DE HUISHOUDING VAN GOD

 

De Heer gaf dit door het innerlijk woord

 

aan

 

Jakob Lorber

 

Deel 1

 

Uitgeverij De Ster

 


 

Oorspronkelijke titel: Die Haushaltung Gottes geschreven door Jakob Lorber. Lorber-Verlag, Bietigheim, Württemberg, BRD.

Druk: Drukkerij Verbo - Tilburg

 

Deze uitgave kwam tot stand in samenwerking met de Jakob Lorber Stichting voor het Nederlandse taalgebied.

 

Wie meer wil weten over de profeet Jakob Lorber, kan zich wenden tot de

 

Jakob Larber Stichting voor het Nederlandse taalgebied

 

Burg. de Millylaan 1, 7231 D P Warnsveld, Telefoon: 0575 - 521803.

 

Copyright <9 1999 Uitgeverij De Ster

 

NUGI 632 ISBN 9065561722

 

Uit deze uitgave mag uitsluitend iets verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotocopie, micro­film, opnamen of op welke wijze ook, hetzij chemisch of mechanisch, na voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

 

*.*.*.*.*

 

Inhoudsopgave

 

Voorwoord door de uitgever

 

Voorwoord door de Heer

 

Hoofdstukken:

1. Een vermaning van de hemelse Vader aan Zijn kinderen

2. De geboden van de Heer aan de mensen

3. De Heer als Vader van Zijn kinderen

4. De ware kerk

5. Het geheim van de schepping

6. De analogie van het gesternte

7. De oertijd van aarde en maan. De schepping van Adam en Eva

8. De zondeval

9. Het gericht van de Heer

10. De verzoening van de Heer

11. De geboorte van Kaïn en Abel

12. De belofte van de Heer

13. De verdrijving uit het paradijs

14. Adam komt tot inzicht en heeft berouw

15. Kaïns bekentenis

16. De opdracht van de Heer aan Abel

17. De nieuwe godsdienst en levenswijze

18. Kaïns en Abels offer

19. Kaïns moord op Abel

20. Kaïns vervloeking en vlucht

21. Het verdrag van de Heer met Kaïn

22. Hanoch, Kaïns zoon, als wetgever

23. De bevelen van Hanoch, de tiran

24. De uittocht van Kaïn naar de zee

25. De ontwikkeling van Kaïns geslacht

26. Hanochs goddeloze regering

27. De politiek van de raadsheren van Hanoch

28. Het overleg van de tien vorsten

29. De opvolgers van Hanoch

30. Lamech wordt koning

31. De landverhuizing onder leiding van Meduhed

32. Het hooglied van Meduhed

33. De afvaart van de Meduhedieten

34. De landing van de Meduhedieten in Japan

35. Een boeteprediking door de dieren

36. De herinnering aan Adams ongehoorzaamheid en de genade van God

37. De prehistorie van het Chinese volk

38. De familie van Lamech

39. Begin en oorzaak van het verval van de kinderen van de hoogte

40. Adams rede over zijn val

41. De benoeming van Henoch tot prediker

42. Kenans gezang over de tien zuilen

43. Henoch verklaart de woorden van Adam en Kenan

44. De verklaring van Adam over zijn zwakte

45. Adam zegent zijn kinderen

46. Over het komen van de Heer

47. Over de grootheid en diepgang van Gods woord

48. Over de goddelijke zegen op aarde

49. Adams en Henochs ochtendgebed

50. Henochs ochtendoverdenking

51. Jareds vreugde over zijn zoon Henoch

52. Henochs morgenlied

53. Adams verwondering over de wijsheid van Henoch

54. Henochs woorden over het ware danken en loven

55. Kenans belijdenis

56. In de Adamsgrot

57. Adams vrijwillige bekentenis

58. Asmahaël, de vreemdeling

59. Over de deemoed

60. Henochs terechte geslotenheid

61. Het goddelijke woord in het mensenhart

62. De patriarchen brengen begrip op voor Henochs woorden

63. Asmahaël spreekt over het goddelijke woord

64. Henoch spreekt over het wezen van het woord

65. Adams terugblik op zijn leven

66. Asmahaël en de tijger

67. Het bezoek van de vaderen aan de kinderen van de middag

68. Adams woorden tot de zijnen en de kinderen van de middag

69. Seths troostende woorden

70. Henoch predikt over de liefde

71. Sethlahems verlangen naar de ware wijsheid

72. De wijsheid van Sethlahem en de wijsheid van Asmahaël

73. De hongerige tijger

74. Het wezen van de waarheid en de liefde

75. De oorzaak van de vrees

76. De vreugde van de stamvaderen over de Heer

77. Het vertrek van de patriarchen naar de kinderen van de avond

78. Asmahaëls woorden van dank

79. Adams zwakheid

80. De gulden regel van de profetenscholen

81. De patriarchen bij de kinderen van de avond

82. Seth verwijt Henoch zijn woorden van waarheid

83. Henochs woorden over Seths vergissing

84. Adam richt wijze woorden tot Seth

85. Asmahaëls woorden over de wet

86. De gedachten van de patriarchen over Asmahaëls woorden

87. Eva berispt Seth

88. Henochs legt Asmahaëls woorden uit

89. Werken van wijsheid en werken van liefde

90. De verlossende macht van de liefde

91. Seth herkent de vreemdeling Asmahaël

92. Het getuigenis van Asmahaël

93. Adams nieuwsgierigheid

94. Adams verzoek aan Henoch

95. Adam wordt terechtgewezen

96. Asmahaëls spreekt over het woord Gods

97. Adams bekentenis

98. Het zwijgen van de liefde

99. Goddelijke en menselijke wetten

100. Jareds gedachten over het wezen van Asmahaël

101. Henoch spreekt met J ared over Asmahaël

102. Tegenstellingen tussen God en de mensen

103. Asmahaëls uitnodiging om verder te reizen

104. Asmahaël neemt Abedam als reisgezel

105. Jared vraagt naar het wezen van Asmahaël

106. Over wat zich afspeelde tussen Kenan en Mahalaleël

107. Over de listigheid

108. Seth komt in verlegenheid tengevolge van de wedervraag van Enos

109. De rustpauze van de vaderen onder de broodboom

110. De wonderlijke macht van Asmahaël

111. Asmahaël brengt Methusalah en Lamech naar het gezelschap

112. Lamech en Methusalah spreken samen over de vreemdeling

113. Henochs woorden tot Methusalah en Lamech

114. Het ongeduld van Lamech. Het antwoord van Methusalah

115. De slang in de boom

116. Asmahaëls woorden over Gods macht in de mensen

117. Adams vraag aan Asmahaël

118. Het doel van het aardse leven

119. Jareds zorgen over het onthaal van Asmahaël

120. De gesprekken van de patriarchen over Asmahaël

121. Lamech en Methusalah spreken samen over de vreemdeling Asmahaël

122. Asmahaël vertelt een gelijkenis

123. Bij de 'Verdorde hand der aarde'

124. Adam vraag naar de kinderen van middernacht

125. Adam laat de kinderen van middernacht zoeken

126. Asmahaël stuurt Henoch erop uit

127. De drie zonen van Adam geven gehoor aan Henochs roep

128. Adams vreugde over zijn kinderen Jura, Bhusin en Ohorion

129. Asmahaëls rede over het wezen van Jehova

130. Asmahaëls Vaderroep tot de kinderen van middernacht heeft succes

131. Adams vreugde en dank. De vraag van de weetgierige Jura aan Asmahaël

132. Het gemeenschappelijke maal. De uit eerbied en bescheidenheid vastende vaderen. Henochs liefde voor Asmahaël. Het ware gebed

133. Asmahaëls belofte aan Henoch

134. Asmahaëls gelijkenis over de liefde

135. Adams dwaze antwoord

136. Asmahaël wijst Adam terecht

137. Adams bekering en belijdenis

138. Emmanuëls woorden over Zijn komen bij de mensen

139. Lamechs grote liefde voor Emmanuël

140. Emmanuël laakt Methusalahs schijndank

141. Henoch wekt de vaderen op tot liefde voor Emmanuël

142. Over de vrijheid van de mens

143. Het offer. Lamechs vermanende vurige woorden. Over de zacht­moedigheid en het geduld

144. Emmanuëls afscheidswoorden tijdens de zegening van het offer. Een belofte voor Golgotha. Over de heerlijkheid van de geestelijke vrijheid

145. Adams aanwijzingen voor de komende sabbat

146. Abedams ontmoeting met de vreemdeling

147. Abedams gesprek met Abedam, de onbekende

148. De aankomst van Abedam, de vreemdeling, bij de vaderen

149. De vragen van de onbekende Abedam

150. Een evangelie van de liefde

151. Seth zoekt het licht in het licht

152. Over de eenvoud. Het wonder van Gods liefde

153. De ware broederschap tussen Henoch en Abedam, de bekende

154. Over de ware naastenliefde

155. Lamech vraagt naar de naam van Abedam, de onbekende

156. Over de liefde

157. De onweersbui

158. De vreze Gods en de liefde tot God

159. Adam en Seth in het nauw gedreven en hun beproeving

160. Gods hulp en de zorgen van de mens

161. Seths woord van dank

162. De hoge Abedam in de kring van Zijn zalige kinderen. Het einde van het onweer

163. Seths wonderlijke kracht brengt de vuurstorm tot bedaren. Kaeams zoeken en vermoeden; zijn liefde tot Abedam, de hoge

164. Kaeams lied van troost

165. Abedam, de hoge, en de vijf zoekenden naar het licht. Niet onder­zoeken, maar liefhebben voert tot leven

166. Hoe de ware liefde tot God zal moeten zijn

167. Het ware bidden. De richtende Godheid en de liefhebbende Vader in de Heer

168. Een terugblik op de stormnacht. Liefde verdrijft vrees

169. Het ochtendmaal van de aartsvaderen op de sabbat

170. Een evangelie van het offer

171. Henoch bereidt het offer

172. Het wezen van de voorspraak

173. De zeven mopperaars uit het middaggewest bespotten Sethlahem

174. Een evangelie voor beledigden

175. Sethlahem en de zeven morrende mannen

176. De vrijpostigheid en verootmoediging van Kisehel met de scherpe tong

177. Kisehels bekentenis

178. Kisehels gebed van berouw

179. Het wezen van de zonde en hoe haar te overwinnen

180. De vijf dochters van Zuriël

181. De bezorgdheid van de deemoedige Zuriël

182. De Heer en Ghemela

183. Een blik in de diepten van de schepping

184. Over het wezen van de tijd en de eeuwigheid

185. Het wezen van het leven. De beloften van de Heer aan Ghemela

186. Onschuld en schaamte. Terugkeer en ontvangst van de boden

 

Aanhangsel

 

Registers

 

 


 

 

Voorwoord

 

Jakob Lorber (1800-1864) is geboren en getogen in het gedeelte van Oostenrijk dat men Stiermarken noemt. Na zijn opleiding tot onderwijzer en veelzijdig musicus vestigde hij zich in Graz, de hoofdstad van Stiermarken. Daar gaf hij muziekles en concerten, en ook componeerde hij zelf muziekstuk­ken.

