-33

Jezus was niet ouder dan 33 jaar en drie maanden, toen Hij Zijn lichaam verliet

 

Zowel in de ‘Hemelse Gaven’, de ‘Schriftverklaringen’, de ‘Predikingen van de Heer’, de ‘Jeugd van Jezus’ en vooral in het ‘Grote Johannes Evangelie’, wordt onweerlegbaar uitgebeeld, hoe Jezus ongeveer twee duizend jaar geleden slechts drie volle jaren op deze Aarde Zijn volk en leerlingen heeft beleerd.

 

Tekstvak: Tegen één van de bevriende kring uit Lorber zei de Heer: ‘Het moet je toch wel duidelijk zijn, dat Ik in het verloop van drieëndertig jaren zeker wel meer heb gesproken, dan wat er staat in de vier Evangeliën!’ [Hemelse Gaven 2-44-07-06- 01]

 

Jezus’ getuigenis aan Wilhelmine Hüttenbrenner over Zijn werk als timmerman, dat Hij Zijn handwerk tot in Zijn drieëndertigste jaar uitgeoefend heeft om dat dagelijkse armzalige brood te verdienen. Zijn handen waren grof geworden en met veel werklittekens voorzien. Over het algemeen was Jezus spaarzaam met woorden [geen kletspraat] en Hij was wel zo nu en dan voor het gewone volk tamelijk hartelijk, maar nooit elegant. [HiG.02_44.07.06,01] .

En volgens het Evangelie van Lukas 3:23 staat beschreven: ‘En Hij, Jezus, was, als Hij begon, ongeveer dertig jaren oud, en men hield Hem voor de zoon van Jozef!’ [Opmerking: het is toch mogelijk, dat Jezus al een maand eerder was begonnen].

Diverse keren wordt er in de ‘Schriftverklaringen’ beschreven, dat Jezus ongeveer dertig jaar oud was, toen Hij met Zijn ambt begon. ‘Hoe was Hij echter ongeveer dertig jaar oud, Hij, die eeuwig was?....

‘Hij was ongeveer dertig jaar. Toen begon Hij met Zijn leerambt. Hoe dan? Als God of als mens? Door de bijzin: "En men meende dat Hij de zoon van Jozef, de timmerman, was" wordt duidelijk bewezen, dat de nauwelijks dertigjarige 'Hij' niet als God, maar slechts als mens met Zijn leerambt begon; want de God in Hem verhield zich tot de nauwelijks dertigjarige timmermanszoon zoals zich de innerlijke geest verhoudt tot elk mens.

Deze 'Hij' is de Heer zelf, die van alle eeuwigheid dezelfde Heer was en zal zijn!  Maar hoe kan het dat hij ongeveer dertig jaar oud was, Hij, die eeuwig was? De Eeuwige schiep Zichzelf hier voor de eerste en laatste keer tot mens en als mens moest Hij ook rekening houden met de tijd, die Hij vanuit de eeuwigheid had geschapen. [Schriftverklaringen 1-8: 6-9 en 15]

 

Deze nauwelijks dertigjarige zoon van de timmerman Jozef naar men meende, begon dus Zijn predikambt geheel als mens en geenszins als God. De Godheid trad in Hem slechts bij bepaalde gelegenheden daadwerkelijk naar voren als Hij als mens doorzijn daden deze Godheid in zich vrijmaakte, maar als er geen daden nodig  waren kwam de Godheid niet naar voren. [Schriftverklaringen, hoofdstuk 8 vers 9]

 

Uit deze getuigenis blijkt duidelijk, dat zo van buitenaf niet zoveel van de Godheid was te zien aan deze nauwelijks dertigjarige timmerman; want anders had men toch wel een ander getuigenis over Hem gegeven. [[Schriftverklaringen, hoofdstuk 8 vers 12]

De in alle volheid in Hem sluimerende Godheid wekte Hij zo steeds meer in Zich op en maakte die, al naar de wijze waarop en de mate waarin Hij handelde, aan zich schatplichtig. En toen Hij, zoals gezegd, amper zijn dertigste jaar bereikt had, was de Godheid in Hem tot in die mate ontwaakt, dat Hij door haar geest van wijsheid een zodanig verheven vermogen had verkregen, dat hij het bekende 'predikambt' waartoe Hij was geroepen, kon beginnen. [[Schriftverklaringen, hoofdstuk 8 vers 15]

 

Tekstvak: [Opmerking tot bovenstaande tekst: hier wordt dus meervoudig bevestigd, dat Jezus dus nauwelijks dertig jaar oud was! Daaruit kan de conclusie getrokken worden, dat Hij vermoedelijk een maand eerder was begonnen met Zijn missie met bijna 30 jaar!]

 

In Predikingen van de Heer staat: ‘Ook dient u te beseffen dat Ik niet, zoals andere mensen, een heel mensenleven voor Mij had, maar slechts drieëndertig vluchtige jaren waarbinnen ten eerste Mijn aardse mens gedurende dertig jaar moest rijpen voor het grote werk en ten tweede nog maar drie jaren overbleven, waarin de grondsteen tot de hoogste, onvergankelijk grote geestesleer gelegd moest worden, zonder welke de geestelijke wereld en indirect ook de materiële wereld niet had kunnen voortbestaan’. [Predikingen van de Heer: hoofdstuk 7:5]

‘Dit vurig verlangen, dat thans vele gemoederen bezig houdt en dat een godsdienstcultus tot doel heeft, die meer overeenstemt met de tijdgeest en de vorming van de thans levende christenheid, is echter de overgang naar de laatste geestelijke en hoogste cultus, die op gang wordt gebracht door Mijn directe mededelingen, die Ik u reeds meer dan dertig jaar doe toekomen’ [Predikingen van de Heer, hoofdstuk 17:8]

 

Tekstvak: [Opmerking: hieruit volgt rechtstreeks, dat Jezus drie volle jaren en mogelijk ook nog enkele maanden erna Zijn leerambt als Messias heeft uitgeoefend.]

