de volgende woorden tot de vaderen:

"Hoort, gij allen, die hier aanwezig zijt! Met deze maaltijd zult gij u voor altijd herinneren wie degene was, is en eeuwig zij n zal, die tot u kwam en u Zelf de ware weg der liefde geleerd heeft en dus ook de ware, oneindige wijsheid uit haar - niet een wijsheid van de wereld, welke een grote last voor het hoofd is en een nog grotere voor het hart, maar een ware wijsheid der liefde, welke het ware, vrije en eeuwige leven is.

Deze maaltijd moet gij voortaan ook op deze wijze vie­ren, voordat gij de Vader een sabbatoffer wilt brengen. Want voorwaar, Ik zeg u: het offer zal niet eerder worden aanvaard voordat gij elkaar bij de maaltijd als ware broe­ders en zusters in Mijn Liefde en dus ook als kinderen van één en dezelfde Vader in het hart hebt herkend!

Zo dikwijls gij in de ware, leven schenkende liefde van uw hart tot Mij deze maaltijd onder u viert, zal Ik bij u zijn - voor velen, wier hart brandt van verlangen naar Mij zichtbaar - of voor hen die lauw zijn onzichtbaar.

Ja, met Mijn Liefde zult gij tot alles in staat zijn - zonder Mijn Liefde echter tot niets! Want Mijn Liefde is een vruchtbare, goede akker, waarop gij gezaaid zijt. Wie zich daaruit niet door de vijand laat uitrukken, zal welig groeien en zal vele heerlijke vruchten voortbrengen. Wie echter de wortels van zijn liefdeleven niet diep en stevig genoeg in de grond van deze akker schiet, voorwaar, het zal hem slecht vergaan op het moment dat de vijand van de liefde komt en probeert de boompjes uit de grond van de akker te rukken. Hij zal geen middel onbeproefd laten. Als hij evenwel een minder krachtig boompje aantreft, zal hij dat toch wel spa­ren? O nee, hij zal het met de zwakke wortels uit de grond van de goede akker rukken. En het boompje zal verdorren en tenslotte helemaal dood gaan! Want wie heeft ooit in de lucht planten zien ontstaan en groeien?!

"Elk plantje heeft ook lucht nodig om te leven", zult gij echter zeggen. - Ja, ook Ik zeg dat! Maar het aardrijk is het meest noodzakelijke, zonder dit rijk dient de lucht ner­gens toe!

De lucht is als het goddelijk Woord en de liefde van uw hart is als het aardrijk, waarin een levende geest is gezaaid, omgeven door een levende ziel. Dit zaad van het eeuwige leven, de geest en de ziel in u, kan alleen maar dan vrucht­dragend profiteren van de heilige lucht van de goddelijke leer als het ontkiemd is en stevige en diepe wortels heeft geschoten in het aardrijk van uw liefde voor Mij. - Zie, daarom helpt Mijn Woord maar weinig als uw hart niet vol liefde voor Mij is en van daaruit voor uw broeders.

Laat daarom dit ochtendmaal voor u een zichtbaar waar­schuwingsteken zijn, opdat u zich altijd aan de liefde zult houden! En zolang u dit doet, zult u ook het leven hebben en ook Mij als de oerbron van alle liefde, al het leven en alle ware wijsheid!

Prent deze woorden diep in uw hart en handel er onver­anderlijk naar, dan zult u totaal leven en niet vragen: "Waar is de Vader?" - en ook niet tot Hem roepen: "Kom!" ­Want Hij zal bij u en in u zijn zoals nu - en dat ten eeuwige dage! - Amen.

 

Brood en wijn

 

Bij veel christenen heerst onduidelijkheid over de woorden van de Heer over het .eten van Zijn lichaam of brood en over het drinken van Zijn bloed of wijn - en daarmee ook over de ware betekenis van de door de Heer aanbevolen gedachtenismaaltijd. Deze onduidelijkheden worden in het Grote Johannes Evangelie heel mooi opgehelderd. In een gesprek zegt hier een Samaritaanse man, wiens knecht door de Heer werd genezen, met diep respect tegen zijn hoge gast: "0 Heer en Meester, Uw daden zijn wonder­baarlijk! Maar Uw woorden zijn waarachtig zuivere waar­heid en zuiver leven! Want aan de wijze waarop gij handelt merkt ook een blinde dat in Uw wil meer aanwezig is dan menselijke kracht en macht. Maar wanneer Gij spreekt, dan begrijpt men pas ten volle dat Gij de Heer Zelf zijt! Want de wijsheid van Uw woorden is sterker dan het hel­derste licht van de middagzon. Maar nu moet ik echter. . . over het Rijk Gods tot U, o Heer en Meester, een vraag richten als U mij dit wilt toestaan!?"

    De Heer zegt: "Zeg wat je wilt zeggen, en Ik zal je ant­woorden!"

De herbergier zegt: "Heer en Meester, U hebt nu veel over Uw tweede komst en dus ook over de komst van het Rijk Gods op deze aarde tegen Uw geliefde discipelen en  daarnaast ook tegen mij en mijn genezen knecht gespro­ken! Eén ding viel me daarbij heel erg op. U zei dat het Rijk Gods niet met uiterlijke pracht en praal onder de mensen zal komen, maar dat het reeds innerlijk in de mens aan­wezig is, waarbij hij het alleen maar hoeft te zoeken, moet vinden en in zichzelf moet ontwikkelen.

Ik ben nu echter van mening dat wij ons allen hier in Uw aanwezigheid bevinden, welke zich duidelijk niet in ons, maar nog buiten ons bevindt, zodat we vol vertrouwen kunnen zeggen: zie, hier is Christus, de in eeuwigheid ge­zalfde Heer van alle heerlijkheid; en Hij Zelf is alles in allen en derhalve ook het eeuwige Rijk van God en het leven en de waarheid! Omdat Gij nu echter onder ons zijt, daarom is immers ook Uw Rijk niet in ons, maar bij ons in ons mid­den! - Zal in de door U voorspelde tijd van Uw weder­komst het met deze heiligste zaak ook zo zijn of zal Uw tweede komst anders zijn dan de huidige?"

De Heer spreekt: "Jij, geliefde vriend van Mij, hebt heel juist gesproken! En Ik kan je zeggen dat niet jouw vlees en bloed, maar je geest je dit heeft ingegeven. Maar daarom is het met de zaak van de toekomstige wederkomst van de Mensenzoon wel zo gesteld, zoals Ik jullie overduidelijk heb laten zien.

Je hebt volkomen gelijk als je zegt dat het Rijk van God in Mij tot jullie is gekomen en dat het zich nu bij jullie, in jullie midden bevindt. Maar dat is nog niet voldoende om het eeuwige leven van de ziel te verwerven en ten volle te bewaren, omdat het Rijk van God in Mij wel tot jullie is gekomen, maar daarom nog niet in jullie innerlijk is doorge­drongen, wat pas dan kan en zal gebeuren, wanneer jullie, zonder ook maar in iets met de wereld rekening te houden, Mij n leer helemaal in jullie wil en dus ook in al jullie hande­len hebt opgenomen. Wanneer dat eenmaal het geval zal zijn, dan zul je niet meer zeggen: "Christus, en met Hem het Rijk van God, is tot ons gekomen en woont bij en onder ons!" - maar je zult zeggen: "Voortaan leef niet meer ik, maar Christus leeft in mij!" - Wanneer dat bij jullie het geval zal zijn, dan zul je ook ten volle waarachtig begrijpen dat het Rijk van God niet met uiterlijk vertoon van pracht tot en in de mensen komt, maar dat het zich slechts inner­lijk in de mens ontplooit en de ziel in zijn eeuwig leven trekt.

Weliswaar moet eerst van buitenaf de mens de weg wor­den gewezen door middel van het Woord van God dat uit de hemelen tot de mens komt. Maar daarom is de mens nog niet in het Godsrijk en het Rijk van God is nog niet in hem. Pas als de mens zonder te twijfelen begint te geloven en door zij n handelen overeenkomstig de leer het geloof in hem levend maakt, ontvouwt zich in de mens het Rijk van God op de wijze zoals in het voorjaar het leven in de plant zich van binnenuit begint te ontplooien, wanneer de plant door het licht van de zon wordt beschenen en wordt ver­warmd en daardoor tot een innerlijke activiteit wordt aan­gezet.

Elk leven wordt weliswaar van buitenaf geactiveerd en opgewekt - maar het ontstaan, de ontwikkeling, ontplooi­ing, vormgeving en instandhouding geschieden daarna altijd van binnenuit. Op deze wijze moeten ook de dieren en mensen hun voedsel eerst van buitenaf in zich opnemen. Maar dit opnemen van voedsel en drank is nog lang niet de ware voeding van het lichaam, maar deze gaat pas van de maag uit naar alle delen van het lichaam.

Zoals in zekere zin de maag het voedende levenshart van het lichaam is, zo is ook het hart in de mens de voe­dende maag van de ziel, om daarmee de geest uit God in haar op te wekken. En Mijn leer is de ware levensspijs en de ware levens drank voor de maag van de ziel. En aldus ben Ik in Mijn leer voor de mensen het ware brood uit de hemelen dat het leven voedt. En het handelen overeen­komstig die leer is een ware levens drank, de beste en krachtigste wijn, die door zijn geest de gehele mens tot leven wekt en die door de fel oplaaiende vlam van het vuur der liefde hem totaal verlicht. Wie dit brood eet en deze wijn drinkt, zal voor eeuwig geen dood meer zien, noch voelen en smaken."

 

Mijn lichaam en bloed

 

De discipelen zeggen nu: "Heer en Meester, dit onderricht van U is zeker begrijpelijk - maar toen U eens in Kaperna­um, waar zoveel mensen uit de hele omgeving U volgden, een soortgelijke leer over het eten van Uw lichaam en over het drinken van Uw bloed hebt verkondigd, bleek dat toen een harde leer, in het bijzonder voor die mensen die Uw eenvoudig en helder Woord niet zó begrepen, zoals het naar zijn ware betekenis opgevat moest worden; om die reden hebben toen dan ook vele van de toenmalige disci­pelen U verlaten! In het begin begrepen wij het zelf ook niet. Slechts één die nooit een werkelijk discipel van U was, heeft de zaak voor ons vertaald. En als we nu die leer met de huidige vergelijken, dan houdt ze hetzelfde in wat U thans in alle duidelijkheid hebt onderricht. - Hebben wij het juist of niet?"

De Heer zegt: "Natuurlijk! - Want brood en lichaam zijn hier een en hetzelfde. En wie in Mijn Woord het brood van de hemel eet en overeenkomstig het Woord handelt, dus door de werken van de ware, onbaatzuchtige liefde tot God en tot de naaste, de wijn des levens drinkt, eet ook Mijn lichaam en drinkt Mijn bloed. Want zoals het door de men­sen genuttigde natuurlijke brood in de mens tot vlees en de wijn die wordt gedronken tot bloed wordt omgevormd, zo worden in de ziel van de mens ook Mijn Woordbrood in het lichaam en de wijn van de liefdedaad in het bloed van de ziel getransformeerd.

Als Ik echter zeg: 'wie van Mijn lichaam eet', dan wordt hiermee bedoeld dat de mens Mijn Woord niet alleen in zijn geheugen en in zijn verstand maar tevens in zijn hart, dat immers de maag van de ziel is, moet opnemen. Evenzo ook de wijn van de liefdedaad, die hierdoor geen wijn, maar het ware bloed van het leven wordt. Want het geheugen en het verstand van de mens verhouden zich tot het hart bijna net zo als de mond zich tot de fysieke maag verhoudt. Zo­lang het natuurlijk brood zich nog onder de tanden in de mond bevindt, is het nog geen lichaam, maar brood. Als het echter fijngekauwd in de maag komt en daar met sap­pen wordt vermengd, is het gemeten naar zijn fijne voe­dingsdelen reeds vlees, omdat het dan soortgelijk is aan het lichaam. En met de wijn is het net zo. Zolang je de wijn in de mond houdt, gaat deze niet in het bloed over; maar in de maag zal hij al heel gauw daarin overgaan.

Wie dienovereenkomstig Mijn Woord hoort en het in zijn herinnering bewaart, houdt het brood in de mond van de ziel. - Als hij daar met zijn hersenen verstandelijk ernstig over begint na te denken, dan kauwt hij het brood met de tanden van de ziel, want de verstandelijke hersenen zijn voor de ziel, wat de tanden in de mond voor de fysieke mens zijn. - Is Mijn brood, dus Mijn leer, door de hersenen fijngekauwd en als absolute waarheid begrepen en aan­genomen, dan moet het ook door de liefde als waarheid in het hart worden opgenomen en door een standvastige wil in de daad worden omgezet. Gebeurt dit, dan wordt het woord tot lichaam, en door de daadkrachtige wil tot bloed van de ziel, zijnde Mijn Geest in haar, omgevormd.

Laat daarom niemand onder u alleen maar een hoorder zijn, maar tegelijk een ernstig willende en ijverige dader  van Mijn Woord!

Als u dan aldus in uzelf Mijn Rijk hebt verworven, zult u over slangen en schorpioenen lopen en gif uit de hel kun­nen drinken, en het zal u nimmer schaden.

En indien u dit alles op de juiste wijze begrepen hebt, zult u ook in overeenstemming met de absolute en levende waarheid inzien hoe de woorden 'het eten van Mijn li­chaam' en 'het drinken van Mijn bloed' begrepen moeten worden. En voortaan zult u dat zeker geen harde leer meer noemen. "

 

Uiterlijke aanbidding

 

Met grote ernst geeft de Heer in het Grote Johannes Evange­lie aan de verkondigers van Zijn leer op hun weg de op­dracht mee:

"In latere tijden zullen valse en heerszuchtige profeten in Mijn naam hetzelfde doen wat nu de Farizeeën en hun aan­hangers doen; ze zullen Mij voor het oog van het volk met veel ceremonieel en met goud, zilver en edelstenen eren. Maar Ik zal hen door de mond van hen die Ik heb opge­wekt zeggen: "Zie, dit volk eert Mij, de Heer van het leven, met het slijk en met de dood en het gericht der materie ­maar het hart van zo'n volk is verre van Mij! Daarom zal ook Ik verre van zo'n volk zijn!"

Daarom moeten jullie voortaan ook geen tempels en geen altaren voor Mij oprichten! Want Ik zal nimmer in door mensenhanden gebouwde tempels wonen en Ik zal Mij niet op altaren laten eren. Wie Mij liefheeft en Mijn gemakkelijke geboden onderhoudt, die is Mijn levende tempel. En zijn hart dat vol liefde en geduld is, is het enig ware, levende offeraltaar dat Mij welgevallig is."

 

Een waarachtige liefdes - en gedachtenismaaltijd

 

Wat overeenkomstig de zin en wil van de hemelse Vader waar en goed is als uiterlijk teken van verbondenheid tot viering van de gedachtenismaaltijd, maakt de Heer bekend in het Grote Johannes Evangelie met de woorden:

"Het is voldoende dat u hem die in zijn hart Mijn leer heeft aangenomen, in Mijn naam doopt en hem omwille van de ordening een naam geeft, en Ik zal hem kracht geven. - Dan moogt u ook aan hen, die een levend geloof in Mij hebben en Mijn geboden onderhouden, van tijd tot tijd in Mijn naam en in uw liefde tot Mij brood en wijn geven, indien het voorhanden is, tot Mijn gedachtenis.

Waar u zo'n liefdemaaltijd met elkaar houdt, daar zal ook Ik onder u en in u zijn. Want het brood, dat teken is van uw liefde tot Mij en uw broeders en zusters, zal als Mijn lichaam zijn en de wijn als Mijn bloed dat spoedig voor velen zal worden vergoten.

Dit alleen is als een uiterlijk teken voor u voldoende, dat echter slechts door de liefde van werkelijke waarde voor Mij zal zijn."

 

Schuldbekentenis

 

De Heer: ". .. Ik ben er niet tegen dat een zwak en in zijn ziel ziek mens in oprechte wil aan een sterker en in zijn ziel gezond mens zijn zwakheden en gebreken trouw bekent ­omdat de gezonde en lichtsterke mens hem dan vanuit waarachtige naastenliefde die ware middelen kan aanrei­ken, waardoor de zwakke ziel van de naaste sterker en weer gezond kan worden. Want op die manier wordt de ene mens voor de ander een ware zieleheiland. Ik maak hier echter ook geen wet van, maar geef jullie hiermee alleen een goede raad. En wat Ik doe, doe dat ook en leer een ieder de waarheid!

De bekentenis alleen echter reinigt een mens net zo min van zijn zonden als iemand die lichamelijk ziek is weer ge­zond wordt, doordat hij aan een arts nog zo eerlijk zijn ziekten en de oorzaak ervan vertelt. De zieke moet veeleer naar de raad van de wijze, geleerde arts luisteren, deze trouw opvolgen en in het vervolg alles vermijden wat tot de ziekte heeft geleid.

Daarom is het dan ook goed dat in een gemeente elke broeder de ander kent, zowel wat zijn sterke als ook zijn zwakke kanten betreft, opdat de één de ander overeen­komstig de volle waarheid geestelijk en ook lichamelijk tot steun kan zijn. Wie echter gesloten wil zijn en blijven in de mening dat hij door zijn bekentenis iemand zou kunnen irriteren, zal niet op zijn zwakheden mogen worden uitge­daagd!

Wanneer daarentegen iemand onder u een wijs mens is, en zijn geest openbaart hem de tekortkomingen van de zwakke en angstige broeder, dan zal die wijze mens hem onder vier ogen een goede raad moeten geven en hem met raad en daad uit zijn nood moeten helpen, en zijn loon zal hem niet onthouden worden! Maar laat iedereen zijn vrije wil en leg niemand enige dwang op. Want gij weet dat elke geestelijke dwang geheel in strijd is met Mijn eeuwige orde!

Gij zult daarom de zwakke broeder, die zich vertrouwe­lijk tegenover u heeft geuit, niet met de dreigende blik van een rechter tegemoet treden, maar hem steeds in alle liefde en vriendelijkheid open de waarheid vertellen en hem ook de middelen aanreiken waarmee hij gemakkelijk en stellig kan worden genezen. Op die manier zal hij ook niet de moed verliezen en zal hij een dankbare discipel van de vrije waarheid worden. Maar wanneer men met allerlei boete­preken bij hem komt, dan zal men niets of weinig bereiken, maar hem alleen maar veel ellendiger maken."

 

Vergeving der zonden

 

De Heer: "Ik heb u, in het bijzonder Mijn discipelen, ook eens gezegd dat u degenen, die tegenover u gezondigd heb­ben, de zonden kunt vergeven, en aan wie u ze hier op aar­de vergeeft, zullen ze ook in de hemel vergeven zijn. Hebt u evenwel vanwege duidelijke onverbeterlijkheid goede reden om een mens de zonden, die hij tegenover u heeft begaan, niet te vergeven, dan zullen ze hem ook in de he­mel niet vergeven zijn. Wij hebben echter reeds toen uit­eengezet dat u pas dan het recht zult hebben om de zon­daren nu zonden, die ze tegenover u hebben begaan, aan te rekenen als u hen eerst reeds zeven maal zevenenzeven­tig maal hebt vergeven.

Omdat u echter als Mijn naaste discipelen alleen op de reeds genoemde wijze door Mij het recht hebt de zondaren de zonden, die ze tegenover u hebben begaan, aan te reke­nen of ook te vergeven, is het duidelijk dat geen priester ooit vanuit God het recht kon en kan hebben ook zonden, die aan een ander zijn begaan, te vergeven of aan te reke­nen. Wie zich bijvoorbeeld aan Kajafas heeft bezondigd, aan die kan Kajafas de zonde vergeven of naar gelang de zaak ook aanrekenen. Wie zich echter aan Herodes heeft bezondigd, heeft met Kajafas of Kajafas met hem niets te maken - maar slechts alleen met Herodes!"

"De mens kan slechts daardoor de ware en totale verge­ving van zijn begane zonden deelachtig worden, als hij ten eerste inziet dat zijn zonden een onrecht tegen Gods orde zijn, hij berouw heeft en naar vermogen de schade die hij zijn naasten heeft berokkend weer herstelt, en ten tweede  God dan ook om vergeving vraagt met het ernstige voor­nemen de zonden niet meer te begaan en ook trouw te blijven aan zijn goede voornemen. Indien gij u dat in uw hart trouwen waarachtig ten doel stelt en er ook naar han­delt, dan zeg Ik u thans en voor altijd: uw zonden zijn u vergeven !"

 

WOORDEN VAN DE HEER

 

1. Vóór het liefdemaal

 

Mijn geliefde kinderen. U wilt Mij uitnodigen een maal der liefde met u te vieren, en Ik geef u de belofte die Ik voor eeuwig geldend in de Heilige Schrift heb uitgesproken: "Waar twee of drie in Mijn naam verenigd zijn, daar ben Ik onder hen!"

In Mijn naam, in Mijn liefde moet u daarom ook nu bij elkaar komen. Alleen om Mijn wil moet u deze maaltijd houden. En elk van u moet het diepste verlangen in zich dragen door Mijn Geest gesterkt te worden in de liefde tot Mij en tot de naasten. En dit verlangen wil Ik overvloedig zegenen.

Constateer dat u nog altijd te weinig liefde voor Mij en voor uw broeders en zusters zoals trouwens voor al uw medemensen hebt! Kom in dit uur als een zwakke hulp­zoekend tot Mij, omdat u de maaltijd tot Mijn gedachtenis wilt nuttigen, opdat Ik onder u kan komen met de groet: 'Vrede zij met u!' En bewaar deze groet als een heilig ge­schenk in uw hart! Wees geheel indachtig aan deze woor­den, wanneer in de ziel een storm van hartstocht op til is! Laat degene die Mijn Liefde in zich heeft opgenomen daar­aan indachtig zijn, en laat hij niet ondankbaar zijn door dit genadegeschenk te verachten. Hij moge bedenken dat Ik bij hem intrek heb genomen, en niet de geheiligde plaats onteren door onreine dingen die van het tegendeel getui­gen. Ken u allen zelf, ook in uw hartstochten, die u van Mij scheiden! Leg ze op het altaar van de zelfbeheersing! En Ik wil door Mijn geest de liefde als een vuur eraan toevoegen, zodat deze daardoor verteerd worden.

Zó moet u voortaan de liefdemaaltijd vieren - niet om een vorm te creëren als teken van een verbond dat u met elkaar hebt gesloten; maar in Mijn nabijheid moet uw hart vervuld zijn van een heilige ernst, een plechtige gelofte, omdat Ik als Vader bij u aan tafel wil zitten.

Mijn vreugde daarbij is een ieder te geven wat tot zijn vrede dient. Ik wil u immers nog heel veel geven. Alleen moet u zich ook inspannen om waardige ontvangers te worden. En zo wil Ik u deze dag zegenen en de belofte ver­vullen: "Wat gij de Vader in Mijn naam vraagt, dat zal Hij u geven!" Maar niet alleen aan u, maar aan al Mijn kinde­ren! Vraagt dit daarom voor allen, met wie u zich in het hart verbonden voelt! - Amen! Uw Vader in Jezus.

 

2. Tijdens het liefdemaal

 

Vader, de ure is gekomen; verheerlijk Uw Zoon, opdat Uw Zoon U zal verheerlijken! Gij hebt Hem immers de macht gegeven over alle vlees om aan allen die Gij Hem gegeven hebt eeuwig leven te schenken. Dit nu is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enig waarachtige God, en Jezus Chris­tus, die Gij gezonden hebt. Ik heb U hier op aarde verheer­lijkt, doordat Ik het werk heb voltooid dat Gij Mij te doen gegeven hebt. En nu verheerlijk Gij Mij, Vader, bij Uzelf met de heerlijkheid die Ik bij U had, eer de wereld bestond. Ik heb Uw Naam geopenbaard aan de mensen die Gij Mij uit de wereld gegeven hebt. Zij behoorden U toe, en Gij hebt hen Mij gegeven en ze hebben Uw Woord be­waard. Nu hebben zij begrepen dat alles wat Gij Mij gege­ven hebt van U afkomstig is. Want de woorden die Gij Mij hebt gegeven, heb Ik hen gegeven, en zij hebben ze ook aangenomen en de waarheid erkend dat Ik van U ben uit­gegaan, en zij hebben het geloof gewonnen dat Gij Mij ge­zonden hebt.

Ik bid voor hen; niet voor de wereld bid Ik, maar voor hen die Gij Mij gegeven hebt; want zij zijn Uw eigendom ­het Mijne is immers al het Uwe en het Uwe is het Mijne ­ en Ik ben in hen verheerlijkt. Ik ben immers niet langer in de wereld, maar zij zijn nog in de wereld, terwijl Ik tot U kom. Heilige Vader, bewaar hen in Uw Naam, welke Gij Mij gegeven hebt om bekend te maken! Laat hen één zijn, zoals Wij één zijn. Zolang Ik bij hen was, heb Ik hen die Gij Mij gegeven hebt eensgezind in Uw Naam bewaard en behoed; en niemand van hen is verloren gegaan behalve de zoon des verderfs. Maar nu kom Ik tot U en spreek dit nog, opdat ook zij in de wereld de vreugde, zoals Ik die heb, volkomen in zich hebben. Ik heb hen Uw woord gegeven en de wereld heeft hen daarom gehaat; want zij zijn niet van de wereld zoals Ik niet van de wereld ben. Ik vraag U niet dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaart voor het kwade. Heilig hen in Uw waarheid! Uw Woord is immers de waarheid. Zoals Gij Mij in de wereld hebt gezonden, heb ook Ik hen in de wereld gezonden; en Ik heilig Mijzelf voor hen, opdat ook zij geheiligd wor­den in de waarheid.

Ik bid echter niet alleen voor dezen, maar ook voor hen, die door hun woord tot het geloof in Mij zullen komen; geef dat zij allen één zijn; zoals Gij, Vader, in Mij zijt en Ik in U ben, laat ook zij één zijn in ons, opdat de wereld leert geloven dat Gij Mij gezonden hebt. Ik heb de heerlijkheid, die Gij Mij gegeven hebt, hen gegeven, opdat zij één zijn, zoals Wij één zijn, en de wereld inziet dat Gij Mij gezon­den hebt en hen liefhebt, zoals Gij Mij liefhebt.

Vader, Ik wil dat waar Ik ben, ook zij bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt, opdat zij Mijn heerlijkheid aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt; want Gij hebt Mij reeds voor de grondlegging van de wereld liefgehad. Rechtvaardige Vader, de wereld heeft U niet gekend, maar Ik heb U ge­kend; en dezen erkennen dat Gij Mij gezonden hebt. Ik heb hen Uw Naam bekend gemaakt en zal hem ook verder be­kend maken, opdat de liefde waarmee Gij Mij hebt liefge­had in hen zij en Ik in hen.

 

3. Na het liefdemaal

 

Kinderen van Mijn Liefde! In die woorden van het hoge­priesterlijk gebed is Mijn gehele liefde tot u uitgedrukt, en heb Ik u laten zien hoe nauw de band is die Vader en kind verbinden moet. Zoals Ik en de Vader één zijn, zo moet ook gij in Mij en Ik in u wonen. Scheiden in de toekomst uw hartstochten u echter van Mij, dan wil Ik deze woorden bij u in herinnering roepen, opdat gij u weer omkeert. Lees deze woorden in zulke uren van aanvechting en Ik wil Mij over u erbarmen en u te hulp komen.

Elke stap die vanuit een hartelijk verlangen naar Mij wordt gezet maakt de band tussen ons hechter. Ik reken u elke zucht van verlangen naar Mij als liefde aan en Ik ga daarvoor maar al te graag voorbij aan de misstappen, wan­neer men berouw toont.

Dit moet thans ons verbond zijn! En hierbij zijt gij immers in het grote voordeel, wanneer Ik uw gebrekkige liefde duizendvoudig goedmaak met Mijn zuivere, goddelijke Liefde!

Neem daarom Mijn volle zegen mee naar huis. Ik beloof u spoedig bij iedereen aan te kloppen en te vragen hoe hij zich daarbij voelt! - Amen! Amen! Amen! Jullie Vader die bij jullie is.

 

Vermaning tot eensgezindheid

 

"Zie, het uur komt en is reeds gekomen dat gij u zult ver­strooien, ieder naar zijn plaats, en dat gij Mij alleen laat!"

In deze tekst staat wat vandaag de dag zichtbaar voor uw ogen geschiedt! - Wat wordt hier dan onder het woord 'verstrooiing' verstaan? Het feit soms dat Mijn discipelen en apostelen uit elkaar gaan? - O nee! Dat was immers hun bestemming en bovendien heb Ik ze geroepen dat ze naar alle landen zouden uitgaan en aan alle schepselen het evangelie zouden prediken!

In die profetie is van een persoonlijke en plaatselijke verstrooiing dus geen sprake; de tekst zelf getuigt hier ook al van, omdat er verder staat: "Wanneer gij Mij echter zult verlaten, zal Ik nochtans niet alleen zijn; want de Vader is in Mij."

En oordeelt zelf: kan iemand Mij als persoon verlaten door het feit dat hij naar een andere plaats gaat? Waar­heen zou hij moeten gaan, opdat hij zich van Mij zou ver­wijderen of dichter bij Mij zou komen te staan? Of hij zich nu aan deze of aan gene zijde van de aarde bevindt, waar zal hij verder van Mij verwijderd zijn? Ik bedoel, voor Mij, de Alomtegenwoordige, is dat toch absoluut hetzelfde!

Wat voor verstrooiing wordt hier dan bedoeld? - Kijk naar de sekten die momenteel bestaan en die reeds in de tijd dat Ik op aarde leefde op kleine schaal aanwezig waren. Enkele eeuwen na Mijn hemelvaart was de verstrooiing reeds zo groot, dat niemand meer precies wist wie kok en wie kelner was! Men moest zijn heil in indrukwekkende concilies zoeken, men was echter na het concilie even ver als ervoor - verstrooid. En hoe het er nu voorstaat hoef Ik u beslist niet te laten zien; want waar men ook kijkt, overal zal men de verstrooiing ontdekken!

In dat woord staat: "Een ieder naar zijn plaats." Dat be­tekent zoveel als: "Elke sekte houdt zichzelf voor de beste en zuiverste."

Ben Ik echter daarom alleen? - O nee! De Vader of de eeuwige Liefde is immers in Mij!

Aan de liefde herken Ik de Mijnen, echter niet aan de sekte! Wie Mij liefheeft en zich aan Mijn woord houdt, heeft de Liefde van de Vader in zich, zoals Ik de vader in Mij heb - en hij is één met Mij, zoals Ik één ben met de Vader! Daarom ben Ik niet alleen; want zoals de Vader in Mij is, zo ben Ik in een ieder. En ieder die Mij liefheeft en Mij navolgt is in Mij.

Wat de sekte aangaat bestaat hier geen verschil. En ver­vloekt zij degene die bij voorkeur om wereldse overwe­gingen de ene sekte boven de andere prefereert! Want in geen enkele onverdraagzame sekte is waarheid en leven; in alles richt men zich op een geloof dat dwingend is en op een geloof dat wil overreden, wat geen haar beter is. ­

Waar blijft dan de vrije mens? - Wanneer heb Ik ooit iemand tot geloof gedwongen? - Iedereen liet Ik daarin vrij! - Als Mijn werken niet voldoende waren om iemand innerlijk te overtuigen, dan werd hij door geen ander middel gedwongen. Want Ik heb Mijn leer niet louter en alleen voor het geloof gegeven, maar om ermee te handelen.

En Ik kon immers toch voorzien, dat één en hetzelfde licht de voorwerpen waarop het valt zo verschillend belicht als de voorwerpen zelf van elkaar verschillen! - Zo is het ook met het licht van het geloof! Al naar gelang het op een verschillend gekleurd menselijk gemoed valt, moet het dit ook belichten. Te eisen dat hetzelfde licht volkomen gelijk van alle duizend kleurige zielen terugstraalt, is derhalve een grote dwaasheid.

De uitwerking van het licht moet verschillend zijn. Maar de uitwerking van de liefde blijft dezelfde, zoals de warmte als zodanig slechts op één manier uitwerkt, namelijk: ze verwarmt het rood op dezelfde manier als het blauw, en alles kan worden verhit. En de kleur van de ware, levende liefdegloed is eeuwig één en dezelfde, en gloeiend goud onderscheidt zich niet van een gloeiend stuk ijzer.

    Kijk, dat is de betekenis van deze tekst! - Verstrooi u derhalve niet in geloofsopvattingen, maar blijf één in de liefde, dan zult u leven! - Amen.

 

De Vader tot de Zijnen bij het liefdemaal in de hemelen

 

Mijn geliefde kinderen! Toen Ik destijds na Mijn opstan­ding op deze aarde bij jullie kwam, vroeg Ik, omdat jullie hongerig waren en niet veel te eten hadden: "Kinderen, hebben jullie niets te eten?" - Toen lieten jullie Mij wat brood en enkele vissen zien. Ik sprak voor jullie de zegen uit over de vissen en het brood, ging mee aan tafel en at met jullie. Nu vraag Ik jullie niet meer of je wel of niet te eten hebt, want uit Mijn oneindige schat en voorraad heb­ben jullie in overvloedige mate voor altijd genoeg. Maar is daarom dit woord dat Ik op aarde heb gesproken hier niet van toepassing?