Lorber was zeer bevriend met de familie Anselm Hüttenbrenner, directeur van het conservatorium in Graz, en met diens broer Andreas Hüttenbrenner, die vele jaren burgemeester van Graz was. Maar toch is hem met name op latere leeftijd bittere materiële nood niet bespaard gebleven. Want ondanks zijn vele capaciteiten kon Lorber geen vaste aanstelling vinden, totdat hij door toedoen van Anselm Hüttenbrenner het aanbod kreeg om als tweede dirigent aan het opera theater in Triëst werkzaam te zijn. Die functie besloot hij aan te nemen. Maar terwijl hij met de voorbereidingen voor zijn reis bezig was, hoorde hij 's ochtends vroeg, op 15 maart 1840, tijdens zijn morgengebed een innerlijke stem, die hij in zijn hart leek waar te nemen, en die hem duidelijk zei: "Sta op, pak je griffel en schrijf!" Innerlijk, diep geschrokken, legde hij pen en papier klaar en ontving nu op dezelfde manier het begin van het werk De Huishouding van God: "Zo spreekt de Heer tot mij en voor iedereen, en dat is waar, getrouw en gewis..."

Aan deze roeping van "schrijfknecht van God" wijdde Jakob Lorber toen in onwrikbare trouw zijn verdere leven, totdat hij op 23 augustus 1864 stierf

 

Jakob Lorber heeft 25 omvangrijke boeken nagelaten, wat alleen al fysiek gezien een enorme prestatie was. Maar nog veel grootser is de inhoud van dit wonderbaarlijke mystieke werk dat wij nu bezitten, en dat ongetwijfeld het meest verheven, diepzinnige en geestvolle werk is van wat er op dit gebied ooit in de wereld geschreven is.

Alleen al de inhoud van het eerste grote werk dat ons via Jakob Lorber geschonken werd, De Huishouding van God, overtreft alles wat ons tot op heden bekend is geworden door de bijbel en door mythologische en weten­schappelijke teksten. Dit werk, dat drie omvangrijke delen beslaat, heeft als onderwerp de geestelijke schepping, de val der geesten, de schepping van de wereld en het menselijk geslacht, alsook de oergeschiedenis van de mensheid tot na de zondvloed, te beginnen bij Adam en Eva tot Noach en zijn familie.

 

Zeer actueel komt ons de toenmalige 'eindtijd' voor met de vaak dramatische prehistorische gebeurtenissen, waarin geleidelijk aan gigantische steden en beschavingen met een hoog ontwikkelde techniek ontstonden. In die steden heerste enerzijds enorme rijkdom, anderzijds extreme armoede, wat vaak tot een bloedige machtsstrijd en tot oorlogen leidde, om tenslotte te eindigen in de moedwillig zelf veroorzaakte ramp die wij als de zondvloed kennen.

 

In De Huishouding van God worden Gods eindeloze liefde en ondoorgrondelijk diepe wijsheid, die ten grondslag liggen aan de geestelijke en materiële schep­ping, in beeld gebracht. Wat het menselijk verstand oneindig te boven gaat, van het allergrootste tot het allerkleinste, wordt in beeldende taal beschreven en onderwezen.

 

De lezer wordt enerzijds verbaasd door de diepe wijsheden en anderzijds bewo­gen door de zo herkenbare zielenroerselen van de eerstelingen van het mense­lijk geslacht op deze aarde. Hartverwarmend in de ware zin van het woord is Gods Vaderhand, die elk van Zijn kinderen op de voor hen meest vruchtbare eigen wijze aanpakt en begeleidt.

 

De lezer zal gaandeweg gewaarworden dat ook deze goddelijke openbaring door Jakob Lorber diepere dimensies in zich bergt dan alleen de historisch­ natuurlijke. Dit werk beschrijft niet alleen de geschiedenis en geestelijke ont­wikkeling van de vroegste mensheid, maar ook die van de individuele huidige mens.

 

De uitgever

 


 

Voorwoord door de Heer

 

De schrijver van het voor ons liggende werk zocht oprecht en vond wat hij zocht. Hij bad en het werd hem gegeven; en omdat hij op de juiste deur klopte, werd die voor hem opengedaan en door hem ook voor al degenen die een goed hart hebben en van goede wil zijn. Maar degenen die niet met hun hart, maar steeds alleen met hun zogenaamde zuivere wereldse verstand zoeken en onder­zoeken en kritiseren en in plaats van bij de levende naam van de eeuwige Gever van alle goede gaven aan te kloppen, slechts aan de harde en dode schil van de materie kloppen, zal niets worden gegeven en voor hen zal de deur niet worden opengedaan. Want de geest van de Heer openbaart zich niet aan het verstand van de verstandigen van de wereld, maar alleen aan het hart van de eenvoudi­gen, die in de wereld van de verstandigen als dwazen gelden en bekend staan; het verstand van de wijzen van deze wereld zal evenwel binnenkort door de eenvoud van deze dwazen teloorgaan.

Wie het voor ons liggende werk met een deemoedig en dankbaar gelovig hart zal lezen, zal daardoor deelhebben aan velerlei genade en zegen en hij zal in het werk de échte Schrijver niet miskennen. De puur intellectuele kaste is het echter toch alom het even of zij Daniël, Sir Walter Scott, Rousseau of Hegel leest; Want het wereldse verstand vat alles profaan op en beschouwt een van boven komende hoogstaande mededeling als een ongefundeerde hersenschim van ongeletterde, maar van nature fantasierijke mensen, die zich door hun mis­leidingen willen laten gelden en iets willen bereiken wat zij langs de zuiver ver­standelijke weg niet kunnen bereiken, omdat die hen volstrekt ontbreekt!

Maar laat niemand zich daardoor van de wijs brengen! Hoe dikwijls zijn de vier evangeliën al niet verdacht gemaakt; gelden zij daarom als minder in het hart van degenen die zich werkelijk tot God bekennen?! Hoe dikwijls ben Ik, de Heer en Gever van het leven en alle daaruit voortspruitende gaven, al voor een gewoon mens, een magnetiseur, een bedrieger en ook al voor een zuiver verzonnen figuur door de wijzen van de wereld uitgemaakt en word nog steeds als zodanig verklaard! Maar dat brengt miljoenen anderen toch niet op een dwaalspoor. Dezen die Mijn woord ook in praktijk brengen en er niet alleen maar naar luisteren, zagen in de eenvoud van hun hart dat Jezus van Nazareth meer was dan waarvoor veel wereldse geleerden Hem hielden of helemaal niet hielden. Laat niemand zich iets van het oordeel van de wereld aantrekken wat betreft het voor ons liggende werk, maar alleen van de stem in het hart van de eenvoudigen, want de wereld vindt alleen dát belangrijk wat van de wereld is! De eenvoudigen zullen voor de ogen van de goede Gever aan iedereen een juist oordeel afgeven. Het verstand van de wereldse wijzen zal de juiste gelegenheid vinden om zich er steeds aan te stoten. Moge het hem die daarbij niet volledig schipbreuk lijdt, goed gaan!

Wie dit werk leest en het wel als een ingeving van de geest beschouwt, maar  nog in het ongewisse is ‘of het afkomstig is van een lagere of van een hogere geest'*(* Slaat ook op een beoordeling, die een andere Duitse geleerde over het manuscript gaf.), is nog geheel blind en het zien met zijn hart wordt nog in grote mate door de mantel van het wereldse intellect belemmerd.

Aan hem die een levend geloof in Mij heeft, is Mijn kracht, goedheid en opperste wijsheid zeker niet vreemd en hij zal en moet inzien dat Ik zeker voor eeuwig meer dan genoeg kracht en wijsheid bezit, en dat Ik daar waar Ik een akker bebouw ook zeker in staat ben de vijand voor eeuwig uit die akker te weren; want Ik en de satan hebben nog nooit de ploeg in een en dezelfde vore geleid! In de zin van de egoïstische wereld helaas wel, die, omdat zijzelf duister is, overal niets dan duisternis waarneemt; maar voor de ogen van hen die door de Vader onderwezen en opgevoed zijn, verschijnt alles volkomen anders, want voor de werkelijk reinen is alles zuiver en goed duidelijk.

Maar aan degenen die zeggen dat aan dit werk de eenvoud, de rust en tact en een zekere diepgang van de gehele wereldbeschouwing** (** Deze opmerking van de Heer slaat op een beoordeling die in deze zin door een geleerde werd gegeven.) ontbreekt om het als gegeven uit hoger sferen te zien, zij kort en goed gezegd: zij zouden van te voren hun hart precies moeten onderzoeken of aan hen misschien niet juist datgene ontbreekt wat zij in het woord missen. Overigens hebben zij hier een beoorde­ling gegeven, zodat zij als Europese geleerden toch ook nog wat te berde gebracht hebben, zonder volledig in het werk te zijn doorgedrongen; want daar komt toch klaarblijkelijk meer bij kijken dan een eenmalig vluchtig doorlezen van nauwelijks één deel van dit werk.