 

In de Jeugd van Jezus staan in sommige tekstdelen: ‘Zoals bekend is, leefde Ik in  de tijd tot mijn dertigste jaar zoals iedere andere welopgevoede jongen, jongeman en man leeft; ook Ik moest, door mijn leven in te richten volgens de Wet van Mozes, eerst het goddelijke in Mij opwekken, net als iedere mens Mij in zichzelve tot leven moet wekken’. [Jeugd van Jezus 1:1]

 

Tekstvak: Opmerking: nogmaals, we moeten niet vergeten in verband met deze tekst, dat Jezus misschien al iets eerder vóór Zijn dertigste was begonnen! Andere teksten spreken dit weer tegen!

 

Sedertdien trok Jezus Zich volledig terug, en Hij deed voor de mensen geen wonderen meer tot aan Zijn dertigste jaar. Hij leefde en werkte net als ieder ander mens. Hoe heeft de Heer Jezus dan geleefd van Zijn twaalfde tot Zijn dertigste jaar? [Jeugd van Jezus-1:1 en 298:26 en 300:1]

In het boekwerkje: Drie dagen in de tempel’ – hoofdstuk 32:16 staat: ‘Dat ik sindsdien tot in mijn dertigste jaar weinig meer heb laten merken van Mijn Goddelijkheid, is bekend.


En zo moet dit het einde zijn van de enige ware en juiste mededelingen over de drie dagen in de tempel...

[Opmerking: als iemand al 30 jaar geworden is, dan is hij feitelijk al begonnen aan zijn 31ste jaar!]

Het Grote Johannes Evangelie benadrukt meerdere keren op diverse plaatsen, dat Jezus begonnen is met ongeveer 30 jaar. Hierover kan dus geen misverstand zijn. ‘Maar Christus kwam heel arm en klein en, zo op het oog, zwak op de aarde, deed bijna dertig jaar lang geen teken voor de ogen van de machtigen, maar werkte hard, was net als Jozef een timmerman en ging daarna ook nog met het hele gewone volk om. [GJE-1-15] En op een andere plaats:  ‘Nu, Ik ben al dertig jaar in deze wereld en heb nog nooit een vrouw aangeraakt; waarom zou Ik dan nu opeens jou begeren?!’[GJE-1-26-6]

[Opmerking: dit zei Jezus tegen een vrouw aan de waterput van de oervader Jakob! – Zie ook Joh. 4 in betrekking op het Johannes Evangelie via Jakob Lorber]

 


        wordt vervolgd

 

www.zelfbeschouwing.info  - bron: Jakob Lorber Bulletin Internationaal, mei 2016 – maandelijks gratis tijdschrift voor de bewuste mens

 

 

Jezus leefde 33 volle jaren op deze Aarde

                                               [voortzetting bovenstaande 2 van 3]

Jezus is nu met Maria [in Nazareth] in gesprek: ‘Maria haast zich naar de voorraadkamer en vindt deze volgepakt met brood, meel, vruchten, gerookte en verse vis, melk, kaas, boter en honing! Als zij zo'n grote voorraad in de voorraadkamer ziet, beangstigt dat haar; ze komt vlug naar Mij terug, valt voor Mij op de knieën en dankt Mij knielend voor zo'n rijke verzorging van haar voorraadkamer! Ik buk Mij echter snel en hef haar op, en zeg tegen haar: 'Wat doet u voor Mij, wat alleen de Vader toekomt? Sta op; want wij kennen elkaar toch al dertig jaar, en Ik ben nog steeds Dezelfde en niet veranderd!' Maria krijgt tranen van vreugde, begroet al Mijn leerlingen en gaat dan snel weg, om een goed maal voor ons klaar te maken’...  [GJE-1-108-7-9]

De bevriende Cyrenius kwam ook op bezoek bij Jezus in Nazareth en tijdens dit gesprek werden de Kinderjaren van Jezus in Egypte [Ostracine] opgehaald. Cyrenius zei, dat hij Hem al dertig jaar kende. [GJE2-24-8]

 

JACOBUS, de zoon van Jozef, die een kundig schrijver was, haalde een tamelijk dikke rol uit een kast en gaf die aan Cyrenius met de woorden: ..Verheven heer, hierop heb ik vanaf Zijn geboorte alles opgeschreven tot aan Zijn vijftiende jaar, maar bijzondere dingen deed hij eigenlijk slechts tot aan Zijn twaalfde jaar. Na het twaalfde jaar verdween Zijn goddelijke gave zo totaal, dat daarvan ook niet het minste meer te bemerken viel. Over de drie jaren van Zijn dertiende tot Zijn vijftiende staat er dan ook niets in; want behalve enkele tamelijk wijze woorden vond er niets bijzonders meer plaats, en daarom heb ik dan ook na Zijn vijftiende het niet meer nodig gevonden de heel gewone menselijke belevenissen, die ik van Hem zag, op te schrijven. Hiermee kan deze beschrijving van Zijn jeugd als een afgesloten geheel beschouwd worden’. [GJE-2-25-2 – vergelijk ook de Jeugd van Jezus!]

 

Opmerking: met 20 jaar heeft zich nog een speciaal geval voorgedaan met Jezus; daarover later meer in deze samenhang! Evenals met 29 jaar, toen Jozef in Zijn armen stierf.

 

ROBAN de Farizeeër bericht over de tempel: "De tempel is al dertig jaar niets anders dan een wissel­ en handelsmarkt en van de echte Jehova en van Mozes is allang geen spoor meer te vinden! [GJE-02-83-18]

De Farizeeër Chiwar zegt tegen zijn collega’s: "Ja, Hij is een en dezelfde! Ik ken Hem al meerdere jaren, net als de oude Jozef, die pas ongeveer een jaar geleden gestorven is’. [Opmerking: wellicht in het jaar 21 n. Chr.]

 

‘Ik heb niet het minste spoor van iets buitengewoons aan Hem ontdekt, ofschoon -zoals men hier en daar heeft verteld -zich bij Zijn geboorte, die te Bethlehem in een schaapsstal heeft plaats gevonden, heel buiten­gewone dingen moeten hebben plaats gevonden, en ook daarna tot op Zijn twaalfde jaar. Maar vanaf het twaalfde jaar moet al het buitengewone verdwenen zijn, de grote verwachtingen van Zijn ouders gingen teloor, en Hij bleef tot op heden, respectievelijk tot aan zijn dertigste jaar, en dat is nu een zeer onopvallende, eenvoudige timmerman!’ [GJE2-90-7]

 

‘Maar op Zijn dertigste jaar verdween Hij opeens uit Zijn ouderlijk huis en Hij moet Zich enige tijd in de woestenij bij Bethabara aan de kleine Jordaan, waar de beroemde Johannes verblijf hield, hebben opgehouden en Zich door hem hebben laten dopen’.