Ik zeg jullie: deze vraag dient zich hier nog sterker aan dan eertijds het geval was. Want kijk, de kinderen van de aarde verkeren nu in dezelfde situatie waarin jullie direct na Mijn opstanding verkeerden. Ze zijn erg droevig ge­stemd en weten niet wat met de Heer is gebeurd. Ook zij hebben slechts weinig voedsel, wat met de vissen en het brood dat jullie hadden overeenkomt.

De 'vissen' zijn het Oude en het 'brood' is het Nieuwe Testament. Omdat dit voedsel echter bij de kinderen op aarde gedeeltelijk verzout, gedeeltelijk uitgedroogd is, is het voor ons des te meer aan de orde ons nu vaker tot die kin­deren te richten en ze te vragen: "Kinderen, hebben jullie niets te eten?"

En zij zullen ons hun voorraad laten zien. En wij zullen dit voedsel voor hen zegenen, zodat het voorspoed mag brengen, zoals Ik jullie vissen en brood gezegend heb; dan zullen we met hen aan de tafel van hun geloof en hun liefde plaatsnemen en met hen eten, dat wil zeggen: we zullen hen in de geest en in de waarheid uit hun schamele voor­raad onderrichten aangaande de ware wegen tot het eeuwi­ge leven!

Eet nu dus met Mij en drinkt en weest daarbij in alle lief­de indachtig aan degenen die nog diep in hun vlees zijn ge­worteld en niet Mijn Rijk, Mijn genade, Mijn liefde en er­barmen kunnen aanschouwen!

 

De gelijkenis van de Heer over het koninklijke bruiloftsmaal

 

Het koninkrijk der hemelen of het Rijk Gods is als een koning die voor zijn zoon een bruiloft aanrichtte. Hij zond daarom zijn knechten en dienaren uit, opdat zij veel voor­name gasten voor de koninklijke bruiloft zouden uitno­digen.

Maar de genodigden zeiden bij zichzelf: "Waartoe heb­ben wij een koninklijke bruiloftsmaaltijd nodig!? Wij heb­ben het thuis beter en hoeven niemand te danken!" - En niemand van de genodigden wilde daarom naar de ko­ninklijke bruiloft komen.

Toen de koning het bericht ontving dat de gasten die het eerst waren genodigd niet wilden komen, zond hij nog­maals andere knechten uit en sprak tot hen: "Zeg tegen de genodigden: Zie, ik heb mijn maaltijd bereid! Mijn ossen en mijn gemeste vee zijn geslacht en alles is gereed! Komt daarom allen tot de bruiloft!"

De knechten gingen heen en deelden hetgeen hen was opgedragen trouw aan de uit te nodigen gasten mee. De ge­nodigden lieten zich echter wederom niets aan de uit­nodiging gelegen liggen, sloegen geen acht op de oproep en de één ging naar zijn akker, de ander had een andere bezigheid en weer anderen grepen de knechten, bespotten hen en doodden zelfs enkele.

Toen de koning dat hoorde, zond hij toornig terstond zijn legers uit, verdelgde alle moordenaars, stak hun stad in brand en liet die totaal verwoesten.

Daarop sprak de koning nogmaals tot zijn knechten: "De bruiloft is weliswaar gereed, maar de genodigde gasten wa­ren haar niet waard. Ga daarom thans naar alle straten en stegen en nodig hen, die je er aantreft, voor de bruiloft uit!"

En de knechten gingen en brachten allen die zij aantrof­fen mee, zowel slechten als goeden. En zie, de tafels waren helemaal bezet!

Toen de tafels echter aldus gereed waren, trad de koning de grote eetzaal binnen om de gasten te begroeten. Daar zag hij iemand die, zo vanuit de verte te zien, geen bruilofts­kleed aanhad, terwijl toch alle anderen, toen ze werden uit­genodigd, zich naar huis hadden gespoed en zich zo goed mogelijk voor de bruiloft feestelijk hadden gekleed.

Toen vroeg de koning aan de knechten: "Waarom heeft die mens zich niet voor de bruiloft getooid, opdat hij mijn ogen verkwikt en geen ergernis opwekt bij de vele andere gasten ?"

De knechten zeiden evenwel: "O machtige koning, dat is een van hen, die het eerst zijn uitgenodigd en die niet wilden komen! Toen we voor de derde keer mensen uit­nodigden troffen we hem ook op straat aan, nodigden hem wederom uit en gaven hem de raad dat ook hij zich met een bruiloftskleed zou tooien. Hij zei echter: "Ach, kom nou! Voor die bruiloft ga ik me niet extra inspannen, maar ik zal naar de bruiloft gaan zoals ik ben!" En zo ging hij dan ook, zoals we hem op straat aantroffen, met de andere gasten naar de bruiloft; we ontzegden hem niet de toegang, omdat u ons daartoe niet het recht had gegeven!"

Toen de koning dit van de knechten vernam ging hij naar de man toe die geen bruiloftskleed droeg en zei hem: "Hoe ben je hier wel binnen gekomen zonder in een feestgewaad getooid te zijn? Kijk, aan de tafels zitten nu de armen, on­der wie een aantal slechten en slechts een gering aantal goeden; maar allen hebben zich zo getooid dat mijn oog nu een werkelijk behagen in hen heeft! Jij was echter reeds eerder uitgenodigd en wilde geen gevolg geven aan de uit­nodiging. En omdat nu een derde, algemene uitnodiging uitging, heb je je weliswaar laten bewegen erheen te gaan, maar je komt zonder de feestelijke tooi die een bruilofts­gast past en je bezit toch voldoende vermogen voor een

bruiloftsgewaad! Waarom deed je mij zo'n schande aan?"

De man aan wie dit werd gevraagd raakte buitengewoon ontstemd over de koning en wilde zich niet eens veront­schuldigen en de koning om vergeving vragen; hij bleef zwijgen en gaf de koning op geen enkele wijze enig ant­woord, hoewel de koning hem tevoren als vriend had aan­gesproken.

Deze slechte verstoktheid maakte de koning zo kwaad dat hij tegen zijn dienaren zei: "Omdat deze mens zo ver­hard is en mijn grote minzaamheid en vriendelijkheid slechts met ergernis, toorn en verachting beantwoordt, bindt hem daarom aan handen en voeten (liefderijke wil en wijsheid) en werp hem in de buitenste duisternis (van het pure wereldse verstand) naar buiten (in de materie)! Daar zal geween zijn en tandengeknars!"

Ik wil u evenwel hiermee zeggen dat voor het ware Rijk van God door Zijn daartoe geroepen knechten ook velen onder u zij n genodigd en geroepen - maar slechts weinigen uitverkoren. Want ten eerste wilden ze helemaal geen ge­volg geven aan de uitnodiging, daarna verzetten ze zich er­tegen. En toen voor de derde keer ook alle heidenen voor de bruiloft werden uitgenodigd, deze zich feestelijk kleed­den en naar de bruiloft kwamen, kwam van hen die het eerst waren uitgenodigd slechts één in een gewaad, waarin men zich niet op een bruiloft vertoont, en deze is het beeld van uw stijfkoppigheid, die u naar de verste duisternis van de wereld en ellende zal verstoten. En daarom zullen er onder de velen, die reeds vanaf het eerste begin zijn geroe­pen, zeer weinig uitverkorenen zijn.

Hierin echter bestaat het Rijk Gods in de mens, dat hij de geboden van God onderhoudt en in Hem gelooft, die in Mij tot u is gezonden. Waarlijk, Ik zeg u: wie in Mij gelooft en naar Mijn Woord handelt, heeft het eeuwige leven in zich en daarmee ook het ware Rijk van God. Want Ikzelf ben de Waarheid, het Licht, de Weg en het eeuwige Leven!

 

Hoe zou ik Hem vergeten,

die immer aan mij denkt?

Hoe ooit Zijn liefde meten,

die mij genezing schenkt?

Ik lag in bittere smarten,

Hij komt en maakt mij vrij.

En steeds welt in mijn harte

mijn liefde aan Hem gewijd.

 

Zou ik bij Hem niet toeven,

die mij zo is toegedaan?

Hoe kon ik 't hart bedroeven,

dat met mij zo is begaan?

Hij, aan het kruis geslagen,

die voor mij de hemel won,

wil voortaan alle dagen

mij laven uit Zijn bron.

 

Ik mag mijn liefd' Hem geven,

Hij, die de nacht der dood,

voor eeuwig heeft verdreven,

onsterfelijkheid mij bood!

Hij, die zelfs in zijn sterven

mij reikt de trouwe hand.

Nu mag ik heil verwerven,

mijn zonde is uitgebrand.

 

Als het grootste liefdepand

gaf Hij Zijn vlees en bloed,

Hij verbreekt de aardse band,

en schenkt mij hemelsmoed.

Zelf wil Hij in mij tronen

met troost en licht en schijn:

zou ik in Hem niet wonen,

in Hem niet zalig zijn?!

 

Christian Gottlob Kern

 

 

 

2. Gethsémane

 

De Heer: . . . We liepen nu de stadspoort uit en vertrokken naar de Olijfberg.

Daar lag de tuin die nu nog 'Gethsémane' wordt ge­noemd, maar die zich op een heel andere plek bevindt. Hij hoorde bij die herberg op de Olijfberg, die in bezit was van Lazarus en als geliefd uitgaansoord bekend stond. Onder­aan die herberg, die wat hoger lag en een ver uitzicht bood, strekte zich een soort park uit, waardoor een erg aange­name weg naar boven liep. Dit park is het eigenlijke Geth­sémane geweest en bevindt zich, zoals reeds vermeld, op een heel andere plaats dan wat thans zo wordt genoemd. Het heeft daarmee alleen maar de naam gemeen, omdat de zeer oude bomen die daar staan het voor de mensen, die deze plaats later zouden zoeken, aannemelijk maakten dat zij hier de juiste plek hadden gevonden.

Vanwege de grote stilte die er heerste was het park een geschikte plek voor innerlijke meditatie, en daarom ging Ik er met de discipelen ook heen, opdat ze nog eens hun gedachten zouden laten gaan over de laatste gebeurtenis­sen.

We gingen terzijde van de weg zitten en Ik nodigde Petrus, Johannes en Jacobus uit om met Mij, op enige af­stand van de anderen, wat verderop te gaan. Dit deden zij en ze volgden Mij.

Hier deed zich het moment voor dat de ziel van de Men­senzoon werd bevangen door de totale druk van het nade­rende onheil en de Godheid Zich helemaal uit haar terug­trok, om in volledige vrijheid de beslissing aan de mens Jezus over te laten. Daarom onderging Hij ook het bange uur en sprak: "Mijn ziel is bedroefd tot stervens toe!" – Tot de drie zei Hij vervolgens ook: "Blijf hier en waak met Mij!"

Daarna trad Hij iets terzijde en bad de woorden: "Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat deze beker aan Mij voor­bij gaan! Maar niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt!"

Daar echter in deze woorden nog niet het eigen, vaste besluit doorklonk, trad de Godheid ook nog niet in de mens terug.

    Jezus ging toen naar de Zijnen terug en vond ze slapend.

Daaruit werd hem duidelijk dat hij alleen maar bij de Vader in zich steun kon vinden. Hij wekte de drie en sprak de woorden: "Kunt gij dan niet één uur met Mij waken? Waakt en bidt dat gij niet in verzoeking komt! De geest is gewillig, maar het vlees is zwak!"

    Met deze woorden bedoelde hij niet alleen de drie, maar ook zichzelf.

Nu ging Jezus weer heen en bad nogmaals: "Mijn Vader, indien het niet mogelijk is dat deze beker aan Mij voorbij gaat, dan drink Ik die en Uw wil geschiede!"

Wederom door onrust gedreven zocht de ziel contact naar buiten met de Zijnen, maar vond ze wederom slapend en wel zo diep dat ze niet ontwaakten, maar bij de roep zich slechts slaapdronken roerden.

Nu had Jezus de Mensenzoon gezegevierd.

    Met een blik vol medelijden keek hij naar de Zijnen, liep haastig terug en riep luid: "Vader, ik weet dat het mogelijk is, dat deze beker voorbijgaat; maar Uw wil alleen ge­schiede, en daarom wil ik hem drinken!"

Op dat moment keerde de Godheid terug in de Mensen­zoon Jezus en gaf hem kracht, doordrong hem helemaal en sprak: "Mijn Zoon, voor de laatste maal moest je een be­slissing nemen! Nu zijn Vader en Zoon in jou één gewor­den en voor eeuwig onscheidbaar geworden. Draag wat jou is gegeven om te dragen. Amen!"

Hierna stond Ik weer op en ging naar Mijn discipelen, die weer sliepen, maakte ze wakker en sprak: "Hoe kunnen jullie slechts slapen en Mij in het moeilijkste uur alleen la­ten? Waakt en bidt dat gij niet in verzoeking komt; want de geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak. Jullie moeten echter altijd sterk zijn! Ziet, thans is het uur gekomen dat Ik aan Mijn vijanden word overgeleverd. Slaapt daarom niet en weest sterk!"

Op dat moment naderde een schare gewapende tempel­wachters met fakkels, die door Judas werd aangevoerd en die hij naar de herberg wilde brengen, omdat hij vermoedde dat Ik daar was.

De discipelen vroegen Mij wat dit te betekenen had. Ik beval hen echter achter te blijven en ging de schare tege­moet.

Toen Judas Mij zag, kwam hij op Mij toe, groette Mij en wilde Mij kussen om de gerechtsdienaren een teken te ge­ven. Ik weerde dit echter af en zei: "Judas, verraad je op deze manier de Zoon des mensen?! Het zou beter voor je zijn, als je nooit geboren was!"

    Daarom richtte Ik me tot de groep en vroeg met krachti­ge stem: "Wie zoekt gij?"

    De aanvoerder antwoordde: "Jezus van Nazareth!"

    Daarop maakte Ik me met de woorden "Ik ben het" aan hen bekend en liep enkele stappen op hen toe.

De gerechtsdienaren weken echter achteruit, omdat ze al veel hadden gehoord over de kracht die van Mij uitging en daar bang voor waren - om die reden had Kajafas slechts die knechten uitgezocht, die Mij nog niet persoon­lijk kenden. Enkelen die achteraan stonden vielen zelfs op de grond, omdat mensen die voor hen stonden tegen hen opbotsten.

    Omdat de knechten aarzelden en duidelijk bang waren, vroeg Ik wederom: "Wie zoekt gij?"

    En op het herhaalde antwoord van de aanvoerder her­haalde Ik: "Ik heb u gezegd dat Ik het ben! Indien gij Mij echter zoekt, laat dezen dan gaan!"

Toen de knechten merkten dat er niets met hen gebeurde, schaamden ze zich voor hun aanvankelijke schrik, kwamen op Mij af en omringden Mij terstond, terwijl de aanvoerder hen toeriep alleen maar op Mij te letten, omdat de hoge­priester bevel had gegeven alleen Mij gevangen te nemen.

Petrus echter, die nu inzag dat er ernstig gevaar voor Mij dreigde en dat er geen enkel wonder geschiedde waardoor Ik bevrijd werd, trok het steeds verborgen gedragen zwaard en baande zich een weg naar Mij. Malchus bood hem tegenstand en weerde hem met de lans af. Met zijn zwaard haalde Petrus naar hem uit, waardoor hij Malchus het oor afsloeg.

Ik riep toen naar Petrus: "Steek het zwaard in de schede! Moet Ik niet de beker drinken, die Mijn Vader Mij gegeven heeft?!"

Daarop week Petrus terug. Ik legde Mijn hand op het ge­wonde oor van de krijgsknecht, dat terstond genas. Deze daad wekte verwondering bij de krijgsknechten, zodat ze de discipelen verder ongemoeid lieten en er alleen maar op letten Mij weg te voeren. Omdat Ik nu voortaan zwijgend alles over Mij heen liet komen, ook Mijn handen door hen liet binden zonder enige tegenstand, vroegen de knechten zich verwonderd af waarom er tegen hen was gezegd het uiterste geweld niet te schuwen, omdat het toch zeker ge­vaarlijk zou zijn zo'n mens gevangen te nemen.

Judas echter stond erbij en wachtte op het moment dat er iets zou gebeuren, waardoor de wachters schrik zou wor­den aangejaagd. Omdat er evenwel niets gebeurde, was hij er des te meer van overtuigd dat voor de Hoge Raad Mijn kracht nog zou blijken.

 

Het geheim van de persoon Jezus

 

Om Gethsémane en de zielestrijd van de Heer in dat be­slissende uur te begrijpen, moet men meer weten over de ware aard van Jezus Christus. In de geschriften van de Nieuwe Openbaring is ons dit op een diepzinnige en helde­re manier uit de doeken gedaan.

Jezus was, zoals wij mensen allen, in Zichzelf een drie-eenheid van geest, ziel en lichaam.

Zijn geest - Zijn meest innerlijke fundamentele leven ­ was weliswaar in liefde, wijsheid, macht en heerlijkheid onmetelijk veel groter dan onze geest. Want in Hem, Jezus, woonde als geest 'de totale volheid van de Godheid', dat wil zeggen, het oer eeuwige goddelijke machtscentrum, de Eeuwige Liefde of de Vader genoemd, waaruit al het ge­schapene - ook onze geest - is voortgekomen.

"Van eeuwigheid her woonde Ik", zo spreekt deze Vader­ Godgeest in het Grote Johannes Evangelie tot de moeilijk begrijpende Judas, "in Mijn ontoegankelijke midden en in Mijn ontoegankelijk Licht uit Mij Zelf. Maar omwille van de mensen op deze aarde heb Ik er behagen in gehad uit Mijn ontoegankelijke midden en Mijn ontoegankelijke Licht zodanig naar buiten te treden, dat Ik thans juist in datzelfde midden en in datzelfde licht, (dat ook voor de hoogste engelen van eeuwigheid her volledig ontoeganke­lijk was), op deze aarde kwam, en dat Ik nu zelfs voor jullie mensen van alle kanten wel toegankelijk ben en jullie Mijn licht kunnen verdragen."

"Bij alle ontelbaar vele eerdere scheppingen ben Ik nooit op de een of andere aarde door de kracht van Mijn wil met het stoffelijk lichaam van een mens bekleed geweest, maar Ik had alleen contact met de mensenwezens door gescha­pen, geheel met Mijn geest vervulde reinste engelengeesten. Alleen déze scheppingsperiode had de bestemming om op een klein hemellichaam, namelijk juist deze aarde, Mij voor alle scheppingen die aan deze vooraf waren gegaan als ook voor alle scheppingen die nog zullen volgen, in Mijn oer­goddelijke Wezenheid lichamelijk in uiterst begrensde vorm zichtbaar aanwezig te hebben en door Mij Zelf onder­richt te worden.

Ik wilde voor alle komende tijden en eeuwigheden Mij ware, volkomen aan Mij gelijk zijnde kinderen niet alleen zoals gewoonlijk scheppen, maar door Mijn vaderlijke lief­de waarachtig vormen en opvoeden, opdat ze dan met Mij over de gehele oneindigheid zullen heersen. Om dat even­wel te bereiken nam Ik, de oneindige, eeuwige God, voor wat betreft het Levenscentrum van Mijn goddelijk Zijn een stoffelijk omhulsel aan, teneinde Mij aan jullie, Mijn kinde­ren, als een zichtbare en voelbare Vader kenbaar te maken en uit Mijn eigen mond en hart jullie de ware, goddelijke liefde, wijsheid en kracht te leren, waardoor jullie dan zo­als Ik over alle wezens van de gehele schepping zullen heersen. "

Daarom was en is Jezus' geest dus de Oer-Vader-God­geest van alle oneindigheid; en daarom noemt Jesaja de door hem visionair geziene Verlosser 'Vader der eeuwig­heid'. Johannes zegt van Hem: "In het begin was het Woord, en het Woord was bij God - en het Woord was God." En Paulus verklaart: "In Christus woont de totale volheid der Godheid zelve." Ook de Heer Zelf heeft duidelijk aan Filippus verkondigd: "Wie Mij ziet, ziet de Vader. . .. De Vader die in Mij woont, doet de werken."

Zo was Jezus de Heer dus naar de geest de eeuwige en enige Oer-Vader-Godgeest en naar de ziel en het lichaam een mens zoals wij.

In het Grote Johannes Evangelie getuigt de Heer Zelf over de wijze waarop Zijn menselijke ziel intrek in Hem nam en zich ontwikkelde:

"Alleen het eerste mensenpaar ontving hun lichaam uit Gods wil, alle andere mensen zijn uit een moederlichaam geboren. En daarom is dit lichaam van Mij ook uit een aardse moeder geboren - hoewel niet door een aardse vader op de gebruikelijke manier, maar alleen door de al­machtige wilsgeest van God verwekt, wat bij heel reine en ootmoedige mensen heel goed mogelijk is; van oudsher was dat bij zulke mensen geen zeldzame gebeurtenis en ook in deze tijd gebeurt het zo nu en dan nog. Dat zulke mensen, die op een zuiver geestelijke wijze zijn verwekt, ook geestelijker zijn dan zij, die langs de gebruikelijke weg zijn verwekt, is duidelijk. Want kinderen van zeer sterke en volledig gezonde ouders worden immers ook sterk en gezond, kinderen van zwakke en zieke ouders daarentegen zijn gewoonlijk ook zwak en ziekelijk.

Ik, als mens, zoals Ik nu voor u sta, ben geen God. Ech­ter wel een zoon van God, wat in feite elk mens moet zijn. Want de mensen op deze aarde zijn voorbestemd kinderen van God te worden en te zijn, doordat ze leven naar de wil van God, die ze kennen. Een van hen is echter van God uit en van eeuwigheid her bestemd geweest de Eerste te zijn, in Zich het leven te hebben en het aan een ieder te geven, die in Hem gelooft en volgens Zijn leer leeft. En Ik ben deze Eerste.

Maar Ik heb zulk leven uit God bepaald niet vanuit het moederlichaam in deze wereld gebracht! De kiem lag wel in Mij, maar die moest eerst ontwikkeld worden, wat Mij nagenoeg volle dertig jaar tijd en moeite heeft gekost. Nu sta Ik dan als voleindigd voor jullie en kan jullie zeggen dat Mij alle macht en heerschappij is gegeven in de hemel en op aarde en dat de geest in Mij geheel één is met Gods geest; daarom kan Ik ook die tekenen verrichten, die vóór Mij nog nooit een mens heeft verricht. Dat is echter voor­taan geen bijzonder voorrecht alleen maar voor Mij, maar ook voor ieder mens die in Mij gelooft, dat Ik door God in deze wereld ben gezonden om de mensen het licht des Levens te geven, en die dan ook handelt naar Mijn leer, welke aan de mensen de wil van de Geest Gods bekend maakt, die in alle volheid in Mij woont.

Deze Geest is wel God, maar Ik als Mensenzoon ben dat niet. Als zodanig heb Ik Mij net als elk ander mens door veel moeite en oefening de waardigheid van God eerst moeten verwerven en kon daardoor pas één worden met de Geest van God. Nu ben Ik wel één met Hem in de geest, maar wat het lichaam betreft nog niet. Maar ook hier zal Ik volledig één met Hem worden, echter pas na een groot lijden en na een totale en uiterst vernederende zelfver­loochening van Mijn ziel"

 

De strijd van de zich ontwikkelende Jezus-ziel

 

Welke zuiver menselijke gevechten de Heer in Zijn inner lijk moest doormaken, opdat Zijn ziel door de daarin wonende Vader-Godgeest zou worden gelouterd en verheerlijkt, wordt in de Heilige Schrift van de bijbel aangeduid met de beschrijving van de verzoeking in de woestijn. - Hierover is veel te lezen in het door Jakob Lorber nieuw geopen­baarde evangelie over de jeugd van Jezus. In de slothoofd­stukken van dit boek, getiteld 'De Jeugd van Jezus', lezen we:

"In de Schrift staat: 'En Hij nam toe in genade en wijs­heid voor God en de mensen en bleef zijn ouders onder­danig en gehoorzaam tot het moment gekomen was om de mensen te onderrichten'. Hier doet zich de vraag voor: hoe kon Jezus dan als het enige, eeuwige Godwezen in  wijsheid en genade voor God en de mensen toenemen, omdat Hij toch van eeuwigheid God was? En dan met na­me voor de mensen, omdat Hij toch van eeuwigheid het allervolmaaktste wezen was?

Om dat goed te begrijpen moet men Jezus niet alleen be­schouwen als de enige God, maar moet men Hem zich als een mens voorstellen, waarin de enige, eeuwige Godheid zich net zo schijnbaar passief in een kerker opsloot, als in elk mensenwezen de geest gekerkerd is. - Wat elk mens echter volgens de goddelijke orde moet doen om zijn geest in zich vrij te maken, dat moest ook de mens Jezus in alle ernst doen om in Zichzelf het goddelijk Wezen vrij te ma­ken, opdat het met Hem één zou worden.

Elk mens moet echter bepaalde zwakheden in zich dragen, welke de gewone ketenen van de geest zijn, waar­door deze als in een cocon zit opgesloten. Deze ketenen kunnen echter pas dan worden uiteengeslagen wanneer de ziel, die zich met het vlees heeft verbonden, door oprechte zelfverloochening zo sterk is geworden dat zij krachtig ge­noeg is om vat op de vrije geest te krijgen en te houden. Om die reden kan de mens ook alleen maar door allerlei verzoekingen zijn zwakheden leren kennen en op die ma­nier ervaren hoe en waardoor zijn geest aan banden is ge­legd. Als hij dan juist op die punten zichzelf in zijn ziel ver­loochent, dan ontdoet de mens daarmee de geest van zijn ketenen en ketent hij daarmee de ziel. Is de ziel dan op de geschikte tijd met alle vroegere banden van de geest krach­tig geworden, dan gaat langs een volkomen natuurlijk pro­ces de vrije geest over in de sterker geworden ziel. En deze krijgt daardoor deel aan de volmaakte macht van de geest en wordt voor eeuwig volkomen één daarmee.

Doordat de ene keten na de andere wordt verwijderd neemt de ziel aan geestelijke kracht toe, welke uit wijsheid en genade bestaat. De wijsheid is het heldere schouwen in zichzelf van de eeuwige orde van God. En de genade is het eeuwige licht van de liefde, waardoor alle oneindige en on­telbare dingen, hun verhoudingen en wegen worden ver­licht.

Zoals dit echter voor de mens geldt, gold dit ook voor de 'Godmens' Jezus! Zijn ziel was gelijk aan die van ieder mens en was met des te meer zwakheden behept, omdat de almachtige 'Godgeest' Zichzelf aan zeer sterke banden moest leggen om in Zijn ziel te kunnen worden gehouden. Daarom moest Jezus' ziel, zichzelf verloochenend, ook de grootste verzoekingen doorstaan om haar Godgeest van zijn banden te ontdoen, en daardoor zich krachtig maken voor de meest volmaakte vrijheid van de Geest aller gees­ten en aldus volledig één met Hem te worden."

 

De voorbereiding op de overwinning

 

"Hoe leefde Jezus nu in de belangrijkste jaren van Zijn ont­wikkeling tussen Zijn twaalfde en dertigste jaar?

Steeds voelde Hij in Zichzelf de zeer sterke aanwezigheid van de almachtige Godheid. In Zijn ziel wist Hij dat alles wat het oneindige omvat aan Zijn geringste wenk moest gehoorzamen en dat dat eeuwig zo moest zijn. In Zijn ziel voelde Hij bovendien een hevige drang over alles te heer­sen. Trots, de zucht om te heersen, ongebonden vrijheid, hang naar het goede leven, hartstocht voor vrouwen en dergelijke eigenschappen meer, evenals ook toorn waren de belangrijkste zwakheden van Zijn ziel.

Maar Hij streed met de wil van de ziel tegen al deze zo machtige, dodelijke drijfveren van Zijn ziel. Zijn trots maakte Hij deemoedig door de armoede. Maar wat een hard middel was dat voor Hem, aan wie alles behoorde, maar die toch niets 'Mijn' mocht noemen! - De zucht om te heersen legde Hij aan banden door gewillige gehoor­zaamheid tegenover hen, die zoals alle mensen vergeleken met Hem van geen enkele betekenis waren. - Tegen Zijn eeuwige allergrootste vrijheid streed Hij doordat Hij zich, ofschoon dit onnoemlijk zwaar was, dienstbaar maakte om als een slaafse knecht voor mensen nederig werk te ver­richten. - De sterke hang naar een goed leven bestreed Hij door heel veel te vasten - uit nood en ook vanuit de vrije wil van Zijn ziel. - Zijn hartstocht voor vrouwen bestreed Hij door niet zelden zwaar werk te verrichten, weinig te eten, door gebed en door omgang met wijze mannen. Ja, op dit punt moest Hij buitengewoon veel doorstaan, omdat Zijn uiterlijk en Zijn welluidende spraak bijzonder in­nemend waren; om die reden waren de vijf bijzonder knap­pe pleegdochters van Cyrenius hartstochtelijk verliefd op Hem en ze wedijverden onder elkaar om zo goed mogelijk bij Hem in de smaak te vallen. In zulk liefdebetoon schiep Hij wel behagen; maar toch moest Hij steeds tegen iedereen zeggen: 'Noli me tangere!' ('Raak Mij niet aan!') - Omdat Hij verder de kwaadaardigheid van de mensen onmiddel­lijk doorzag en hun arglist en huichelachtigheid, sluwheid en egoïsme doorhad, is het ook begrijpelijk dat Hij zeer lichtgeraakt en gemakkelijk beledigd was en toornig kon worden. Maar door Zijn liefde en erbarming beteugelde Hij dan Zijn goddelijk gemoed.

En zo oefende Hij Zijn leven lang de grootste zelfver­loochening om hierdoor de ondermijnde eeuwige orde te herstellen. Hieruit valt ook gemakkelijk te begrijpen hoe Jezus als mens deze achttien jaar onder voortdurende ver­zoekingen en de strijd daartegen moest leven.

Hierdoor nam echter de ziel van Jezus ook in wijsheid

en genade toe voor God en de mensen en wel in die mate, dat de goddelijke Geest langzamerhand steeds meer één werd met Zijn weliswaar goddelijke ziel, die in feite de werkelijke Zoon was."

 

De gebedsstrijd van de Heer in Gethsémane

 

Nu begrijpen we ook wat zich in de hof van Gethsémane, voordat het verschrikkelijke gebeuren begon, in de ziel van de Mensenzoon afspeelde en waarom in de Schrift hier over 'bedroefd en beangst zijn' wordt gesproken.

Want hoe kan een God of 'Godmens' angst hebben en gaan aarzelen, en hoe kan Jezus, als de 'Vader' in Hem woont, tot deze Vader bidden? ­

In de tijd dat Jezus 'vol van de Geest' van plaats tot plaats trok en onder de mensen leerde en wonderen ver­richtte, werkte de goddelijke Geest machtig in de ziel van de 'Mensenzoon' - gaf Hem de woorden die Hij moest verkondigen in de mond en verleende Hem de kracht om Zijn 'tekenen en wonderen' te verrichten. Dit moest echter anders worden, toen het grote beslissende uur naderbij kwam. Want nu ging het erom dat de ziel van Jezus zich vanuit een volledig vrije wil onderwierp aan de grote, wijze Liefdewil en het scheppingsplan van de in Hem wonende Vadergeest. Tot nu toe had de Mensenzoon Jezus voor de Vader en de uitbreiding van Zijn Rijk geleefd, onderwezen en gestreden; nu moest Hij volgens het heilige plan van God alle mensen, geesten en engelen voor eeuwig een voor­beeld geven van totale overgave aan de wil van de Vader. Hij moest voor de verlossing en redding van Zijn nog in de ban der materie slapende broeders het laatste offer brengen en moest, om Zijn opdracht te volbrengen, de lichamelijke dood sterven, en wel in volledige vrijheid van de wil, waar­in Hij besloot tot de dood aan het kruis. En daarom trok de Vader-Godgeest zich op dit grote, beslissende uur terug uit de ziel van Jezus, opdat de wil van de Mensenzoon be­proefd zou worden.

"Mijn ziel," sprak de Heer tot de discipelen, "is bedroefd tot stervens toe" - niet omdat ze haar stoffelijk omhulsel en leven onder martelingen moest offeren, maar hoofd­zakelijk omdat ze niet meer de heilige macht en kracht, de gelukzalige nabijheid van de goddelijke Vadergeest in zich­zelf ervoer.

Helemaal aan zichzelf overgegeven moest Jezus' ziel door de enge poort van uiterste zwakte en deemoed gaan. En tegenover de broeders ontsnapte aan zijn ziel het ver­

langen en de vraag: "Blijf hier en waak met mij!" - en tegenover de Vader in de hemel: "Vader, indien het moge­lijk is, laat deze beker aan mij voorbijgaan!"

Maar ook in de beproeving van het verlaten zijn wist de ziel van Jezus dat het heil van de ganse oneindigheid alleen in de Vader was gelegen. En zo versterkte de ziel van Jezus zich in het vurige gebed tot de Vader in diepste deemoed: "Niet mijn wil, maar Uw wil geschiede!"