Wat verstaan zulke lezers dan onder eenvoud? Ik ben de mening toegedaan, dat een geschrift dat zo geschreven is, dat zelfs kinderen, als ze slechts enige vaardigheid in het lezen hebben en in staat zijn aan iets meer dan aan het abc en de tafel van één te denken het heel goed zouden kunnen begrijpen, toch met recht geen gebrek moet hebben aan een zekere eenvoud, ondanks de voor het beperkte menselijke inzicht heel noodzakelijke mysterieuze volheid en diepte waarmee het is geschreven. De eenvoud van een geschrift wordt echter nooit bepaald door beeldspraak en taal, maar enkel en alleen door het gemakkelijke begrip van een toch zo eenvoudig hart en door het moeiteloos de weg vinden in zo'n geschrift; maar al het overige - zoals: een oude onbeholpen taal en vele dui­zenden jaren oude gelijkenissen - is net zo min eenvoudig als het wereldse ver­stand van de wereldse wijzen. Maar wat over de vereiste rust, het beleid en de vereiste diepgang van de gehele wereldbeschouwing opgemerkt is, is allemaal in het voor ons liggende werk des te meer voorhanden naarmate het kritische wereldse verstand dat meent te missen; want dat wat rust geeft aan het hart, moet toch zelf rust in overvloed hebben. Aan het verstand kan het weliswaar geen rust geven, omdat dat niet in staat is om rust op te nemen en vandaar in een geschrift evenmin enige rust kan vinden als een rivier, zolang die nog niet de diepste diepte van de zee bereikt heeft. Als het verstand van de wereldse wij­zen zich echter verdeemoedigt en van zijn vermeende hoogte tot in het zo een­voudige levenskamertje in zijn hart zou kunnen afdalen, zou hij vanuit deze rust ook in het voor ons liggende boek de gemiste rust en een grote omzichtig­heid, juist in deze rust, vinden. Maar zolang het verstand als een weerhaan op de torenspits van wereldse wijsheid voortdurend door allerlei winden van twij­fel naar alle richtingen heen en weer gedraaid wordt, kan het waarschijnlijk nergens de rust vinden die het vanuit zichzelf niet heeft en ook niet de aange­leerde omzichtigheid die het op zijn winderige hoogte geniet.

Maar als iemand in dit werk de zekere diepgang van de alomvattende wereldbeschouwing mist, laat hem dan ten eerste gezegd zijn dat het de Gever van dit geschrift ook helemaal niet te doen was om uit het voor ons liggende werk zo' n beschouwing, die nu helaas reeds zeer verbreid is onder de mensen, te ontwikkelen bij diegenen die het werk met de ware rust en eenvoud van het hart zullen lezen als datgene wat het eigenlijk is. Maar het was Hem er slechts om te doen een vroom en dankbaar gevoel op te wekken en daaruit een leven­dig geloven en de juiste liefde tot God en de naasten op te wekken en voor altijd in stand te houden.

Ten tweede echter zullen degenen die vanuit het juiste gevoel dit geschrift lezen, toch wel tot een voldoende diepte van de betere wereldbeschouwing komen zonder de bijdrage van de geleerden, die langs de weg van hun ijdele toetsingen van het verstand zeker nooit tot die juiste diepte van de alomvatten­de wereld - en wereldenbeschouwing zullen geraken, zoals die alleen maar voor de oprechte lezer in het voor ons liggende werk te zien is. Om maar niet te den­ken aan andere en latere werken, waarin om zo te zeggen de zon met al haar planeten -, zonnen - en centraalzonnensystemen uit materieel, maar hoofdzake­lijk uit geestelijk oogpunt, voldoende begrijpelijk en uitvoerig uiteengezet en onthuld zullen worden.

Maar als in een geschrift van alle geschapen dingen vanaf het allereerste begin - dus tijdens een bijna eeuwigdurende opeenvolging van tijden en toe­standen - zowel de materiële als in het bijzonder ook de geestelijke ontwikke­ling voldoende duidelijk weergegeven wordt en iemand vindt dan nog te wei­nig diepgang in de zogenaamd ontbrekende wereldbeschouwing, - waarlijk, dan is er ook zelfs in alle hemelen nauwelijks nog een oogzalf meer die zo'n vor­ser zou kunnen genezen van zijn zeer te betreuren kortzichtigheid!

De oprechte lezers van dit werk kunnen met het volste recht zeggen: 'Wij eenvoudige en met een zwak verstand toegeruste mensen, die God liefhebben, hoewel we buiten de universiteit van God in ons hart nooit een andere hebben bezocht, noch te Parijs, noch te Jena of Göttingen, willen echter met al je hooggeroemde wereldse wijsheid niet ruilen; want ons nadrukkelijke schouwen in de diepte van de grote scheppingen van onze heilige Vader is ons liever dan jullie duizend jaar lange vorsen met geblinddoekte ogen. Hoe ver je verrekijkers en je wiskundige stelsels reiken, kunnen wij van jullie kalender aflezen en jullie wegen zijn ons niet vreemd; maar om te meten hoe ver het heldere zien van ons in God rustende hart reikt, zouden jullie verrekijkers en wiskundige stelsels zeker aanzienlijk te kort schieten en te weinig wiskundig zijn!'

Wie dus dit werk tot het ware nut voor zijn ziel wil lezen, die leze het in alle  eenvoud van zijn aan God toegewijde hart en laat hij zich daarover niet een oordeel vormen op de manier van de wereldse mens, maar steeds als een zorgza­me beheerder van zijn hart; dan zal hij in het voor ons liggende werk in over­vloed alles vinden wat enkele hooggeleerde lezers helaas niet gevonden hebben. En dan nu alle zegen en elke denkbare genade voor de oprechte lezers die een rein hart hebben en van goede wil zijn! Amen.

 

Hoofdstuk 1

 

Een vermaning van de hemelse Vader aan Zijn kinderen

 

Zo sprak de Heer tot mij en in mij voor iedereen, en dat is waar, getrouw en gewis:

1. Wie met Mij spreken wil, laat die bij Mij komen dan zal Ik hem het antwoord in zijn hart leggen; maar alleen de reinen, wier hart vol dee­moed is, zullen de klank van Mijn stem vernemen.

2. Wie aan Mij boven al het wereldse de voorkeur geeft en Mij liefheeft als een tedere bruid haar bruidegom, met die zal Ik arm in arm wandelen. Hij zal Mij te allen tijde aanschouwen zoals de ene broeder de andere en zoals Ik hem reeds vanaf de eeuwigheid aanschouwde, nog voor hij bestond.

3. Zeg tegen de zieken, dat zij over hun ziekte niet bedroefd moeten zijn, maar dat zij zich vol ernst tot Mij moeten wenden en Mij volledig moe­ten vertrouwen. Ik zal ze troosten en er zal een stroom van kostelijke bal­sem in hun hart uitgegoten worden en de bron van het eeuwige leven die zich in hen openbaart, zal nooit opdrogen; zij zullen genezen en ver­kwikt worden als het gras na een onweersbui.

4. Zeg tegen degenen die Mij zoe­ken: Ik ben de ware Overal en Nergens. Ik ben overal waar men Mij liefheeft en zich aan Mijn geboden houdt, - nergens echter waar men Mij slechts aanbidt en vereert. Is de liefde dan niet meer dan het gebed, en het zich houden aan de geboden niet meer dan de verering?! Waarlijk, waarlijk, Ik zeg je: wie Mij liefheeft en (15 maart 1840, na 6 uur 's morgens) Mij in de geest aanbidt en wie zich aan Mijn geboden houdt, die is het die Mij naar waarheid vereert! Alleen iemand die Mij liefheeft kan zich aan Mijn geboden houden; maar wie Mij liefheeft, heeft geen ander gebod meer dan dat hij Mij en Mijn levende woord, dat het ware eeuwige leven is, liefheeft.

5. Vertel de zwakken namens Mij: Ik ben een sterke God. Zij moeten zich allen tot Mij wenden; Ik zal ze vervolmaken. Van de muggenvanger zal Ik een leeuwentemmer maken en de vreesachtigen zullen de wereld ver­nietigen en de sterken der aarde zul­len verstrooid worden als kaf

6. Zeg zonder schroom tegen de danslustigen, dat zij allen door de satan deerlijk beet genomen zijn. Hij pakt hen namelijk allemaal bij hun voeten vast en draait met hen snel in een wervelende kring rond, opdat zij daardoor volkomen duizelig zullen worden en niet meer kunnen staan noch gaan, noch zitten, noch slapen, noch rusten, noch zien, noch horen, noch voelen, noch ruiken, noch proe­ven, noch waarnemen; want zij zijn als doden, - daardoor kan hen raad noch hulp geboden worden. En zou­den zij zich nog tot Mij willen wen­den, dan zal het hen vergaan als iemand die door een sterke persoon bij de voeten vastgenomen en dan snel in een kring rond gedraaid zou worden; zou dan zo iemand naar de hemel opkijken, dan zou hij geen zon, maar slechts een lichtende streep zien, die hem zou verblinden, zodat hij graag zijn ogen zou willen sluiten om dan helemaal niets meer te zien.

7. Wiens lijfelijk oog blind is, kan nog zien met de geest; maar degene wiens geest verblind is, is voor eeuwig blind.

8. Zeg tegen de spelers, dat zij ten eerste hun leven verspelen, maar daar­na alles wat hen hiertoe gegeven is, verspelen. Want het spel is een bron vol giftig afval, terwijl de spelers gelo­ven dat het een verborgen goudbron is. Daarom woelen zij er dagelijks in rond, snuiven de adem van de pest in hun neusgaten op, vergiftigen zichzelf door en door en vinden in plaats van het vermeende goud, de eeuwige geestelijke dood.

9. Degenen die de heilige schrift bezitten en deze niet lezen, lijken op een dorstige bij een bron van zuiver water, waarvan zij echter niet willen drinken uit een zekere geestelijke watervrees zoals bij dolle honden, die in plaats van hun snuit in het water te steken en te genezen, in de hardste stenen bijten om hun brandende dorst te stillen. Maar meestal willen zij dat zuivere water niet drinken uit een zekere trage lauwheid, en laten zich ter stilling van hun dorst daarom liever door bepaalde luie knechten stinkend slijk uit de dichtstbijzijnde poel aanreiken, waardoor zij dan alle­maal op gruwelijke wijze omkomen.

10. Zeg echter tegen de minnaars en minnaressen: wie de weg van het vlees bewandelt, die wandelt met de dood en zijn begeerte zal spoedig in voedsel voor de wormen veranderd worden. Slechts wie in de geest wan­delt, komt tot het licht, de oerbron van al het leven; zijn aandeel zal eeu­wig bestaan en zich vermeerderen.