 

KORAH zegt: "Ja, ja, je zult wel gelijk hebben! Die geschiedenis in Bethlehem baarde ongeveer dertig jaar geleden veel opzien, en als ik mij niet vergis, heeft de oude Herodes juist om Hem die onmenselijke kindermoord bevolen. Hij moet echter naar Egypte ontvlucht zijn. - Zie je nu wel, nu is het me al helemaal duidelijk! Nou, nou, dat is dus dezelfde Jezus!? Ja, aan Hem kan beslist iets buitengewoons zijn, en jij zult met je veronderstelling er zeker niet ver naast zijn! Maar ik zou Hem dan toch nog willen spreken voor hij deze plaats denkt te verlaten!" [GJE2-90-7-10]

De HOOFDMAN zegt tegen de overste van een groep Farizeeën, die een onderzoek instelde naar Jezus en intussen op de hand waren van Jezus: […] – ‘En als er zo nu en dan een hoogstaande ziel onder hen was, dan deden ze daarmee wat zij naar mijn weten voor nauwelijks dertig jaar met de vrome rechtschapen Zacharias deden’… [GJE2-124-5]

 

Opmerking: dit speelde zich alles nog steeds af in het eerste ambtsjaar van Jezus! Met de kanttekening: enerzijds lijkt het of dit nog geen 30 jaar geleden was, dat Zacharias vermoord werd; anderzijds lijkt het erop, dat – toen Jezus op Zijn laatste dag van Zijn 29e jaar op 6 januari 22 n. Chr. de volgende dag op Zijn dertigste het huis verliet van Jozef [die niet meer leefde en al een jaar daarvoor gestorven was!] en Maria. Dit verklaart misschien waarom geschreven staat: op Zijn dertigste jaar!

 

Marcus, de Romein [een oude krijgsvriend van Cyrenius] op de heuvel aan de witte zeebaai, vlakbij Tiberias] vertelde het volgende in zijn hut, waar Jezus en Zijn leerlingen verbleven, zei:

Voor zoiets moest de goede God, als Hij geen oude Joodse fabel is, toch een tegenmiddel weten, maar tot op dit uur gebeurde er van bovenaf nog niets! God kan nog steeds heel geduldig en kalm zulke naamloze wreedheden aanzien, zoals Hij ongeveer dertig jaar geleden in Bethlehem kon aanzien hoe door een bevel van een tiran, kinderen van het manlijke geslacht, van een tot twaalf jaar, ten getale van vijfduizend, op één dag op de gruwelijkste manier van de wereld zijn vermoord!’ [GJE2-178-9]

 

[Opmerking: het vermoorden van kinderen tot twaalf jaar was het oorspronkelijk plan van Herodus, maar onder de suggestieve invloed van Cornelius werd dit voorkomen en gereduceerd tot 2 jaar!]

 

De overste Julius, die samen met Cyrenius en Jezus aan de tafel zaten, sprak: ‘Er wordt wel verteld, dat ongeveer dertig jaar geleden een paar mensen uit Galiléa na het genot van het satanswater niet gestorven zouden zijn’.  [Opmerking: Jozef en Maria] – GJE2-236-23]

 

Een jonge Farizeeër in aanwezigheid van de rechter Julius, Jezus en Cyrenius zei: ‘Maar het is dan in zekere zin toch iets buitengewoon wonderlijks en dat blijft een grote vraag, hoe deze mens aan zulke uitzonderlijke, goddelijk lijkende eigenschappen is gekomen! Want voor zover wij door ons onderzoek naar hem en zijn afkomst te weten zijn gekomen, moet hij de zoon van een timmerman zijn, die ongeveer tot zijn dertigste jaar steeds thuis is gebleven en met zijn vader en mogelijke andere broers nu eens hier, dan weer daar, timmerwerk heeft verricht. Niemand heeft daarbij ooit iets buitengewoons aan hem ontdekt. Men heeft hem ook nooit zien lezen, schrijven of rekenen. Ook in zijn omgang met mensen moet hij zeer weinig spraakzaam en allerminst een spiritueel mens zijn geweest!‘ [GJE3-6-2]

 

‘Zo moet ook het vissen een van zijn lievelingsbezigheden geweest zijn en hij viste altijd met succes, waarom de vissers hem ook graag bij zich hadden’. [GJE3-6-4]

Mathaël waarschuwt Cyrenius voor de overste van de tempel:  […] ‘Kijk, deze is het [de overste Stahar der Farizeeën] die dertig jaar geleden de hand heeft geslagen aan de hogepriester Zacharias en hem tussen het offeraltaar en het allerheiligste, gescheiden door de voorhang, heeft vermoord![opmerking: gewurgd!] - [GJE3-146-10]

De engel Raphaël zegt nu tegen de 78-jarige Stahar [de oud-overste van de tempel]: ‘U beleeft nu echter niet voor de eerste maal iets, wat ook de oude vaders hebben beleefd! Dertig jaar geleden hebt u in de tempel ook al iets dergelijks beleefd, waarna de toenmalige hogepriester, voornamelijk door uw hand, tussen het altaar en het allerheiligste gedood werd! Waarom geloofde u dan tóen het duidelijke wonder niet, en waarom werd u zelfs tegen een hogepriester zo meedogenloos?!" [GJE3-152-12,13]

 

De engel Raphaël zegt verder tegen de oud-overste Stahar van de tempel Jeruzalem: ‘Maar het kan de te blinde en te domme mensheid toch niet te erg aangerekend worden als zij in haar blindheid alle soorten gruwelijke zonden begaat en daarom zult ook u, vanwege Zacharias, niet geoordeeld worden en dat nog des te minder, omdat u die misdaad al heel vaak ernstig berouwd hebt, wat u zeer ten goede gerekend werd. Maar nu is de vraag, wat u zou doen als u van aangezicht tot aangezicht met de reeds dertig jaar in deze wereld onder de Joden rondwandelende en lerende Messias zou komen te staan en wat uw vijftig collega's zouden doen! Zoudt u Hem de verschuldigde eer geven en Hem in uw hart als diegene aanvaarden die Hij is?" [GJE3-153-3]