Het gebed van de Heer dat voor veel nadenkende chris­tenen altijd een raadsel is, is vanuit dit gezichtspunt bezien heel goed te begrijpen. In het Grote Johannes Evangelie hebben enkele niet-ingewijden een gesprek met elkaar over deze verbinding vanuit het hart met God, waarin Jezus zich dagelijks oefende. Zij zeggen: "Vreemd, nu gaat Hij weg om te bidden en zich op de dag van morgen voor te berei­den! Wie kan Hij dan nog aanroepen en tot wie kan Hij dan bidden!? Is Hij ongeacht Zijn diepste kennis dan niet het hoogste goddelijke wezen? Hij zal immers Zichzelf toch niet aanbidden!? - Mathael, een verlichte discipel, antwoordt deze twijfelaars: "O jullie blinden! Is Hij op aar­de niet, net als wij allemaal, van vlees en bloed, waaruit Zijn ziel net als de onze zich heeft ontwikkeld om in staat te zijn in volledige verbinding met de eeuwige, oer-godde­lijke Geest te treden?! Alleen de Geest in Hem is God, al

het andere is mens, zoals ook wij mensen zijn. Als Hij dus bidt, dan betekent dat met andere woorden, dat Hij Zijn mens-zijn volledig laat doordringen door Zijn oer-eeuwige Geest, welke in oorsprong God is, en waaruit alle andere geesten voortkomen, zoals in een dauwdruppel het spiegel­beeld van de zon verkleind ontstaat"

 

Uw wil alleen geschiede!

 

In een vurig worstelen om verbinding met de Vader-Geest in Hem ondervond de Mensenzoon Jezus dan ook spoedig een grote verlichting en versterking. Lucas bericht: "En een engel kwam uit de hemel en gaf hem kracht!" Door deze geestelijke hulp werd Jezus' ziel zich, in de slapende discipelen, plotseling in alle helderheid bewust van haar taak. Zoals zij in de ban van hun zwakheid en onmacht in de hof van Gethsémane lagen te slapen, zo sliepen immers nog in de gehele schepping in en op de aarde en alle hemel­lichamen myriaden niet verloste zielen in het gericht van de materie en wachtten op het moment dat ze gewekt en uit de knellende banden van de anti-orde en het gericht teruggevoerd zouden worden naar het rijk van de godde­lijke orde, van de liefde, het licht en het eeuwige leven!

De Mensenzoon werd door een groot medelijden aange­grepen. Door de goddelijke oer-Geest kreeg de ziel het in­zicht dat door middel van een groot, eeuwig durend voor­beeld van totale gehoorzaamheid en de meest onbaatzuch­tige, opofferende liefde al deze zielen moesten worden op­gewekt en dat aan de 'ganse schepping' (Romeinen, 8, 21) de weg naar de vrijheid en heerlijkheid van de kinderen Gods getoond en gebaand moest worden. En daarom groei­de in Jezus' gevoel na droefheid en vrees en vurig gebed het besluit dat Hij uit volkomen vrije wil en vanuit de zui­verste liefde tot God en de broeders nam: "Vader, ik weet dat het mogelijk is dat deze beker aan mij voorbij gaat ­maar Uw wil alleen geschiede! En daarom wil ik hem drinken!"

Op dat moment was Jezus' ziel volkomen één van zin met haar goddelijke Geest en nu kon het sinds eeuwigheid door de Vader voorbestemde werk der verlossing zich vol­trekken.

 

De Heer en Judas

 

De volkomen tegenstelling van de Mensenzoon Jezus was de mens Judas, die zich bij het gezelschap van de Heer had aangesloten, omdat hij hoopte dat de met bovenaardse krachten begaafde Galileïsche 'profeet' spoedig een mach­tig aards rijk zou stichten, en dat dan ook hij, Judas, als zijn aanhanger en ijverige helper daarin een belangrijke plaats zou innemen. Ook dacht Judas dat hij van de Heer de geheime wetenschap en kunst van de magie zou leren, om op die manier aardse rijkdommen en schatten te ver­garen. Terwijl dus van de kant van de Heer de zuiverste liefde tot God en de naaste, in grote deemoed uitgeoefend, het motief van het goddelijk, heilbrengende handelen was, werd Judas bewogen door kwade driften van eigenliefde, hoogmoed en hebzucht. En waar de Heer Zijn denken, willen en handelen steeds inniger met de goddelijke oer­ Geest verbond, maakte Judas zijn zinnen en streven tot een buit van satan en van de hel.

    In het Grote Johannes Evangelie spreekt de Heer over het leven en wezen van Judas:

"In de discipel Judas Iskariot hebt gij een sprekend voor­beeld van een verkeerde opvoeding. - Judas was de enige zoon van een zeer vermogende vader en moeder die haar zoon verafgoodde. Het gevolg was dat de beide ouders hun zoon aapachtig verwenden, in alles toestemden en hem alles gaven, wat de jongen ook maar begeerde. En het ge­volg daarvan was dat de jongen, toen hij eenmaal groot en sterk was geworden, zijn ouders het huis uit joeg en zich met veile deernen vermaakte. Het duurde niet lang of de jongen had het vermogen van zijn ouders reeds zover op­gemaakt, dat beiden aan de bedelstaf waren overgeleverd en spoedig daarna van kommer en verdriet stierven.

De jongen, die nu ook arm was geworden, keerde in zichzelf en begon zich tenslotte af te vragen: "Waarom is er dan dit van mij geworden? Ik had part noch deel aan mijn geboorte, waarom hebben mijn ouders me eigenlijk verwekt; ik heb mezelf ook niet eens kunnen opvoeden ­

en toch slingert ieder mens mij naar het hoofd dat ik een ellendige schurk en boosdoener ben, die door zijn lieder­lijke en gemene streken zijn ouders, ondanks het vermogen dat ze zich moeizaam hadden verworven, aan de bedelstaf heeft gebracht en tenslotte zelfs de oorzaak was van hun voortijdige dood! Wat kan ik eraan doen? Misschien is het van mij allemaal wel erg slecht geweest; kan ik het echter helpen dat mijn ouders mij niet beter hebben opgevoed?! - Maar wat doe ik nu? Arm, zonder geld, zonder huis, zonder werk, zonder eten! Stelen en roven zou het gemak­kelijkste zijn en op die manier zou men het snelst zijn doel bereiken. Maar om als een onhandige dief te worden ge­snapt en dan ook bitter te worden gestraft is allesbehalve een pretje! Als ik ga roven, zal mijn lot nog erger zijn! ­Maar nu weet ik wat ik ga doen! Ik ga een of ander ambacht leren en wel die oude, domme pottenbakkerskunst, waar­mee mijn vader rijk is geworden!"

In Kapernaüm ging Judas bij een pottenbakker in de leer en door hard te werken leerde hij in korte tijd het ambacht. De oude pottenbakker had echter een dochter, die al gauw de vrouw werd van de aankomende ambachtsman. Maar zo onbekommerd onze Judas vroeger was, zo hard en gie­rig was hij nu als volleerd pottenbakker. Zijn vrouw moest vaak zijn onbillijkheid verduren. Hij maakte mooie dingen en begon alle markten te bezoeken. Thuis liet hij echter zijn mensen gebrek lijden en liet ze tot bloedens toe wer­ken. Kwam hij van een markt met veel geld naar huis, dan gaf hij daarvan maar heel weinig aan zijn harde werkers; als de opbrengst echter minder was, dan was de situatie in zijn armelijk huis nog veel erger.

Om naast de pottenbakkerij er met ander werk nog iets bij te verdienen pachtte hij ook een visgebied en hij begon zich toe te leggen op de magie, omdat hij in Jeruzalem vaak had gezien hoeveel geld menige Egyptische of Perzische tovenaar daarmee verdiende. Hij wist hier echter niets mee op te bouwen, hoewel hij er veel geld instak. Uiteindelijk ging hij ook nog bij enkele Essenen in de leer, die zich buiten de stad ophielden. Zij hadden hem wijsgemaakt dat ze zo nodig reeds direct een wereld zouden kunnen schep­pen met alles wat deze omvat en draagt. Maar al gauw kwam hij tot de overtuiging dat hij degene was die bedro­gen werd, en hij keerde zijn meesters de rug toe.

In dat jaar hoorde hij wat Ik allemaal deed en hoe dat alles veel verder ging dan wat men tot nu toe op deze aarde als 'wonder' aanmerkte. Dat was dan ook de eigenlijke reden waarom hij zich bij Mij aansloot, thuis alles achter­liet, alleen maar om van Mij te leren hoe deze wonderen te verrichten en op die manier veel goud en zilver te verdie­nen. Aan Mijn leer laat hij zich weinig gelegen liggen. Als hij acht slaat op hetgeen Ik zeg, zou hij eigenlijk alleen maar willen horen op welke manier en met welke midde­len Ik het een of ander wonder heb verricht. Hierover zal hij echter nooit iets horen wat hij kan gebruiken en daarom is hij altijd nors.

Uiteindelijk zal het hem voor deze wereld bij Mij heel slecht vergaan. Een verraderlijke daad en de daarop vol­gende diepste wanhoop zal van hem een zelfmoordenaar maken en een strop en een wilgeboom betekenen voor hem het droevig einde op deze wereld! Want hij is iemand die God wil verzoeken, hetgeen een groot vergrijp is."

 

Simon Jona, Petrus genaamd

 

Simon Jona, die door de Heer Petrus werd genoemd, was heel anders geaard dan Judas.

Weliswaar was ook hij een mens met nogal wat zwak­heden, maar met een oprecht en geestdriftig hart. Oor­spronkelijk verwachtte hij van de Messias dat hij 'de armen zou helpen' en de 'hardvochtige rijken helemaal zou ver­delgen'. Zelf moest hij immers als een arme visser aan de oever van het meer van Galilea met zijn gezin hard werken om in leven te blijven. En zo hoorde hij van Andreas, zijn broer, met grote vreugde dat in de geestelijk sterke timmer­manszoon Jezus uit Nazareth de verwachte bevrijder van het volk was opgestaan en door Johannes de Doper als de uitverkoren Zoon van God was aangeduid. Hij nam snel het besluit zich bij deze man van de toekomst aan te sluiten in de verwachting dat deze spoedig een aards rijk van vrij­heid en broederschap zou oprichten.

Maar reeds op de bruiloft te Kana kwam hij door het wonder met de wijn tot het inzicht dat in deze Jezus meer verborgen moest zijn dan alleen een door God geroepen Messias en koning van het volk. Geschokt door de veel­zeggende verandering van water in wijn zei hij heimelijk tegen de Heer: "Heer, laat mij weer van hier vertrekken. Want Gij zijt Jehova Zelf, zoals Uw knecht David in de Psalmen over U heeft geprofeteerd! Ik ben echter een arme zondaar en U helemaal niet waardig!"

De Heer antwoordde hem echter: "Indien jij jezelf niet waardig vindt om bij Mij te zijn, wie acht jij dan waardig genoeg? Zie, Ik ben niet gekomen voor de sterken, gesteld dat die er zijn, maar voor de zwakken en zieken. Als iemand gezond leeft, heeft hij de dokter niet nodig. Alleen de zieke en de zwakke heeft de dokter nodig. Blijf jij daar­om maar welgemoed bij Mij, want Ik heb jouw zonden al lang vergeven omwille van jouw liefde. En ook als je zult zondigen, terwijl je bij Mij bent, zal Ik je vergeven. Want niet in je kracht maar in je zwakheid, waarin je Mij dee­moedig hebt herkend en nu reeds een rots in het geloof bent, zul je voleindigd worden door de genade die alleen van boven komt!"

Na die woorden van Mij kreeg Petrus tranen in zijn ogen en hij zei vol geestdrift: "Heer - als allen u zouden verla­ten, dan zal ik U nochtans niet verlaten! Want Uw heilige woorden zijn waarheid en leven!"

Daarna nam hij de beker op en sprak: "Heil aan U, Israël en drie maal heil aan ons! Want wij zijn getuigen van de be­lofte die is vervuld. God heeft Zijn volk bezocht! Wat haast niet te geloven was, is nu voor onze ogen in vervulling ge­gaan! Nu hoeven we niet meer vanuit de diepte naar de hoogte te schreeuwen. Want de Allerhoogste is tot ons in de diepte van onze ellende gekomen! - Daarom zij alle eer aan Hem, die onder ons is en ons door Zijn macht en gena­de deze wijn heeft gegeven, opdat we in Hem geloven en van nu af aan in Hem God eren!"

Petrus' ziel had er destijds weliswaar nog niet helemaal vermoeden van, maar de in haar wonende goddelijke geest wist dat deze verandering van water in kostelijke wijn door de Heer op de bruiloft van Kana een grote, diep geestelijke betekenis had, die de Heer Zelf in het Grote Johannes Evangelie uit de doeken doet:

"Zoals Mijn vasten in de woestijn een voorbode was van de vervolging die Mij in Jeruzalem door de tempel werd aangedaan, en de doop door Johannes een voorbode was van Mijn kruisdood, zo duidde deze bruiloft op Mijn op­standing, en het teken van het wonder met de wijn was een voorbeeld van de wedergeboorte van de geest tot eeuwig leven.

Want zoals Ik door Mijn woord het water in wijn veran­derde, zo zal door het woord uit Mijn mond ook het natuur­lijk zinnelijke van de mens in de geest veranderd worden, als hij ernaar leeft. Daarom dient ieder in zijn hart de raad nauwkeurig op te volgen die Maria aan de dienaars gaf, toen zij zei- "Wat Hij zegt, doe dat!"

 

Het zwaard van Petrus

 

Een van de eersten aan wie de Heer de verandering, waar­bij de mens van geest werd doordrongen (geestelijke weder­geboorte) voltrok was Petrus. Natuurlijk, het gericht zijn op de dingen van de wereld, dat aanvankelijk ook aan­wezig was in deze eenvoudige man uit het volk en waar­door in hem de hoop leefde dat de komende Messias zou afrekenen met de hardvochtige rijken en een koning was die de arme zou beschermen, hield zijn gevoel lange tijd bezig. Hij kon lange tijd veel van het hemelse en hogere van Jezus' goddelijke geest en van Zijn leer niet begrijpen.

Zo vond hij het aanvankelijk erg bevreemdend dat men volgens de leer van de Heer ook zijn vijanden moest lief­hebben en dat men goed moet doen aan hen die ons haten en vervolgen. Petrus eiste strenge wetten met harde straf­fen die alle boosdoeners schrik zouden inboezemen.

"Heer", sprak hij toen op een dag een ruwe mensen­menigte de Heer op straat lastig viel en bespotte, "als ik slechts een vonk van Uw geestelijke kracht en macht zou hebben, dan wist ik wel hoe ik deze domme en slechte lasteraars tegemoet zou treden! . . . Als we volgens Uw leer het straffen van misdaden helemaal achterwege laten, dan zal in korte tijd het aantal misdadigers groeien als het gras op aarde!"

De Heer antwoordde de ijveraar echter: "Mijn beste! In de hel zijn beslist de strengste wetten nodig, met daaraan de pijnlijkste straffen verbonden; maar in Mijn Rijk, dat de hemel is, heeft men geen behoefte aan een wet en nog min­der aan dreiging met straf! Ik ben niet gekomen om jullie door de gestrengheid van de wetten voor de hel op te voe­den, maar om jullie door de liefde, de zachtmoedigheid en waarheid voor de hemel gereed te maken! Zegen daarom liever je vijanden en vergeld kwaad met goed, als jullie die­naren van Mij willen zijn en Mijn Rijk op aarde willen uit­breiden!"

Dergelijke onderrichtingen misten hun invloed niet op het gemoed van Petrus. Hij kon zich echter alleen nog niet zo gauw losmaken van zijn aardse-menselijke gedachten aan uiterlijk geweld en macht, dat was de reden dat hij in het grote, beslissende uur van de gevangenname van de Heer heimelijk een zwaard droeg, dat hij voor een geval van nood bij zich had gestoken en in een blinde waan trok om Hem te beschermen, van wie hij reeds lang wist dat Hij de Heer der heerscharen, de machtige God Zebaoth was. Behoorde hij dan niet te weten dat deze Heer en Meester over alle elementen Zichzelf in alle nood en gevaar door de kracht van Zijn Geest altijd kon helpen? Petrus wist dit ongetwijfeld. Van nature neigt het hart van de mens echter naar eigenmachtigheid en geweld en maar heel moeilijk maakt het zich de zuivere, hemelse betekenis eigen van het ware Godsvertrouwen en de volmaakte liefde en zacht­moedigheid.

"Steek het zwaard in de schede!", moest de Heer daarom tegen Petrus zeggen. "Moet Ik de beker niet drinken, die de Vader Mij heeft gegeven!? - En volgens Mattheus voegde Hij daar nog aan toe: "Wie naar het zwaard grijpt, zal door het zwaard omkomen!"

 

" Wie naar het zwaard grijpt, zal door het zwaard omkomen"

 

Deze woorden hebben van oudsher veel opzien in de wereld gebaard. Ze worden dan geplaatst naast de woorden uit de Bergrede:

"Gij hebt gehoord dat er gezegd is: Oog om oog, tand om tand! - Maar Ik zeg u, de boze niet te weerstaan, maar wanneer iemand u een klap geeft op de rechter wang, keer hem ook de andere toe. En indien iemand met u wil strijden en uw hemd nemen, laat hem ook de mantel. En indien iemand u dwingt één mijl met hem te gaan, ga er twee met hem. - Hebt uw vijanden lief en bidt voor wie u vervolgen, opdat gij daarmee laat zien dat gij kinderen van uw Vader in de hemelen zijt. Want Hij laat Zijn zon opgaan over goeden en bozen en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. Indien gij echter slechts liefhebt, die u liefhebben, wat voor loon ontvangt gij hiervoor? Doen ook de tollenaars niet hetzelfde?! En indien gij alleen uw vrien­den groet, doet gij dan iets dat zo bijzonder is? Doen ook de heidenen niet hetzelfde!? Gij dan zult volmaakt zijn, zoals uw hemelse Vader volmaakt is!"

Wat de Heer hier als hemelse volmaaktheid predikt, schijnt voor velen het toppunt van zwakte en zij zien in deze principes het verval en het verderf van de gehele menselijke samenleving. Waar gaat het met de mensheid naar toe als geen weerstand wordt geboden aan het kwaad van de slechtheid, blindheid en gebreken van de mens en wanneer men eenvoudig de bozen in hun streven en wil  hun gang laat gaan, sterker: wanneer men bovendien de boosdoeners alleen maar goed en vriendelijk tegemoet treedt!? - Nee, roepen velen, aan het slechte moet uit alle macht en met alle geweld weerstand worden geboden! Het hardnekkige boze kan trouwens alleen maar door middel van het boze worden overwonnen en moet uiteindelijk helemaal verdelgd worden! - Naar hun mening had Petrus helemaal gelijk en handelde hij als een verstandig man en als een held toen hij voor zijn geliefde Meester op het mo­ment van de schandelijke wandaad het zwaard trok. En de andere discipelen waren lafaards die geen verzet boden!

Zijn deze bedenkingen gerechtvaardigd, wat moeten we ervan vinden?

Ten eerste: bij de gevangenneming in de hof van Gethsé­mane ging het om een gebeuren dat in het grote plan van de hemelse Vader en Zijn bestuur paste en dat zich naar Zijn wijs besluit moest voltrekken.

Zoals men in het Grote Johannes Evangelie kan lezen, hadden de tempelpriesters tot op dit moment reeds vaak geprobeerd tegen de Heer geweld te gebruiken en Hem gevangen te nemen of te doden. Maar de Heer was er, om­dat "Zijn uur nog niet was gekomen" elke keer weer in ge­slaagd zich van hen te ontdoen. - Nu was het uur gekomen dat de Mensenzoon volgens de wil en het plan van de Vader aan de gerechtsdienaren overgeleverd moest wor­den. En daarom werd op dat moment het woord tot Petrus gericht: "Steek het zwaard in de schede! Moet Ik de beker die Mijn Vader Mij gegeven heeft niet drinken?" - En daarom neemt deze gebeurtenis een heel bijzondere plaats In.

Maar ook anderszins zou het volledig onjuist zijn de woorden die de Heer tot Petrus richtte, en Zijn leer van de Bergrede in zijn algemeenheid, zó uit te leggen, dat men het kwaad helemaal niet zou moeten bestrijden en het boze z'n gang zou moeten laten gaan - bijvoorbeeld in vertrou­wen op God, die immers alles zal vergelden en recht zal zetten.

Dat deze opvatting van het-op-zijn-beloop-laten en er in het geheel niet tegen strijden, die men ten aanzien van het kwaad huldigt, beslist Gods wil niet is - daarvan is immers het hele leven en de leer van de Heiland een hoog en heilig getuigenis. Want de Heer is immers juist daarom in de wereld gekomen om ons allen van het kwaad te verlossen en om ons in woord en daad te leren hoe we het kunnen overwinnen!

Alleen over de middelen waarmee dit doel bereikt kan worden wil de Heer ons in de woorden van de Bergrede informeren. Vanuit Zijn goddelijke liefde en wijsheid raadt Hij ons in de allereerste plaats aan de middelen van de zui­vere, onbaatzuchtige, zachtmoedige naastenliefde in prak­tijk te brengen. Want op zichzelf genomen is geweld een giftig makend middel, dat bij de hel hoort en verderfelijk is, zoals de ervaring immers steeds weer bevestigt.

"Ziet", spreekt de Heer, "in elke nog zo zieke ziel is in haargoddelijke geestvonk een volledig gezonde levenskiem aanwezig. En wordt de ziel van een zwak mens door jullie broederlijke liefde gezond gemaakt, dan hebben jullie daar­mee een schat gewonnen, die geen wereld jullie ooit kan betalen. Van welk nut kan een aldus volmaakt mens zijn?! Wie is in staat de draagwijdte hiervan te beseffen? Jullie mensen weten het niet, maar Ik weet hoezeer zulke moeite zich loont!

Daarom zeg Ik u: weest altijd barmhartig ook tegenover de grote zondaren en misdadigers tegen de goddelijke wet­ten! Want alleen een zieke ziel is tot zondigen in staat, een gezonde ziel nooit, omdat een gezonde ziel helemaal niet zondigen kan, doordat de zonde steeds alleen maar een gevolg is van het feit dat de ziel ziek is.

Wie van u mensen kan echter vanwege de overtreding van een van Mijn geboden over een ziel rechtspreken en deze straffen, omdat gij allen toch onder dezelfde wet staat en een wet van Mij er juist uit bestaat dat gij niemand zult oordelen!? Wanneer u over uw naaste oordeelt die tegen een van Mijn wetten heeft gezondigd, dan zondigt u immers ook in dezelfde mate tegen Mijn wet! Hoe kunt u echter, als u zelf zondigt, over anderen rechtspreken en hen ver­doemen?! Weet u dan niet, dat terwijl u uw broeder, wiens ziel ziek is, tot een strenge straf veroordeelt, hiermee ook over uzelf een tweevoudig oordeel hebt uitgesproken dat over u eens - hoewel niet reeds nu - zal worden voltrok­ken!?

Daarom - wie zelf een zondaar is, moet niet op de stoel van de rechter gaan zitten! Want als hij oordeelt, dan spreekt hij over zichzelf een tweevoudig oordeel des ver­derfs uit, waarvan hij moeilijker vrijgesproken wordt dan degene die hij heeft veroordeeld en verdoemd.

Onthoudt daarom vooral dat u niemand oordeelt! En druk dit ook allen op het hart die eens jullie discipelen worden! Want bij het naleven van deze leer van Mij zullen jullie mensen tot engelen maken, bij het niet naleven echter tot duivels en rechters tegen jullie zelf!"

"Met liefde bereikt u alles, met geweld wordt de duivel alleen maar uit zijn slaap gehaald! En als de duivel wakker is, wat voor goeds kan er dan wel over u komen?! - Daar­om is het veel beter dat liefde en zachtmoedigheid onder de mensen groeit en, zelf altijd wakker blijvend, daardoor de duivels tot slapen en rusten worden genoodzaakt – in plaats van dat men met dreunend geraas het geweld van de duivels wakker schudt, waarna zij alles te gronde richten."

Dat wil echter niet zeggen dat tegen de boosaardigheid en het verkeerde gedrag van zeer slechte mensen en kwade machten uiteindelijk toch ook niet moet worden gegrepen naar uiterst krachtige geweldmiddelen! In de tempel heeft de Heer Zelf immers de gesel gehanteerd tegen al te boze godslasteraars, die het heiligdom van God ontheiligden, en in het Grote Johannes Evangelie worden door Hemzelf nog verschillende voorbeelden genoemd. En daarin maakt Hij de discipelen ook herhaaldelijk overduidelijk kenbaar wanneer overeenkomstig Gods orde zulke harde middelen moeten worden toegepast om het boze en verkeerde te be­strijden.

 

Over de liefde en wijsheid van de hemel

 

Tegen Petrus, voor wie deze kwestie altijd heel belangrijk was en die het voorbeeld van de Heer van de klap op de wang absoluut niet kon begrijpen, wordt gezegd (door de Heer):

"Het is volkomen duidelijk dat men een door en door slecht mens door middel van een te grote wedervriend­schap niet nog meer gelegenheid moet geven kwaadaar­dig te handelen, zodat hij hierdoor nog slechter wordt dan hij al was. In zo'n geval zou een voortdurende welwillend­heid een werkelijke hulp betekenen voor de steeds toe­nemende kwaadaardigheid van de vijand. Met het oog hierop heb Ik echter op deze wereld steeds strenge rechters aangesteld en hun het recht gegeven om de mensen, die te slecht zijn geworden, naar de mate waarin zij het verdiend hebben, te tuchtigen en te straffen. En daarom heb Ik ook het gebod gegeven dat gij de overheid, die over u gesteld is, gehoorzaam zult zijn of zij nu lankmoedig of streng is.

Wie dus zo'n boze vijand heeft, kan zich wenden tot de rechter en hem dat laten weten. En deze zal de kwaadaar­digheid bij de reeds door en door slecht geworden mens wel uitbannen. Lukt dat niet met zuiver lichamelijke tuch­tigingen, dan gaat het uiteindelijk effectief met behulp van het zwaard!

En zo is het ook met een klap in het gezicht. Krijg je die van iemand die op zich genomen niet slecht is, maar die door een plotselinge opwelling in zijn gemoed tot die daad kwam, verweer je daar dan niet tegen, opdat hij door het feit dat je hem geen klap teruggeeft, gekalmeerd wordt. En zonder de rechter erbij te halen zullen jullie daarna weer goede vrienden worden! - Maar als iemand je in grote woede met een verschrikkelijke klap te lijf gaat, dan sta je ook helemaal in je recht je daartegen te verzetten.

O wees er van overtuigd, dat Ik met het prediken van de naastenliefde niet in het minst de macht en het gezag van het zwaard teniet heb gedaan, maar wel tot zo lang deze macht heb afgezwakt, als de vijandelijkheid onder de men­sen niet die graad heeft bereikt, dat men die toestand als een hel kan omschrijven!"

En tegen Lazarus zegt de Heer:

"Neemt allen een voorbeeld aan Mij! Zelf ben Ik in heel Mijn hart nederig en zachtmoedig en oordeel en veroordeel niemand; en een ieder die onder veel lasten en allerlei ge­breken gebukt gaat, kome tot Mij en Ik zal hem verkwik­ken! Zoals Ik echter Zelf ben tegenover alle mensen, zo moeten jullie ook zijn! Of kunnen jullie, Mijn eerste disci­pelen, van Mij zeggen dat Ik hard en wreed ben opgetreden tegen die mensen, die zonder hun schuld als door en door slecht tot Mij werden gebracht?!

Slechts die enkelingen kregen de gestrengheid van Mijn gerechtvaardigde toorn te proeven, die met een kwaadaar­dige en hardnekkige wil Mij en jullie uit de weg wilden rui­men vóór de tijd die van boven is bepaald. Ook hierin gaf Ik een voorbeeld, waarnaar jullie in voorkomende soortge­lijke gevallen kunt handelen; want aan macht hiertoe zal het jullie niet ontbreken. Maar voordat de situatie zo ern­stig is geworden, zullen jullie het op alle mogelijke manie­ren met zachtheid moeten proberen. Pas dan, wanneer de mens u moedwillig slecht bejegent, vervolgt en van geen verzoenend woord wil horen, zal men met ernstiger midde­len moeten optreden."

Het juiste door de Heer gehuldigde principe is kort en bondig in het boek De Jeugd van Jezus weergegeven:

"Wie zonder het te weten kwaad doet, moet gecorrigeerd worden. Evenzo ook hij, die uit nood handelt. Wie echter het goede kent, maar louter moedwillig het slechte doet, is een duivel en moet met vuur worden getuchtigd!"

En over het gebruik van het zwaard wordt hier het vol­gende gezegd:

"Wie het zwaard als een wapen gebruikt, die moet het van zich werpen. Wie het echter als een herdersstaf ge­bruikt, die moet het houden! Want dat is de wil van Hem, aan Wie hemel en aarde altijd moeten gehoorzamen."

In de hof van Gethsémane trad Jezus de gerechtsdiena­ren tegemoet. Hij gaf hun Zijn handen om gebonden te worden en volgde hen naar Zijn vijanden om door het meest volmaakte voorbeeld van Zijn heilige zachtmoedig­heid en liefde de gehele wereld met alle macht van de boze te overwinnen.

 

Hij leed en zweeg!

Zelfs onder helse pijn,

zag Hij hen droevig aan.

Hij leed en zweeg!

Het moest immers zo zijn?

Hij liet hen maar begaan.

Hij leed en zweeg.

Hij voelde scherp Gods beitel.

Hij leed en zweeg

zelfs onder bloedige gesel.

Hij leed en zweeg!

 

Hij leed en zweeg,

belasterd en gehoond,

verachting moest Hij dragen.

Hij leed en zweeg,

met doornen hard gekroond,

door ruwe hand geslagen.

Hij leed en zweeg,

bespuugd in het gelaat.

Hij leed en zweeg

en vergaf het hen.

Hij leed en zweeg!

 

Maria Lutz-Weitmann

 

 

3. Veroordeling

 

De Heer: De tocht ging toen verder over de Kidron door dezelfde poort waar Ik bij Mijn intocht in Jeruzalem ook doorheen was gegaan. De tempelwachters brachten Mij allereerst naar Annas, de schoonvader van de hogepriester Kajafas. Annas was om die reden de eerste waar Ik heen werd gebracht, omdat hij de plaatsvervanger van Kajafas was en zich in deze kwestie steeds heel actief had opge­steld.

De wijze waarop Annas Mij ontving, en ook het gebeuren rond Petrus, is in het Johannes Evangelie beschreven en kan men daar nalezen.

Annas zond Mij geboeid naar Kajafas.

    Judas, die nu merkte dat alles wel heel anders verliep dan hij zich had voorgesteld, zag hoe Ik werd weggeleid en hij volgde verbijsterd en was vol vrees over de goede af­loop van zijn bedoeling. Hij wilde ook met Mij bij de hoge­priester naar binnen dringen, maar de toegang tot de ruim­te werd hem ontzegd.

De gehele Hoge Raad had zich bij Kajafas verzameld, die allang ongeduldig en op wraak zinnend op Mijn komst had gewacht. Daar werd nu formeel de aanklacht tegen Mij ingediend. Er traden getuigen tegen Mij op, die getuigenis moesten afleggen dat Ik schuldig was aan hoogverraad. In dat verband werd met name op de intocht gewezen, als­mede op het feit dat Ik het had gewaagd het heiligdom te betreden en Mij daardoor priesterlijke macht had aange­matigd, die Ik niet bezat. Vervolgens werd er beweerd dat Ik het volk tegen de keizer van Rome wilde opzetten om Mijzelf koning te maken. Toen hiervoor echter getuigen  moesten optreden, die onder ede konden verklaren dat Ik door Mijn woorden van deze bedoelingen blijk had ge­geven, waren die er niet. Tenslotte traden er getuigen op die vertelden dat Ik had gezegd: "Breek deze tempel af, en in drie dagen zal Ik hem weer opbouwen!"

Kajafas zei toen dat dit smaad was tegen de tempel zelf en tegenover God. Want om dit te volbrengen was godde­lijke macht nodig, waarover alleen de Gezalfde van de Heer, die eens met macht zou komen, zou kunnen beschik­ken. Ik zou echter hebben gezegd dat Ik Christus, de Ge­zalfde ben en dus bezwoer hij Me te zeggen of Ik werkelijk de Christus, Gods Zoon, was.

Daarop antwoordde Ik: "Gij zegt het! - Doch Ik zeg u: van nu aan zult gij de Zoon des mensen zien, gezeten aan de rechterhand van de Macht en komende op de wolken des hemels."

Toen scheurde de hogepriester zijn klederen en sprak: "Hij heeft God gelasterd! Waartoe hebben wij andere ge­tuigen nodig?! Gij hebt zijn godslastering gehoord!"

Natuurlijk stemden allen meteen in. Want in de Raad waren slechts die mensen bijeen gekomen, van wie Kajafas wist dat ze hem waren toegedaan en overeenkomstig zijn wil handelden. Aan degenen die Mij op de een of andere manier vriendelijk gezind waren, was van het plan Mij ge­vangen te nemen niets meegedeeld. Zo kwamen ze dan ook snel tot hun doodvonnis. En het ging er nu alleen nog om de goedkeuring van Pontius Pilatus te krijgen.

Vroeg in de ochtend werd Ik naar hem gebracht en werd de zaak aan de stadhouder voorgelegd: Ik was een oproer­ling en een godslasteraar en moest om die reden ter dood worden veroordeeld. Pontius Pilatus, die goed op de hoog­te was van Mijn intocht, maar die vond dat daarin niets was dat op een oproer wees, probeerde Me te redden, om­dat hij als Romein geneigd was in Mij een soort halfgod te zien, die over bijzondere krachten beschikte. Hij onder­hield zich met Mij, zoals in het evangelie van Johannes is te lezen, en zei tegen de tempeldienaren die voor het ge­rechtsgebouw stonden dat hij geen schuld in Mij vond.