11. Zeg met ernst tegen de ver­slaafden aan prachtige kleren en aan mode, dat zij naakt voor hun recht­vaardige rechter staan. Hun pracht zal als schuim vergaan; hun heers - en praalzucht zal in de nederigste slaver­nij worden veranderd en zij zullen zich eeuwig over hun dwaasheid moe­ten schamen. Is hij dan niet een grote dwaas, die zich voorneemt een mest­hoop te willen vergulden en edelste­nen in plaats van in goud, in vuile drek laat vatten?! O, er zijn tegen­woordig toch zo verschrikkelijk veel waanzinnigen in de wereld! Zij hou­den het licht voor duisternis en de duisternis voor licht!

12. Er staat reeds een ster in het oosten, die de baan van Orion zal onderbreken en het vuur van de Grote Hond zal hen allen verteren; en Ik zal in grote hoeveelheden sterren van de hemel op de aarde slingeren, opdat alle booswichten omkomen en Mijn licht overal gloort.

13. Ik, Jehova, eeuwige God, als laatste waarschuwing aan de waarach­tigen en getrouwen. Amen.

14. Voor jou, die dit slechts hebt neergeschreven, geldt dit in de eerste plaats, daarna echter voor alle overi­gen. Amen. Dit zegt de Eerste en de Laatste. Amen.

 

Hoofdstuk 2

 

De geboden van de Heer aan de mensen

 

Zo sprak de Heer tot mij en in mij voor iedereen, en dat is waar, getrouw en gewis:

1. Jij bent de Lot van Sodom; zie echter toe, dat jij niet verstikt in on­tucht en het erfdeel van de hoer jouw deel wordt; want jij bent als geen één die voor je was en na je zal zijn. Jij bent als mens geheel in het vlees en zijn begeerte en bent als geest geheel vrij met open ogen en open oren. Je lichaam besmeur je met drek en over je geest worden stromen licht uitge­goten; je lichaam eet met de zwijnen, terwijl je geest door duizend engelen omgeven is. Je aardse hart heb je opgevuld met mest en drek en Ik heb voor Mijzelf in je geestelijke hart een woning ingericht. Jij amuseert je met hoeren, terwijl Ik met jou van broe­der tot broeder spreek; jij stinkt als een moeras en je geest ademt de heer­lijkste hemelse geuren; jij bent een monster en de stralen van je ogen overtreffen de glans der zonnen. Daarom, reinig je vlees en word één met Mij, opdat Ik één met jou zal worden!

2. Zeg tegen de angstige moeders: zij moeten hun dochters niet in angst voor de mannen en voor de wereld opvoeden - want wat men vreest, gehoorzaamt men in verzoeking blin­delings en voor hen die men vreest, zal de overwinning gemakkelijk zijn -, maar zij moeten hun dochters liever in vrees en liefde voor Mij opvoeden, opdat Ik de overwinnaar word, zodat zij de wereld versmaden en volop van Mijn onbegrensde liefde genieten. Ter (16 maart 1840) wille van het krijgen van een echtge­noot moeten zij hen niet naar open­bare gelegenheden laten gaan, maar naar Mij, tot Mij moeten zij hen brengen en Ik zeg jullie: niet één van hun verlangens zal ongezegend en onbevredigd blijven; want Ik ben een rijke God, die van alles in overvloed heeft, die alles overdadig geven kan en ook geven wil.

3. De armen moeten niet voor de deuren van de rijken bedelen, waar ze het lot van de vreemde honden erva­ren en hun hart zich in treurigheid en bitterheid zal verkeren, - maar zij moeten alleen in vast vertrouwen tot Mij komen en dan zal Ik hen allen verkwikken. De hongerigen zal Ik te eten geven, de dorstigen hun dorst lessen, de naakten bekleden, de zie­ken genezen; de lamme zal springen als een hert, de melaatse wordt gerei­nigd, de blinde zal zien, de dove horen en de zwakken zal Ik sterker maken dan een leeuw; de vreesachtige wordt moediger dan een mannelijk veulen en de bejaarde zal rust vinden. De arme is Mijn meest nabije broe­der; Ik zorg voor hem. Daarom moet hij zich niet door de honden laten ontwijden; want de rijken van de wereld zijn broeders van de satan en kinderen van de duivel uit de hel.

4. Zeg tegen Mijn vrienden en vriendinnen: zij moeten Mijn diena­ren en knechten niet méér liefhebben dan Mij! Hun heil moeten zij niet zozeer in hun, dan wel geheel in Mijn handen leggen en zich helemaal aan Mij toevertrouwen. Want de dienaar moet gestreng handelen volgens de geboden, wil hij niet onwaardig wor­den bevonden; alleen de gever van de wet staat er boven en kan wie hij wil ook boven de wet stellen. Zolang zij echter het juk torsen, worden zij geoordeeld; maar wie tot Mij komt kan Ik van het oordeel vrijstellen.

5. Mijn kerk op aarde is een reini­gingsbad; wie zich gewassen heeft, laat die bij Mij komen, zodat Ik hem met de warmte van Mijn liefde kan afdrogen en hem behouden. Maar degene die alleen vreugde schept in het poedelen en met water spelen, vergaat het als de schepraderen van de molen, die nooit uit het water komen.

6. Indien iemand de werken van de ware boete uitgevoerd heeft, laat die bij Mij komen, opdat Ik hem opneem als een verloren zoon en hem in Mijn kracht behoud. Want de knecht kan raad geven, Ik kan echter handelen; de dienaar kan onderrichten, maar de verlossing is alleen aan Mij; de knecht kan bidden, slechts Ik alleen kan zegenen. Mijn dienaar moet juist oor­delen; maar het recht van de genade heeft de Heer alleen. Daarom moeten zij naast de dienaren en knechten, de Heer niet vergeten!

7. Zeg hen dit, woord voor woord naar waarheid en geheel zonder schroom; want je mag niet bang zijn voor de wereld als je Mij wilt liefheb­ben, - want Ik ben meer dan alles op de wereld.

8. Voor de wereld ben Ik een heel kleine held, zonder enig aanzien. De meeste geleerden zien uit de hoogte op Mij neer en laten Mij nog maar net Mijn naam als eerlijk man behou­den. Maar sommigen van hen hebben reeds geheel afscheid van Mij geno­men; voor hen besta Ik dus al hele­maal niet meer. Anderen laten Mij nog wel een of andere goddelijke karaktertrek behouden, maar dat slechts gedurende korte tijd; dan ech­ter laten zij zich door de wereldse wij­zen beter inlichten. Ik word dan meteen oneervol ontslagen en geld hoogstens nog als een god voor oude vrouwen. Voor enkele van Mijn die­naren en knechten die gewichtig wil­len zijn, dien Ik alleen nog maar als een ambtelijk stempel voor het publiek en als een soort uiterlijk god­delijk omhulsel voor hun baarlijke onzin en hun grove, duistere dom­heid en dwaasheid. Die enkelen laten Mij weliswaar nog in Mijn goddelijk­heid verblijven; maar daarvoor moet Ik voor hun tijdelijk voordeel van Mij laten maken wat zij willen, en wat nog wel het allerergste is: Ik moet een waar onding zijn! Liefde en barmhar­tigheid mag Ik maar zo lang hebben als het hen uitkomt, maar daarna moet Ik onverbiddelijk worden als een steen en moet Mij tot de schande­lijkste tiran laten omvormen! Ik moet van de ene rechterstoel op de andere springen en de ene verdoemenis na de andere uitspreken; Mijn liefde moet dus slechts tijdelijk, maar Mijn tiran­nie en het daarmee verbonden aller­strengste rechtersambt moet eeuwig duren! O, wat een ongehoord grote dwazen! Mijn onbegrensde lankmoe­digheid, zachtmoedigheid, deemoed en eeuwige liefde voor Mijn schepse­len past zeker niet in hun hebzuchtige kraam; maar er zal spoedig een streep door al hun rekeningen worden gehaald! Hun rekeningen liggen voor Mij en de maat van hun daden is op één ding na vol en hun loon wacht op hen.

9. Voor wie Mij niet kent zoals Ik ben, zou het beter zijn als hij hele­maal niets van Mij afwist, - want dan kon Ik hem nog levend maken ginds in het rijk van de geesten; maar op deze manier maken zij Mijn hulp onwerkzaam, want zij doden daar­door het leven in zichzelf, zodat zij ook Mij in zich vernietigen en daar­door ook doden en zij zijn als de rank die van de wijnstok is gescheiden.

10. Dit zeg Ik nu echter: dat Ik de enige, eeuwige God ben naar Mijn drievoudige aard; als Vader ben Ik dat volgens Mijn goddelijkheid, als Zoon volgens Mijn volkomen menszijn en als Geest volgens alle leven, werking en inzicht. Ik ben vanaf de eeuwig­heid de liefde en de wijsheid Zelf Nog nooit heb Ik iets van iemand gekregen. Alles wat er is, is van Mij en wie iets heeft, heeft het van Mij. Hoe kan Ik dan een tiran zijn en verdoe­menis uitspreken?! - 0 jullie dwazen! Ik houd van jullie; jullie verachten Mij. Ik ben jullie Vader; jullie maken Mij tot scherprechter. Waar Ik zegen, vervloeken jullie; waar Ik opbouw, vernielen jullie; wat Ik opricht, bui­gen jullie neer; over wat Ik zaai, lei­den jullie verstikkende stromen; jullie zijn in alles tegen Mij. Zou Ik zijn, zoals jullie zeggen dat Ik ben, - waar­lijk, Ik zeg je, de aarde zou allang niet meer bestaan, ja ze zou zelfs nooit geschapen zijn! Omdat Ik echter ben die Ik ben, bestaat alles nog zoals het Was en zoals het eeuwig zal zijn; en ook jullie zullen zijn zoals je wilt zijn, zonder Mijn doemvonnis, - want jul­lie zullen zijn wat je van jezelf gemaakt hebt. Maar van diegenen die Mij nemen zoals Ik ben en Mij lief­hebben zoals Ik hen liefheb, zal Ik maken wat zij willen, zodat hun vrij­heid en vreugde eeuwig volkomen zal zijn.