De engel: ‘Ziet u hier ook niet een nieuwe ark van het nieuwe verbond, waar de dode nieuwe in de tempel slechts een vermanend symbool van is? Maar het geestelijke leven van Jehova, dat eerst boven de oude ark zweefde, heeft Jehova Zelf al dertig jaar geleden in de Godmens gelegd en Die is nu hier in de wereld en leert Zelf de mensen Hem herkennen!’ [GJE3-153-11]

 

Kornelius, de broeder van Cyrenius zegt: ‘Maar ik was toen pas vijf en twintig jaar en ik ben nu ruim dertig jaar ouder en ik heb gedurende die tijd zeer veel door­ en meegemaakt, ik heb veel gezien, gehoord en ondervonden. Maar ondanks dat alles, blijven mij de wonderlijke woorden van David en Uw geboorte en al haar bijverschijnselen nog zo levendig bij, alsof ik die pas gisteren of eergisteren persoonlijk had meegemaakt [GJE3-179-3]

De Heer zegt tegen de drie wijzen uit het Morgenland: "Hebben jullie dan in je land nooit het bericht ontvangen, dat er dertig jaar geleden in een stal te Bethlehem, de oude stad van David, uit een maagd een koning der Joden werd geboren?’ [GJE3-197-1]

 

De Heer zegt tegen Schabbi, één van de drie astronomische Perziërs: ‘Wel, vriend, hoe staat het nu met die Messiasgeschiedenis, die dertig jaar geleden de bekende wijzen uit het Morgenland in jullie land wereldkundig hebben gemaakt? Is dat volgens jou nog steeds een sprookje van astrologen?’ [GJE3-207-7]

De tempelier Zinka zegt:  ‘Hij komt mij alleen te jong voor; want hij moet al in de 30 zijn! [GJE4-25-1]

Roklus, de Essener zegt tegen de Engel Raphael: ‘Ben jij soms zelf die wonderbaarlijke Nazarener? Ook goed, en eigenlijk nog beter; want dan leren wij die man of jongeling tenslotte immers zelf kennen, van wie wij al zoveel buitengewone dingen hebben vernomen! Alleen zie je me er iets te jong uit voor de Nazarener, die volgens de beschrijving minstens dertig jaar moet zijn! […] [GJE5-53-4]

 

Roklus, de Essener, sprak verder met de Engel Raphael over Jezus, van wat handelslui over Hem ervaren hadden: ‘In het stadje Nazareth aan de bovenloop van de Jordaan gelegen, niet in het plaatsje in de bergen dat dezelfde naam heeft, leefde een timmerman die bij zijn tweede vrouw een zoon had verwekt, die hij 'Jezus' noemde. Deze was tot zijn dertigste ook timmerman en een altijd stille man, die veel dacht maar weinig sprak. Hij was verder een uiterst beschaafde man; men hoorde hem nooit ruziën…’ – ‘Een evenwichtige en zeer bescheiden nuchterheid was de overheersende karaktertrek in zijn leven. Daarnaast was hij altijd zeer deemoedig en barmhartig tegenover de armen, en vroeg voor zijn altijd uitstekende timmermanswerk slechts een heel klein loon, dat hij altijd uiterst stipt aan zijn ouders afdroeg’.

 

‘Op de dag echter dat hij precies dertig jaar oud werd, legde hij al zijn gereedschap aan de kant en raakte noch zijn bijl, noch zijn zaag meer aan. Spoedig daarop verliet hij het ouderlijk huis, trok naar de kleine woestijn, niet ver van de plaats, waar de uitloper van de Jordaan in het aan Galilese meer stroomt.  [GJE5-52:2-5]

 

Zijn broers en zijn nog in leven zijnde moeder, allemaal volkomen eerlijke mensen, vroegen hem naar de reden daarvan en hij moet hun het volgende, hoogst mysterieus klinkende antwoord gegeven hebben:

 

'Het uur is gekomen, dat Ik de wil van mijn Vader in de hemel moet vervullen, waarom Ik dan ook naar deze wereld ben gekomen!’

 

Cyrenius zegt tegen één van de Farizeeërs: ‘Ik heb in Hem juist die mens gevonden, die ik - laten we zeggen ­dertig jaar geleden tegen de gruwelijke vervolging van de oude Herodes beschermd heb; Hij is het ook, die dertig jaar geleden, toen mijn broer Augustus de volksregistratie en volkstelling in het hele uitgestrekte Ro­meinse rijk en dus ook in het land der joden invoerde, in Bethlehem in een schaapsstal is geboren uit de jonge vrouw van de timmerman Jozef, waarbij zich allerlei wonderbaarlijke verschijnselen voordeden. Wijzen uit het Morgenland, daarheen geleid door een grote komeet, herkenden Hem en hebben Hem begroet als de toekomstige koning der joden en Hem geschenken gebracht; reeds toen werd Hij door de verbaasde herders als een bijzondere verschijning voor de mensen van deze Aarde bezongen, waarvan jullie je zeker nog wel iets zullen herinneren! Mochten jullie daarover niets gehoord hebben, ofschoon jullie toch al wel minstens zestig jaar oud zullen zijn, dan staat hier mijn broer Cornelius, die toen juist in Bethlehem de Romeinse registratie leidde, als nog volop levende getuige vóór jullie en naast hem sta ikzelf; ook ik had hoogst onverwacht de gelegenheid, aan het kind dat amper veertien dagen oud was, reeds dermate goddelijke tekenen waar te nemen en te beleven, dat ik er in mijn grote en eerbiedige verbazing geen ogenblik aan heb getwijfeld, dat dit kind overduidelijk meer was dan het meest volmaakte mensenkind. [GJE5-149-4,5]

 

[Opmerking: deze volksbeschrijving was destijds in het gehele Romeinse Rijk en in Israël de eerste keer überhaupt in de geschiedenis!]