Daarop trad een van de hogepriesters naar voren en ver­klaarde nogmaals dat Ik door het land was getrokken en tegen de tempel en zijn dienaren had gepredikt, mensen die toch het hoogste geestelijke gezag in het land vertegen­woordigen en plaatsvervangers van God zijn.

Bij die gelegenheid werd ook gezegd dat Ik uit Galilea kwam.

Toen Pilatus die laatste mededeling hoorde was hij blij en zag hij een mogelijkheid om van de hele zaak af te ko­men. Galilea stond namelijk onder het hoogste gezag van Herodes en daarom kon ook slechts hij in dit geval een vonnis uitspreken. Pilatus maakte dus kort een einde aan het verhoor en gaf opdracht Mij naar Herodes te sturen om hem recht te laten spreken over een van zijn onder­danen.

Herodes was bijzonder verheugd dat men Mij bij hem bracht, omdat nu zijn wens Mij persoonlijk te ontmoeten werd vervuld; nu kon hij er zich tevens van overtuigen wat er waar was van de vele geruchten over Mijn wonderbaar­lijke krachten. Hij liet Mij direct bij zich komen en de mensen in zijn nabijheid moesten ons alleen laten.

Wij bleven alleen. Hij sprak er zijn verwondering over uit dat iemand als Ik, die toch over bijzondere krachten beschikte, zich gevangen had laten nemen en hij wilde weten hoe dat had kunnen gebeuren. Ik gaf hem echter geen antwoord, zodat hij hierover in verlegenheid werd gebracht en met aandrang een antwoord van Mij verlangde. Door Mijn aanhoudende zwijgen raakte hij steeds meer ontstemd en hij werd tenslotte zo kwaad dat hij op Mij toe­kwam en Mij met foltering dreigde.

Ik keek hem alleen maar kalm aan en de oude zondaar begon onder deze blik, die hem diep in zijn hart trof, zo erg te trillen dat hij angstig naar mensen in zijn omgeving riep. Hij voelde zich vreselijk onbehaaglijk in Mijn aanwezig­heid. En om zijn angst te verbergen bespotte hij Me nu in het bijzijn van zijn hofhouding; vanzelfsprekend vielen zij de heerser direct in zijn spotternij bij.

Herodes zag nu dat hij in zijn hoop bedrogen uitkwam om door Mijn bovennatuurlijke macht iets voor zichzelf gedaan te krijgen, en hij wilde nu in ieder geval zoveel mogelijk profijt uit de hele zaak halen. Daarom beval hij Mij weer naar Pilatus terug te sturen, waarbij hij te kennen gaf dat hij zich graag onderwierp aan het hoogste gezag van Rome en er daarom vanaf zag over een van zijn onder­danen recht te spreken, die, volgens een uitspraak van de tempel, zich ook tegen het hoogste gezag van Rome wilde verzetten.

Gekleed in een wit gewaad, dat Herodes Me als teken van onderwerping liet aantrekken, kwam Ik bij Pilatus terug, die niet bijster was te spreken over Mijn terugkomst, maar wel over de wijze waarop Herodes had gehandeld, zodat het later ook tot een volledige verzoening tussen beide machthebbers kwam.

Ondertussen was Pilatus door zijn vrouw gewaarschuwd, die in een droom had gezien hoe de goeden en de bozen door de Zoon werden gescheiden, en daarop probeerde hij Me vrij te krijgen. Hij kwam op de gedachte het volk voor te stellen Mij vrij te laten; met Pasen was het namelijk ge­bruik een misdadiger, voor wie het volk zich uitsprak, vrij te laten. De priesters en de tempeldienaren hadden echter hun hele aanhang op de been gebracht en deze stonden thans voor het gerechtsgebouw, terwijl van het overige volk niemand werd vrijgelaten; zodoende bevond de geïnti­mideerde volksmassa die Mij trouw was zich niet in de directe nabijheid, maar alleen deze tempelkliek, die erop uit was Mij uit de weg te ruimen, welk doel ze uit alle macht probeerde te bereiken.

Omdat Barabbas bij de tempel goed stond aangeschre­ven, werd op de vraag van de stadhouder welke gevangene hij moest vrijlaten direct volgens afspraak "Barabbas!" ge­roepen, en geëist dat Ik gekruisigd zou worden, waarbij steeds werd benadrukt dat Ik een oproerling en tegen de keizer was.

Pilatus wist niet meer hoe hij zich eruit moest redden, en ofschoon er voldoende beschuldigingen tegen Mij waren ingebracht, kon hij voor zichzelf de schuldvraag niet be­vestigend beantwoorden. Hij dacht nu door Mij te geselen Mij voldoende straf op te leggen, en kondigde die straf ook af. En daarom werd Ik toen gegeseld.

Nadat deze straf was voltrokken, voerden de knechten Mij, in de meest deerniswekkende toestand in een purper mantel en met een doornenkroon op het hoofd naar buiten. Pilatus hoopte dat de Joden door deze aanblik medelijden zouden krijgen, zodat hij Mij zou kunnen vrijlaten.

    Maar het hart van de Joden bleek harder dan steen en wederom schreeuwden ze: "Kruisig hem! Kruisig hem!"

Pilatus herhaalde dat hij geen schuld in Mij vond, waar­voor hij de doodstraf kon geven, en dat Ik nu wel voldoen­de was gestraft.

De meest verbitterde Farizeeën en overpriesters die voor­aan stonden schreeuwden toen: "Hij moet sterven, want hij heeft God gelasterd! Hij heeft zichzelf Gods Zoon ge­maakt! En naar onze wet moet degene die God lastert sterven!"

Pilatus schrok nog meer toen hij dit hoorde, want aan zijn opvatting die hij er als Romein op na hield, dat Ik een halfgod kon zijn, werd opnieuw voeding gegeven. Daarom ging hij weer het huis binnen, waarin de knechten Mij eveneens hadden teruggebracht en vroeg Mij waar Ik van­daan kwam, dat wil zeggen, wat Mijn afkomst was en uit welk land Ik kwam, omdat hij Mij wilde geloven en niet Mijn aanklagers.

Ik antwoordde hem echter niet zoals Johannes in zijn evangelie vermeldt en bij hem vinden we ook een beschrij­ving van de gebeurtenissen zoals die zich daarna afspeel­den.

Pilatus die nu bang was geworden - want hij kende de tempel en wist dat diens vertegenwoordigers tot alles in staat waren als het erom ging iets door te drukken - wilde daarom een eind aan de zaak maken en ging op de rechter­stoel zitten - een ceremonie die bij de Romeinen gebruik was als er een onherroepelijk vonnis werd uitgesproken. Hij toonde Mij nogmaals aan het volk en vroeg wie hij moest vrijlaten.

De menigte schreeuwde wederom "Barabbas!"

    Daarom werd nu deze gevangene opgehaald om hem in vrijheid te stellen. Pilatus wees vervolgens naar Mij en sprak: "Zie, hier is uw koning! - Wat moet ik met hem doen?"

De menigte schreeuwde wederom: "Kruisig hem!" ­Pilatus antwoordde spottend: "Moet ik uw koning krui­sigen ?"

Daarop trad een van de hogepriesters naar voren en zei heel nadrukkelijk: "Wij hebben geen koning, alleen de kei­zer! Deze echter is tegen de keizer en heeft zichzelf tot koning gemaakt. Hij is schuldig!"

    Op ernstige toon zei Pilatus toen: "En als nu toch on­schuldig bloed vergoten wordt?"

"Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen!", riep de hogepriester met luide stem. En zijn aanhangers vielen hem luidruchtig bij, deze uitroep vele malen herhalend.

Pilatus zag toen in dat hij Mij niet kon helpen, zonder zichzelf daarbij grote moeilijkheden op de hals te halen. Ook was hij bang dat het Romeinse aanzien er onder zou kunnen lijden als hij teveel tekenen van zwakte zou tonen. Om een uiterlijk teken te geven dat hij zich niet verant­woordelijk voelde, waste hij voor het gehele volk zijn han­den en zei: "Ik ben onschuldig aan het bloed van deze rechtvaardige! Want naar onze wet heeft hij niets misdaan. Maar zoals gij zegt is het mogelijk dat dit naar uw wet an­ders ligt. - En daarom stel ik hem nu onder uw wet!"

Hierop gaf hij Mij over aan de tempelwachters die klaar­stonden, en die Mij meteen in hechtenis namen. Op hetzelf­de moment werd de moordenaar en straatrover Barabbas vrijgelaten en stormachtig door het volk toegejuicht.

 

De tempel ten tijde van Jezus

 

In het Grote Johannes Evangelie lezen we op meerdere plaatsen hoe het met de tempel ten tijde van Jezus was gesteld. Zo wordt er een volksoploop geschilderd, waarbij de Heer zich met Zijn discipelen en een schare schriftge­leerden en Farizeeën in het huis van een visser bevond, dat tot in de verre omtrek door een grote menigte was om­geven. In dit huis werd door het opengebroken dak een jichtlijder naar beneden gelaten om te worden genezen. Het komt tot een woordenwisseling tussen een van de man­nen die de zieke aandragen en de tempeldienaren, die pro­testeren tegen het openbreken van het dak als een over­treding van de sabbatsvoorschriften.

    De leider van de groep antwoordt de protesterende tem­peldienaar overeenkomstig de volksaard en vervolgt:

       "Mozes en alle profeten zijn voor mij zeer verheven en goddelijk wijs! Maar jullie voorschriften, waarover Mozes en alle andere profeten ook nooit maar iets hebben ge­droomd, vind ik buitengewoon dom! Hoe dienen jullie God?! Mest en vuil verbranden jullie op het aan God ge­wijde altaar, en de vette ossen, kalveren en rammen eet je zelf op en je offert ze aan jullie buik, die nooit gevuld raakt. Het goddelijk zuivere van jullie leer heb je verworpen. En wie onder jullie het nu durft het zuivere te onderrichten, behandel je zoals jullie al je profeten behandeld hebt! ­

Hoe lang is het dan geleden dat jullie Zacharias in de tem­pel vermoord hebben? - Zijn zoon Johannes predikte te Bethabara de waarheid en riep jullie misdadigers in het heiligdom van God op tot boete en tot terugkeer tot Mozes en zijn zuivere leer. Wat deden jullie met hem?! Waar kwam hij terecht?! Hij verdween! Zover ik weet is hij 's nachts door boosaardige beulsknechten opgepakt!

En nu is hier in Nazareth Jezus als profeet door God ge­roepen en doet dingen, waartoe alleen de almachtige go­den in staat zijn - en jullie slaan hem met argusogen gade! Wee hem, als hij het zou wagen om net als ik zich ook maar één woord te laten ontvallen tegen jullie en tegen jullie leer, die niets met die van Mozes te maken heeft! Jullie zouden hem meteen van de ergste misdaad, die van godslastering, beschuldigen en hem uit dankbaarheid dat hij jullie doden opwekte en jullie kreupelen genas, stenigen of zelfs aan het kruis binden! Want het gaat jullie om het heersen en daarnaast zo plezierig mogelijk te leven en je buik vet te mesten! Wie jullie daarin beperkingen wil op­leggen en jullie terug wil voeren tot Mozes, is jullie vijand en jullie beschikken over voldoende middelen om hem uit de weg te ruimen!

Ik ben een heiden - en zelfs ik herken hier in de mens Jezus de meest zuivere kracht van God, en wel in zo'n mate als men tot nu toe op aarde nog nooit heeft meegemaakt! Maar wat zien jullie in Jezus, die louter door het woord alleen zonder één enkel geneesmiddel jullie doden opwekt en onze kreupelen weer doet huppelen als jonge herten?! Ik vraag jullie, blind als je bent: Wie moet degene dan wel zijn die slechts één simpel woord zegt en storm en wind gaan liggen, de doden staan op en de lammen gaan weer lopen?!"

Een van de Farizeeën richtte zich tot de Heer en zei: "Hoe kunt gij als echte Jood zwijgen als zo'n ellendige hei­den, voor wie u goed bent geweest, hier de brutaliteit heeft om de heilige leer van onze vaderen zo schandelijk te be­spotten?!"

De Heer antwoordde hem: "Hij bespotte Mozes noch de profeten, maar alleen jullie nieuwe voorschriften! Waarom moet Ik hem dan terechtwijzen?! Jullie kennen de schrift en kennen Mozes en de profeten! Vraag jezelf echter af of er in de tempel ook nog maar één spoor van Mozes en al de andere profeten te vinden is?! Ik was dit jaar toch Zelf in Jeruzalem en heb tot Mijn grote ergernis gezien hoe het bedehuis van God in een moordenaarshol is veranderd!

De voorhoven staan vol met slachtvee en ook andere on­reine dieren, die verkocht worden, zodat de mensen niet zonder gevaar voor eigen leven zelfs maar de tempel kun­nen bereiken. In de voortempel wordt aan de ene kant geslacht alsof het een slachthuis is en wordt er vlees ver­kocht; aan de andere kant staan de tafels van de makelaars en de wisselaars en daar is het zo'n lawaai en geschreeuw, dat vrijwel niemand zichzelf kan verstaan. Komt men ver­volgens in de eigenlijke hoofdtempel, dan kan men zich niet verroeren vanwege de duivenverkopers en andere schreeuwers, die allerlei vogels te koop aanbieden! En in het Heilige der Heilige, waarin overeenkomstig het voor­schrift van God alleen de hogepriester één keer per jaar mocht komen, wordt nu tegen betaling zelfs iedere heiden rondgeleid; natuurlijk wel in het geheim onder het zegel van zwijgzaamheid tegenover de Joden! Maar in Rome kent men het Heilige der Heilige even goed als de hogepriester in Jeruzalem! En op die manier onthult men voor geld alle geheimen van de tempel aan vreemdelingen. Als een arme Jood het evenwel waagt achter het voorhangsel te komen, dan wordt hij meteen als een godslasteraar en tempel­schender achter de tempelmuur op de vervloekte plaats gestenigd. En er gaat geen week voorbij of er wordt wel iemand gestenigd of een paar moeten het vervloekte water drinken! Kortom, het bedehuis van God is een verschrikke­lijk moordenaarshol geworden, en de geest van Jehova is niet meer als een vuurzuil boven de oude ark van het ver­bond aanwezig!

Daar jullie echter net zo goed als Ik en vele duizenden anderen weten hoe het er thans met de tempel voorstaat, en daarbij ook weten wat Mozes en de profeten zoal ge­leerd hebben - hoe is het dan met jullie geloof in God ge­steld, nu jullie zo goedkoop Gods woord verwerpen? Met brutale en hoogmoedige verwaandheid verkondigen jullie je eigen slechte voorschriften aan het arme, blinde volk als ingevingen van Gods geest! Daarbij spoort u hen met alle verschrikkingen van de dood aan deze op te volgen en er­naar te leven!

De dode letter kennen jullie goed. Daarin is God echter niet te vinden en daarom kunnen jullie God ook niet uit de Schrift kennen! Want de Schrift wijst de weg tot God alleen dan wanneer men deze weg in alle omstandigheden bewandelt. Maar jullie willen God niet kennen. En degenen die nog de goede weg zouden willen gaan, wordt de weg versperd met dood en verderf!

Daarom zullen jullie eens in het andere leven ook des te meer verdoemenis ondervinden! Want allen die jullie ver­volgd hebben en nu nog steeds blijven vervolgen, zullen je eeuwige rechters zijn!"

 

De hel als de laatste beproeving

 

Reeds voor Zijn gevangenneming had de Heer Zijn disci­pelen meer dan eens voorbereid op de wraak van de tempel en Hij had hen ook de redenen uiteengezet waarom dit moest gebeuren.

Op een dag deelde Hij hen mede:

    "Op de Olijfberg heb Ik u al eens laten weten, dat Ik zal toelaten dat binnen niet al te lange tijd de mensen Mij gevangen nemen en Mijn lichaam doden, hetgeen geschiedt tot oordeel van de misdadigers en tot heil van de Mijnen; als een laaghartige misdadiger zal Ik aan het kruis ter dood gebracht worden. Wanneer u dan hierover hoort spreken, neem dan geen aanstoot aan Mij, maar blijf in het geloof in Mij en in de liefde voor Mij. Hierdoor zul je in hoge mate deelhebben aan Mijn verlossingswerk, waarbij Ik de mens van de oude en knellende banden der zonde en het dodelijk bijgeloof verlos!

Ik zeg het u en alle anderen nog eens, opdat niemand zich zal ergeren en in zijn geloof wankelmoedig zal worden. Want hoewel dit lichaam van Mij door de misdadigers ter dood zal worden gebracht, zal Ik echter reeds op de derde dag het gedode lichaam doen herleven, en Ik zal als een eeuwige overwinnaar over de dood en elk oordeel opstaan.

Ik zal dan weer tot u komen en u de kracht van Mijn geest en Mijn wil schenken, opdat u voor eeuwig werkelijk levend en gelukzalig zult zijn. - Ik zeg u dit reeds vooruit met grote beslistheid, opdat, wanneer dit eens zal gebeuren, er niemand onder u is die aanstoot aan Mij zal nemen.

Ik zeg u echter ook nog iets anders, omdat u bij uzelf denkt: "Ja, moet dit dan op die manier gebeuren? Heeft Hij dan als de alwijze en almachtige Heer van hemel en aarde in ernst geen ander middel de vele godslasteraars te be­dwingen en hen die in Hem zijn blijven geloven zalig te maken?"

Luistert allen wat Ik u hierop te zeggen heb: Op zich ge­nomen wil Ik niet dat het op die manier gebeurt, en Ik be­schik ook over middelen en wegen om Mijn kinderen, ook zonder datgene wat moet gebeuren, te verlossen en geluk­kig te maken. Maar de boosaardige mensen willen het zo. En daarom laat Ik het dan ook toe, opdat juist hierdoor ook veel boosdoeners zich tot berouw, boete en een waar­achtig geloof tot Mij zullen bekeren! - Want het gebroed in de tempel zegt en schreeuwt het immers aan één stuk door: laten we hem gevangen nemen en doden! Als hij weer uit het graf zal opstaan, dan zullen ook wij in hem geloven! Ze willen Me dus gebruiken als een laatste toets. En daarom wordt het toegelaten! Er zullen daardoor velen, die thans nog stekeblind zijn, ziende worden en in Mij gaan geloven. Maar de door en door slechten zullen juist hier­door hun maat der zonde volmaken en hun gericht en eeuwige dood over zich afroepen. Gij echter, verheugt u en weest getroost! Als Ik weer uit het graf zal opstaan, zal Ik tot u komen en Ikzelf zal u overtuigen van hetgeen Ik nu tot u gesproken heb."

 

"Mijn Rijk is niet van deze wereld"

 

"Mijn Rijk is niet van deze wereld!" Dit kon Jezus met recht tegen Pilatus zeggen. En ook al eerder had Hij dit dikwijls aan Zijn discipelen en aan anderen die tot Hem kwamen duidelijk gemaakt. Want niet alleen Judas, maar ook anderen, die in hun aardse streven gevangen zaten, verwachtten of vreesden van Hem de stichting van een aards rijk, naar het model van de groten en machtigen van deze wereld.

Zo had de Heer reeds direct aan het begin van Zijn werkzaamheid als leraar over dit punt een veelbetekenend onderhoud met een Samaritaanse koopman genaamd Jairuth.

Jairuth: "Gij zijt dus degene, over wie men mij verteld heeft dat hij de Messias is en dit door wonderbare daden bewijst!? Men vertelde mij ook over een harde prediking die u op de berg Garizim gehouden zou hebben en waaraan zich velen hebben gestoten, omdat deze geheel tegen de wetten van Mozes indruiste! Welnu, het verheugt me dat u mij opzoekt en ik hoop u nog nader te leren kennen. Weet u, ik sta niet afwijzend tegenover deze gedachte en geloof stellig dat de Messias zal komen! Voor zover ik het kan be­kijken is die tijd nu wel ongeveer gekomen, want de onder­drukking van de Romeinen is haast niet meer uit te houden! En waarom zou u niet de verwachte Messias kunnen zijn?!

Als u zich van uw kracht bewust bent en naar behoren in staat bent u als Messias overal te presenteren, dan sta ik onmiddellijk met mijn gehele aanzienlijke vermogen tot uw dienst. Deze romeinse zwijnen uit het heidense Westen behoren spoedig het land van onze vaderen te verlaten! Want u moet weten dat ik vanaf mijn jeugd al mijn inspan­ningen slechts daarop heb gericht om zoveel mogelijk rijk­dommen te vergaren ten behoeve van de Messias die we verwachten, opdat daarmee een groot leger van heel dap­pere en vermetele soldaten tegen een goed soldij gekocht kan worden! Ik heb ook al contact opgenomen met menig dapper volk uit Achter-Azië. En er zijn slechts enkele bood­schappers nodig en binnen enkele maanden staat er een vreselijk sterke legermacht in deze landstreek! - We hoe­ven er hier nu niet verder meer over te praten! In mijn huis kunnen we dit verder bespreken."

Bij de middagmaaltijd, waarbij de aandacht van de koop­man wordt getrokken naar enkele dienende engelen van de Heer in de gestalte van mooie jongelingen, antwoordt de Heer de goedbedoelende maar in wereldse begrippen ge­vangen zittende Jairuth:

"Goede vriend! Kijk naar Mijn engel jongelingen daar! Ik zeg je: Daarvan heb Ik er zo veel dat zij op duizenden aardbollen geen plaats zouden kunnen vinden en één van hen zou voldoende zijn om het gehele romeinse rijk in drie tellen te vernietigen. Maar hoewel jullie Samaritanen een beter geloof hebben dan de Joden, hebben jullie toch net als de Joden een volledig verkeerde voorstelling van de Messias en Zijn rijk.

De Messias zal wel een nieuw rijk op deze aarde stich­ten, maar - bedenk dat goed! - geen materieel rijk met kroon en scepter, maar een rijk van de Geest, de Waarheid en de ware Vrijheid onder de alleenheerschappij van de Liefde!

De wereld zal echter zijn geroepen dit rijk binnen te gaan. Zal ze aan de roep gehoor geven, dan zal het eeuwige leven haar loon zijn. Indien zij echter geen gehoor geeft aan de roep, zal ze weliswaar blijven zoals ze is, maar uit­eindelijk zal de eeuwige dood haar deel zijn!

De Messias als Mensenzoon is niet gekomen om over deze wereld te oordelen, maar alleen om allen die nu in de duisternis van de dood wandelen, uit te nodigen voor het rijk van de liefde, het licht en de waarheid!

Hij kwam niet op deze wereld om voor jullie terug te winnen wat jullie vaders en koningen aan de heidenen ver­loren hebben, maar alleen om jullie terug te geven wat Adam verloren heeft voor alle mensen, die ooit op deze aarde hebben geleefd en nog zullen leven!

Tot nu toe is nog geen enkele ziel, die het lichaam ver­liet, uit de aardesfeer weggenomen. Ontelbaar velen, te be­ginnen bij Adam, smachten tot dit moment nog in de aardse nacht. Pas van nu af worden ze vrij! En wanneer Ik ten hemel zal varen, zal Ik voor allen de weg van de aarde naar de hemel openen en ze zullen allen langs deze weg het eeuwige leven binnengaan!

Kijk, dat is het werk dat de Messias moet volbrengen en niets anders! En je hoeft jouw strijders uit Achter-Azië niet te roepen omdat Ik ze nooit nodig zal hebben. Maar geeste­lijke arbeiders zal Ik voor Mijn rijk veel nodig hebben en deze zal Ik Zelf daarvoor klaarmaken."

In het Grote Johannes Evangelie vraagt een romeinse hoofdman de Heer naar de toekomst van Zijn leer, waarop deze hem over belangrijke dingen onderricht.

De hoofdman: "Hoe Uw waarlijk heilige leer langs een weg, die vrij van hindernissen is, weet door te breken in de nacht, waarin de mensheid thans is begraven, is mij nog even onduidelijk als vroeger! Langs de weg van wonderen alleen zou de mens er, naar Uw eigen zeggen, niet veel baat bij hebben, omdat ze op die manier van de mens, die vrij behoort te zijn en te worden, slechts machines zou maken; langs de geheel natuurlijke weg zal dit echter veel bloed kosten en zal het erg lang duren! Ja, ik zou haast met zeker­heid willen beweren, hoewel ik niet over profetische gaven beschik, dat, zoals ik de mensheid wijd en zijd in Azië, Afrika en Europa behoorlijk ken, vanaf nu gerekend over 2000 jaar nog lang niet de helft van de mensen die op aarde leven zich zal koesteren in het licht van Uw leer! - Heb ik het juist of niet?"

De Heer: "In wezen heb je beslist geen ongelijk. Maar algemeen gesproken is het ook niet zo belangrijk als jij denkt; want het gaat hier niet zozeer om de meest algemene acceptatie van Mijn leer op deze aarde, maar veeleer om de brug, die eindelijk is geslagen tussen deze stoffelijke en gindse geestelijke wereld, waarvan de eeuwige gebieden zich aan gene zijde van het graf bevinden! Dit is geschied door Mijn komst op de aarde en door Mijn woord en Mijn leer. Wie Mijn leer op aarde in alle ernst aanvaardt, zal reeds in zijn stoffelijk leven over deze brug kunnen gaan; wie echter op aarde lauw staat tegenover Mijn leer, deze slechts voor een deel of helemaal niet wil aanvaarden, zal in een duistere nacht in de wereld aan gene zijde komen, en het zal hem heel moeilijk worden om deze brug te vin­den! Degenen die echter nooit in staat zijn geweest nog tijdens hun aardse leven iets omtrent Mijn leer te verne­men, zullen in het hiernamaals leiders krijgen, die hen naar deze brug zullen leiden. Wanneer de geesten, die nog on­wetend zijn aangaande Mijn leer, de leiders volgen, dan zullen zij ook over deze brug komen tot het ware, eeuwige leven; houden ze echter hardnekkig aan hun leer vast, dan zullen ze hun levenswandel volgens hun leer louter als schepsel worden geoordeeld en zij zullen het kind schap Gods niet verkrijgen!"

"Wie derhalve Mijn woord geheel en al in zich opneemt en er zonder ervan af te wijken naar handelt en leeft, neemt daardoor Mij Zelf met al Mijn liefde, wijsheid, macht en kracht op en is daardoor een waarachtig kind van God ge­worden, aan wie de Vader in de hemel niets zal onthou­den van wat Hij heeft! De heilige Vader kan niet meer doen dan dat Hij Zich in Mij, Zijn Zoon, Zelf lichamelijk open­baart en van u, onder het oordeel vallende schepselen, volmaakt vrije goden maakt en u bijgevolg Zijn vrienden en broeders noemt!

Bedenk altijd door Wie je dit nu wordt geopenbaard en wat je met deze openbaring ten deel valt; je zult dan niet meer in verzoeking komen door de stoffelijke wereld en je zult er gemakkelijk over zegevieren, wat des te noodzakelij­ker is, want als je niet in jezelf de wereld volledig hebt overwonnen, is het onmogelijk kinderen van de Vader in de hemel te worden!"

 

Leer mij, o Heer, Uw lijden betrachten,

in deze zee verzinken mijn gedachten:

O liefde, die om zondaars te bevrijden

zo zwaar moest lijden.

 

Hoor 'k ooit uw kruis door wereldwijzen doemen,

een ergernis of een dwaasheid noemen,

maar dat het mij,

wie ooit er spot mee drijve,

Gods wijsheid blijve.

 

Christian Fürchtegott Gellert (1715 - 1769)

 

(Vertaling: Pieter Leonard van de Kasteele 1748 - 1810)

 

 

4. Kruisiging

 

De Heer: De tempel had schijnbaar gezegevierd en haastte zich het uitgesproken doodvonnis zo snel mogelijk uit te voeren.

Bij de Romeinen was het gebruik dat elke misdadiger, die tot de kruisdood was veroordeeld, zelf zijn kruishout tot aan de plaats van de terechtstelling moest dragen. En dikwijls, als de krachten hem ontbraken, werd hij op de meest gruwelijke wijze gepijnigd om deze straf ten uitvoer te brengen. Ook Mij bleef dit niet bespaard; al gauw stroomden de laatste krachten echter weg uit Mijn volledig uitgeputte lichaam, zodat Ik verschillende keren op de grond viel.

Simon van Cyrene, een aanhanger van Mijn leer en daar­om goed bekend bij de priesters, kwam de stoet tegen en zag vol ontzetting en medelijden in wat voor beklagens­waardige toestand ik verkeerde.

Een van de tempeldienaren riep honend naar hem: "Kijk daar eens naar jouw grote meester, die zichzelf niet eens kan helpen! Nu komt al zijn bedrog jammerlijk aan het licht!"

Simon reageerde verontwaardigd en zei met een voor­spellende geest: "Jullie zullen nog het uur vervloeken waarin jullie dit hebben gedaan! Ik zou willen dat ik mijn Meester kon dienen, opdat deze smartelijke weg wat ge­makkelijker voor Hem zou kunnen worden!"

"Dat zul je ook!", riepen verscheidene priesters kwaad. "Want omdat jij met verachting durft te spreken over het­geen de tempel doet, leggen we jou als straf op: je moet het kruis van je meester dragen!"

Toen Simon dit hoorde kwam hij blij toegesneld, nam het zware kruis op zijn sterke schouders en hij reikte Mij als steun nog zijn hand, omdat Ik op de grond lag. Ik liet Mij door hem helpen en Simon werd zo in zijn kracht ge­sterkt, dat het niet moeilijk voor hem was de zware last te dragen.

Al Mijn naaste vrienden, die tijdens de berechting niet bij het gerechtsgebouw hadden kunnen komen, hadden Mij echter gevolgd. Ook velen uit het volk, dat geïntimi­deerd op grote afstand had gestaan toen de aanhang van de tempel "Kruisig hem!" had geschreeuwd, kwamen nu dichterbij. Deze menigte die Mij goedgezind was nam meteen een dreigende houding aan toen de stoet de poort naderde waar een groot plein plaats bood aan veel mensen. De Farizeeën hadden zoiets echter wel gevreesd en hadden daarom een tamelijk grote groep romeinse soldaten laten komen, die de stoet opwachtte bij de poort die naar Golgo­tha voert, om de orde te handhaven.

Toen de mensen die Mij goedgezind waren merkten dat Ik reddeloos verloren was en dat een gewelddadige bevrij­ding uit de handen van de gerechtsdienaren van de tempel onmogelijk was, ontstond een groot geweeklaag, waarin met name de vrouwen bijvielen.

Ik wendde Me daarom tot degenen die het dichtst bij Mij stonden en zei hen: "Weent niet over Mij, maar over uzelf en uw kinderen! Want hen zal het nog erger vergaan dan wat er nu met Mij gebeurt! Ik ga op tot Mijn Vader; zij zul­len echter niet weten waarheen zij gaan!"

Toen men Mij had weggeleid naar Golgotha, de toen­malige algemene plaats van de terechtstellingen in Jeruza­lem, kwam Judas Iskariot in uiterste vertwijfeling aange­rend en probeerde het kordon te doorbreken, dat de tempelwachters rond deze plek hadden gevormd. Hij werd evenwel met geweld teruggedreven en bleef met een wezen­ loze blik in de ogen in de buurt staan, nog altijd hopend dat er iets buitengewoons zou gebeuren, waardoor Ik be­vrijd zou worden.

Tijdens Mijn veroordeling was hij steeds in de buurt ge­weest. En hoe meer het hem duidelijk werd dat Ik hier óf aan het eind van Mijn krachten was, óf deze niet door Mij gebruikt zouden worden, des te groter was zijn angst ge­worden.

Uiteindelijk haastte hij zich terug naar de Hoge Raad en wilde het geld teruggeven, waarbij hij zei dat hij onschuldig bloed had verraden en zichzelf heel veel verwijten maakte. Vol spot werd hij echter afgewezen met de opmerking dat hij zelf maar moest zien hoe hij met zichzelf in het reine kwam. In grote wanhoop gooide hij het geld in de aalmoe­zenbak van de tempel, zich nog altijd vastklampend aan de geringe hoop dat Ik Mezelf uiteindelijk toch nog zou be­vrijden voordat het ergste zou gebeuren.

Toen hij echter zag hoe Mijn lichaam op de grond gewor­pen en op het kruis werd gelegd en de hamerslagen hoorde, die de spijkers door Mijn vlees in het hout dreven, slaakte hij een luide kreet en rende ijlings weg. Zonder ook maar een moment achterom te kijken rende hij door naar een eenzame streek, waar hij zich met zijn gordel aan een wilge­boom ophing. Zijn vergissing, zijn geldzucht en zijn egoïsme kwamen hem duur te staan. Wat er daarna met Judas is gebeurd, zal later nog eens aan de orde komen. Zijn lijk dat van de boom naar beneden was gevallen en door de honden en jakhalzen was aangevreten, werd pas een aantal dagen na zijn dood gevonden. Op dezelfde plek werd hij ook begraven.

Er staat verder geschreven dat er een duisternis intrad toen Mijn lichaam aan het kruis hing. Ja, er viel een grote duisternis over Jeruzalem; dat was echter geen uiterlijke, maar een innerlijke duisternis - het was alsof eenieder voelde dat hij iets had verloren, zonder te weten wat dit was. En zelfs de hogepriesters, schriftgeleerden, Farizeeën en tempeljoden, die toch heel erg naar Mijn dood hadden verlangd, ondervonden geen voldoening en vreugde van hun daad.