11. Zeg tegen Mijn dienaren en knechten: Mijn kantoren zijn geen wisselbanken en geen geldwinkeltjes! Want wie Mij vanwege het geld dient, dient Mij niet uit liefde; maar wie Mij niet uit liefde dient, diens dienst is Mij vreemd, zoals Ik voor hem een volslagen vreemde moet zijn omdat hij Mij niet uit liefde dient; met hem heb Ik de rekening al vereffend. Maar hoe kan hij een getrouwe knecht zijn, die de schatten van de Heer, zonder ertoe bevoegd te zijn, als een dief voor de schandelijkste prijzen verkoopt?! ­Iskariot verkocht Mij tenminste nog voor dertig zilverlingen, zonder dat hij van tevoren wist wat er met Mij zou gaan gebeuren; want hij was ver­blind en ging verloren. - Maar nu ben Ik gemarteld, gedood en weer opge­staan reeds voor de schandelijkste spotprijs op elk moment verkrijgbaar. 0 jullie schandelijke dieven, jullie moordenaars, waar kan Ik je mee ver­gelijken? Jullie kinderen van de draak, jullie addergebroed, jullie slangenge­broed! Dienen jullie Mij zo, moet Ik je zo aantreffen?! Ik liet immers door Mijn geliefde Paulus zeggen, dat hij die het altaar dient, ook van het altaar zal leven, maar alleen door werken der liefde, die alles ten goede doen verkeren; maar jullie hebben geen werken der liefde, - daarom zijn jullie rovers en dieven en sluipmoordenaars van het evangelie en van alle waar­heid. Naar het werk zal het loon zijn! Liefde is niet te koop, maar alleen door wederliefde te verkrijgen. Ik ben de liefde Zelf en zonder uitzondering voor geen andere prijs dan slechts de wederliefde verkrijgbaar. Met liefde heb Ik jullie allen gekocht; daarom eis Ik wederliefde van jullie allen. Wie Mij dus dienen wil, laat hem Mij die­nen uit de liefde, waarin Ik voor hem aan het kruis ben gestorven; en wie tot Mij wil komen, laat hem komen in de liefde tot Mij, die aan het kruis voor hem bloedde.

12. Zeg heel letterlijk en zonder schroom aan de ambtenaren en heren van de wereld, dat hun ambten niet hoger staan dan de ambten in Mijn rijk. Maar ieder ambt dat in strijd is met Mijn ambt zal Ik binnenkort ver­nietigen; wee degenen die het uitoefe­nen! Want Ik ben de Allerhoogste; Mijn wet is eeuwig, zoals Ik eeuwig ben en dat eeuwig zal blijven, zoals Ik eeuwig blijf. De motten die aan Mijn wet willen knagen en weer wetten uit hun uitwerpselen maken om Mijn gebod uit te roeien, over hen zal dat gebod met groot gewicht en zwaarte heen walsen en hen vernietigen, als hadden zij nooit bestaan. Ieder die tegen Mijn geboden zondigt, kan worden vergeven als hij zich verbe­tert, zijn fout inziet en berouwt en zich dan tot Mij wendt en in Mij blijft en Ik in hem; wie echter Mijn wet wil ondergraven, zal erdoor ter­neergedrukt worden en hij zal in eeu­wigheid niet meer verder bestaan. Alle wereldse wetten ondergraven Mijn gebod als zij niet vanuit Mijn liefde zijn gegeven door mannen die door Mijn geest zijn onderwezen. Wee de tirannen, wee de despoten die heersen omwille van de troon, de macht en het aanzien; want er man­keert nog slechts één ding aan hun tijdspanne en dan zullen zij de macht der zwakken ondervinden! De grond is van Mij en het veld is van Mij; dit zegt de waarachtige, de eeuwige God van liefde en wijsheid en deelt dit mee aan iemand die dwaas is in de ogen der wijzen van deze wereld. Amen. Ik Jehova, Amen.

 

Hoofdstuk 3

 

De Heer als Vader van Zijn kinderen

 

Aldus sprak de Heer tot mij en in mij voor iedereen, en dat is waar, getrouwen gewis:

1. Ik ben een goede huisvader; ook niet één broodkruimel gaat verloren. Wie zijn kapitaal bij Mij belegt, zal een hoge rente krijgen en het zal in Mijn hart te boek blijven staan en de rente zal groeien van eeuwigheid tot eeuwigheid. Kijk omhoog, jij dwaas, en zie naar de sterrenhemel! Wie heeft ooit het oneindige aantal zonnen (20 maart 1840) geteld en alle planeten die Ik daar bij duizenden omheen heb geschapen?! En Ik zeg je, Ik die waarachtig en getrouw ben in ieder van Mijn woor­den: voor een cent geef Ik een aarde en voor een slok fris water een zon. Waarlijk, dit zeg Ik je: de geringste dienst van naastenliefde zal op onge­hoorde en onuitsprekelijke wijze wor­den beloond!’

2. Je vraagt Mij of er overal ook mensen zijn zoals hier op de aarde die jij bewoont en Ik zeg je: ja, er zijn overal mensen, zij die uit Mijn inwendige organen voortgekomen zijn en Mij herkennen aan het soort orgaan; degenen die uit Mijn handen voortgekomen zijn herkennen Mij aan Mijn handen; die uit Mijn voeten voortgekomen zijn herkennen Mij aan Mijn voeten; die uit Mijn hoofd voortgekomen zijn herkennen Mij aan Mijn hoofd; die uit Mijn haar voortgekomen zijn herkennen Mij aan Mijn haar; die uit Mijn lendenen voortgekomen zijn herkennen Mij aan Mijn lendenen; en overal herken­nen zij die voortgekomen zijn uit een bepaald deel van Mijn wezensli­chaam, Mij aan dat deel. En hun leven en hun zaligheid komt overeen met het deel waaruit zij zijn voortge­komen, en allen zijn Mijn schepselen die Mij lief zijn; want Ik ben geheel en al liefde en ben overal de liefde Zelf.

3. Maar de mensen van deze aarde riep Ik uit het centrum van Mijn hart tevoorschijn en schiep hen geheel naar Mijn evenbeeld en zij zullen niet slechts Mijn schepselen, maar Mijn lieve kinderen zijn, die Mij niet als God en Schepper, maar alleen als hun goede Vader zullen kennen, die hen na een korte proefperiode weer geheel tot Zich wil nemen, opdat zij alles zullen hebben wat Hijzelf heeft en eeuwig bij Hem zullen mogen wonen en met Hem zullen mogen regeren en het heelal besturen. Maar zie, al Mijn schepselen houden van Mij als hun Schepper in de dankbare vreugde van hun bestaan; maar Mijn kinderen wil­len hun Vader niet en versmaden Zijn liefde!

4. Ik ben bedroefd als Ik zie hoe er per uur duizenden en duizendmaal duizenden wegkwijnen en sterven! O, kon Ik ze toch maar helpen! Is het niet treurig als de Almachtige niet kan helpen?!

5. Je vraagt Me alweer hoe dat dan mogelijk is? O ja, zeg Ik je, dat is heel goed mogelijk! Zie, al Mijn schepse­len zijn van Mijn macht afhankelijk, maar Mijn kinderen zijn afhankelijk van Mijn liefde! - Mijn macht gebiedt en het gebeurt; maar Mijn liefde wenst slechts en vermaant in alle zachtheid de vrije kinderen, en de vrije kinderen verstoppen hun oren en willen het aangezicht van hun Vader niet zien. Omdat zij vrij zijn, zoals Ik vrij ben, kan Ik hen niet hel­pen als zij dat niet willen. Want Mijn macht gaat boven alles; maar Mijn wil is aan Mijn kinderen onderworpen. Maar laat ieder zich dit op het hart binden: Ik ben jullie Vader, maar Ik ben ook jullie God en buiten Mij is er niemand meer. Wil je Mij als Vader ­of als God? - Je daden zullen Mij het beslissende antwoord geven.

6. Dus let op: de liefde woont alleen in de Vader en heet de Zoon. Wie deze versmaadt zal in de handen vallen van de machtige Godheid en zal voor eeuwig van zijn vrijheid wor­den beroofd en de dood zal zijn deel zijn; want de Godheid woont ook in de hel, maar de Vader woont alleen in de hemel. God berecht alles naar Zijn macht; maar de genade en het eeuwi­ge leven berusten slechts bij de Vader en heten de Zoon. De Godheid doodt alles; maar de Zoon ofwel de liefde in Mij heeft leven, geeft leven en maakt levend.

7. Dit alles zegt de goede en spaar­zame Vader tegen al Zijn kinderen, opdat zij zich zullen beteren om eens het erfgoed aan te nemen dat Ik vanaf de eeuwigheid zo getrouw voor hen gemaakt en bewaard heb.

8. Zeg in alle liefde aan je vrienden en broeders: Ik, hun liefdevolle Vader, heb reeds Mijn beide armen uitge­strekt om hen allen tezamen voor eeuwig, eeuwig aan Mijn hart te drukken. Zij zullen zich niet meer van Mij afkeren, maar zij zullen Mij onafgewend in Mijn gezicht kijken en Mijn oog zal hun zeggen, ja zal het hun luid mededelen, hoe zeer Ik hen liefheb en hoe oprecht Ik het met hen meen.

9. Zeg tegen hen: Ik heb hun zon­den voor Mijn ogen weggedaan en heb ze zo wit als sneeuw gewassen; er is nu geen hindernis meer. Ik wil voor hen geen onzichtbare Vader meer zijn; zij zullen Mij altijd aanschouwen en met Mij stoeien en schertsen en zich verheugen; al hun zorgen zullen zij nu aan Mij overdragen.

10. O, met wat een plezier zal Ik verder voor ze zorgen! O, wat beteke­nen alle vreugden en zaligheden van Mijn hemel voor Mij tegenover het geliefd worden door Mijn lieve kinde­ren, als hun enige, ware Vader!

11. Zie alle zaligheden geef Ik je in

ruil voor dit ene, dat Ik voor Mijzelf alleen bestemd had en daarom zullen Mijn kinderen ook niemand anders dan Mij en geheel alleen Mij, hun Vader noemen; want dat ben Ik ook en heb ook alle recht daartoe en nie­mand kan Mij dat recht ontnemen, omdat Ik de Enige, Al-enige ben en er buiten Mij niemand meer is.