 

De twintig pseudo-Grieken [priesters] bedankten de Heer voor de uitnodiging… ‘Zij kwamen bij ons aan tafel zitten en begonnen opgewekt te eten en te drinken, en zij vertelden ons veel lachwekkende dingen over de tegenwoordige staat van de tempel, over de nieuwe ark, die nagemaakt was omdat de oude sinds de gruwelijke dood van de voormalige hoge­ en opperpriester Zacharias haar bijzonder won­derbaarlijke kracht merkwaardigerwijs helemaal verloren had. De nieuwe was derhalve nu al bijna dertig jaar oud, en gedurende deze tijd was er met haar geen enkel wonder meer verricht, en toch aanbad het domme volk de nieuwe alsof het de oude was’. [GJE616:8]

 

[Opmerking: klaarblijkelijk heeft men na de moord op de hoofdpriester Zacharias de ark ongeveer 9 maanden daarna laten vervaardigen’.]

 

De drie wijzen uit het Oosten [het Morgenland] ontmoetten Jezus ruim 30 jaar later en de oudste sprak: ‘'Wij drieën zijn al eens dertig jaar geleden hier geweest en maakten een lange reis van het verre Morgenland hier naartoe, want wij zijn door een bijzondere ster daartoe opgeroepen en in de taal der sterren stond geschreven: 'In het verre westen is bij het ontaarde volk van God een nieuwe koning geboren. Zijn lichamelijke moeder is een maagd die nooit door een man werd aangeraakt; want het kind in haar schoot is verwekt door de grote kracht van God, en Zijn naam zal groot zijn onder alle volkeren der Aarde, en Hij zal een rijk vestigen en daarin als almachtig koning eeuwig heersen. En allen die in Zijn rijk zullen leven zal het goed gaan; want over hen zal de dood geen macht meer hebben!’ [GJE6-37-9,10]

 

Een arts was in gesprek met de Heer aan de Eufraat en Jezus zei tegen hem: ‘Maar Ik heb dat leven uit God niet vanuit het moederlichaam in deze wereld gebracht! De kiem lag wel in Mij, maar die moest eerst ontwikkeld worden, wat Mij bijna dertig volle jaren tijd en moeite gekost heeft.  [GJE6-90-11]

Tot één van de drie wijze lieden uit het Morgenland zei Jezus: ‘Er zijn reeds dertig jaar geleden bij de geboorte van de Middelaar wijze mannen uit jullie land hier geweest, die Hem goud, wierook en mirre hebben geschonken. Hebben jullie van hen dan niets gehoord?' [GJE7-118-1]

 

Één van de Farizeeërs uit de tempel van Jeruzalem, die op bezoek waren bij Lazarus in Bethanië zei tegen Raphaël: 'Inderdaad, en toch is het zo! Ik zegje nu zelfs dat de grote heilsman zich zelfs bij jullie zou kunnen bevinden en dat wij Hem beslist niet zouden herkennen als Hij zich zelf niet aan ons bekend zou maken! Heimelijk dachten we al dat deze ware tweede Samuël het was; alleen vonden we Hem toch een beetje te jong, omdat we gehoord hebben dat de grote heilsman al een jaar of dertig moet zijn, wat we echter ook niet helemaal zeker weten. Maar we verlangen er nu alleen maar erg naar, Hem zelf te zien en te spreken! Zeg ons daarom toch waar wij Hem kunnen zien en spreken!'  [GJE7-153:16]

 

[Opmerking: blijkbaar is de historische geschiedenis van de Heer voor het grootste deel verhaald in de eerste 7 delen van het grote Johannes Evangelie, omdat er steeds sprake is van het eerste jaar van Jezus!]

 

www.zelfbeschouwing.info  - bron: Jakob Lorber Bulletin Internationaal, juni 2016 – maandelijks gratis tijdschrift voor de bewuste mens

 

https://encrypted-tbn1.gstatic.com/images?q=tbn:ANd9GcSjYxuDL39p9pKxKK_0eeqv-PyLZuxMm2GeoRFaNFBLLITSMzTX-33

Jezus was niet ouder dan 33 jaar toen Hij  Zijn lichaam verliet! 

                                                                                 [Slot]

Lazarus vertelde hoe zijn vader het zogenaamde ‘examengeld’ betaalde voor de twaalfjarige Jezus: ‘Toen Hij twaalf jaar oud was, kwam Hij met Zijn aardse ouders voor het voorgeschreven knapenexamen naar Jeruzalem, bleef drie volle dagen in de tempel en bracht door Zijn antwoorden en vragen alle oudsten, Schriftgeleerden en Farizeeën in opperste verbazing, wat mijn vader, die zelfs vanwege de armoede van Zijn ouders, het tamelijk hoge examengeld voor Hem betaald had, mij verteld heeft.

 

Ook dat zullen de ouderen onder jullie zich nog zeker herinneren, alhoewel niet het feit dat Hij aan de woede van Herodes ontsnapt is en na drie jaar weer uit Egypte naar Nazareth is teruggekeerd.

En kijk, de man die nu zulke grote werken doet, enkel door de zuiver goddelijke macht van Zijn wil en Zijn woord, is precies dezelfde als de dertig jaar geleden in Bethlehem geboren koning der joden en precies dezelfde als de wijze jongeman, die twintig jaar geleden de hele tempel in opperste verbazing gebracht heeft! [GEJ.08_006,13-16]

 

[Opmerking: hier wordt gesproken over 20 jaar, terwijl het 18 jaar geleden was – wellicht in de spreektaal naar boven afgerond! – evenals ook met de dertig jaar, dat in de navolgende tekst nu ineens met 32 jaar blijkt te zijn – Als men het over een 32e jarige heeft, dan was het klaarblijkelijk de gewoonte, dit naar boven af te ronden!?]  