Dat was ook de reden dat vanuit de tempel geen stappen werden ondernomen tegen Mijn discipelen en directe ver­wanten, ook niet tegen Nicodemus, Jozef van Arimathea en Lazarus, die allen met biddende harten naar Mijn kruis gingen en in het laatste levens uur aanwezig waren. Het was hoofdzakelijk te danken aan de achting die Nicodemus als lid van de Hoge Raad genoot, dat de Mijnen toestemming kregen heel dicht in de buurt te blijven, terwijl verder de plek door de soldaten werd afgezet en niemand werd toege­laten.

Afgezien van Johannes waren echter de discipelen die Mij het meest na waren niet aanwezig, zoals Ik vroeger ook reeds verscheidene keren had voorspeld. De Herder was geslagen en daarom verspreidden de schapen zich. Na Mijn gevangenneming was er een deel naar Lazarus ge­vlucht en een ander deel was bij vrienden ondergedoken, die hen verborgen hielden.

Alleen Johannes durfde zich overal in het openbaar te laten zien en was voor de moeder van Mijn lichaam Maria, een steun en troost.

Petrus, die na zij n val door een intens berouw was aange­grepen, volgde weliswaar heimelijk de stoet die Mij door de straten van Jeruzalem van de ene naar de andere bevel­hebber voerde; hij bleef echter op grote afstand van alle andere broeders, omdat hij in zijn ziel de behoefte voelde alleen te zijn en de betekenis van Mijn werkzaamheid hem nu pas helemaal duidelijk werd. Hij begreep het wezen en het doel van Mijn aardse heengaan en was ook volledig doordrongen van de noodzaak hiervan, evenals van Mijn voorspelde opstanding.

Op het moment dat Mijn ziel zich van het lichaam los­maakte, ontstond er een aardbeving. Maar dat was weer een verschijnsel dat niet zozeer de aandacht trok, omdat in de tijd dat Ik leefde in die streek de onderaardse krachten van het dal van de Jordaan nog veel vaker zich bemerkbaar maakten dan thans het geval is. Dat dit verschijnsel echter werkelijk met Mijn dood te maken had, kwam niet bij de verharde Joden op.

Het is ook waar dat in de tempel het voorhangsel scheur­de als een uiterlijk teken dat er nu geen belemmeringen meer bestonden om de allerheiligste ruimte van het hart van de Vader binnen te treden, ja, dat ieder mens er bin­nen mag gaan om aldaar het eeuwige leven te ontvangen. Maar ook dit verschijnsel, ofschoon wonderlijk, baarde verder geen opzien. De dienstdoende priesters hingen het voorhangsel weer op, en daarmee was de zaak afgedaan.

Verder wordt ons overeenkomstig de waarheid bericht, dat de zon haar schijnsel verloor. Weliswaar trad de duis­ternis niet volledig in. Het is echter bekend dat in erg war­me landen aardbevingen zich soms door een sterk betrek­ken en verdonkeren van de atmosfeer aankondigen, waar­door de zon aan glans verliest. Iets soortgelijks gebeurde ook hier. Aan het feit dat de zon haar glans verloor lag weliswaar een andere oorzaak dan gewoonlijk ten grond­slag - hoewel het verschijnsel identiek was.

Tenslotte wordt er nog bericht dat gestorvenen uit hun graven opstonden en aan velen verschenen. Ook dit feit moet op de juiste manier worden begrepen en ieder zal het begrijpen, indien hij de ware betekenis en het doel van het grote gebeuren op Golgotha volledig in zich heeft opge­nomen.

 

Over het dragen van het kruis

 

Ook Hem, de Heer der eeuwigheid, bleef volgens het ge­bruik bij de Romeinen het dragen van Zijn kruis naar de plaats van de terechtstelling, de plek waar Hij 'verhoogd' zou worden, niet bespaard. Mogen wij dan klagen als het leven en de wereld ook ons een kruis en het lijden oplegt!? De Heer droeg een kruis, waaraan Hij Zelf geen schuld had en dat Hij zich niet had aangedaan. Door ons dwaze streven timmeren wij echter zelf ons eigen kruis en doen ons zelf het lijden aan.

Het was niet zonder diepe betekenis dat de goddelijke Voorzienigheid juist het kruis als middel van verheerlijking en verhoging van de Heer toeliet, als een eeuwig teken van de heilige en smartelijke voltooiing van Zijn werk. Reeds naar zijn uiterlijke vorm is en blijft het kruis voor het men­sengeslacht en voor alle gevallen en onder het gericht staande geesten steeds een vermanend teken.

De ene balk, de stam van het kruis, die van beneden naar boven loopt, toont de goddelijke geest van nederigheid en liefde, die van de aarde, het zinnebeeld van materie en zelf­zucht, naar de hemel en zijn heilige en zaligmakende wet­ten en sferen wijst.

De andere balk van het kruis, die dwars op de stam staat, is symbool van de boosaardige wil van onze uit de grote oergeest Satana voortgekomen, met deze geest gevallen en onder het gericht gekomen ziel. De richting van deze balk loopt parallel aan de oppervlakte der aarde. Daarmee wordt aangegeven dat onze ziel met haar liefde gelijkge­richt is aan de boosaardige geest van de materie, aan de geest van zelfverheerlijking en zelfzucht, welke de oorzaak was dat Satana, de grote oergeest, met alle aan haar onder­geschikte geesten en kleinere intelligenties in de donkere afgrond van de anti-orde stortte, in de doodsnacht van het van God verwijderd zijn.

Ook vandaag de dag veroorzaakt deze boosaardige, tegen God gerichte geest van zelfverheerlijking en zelfzucht in ons de dwarsbalk van ons kruis, dat wij in dit aardse leven moeten dragen. Ook nu nog, net als eertijds, willen wij de wil van God doorkruisen, die zegt: "Heb God boven alles lief en je naaste als jezelf!" Wij willen echter die lijn, die van de aarde naar de hemel wijst, doorkruisen met ons nietige, egoïstische ik; wij willen bij elkaar graaien en ons toeëigenen wat van onze naaste is omwille van ons egoïs­tisch genot. Omdat Gods heilige orde terwille van ons eigen heil dit verkeerde streven niet kan toelaten, timmeren wij zelf onze dwarsbalk en ons kruis.

Alleen Jezus droeg in Zijn heilig lijden het kruis zonder schuld; het kruis van de grootste liefde, deemoed en geduld.

Al te vaak is het aan onze zwakheden en hartstochten te wijten, dat wij het kruis van het lijden op ons moeten nemen. Maar ook zo'n kruis is een genade. Het wordt ons niet als straf opgelegd in de toorn van een hard gericht, maar in een groot erbarmen tot loutering en voleinding. En de plaats van het lijden moet ook voor ons een plaats zijn waar we 'verhoogd' worden, waardoor we het rijk van de vrede en de nimmer eindigende gelukzaligheid in God binnengaan.

"Het kruis is een echte noodzaak van het leven. Als het leven geen nood kent, raakt het versnipperd en vervluchtigt het als een etherdruppel. De ziel die geen kruis draagt, ver­liest haar glans en sterft en verzinkt dan in de nacht van de dood. De nood van het leven is echter een vat des levens, waarin het sterk en gehard wordt, zoals een dia­mant die immers ook slechts een verharde etherdruppel is, ofschoon geen levenselixer. Laat daarom een ieder het kruis op zijn schouders nemen en Mij in liefde navolgen; hij zal dan zijn leven eeuwig behouden. Wie zijn leven koestert zal het verliezen; wie het echter kruisigt en door Mij laat kruisigen, zal het voor alle eeuwigheid behouden."

 

Over de juiste geest bij het dragen van het kruis

 

In het Grote Johannes Evangelie onderricht een engel de discipelen over de juiste geest bij het dragen van het kruis:

"Alles wat zich op aarde en op alle sterren afspeelt, ge­beurt alleen om bestwil van de mens. Want alleen de mens is de reden en het doel van de gehele schepping in al zijn oneindigheid.

Als een mens zo denkt en voelt, zal hij ook in alle om­standigheden van zijn aardse leven, waarin hij zich in vrij­heid moet laten vormen en scholen, een onwankelbaar gevoel van rust in zijn hart ervaren. En God zal hem uit elke nood redden en hem de weg van het waarachtige leven, de weg van het licht en de volle waarheid, laten vin­den.

Maar wie ongeduldig wordt en over dingen die hij toch niet kan veranderen mort, en vaak in zijn verholen grim­migheid zelfs godslasterlijk denkt en praat over de dingen die in deze wereld gebeuren en die hem tegenstaan, die ver­werft niet Gods liefde, maar raakt er alleen maar steeds meer van verwijderd. En dat geeft de mens geen aardse en nog minder hemelse rust en gelukzaligheid.

Want alles gebeurt immers alleen maar door de liefde van God voor het ware welzijn van de mens. Aanvaardt hij dit in dankbaarheid in zijn gemoed, dan komt de mens ook steeds dichter bij de liefde en de orde van God, gaat spoedig en gemakkelijk helemaal hierin over en wordt hier­door zelf wijs en machtig."

 

Het berouw van Judas

 

Ook voor Judas diende zijn val en het lijden van zijn te­leurstelling en berouw tot loutering. En zijn oprechte, wan­hopige smart, nadat hij zijn wandaad had ingezien, werpt een verzachtend licht op zijn innerlijk en zijn handelwijze. We herademen, als we zien dat hij in dit aarde leven in ieder geval nog zo ver kon komen, dat hij de ernst van zijn mis­daad, hoewel niet in zijn volle, eindeloze omvang, maar dan toch naar de menselijke maat gemeten, besefte.

Maar wat Judas verder in zijn grote dwaling en de daar­uit voortvloeiende verblindheid van zijn ziel nu verder deed, was evenmin juist, gezien in het licht van Gods orde.

Allereerst haastte hij zich, volledig buiten zinnen, naar de Hoge Raad om de dertig zilverlingen, het bloedgeld, terug te geven. Deze stap was zeker een teken van zijn be­rouw. En de hoge tempelpriesters waren beslist in hun ge­weten geraakt, toen ze de berouwvolle verrader in zijn op­rechte wanhoop zagen. Maar door het bloedgeld van de priesters aan te nemen, had Judas evenwel niet tegen de tempel, maar tegenover de Heer, zijn God en hemelse Vader gezondigd. En daarom zou hij in overeenstemming met Gods orde juist hebben gehandeld, als hij de schade ook tegenover de Heer en hemelse Vader had goedge­maakt. En Judas had de dertig zilverlingen beter aan een arm en behoeftig mens kunnen geven - aan een van de 'geringsten', waarvan de Heer heeft gezegd: "Wat gij aan een van hen doet, dat hebt gij aan Mij gedaan!"

Altijd moeten we - dat is immers de wil van de Vader ­als we door Gods genade inzien dat we onrecht hebben aangedaan, niet alleen in ons hart veel berouw tonen en God om vergeving vragen, maar we moeten ook naar ver­mogen de schade die we iemand hebben berokkend weer goedmaken.

"Het geloof alleen", zo spreekt de Heer, "zal u niet zalig maken, maar de daad zoals die uit het geloof oplicht. Maak daarom ook het onrecht dat je tegenover je medemens hebt begaan zoveel mogelijk weer goed, dan zullen je zonden je worden vergeven. Want zolang iemand niet ook de laatste onrechtvaardige stuiver met zijn medemens in orde heeft gebracht, zal hij het rijk van God niet binnengaan! Indien een mens echter niet meer kan goedmaken wat hij heeft aangericht, dan dient hij met een berouwvol hart zijn on­recht voor God te bekennen en Hem om vergeving te vra­gen, of Hij, voor wie alle dingen mogelijk zijn, de schade wil goedmaken aan degene, die men deze heeft aangedaan. God zal dan ook zeker aan zo'n oprecht verzoek gehoor geven en Hij zal degene, die met een ernstig goedwillend en berouwvol hart tot Hem komt de zonde vergeven, zeker als deze mens zich inzet door liefdewerken aan anderen weer goed te maken, als degenen aan wie hij iets goed te maken had er voor hem niet meer zijn. Zolang echter de gelegenheid er nog is dat je het onrecht dat je je medemens hebt aangedaan, zelf nog kunt goedmaken, dan helpen al­leen goede wil, berouwen de vraag om vergeving weinig of niets, maar telt alleen de daad. Pas daarna zul je ook God om vergeving van je zonden vragen en deze zullen je ook door God worden vergeven, indien je in je hart je ern­stig en oprecht hebt voorgenomen geen zonde meer te be­gaan en je ook houdt aan dat voornemen met alle krachten, die onder de heerschappij van je vrije wil staan." Nog groter was de dwaling van de berouwvolle Judas, toen hij vol wroeging in zijn grote wanhoop aan zijn leven op aarde een eind maakte.

 

Het lot van de zelfmoordenaar

 

In deze tijd maken heel veel mensen uit nood, in wanhoop of - wat veel erger is - uit koppigheid, lafhartige zwak­heid of teleurstelling, een eind aan hun kostbare aardse leven. Ze veronderstellen dat ze daarmee een eind maken aan de nare toestand waarin hun ziel verkeert; nadat ze hun daad hebben gepleegd, moeten ze echter constateren dat het leven van hun ziel doorgaat en wel geestelijk op precies dat punt waar deze het stoffelijk lichaam heeft ver­laten. 'Zoals de boom valt, zo ligt hij'!, dat wil zeggen: alle zorgen en angst, alle teleurstelling en wanhoop gaan als een geestelijke inhoud van de ziel mee over en bepalen het verdere, als in een droom voortgaande leven, dat nu aller­eerst de zich losgemaakte ziel omgeeft, zoals het spinsel van de zijderups de pop omhult.

De manier waarop Gods genade na de dood van het li­chaam ook de zielen weet te vinden van de ongelukkigen die het leven verachtten en hoe de eeuwige liefde deze zielen, al is het onder omstandigheden die veel moeilijker zijn, verder vormt, is allemaal in de werken van de Nieuwe Openbaring door Jakob Lorber beschreven. Ook de zelf­moordenaars zijn niet uitgesloten van de oneindige genade van de hemelse Vader! Geheel rechtvaardig worden door de Eeuwige Liefde de meer of minder zwaarwegende redenen afgewogen van de onzalige, vernietigende daad, die een verachting van het kostbare aardse vormingsleven inhoudt.

In het werk van Lorber 'Die Geistige Sonne' kunnen we heel veel troostrijks vinden voor deze ongelukkigen alsook voor hen die ze achterlaten, door de mededelingen in dit boek over het verdere lot van de berouwvolle Judas in het hiernamaals. Er wordt beschreven hoe na een genaderijk rijpingsproces aan gene zijde de prior van een klooster uit­eindelijk in de hoogste hemels sfeer bij de Heer aan tafel komt. Met andere zalige geesten en engelen mag hij aan de hemelse tafel gaan zitten, en de Heer en hemelse Vader richt zich met heilige woorden vol liefde tot hem: "Je vraagt hier naar Judas - of hij ook aan tafel zal aanzitten? Wat denk je zelf dan, zou de verrader hier wel horen?"

De prior zegt: "O Heer, Gij meest liefderijke heilige Va­der! Ik weet dat Uw rechtvaardigheid zo groot is als Uw liefde, genade en erbarming. Maar desalniettemin moet ik U eerlijk bekennen, dat het mij toch wat hard voorkomt als ik deze verloren apostel werkelijk voor altijd zou moeten missen. Want Gij hebt immers Zelf gezegd dat deze ene verloren ging, opdat de Schrift vervuld zou worden. Dit woord met betrekking tot deze ongelukkige apostel heeft mij dan ook heimelijk steeds enige troost gegeven. Want ik zei bij mezelf: Judas moest wellicht, hoewel uit eigen vrije keuze, toch een dienend werktuig, dus een apostel, zijn, omdat juist door zijn verraad Uw reeds van eeuwigheid voorbestemde, heilige plan tot heerlijke uitvoering kon worden gebracht! - Kijk, daarom o Heer, Gij meest liefde­rijke, heilige Vader, werd ik steeds vervuld door een geluk­kige hoop voor deze arme, ongelukkige apostel. En het gaf mij steeds nog meer rust als ik eraan dacht hoe Gij aan het kruis tot de Vader in U voor al Uw vijanden om vergeving bad. En daarvan kon ik de arme Judas, ondanks zijn zelf­moord, niet uitsluiten. Aan deze laatste daad van hem was toch blijkbaar ook volgens de Schrift de duivel schuld, die in hem was gevaren. Daarom zou ik ook wensen dat deze apostel, als hij dan niet hier kan zijn, toch tenminste op een andere plek niet heel erg ongelukkig zou zijn."

De Heer: "Luister, Mijn geliefde zoon, er bestaat niet één, maar er bestaan twee Judas Iskariots. De ene is de mens, die met Mij op aarde geleefd heeft en de andere is de satan, die in zijn toenmalige vrijheid deze mens aan zich  schatplichtig had gemaakt. In deze tweede Judas Iskariot vinden we nog geheel en al de oorzaak van de allerdiepste hel - maar het betreft dus niet de mens Iskariot. Want hem werd vergeven. En om te begrijpen in welke mate hem vergeven werd, hoef je alleen maar om te kijken! Want de­gene die zojuist met je broeder spreekt en nu ook verraad pleegt aan de liefde doordat hij reeds van tevoren aan jouw broeder Mijn grote liefde betoont, is juist die Judas Iskariot, waarover jij je zorgen maakte. - Ben je nu tevreden met Mij?"

De prior, die bijna verteerd wordt van liefde voor de Heer, antwoordt:"O Heer, Gij oneindige, meest liefderijke en heiligste Vader! Waarlijk, ik heb mij altijd wel voorge­steld dat Uw liefde overstelpend is en dat Gij oneindig goed zijt; niettegenstaande dat had ik echter nooit durven denken dat ook Judas in Uw grote genade, liefde en erbar­men opgenomen zou worden! Op aarde had ik zo'n ge­dachte zeker zondig gevonden. Maar nu besef ik hoe on­metelijk groot Uw goedheid, genade en erbarmen is en hoe die alle menselijke voorstellingen ver overtreft. - O Heer, wat moet ik doen? Hoe moet ik U liefhebben, opdat ik in mijn hart ook maar in enige mate kan beantwoorden aan Uw nimmer aflatende liefde?" --­

 

De zeven kruiswoorden

 

In het kleine geschrift 'Die sieben Worte Jesu Christi am Kreuz' wordt de laatste prediking, die Jezus vanaf het kruis in zeven heilige woorden tot de mensheid op aarde en alle schepselen van de gehele schepping richtte, met alle nadere omstandigheden opnieuw bekendgemaakt en wordt de diepe, geestelijke betekenis van deze woorden belicht. Wij lezen:

"Toen Ik, de Verlosser, voor het mensengeslacht bloe­dend en stervend aan het kruis hing en Ik de grote mense­lijke schuld en de gevolgen daarvan zag, sprak Ik die zo betekenisvolle zeven woorden, waarvan Ik de mens nog­maals de betekenis duidelijk wil maken.

Het eerste woord dat Ik heb gesproken: "Heer, vergeef hun, want ze weten niet wat ze doen!" - ging niet zozeer de verblinde Joden aan, maar veeleer die nakomelingen, die door het aannemen van Mijn leer Mijn naam dragen en in latere tijden hun tempels voor Mij zullen bouwen. Deze mensen hebben zich, ondanks Mijn leer dat Mijn Rijk niet van deze wereld is, zo met de aardse materie verbon­den, dat de uitspraak die Ik eens tot de rijke zoon van een Farizeeër richtte: "Waarlijk, Ik zeg u het is gemakkelijker dat een kameel door het oog van een naald gaat dan dat zo'n rijke het koninkrijk der hemelen binnengaat", volledig op hen van toepassing is.

Mijn leer spreekt van nederigheid, zachtmoedigheid, ver­draagzaamheid tegenover de zwakheden van de naaste. Maar hoe weinig wordt deze leer nagevolgd! Zelfs Mijn eigen discipelen, die toch Mijn naam dragen, zijn vol haat tegen hun in menselijke zwakheden vervallen broeders! Ik heb toch gevraagd dat alle mensen elkaar als goede broe­ders en zusters zouden bijstaan, maar hoe weinig wordt daaraan gehoor gegeven! Door het niet in acht nemen van Mijn hemelse leer vinden moord, roof, twist en doodslag alom plaats en laat de meest eigenzinnige, heerszuchtige ongehoorzaamheid zelfs onder de betere mensen haar ver­derfelijke invloed gelden.

Het tweede woord luidde: "Ik heb dorst!" - O zeker, Ik leed daar toen dorst en Ik dorst nog steeds naar die vele zielen, die in hun waan te gronde gaan en slechts in wereld­se lusten hun heil zoeken en zich noch om God noch om de eeuwigheid bekommeren. Doch wee zulke wereldlingen! Er zal een vreselijk oordeel over hen komen, omdat de maat van hun zonden helemaal vol is en hen nog slechts korte tijd gegeven is! En als ook deze tijd vruchteloos voorbij gaat, worden ze weggestreept uit het boek der levenden!

Je vraagt Mij in gedachten wat de reden is dat Ik altijd dreig en toch niet het vaste tijdstip bepaal, waarop Ik zal tuchtigen!? Ik zeg je, en allen die oren hebben om te horen: juist omdat Ik als jullie Vader en eeuwige rechter aan elke ziel voldoende tijd en gelegenheid wil geven om haar eeuwig heil te verwerven, en op de dag van het gericht geen ziel zich hoeft te verontschuldigen en als uitvlucht kan zeggen dat haar te weinig tijd zou zijn gegeven.

Mijn derde woord luidde: "Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten!" Zelfs Mijn vrienden hebben deze uitroep gezien als een teken van menselijke zwakheid. En zelfs zij gingen twijfelen hoe het mogelijk was, dat Ik Mij vroeger voor God had uitgegeven en nu in Mijn doods­angst tot God riep, in de waan dat Hij Mij had verlaten.

O, kortzichtige stervelingen! Weten jullie dan niet dat slechts de Geest in Mij God was, het omhulsel of het lichaam daarentegen uit zwakke materie bestond, en dat dit evenals jullie lichamen aan smart en pijn onderhevig moest zij n. Want welke verdienste zou het wel geweest zijn, wanneer Ik niet in dit menselijk zwakke en onvolmaakte omhulsel de mens van de grote schuld had bevrijd, doordat in Mij de materie gehoorzaam moest zijn tot aan de dood aan het kruis!?

Ik riep niet een andere God buiten Mij aan, maar Ik riep tot de Godheid in Mijzelf, tot Gods Geest en oerkracht in Zijn totaliteit. Slechts Mijn stoffelijk omhulsel was immers net als bij de mensenkinderen uit de stof der aarde geno­men. En dit omhulsel moest ook in Mij aan de smart en de dood onderworpen zijn. Daarom zocht het stoffelijke in zijn verlatenheid hulp - ten teken dat ieder mens alleen bij God hulp moet zoeken.

Zoals Ik Zelf deed in Mijn derde woord, zullen eens allen op de grote dag van het gericht roepen, die zich tijdens hun leven nooit of maar heel weinig om Mij en Mijn woord hebben bekommerd. Alleen, wanneer de tijd van genade voorbij is, kan geen roep om genade en barmhartigheid, hoe luid deze dan ook klinkt, meer zo gemakkelijk helpen.

Kijk om je heen en je zult gewaarworden hoe het met de wereld voorwaarts gaat langs de weg van de wereldse wetenschappen, kunsten en nieuwe ontdekkingen; de mensen onderzoeken de meest geheime krachten van de natuur, en Ik laat toe dat al Mijn werken dienstbaar zijn aan hen, omdat Ik immers alles heerlijk en tot nut van Mijn kinderen heb geschapen. Maar voor welk doel wordt al hun wetenschap aangewend? Alleen om zich te kunnen verrijken met wereldse schatten of om zich te kunnen over­geven aan hun hoogmoed en hun overmoedigheid! Daarbij vergeten de welgestelden hun arme broeders helemaal, die steeds dieper in allerlei nood en ellende geraken en in hun kommer tot Mij om hulp en erbarmen roepen.

Het is toch ondenkbaar dat Ik Mij niet zou ontfermen over Mijn arme kinderen en hen niet zou bevrijden van hun geestelijk en lichamelijk zware juk van de slavernij?­En hoe zou Ik genade en barmhartigheid kunnen doen wedervaren aan hen, die zelf geen genade en barmhartig­heid kennen!?

Het vierde woord: "Maria, zie uw zoon! En zoon, zie uw moeder!" - sprak Ik niet zozeer vanwege Mijn moeder, omdat Ik immers wist dat Mijn discipelen de moeder van Mijn lichaam niet zouden verlaten. Veeleer wilde Ik met deze uitspraak in zekere zin aangeven welke liefde Ik voor al Mijn kinderen in Mijn hart droeg. Ik wilde hen allen de erbarmende liefde van God, die in de moederliefde passend zichtbaar is, aanbevelen. En onder de 'zoon' waren dan ook alle mensenkinderen begrepen die, doordat ze Mijn leer opvolgden, zich deze liefde ook waard toonden.

Maar waar wordt thans onder de mensen Mijn leer, die zo eenvoudig is en die het welzijn van de ziel dient, serieus opgevolgd? Van al Mijn kinderen doen nog maar weinigen enigszins Mijn wil. De anderen zijn hetzij te zeer verstrikt in eigendunk of maken zich te veel wereldse zorgen, om zich veel om Mijn woord te bekommeren. Daarom is Mijn goddelijke leer bijna nog maar tot een schijnleer of tot een traditioneel gebruik geworden, en heeft daardoor de zonde de overhand over de mensen gekregen.

Om die reden is het de hoogste tijd Mijn kinderen in alle ernst weer op de juiste weg terug te leiden. Helaas gaat dat niet meer met zachte middelen, maar slechts met de ge­strengheid van het gericht. Want ook het spreekwoord zegt: 'wie niet horen wil, moet voelen!' - en daarom moet Ik, om de volkeren niet totaal in hun grenzeloze verblindheid in de eeuwige dood te laten ondergaan, ze aan een ernstige tuchtiging onderwerpen.

Ik waarschuwde en waarschuw steeds ieder mens indivi­dueel als ook gehele volkeren in het algemeen doordat Ik ziekte, oorlog, gebrek en duurte over hen laat komen en doordat hun wereldse speculaties niet uitkomen. Ik liet en laat toe dat de mensen door hun eigenzinnigheid zichzelf en elkaar vaak de grootste schade berokkenen. En toch is dat alles meestal tevergeefs! De mensen zoeken de oorzaak van al deze misstanden steeds ergens anders en niet bij zichzelf en geven in hun zondigheid Mij, als hun goede en lankmoedige God, hiervan de schuld.

O, verblind mensengeslacht! Hoe lang moet Ik uw dwaze doen en laten nog aanzien?! Denkt gij dan in uw waan, dat gij Mij, uw Heer en God, zou kunnen trotseren?! - Wee u, wanneer voor u tijden van nood zullen aanbreken, zult gij tevergeefs uw handen om hulp tot Mij opheffen! Wanneer de tijd der genade voorbij is, zal Ik Mijn oor voor uw ge­weeklaag sluiten en doof zijn voor uw vragen! Want gij weet dat het niet voldoende is om 'Heer!, Heer!' te roepen, maar dat het erom gaat dat gij immer de wegen bewandelt, die Ik voor u heb uitgestippeld; pas dan kunt gij Mijn genade deelachtig worden.

Thans komen we aan de uitleg van het vijfde woord dat Ik aan het kruis gesproken heb. - Deze woorden van troost: "Heden zult gij met Mij in het paradijs zijn", richtte Ik tot Dismas, de moordenaar die rechts van Mij aan het kruis hing. Deze woorden waren echter niet alleen aan hem ge­richt, maar aan alle mensen die Mijn leer aannemen en ernaar leven. De reden, dat Ik aan Dismas slechts het para­dijs en niet de hemel heb beloofd, ligt in het feit dat elke mensenziel na de dood van het lichaam, naar de mate van haar volmaaktheid een hogere of lagere graad van het licht bereikt; zelfs zielen die reeds in dit leven al het aardse heb­ben overwonnen, kunnen eerst alleen maar in het paradijs komen, ofwel in een lagere graad van zaligheid. Want geen enkele ziel kan, voordat zij geheel gelouterd en gereinigd is, in de hemel der liefde de hoogste zaligheid bereiken. Op die manier had ook Dismas door zijn liefde en het ver­trouwen dat hij in Mij stelde de eerste graad bereikt en was het mogelijk hem het paradijs te beloven.

Spoedig zal de tijd zijn gekomen dat ook nog maar wei­nigen slechts het paradijs zullen weten te verwerven, omdat Ik zal toelaten dat de mensen alles wat in hun vrije wil be­sloten ligt, kunnen ondernemen. Voordat de tijd van Mijn grote gericht aanbreekt, wordt zelfs aan de boze geesten de vrijheid gegeven (waarbij weliswaar ook aan Mijn goede engelen de taak zal worden gegeven om Mijn kinderen te beschermen en ze voor de valstrikken van Satan te behoe­den!) Dan zal het woord in vervulling gaan: 'Dan zal de tijd komen dat, indien Ik het zou toelaten, zelfs de gelovigen afvallig worden'.

Wat zal dat dan voor een tijd zijn, zult u vragen!?

    En Ik zeg u, het is juist de tijd waarin alle volkeren in de greep komen van de hoogmoed, gierigheid, ontucht en hoererij in al haar vormen en elk volk steeds verder weg­zakt in een poel van zonde, waaruit zonder Mijn hulp nim­mer een verlossing mogelijk is.

Met het zesde woord dat Ik aan het kruis sprak: "Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn Geest!" wilde Ik als het ware aan alle mensenkinderen het voorbeeld geven, dat de ziel zich heeft teruggegeven aan haar oerbron en dat de mens zó moet omgaan met zijn leven en handelen, dat hij aan het eind van zijn aards bestaan zijn ziel met vreugde en jubel aan zijn hemelse Vader kan geven.

Voor een juist begrip moet men evenwel weten dat niet Mijn Geest, maar de uiterlijke omhulling ervan, Mijn ziel, deze woorden tot de in Mij wonende Vader-Godgeest sprak.

Toen sprak Ik echter Mijn laatste woord: "Het is vol­bracht!" - Ja, het was volbracht, het grote werk van de ver­lossing! Maar wat baatte het de duizenden en nog eens dui­zenden zielen, die weliswaar eveneens door Mijn dood en Mijn middelaar-zijn verlost werden van de erfzonde, maar Mij niet in de geest en in de daad navolgden!? De hemel bleef voor hen gesloten, alleen door hun zondige, liefde­loze wezen en hun niet boetvaardige levenswandel haalden ze zich opnieuw de eeuwige verdoemenis, het gericht, op de hals!

O, mensenkinderen! Als Mijn eerste en laatste woord zeg Ik u daarom nogmaals in alle ernst van Mijn liefde: doe boete! - Keer in woord en daad terug tot uw Heer en God. - Hou op met uw woeker en gedenk uw arme broe­ders, die u tevergeefs om barmhartigheid smeken! Gedenk de weduwen en wezen! En spreek recht voor de onmon­digen!

Want er staat geschreven: 'Met welke maat u anderen meet, zult u weer gemeten worden!' - Laat vroegere ge­slachten u tot een waarschuwing zijn! 'Zolang ze getrouw bleven aan God waren ze talrijk en gelukkig; toen ze echter alleen op zichzelf gingen bouwen, liet God de volken val­len en gehele rijken werden van de aardbodem wegge­vaagd!'

 

De stervensuren

 

Over de verdere omstandigheden tijdens het sterven van de Heer informeren de evangeliën in de bijbel op uiteen­lopende wijze.

Marcus, de leerling van de apostel Paulus, getuigt aldus: "Toen het zesde uur was aangebroken, kwam er duisternis over het gehele land tot het negende uur. Om het negende uur riep Jezus met luide stem: 'Eloï, Eloï, lama sabachtha­ni?', hetgeen betekent: 'Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?' Toen sommigen van de omstanders dit hoorden, zeiden ze: "Zie, hij roept Elia". Direct liep iemand van hen toe, nam een spons, drenkte die met zure wijn, stak ze op een riet en wilde hem laten drinken. De anderen zeiden echter: "Stil! Laat ons zien of Elia werkelijk komt om hem te redden". Jezus slaakte echter een luide kreet en gaf de geest. En het voorhangsel van de tempel scheurde in tweeën, van boven tot beneden." (Marcus, 15:33 e.v.)

Mattheüs voegt aan dit verslag van Marcus toe: " . . . En de aarde beefde en de rotsen scheurden. En de graven gin­gen open en vele lichamen van de ontslapen heiligen wer­den opgewekt en gingen na zijn opstanding in de heilige stad, waar zij aan velen verschenen". (Matth. 27:51 e.v.)

Lucas bericht: "En het was ongeveer het zesde uur en er kwam duisternis over het gehele land tot het negende uur, want de zon werd verduisterd. En het voorhangsel in de tempel scheurde middendoor. En Jezus riep met luide stem: 'Vader, in uw handen beveel Ik mijn geest!' En toen hij dat gezegd had, gaf Hij de geest". (Lucas 23:44 e.v.)

Johannes daarentegen bericht slechts kort maar belang­rijk: "Toen Jezus dan de zure wijn genomen had, riep hij uit: 'Het is volbracht!' - en Hij boog het hoofd en gaf de geest". (Joh. 19:30). Over de uiterlijke gebeurtenissen en verschijnselen, die de natuur betreffen, vermeldt deze oog­getuige niets.