12. Zie, Ik wil hen (dat wil zeggen: jouw vrienden en broeders) je allen bij naam noemen: Hl B VI T Z L G D Z G *. (* De verklaring van deze tien letters staat aan het einde van dit boek ) Zij zullen allen Mijn vader­lijke groet ontvangen en vandaag nog, als ze dat willen, zullen de poorten van de hemel, dat zijn de ogen van hun geest, voor hen geopend worden en Ik wil nog heden in hun harten wonen. Slechts één ding moeten zij nog met volharding doen, namelijk, zij moeten hun vlees schoon wassen aan de bron waarin het levende water is en zij moeten een stok nemen die voor de helft zwart en voor de helft wit is; hiervan moeten zij de helft afbreken en het zwarte stuk moeten zij de wereld voor de voeten gooien en het witte stuk voor zichzelf hou­den als teken dat zij voor altijd met de wereld en met haar vlees gebroken hebben.

13. Maar dat is zo veel, dat zij ern­stig bij zichzelf te rade moeten gaan, alles van zichzelf moeten doorzien en dan de daar gevonden gebreken van hun hart getrouwen naar waarheid aan Mij voorleggen. Ik zal het vuil in hun hart verdelgen en zal hen met het vuur van Mijn goddelijk Vaderliefde vullen. En aldus gereinigd moeten zij zich dan door en in de biecht aan de Priester laten zien; en vervolgens zal Ik komen en met hen het vreugde­maal aan het altaar houden.

14. Zeg hen tevens dat zij zich niet in en aan de kerk moeten ergeren; want iedere spijze die Ik aanbeveel, reinig Ik voor diegene die haar in de geest en in waarheid wil genieten en die zal er dan ook zonder zorg van genieten. Wat Ik aan Mijn kinderen geef, is rein en wordt voor diegenen waarvoor Ik het gezegend heb door de uiterlijke vorm niet ontheiligd. De tempel zal Ik zegenen en de plaats waar zij zich zullen bevinden zal hei­lig zijn; want Ik, hun heilige Vader, zal daar te midden van hen zijn, waar zij ook heen zullen gaan en hen zal geen haar worden gekrenkt.

15. Zeg in ieder geval met klem tegen hen: Mijn liefde wacht met ongeduld op hen, en Mijn armen zal Ik niet eerder sluiten dan wanneer zij allen tezamen daarin zullen rusten. Daar zullen zij hun liefdevolle, heilige Vader van aangezicht tot aangezicht aanschouwen en er zal aan hun vreug­den nooit een eind komen. Amen!

16. Zeg tegen allen die Mij zoeken, dat Ik altijd thuis ben en nooit uitga en dat Ik niet slechts bepaalde uren of

tijden bestemd heb waarin men tot Mij komen kan, zoals de koningen van de aarde en alle groten van de wereld. Dus niet alleen op de sabbat of op feestdagen, maar iedere minuut is Mij een liefhebbend hart welkom en zelfs in de nacht heb Ik nog nooit voor iemand de deur vergrendeld; dus ongeacht wanneer jullie zullen aan­kloppen, zal Ik "binnen!" roepen.

17. Je moet en kunt het Mij nu wel vrijuit zeggen of Ik je ooit op een bepaalde tijd tot iets verplicht heb en of het niet altijd aan je vrije wil over­gelaten was om naar Mij toe te komen om het een en ander te vragen dat je had willen weten en of Ik je ooit het antwoord op een vraag schul­dig ben gebleven! En al had je Mij vanuit de hel iets gevraagd, dan ant­woordde Ik je; en was je op aarde, dan sprak Ik met je; en in de hemelen sprak Ik met je. Bij dag en bij nacht is Mijn oor voortdurend naar je toege­wend. Wat je hier opschrijft, schrijf je immers alleen als het je in je tijd gele­gen komt, en dat vind Ik altijd goed zolang als je wilt en zoveel je wilt en zie, Ik vind het best! Zeg het ze daar­om heel precies: het is Mij om het even; wanneer iemand bij Mij komt, wordt er naar hem geluisterd en hij wordt opgenomen.

18. Zeg tegen de kinderen dat zij niet de spot met Mij moeten drijven, maar dat zij het ernstig op moeten vatten! Zeg tegen hen dat Ik door­gaans geen grappenmaker ben, noch enige scherts versta; want Ik meen het serieus met allen, met groot en klein, met jong en oud, met mannen en vrouwen. Uitzonderingen vinden bij Mij helemaal niet plaats.

19. Want zie, Mijn schepselen die niet deugen, verwoest Ik ogenblikke­lijk en vernietig ze voor eeuwig; maar voor Mijn kinderen heb Ik ook mas­sa's straffen en Ik zal de ongehoorza­men straffen tot op de laatste druppel van hun bloed en zij zullen dan beslist erkennen dat Ik tenminste de Heer des huizes ben, als zij Mij als liefheb­bende, heilige Vader niet willen erkennen.

20. Wee echter degenen die Mijn vaderlijke straffen miskennen en ver­keerd uitleggen! Ik zeg nog eenmaal: wee hen! Deze zal de Vader verstoten en dan zullen zij met hun eeuwig onverbiddelijke God te maken heb­ben. Dat zeg Ik tegen jou als een slechte, luie knecht. Amen. Ik, Jehova, Amen.

 

Hoofdstuk 4

 

De ware kerk

 

Zo sprak de Heer tot mij en in mij voor iedereen, en dat is waar, gewis en getrouw:

1. Mijn genade is een rijke schat; wie deze ten deel valt, zal nooit te eni­ger tijd, noch in der eeuwigheid, aan iets gebrek hebben. Daarom moet iedereen zijn best doen, zich deze in ieder geval meteen eigen te maken; want Ik geef haar aan iedereen die ze maar hebben wil.

2. Want zie, willen jullie vergeving van zonden, dan worden ze je verge­ven als je door Jezus, die Mijn levende woord en de liefde in Mij is, de ware boete doet; dan staan de poorten van de hemel voor je open en als je naar binnen wilt gaan, dan kun je binnen­komen en daar het aangezicht van jul­lie heilige Vader aanschouwen; want dat ben Ik, de eeuwige God Jehova.

3. Dat kunnen jullie doen krach­tens het levende woord, dat Jezus Christus is, ofwel de eeuwige liefde en wijsheid in Mij, waaruit al het goede en ware vloeit. De liefde is je vanaf het allereerste begin gegeven; want zij is het werkelijke leven in jullie, alsme­de de macht in Mijn schepselen, die weliswaar ook uit Mijn liefde voort­komt, maar toch niet de liefde zelf is, omdat er in haar geen vrijheid is, maar alleen de uitwerking van de lief­de, die echter op zichzelf beschouwd levenloos is, - vandaar dat ook alles wat uit macht voortkomt op zichzelf beschouwd dode stof is, waarvan het leven slechts schijn is, - in werkelijk­heid is het echter de dood.

(22 maart 1840)

4. Vandaar dat, als iemand zijn lief­de aan de materiële wereld hecht, zijn liefde zelf door de macht van de dood plat wordt gedrukt en het gevolg is het lot van het stoffelijke ofwel de dood.

5. Maar wie zijn liefde op Mij richt en zich aan Mij hecht, die verbindt zijn liefde wederom met de Liefde ofwel met het Leven van al het leven; diegene wordt dan door en door levend.

6. Maar let nu op: de liefde op zich is blind en duister en juist daardoor vrij en onafhankelijk, - maar is daar­door ook juist in groot gevaar zichzelf te verliezen en te gronde te gaan.

7. Daarom voeg Ik aan alle tot Mij gerichte liefde naar de mate van haar omvang ook tegelijk de juiste hoe­veelheid licht toe, en dat is een geschenk en heet genade; hiermee stroom Ik bij ieder mens naar binnen al naar de mate van zijn liefde.

8. Als iemand de liefde heeft omdat hij Mijn wet, die de hoogste liefde is, in zich levend maakt, over hem zullen stromen licht uitgegoten worden en zijn ogen zullen de aarde doordringen en de diepten der heme­len schouwen.

9. Zeg het aan de kinderen en zeg het tegen allen van welke godsdienst ze ook mogen zijn - roomsen, protestanten, joden, mohammedanen, brahmanen of duistere heidenen -, kortom aan allen zij het gezegd: op aarde is er slechts één ware kerk en dat is de liefde tot Mij in Mijn Zoon, die echter de Heilige Geest in jullie is en zich openbaart door Mijn levende woord, en dat woord is de Zoon en de Zoon is Mijn liefde en Hij is in Mij en Ik doordring Hem geheel en Wij zijn één en zo ben Ik in jullie, en jullie ziel, wier hart Mijn woonstede is, is de enige ware kerk op aarde. In haar alleen is eeuwig leven en zij is de enig zaligmakende.

10. Want zie, Ik ben Heer over alles wat er is! Ik ben God, de eeuwige en machtige en als zodanig ben Ik ook je Vader, de heilige en meest lief­devolle. En dat alles ben Ik in het woord; maar het woord is in de Zoon en de Zoon is in de liefde en de liefde is in de wet en de wet is aan jullie gegeven. Als je die in acht neemt en ernaar handelt, dan hebben jullie haar in jezelf opgenomen; dan wordt zij levend in je en verheft je zelfs en maakt je vrij en dan staan jullie niet meer onder de wet, maar erboven in de genade en in het licht, wat alle­maal Mijn wijsheid is.

11. En dat is de zaligheid of het rijk Gods in jullie of de alleen zalig­makende kerk op aarde en alleen hier­in ligt het eeuwige leven en in niets anders.

12. Of denken jullie soms dat Ik in de muren woon, of in de ceremonie, of in het gebed of in de verering? 0 nee, jullie vergissen je heel erg, want daar ben Ik nergens, - maar alleen waar liefde is, ben ook Ik; want Ik ben de liefde of het leven Zelf. Ik geef je liefde en leven en verbind Me alleen met liefde en leven, maar nooit met het stoffelijke of met de dood. 13. Want daarom heb Ik de dood overwonnen en de Godheid aan Mij onderworpen, opdat Ik alle gezag zal hebben over alles wat er is en Mijn liefde eeuwig zal heersen en alles wat aan haar onderworpen is levend zal maken.

14. En hoe denken jullie dan dat Ik in de dood met ongeduld op jullie wacht, terwijl Ik toch het leven Zelf

ben?! Ga daarom van tevoren de ware kerk binnen, waarin het leven huist, ­en dan pas in de dode kerk, opdat die door jullie levend zal worden!