 

De Heer zei tegen de waard: ‘Daaruit kun je nu wel afleiden dat Ik jou heel goed ken en dat Ik niet boos op je ben, zoals je dacht, want jij was immers één van de eersten die Mij reeds bij Mijn geboorte herkend heeft en Mij de juiste eer gegeven heeft, en zo zul je ook zeker niet de laatste zijn die Mij nu weer zal herkennen!’ Hierdoor werd de waard tot tranen toe geroerd en zei: 'God, Heer en Meester! Meteen toen ik U zag kwam het me voor de geest, dat het zo zou zijn; maar ik durfde het toch niet hardop uit te spreken. Maar aangezien U mij daar nu genadig aan herinnerd hebt, is het wel boven alle twijfel verheven dat U dezelfde bent, voor wie alleen reeds tweeëndertig jaar geleden mijn lievelingspsalm bedoeld was…[GJE.08_116,16]

 

Een van de Indojoden zei in het gezelschap:  ‘Vriend, die vergadering van het volk, voor het kiezen van een koning uit de zevenhonderd patriarchen, vond volgens onze tijdrekening dertig jaar geleden plaats, en het volk onthield zich er tot op dit uur des te meer van een koning te kiezen, omdat onze wijzen na een jaar weer terugkwamen en ons waarheidsgetrouw en heel uitvoerig vertelden, hoe en waar zij de pasgeboren koning der joden hadden gevonden, en wat voor ongehoorde wonderen uit de hemelen Zijn geboorte en Zijn bestaan op Aarde verkondigden en ver­heerlijkten!

 

Door dit bericht, waar ook onze zevenhonderd patriarchen aan geloof­den, zij het met een zuur gezicht, bleef tot op heden het opnieuw kiezen van een koning achterwege. Sinds die tijd is er echter al meer dan dertig jaar ver­streken, en er werden door ons verschillende keren verkenners hierheen gestuurd, om te horen hoe het ervoor staat met de koning van alle joden, waar ter wereld Hij ook moge wonen. Zelfs onze drie oude sterrenkundigen hebben zich een paar jaar geleden weer hierheen begeven; of zij alweer met goede berichten thuisgekomen zijn weten wij niet, aangezien het land waar wij wonen nu veel groter is dan toen wij het voor het eerst in bezit namen, en er nu vaak enkele jaren voor nodig zijn voordat het gehele, nu zeer grote en ver uit elkaar wonende volk hoort welke berichten er van buitenaf het land binnen zijn gekomen.  [GJE.09_105,07,8]

Ik [Jezus] zei: 'Maria, ben Ik niet van Mijn kinderjaren tot Mijn dertigste jaar onder jullie geweest? Heb Ik jullie niet heel vaak over Mijzelf onderricht en Mijn woorden ook met allerlei tekenen bevestigd? Ben Ik niet ook nader­hand naar Nazareth gekomen, en heb Ik daar niet onderwezen en tekenen gedaan? Maar wat hebben de blinde mensen daar in en om Nazareth gezegd? [GJE.09_116,28]

 

Ook Maria, die evenals Jozef een strenge Jodin was en veel op had met de tempel - hoewel in Mijn tijd niet meer zoveel als voorheen - verwonderde zich over de trouwe gezindheid van deze Joden en over de kracht van het geloof van de Samaritanen, en zei tenslotte: 'Als die de tempel zouden bewa­ken en leiden - wat helaas niet zo is - zou de oude ark weer vervuld zijn van de geest des Heren, tot heil van Jeruzalem en van alle Joden, en de engelen zouden de maagden in de tempel voeden met hemelse kost, zoals dat zo'n dertig jaar geleden nog gebeurde bij de vrome Simeon en de grijze Anna, die de maagden van de tempel moest verzorgen. Maar sinds de vrome Zacharias door de afgunst van de Farizeeën gewurgd werd toen hij de offers aan God kwam wijden met gebed en reukwerk, is de oude ark in verval geraakt en de geest des Heren verdwenen. Weliswaar heeft men een nieuwe ark vervaardigd, maar de geest des Heren keert daar nooit meer in terug; maar wel woont daar de geest van leugen, bedrog, afgunst, jaloezie en laster, hoogmoed en boosaar­dige heerszucht. [GJE.09_130,02]

 

Nu vroeg de wijze Philopold Mij: 'Heer en Meester vol liefde, wijsheid en kracht! Wij hebben uit Uw waarachtig goddelijke mond zoveel gehoord over wat U hebt gedaan, maar over Uw eerste daden, toen U Uw aardse ouderlijk huis verliet, weten wij helemaal niets. Ik heb met Maria, de moeder van Uw lichaam, en ook met Joël en Uw andere lichamelijke aardse broeders over Uw hele jeugd gesproken, en wat ik heb gehoord -vanaf Uw wonder­baarlijke komst op deze Aarde, in het lichaam van Maria tot aan Uw dertigste aardse levensjaar - heb ik getrouw in de Griekse taal in een gedenkboek opgeschreven, zonder ook maar iets toe te voegen of weg te laten.

Zo heb ik er ook - natuurlijk als louter brokstukken - alles aan toege­voegd wat ikzelf hier eens aan Uw zijde heb meegemaakt en wat ik van betrouwbare oog­ en oorgetuigen van vele andere kanten en plaatsen heb vernomen, en dat in een apart boek opgeschreven. Maar tot iets meer dan drie maanden na Uw dertigste jaar en de dag van Uw vertrek uit Nazareth heb ik van niemand kunnen horen waar U in die allereerste tijd bent geweest en wat U hebt gedaan. [GEJ.09_134,01] en [Matth. 4: 1-11] [GEJ.09_134,01]

Op de Markusheuvel, vlakbij Tiberias werd er nagepraat over de jeugd van Jezus: ‘Men zegt dat hij een Galileër uit Nazareth en de zoon van een timmer­man is, die het vak van timmerman ongeveer op zijn dertigste jaar volledig heeft opgegeven, leerlingen heeft aangetrokken en daarna aan zijn ambt als leraar en genezer is begonnen. De priesters van de Joden vervolgen hem ech­ter, omdat het hele volk naar hem toegaat en in hem gelooft, omdat hij zijn leer met grote wonderen en andere grote tekenen bevestigt. [GJE.09_160,06]

Afbeeldingsresultaat voor foto photo lehramt jesu

In een klein stadje [in de omgeving van Bethsaida], waar de Heer een tijd verbleef,  zei Hij tot een herbergier:

(De Heer:) 'Kijk, toen Ik bijna drieëndertig jaar geleden in een schapen­stal in Bethlehem in deze wereld kwam, geboren uit een zeer zuivere en vrome maagd - die Maria heette en de enige dochter was van Joachim en de oude Anna, die in de tijd van de vrome Simeon altijd in de tempel hun bezig­heden hadden -waren het heidenen, die als eersten reeds van verre hadden gezien, dat in Mij iets buitengewoons in deze wereld was gekomen. Ze brach­ten Mij allerlei offers - goud, wierook en mirre - en de machtigste gezagsdra­gers van Rome in Judea en over alle Romeinse landen in Azië en ook Afrika bewezen Mij alle liefde en verleenden Mij alle hulp, met name bij die treuri­ge gelegenheid, toen het de oude Herodes ter ore was gekomen, dat in Mij een zeer machtige koning der Joden geboren was en hij alle mannelijke kin­deren tot twaalf jaar wilde laten vermoorden. [Matth. 2:16] Mijn aardse moeder en Mijn pleegvader Jozef en zijn vijf zonen, die hij uit een eerder huwelijk had gekre­gen, moesten toen met Mij naar Egypte vluchten, en de Romeinse comman­dant Cornelius en zijn broer Cyrenius hebben Mij bij die vlucht veel liefde bewezen en voor een goed onderkomen in een vreemd land gezorgd.[…] Als dat nu zo is, dan is het toch ook volkomen in orde, dat nu door Mij, evenals door iedere ware Jood, aan de heidenen dezelfde liefde betoond wordt als die zij Mij reeds vanaf Mijn kinderjaren hebben betoond; en de afgelopen tweeënhalf jaar heb Ik tijdens Mijn reizen als leraar steeds wijd en zijd meer geloof en liefde bij de heidenen gevonden dan bij de Joden. […]

 

Maar Ik zeg je ook dat juist daarom het licht van de eeuwige waarheid van de Joden zal worden weggenomen en aan de heidenen zal worden gegeven. De Joden zullen verstrooid raken over de hele wereld en zullen nooit meer een eigen land bezitten, maar als gehate slaven onder de koningen van heidense volkeren alle smaad en vervolging te lijden hebben, als blijvend getuigenis van hun ongeloof en hun algehele liefdeloosheid. Ze zullen de beloofde Messias wel altijd verwachten, maar tevergeefs; want die Messias ben Ik en verder niemand in eeuwigheid. [GJE.10_146,01-04]

 

De Heer overnachtte bij de herbergier Mucius en kwam in gesprek met een koopman en vertelde deze enkele dingen over hem.  De koopman, steeds meer verbaasd, zei: 'Ja, zo is het precies en ik verbaas me daar temeer over, omdat die gebeurtenissen al meer dan dertig jaar gele­den zich afspeelden, dus in een tijd dat u nog niet geboren kon zijn. Hoe weet u die dingen? Want de kring van mensen die iets over mijn vader en die adoptieva­der kan weten, is allang uitgestorven.’ [GJE.11_008,08]

 

De Heer herinnert Rael aan het verleden: Toen jij vroeger - nu tweeëntwintig jaar geleden - in de tempel was, heb je gehoord en toegekeken hoe een twaalfjarige jongen daar niet alleen door zijn wijsheid, maar ook door zijn wonderkracht allen tot verbazing bracht. Je hield je heel rustig onder de toeschouwers en was hoogst verwonderd, dat die totaal blinde Farizeeën en Schriftgeleerden niet in de gaten hadden wie er eigenlijk achter die jongen schuilging. Aan jou had de geest onmiddellijk te kennen gegeven dat hier de verwachte Messias in levenden lijve voor ieders ogen stond, en dat er alleen maar zo'n uiterst dikke hoogmoed en zielen­blindheid als die van de levieten en Schriftgeleerden, die zichzelf als geleerd beschouwen, voor nodig was om door de bomen het bos niet te zien. [GJE.11_021,07]

 

[Opmerking: 22+12=34: hier kan men verder erbij toevoegen, dat Jezus‘ ambt 33 jaren en enkele maanden [4-5] heeft geduurd. Jezus was dus in Zijn 34e jaar, maar hij was nog 33 jaar! Klaarblijkelijk is de Heer in het midden van de maand maart in het jaar 22 n. Chr. met Zijn missie begonnen, nadat Hij eerst 40 dagen in de woestijn boven Bethabara vertoefde, vlak bij de Jordaan. [in het 15e regeringsjaar van keizer Tiberius!]  Het verschil in temperatuur met de westelijke landen van Europa en Noord-Israël verschillen nogal aanzienlijk. De Heer werd gekruisigd in het jaar 26 in de maand juni, 5 maanden later dan onze reguliere Pasen - toen de Kidron droog lag vanwege de hitte. [in de volle zomer volgens het grote Johannes Evangelie, eerste deel]. Het is duidelijk, dat de Heer geboren werd in het jaar 8. v. Chr – dus voor onze christelijke telling – en destijds was dit op 7 januari 4151 in de oude joodse jaartelling en ook op deze datum was het volle Maan. Dit was niet het geval op 7 januari 7. v. Chr.! Hiermee heeft Jezus 3 volle jaren Zijn ambt uitgeoefend en werd Hij met 33 jaar in Zijn 34e jaar gekruisigd. Dit is precies zo, wanneer we zeggen, dat we in de 21e eeuw leven. Ofschoon we in het 2000e jaar n. Chr. en met zoveel extra jaren nu leven.

 

Nu er sinds drie jaar een profeet is opgestaan die Jezus van Nazareth heet, weet niemand zekerder dan jij dat dit diezelfde jongen is. En niemand in heel Israël is er ook meer dan jij van overtuigd, dat Jezus de Christus is, de waarachtige Gezalfde Gods. Deze meest innerlijke overtuiging durf je echter niet uit te spreken om de redenen die je zelf hebt aangegeven. - En zeg nu of Ik juist heb gesproken!' [GJE.11_021,10]

 

[Opmerking: het is dus erg duidelijk, dat Jezus NOOIT ouder geweest kan zijn dan 33 jaar en meerdere maanden, en geboren moet zijn plusminus 8 v. Chr. , dus vóór onze christelijke jaartelling.]