Deze merkwaardige tegenstelling en schijnbare tegen­spraak in de bijbelse overlevering heeft reeds menig chris­ten aan het denken gezet. En het is een genade en voor velen een verlossende weldaad, dat door de geschriften van de Nieuwe Openbaring ook dit raadsel is opgehelderd.

Johannes, de discipel die op het geestelijke, op de diepe, hemelse betekenis van alles aangaande de leer en de ver­schijnselen was gericht, nam eveneens de uiterlijke gebeur­tenissen bij het heengaan van de Heer en Verlosser waar. Maar voor hem was het geestelijke, wat het overeenkom­stige aangaf, het enig belangrijke dat voor de overlevering waarde had. En dit vatte hij dan samen in de laatste, grote uitspraak van de Heer: "Het is volbracht!" - ­

In dit woord lag - geestelijk gezien - immers in feite alles wat in het uiterlijke, de natuur betreffende processen als het ware in levende beelden van de natuur werd uitge­drukt. Het was - nadat de 'zure wijn' van de bitterheid der wereld 'gedronken was' - volbracht: het doordringen en doortrillen van de materie, het openbreken van de ge­vangenissen, de vrijmaking van de door de geest der ont­kenning gekluisterde zielen, had plaatsgevonden.

 

De zon wordt verduisterd - de aarde beeft

 

In het licht van dit geestelijk weten zijn ook de uiterlijke omstandigheden, die zich tijdens het heengaan van de Heer voordeden, verklaarbaar; op analoge wijze werd in de wereld van de natuur dit grote gebeuren tot uitdrukking gebracht.

We moeten de verduistering van het zonlicht ook in die zin opvatten. - Bij het sterven van de Mensenzoon treur­den alle engelen en reine geesten van de stoffelijke en geestelijke sferen van alle zonnen en hemellichamen. De vreugdetrillingen van hun gelukzalige liefde, die gewoon­lijk van deze hemellichamen uitgaan en in golven door de gehele ethersfeer van het oneindige stromen, en die aan de uit de zon stromende lichtatomen hun levenwekkende en bezielende kracht geven, waren gedurende deze drie zeer smartelijke uren zodanig getemperd, dat tenslotte ook onze aardezon merkbaar minder licht uitstraalde. Maar het leven van de natuur mocht niet helemaal onderbroken worden en ophouden en de mensheid mocht ook niet door een tegen de natuurwetten indruisende al te overweldigend teken gedwongen en geoordeeld worden in haar vrije ge­loof, wil en handelen. En om die reden was deze algemene zonsverduistering meer een geestelijke en had ze slechts voor een gering deel een natuurlijke uitwerking. En ze vond ook niet plaats, zoals in andere gevallen, doordat de maanschijf de zon aan het gezicht onttrok - reden waarom de sterrenkundigen door middel van het terugrekenen van  de baan van de zon en de maan tevergeefs een bevestiging van het bijbelse gegeven hebben gezocht en deze ook nooit zullen vinden.

Het sterven van de Mensenzoon, Zijn totale offer van bloed en natuurlijk leven was echter tegelijk ook de grote, alles doordringende overwinning van de in Hem wonende Eeuwige Liefde en Haar geestelijk licht. En daarom 'beefde' de aarde, het zinnebeeld van de materie, de zetel van de oude geest van de duisternis en anti-orde! Iemand die gro­ter en machtiger was had aan de poorten geklopt, was het bolwerk van Lucifer binnengedrongen en had door Zijn ongekend offeren van Zichzelf daarin een geweldige bres geslagen. Satans sfeer, die de onverzettelijke rebel tot dan met alle middelen van zijn sterke wil had verdedigd, was doorbroken en het verbaast ons niet dat hij, dit beseffend en voelend, zich roerde en dat hij in zijn grimmigheid de onderaardse gewelven van zijn kerker ook in de natuur deed schudden.

Maar ook dit werd hem echter - omwille van de ge­loofs- en wilsvrijheid van de mens - niet in die mate toe­gestaan dat het de bewoners van de streek opviel. Slechts enkele mensen met een ontvankelijke ziel, die innerlijk waren voorbereid, dachten erover na, zoals die romeinse hoofdman, over wie geschreven staat: "En toen de hoofd­man zag wat er gebeurd was, prees hij God en zei: "Waar­lijk, deze was werkelijk een Zoon Gods!"

De natuurlijke, vleselijk gezinde mens verneemt niets van de Geest van God. Wat er ook allemaal plaatsvindt in de wereld van de natuur verklaart hij vanuit innerlijke, stoffelijke oorzaken, om de hem vertrouwd geworden sleur van het aardse-stoffelijke denken en streven maar niet te hoeven opgeven en tot hogere, geestelijke sferen aangezet te worden.

Wanneer het zonlicht van de Eeuwige Liefde minder over ons schijnt of wanneer de grond waarop we staan gaat trillen doordat God het onderaards geweld toelaat, laten we dan door de Geest ernstig gewaarschuwd zijn!

 

Het voorhangsel scheurt - de graven gaan open

 

Een verder gebeuren werd aangeduid door het scheuren van het voorhangsel in de tempel en door het opengaan van de graven en het tevoorschijn komen van de doden.

Het voorhangsel in de tempel scheidde het binnenste vertrek in de tempel, het heiligste vertrek met de Ark van het Verbond, van de grote tempelruimte, waarin het biddende volk gewoonlijk bijeenkwam. Achter het voor­hangsel, in het Heilige der heilige, mochten volgens de strenge tempelvoorschriften alleen de priesters komen. En zij wisten goed waarom zij deze voorzichtigheid in acht namen; want de oude Ark van het Verbond was leeg en boven haar stond geen vuurzuil meer, waarmee Gods tegenwoordigheid in het Heilige der heilige werd aange­geven.

Thans - in het stervensuur van Jezus - scheurde het voorhangsel van boven tot beneden in twee stukken door­midden. Met het volbrengen van het grote offer der liefde op Golgotha werd de barrière tot het werkelijke heiligdom opgeheven, die tot dan toe het gevallen, zondige schepsel van zijn heilige Schepper, God en Vader gescheiden had. Voortaan kon en kan elke ziel vrij in het Vaderhuis terug­keren; de Vader in Jezus had aan het kruis de armen wijd geopend voor de verloren zoon. Het is aan ons, dat wij ons opmaken en ons over de voor ons bereide weg van dee­moed en liefde spoeden naar het hart van de Vader, het ware Allerheiligste van de ganse oneindigheid.

Veel zielen, die 'in de graven vertoefden', beseften dit direct door de wenk en de roep van hun goddelijke geest. Wij vertoeven immers allemaal in het graf van de materie zolang de geest van de eigenliefde over ons heerst - onge­acht of we nog lijfelijk aanwezig zijn op deze aarde, of ons lichaam reeds begraven is en onze ziel zich in het geesten­rijk bevindt. Een graf voor de geest is overal daar aanwezig, waar men niet God, de hemelse Vader in Jezus boven alles liefheeft en vanuit die liefde ook zijn naaste medebroeder als zichzelf.

 

O hoofd vol bloed en wonden,

bedekt met smaad en hoon,

o hoofd, zo wreed geschonden

met ene doornenkroon,

o hoofd eens schoon en heerlijk

en stralend als de dag,

hoe lijdt Gij nu zo deerlijk:

ik groet U vol ontzag!

 

O hoofd zo hoog verheven,

o goddelijk gelaat

waar werelden voor beven,

hoe bitter is Uw smaad!

Gij, eens in 't licht gedragen,

door engelen gediend,

wie heeft U zo geslagen,

waaraan hebt Gij dit al verdiend?

 

Van al de last dier plagen,

met goddelijk geduld,

o Heer, door U gedragen

heb ik, heb ik de schuld!

Zie, hoe ik voor Uw ogen

hier als een zondaar sta,

en schenk vol mededogen,

mij een blik van Uw gena!

 

Houd Gij mij in Uw hoede,

Gij die Uw schapen telt,

o bron van al het goede,

waaruit mijn leven welt.

Gij die mijn ziel wilt laven

met liefelijke spijs,

Gij overstelpt met gaven

tot in het paradijs.

 

Paul Gerhardt (1607 - 1676)

(Vertaling J. W.Schulte Nordholt en Bernard ter Haar (1806 - 1880))

 

 

5. Graflegging

 

De Heer: Toen het leven uit het lichaam was verdwenen en de schare vijanden haar wraak volledig had gekoeld, ging het volk ook uiteen, omdat een innerlijke huiver - die in­nerlijke duisternis waarover Ik reeds sprak - de aanleiding was dat iedereen naar huis ging om daar bescherming te zoeken; de Joden moesten zich volgens hun voorschriften nu ook op de sabbath voorbereiden, daar de zon bijna onderging.

Mijn volgelingen kwamen nu steeds dichter bij de plaats van de terechtstelling, zodat de kring van mensen met wie Ik nauwe banden had tamelijk groot werd. Jozef van Ari­mathea was reeds eerder naar Pilatus gegaan en had om Mijn lichaam gevraagd, een gunst die niet altijd werd ver­leend. Pilatus willigde het verzoek echter graag in, omdat hij daardoor, evenals door het opschrift dat in drie talen boven het kruis was aangebracht en waarop te lezen stond dat Ik de koning der Joden was, de Joden wilde ergeren.

Mijn vrienden namen direct het lichaam van het kruis, reinigden en zalfden het en droegen het behoedzaam naar een rotsgraf dat van Jozef van Arimathea was, op een stuk grond dat hij van Nicodemus had gekocht, om het voor hemzelf als laatste rustplaats te gebruiken. Golgotha was weliswaar een rotsheuvel, maar die plaats bevond zich in de directe nabijheid van een villawijk waar veel rijke Romeinen en Joden grond hadden gekocht en prachtige huizen hadden laten bouwen. Om die reden is de nabijheid van de tuin verklaarbaar. Mijn vrienden legden het lichaam dus in dit graf van Jozef van Arimathea en bewaakten de plek goed, uit vrees dat de Joden in hun boosaardigheid anders ook nog het graf met daarin het lijk zouden schen­den.

De Joden op hun beurt vreesden weer dat Mijn volge­lingen het lichaam zouden willen ontvoeren en dan zouden beweren dat Ik was opgestaan. Want ze wisten heel goed dat er in het volk gesproken werd over hetgeen Ik over Mijn dood en Mijn opstanding had gezegd. Daarom vroe­gen ze Pilatus om wachters; Pilatus stemde erin toe alleen al uit nieuwsgierigheid of er ook werkelijk een wonder zou geschieden, zoals alom zowel door de vrienden verwacht, alsook door de vijanden gevreesd werd.

    Derhalve werden er wachters aangesteld, romeinse sol­daten, die vijf dagen bij het graf de wacht moesten hou­den.

 

De Heer in het graf van Jozef van Arimathea

 

Jozef van Arimathea was een vriend van Nicodemus en hij ondernam de tocht naar Pilatus meer uit de goede naam van zijn vriend dan uit zijn eigen naam. Want Nicodemus was in het geheim een grote vereerder van Christus, maar uit een bepaalde vrees voor de hogepriesters en Farizeeën vertrouwde hij het niet iets dergelijks in het openbaar te ondernemen. Om die reden droeg hij dit aan zijn vriend op, die eveneens geheel in het geheim een grote vriend van Christus was. - Deze korte opmerking ter inleiding is noodzakelijk om het volgende beter te kunnen begrijpen.

Stel je onder Nicodemus de verborgen liefde voor de Heer voor, en onder Jozef van Arimathea het geloof in de Heer.

Wat betekent het geloof in verhouding tot de liefde? ­Het is er de handlanger van! Dus was ook Jozef van Arima­thea in dit opzicht een handlanger van Nicodemus, die de Heer in het geheim liefhad.

Wat verlangde het geloof echter van Pilatus? - Het ver­langde het lichaam van de Heer, wikkelde dit, nadat het van het kruis was afgenomen, in wit linnen, na eerst het lichaam met kostbare specerijen te hebben gezalfd. Daarna legde hij het in zijn eigen tuin in een nieuw rotsgraf, waar­in nog nooit iemand had gelegen.

Wat is van dit alles de betekenis? - Het typeert allemaal de op zichzelf edele weetgierigheid van het geloof, dat naar alles zoekt wat denkbaar is om daarin een levende voldoe­ning te vinden. Dit weetgierige geloof gaat naar Pilatus en vraagt hem om toestemming - dat betekent zoveel als: zo'n weetgierigheid richt zich tot de wereld en zoekt daar naar al het mogelijke, wat kan dienen om de waarheid te bevestigen.

Heeft ze van de wereld alles ontvangen wat ze zoekt, dan richt ze zich tot de Gekruisigde. Hoe echter? Ze probeert alle woorden en uitleggingen in een helder licht te plaatsen, ze dus van de geheimzinnige, schijnbare tegenspraken in de Heilige Schrift te ontdoen.

Dit lukt haar ook; ze heeft uiteindelijk het lichaam met recht van het kruis bevrijd, dat in zijn hoedanigheid immers een 'tegenspraak' uitbeeldt. Maar wat is thans haar deel? - Kijk, een dood lichaam waaruit het leven is verdwenen! De edele weetgierigheid beseft dit ook; ze is niettemin ver­heugd over de gelukkige bevrijding van het kruis. Ze zalft het lichaam met kostbare specerijen, wikkelt het in wit linnen en legt het vervolgens in een nieuw graf, waarin nog nooit iemand heeft gelegen.

Wat wil dit zeggen? - Door zulk een grondige belichting van het woord in de Heilige Schrift wordt ongetwijfeld de goddelijkheid ervan duidelijk en wordt het ook in hoge mate in ere gehouden. Dat is de betekenis van de zalving! Want niet zelden drukt een mens zich in de meest ver­heven bewoordingen uit als het om de waardigheid en goddelijkheid van de Heilige Schrift gaat; maar dat is alle­maal zalving van een dood lichaam.

De mens met deze edele weetgierigheid omhult zo'n door inzicht verkregen waarheid met de grootste en zuiverste eerbied, ja hij huivert bij de grootsheid van de waarheid in dit Boek; en dit is niets anders dan dat het lichaam in windsels wordt gewikkeld. Hoe vol onschuld en rein deze linnen doeken op zichzelf ook zijn, hetzelfde geldt voor die deemoedige kennis. Maar het dode lichaam, de zalf, alsook de linnen windsels zijn zonder leven en zijn ook niet in staat leven te schenken.

Nu zal men echter dit dode lichaam in een nieuw graf leggen. Wat is daarvan de betekenis? - Omdat de kennis die de mens zich als gevolg van zijn weetgierigheid eigen heeft gemaakt hem geen leven noch een levende overtui­ging schenkt, vat hij deze samen en geeft ze een plaats in het graf van zijn verstand. Vervolgens wentelt hij er een steen voor, dat wil zeggen, met betrekking tot al deze zui­vere waarheden, die hij zich heeft verworven, koestert hij een erg diep gaande twijfel. Want hij zegt: "AI deze ont­sluieringen van de verborgen geheimen in de Heilige Schrift klinken weliswaar heel erg goed, maar aanschouwe­lijk overtuigen doen ze nochtans niet!"

En kijk, dat is nu letterlijk de toestand waarin iedereen verkeert die veel gelezen heeft! - Alles wat hij heeft gelezen kan hij nog zo goed begrijpen, of het nu om de uiterlijke dan wel om de meest innerlijke, geestelijke betekenis gaat; maar als hij van alles wat hij kent een werkelijk bewijs wil, dan merkt hij dat zelfs geen stofdeeltje zich aan zijn wil onderwerpt! En wil hij het leven van de geest aanschou­wen, dan wordt hij in plaats daarvan steeds met de nacht van het graf geconfronteerd, waarin hij zijn dode lichaam heeft neergelegd. Of met andere woorden: over het hierna­maals krijgt hij geen op zichzelf tastbare zekerheid, bij hem is alles daarentegen een bewering die nergens op stoelt, dus een dood lichaam in een graf!

In hoeverre is hij hiermee geholpen? - Al heeft hij nog zoveel gelezen, maar hij kan ondanks alles wat hij gelezen heeft niet tot werkelijk levende overtuiging komen, dan lijkt hij nog steeds op een Jozef van Arimathea, die wel het ene na het andere lichaam van het kruis afneemt, zalft en in witte linnen doeken wikkelt - maar het dode lichaam blijft een dood lichaam en wordt steeds in het graf gelegd.

Laten we daarnaast eens de aandacht op Maria Magda­lena richten! Zij heeft het hele gebeuren ook wel bijge­woond, maar zij wikkelde het dode lichaam ofwel het Woord niet in linnen en legde het niet in het graf, maar gaf het een plaats in haar hart dat van liefde overstroomde. En toen ze daarna bij het graf kwam, was de steen van de twijfel door de macht van de liefde weggerold. De linnen doeken lagen opgevouwen bijeen in het graf, wat zoveel wil zeggen als dat door haar liefde het goddelijk Woord levende inhoud in haar heeft gekregen. Zij trof geen dood lichaam meer aan, maar in plaats daarvan vond ze de Levende, die uit het graf is opgestaan.

Wat is in feite beter: het dode lichaam in het graf te leg­gen of de Levende buiten het graf te vinden? - Ik denk dat dit laatste duidelijk beter is dan het eerste.

Maar waarom vond Magdalena wat Jozef van Arimathea niet heeft gevonden? - Omdat ze weinig heeft gelezen, maar veel heeft liefgehad. Jozef van Arimathea had echter veel gelezen - net zoals Nicodemus - daarentegen veel minder liefgehad. Daarom bekommerde hij zich ook om het dode lichaam - maar Maria Magdalena om de Le­vende!

 

Nedergedaald ter helle

 

"In de geest is Hij ook heengegaan en heeft Hij gepredikt aan de geesten in de gevangenis, die eertijds ongehoor­zaam geweest waren, toen de lankmoedigheid Gods bleef afwachten in de dagen van Noach. . .. Want daartoe is ook aan doden het evangelie gebracht, opdat ook zij ­naar het lot van de mens, wat het vlees aangaat, zouden ge­oordeeld worden - maar naar God, wat de geest betreft, zouden leven."

(1, Petrus 3: 19; 4:6)

Deze woorden van Petrus in zijn eerste brief zijn een buitengewoon belangrijk bijbels getuigenis van het feit, dat de eeuwige onbegrensde liefde van onze hemelse Vader niet ophoudt bij de drempel van de dood op aarde, maar dat ze met haar erbarmen ook verder gaat in het leven aan gene zijde; deze eeuwige liefde strekt zich uit tot in de 'gevangenissen' van de geesten en zielen die in de tijd dat ze op aarde leefden blind en ongehoorzaam waren. Als voorbeeld noemt Petrus degenen die in de moeilijke tijden van Noach de goddelijke geest trotseerden en zich niet door Gods hand wilden laten leiden. Ten tijde van Jezus verkeerden deze reeds vele eeuwen in de 'geestelijke ge­vangenissen en kerkers' van het hiernamaals, waarheen ze door hun eigen hardnekkigheid waren verbannen. En thans horen we uit de mond van de grote verkondiger van het geloof dat de Heer na Zijn aardse dood in de geest, dat wil zeggen in Zijn verheerlijkte zielelichaam, tot hen is heengegaan en hun de grote heilbrengende boodschap van de eeuwige erbarmende liefde heeft verkondigd, opdat ook zij nog deel zouden hebben aan het gelukzalige, goddelijke leven door de Geest.

Dit heengaan naar die ongelukkigen in de verdoemenis gebeurde direct na de dood van de Heer, zolang het li­chaam nog in het graf lag. Het was het eerste wat de Eeuwi­ge Liefde deed, nadat Hij van het kruis was afgenomen! Dit laat ons zien, hoe belangrijk juist deze heilbrengende boodschap voor de geesten en zielen in de gevangenissen van het hiernamaals was en ook nu nog is.

Veel christenen ontkennen evenwel, dat er ook na de aardse dood genade, voleinding en zaligheid bestaan. Ze willen alleen nog het gericht en het oordeel en - naar de maatstaf van hun aardse geloofsopvatting - gaat het voor hen of om een eeuwig, zalig leven, of om het voor eeuwig verdoemd zijn. Dit wordt evenwel door de blijde en ver­heugende tijding in de brief van Petrus weersproken! Het erbarmen van de Vader kent geen grenzen! Ja, het eerste bracht de Heer na de kruisiging juist aan de onzaligen, die waren overgeleverd aan het gericht van de geestelijke wereld, de boodschap van Zijn grote, verzoenende daad en van de allen omvattende liefde van God.

Deze nimmer eindigende liefde ontvouwt de Heer in Zijn nieuwe openbaringswoord:

"Omdat Ik Zelf het eeuwige leven ben, kan het nooit zo zijn dat Ik wezens voor de eeuwige dood heb geschapen!", zegt Hij in Van der Hölle bis zum Himmel, een werk dat over het hiernamaals gaat. - "Wel wordt er over een eeuwige dood geschreven, die een eeuwig onveranderlijk gericht is. En dit gericht vloeit uit Mijn orde voort, die on­wrikbaar is. Deze orde is het zogenaamde toornig – of beter gezegd: geestdriftig vuur van Mijn wil, die vanzelf­sprekend eeuwig onveranderlijk moet blijven, omdat dit anders voor al het geschapene direct het einde zou beteke­nen. Wie zich laat meeslepen door de wereld en alles wat zij te bieden heeft, moet zo lang als verloren en dood wor­den beschouwd, als hij zich niet weet los te maken van de materie, waarover het oordeel uitgesproken is. Omwille van de geschapen wezens moet er dus wel een eeuwig ge­richt, een eeuwig vuur en een eeuwige dood bestaan. Maar daarin ligt niet besloten dat een geest die gevangen is ook altijd onvrij zou moeten blijven. - Zijn gevangenis en ge­vangenschap dan niet twee dingen?! De gevangenis is en blijft eeuwig bestaan en het vuur van Mijn ijver mag nimmer doven; maar de gevangenen blijven slechts zo lang in de gevangenis tot ze zich bekeerd hebben."

 

De 'niet te overbruggen kloof'

 

De Heer: "In de gehele Schrift staat ook geen letter over het voor eeuwig verworpen of verdoemd zijn van een geest, maar er wordt alleen gesproken over een eeuwig verdoemd zijn van de orde die tegen Mijn eeuwige orde indruist, die noodzakelijk is, omdat anders niets zou kunnen bestaan. De zonde als anti-orde is werkelijk eeuwig verdoemd, maar de zondaar, degene die een zondig leven leidt, slechts zo­lang als hij in zonde leeft.

Weliswaar bestaat er dan ook werkelijk een eeuwige hel; maar er is geen geest, die eeuwig gedoemd zou zijn van­wege zijn zonden daarin te blijven, maar slechts tijdelijk tot zijn verbetering! Ik heb tegen de Farizeeën wel gezegd: 'Daarom zal verdoemenis u ten deel vallen'; maar Ik heb nooit gezegd: 'Daarom zult gij voor eeuwig verdoemd wor­den'!

Ook de 'onoverbrugbare kloof' in het verhaal van de rijke brasser heeft geen andere betekenis dan het nooit te over­bruggen verschil tussen Mijn volkomen vrije orde in de hemelen en de daar in alles lijnrecht tegenover staande anti-orde van de hel!

Het spreekt natuurlijk ook voor zich dat iemand die in zichzelf krachtens zijn vrije wil reeds totaal tot hel is ge­worden, zich daar ook niet zo gauw en gemakkelijk weer uit kan losmaken; want het is u immers ook maar al te goed bekend hoe moeilijk en zwaar het is voor een hoogmoedig iemand, die in volslagen egoïsme en heerszuchtige hoog­moed gevangen is, over te gaan in het zachtmoedige en nederige van de hemel. Zoiets is weliswaar geen onmoge­lijkheid, maar het is toch een grote opgave! De trotste keert altijd weer tot de trots terug, de onkuise tot de onkuisheid, de trage tot traagheid, de afgunstige tot afgunst, de gierig­aard tot gierigheid, de leugenaar tot leugen, de brassers en zwelgers tot zwelgen, de moordenaars tot moord, de onbe­schaafde tot onbeschaafdheid, de wellusteling tot wellust, enz. Ook al laakt men hun eigenschappen, die tegen de orde indruisen, ook duizend keer, toch vervallen zij weer in dezelfde zondige hartstocht, zodra hun de voor het eeuwige leven noodzakelijke vrijheid wordt gegeven, die nodig is, opdat zij hun eigen ontwikkelingsweg kunnen be­palen. En hoe vaker ze in hun oude fouten vervallen, des te zwakker worden ze en des te moeilijker wordt het voor hen om zich van hun hartstochten vrij te maken en als ge­reinigde geesten in Mijn waarachtige, eeuwige, goddelijke vrijheid over te gaan.

Dit is dus de betekenis van die zinnebeeldige 'kloof', waarover in het algemeen zo moeilijk een verbindende brug kan worden geslagen, zowel in het hiernamaals alsook in dit aardse bestaan! - Bij de mens is echter heel veel onmogelijk, wat bij Mij tenslotte toch wel degelijk mogelijk is en zal zijn!"

 

De verheerlijking van het lichaam

 

Wat gebeurde er evenwel met het lichaam van de Heer terwijl het in de donkerte van het rotsgraf lag en door ro­meinse krijgslieden werd bewaakt? - De nacht van het graf noch de sluitsteen noch de soldaten, die de wacht hielden, konden verhinderen dat met hetgeen eens tot om­hulsel diende van de heilige ziel en de goddelijke Geest van Jezus, een grote verandering plaatsvond en dat in drie da­gen dit stoffelijk omhulsel geheel uiteenviel en verheerlijkt werd.

Al veel eerder was de ziel van de Mensenzoon steeds meer doordrongen van de goddelijke Vadergeest, en bij het sterven, toen Jezus uitriep: "Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn Geest!", had de ziel zich helemaal en voor altijd verenigd met de oer-geest, waaruit ze eens als 'Zoon' was voortgekomen. Nu moest ook nog het stoffelijk lichaam vergeestelijkt worden. En dit werk van verlossing en van het terugvoeren van grofstoffelijke elementen van de Men­senzoon gebeurde juist in die tijd dat het in het graf ver­toefde.

Ook met deze 'verheerlijking' van Zijn lichaam is de Heer voor ons en voor de mensen van alle hemellichamen een hoog en heilig voorbeeld. Wij allen zullen, evenmin als Hij, weer opstaan in ons oude, stoffelijke lichaam. "Vlees en bloed", zegt Paulus, "kunnen het Rijk van God niet beërven. Een stoffelijk lichaam wordt gezaaid en een geestelijk lichaam zal opstaan." En in het woord van Zijn nieuwe Openbaring spreekt de Heer:

"Het is toch volkomen begrijpelijk dat het aardse li­chaam, nadat de ziel zich ervan heeft losgemaakt, nooit meer zal opstaan en in al zijn delen weer tot leven gewekt zal worden. Want, als dit het geval zou zijn, dan zou ook alles wat gedurende het tijdelijke leven door het lichaam is afgelegd, zoals bijvoorbeeld haren en nagels, maar ook zweetdruppels en bloed, die men in veel bittere voorvallen heeft verloren en dergelijke, nieuw leven moeten worden gegeven. Stelt u zich zo'n menselijke gestalte, die op de jongste dag tot leven is gewekt, eens voor! Zo'n lichaam zou er toch belachelijk uitzien! Ook heeft de mens immers op verschillende tijden een verschillend lichaam. Zo ziet het lichaam van een kind er anders uit dan het lichaam van een jonge man en ook weer anders dan het lichaam van een volwassen man of dat van een grijsaard. Bij een volkomen tot leven wekken van een gestorven menselijk lichaam zou logischerwijs de vraag moeten worden gesteld of alle vormen, welke het lichaam van de mens vanaf zijn jeugd tot aan de ouderdom gehad heeft tegelijk of de één na de ander of slechts één enkele vorm weer tot leven moet( en) worden gewekt. Daarnaast komt het voor dat lij­ken verbrand worden of door dieren worden opgegeten of op een andere manier tot ontbinding overgaan en dat hun bestanddelen in nieuwe levensvormen worden ingevoegd. Wie moet dan wel de vroegere menselijke lichaamsdelen uit de nieuwe vormen zoeken en weer tot een menselijke gestalte samenvoegen!?

En ofschoon ook in dit geval bij God niets onmogelijk zou zijn, blijft het de vraag tot welk nut dit voor een ziel zou kunnen dienen? De ziel, die zich eens van het zware lichaam heeft verlost, zou zich waarlijk toch zeer ongeluk­kig voelen als ze weer gedoemd was deel te zijn van het­zelfde zware lichaam - en wel voor eeuwig! Daarbij zou dit ook een verschijnsel zijn dat zich nooit zou kunnen ver­dragen met de eeuwige orde van God - in zoverre God Zelf de meest reine Geest is en uiteindelijk de mensen alleen maar de bestemming hebben tot aan God gelijke, zuivere geesten te worden voor alle eeuwigheid. Waartoe dienen dan hun oude, stoffelijke lichamen nog?! - Immers, de mens zal ook aan gene zijde met een lichaam zijn aange­daan, maar niet met een aards, grof -stoffelijk lichaam, maar hij zal een geheel nieuw, geestelijk lichaam hebben, dat ontstaat uit zijn goede werken hier op aarde, overeen­komstig de goddelijke leer."

Indien het stoffelijk lichaam dus weliswaar niet als zo­danig kan opstaan en het Rijk van God 'niet kan beërven', dan kan toch bij mensen die geestelijk ver ontwikkeld zijn niet alleen de ziel, maar, zoals bij de Heer, ook het lichaam zich vergeestelijken en verheerlijken. Daarvoor is nodig dat zijn grofstoffelijke elementen, die uit het oerwezen van Satan voortkomen, dan volledig doordrongen worden van de goddelijke geest van nederigheid en liefde en volledig tot diens hemelse wezen getransfigureerd worden. Van zo'n mens keert dan alles weer tot de Schepper en hemelse Vader terug en ook van het lichaam blijft zelfs geen atoom meer achter voor de vorst van de duisternis.

Dit hoogste levensdoel bereikte Henoch reeds in de tijd van het Oude Verbond, die "werd opgenomen en niet meer was"; zo ook Elia, die "op een vurige wagen", het zinne­beeld van zijn geest, ten hemel voer. En ook in het Nieuwe Verbond zijn hier voorbeelden van.

"Kinderen", spreekt de Vader in Bischof Martin, een werk over het hiernamaals, tot een ziel in het hiernamaals, "ont­houdt dit goed: wiens liefde voor Mij waarachtig boven alles sterk, rein en machtig is, diens lichaam zal door die vurige liefde voor Mij ook reeds een verandering onder­gaan, en wel in die zin, dat zijn vlees direct door het vuur van zijn geest uiteenvalt en gelouterd wordt en in het wer­kelijke leven en wezen van de geest wordt opgenomen. Op aarde zijn genoeg voorbeelden van zo'n veranderings­proces aan te wijzen, zowel in vroegere als in meer recente tijden. Maar aan zo'n proces moet ook de vereiste oorzaak voorafgaan. Bij te weinig warmte smelt zelfs was niet eens, laat staan het erts! - Begrijp je dit?!"

Hierop antwoordt de ziel: "Ja, Vader, ik begrijp dit zeker; want ik ben zelf als die was of dat erts en ik heb zelf veel te weinig warmte in mij om de was ook maar enigszins week te maken, laat staan om het harde erts van mijn stof­felijkheid te laten smelten. En evenzo zullen er ook wel heel wat broeders op aarde leven, die in hun hoedanigheid niet alleen aan het erts, maar zelfs aan diamant doen den­ken! - Zoals gij zegt, zullen wij allen daarom wel moeilijk kunnen worden veranderd!?"

De Vader antwoordt daarop: "Je weet dat bij Mij heel veel mogelijk is, wat voor jou onmogelijk lijkt! - Ik zeg je, ook in de graven gebeuren wonderen, die door het natuur­lijk oog van de aardemens niet waargenomen worden!"

 

Liefde, Gij die mij tot beelt'nis

van Uw Godheid hebt gemaakt;

Liefde, Gij die mij zo minzaam

na de val hebt weergebracht:

Liefde, aan U geef ik mij,

Eeuwig blijf ik U nabij!

 

Liefde, die mij heeft verkoren,

eer dat ik geschapen was;

Liefde, die U mens deed worden,

en daardoor ook mij genas:

Liefde, aan U geef ik mij,

Eeuwig blijf ik U nabij!

 

Liefde, die voor Mij geleden,

voor mij eens gestorven zijt,

door de strijd door U gestreden

vindt mijn ziel nu zaligheid.

Liefde, aan U geef ik mij,

Eeuwig blijf ik U nabij!

 

Liefde, die mij zal bevrijden

uit het graf der sterf'lijkheid;

Liefde, die mijn hoofd wil sieren

met de kroon der heerlijkheid:

Liefde, aan U geef ik mij,

Eeuwig blijft Gij mij nabij!

 

Johann Scheffler (1624 - 1677) (vertaling)

 

 

Mijn lichaam is plaatsvervangend voor jullie zielen;

opdat jullie zielen zullen leven, moet het zijn

leven laten, en het door hem gelaten leven zal

jullie zielen weer eeuwig ten goede komen. Op de

derde dag zal echter Mijn lichaam ook weer geheel

veranderd tot leven komen, en de volheid van Mijn eeuwige Geest

zal jullie dan doordringen en zal jullie

in alle waarheid leiden.

 

Ik ben de Weg, de Waarheid,

de Opstanding en het Leven.