 

Hoofdstuk 5

 

Het geheim van de schepping

 

1. Wie oren heeft om te horen, laat hem horen en wie ogen heeft om te zien, laat hem zien; want zie, Ik wil jullie een zeer groot geheim onthul­len, zodat je kunt zien wat jullie lief­devolle, heilige Vader je broederlijk van aangezicht tot aangezicht te aan­schouwen en te genieten geeft. Want de kinderen moeten vanaf de eeuwig­heid ingewijd zijn in het grote huis­houden van hun Vader.

2. De Godheid was van eeuwigheid af aan de alle oneindigheid der onein­digheden doordringende kracht en was en is en zal eeuwig de oneindig­heid Zelf zijn. In het midden van Haar diepte was Ik van eeuwigheid af aan de Liefde en het Leven Zelf in Haar; maar zie, Ik was blind als een embryo in zijn moeders lichaam! De Godheid schiep behagen in de Liefde en drong Zich geheel tegen Haar Liefde aan. En de Liefde kreeg het in Haar midden steeds warmer en war­mer en massa's en massa's van de Godheid stuwden zich daarheen en alle machten en krachten stormden op Haar af.

3. En zie, er ontstond een luid rui­sen, bruisen en woeden, en de Liefde werd verontrust en kwam van alle kanten onder druk, zodat de Liefde tot in haar binnenste begon te trillen! En de Liefde bespeurde het, en het ruisen werd tot een klank, de klank werd echter in de Liefde tot het Woord en dat Woord sprak: "Er zij Licht!" En de vlam van de ontbrande Liefde werd in Haar hart ontstoken en het werd licht in alle ruimten van de oneindigheid.

4. En God zag de grote heerlijk­heid van Zijn Liefde in Zich en de Liefde werd gesterkt met de kracht van de Godheid en zo verbond de Godheid Zich voor eeuwig met de Liefde en het Licht kwam uit de Warmte voort.

5. En zie, daar zag de Liefde in de Godheid alle heerlijkheden, aan wier aantal geen einde is en de Godheid zag hoe dit alles uit de Liefde in Haar overging en de Liefde zag in de Godheid Haar gedachten en vond daarin een groot welbehagen. Toen ontbrandde de Liefde opnieuw en de krachten van de Godheid ruisten om Haar heen en zie: de gedachten van de Liefde waren zelf Liefde en waren zonder tal.

6. Toen zag de Godheid Haar heer­lijkheid en de Liefde voelde Haar macht. En toen sprak de Liefde in de

Godheid: "Laat Ons die gedachten van heerlijkheid vasthouden en laten we hen naar buiten laten treden, zodat zij vrij worden en Ons gewaar­worden en zien, zoals Wij hen gewaarwerden en zagen, nog voordat het Licht hun vormen bescheen."

7. Toen ging het Woord in de Godheid over en Zij werd geheel en al Liefde. En zie, toen sprak de Godheid voor de eerste maal: "Er zij!" En een leger van geesten, wier aantal geen einde had, kwam uit God vrij en de Liefde zag Zichzelf tot in het oneindi­ge vermenigvuldigd en zag volkomen Haar oneindige schoonheid.

8. Maar al die wezens waren nog niet levend en voelden nog niet en zagen nog niet; want zij waren nog buiten de Liefde in de Godheid gefixeerde vormen.

9. En de Liefde kreeg medelijden en Zij bewoog Zich en die bewegin­gen stegen in de Godheid omhoog en de Godheid gaf Haar gevangenen aan de Liefde en de Liefde doordrong alles. En zie, toen werden die vormen levend en zij keken verbaasd naar elkaar en warmden zich aan de vlam­menstromen van de goddelijke Liefde en kregen daardoor zelfstandige beweeglijkheid en levendigheid! Maar zij kenden zichzelf nog niet.

10. Toen sprak de Liefde ander­maal: "Laat Ons maken, dat zij zich­zelf herkennen, zodat zij dan Mij en door Mij ook Jou erkennen kunnen!"

11. Toen steeg het Woord weer in de Godheid omhoog en in de God­heid weerklonk het Woord en dat Woord werd tot Wet en de Wet was de Liefde en die stroomde in allen over.

12. En zie, er werden er drie ge­vormd en uit hen kwamen er zeven. voort! En die drie waren gelijk aan de Liefde, het Licht en de Godheid; en de zeven waren gelijk aan de zeven geesten van God en zij heten en zul­len eeuwig heten: -1. Bemin de Liefde. -2. Vrees de Godheid, die doodt, - opdat je niet gedood zult worden. -3. De Liefde in jullie is hei­lig; heb daarom achting voor elkaar, zoals de Liefde in de Godheid jullie acht en vreugde aan jullie beleeft. -4. Een ieder heeft zichzelf in eigendom en is het eigendom van de Liefde van God; daarom zal niemand de ander tot prooi worden. -5. Niemand bedekke ooit zijn aangezicht voor de ander, waardoor de ander niet weet hoe Liefde is, - zodat jullie zullen zijn als de Liefde, die jullie deed gewor­den. -6. Laat jullie innerlijk zijn zoals jullie uiterlijk, zodat er geen valse opwelling in jullie ontstaat en jullie te gronde gaan. -7. Laat jullie uiterlijk een getrouwe weerschijn zijn van jul­lie innerlijke spiegels, waarin de liefde van de Godheid Zichzelf aanschouwt; anders zal de innerlijke spiegel gebro­ken worden en jullie gedaante zal schrikwekkend worden.

13. Toen donderde de Godheid in de oneindige ruimten de overtreders een vreselijk strafgericht toe, en zo werd hen geboden de Godheid in de allergrootste vrees te aanbidden en werd hen geboden de Liefde lief te hebben. En zij werden in de grootste vrijheid geplaatst en konden doen wat zij wilden en niets zal hen hinde­ren in hun vrijheid tot de tijd dat zij zichzelf herkend zullen hebben in hun vrijheid en hun deemoed, zodat de Wet hun eigen wordt en ze dan volkomen vrij zullen worden.

14. Pas toen herkenden zij in zich hun grote macht en hun alles overstralende heerlijkheid en majesteit en in de hoogste van de drie, die aan het Licht van de Godheid gelijk was, ont­stak de begeerte om de Godheid geheel te overmeesteren. Door hem ontvlamde een groot deel van de gees­ten die uit hem voortkwamen; en door hen ontstak ook de Godheid in woede, evenals de twee lagere van de drie geesten en Zij slingerde de boze troep in het diepste der diepten van Haar toorn.

15. En de twee en die uit hen voortkwamen en de zeven, wier getal goed was, werden in de trouw van hun deemoed bevonden en zij werden in de kring van de macht van God opgenomen; en de Liefde zag dat zij rein waren bevonden en verheugde Zich over hun voltooiing. En zie, de liefdeskracht van de Godheid steeg op en de Godheid bewoog Zich en zij die geschapen waren namen de bewe­ging van de Godheid waar, en de Godheid bewoog Zich naar Haar Liefde toe en de ogen van de gescha­penen werden geopend en zij zagen de eeuwige Liefde voor de eerste maal.

16. Toen verwonderden zich de legers der tallozen en een groot geju­bel steeg op en er heerste een grote vreugde onder hen; want zij zagen de macht van de Liefde in God en ze zagen de liefde in zich en ook de kracht die hen voortgebracht had, en zij werden zichzelf bewust en herken­den de Liefde en herkenden God.

17. Nu bewoog de Godheid Zich en de geschapenen vreesden voor de Godheid, en de Liefde zag hun vrees en zag dat hun vrees terecht was, en de vrees werd hen tot gehoorzaam­heid, en de gehoorzaamheid was de deemoed, en de deemoed was hun liefde, en de liefde werd hun wet, en de wet hun eeuwige vrijheid, en de vrijheid werd hun leven, en het leven hun eeuwige zaligheid.

18. Zie nu, de eeuwige Liefde sprak tot hen en zij verstonden het woord! Toen werden hun tongen los­gemaakt en het eerste woord dat over hun lippen kwam, was Liefde. En de klank van hun spraak beviel de Godheid; en de Godheid werd ont­roerd door de Liefde, en de ontroe­ring kreeg vorm in de geschapenen, en de vorm werd tot een klank, en de klank was het tweede woord en luid­de - GOD.

19. En pas nu waren de geschape­nen vervolmaakt. En de Liefde sprak tot de geschapenen: "De Eerste onder jullie ging verloren; daarom neem Ik zijn plaats in en zal eeuwig onder jul­lie zijn!"

20. Toen maakten hun tongen zich opnieuw los en hun knieën bogen zich en zij aanbaden de Liefde.

21. Zie nu wat de Liefde allemaal verder deed, en God in de Liefde, en de Liefde in God! - En de Liefde betreurde de verlorenen; maar de Godheid begon te trillen van toorn en in alle ruimten van de oneindigheid van God werd een sterk gedonder ver­nomen. En het gedonder drong door tot in het innerlijk van de eeuwige Liefde, en alleen de Liefde verstond de donder van de Godheid en de donder werd in Haar tot woord en sprak: "Alle macht zal aan Jou onder­geschikt zijn; handel naar Je eigen goeddunken, spreek "ER ZIJ!' en er zal zijn!"

22. En zie, de Liefde werd ontroerd tot in haar binnenste en de eerste traan vloeide uit het oog van de eeu­wige Liefde, en deze traan vloeide uit het hart van de Godheid en heette en heet en zal eeuwig heten: ERBAR­MING.

23. Deze traan werd tot grote wate­ren, en de wateren stortten zich uit in alle ruimten van de oneindigheid en stortten zich uit in het diepste aller diepten van de toorn van de Godheid en temperden het vuur van Gods toorn.

24. En zie, Gods geest in Zijn kracht ruiste zacht over de wateren van de erbarming en de wateren deel­den zich. En God sprak vanuit Zijn liefde, en Zijn liefde werd het Woord, en het Woord steeg op uit de diepste diepten en zweefde over de wateren, en de wateren werden gescheiden als dauwdruppels en werden verdeeld in alle ruimten van de oneindigheid in grote en in kleine overeenkomstig het getal van de verlorenen, dat geen einde neemt.

25. En zie, de laatste druppel die overbleef, was het meest innerlijke van de wateren en was het meest innerlijke van de erbarming; en die werd niet gedeeld, maar bleef daar waar hij was overgebleven en werd tot middelpunt bestemd en tot schouw­toneel voor de grootste daden van de eeuwige Liefde.