 

‘Jozef omhelsde vervolgens de hoofdman en zegende hem. Daarna riep hij Maria toe om met het Kindje op haar rijdier plaats te nemen. Toen nu alles klaar was voor het vertrek, zei de hoofdman tegen Jozef: 'Meest achtenswaar­dige van alle mannen, die ik ken, zal ik je met het Kindje en Diens Moeder ooit nog eens terugzien?' Jozef gaf hem ten ant­woord: 'Over nauwelijks drie ja­ren zal ik, zowel als het Kind en Zijn Moeder je opnieuw begroe­ten, reken daar gerust op. En nu vertrekken we. Amen. ‘ [JJ 34:15-17] – [Opmerking: de waarschijnlijke terugkomst was het eind van de maand december. Het was ’s avonds al fris]

 

In Egypte bezocht Cyrenius meerdere malen de heilige familie Jozef en Maria. Cyrenius had voor hen daar een huis gekocht met een grote groente-en fruittuin met dieren.  Dat huis was steeds vol met gasten. Aan enige gasten uit de stad echter was het uitzonderlijk ver­standige en zeer vertrouwelijke spreken van dit Kindje met Cyre­nius opgevallen, zodat zij vragen stelden met betrekking tot de leeftijd van dit Kindje. Het sprak immers als een volwassen man en wekte de in­druk van op zeer vertrouwelijke voet met de landvoogd te staan.  Cyrenius zei echter ontwij­kend: 'Zitten jullie er soms over in, dat ik op kinderen bijzonder gesteld ben? Jullie hebben allemaal kun­nen zien hoe bijzonder rijk van geest dit Kindje is, maar hoe Het in nauwelijks drie en een half jaar tot die geeste­lijke rijpheid gekomen is, daarover kunnen jullie be­ter bij Zijn ouders navragen, die zullen jullie daarover ongetwij­feld het beste kunnen inlichten! Ik sta er trouwens versteld van, dat jullie als de naaste buren van dit gezin, deze mensen nog niet beter kennen!  [De Jeugd van Jezus-240 9-16]

 

[Opmerking: hier zien wij een kleine tegenspraak door Cyrenius over het aantal jaren, hoe oud het Kind Jezus werkelijk was, toen hij in gesprek ging met zijn militaire onderdanen. Daarin moet hij zich zeker vergist hebben. Of de vertaling was fout overgenomen, aangezien Cyrenius in principe erg precies was met zijn verklaringen. Het ligt dan meer voor de hand, dat dit ‘twee en een half jaar’ moet zijn. Dit sluit dan ook weer aan, dat Jozef en Maria daarna nog een half jaar in Ostracine vertoefden, waardoor zij precies drie jaren in Egypte verbleven. Want er is steeds sprake van drie jaren!

 

Het gezin van Jozef en Maria bleef hier dan ook ongestoord nog een half jaar wonen, terwijl iedereen hen acht­te en waardeerde. [Jeugd van Jezus – 260]

Op de terugreis van Egypte naar Nazareth: Na precies drie jaren gingen Jozef en Maria terug naar hun land en dit keer te voet.  De zon was nog lang niet opgegaan, toen Jozef en de zijnen de lastdieren bestegen en landin­waarts wegtrokken. Na elf zeer vermoeiende reis­dagen kwamen Jozef en de zijnen behouden in het land van Israël aan, en hielden een rustpauze op een berg bij een paar mensen die daar woonden en van veeteelt leefden. Joël informeerde hoe ver het naar Nazareth was. Toen hij weer terugging vroeg Jozef hem onmiddel­lijk welke inlichtingen hij bij dat huisje gekregen had. Joël zei: 'Een vrouw en een man deden heel vriendelijk tegen mij. Ze hebben water gegeven en mij verteld, dat we hier al voor de stad Nazareth staan. Ik zou zo denken dat, als dat de stad is, dat we dan beslist niet ver van onze pachthoeve kunnen zijn. Jozef antwoordde: 'Beste jongen, daar heb je wel gelijk in, maar weet jij, wiens eigen­dom die nu - na drie jaren - is?... [JJ-260-1-11]

 

Zowel Salome als Corne­lius vroegen nu, wat voor lieden zij dan eigenlijk wel waren, of ze wel te vertrouwen waren. De jongens zeiden: 'Wij komen uit Egypte; we zijn de eer­lijkste mensen van de wereld. Het is onze bedoeling hier in Nazareth een woning te kopen. Van afkomst zijn we name­lijk zelf Nazareners; door om­standigheden waren we echter ge­dwongen drie jaren in Egypte door te brengen. Nu die omstandigheden zijn opgeheven, zijn we weer te­rug om hier opnieuw een woning te zoeken.’ Toen de beide vragenstel­lers dit hoorden, gaven zij hun da­delijk een flinke partij hout en ook vuur, en de zoons brachten dat naar Jozef. [JJ260-16-21]

 

Cornelius nam het woord en zei: 'God, de Heer van Israël is met u, zoals ook met mij en met mijn gezellin Salome! Het is mij gegeven U te her­kennen, er is geen twijfel meer mogelijk of U, oude brave man, dezelfde Jozef bent met Uw jeug­dige vrouw Maria, die drie jaren geleden naar Egypte bent uitge­weken voor de vervolging door Herodes. Daarom ben ik onmiddel­lijk hierheen gesneld om U mijn hulp aan te bieden en binnen te leiden in Uw eigendom.' [JJ262-8-10]

 

Opmerking: Hoe ik daartoe gekomen ben om te bewijzen, dat Jezus slechts drie jaren onder ons was? En met 33 jaar was gestorven? [2000 jaar geleden] – Omdat er onder de Lorber-lezers enkelen beweren, dat Jezus ouder zou zijn geweest dan 33 jaar en weliswaar met 39 jaar gekruisigd werd. Men heeft namelijk deze [foutieve] berekening gemaakt, dat Jezus in 7 v. Chr. werd geboren en in 32 jaar n. Chr. gestorven zou zijn. [-7 +32= 39!] Dat deze bewering echter niet mogelijk kan zijn, bewijst ons de Bijbel en ook Jakob Lorber, in zover dit uitvoerig uitgespit en duidelijk onweerlegbaar nu werd weergegeven. Daarmee is deze kwestie volledig opgehelderd!

stockfoto van Collage van huisnummers met nummer drieendertig

 

www.zelfbeschouwing.info  - bron: Jakob Lorber Bulletin Internationaal, juli 2016 – maandelijks gratis tijdschrift voor de bewuste mens