Wie in Mij gelooft en naar Mijn leer leeft

heeft het eeuwige leven in zich

en zal de dood niet zien noch voelen,

ook al zou hij naar het lichaam duizend maal sterven.

Want wie in Mij gelooft, Mijn geboden onderhoudt en

Mij boven alles liefheeft, die is in Mij en Ik ben

in de Geest in hem.

In wie Ik echter ben, in hem is ook

het eeuwige leven.

 

 

6. Opstanding

 

Johannes: Op de eerste dag na de sabbat ging Maria van Magdala vroeg in de morgen, toen het nog donker was, naar het graf en zag dat de steen van het graf was wegge­nomen. IJlings kwam zij bij Simon Petrus en bij de andere discipel, die Jezus in het bijzonder liefhad, en zei tot hen: "Ze hebben de Heer uit het graf weggenomen en we weten niet waar ze Hem hebben neergelegd."

Petrus en de andere discipel gingen naar buiten en bega­ven zich op weg naar het graf. Samen gingen zij op weg, maar de andere discipel liep vooruit, sneller dan Petrus, en kwam als eerste bij het graf. Hij boog zich voorover en zag de linnen windsels liggen, hij ging echter niet naar binnen. Nu kwam ook Simon Petrus achter hem aan en ging het graf binnen. Hij zag er de linnen doeken liggen, maar de zweetdoek, die op Jezus' hoofd was geweest, zag hij niet bij de doeken liggen, maar opgerold terzijde op een andere plaats. - Toen ging ook de andere discipel, die het eerst aan het graf was gekomen, naar binnen, en hij zag het ook en geloofde; want zij hadden de Schrift nog niet begrepen, dat Hij uit de doden moest opstaan. - De beide discipelen gingen vervolgens weer naar huis.

Maria echter, stond buiten dicht bij het graf en weende. Terwijl zij weende, boog zij zich voorover en keek in het graf. Daar zag zij twee engelen zitten, in witte klederen, één aan het hoofdeinde en de ander aan het voeteneinde van de plek waar het lichaam van Jezus gelegen had. Een van de engelen zei tot haar: "Vrouw, waarom weent gij?" - Ze antwoordde: "Omdat ze mijn Heer weggenomen hebben en ik niet weet waarheen ze Hem hebben ge­bracht." Nadat ze deze woorden had gesproken, keerde ze zich om en zag Jezus staan, maar zij wist niet dat het Jezus was. - Jezus zei tot haar: "Vrouw, waarom weent gij? Wie zoekt gij?" - Maria meende echter dat het de hovenier was en zei Hem: "Heer, als gij Hem weggedragen hebt, zeg mij dan waar gij Hem hebt neergelegd; ik zal Hem dan weer halen." - Toen sprak Jezus tot haar en zei: "Maria!" - Zij keerde zich om en in het Hebreeuws riep ze uit: "Rabboeni!", dat wil zeggen 'Meester!' - Jezus echter zei tot haar: "Raak Mij niet aan, want Ik ben nog niet opge­varen naar de Vader, naar Mijn God en uw God." - Maria van Magdala ging heen en boodschapte aan de discipelen, dat zij de Heer had gezien en dat Hij haar dit gezegd had.

Toen het dan avond was geworden op die eerste dag na de sabbat en de deuren van de plaats waar de discipelen zich bevonden uit vrees voor de Joden gesloten waren, kwam Jezus, trad in hun midden en zei tot hen: "Vrede zij met u!" Na dit gezegd te hebben toonde Hij hun Zijn han­den en Zijn zijde. De discipelen waren verblijd toen zij de Heer zagen. Jezus dan zei nogmaals tot hen: "Vrede zij met u! Zoals de Vader Mij gezonden heeft, zo zend Ik ook u." Na deze woorden blies Hij op hen en sprak tot hen: "Ont­vangt de heilige Geest! Wie gij hun zonden vergeeft, die zijn ze vergeven; wie gij ze toerekent, die zijn ze toege­rekend. "

Thomas echter, een van de twaalven, met de bijnaam 'Tweeling', was niet bij hen, toen Jezus gekomen was. De andere discipelen dan zeiden tot hem: "Wij hebben de Heer gezien." Maar hij antwoordde hen: "Indien ik in Zijn han­den niet het teken zie van de nagels en mijn vinger niet leg in het teken van de nagels en mijn hand niet leg in Zijn zijde, zal ik nimmer geloven." - Acht dagen later waren de discipelen weer in het huis en dit keer was Thomas bij hen.

Jezus kwam, terwijl de deuren gesloten waren, stond in hun midden en zei: "Vrede zij met u!" Daarna zei Hij tot Tho­mas: "Kom hier met uw vinger en zie Mijn handen! Kom hier met uw hand en leg die in Mijn zijde, en wees niet on­gelovig maar gelovig!" Daarop antwoordde Thomas Hem: "Mijn Heer en mijn God!" - Jezus antwoordde hem: "Om­dat je Mij gezien hebt, ben je gaan geloven. Zalig zijn zij, die niet gezien hebben en toch geloven!"

Jezus heeft nog vele andere tekenen voor de ogen van Zijn discipelen verricht, die niet beschreven zijn in dit boek. Deze zijn echter opgeschreven, opdat gij gelooft dat Jezus de Messias, de Zoon van God is, en opdat gij door het geloof het leven hebt in Zijn naam.

 

Tegenspraak in wat de evangeliën verkondigen

 

De berichten van de bijbelse evangeliën over de gebeurte­nissen bij de opstanding luiden, zoals bekend, heel ver­schillend. In de meest eenvoudige woorden wordt door Johannes, de ooggetuige en geestelijk meest verlichte onder de discipelen, het wezenlijke van de gebeurtenissen geschil­derd.

Door middel van het nieuwe Woord van God, door Jakob Lorber ontvangen, is ook op deze niet eensluidende op­standingsverhalen een verhelderend licht geworpen.

Men vertelt ons: toen Maria Magdalena op de ochtend na de sabbat naar het graf van de Heer ging, was ze niet alleen, maar enkele andere vrouwen gingen met haar mee. Met Maria van Magdala erbij waren het er in totaal zeven. Omdat deze eerste getuigen wat betreft hun natuurlijke aanleg, maar ook in hun geestelijk schouwen en kennen verschillend waren, waren ook hun waarnemingen anders en luidden dienovereenkomstig ook hun verhalen verschil­lend. En zodoende kwamen de veelvuldige geruchten, die op die waarnemingen berustten, tenslotte ook in een heel verschillende vorm bij de vier evangelisten.

"Indien gij dit samenvat", zegt de Heer in een verklarend woord door Jakob Lorber, "is het beslist niet moeilijk de oorzaak te begrijpen, waarom de vier evangelisten elkaar met betrekking tot deze feiten schijnbaar tegenspreken. Want de mededelingen, die de apostelen en discipelen be­reikten, verschilden van elkaar omdat de vrouwen natuur­lijk en geestelijk verschillend geaard waren, en zo tekenden de schrijvers, ieder naar zijn geloof, ook verschillende din­gen op. Want hoewel ze onder leiding van Mijn heilige Geest geschreven hebben, was hun wil toch vrij en waren ze derhalve ook vrij in hun oordeel en acceptatie. En zelfs als hun wil, zoals bij Johannes, door de wedergeboorte, die had plaatsgevonden, helemaal goed door God geleid was, dan was hun verkondiging dus des te meer volkomen, in overeenstemming met Mijn wil. Indien u dit dan alles weet, laat u dan niet meer door zulke kleinigheden op een dwaal­spoor brengen, maar word ijverige en ware daders van het woord; wanneer u zo handelt, zult u aan geen enkele tegenspraak meer aanstoot nemen!

Indien u echter louter hoorders van het woord bent en u zou dit naar uw traag verstand een plaats willen geven, dan zult u juist daar de grootste en ergste tegenspraken ont­dekken waar het uw eigen, eeuwige opstanding betreft.

Wilt u echter volstrekt kritisch te werk gaan, let dan eerst op de ordening van de op elkaar volgende evangelis­ten volgens de Bijbel en vergelijk die met de vier belang­rijkste fasen die de mens doormaakt, van zijn uiterlijke geloof tot aan de meest innerlijke wedergeboorte. Deze ont­wikkelingsgang begint de mens in de avond, wordt door de nacht verzocht, tot dan de ochtendschemering aanbreekt en deze steeds toeneemt tot aan het aanbreken van de eeuwige levensdag door Johannes! - Als u dat begrijpt, dan zult u spoedig geheel tot klaarheid in uzelf komen."

 

Maria Magdalena - de eerste bij het graf

 

In het verslag van Johannes over de opstanding heeft, overeenkomstig de belangrijkheid van dit fundamentele heilsfeit, elk woord naast zijn uiterlijke betekenis ook een diepe geestelijke betekenis. Pas in dit hogere licht bezien, beseffen we de waarde die we moeten toekennen aan deze beschrijving, die de lievelingsleerling van Jezus ons vanuit een reine geest van goddelijke liefde en waarheid heeft ge­geven.

"Op de eerste dag na de sabbat" - hiermee begint het verslag zoals Johannes dat geeft. En omdat voor de Joden met deze dag een nieuwe week van arbeid begon, willen deze inleidende woorden zeggen, dat ook met de opstan­ding van Jezus Christus een nieuw zijn en leven van de gehele schepping een aanvang nam, doordat zich een nieuw hemelrijk opende. - "Zie, Ik maak alle dingen nieuw!"

Maar het was nog "vroeg in de ochtend, toen het nog donker was". Slechts een enkele ziel was reeds ontwaakt. - Met hen begeeft Maria van Magdala zich naar het graf van de Heer die ze liefheeft. Maar de steen voor het graf is weggerold, het graf is leeg. En de liefde van Magdalena, die nog steeds aan het uiterlijke, aan het lichamelijke hangt, is met verbijstering geslagen en ijlings haast ze zich totaal van streek naar huis terug, naar Petrus met zijn standvastig, doordacht geloof en naar Johannes met zijn zuivere, hemel­se liefde: "Ze hebben de Heer uit het graf weggenomen ­we weten niet waar ze Hem hebben neergelegd!"

 

De haast van de discipelen

 

Dan begeven er zich nog twee op weg om de Heer te zoe­ken en te vinden: Petrus en Johannes - het standvastige geloof en de zuivere, hemelse liefde.

Ze gaan hun weg gezamenlijk. Maar de "andere discipel", die zijn aardse naam niet noemt, omdat hij het zuiver hemelse vertegenwoordigt, loopt sneller dan Petrus - en bereikt als eerste het doel, het lege graf, dat door de Heer is verlaten.

Johannes, de hemelse liefde, "buigt zich voorover" en in deze houding van de zich buigende deemoed, beseft deze in een flits dat zij de eerste bewijzen ziet van het grote, on­metelijke heilsfeit. Zij ziet de linnen doeken liggen en de geest zegt door middel van dit uiterlijke teken reeds zo veel aan de ziel, dat haar lichte, hemelse liefde voor verder on­derzoek niet het graf hoeft binnen te gaan; dat wil zeggen: de hemelse liefde zoekt geen concrete bevestigingen en be­wijzen. Johannes "zag - maar ging niet naar binnen". Want geweldige vermoedens vervulden reeds zijn hart.

Even later kwam ook de tegelijk met Johannes naar het goddelijk heil en inzicht snellende Petrus, het verstand, "achter hem aan".

Het verstand - al zoekt het nog zo naarstig en al is het nog zo bedreven - gaat niet zo snel als de liefde. Het heeft niet die machtige, vurige drang, noch die goddelijke kracht. Daarbij komt het verstand ook niet zo snel en zo gemakke­lijk tot inzicht als de liefde, die bij het doel stil houdt en zich deemoedig buigt voor de influisteringen van de Geest. Daarom ook moet het geloof zonder terughouding het graf binnengaan, intreden in het stoffelijk, materiële omhulsel van het goddelijk leven van de Geest. Het geloof moet in de directe nabijheid de bewijzen in de vorm van de uiterlij­ke tekenen exact kunnen onderzoeken.

Het verstand van Petrus "zag" daar dan ook eveneens de "linnen doeken" liggen. En verder kijkend ziet hij: "de zweetdoek, die Jezus op het hoofd had gehad, lag niet bij de doeken, maar opgerold terzijde op een andere plaats". Hieruit kon het verstand van Petrus logischerwijs afleiden, dat het lichaam van de Heer niet door vijanden was ge­roofd, maar op een andere manier, langs vreedzame, orde­lijke weg, was weggenomen. Want kwaadwillige rovers en vijanden zouden de zweetdoek zeker niet met zorg hebben opgerold en apart hebben gelegd, maar ze zouden het met de andere doeken achteloos hebben weggeworpen. Petrus kon echter nog niet geloven dat er een werkelijk wonder van God had plaatsgevonden, dat de Heer uit de dood was opgestaan. Hij bleef met stomheid geslagen en durfde geen ja te zeggen, maar kon het gebeurde ook niet ontkennen.

Maar dan gaat ook "de andere discipel", die de reine, hemelse liefde vertegenwoordigt en stil hield voor het graf, naar binnen, ziet "het" ook en - gelooft! Hij gelooft dat de Heer door eigen Godskracht uit de dood is opgestaan en nu eeuwig leeft! Terwijl het verstand nog draalt en over­weegt, heeft de zuivere liefde reeds het doel van de waar­heid bereikt.

Zo gaan de beide discipelen na hun gemeenschappelijke tocht naar het graf weer "huiswaarts" - ieder met het resul­taat van zijn rennen en zoeken. En zo zal ook elk van ons eens terugkeren naar het eeuwige Vaderhuis met datgene wat hij met zijn gaven door zijn liefde en zijn handelen heeft verworven.

 

"Raak Mij niet aan!"

 

Wat was er intussen met Maria, die Hem zo liefhad, ge­beurd? Ze stond "buiten aan het graf en weende". Haar liefde, die nog sterk aards gericht was, vermoedde nog niets van dit grote hemelse geheimenis. Haar denken wordt nog bepaald door het aardse-stoffelijke, zoals de dingen zich uiterlijk aan haar voordoen. Terwijl ze weent "buigt ze voorover en kijkt in het graf". - En dan komt die deemoe­dige liefde van God, de Heer en Vader met Zijn zalig­makende licht van waarheid haar stap voor stap, zodat ze het kan verdragen, in genade tegemoet. Het geestelijk oog in haar wordt geopend. Aan het hoofd- en voeteneinde van de plaats waar ze het lichaam van Jezus had gezocht, ziet ze, als wachters, twee engelen in witte klederen.

"Vrouw!", zeggen ze tot haar, "waarom weent gij?" - Ze antwoordt hen: "Omdat ze mijn Heer hebben weggenomen en ik niet weet waar ze Hem hebben neergelegd."

Ze draait zich om, daarmee gevolg gevend aan een ge­heime ingeving van haar hart, en met het oog van de geest ziet ze dat de Heer in het verheerlijkte zielelichaam voor haar staat. Het geestelijk oog in Maria is evenwel nog niet voldoende scherp om de Heer, die "in het donker van de vroege ochtend" op het punt staat ten hemel op te varen ("Ik ben nog niet opgevaren tot Mijn Vader"), te herken­nen. En pas als zij met een geestelijk horen Zijn stem hoort en haar naam uit Zijn mond hoort noemen, herkent haar hart Hem. En onder de schreeuw "Meester!", die ze in haar moedertaal "in het Hebreeuws", de taal van haar innerlijk, uitstoot - rent ze naar Hem toe om Hem te omarmen. Maar haar liefde, die nog te aards is, mag nog niet tot het reinste goddelijke Wezen genaken. En daarom hoort ze uit de mond van de Opgestane de woorden: "Raak Mij niet aan!, want Ik ben nog niet tot Mijn Vader opgevaren." Voor haar is het moment nog niet gekomen, dat ze zich aan Jezus' borst mag vlijen; dat zal pas kunnen, wanneer de Heer geheel is opgevaren en ook haar zal hebben gereinigd van elke aardse hoedanigheid door de machtige stroom van de heilige Geest, die Hij dan zal uitstorten. Ze mag wel de voeten van de Heer omvatten. Mattheus bericht dat zij vanuit een gevoel van haar menselijke onwaardigheid op de knieën viel en vol liefde en deemoed de voeten van de Heer omklemde.

 

Het omklemmen van de voeten

 

Ook op deze scène, waarover Johannes en Mattheüs niet eensluidend zijn in hun overlevering, heeft Jakob Lorber een verhelderend licht ontvangen.

Zo lezen we bij hem: "Zie, Maria Magdalena was ook tot jaloersheid toe op Mij verliefd en ze beschouwde Mij for­meel als haar enige minnaar, voor wie zij was uitverkoren. Van Mij had ze slechts het idee, dat Ik een groot profeet was. Mij n Goddelijkheid was haar echter nog vreemd. Haar verliefde hart in aanmerking genomen, had door Mijn lij­den en sterven misschien ook niemand zoveel verloren als juist zij, omdat ze niet alleen haar Redder, Heer en Meester had verloren, maar ook de enige Geliefde van haar hart; om die reden was zij ook ontroostbaar.

En daarom was zij ook de eerste die naar Mij informeer­de - in aanwezigheid van de anderen, die hetzelfde meer vanuit een vrome droefheid dan vanuit een dergelijke on­uitputtelijke liefde deden.

Toen ze Mij, haar verloren gewaande Geliefde, opeens voor zich zag staan, voelde ze zich van alle ketenen bevrijd. Ze schreeuwde luid en wilde zich in de opwelling van haar hartstochtelijke liefde direct op Mij werpen. Bedenk even­wel wie en wat Ik was en ben, dan wordt jullie ook dit duidelijk: "Noli me tangere!" Stel je echter ook de bijzonder sterke liefde van Magdalena voor, en het wordt ook begrij­pelijk waarom ze Mijn voeten omklemde.

Bedenk daarbij dan dat Mijn lieveling Johannes uit Mijn ziel schreef, maar Mattheüs "uit Mijn voeten"; hierdoor wordt ook de latere, grote boetedoening van Magdalena begrijpelijk, omdat ze pas na Mijn hemelvaart kon begrij­pen wie eigenlijk Degene was, van wie ze dacht dat Hij haar geliefde was. Pas na haar grote boete is ze Mij werkelijk in een geest van deemoedigheid en waarheid gaan liefhebben.

Ik zeg u evenwel, indien iemand Mij niet liefheeft zoals Magdalena dat heeft gedaan, die zal Mij dan verder niet vinden en hij zal niet "op Mijn voeten" het eeuwige Leven binnengaan, en zal nooit van de voortdurende tegenspraak van zijn wereldse leven bevrijd worden. Ziet, Mijn Rijk kenmerkt zich door grote en heilige zuiverheid, en er zal nooit iets wat onrein is binnen komen. Denk slechts aan de vijgeboom, die geen vrucht droeg, en aan de dienaar van twee vijanden en los zelf de tegenspraak in uw hart op. Ben Ik, uw God, uw Vader dan niet degene die u, meer dan de wereld dat doet, in alles raadt!"

Ziet, thans spreek Ik, morgen handel Ik en overmorgen wil Ik komen! Wie niet thuis is, aan diens woning zal Ik voorbij gaan. - Amen.

Dat zegt degene, die nooit verhindert dat men Zijn voe­ten omklemt! - Amen, Amen, Amen!"

 

" Vrede zij met u!"

 

Nadat ook de stoffelijke substantie van Jezus' lichaam bij het aanbreken van de derde dag helemaal was vergeeste­lijkt en zich met de ziel geheel met de Vader, het oerlicht ­ "haar God en onze God" - verbonden had, en zo de op­standing voleindigd was, kon de Heer van nu af in een ge­heel nieuw, onvergankelijk geestelijk lichaam aan de disci­pelen verschijnen, die in vrees en hoop in een afgesloten ruimte bijeen waren.

    Waarom begroette Hij hen bij deze ontmoeting twee maal met de woorden: "Vrede zij met u!"?

De eerste keer, bij het komen, treft Hij de verlaten schare, die zonder leider is, in angstige vrees en grote bezorgdheid aan. Zal het werkelijk zo zijn zoals de Heer, toen Hij nog leefde, heeft beloofd en waarin Johannes gelooft, waaraan Petrus nog half twijfelt en waar Magdalena in uitbundige vreugde iedereen van laat weten? Zal het grote bewijs van de Goddelijkheid en van het onvergankelijke leven door de opstanding van de Mensenzoon worden geleverd? Dit waren de vragen die de in beroering gebrachte gemoede­ren van de bevreesd achter gesloten deuren bijeengekomen discipelen bezig hielden.

En zoals de discipelen destijds, zo vergaat het ook ieder mens, voordat de Heer als de Meester van het Leven tot hem komt en hem in het gesloten vertrek van zijn angstig innerlijk de vredesgroet brengt. - Ja, de gehele wereld ver­gaat het niet anders, tot Hij ook haar met de woorden: "Vrede zij met u!" Zijn opstanding verkondigt en de te­kenen van Zijn wonden laat zien. Slechts in Hem, die zich voor ons heeft gegeven en voor ons is opgestaan, vinden we allen de waarachtige en eeuwige vrede! En daarom luidde dan ook het eerste woord van de weergekeerde Heer zo, als Johannes dat ons heeft overgeleverd

    Maar ook bij het weggaan sprak de Heer nogmaals tot de schare discipelen: "Vrede zij met u!"

Nu, nadat ze Hem hadden herkend als de Opgestane uit de dood, als de Heer en Meester van het eeuwige leven, was alle vrees uit hun hart geweken.

Wie zou niet het liefst met de opgestane Heer direct het Rijk van de hemelse Vader, het Rijk van de Geest zijn binnengegaan!? - Kennen wij niet allemaal dit verlangen om "weggerukt" te worden?!

Maar "Vrede zij met u!" spreekt de Heer tot de discipe­len. "Volgens het grote plan en de wijze wil van de Vader ligt uw opdracht niet in het "weggerukt" willen worden en opvaren in Mijn onzichtbaar Rijk! Maar: zoals de Vader Mij gezonden heeft, zo zend Ik u! Ontvang Mijn heilige Geest, opdat uw liefde, wijsheid en kracht volmaakt zal worden en u naar Mijn wil kunt werken. Leert en getuigt wat door Mij de Geest aan u heeft geleerd en getuigd. Aan wie gij de zonden vergeeft, die zijn ze vergeven. Aan wie gij ze toerekent, die zijn ze toegerekend. Want de Geest zal u zeggen wie in de orde van de Vader staat en wie niet in die orde is, en wie door u met liefde, geduld, erbarmen en zachtmoedigheid moet worden geleid, onderwezen en ge­dragen, om te komen tot het doel van de volmaaktheid en van het eeuwige leven bij en in Mij."

 

Thomas

 

"Thomas, één van de twaalven, bijgenaamd "de tweeling", was echter niet met hen toen Jezus daar kwam." - Waarom vertelt de anders zo zwijgzame en geestelijk-innerlijke Johannes hier zoiets uiterlijks, namelijk dat de discipel Thomas de bijnaam 'tweeling' had? - Deze naam duidt op het feit dat in Thomas een tweeslachtige natuur leefde, die zich steeds weer deed gelden.

Thomas was, zoals we uit de werken van Lorber weten, met Andreas, de broer van Petrus, de eerste discipel die zich al in Bethabara (de plaats waar Johannes, de wegbe­reider van de Heer, doopte) bij de Heer had aangesloten. In hem leefde dus een sterke drang naar wat goddelijk rein, groot en goed was; bij het zien van het 'Lam Gods' raakte zijn ziel daarvan reeds vervuld door de machtige werking van de Geest.

En later horen we ook uit de mond van Tho­mas, toen de Heer de zeer gevaarlijke tocht naar Bethanië begon om voor de ogen van de tempeldienaren hun grote tegenstander Lazarus uit het graf op te wekken, de dodelijk vermoeide oproep tot de discipelen: "Kom, laten wij ook gaan om met Hem te sterven!" (Joh.11:16).

Maar toen Thomas door de Heer als discipel werd opge­nomen en onder Zijn goede hoede en onderricht stond, ontkwam hij er aan de andere kant toch niet aan om zich zorgen te maken over zijn familie en andere aardse zaken. Voordat hij definitief een volgeling van de Heer werd, vond hij dat hij nog een keer naar zijn geboortestreek moest gaan om er alles voor elkaar te maken, de doden te begraven, zij die leefden te verzorgen en zijn familie en vrienden in te lichten over de reden, waarom hij bij Jezus vertoefde. Deze bedrijvige, aardse zorg en voorzorg vloeide bij Thomas, evenals bij Lazarus' zuster Martha, voort uit een zuivere liefde tot de naaste. Daarom was zij in de ogen van de Heer ook niet ongezegend; de mensenvriend, die zich voor de ander inzet, is immers ook Gods naaste vriend en hij toont zich Zijn grote liefde, genade en erbarmen altijd waardig.

Toch was Thomas' liefde voor het aangezicht van de allerhoogste Liefde nog niet geheel volmaakt. In de hemelse orde betoont men zijn liefde tot de naaste niet zelfstandig en eigenmachtig uit zichzelf, maar in volkomen zin hebben wij eerst God boven alles lief. En wat niet de naam Schep­per draagt, maar slechts schepsel heet, hebben wij alleen maar lief uit Hem en als Zijn eigendom. Want alles heeft toch van Hem zijn eeuwig leven, dat nooit verloren gaat ­ zowel het liefhebbende als het beminde schepsel. De Vader - niet het schepsel - is alles in allen! En wie als leerling en kind bij de Vader is, die kan ook voor de zijnen, voor de geschapen creatuur, pas goed zorgen, waken, werken en bidden.

En daarom handelde de 'tweeling' Thomas, vanuit zijn tweeslachtige natuur toch niet geheel in overeenstemming met Gods ordening. Door zijn zorg voor de wereld en voor zijn geliefden en vrienden ging hij voorbij aan het hemels tehuis van de Heer en zocht dit op aarde. En het is ken­merkend en van diepe betekenis dat hij het was, die juist in zijn zorg om de mens en wereld zijn streekgenoot Judas als nieuwe discipel meenam, tot diens zegen en vloek en tot zijn eigen verdriet en ergernis.

Maar ook op het moment dat de Heer na Zijn Opstan­ding voor het eerst verscheen, bevond Thomas zich van­wege zijn aardse beslommeringen niet onder de kleine, ge­lukkige schare, die rond Petrus en Johannes, - in afwach­ting van de grote, hemelse dingen die stonden te gebeuren -, in de heilige stad van de openbaring getrouw bij elkaar waren gekomen. Na de dood van de Heer had Thomas, door onrust en twijfel gedreven, zich op weg begeven om langs eigen weg en op andere plaatsen dat te doen wat volgens zijn inzicht noodzakelijk was. Waar hij verbleef en wat hij deed wordt ons niet verteld, omdat het aardse han­delen van de eigenmachtige mens zonder de Geest van God immers nooit een blijvende, heilbrengende betekenis kan hebben.

Wat Thomas door de aard van zijn karakter evenwel ver­zuimde - is ons door Johannes verteld. Hij, die als een van de eersten de betekenis van de Mensenzoon Jezus als Mes­sias had ingezien, moest de laatste van de discipelen zijn, die dit reine, geestelijke Wezen, de Opgestane, in Zijn ver­heerlijking en volmaaktheid mocht aanschouwen.

Maar na deze wijze verootmoediging viel Thomas tenslotte door zijn grote broederliefde ook weer een grote, ja gewel­dige genade ten deel, daar hij wellicht als eerste onder de discipelen in de vroegere Mensenzoon en nu verheerlijkt voor hem staande Jezus in alle duidelijkheid de enige God Jehova mocht herkennen. Op de knie vallend kon hij uit het diepst van zijn verlichte hart uitroepen: "Mijn Heer en mijn God!"

 

Mijn Heer en mijn God!

 

Hoe kon het dat juist Thomas doordrongen was van dit meest diepe en heilige inzicht - dat God de Vader Zelf zich in Jezus openbaarde - terwijl iemand als Filippus nog vlak voor de kruisiging, dus een paar dagen daarvoor, had moeten vragen en zeggen: "Toon ons de Vader!"?

Thomas' broederliefde was juist een uitstekend funda­ment voor zijn latere door onderricht en ervaring verkre­gen grote liefde tot God. Want wie zijn broeder, die hij ziet, niet liefheeft, hoe zal die God, die hij niet ziet, kunnen lief­hebben? Wie zijn broeder echter liefheeft, opent daardoor zijn hart om de Geest van God en daarmee ook Gods Lief­de volledig in zich op te nemen. God, de Schepper en hemelse Vader, hoeft een mens, die de goddelijke, zuivere liefde als broederliefde reeds in zich draagt, slechts door middel van enkele bewijzen de ogen te openen. Een hart dat tot liefhebben in staat is verandert dan al gauw en keert zich tot Hem, de waarachtig volmaakte 'Oer-Mens', de Vader van alle vaderen en Broeder van alle broeders. En wie tot nu toe zijn naaste heeft liefgehad, zal nu dubbel zijn liefde aan zijn Allernaaste schenken, die immers niet zoals de mens in Zijn Wezen onvolmaakt is, maar goddelijk aller­volmaaktst in hetgeen Hij geeft en neemt.

De Heer hoefde Thomas, de 'tweeling', slechts de ogen te openen, opdat hij tot waarachtig inzicht zou komen. En Hij deed dit, zoals Johannes laat weten, met grote, ja einde­loze mildheid en uiterst zorgvuldig. Voor hem, Thomas, komt de Heer nog eens in het bijzonder! Mochten de an­deren bij de eerste ontmoeting de heilige tekenen van de Liefde, die zich offerde, alleen maar aanschouwen, hij mag deze tekenen voelen - eerst de voeten en handen en ver­volgens de dodelijke wond van het hart.

Het ene bewijs na het andere wordt aan de twijfelaar gegeven, die door het tweeslachtige van zijn wezen heen en weer geslingerd wordt tussen het hemelse en het aardse. Daarna spreekt de Heer ernstig en met klem tot de tot in­zicht gekomen Thomas: "Wees nu voortaan niet meer on­gelovig, maar gelovig!"

 

7. De Hemelvaart van Christus

 

De Heer: "Luister naar een niet bekend evangelie over 'De hemelvaart van de Heer', die plaats vond in Bethanië op een berg, welke voorheen geen naam had en daarom pas na de hemelvaart de naam kreeg van de 'Berg des Heren', ook wel 'Berg der hemelvaart', volgens sommigen ook 'De weg naar Gods Hoogte'. Dit evangelie luidde destijds alge­meen, zoals het door alle ooggetuigen werd verteld, als volgt:

Nadat de Heer nogmaals aan het meer, waar Zijn broe­ders* (* D.w.z. Zijn geestelijke broeders, de discipelen (De Uitg.).) aan het vissen waren, was verschenen, verbleef de Heer nog enkele dagen met hen en Hij onthulde hen diepe geheimen aangaande het innerlijk leven. Wat Hij echter ge­durende deze tijd tot hen sprak mocht niet worden opge­tekend, vanwege de menigte en omdat de wereld het niet zou begrijpen.

Niet al Zijn broeders en discipelen verkeerden in Zijn gezelschap, maar hoofdzakelijk zij, die Hij in het bijzonder liefhad. Dit waren dan: Petrus, Jacobus, Filippus, Jacobus de jongere, Andreas, Mattheus en Johannes.

Twee dagen voordat het sabbat zou zijn, sprak de Heer tot Petrus: "Simon, omdat je Mij driemaal vanuit de grond van je hart gezworen hebt dat je Mij liefhebt, opdat je Mijn schapen zult weiden, ga dan heen en verkondig aan de an­dere broeders dat de Heer hun komst verbeidt."

En Simon Petrus ging heen en deed wat de Heer hem had opgedragen. Toen de andere broeders dit hoorden, verlieten ze meteen Jeruzalem en gingen op weg naar Be­thanië en velen onder het volk gingen met hen mee, omdat ze ook in het woord van de Heer geloofden.

Toen ze op de plaats aankwamen waar de Heer met zes van Zijn discipelen verbleef, geloofden velen dat Hij de Heer was, die was gekruisigd. - Maar onder het volk waren er ook velen, die niet geloofden, en zij hielden de Heer voor een verklede discipel, die op de Heer leek naar gezicht en gestalte.

De Heer opende evenwel Zijn mond en sprak tot Zijn apostelen: "Blijf nog tien dagen bij elkaar, dan zal Ik u de Heilige Geest zenden en geven.

Ik zal u geen vreemde geest geven, maar Ik zal u Mijn Geest van liefde en wijsheid zenden en geven, opdat u macht zult krijgen door hem, zoals Ik macht had onder u door de Vader, die Mij in Zijn volheid tot u heeft gezonden vanuit de Hoogte van alle Heiligheid Gods.

Zoals de Vader in Mij is en Ik in Hem en Wij van eeuwig­heid één zijn geweest, zo zult ook gij één zijn met Mijn Geest in u tot aan het einde der wereld.

Ik ga u nu weliswaar zichtbaar verlaten en van nu af zult u Mij niet meer zien met uw lichamelijk oog; maar in Mijn Geest zal Ik bij u blijven tot aan het einde der wereld. En Mijn Geest zal u in alle wijsheid leiden en zal u alles geven wat u in Mijn naam zult vragen.

    Daarom kan Ik voortaan niet meer onder u zijn, maar omwille van uw eigen heil moet Ik opvaren naar de hoogte van Mijn eeuwige heerschappij, opdat Ik voor u een blij­vende woonplaats in het rijk der hemelen kan bereiden.

Thans kunt u echter nog niet gaan waarheen u Mij ziet opgaan. Wanneer echter uw uur gekomen zal zijn, dan zult u ook daarheen kunnen opgaan, waar Ik thans heenga.

Wanneer Mijn Geest echter over u is gekomen, trek dan uit naar alle landen van de aarde en leer alle volken wat Ik u geleerd heb en wat u gezien hebt en doop hen in de naam van de Vader, van de Zoon en van de Heilige Geest in u! En Ik zal Mijn heilige Geest ook zenden naar hen, die uw leer aannemen en door u gedoopt worden, zoals Ik in de Jordaan door Johannes werd gedoopt; voor uw ogen zullen zij in hun hart over Mij getuigen."

Nadat Hij deze woorden gesproken had, blies de Heer op al Zijn apostelen en sprak tot hen: "Dit is Mijn Geest! Zoals Ik eens bij Adam een levende ziel in zijn neusgaten blies, zo blaas Ik nu van te voren Mijn levenwekkende Geest in u, zodat u ook geen moment als wezen in deze wereld hoeft te staan!

Ontvang Mijn Geest, opdat gij de zondaar moogt onder­kennen. Mijn Geest zal aan al wie berouw toont zijn zon­den in Mijn naam vergeven; maar wie in zijn zonden ver­hardt, hem zullen deze ook worden aangerekend. Doe ook evenzo uit Mijn naam!

Ontbindt en verbindt op aarde en aldus zal het ook in de hemel ontbonden of verbonden worden. Veroordeel echter niemand en verdoem geen ziel, wilt u niet te vroeg ten prooi vallen aan de wraak van de wereld!"

Na deze woorden gesproken te hebben beklom de Heer de kleine berg en een heldere wolk nam Hem op, en Hij werd direct onzichtbaar voor de ogen van allen die daar stonden. En vele ongelovigen kwamen hierdoor tot beke­ring.

Spoedig daarna verschenen twee lichtende mannen van boven, die getuigenis van de Heer aflegden, beloofden dat Hij eens zou wederkomen en verdwenen vervolgens. - En de broeders en het volk keerden jubelend naar Jeruzalem terug.

 

Terug in de genadezon

 

De opstanding op de paasmorgen betekende dat Jezus' verheerlijkte ziel met de door haar opgeloste en vergeeste­lijkte bestanddelen van het lichaam zich volledig met haar innerlijke levenskern, de eeuwige Vader-Godgeest, ver­bond, daarmee één werd als diens nu eeuwig blijvende ziele-omhulling en openbaringsvorm. - De Hemelvaart daarentegen betekende dat deze eeuwige Vader-Godgeest in de omhulling van de verheerlijkte Jezus-ziel, nadat het werk van de verlossing was voltooid, weer terugkeerde naar de plaats in de scheppingsruimte, waar voorheen naar Zijn goddelijke wil de plaats was van Zijn machtscentrum, van waaruit alle leven wordt geschapen.; daar zou Hij voortaan weer zijn.

De Heer heeft Zelf in de geschriften van de Nieuwe Openbaringen door Jakob Lorber deze feitelijke woon­plaats van de 'VADER' of de alles scheppende' EEUWIGE LIEFDE' nader beschreven. Men noemt deze plek in de wereld van de reine geesten en engelen de Genadezon. En in het boek 'Von der Hölle bis zum Himmel' ('Robert Blum') wordt vermeld dat, gezien vanaf de aarde, God, de Vader in Jezus, in de omgeving van het grote sterrenbeeld 'De Leeuw' woont en wel in de zuiver geestelijke sferen van die ontzagwekkende oer-centraalzon (ook wel 'hoofd-' of 'oer­middelzon' genoemd) van onze hulsglobe* (* Lorber noemt het geheel van de talloze planetenstelsels, die behoren tot gebiedszonnen, centraalzonnen, alzonnen, met een ondenkbaar grote al-al­zon als middelpunt een 'hulsglobe', een als het ware door een omhulling af­gegrensd gebied in de kosmos (zoals ook onze inwendige organen afge­grensd zijn door dunne omhullingen). Ontelbare van zulke hulsgloben vormen tezamen 'de grote scheppingsmens'.); deze oer­centraalzon heeft bij ons de naam 'Regulus', wat betekent 'Vorst' of 'Koningsster'.

Eertijds, vóór de menswording van God, was deze Gena­dezon ook voor de hoogste oergeschapen engelen een 'on­toegankelijk licht'. Thans is zij voor alle voleindigde Gods­kinderen toegankelijk en zij allen kunnen daar nu de Vader in Jezus naderen en er in heerlijke gelukzaligheid met Hem vertoeven; door de omhulling van de verheerlijkte Jezus­ziel is namelijk het alles verterende vuur van het goddelijk machtscentrum, dat geen enkel geschapen wezen kan ver­dragen, bedekt.

De genadezon wordt ook de hoogste 'liefdehemel' ge­noemd. Voorbereidende hemelse sferen zijn de 'wijsheids­hemel' en de 'liefde-wijsheidshemel'. En deze drie hemelse sferen vormen de 'woonplaatsen', die de Vader in Jezus voor de Zijnen in het eeuwige licht heeft bereid.

 

Een toegankelijke Vadergod in een nieuwe hemel

 

In 'Die Geistige Sonne', een werk van Lorber, wordt ons mededeling gedaan over het grote Nieuwe, dat door de menswording van God, het offer op Golgotha en de zege­vierende terugkeer naar de Genadezon voor mensen en engelen tot stand werd gebracht.

Voor de komst van de Heer op aarde was de mens nim­mer in staat met het werkelijke Godswezen te spreken. Niemand kon ooit dit Wezen aanschouwen zonder daarbij het leven totaal te verliezen; bij Mozes staat dan ook "Nie­mand kan God zien en tegelijk leven!" - Weliswaar heeft de Heer Zich in de oer-kerk, evenals in de kerk van Melchizédek, ook door Abraham erkend, wel vaker persoonlijk getoond en heeft Hij met Zijn heiligen gesproken en Zelf Zijn kinderen onderwezen. Maar deze persoonlijke Heer was in feite toch niet de Heer Zelf, maar steeds een engel­geest, die voor dat doel van Gods Geest was vervuld. Door zo'n engelgeest sprak dan de Geest van de Heer op zo'n wijze, alsof de Heer Zelf direct sprak. In zo'n engelenwezen was echter nimmer de volmaakte volheid van Gods Geest tegenwoordig, maar slechts in die mate als voor het beoog­de doel noodzakelijk was. Je kunt het geloven, in die tijd konden ook zelfs de reinste engelgeesten de Godheid op geen andere wijze aanschouwen dan zoals jullie de zon aan het firmament ziet. En geen van de engelgeesten zou het ooit gedurfd hebben zich de Godheid in een of ander beeld voor te stellen, zoals het ook nog in de tijd van Mozes het volk Israël streng verboden was van God een gesneden beeld te maken of er zich een visuele voorstelling van te vormen.

Maar hoor nu het volgende: Het heeft dit oneindige Godswezen eenmaal behaagd - en wel op een moment waarop de mensen er het minst bij stilstonden - Zich in Zijn totale, oneindige volheid te verenigen en in dit een worden de volmaakte menselijke natuur aan te nemen!

Stelt u zich voor: God, die nooit door een mensenoog is gezien, komt in Jezus op de wereld, vervuld van de grootste liefde en wijsheid! Hij, de Oneindige, de Eeuwige, voor Wiens ademtocht eeuwigheden als kaf verstoven, is onder Zijn schepselen en Hij onderricht ze, niet als een Vader, maar als een broeder!

Maar dit alles was nog niet genoeg! Hij, de Almachtige, laat Zich zelfs vervolgen, gevangen nemen en laat Zich naar het lichaam doden door Zijn nietige schepselen! Zeg mij, kunt u zich een nog grotere liefde, een groter minzaam afdalen indenken dan deze, die u in Jezus ontmoet?!

Door deze onbegrijpelijke daad heeft Hij alle dingen van de hemel nieuwe vorm gegeven. Al woont Hij nu ook in Zijn genadezon, van waaruit het licht onuitputtelijk naar alle hemelen stroomt, niettemin is Hij toch Zelf helemaal dezelfde Jezus, zoals Hij op aarde in al Zijn goddelijke vol­heid als een waarachtige Vader en Broeder, als volkomen Mens, onder ons heeft gewoond. Al Zijn kinderen geeft Hij Zijn genade, liefde en macht en Hij leert ze hoe ze wezen­lijk in Zijn orde werkzaam kunnen zijn!

Voorheen bestond er tussen God en de geschapen mens een oneindige kloof. Maar in Jezus is deze kloof bijna vol­ledig gedicht. En zoals je weet heeft Hij daar op een zicht­bare manier blijk van gegeven, doordat Hij Zelf door Zijn almacht het voorhangsel in de tempel, dat het volk van het Heilige der Heilige scheidde, heeft verscheurd.

Daarom is Hij ook de enige Weg, het Leven, het Licht en de Waarheid. Hij is de deur waar doorheen we tot God kunnen komen, dat wil zeggen: via deze deur overbruggen we de oneindige kloof tussen God en ons en vinden we daar Jezus, de Oneindige en de eeuwig heilige Broeder.

En nu mogen we Hem, die aldus heeft gewild dat deze kloof gedicht werd, toch zeker wel boven alles liefhebben!"

 

Het dichten van de kloof tussen God en allen die gevallen zijn

 

De weg naar de hoogste gelukzaligheid, naar Gods hart, is door het leven en sterven van de Heer niet alleen voor en­kele uitverkorenengebaand - een blijde boodschap zonder weerga vult alle ruimten van de oneindigheid en vooral die van de gerichte materiële schepping. Voortaan is het voor iedereen - ook voor de gevallen geesten - mogelijk God weer te naderen en naar het Vaderhuis terug te keren, in­dien men de Mensenzoon vanuit een levend geloof in oot­moed en zachtmoedigheid en in zuivere, daadwerkelijke liefde navolgt!

Uit de mond van de Heer horen we: "Volgens de oude ordening kon niemand in de hemel ko­men, die zich eenmaal in de materie bevindt. Van nu af aan zal niemand waarachtig tot Mij in de hoogste en de reine hemel kunnen komen, als hij niet zoals Ik de weg van het stoffelijke en van het vlees is gegaan.

Wie voortaan in Mijn naam gedoopt wordt met het levende water van Mijn liefde, en ook in Mijn naam met de geest van Mijn leer naar kracht en daad, van hem is de al­oude erfzonde voor eeuwig weggenomen en zijn lichaam zal nu geen oud moordhol der zonde, maar een tempel van de Heilige Geest zijn.

Maar een ieder moet erop letten, dat hij zich niet op­nieuw door het oude, giftige onkruid van de zelfzucht laat verontreinigen! Hoedt u voor dit kwaad, dan zult u ook uw vlees en bloed heiligen. En wanneer de reine geest in u de alleenheerschappij heeft verkregen, zal in hem en door hem niet alleen de ziel, maar ook het stoffelijk vlees en bloed tot een volmaakt eeuwig leven opstaan!

Zie eens, wel een verschil er tussen vroeger en nu be­staat! Zoals Ik het echter thans heb bepaald, zal het voor eeuwig blijven.

En niet alleen de mensen op aarde, maar alle mensen die alle zonnen en alle planeten van het oneindige heelal bewonen, hebben hierdoor een geheim recht op dit on­metelijke geluk. Zij kunnen echter op geen andere wijze dit geluk deelachtig worden, dan slechts langs de weg van de diepste deemoed en, van daaruit, langs de weg van de meest volmaakte liefde van hun gehele wezen voor God!"

 

Het is volbracht! - Ik heb dorst!

 

Aan het kruis sprak de Heer de woorden: "Ik heb dorst!" - en "Het is volbracht!" - Sedertdien roept Hij deze woorden, in omgekeerde volgorde, steeds weer tot ons: "Het is volbracht!" - "Ik heb dorst!"

"Ik heb dorst!" - Naar wat? - Naar het leven dat Ik Zelf oorspronkelijk van eeuwigheid her ben en dat Ik sedert het oerbegin zo overvloedig aan talrijke wezens kwistig heb uitgedeeld!

Naar dit leven gaat Mijn verlangen dus uit! Ontelbare keren is dit leven in de dood overgegaan. Ik kwam om het aan de dood te ontrukken. Daarom dorstte Ik juist op het moment van de grote verlossing heel sterk naar dit rijkelijk uitgedeelde leven; de dood had echter zo sterk de overhand genomen, dat zelfs het eeuwig levende bloed der Liefde niet in staat was het meteen tot leven op te wekken! Toen Ik ernaar verlangde het leven te drinken, gaf men Mij niet het leven maar de dood te drinken! Als drank gaf men Mij zure wijn en gal! Zure wijn als het symbool voor alles wat samentrekt en verhardt, en gal als het symbool van haat, toorn en grimmigheid.

Zie, ook nu roep Ik nog steeds tot de hele wereld: "Ik heb dorst!", of, wat hetzelfde is: "Heb Mij lief, geef Mij uw liefde te drinken! Heb God boven alles lief en uw naaste als uzelf!" - Dit is het water des levens, waarnaar Ik in u dorst!

Vraag uzelf echter af: geeft u Mij dit water? Of krijg ik van u ook niet veel meer zure wijn en gal?! Het weinige dat Ik van u verlang is niets anders dan liefde en de toepassing daarvan in de daad. Wanneer u echter in plaats van ware liefdedaden te verrichten slechts in het Woord leest en daarbij niets doet, behalve wat de wereldse gezindheid u ingeeft, - betekent dit dan niet dat u Mij zure wijn en gal geeft in plaats van het levende water? Ja, Ik zeg u: hoe meer u nu leest en daarbij niets doet dan wat uw hang naar het wereldse vreugde verschaft, des te zuurder wordt de zure wijn en des te bitterder de gal!

Even verder staat er dan: "Het is volbracht!" – Maar  wat? - Mijn eigen strijd voor jullie, want meer kan Ik, uw Schepper, God en Heer, niet doen dan jullie dood op Mij te nemen! Het is volbracht; maar niet voor jullie, maar helaas slechts voor Mij Zelf! Ik heb voor jullie alles gedaan wat van God uit gezien ook maar mogelijk was en is. Maar laten jullie door je daden ook zien, dat het werk ook in jullie is volbracht?

O zeker, jullie lezen veel, jullie schrijven ook veel, jullie spreken met elkaar ook graag over Mij. Maar als Ik zeg: "Wijd aan Mij in plaats van aan jullie vele wereldse gedach­ten en genoegens slechts één uur per dag; heilig dit uur door je dan met niets anders in te laten en in je hart alleen Mij toegewijd te zijn!", - O, dan zullen jullie hiertegen wel honderd bezwaren kunnen aanvoeren en honderd we­reldse gedachten zullen als een wervelwind rond één enke­le zwakke, geestelijke gedachte cirkelen!

Kijk, dat is allemaal zure wijn en gal! En bijgevolg is het in jullie niet volbracht, wanneer Ik op grond van Mijn nimmer aflatende liefde al het mogelijke doe om jullie op de juiste weg van het leven te voeren. Want om dit in jezelf te volbrengen is het nodig dat een ieder uit ware liefde voor Mij zichzelf verloochent, zijn kruis op zich neemt en Mij trouw navolgt! Weest daarom geen ijdele hoorders, maar daders van het Woord! Want slechts als daders les je Mijn dorst met het leven schenkende water van de liefde; anders ontvang Ik slechts zure wijn en gal!"

 

Christus de Middelaar

 

"Christus alleen is de Middelaar tussen God en de mens. Door de dood van Zijn lichaam en door Zijn vergoten bloed heeft Hij voor al het vlees, dat is de oude zonde van Satan, de weg naar de opstanding en terugkeer tot God geëffend! - Christus evenwel is de fundamentele liefde in God, het belangrijkste Woord van alle woorden, Hij is het Woord dat vlees is geworden en daardoor tot Vlees van alle vlees werd en tot Bloed van elk bloed. Dit lichaam nam vrijwillig alle zonden der wereld op zich en reinigde deze voor God door Zijn heilig bloed. - Laat u dit grote ver­lossingswerk van God deelachtig worden, dan zult u rein zijn voor God! Want geen wezen en geen ding kan uit zich­zelf rein worden, maar alleen door de verdiensten van Christus, welke de liefderijkste genade en het grootste er­barmen van God zijn. Alleen kunt u niets doen, Christus echter vermag alles!"

 

Het grote getuigenis van Johannes

 

"Ik zeg u, Jezus is zo ontzagwekkend groot, dat wanneer Zijn Naam wordt uitgesproken, het hele heelal tot in alle uithoe­ken van eerbied beeft!

Zegt men 'God', dan noemt men weliswaar ook het hoogste Opperwezen, maar men noemt het in zijn oneindigheid, om­dat Gods Wezen het oneindige heelal tot in alle eeuwigheid met Zijn oneindige kracht vervult. - Maar in de naam 'Jezus' wordt het volmaakte, almachtige, wezenlijke centrum van God aangeduid, of nog duidelijker gezegd: Jezus is de meest waarachtige, meest werkelijke, wezenlijke God als mens, uit Wie alle Godheid, die de oneindigheid vervult, als de Geest van Zijn oneindige macht en kracht gelijk de stralen van de zon voortkomt. Jezus is derhalve het alomvattende be­grip van de algehele volheid der Godheid. Of - in Jezus woont de Godheid in al haar oneindige volheid waarachtig wezenlijk. Daarom wordt dan ook steeds de gehele goddelij­ke oneindigheid bewogen, als deze heilige verheven naam in ware deemoed en liefde wordt uitgesproken!"

 

Aanbidding

 

Adam: "O kinderen, ziet, ziet hoe goed onze heilige Vader is; en hoe konden jullie Hem ook maar één ogenblik vergeten! Wij allen zijn aan de eeuwige liefde ontsproten en zijn daar­om kinderen van één en dezelfde heilige Vader, die in Zijn eeuwige glorie en oneindige heiligheid woont en in Zijn lief­de bij ons en wij bij Hem. Daarom moet ons ook alles aan Zijn liefde gelegen zijn. Want slechts in en door de liefde zijn wij Zijn kinderen; alleen door de liefde kunnen wij Hem als God en Heer waardig loven; door de liefde kunnen we Hem kennen; in de liefde kunnen we nader tot Hem komen en slechts zo, door en in de liefde, kunnen we leven, het eeuwige leven vinden en het behouden.

In Zijn heiligheid is God ontoegankelijk, in Zijn wijsheid is Hij ondoorgrondelijk, in Zijn genade onmetelijk groot, in Zijn macht boven alles vreselijk en in Zijn kracht eeuwig onoverwinnelijk. Zijn licht is een licht van al het licht en Zijn vuur een vuur van alle vuur. En zo is Hij in dit alles een onaantastbare, voor ons ook vreemde God, die ons niet wil en altijd van Zich stoot; maar juist deze God is ook de aller­hoogste Liefde Zelf. Deze Liefde maakt Zijn Goddelijkheid zó zachtmoedig, dat Hij ons wil; en als wij Hem liefhebben, dan stroomt Hij in Zijn hele Goddelijke Wezen door de Lief­de tot ons, maakt ons tot Zijn kinderen en geeft Zich dan aan ons als de beste, meest liefdevolle, heilige Vader in alles. En zo mogen we in Hem alles zien, kennen, steeds meer liefhebben, waarnemen in wat we genieten of nuttigen, en uiteindelijk in een vrij, eeuwig leven zelf Hem ten volle aanschouwen.

Bedenk daarom wel, kinderen, wie en wat God is, - en wie en wat onze heilige Vader is, en handel trouw hiernaar! Amen.

 


 

Appendix

 

JAKOB LORBER (1800-1864) en de werken van de nieuwe openba­ring.

 

De uiterlijke gebeurtenissen in het leven van Jakob Lorber, die op 22 Juli 1800 in Kanischa (Oostenrijk) werd geboren en zich als muziekleraar, musicus en componist vestigde te Graz, bleven beschei­den tegenover zijn roeping tot 'schrijfknecht van God', die hij in zijn veertigste levensjaar door het innerlijke Woord ontving en waaraan hij vervolgens tot aan het einde van zijn leven in onwankelbare trouw gehoorzaamde.

Op 15 Maart 1840, toen hij in zijn morgengebed was verzonken, hoorde hij een innerlijke stem, die uit zijn hart scheen te komen en hem duidelijk toesprak: 'Sta op, neem je griffel en schrijf!' Lorber gehoorzaamde deze geheimzinnige stem, nam zijn pen en schreef woord voor woord op wat hem innerlijk gedicteerd werd. De eerste zinnen luidden: 'Zo spreekt de Heer tot iedereen en dat is waar, getrouwen gewis. Wie met Mij spreken wil, kome tot Mij en Ik zal hem het antwoord in zijn hart leggen. Echter alleen maar de reinen, wier hart vol deemoed is, zullen de klank van Mijn Stem vernemen.'

Er was hem juist een aanstelling als kapelmeester in Triëst aangebo­den, doch hij wees deze af en volgde zijn roeping door het opschrijven van het in zijn binnenste gedicteerde woord en dat deed hij tot aan zijn dood in 1864.

Zijn biograaf en vriend gedurende tientallen jaren, Karl Gottfried Rit­ter von Leitner, bericht daarover: 'Het gezicht rustig en luisterend, ononderbroken schrijvend, nooit stokkend, nooit zich bezinnend, gleed zijn pen over het papier.' Zo ontstond in een tijdsverloop van 24 jaren een uniek werk, dat heden 25 boekdelen van ongeveer 500 blad­zijden vult, de kleinere geschriften niet meegerekend.

Er is voor deze stille, uitermate bescheiden en deemoedige man Jakob Lorber beslist geen voorbeeld te noemen en geen 'categorie' te vinden, of we hem nu als mysticus of als ziener beschouwen, dan wel, zoals in zijn tijd het geval was, als een mediamiek genie. De mensheid ontving middels hem een werkelijk omvattend antwoord op haar duizenden jaren oude vragen naar het vanwaar, het waarheen en het waarom van het leven. Lorbers door Goddelijke inspiratie ontvangen geschriften bieden een geestelijke beschouwing der wereld, die niet alleen de christelijke vernieuwingstendenties, maar ook de wetenschap, ja het hele levens­gevoel van de hedendaagse mens verklaren. Zijn werken zijn even tijd­loos als actueel.

Wij laten hier een korte samenvatting volgen, die Dr.Walter Lutz als inleidend overzicht publiceerde in het tijdschrift 'Das Wort'.

 

Tien voornaamste punten uit De nieuwe openbaring door Jakob Lorber.

 

1. De grondslag der wereld

 

Volgens Lorber bestaat er geen stof in de betekenis die het materia­lisme daaraan geeft. Alles is energie, namelijk Gods- of geestkracht, gesplitst in allerkleinste oerstofdeeltjes (oerlevensvonken). Ook het vroeger als kleinste deeltje beschouwde atoom is een uit talloze deel­tjes bestaand levend universum in het kleinste formaat (vergelijk hier­mee de nieuwste ontdekkingen der kernfysica). Uit de oergronddeel­tjes (tegenwoordig elektronen of kwanten genaamd) - die niets an­ders zijn dan zelfstandig gemaakte gedachtenkrachten van God - is de hele wereldruimte planmatig opgebouwd.

 

2. Het wezen van God

 

God is de eeuwige oneindige geest, de oerkracht en het fundament van alle zijn. Zijn voornaamste eigenschappen zijn liefde, wijsheid en wilskracht. Zijn heilige geest vult het heelal (de 'wereldziel' van de an­tieken). Maar deze oneindige algeest heeft een innerlijk machtscen­trum, van waaruit als uit een zon gedachten en wilskracht in de schep­ping uitstromen, om na een grote kringloop tot levensvoleinding weer terug te keren. In dit oermachtscentrum bevindt zich God als be­staand Wezen en wel in de hoogste van alle levensvormen: als volko­men 'Geest-Oermens'. (God schiep de mensen naar Zijn beeld). Van­uit dit oermachtscentrum is de geest van God eeuwig scheppend be­zig. De hele schepping is een geweldig ontwikkelings- en vervolmakingproces van de Goddelijke gedachten en ideeën. Het voltrekt zich onder ontzagwekkende, door rustperioden gescheiden tijdperken ('scheppingsdagen, van eeuwigheid tot eeuwigheid').

 

3. De geestelijke oerschepping

 

Aan de voor ons zichtbare stoffelijke schepping gingen geestelijke scheppingen vooraf. God heeft toen uit de als het ware buiten zichzelf geplaatste oerlevensvonk grote geestelijke wezens geschapen volgens Zijn beeld (oer-aartsengelen), die zelf meerdere aan hun gelijke geeste­lijke wezens in het leven konden roepen. Zo ontstonden legioenen grote geestelijke wezens (engelen), die zich volgens het ordenings­gebod van de Gods- en broederliefde zouden ontwikkelen, tot ze aan Godgelijk zouden zijn. Een deel van deze wezens verviel onder leiding van hun hoofdgeest Satana (Lucifer) krachtens hun vrije wil in grenzeloze eigenliefde en zelfverheerlijking. Volgens de eeuwige orde­ning moest echter de voedende levensstroom uit God opdrogen voor degenen, die van God afvallig werden. Daardoor verstarden ze als het ware en verdichtten ze zich tot hulpeloze massa's. Door verdich­ting van de geestelijk-etherische oeressenties (materialisatie) ontston­den zo in de scheppingsruimte de oernevels van de materie of van de wereldstof.

 

4. De stoffelijke materiële schepping

 

Zouden de gevallen oerwezens eeuwig in de ban van hun gericht blij­ven of toch nog tot voleinding teruggevoerd worden in Gods heilige levensorde? De goddelijke liefde erbarmde zich over de gevallen gees­tenwereld. Met behulp van de trouw gebleven engelgeesten bouwde de Schepper het materiële universum uit de oernevelen van de wereld­stof, door deze in te lijven en tot nieuw leven te brengen; dit beeldt in zijn geheel het verhaal van de 'verloren zoon' uit. (hiermee is het ont­staan van de wereld volgens Kant-Laplace geestelijk verklaard). Hier­mee begon God in de talloze wereldsystemen en op de wereldgloben een verlossing van de in de materie gebonden wezens.

 

5. Doel van het natuurleven

 

Op alle hemellichamen worden door het Goddelijk bestuur de verstar­de wereldstofmassa's meer en meer losgemaakt. Deze losgemaakte lu­ciferische levensvonken worden door de engelen, de dienaren van de Schepper, naar diens liefdevolle en wijze heilsplan in de rijken van de natuurwereld gebracht en wel in steeds nieuwe geestelijke louterings­scholen. Dit gebeurt doordat ze - tot steeds meer omvattende verbin­tenissen of 'zielen' verenigd - in steeds hogere levensvormen trapsge­wijs door het mineraal -, planten - en dierenrijk worden omhoog geleid. (Darwins ontwikkelingsleer vanuit een allesomvattend geestelijk gezichtspunt). De 'natuurzielen' worden op deze geestelijk lichame­lijke weg geleid tot de bouwen het gebruik van hun tijdelijk levens­omhulsel (alle scheppingen van de drie natuurrijken). Ze beginnen daardoor hun tegen Gods ordening ingaande zelfzucht zo langzamer­hand te overwinnen en zich tot de hemelse ordening van dienen in we­derzijdse liefde te bekeren (opbouw van gemeenschappelijke verbin­tenissen, organismen). Het evangelie predikt ook de verlossing van al­le creaturen door de macht van de liefde.

 

6. De mens - het einddoel van deze ontwikkeling

 

De op deze manier uit de luciferische materie opgestegen mensenziel moet - onder invloed van de haar ingeblazen, goddelijke geest - of lief­desvonk - zich nu in het aardse leven waar maken. Door vrijwillig de liefdesgeboden van God te gehoorzamen zal de mens zich steeds ver­der tot een waarlijk kind van God ontwikkelen, om tenslotte als hij dat doel bereikt heeft, tot de ware vrijheid en zaligheid van het eeuwi­ge leven binnen te gaan.

 

7. Het wezen van Jezus

 

Toen de schepping zover was gerijpt dat ze de diepste onthulling van de goddelijke liefde - de Godheid als 'Vader' - kon begrijpen, koos God de naar het uiterlijk zo onaanzienlijke aarde voor de groot­ste liefdedaad van Zijn erbarming uit. Hier, waar de innerlijkste geest­kern van Lucifer in de ban wordt gehouden, hulde God Zijn geest­menselijk oermachtscentrum in het gewaad van de materie ('en het Woord werd vlees'.). In Jezus Christus trad God Zelf het men­senrijk binnen om deze en tevens alle geesten uit de oneindigheid te onderrichten. Als machtigste getuigenis van Zijn liefde trok Hijzelf het kleed van de materie aan om de gevallenen uit het gericht te verlos­sen en de gelouterden dan in het Vaderhuis terug te voeren (gelijkenis van de verloren zoon).

De geest van Jezus, het heilig oermachtscentrum van God, is de 'Vader'. De ziel van Jezus (en zijn lichaam), dat wil zeggen het menselijke, is de door de Vader geschapen 'Zoon'.

De in de oneindigheid uitstralende Godskracht, uitgaande van de Vader door de Zoon, is de 'Heilige Geest'.

En zo zijn in Christus de Vader, de Zoon en de Heilige Geest verenigd (de oplossing van het drie-eenheidvraagstuk). Jezus: 'Wie Mij ziet, ziet de Vader', en: 'Ik en de Vader zijn één!'.

 

8. De heilsweg tot de geestelijke wedergeboorte

 

Als de enige tot de voleinding en eeuwig leven in God voerende weg predikte Jezus de grondwet van de gehele schepping: 'Heb God boven alles lief en de naaste als jezelf. Noch uiterlijke goede werken (ontvangen van het sacrament), noch uiterlijke geloofsge­rechtigheid (geloofsbelijdenis), zijn voldoende; ze zijn hoogstens hulpmiddelen op de heilsweg van de zuivere daadkrachtige liefde, de oergrond van alle zijn. Is met behulp van Gods geest in de mens de zui­vere hemelse liefde tot onbeperkt heerser geworden, dan is de mens aan het gericht der materie ontgroeid en heeft hij de geestelijke weder­geboorte bereikt. Dan vermag de gelouterde ziel, die met de haar inge­plante geest uit God dan volledig verbonden is, tot een waar kind van God uit te groeien, één met haar Schepper en hemelse Vader en ze heeft dan eeuwig deel aan de volheid van Zijn goddelijke levens - en werkingskrachten.

 

9. De verdere ontwikkeling in het hiernamaals

 

De meeste mensen van de aarde treden na de dood van hun lichaam nog onvolmaakt in de fijnstoffelijke sfeer van het hiernamaals binnen. De goddelijke liefde biedt hen daar nieuwe mogelijkheden om zich te scholen, zodat tenslotte allen -zij het vaak op moeilijker en pijnlijker manier - toch nog tot voleinding komen. Want het goddelijk plan van een algemene verlossing kent geen eeuwige verdoemenis!

Om dit einddoel te bereiken komen de nog onrijp uit het leven schei­dende zielen aan 'gene zijde', dat wil zeggen in de voor de aarde on­zichtbare, geestelijke wereld eerst in een soort droomleven. Hier valt hen tot hun belering een door hen beschermende machten geleid in­nerlijk geestelijk schouwen ten deel, dat al naar gelang van hun goede of boze instelling een paradijselijke verrukking of een helse pijn bij hen oproept. Hemel en hel zijn dus geen plaatselijke bepalingen, maar geestelijke ontwikkelingsstadia van de ziel. Sterk op zichzelf gerichte, aardegebonden zielen worden ook wel verder opgevoed door op­nieuw in het leven geroepen te worden (reïncarnatie) op andere stof­felijke werelden of soms ook op deze planeet.

 

10. Het doel der voleinding

 

Zielen, die zich op aarde of in het hiernamaals tot zuivere Gods- en naastenliefde lieten louteren, geraken in een steeds nieuwe en geluk­kig makende werkelijkheid. Hun geestelijk zien en innerlijke kracht nemen toe in de drie opeenvolgende hemelen, in overeenstemming met de zuiverheid en sterkte van hun liefde. De eindeloze opklimming in gelukzaligheid van de voleindigde wezens bestaat uit een steeds die­per erkennen van God, een steeds grotere liefde tot Hem en al Zijn schepselen, alsook in een steeds intensiever medewerken aan het ver­heven werk der schepping als de openbaring van alle zijn en leven. De­ze korte aanduidingen laten al zien dat bij Lorber sprake is van een omvangrijke geestelijke religie, logisch opgebouwd volgens een vastomlijnd plan. Ze brengt ons een verheven levensleer van de zui­verste liefde en grootste daadkracht, waarvan de Godheid, de Vader in Jezus, de grondslag vormt. De volle rijkdom en veelzijdigheid van de leer maakt zich evenwel pas dan kenbaar, als men de Lorberwerken

grondig bestudeert. Ze bieden juist datgene, waarnaar de hoogste geesten van onze generatie diep en ernstig streven: een synthese te vin­den tussen de Heilandsleer van de Bijbel en de ontwikkelingsgedachte der wetenschap. Dat leidt tot een overeenstemmend, aan geen confessie gebonden Christendom, dat door zijn karakter van liefde en de diepte van zijn erkenning alle mensen tot een edelgezinde geestes - en levensgemeenschap vermag te verenigen.

 

UpToDate 2024-2025