26. En zie nu: van deze laatste druppel werd de aarde geschapen, die jij en je broeders bewonen! En van de andere druppels werden allerlei soor­ten zonnen, aarden en manen gescha­pen, wier aantal geen einde heeft; en zie, zo ontstonden de hemel, die je ziet met zijn sterren, de zon, de maan en de aarde, die je ziet met de zeeën en het vaste land!

27. En zie nu verder en sla je ogen op en je zult de wonderen van de eeu­wige Liefde begrijpen! Altijd zie je de luister van de zon, het licht van de maan en het geschitter en geflonker van de sterren in hun veelvuldige con­stellaties, die jullie sterrenbeelden noemen; je ziet ook de meest verschil­lende formaties in alle drie de rijken van de natuurlijke aarde; maar tot nu toe heeft nog niemand doorgrond en goed begrepen wat de glans van de zon is en vanwaar deze komt en hoe die aan haar werd verleend, en het lichten van de maan en het geschitter van de sterren en hun geflonker en hun veelvuldige constellaties, en alle vormgevingen op de aarde.

28. Want zie, Mijn kinderen moe­ten in alles ingewijd worden wat hun heilige, liefdevolle Vader allemaal voor mooie dingen heeft te geven aan Zijn kinderen die Hem herkennen en die Hem alleen boven alles liefhebben en ook elkaar liefhebben vanwege de liefde voor hun Vader.

29. Nu zie: toen al de zonnen met hun aarden door de macht van de erbarmende liefde van de eeuwige en oneindige God ontstonden, hadden zij nog geen luister, geen schijnsel, geen geschitter en geen geflonker, want er heerste nog diepe nacht op de ontstane zonnen en aarden en manen; maar in het centrum van de zonnen liet de eeuwige Liefde een kleine genadevonk zinken en deze vonk doorgloeide sneller dan een krachtige bliksemflits de duistere massa's en zie, zij verlichtten de aarden met grote luister, zoals zij ze op dit uur nog ver­lichten en zullen blijven verlichten, zolang de genadevonk niet aan hen onttrokken wordt.

30. En zie, toen glansden ook de aarden en de manen en die werden in het juiste aantal over de zonnen ver­deeld, en de Liefde beademde ze met de kracht en de macht van de God­heid en zie, het licht op de zonnen schitterde, de zeeën van de aarden golfden en wervelden in hun stromin­gen, en de luchten en winden dreven en woeien over de aarden zoals Gods geest over de wateren van de erbar­ming zweefde! En de manen verhie­ven zich vol macht boven hun aarden, aan wie zij gegeven waren als een vrucht aan een boom, en zij begon­nen er in grote kringen omheen te cirkelen als vaste begeleiders van hun ontstaansbron; en waar er vele waren, werden zij in vaste banen verenigd ten teken van de liefde van de kinderen, die onafgewend het aangezicht van hun Vader moeten aanschouwen zoals de manen hun aarden, zodat zij van­wege hun onsamenhangende gesteld­heid niet uit hun banen gerukt en daardoor vernietigd worden.

31. Want zie, de manen zijn niet vast, maar zeer onsamenhangend en zijn als het schuim van de zee, wan­neer dat vaster en meer gedegen wordt, en zij zijn kaal en zonder water; en de lucht van de aarde is daar als het water van de aarden en de lucht gelijk aan de ether tussen zon­nen en aarden. En zij (de manen) zijn bestemd om de aan werelds genot verslaafden op te nemen en om de geesten van de materie op te vangen en hun bestendigheid te beproeven en ze rijp te maken voor het ontvangen van de genade.

32. Het vaste deel van de aarden is het door de erbarming getemperde deel van de toorn van de Godheid en het omsluit de verdwaalde geesten met stevige banden tot aan de voor hun onbewuste verlossing bepaalde tijd waarin zij dan verblijven in een mildere, maar toch steeds voor hen voldoende vaste materie, en wel af­zonderlijk gebonden. Daaruit kunnen zij dan pas door de eeuwige Liefde opgewekt wederom tevoorschijn komen. De zeeën en wateren zijn vol van hen, opdat zij gedeemoedigd zul­len worden en de lucht is vol van hen, opdat zij gelouterd zullen worden. En de vorm voor allen is de eeuwige lief­de; maar de toorn van de Godheid is slechts getemperd op de aarde, maar daarom niet opgeheven.

33. En sla vooral acht op het vol­gende: de genadevonk rust in het cen­trum van de zon en geeft door het toornvuur van de Godheid het licht aan de wereld. Maar in het centrum van de aarde bevindt zich een toorn­vonk van Gods grimmigheid als een vuurspuwende draak en houdt de boze benden als stenen vast die eerst door het water van de erbarming week gemaakt moeten worden, als een van hen weer voor een tweede proef voor vrijheid en eeuwig leven zal worden ontbonden. En begrijp nu het geheim van jouw wezen en ver­baas je over de grote liefde van de eeuwige Macht; hoe dikwijls reeds heeft Zij jou opnieuw geboren laten worden, om jou, die verloren was, weer voor het eeuwige leven, voor de vrijheid, voor de wet, voor de liefde en voor het licht en voor het aan­schouwen van Haar aangezicht te winnen; en zie, dit alles wil Ik jou en daardoor ook vele anderen bekend maken en het je laten beseffen, zodat jullie toch eindelijk eens zullen inzien, hoe uitermate goed de eeuwi­ge Liefde moet zijn om, niet aflatend, zo veel groots en wonderbaarlijks voor jullie, ongehoorzamen, te doen en te dulden!

34. Zie, aldus is de beweging aan de aarden om hun zonnen en om hun middelpunt door de ademtocht van de erbarmende liefde gegeven als teken, dat de kinderen al hun daden zullen richten naar de beweging van de aarden om de zonnen en van de manen om hun aarden, en dan zullen de zwakken zijn als de manen en zul­len de sterken zijn als de aarde en zul­len de wedergeborenen zijn als de zon. En de zwakken zullen de kracht van de liefde, die ze nimmer laat val­len, doorschouwen wanneer zij zich evenals de manen onafgebroken naar het aangezicht van de liefde wenden en deze in alle richtingen in kleine banen omcirkelen, maar toch ook door haar kracht in de grote baan worden meegetrokken. En de sterken zullen zijn als de aarde, zelfstandig draaiend, om voortdurend bereid te zijn voor de ontvangst van het licht en de warmte uit de genade van de liefde, die doorlicht en verwarmend verlevendigt door de kracht die in haar is, opdat zij vruchten van allerlei aard uit de werken van de liefde mogen voortbrengen, waaraan de zwakken zich mogen verzadigen en de geborenen zich mogen versterken en de wedergeborenen zich mogen ver­lustigen. En de wedergeborenen uit de wateren van de erbarmende Liefde, waarin de genade volmaakt is, zullen zijn als de zon en hun licht zal overal schijnen, en hun warmte zal de zwak­ken verlevendigen en zal de sterken bevruchten tot voedsel voor de zwak­ken, zodat er één gemeenschap zal zijn van kinderen van een en dezelfde Vader.

35. En zie, je moet nog dieper schouwen, hoe en waarom Ik alles zo geregeld heb! Zie, de maan heeft vlek­ken en vele donkere plekken en de aarde heeft koude, maar vaste polen en heeft hoge bergen en heeft diepe dalen en heeft bronnen, beken, rivie­ren, stromen, zeeën en kleine en grote meren; en de zon heeft vlekken, grote en kleine. Nu zie, dit alles zijn uitwerkingen van de liefde en van de gena­de, ofwel van de daarmee overeenko­mende warmte en van het licht, hetgeen allemaal de eeuwige Liefde is en de macht van de Godheid door Haar. Kijk daarom naar de zwakken en naar de maan, hoe zij op elkaar lij­ken en haar wezen wordt je verklaard; overdenk al het doen en laten van de sterken en voor je ogen zal de aarde ontsluierd liggen; en van de ene pool tot aan de andere moet de onbeweeg­lijke rust van de geest in de liefde tot de liefde aanwezig zijn, zodat alles wat de geest omringt in een vaste orde­ning kan bewegen en daardoor voor het gemeenschappelijke doel van de eeuwige instandhouding bezig kan zijn. Want zie, alles hangt van rust af; zonder deze kan niets bereikt worden en wie niet is als de polen van de aarde, die dringt niet door tot in zijn binnenste, zoals de verbindingslijn tussen de polen het middelpunt van de aarde doorsnijdt. En je liefde moet koud zijn als het ijs op de polen, zodat je in staat bent alle warmte van de goddelijke liefde op te nemen. Want zie, wat warm is, is niet geschikt voor het opnemen van warmte; maar wat koud is in zijn rust, dat is in staat warmte in overvloed op te nemen en het uit te laten stromen in alle delen van het leven. Want zie, wie de warm­te, die Gods liefde is, in zich opneemt en die in zich vasthoudt en haar niet verder laat stromen, is een vrek en zijn binnenste zal opgelost worden en hij zal zichzelf vernietigen als het ijs bij het vuur; wie haar echter ontvangt zoals de polen en haar meteen weer doorgeeft aan allen die dichtbij en veraf zijn, bij hem is de goddelijke liefde op de juiste plaats en hij beant­woordt aan de wil van de grote en heilige Gever.

36. Deze liefde zal vele vruchten voortbrengen en zal zich verheffen tot het licht van de genade en zal met onafgewende blik de onmetelijke diepten van de Godheid zien net als de polen, die in de oneindige ruimten van de scheppingen van Gods liefde kijken en met wijd open ogen de tedere stralen in zich opzuigen uit alle niet te meten oneindige ruimten, waarin de talloze wezens van de erbar­ming rondcirkelen, ieder op zijn eigen wijze, en daardoor van verruk­king en zalige vreugde in hun liefde tot de liefde en voor de liefde ont­branden en als een zon zelf lichtend worden zoals het licht van de polen van de aarde.

37. Dus, wie standvastig blijft in het midden van de liefde van het her­kennen wat de genade is, diens lende­nen zullen gloeien van liefde uit God zoals de evenaar van de aarde, en zijn ogen zullen door dat besef lichten als de polen, en zijn armen zullen zich bewegen als de rivieren, beken en bronnen, en de daden zullen toestro­men naar de zeeën van de goddelijke erbarming, die gezouten zijn met genade en met de kennis van de eeu­wige liefde en het eeuwige leven.

38. Nu, daar hebben jullie de sleu­tel om de aarde, die je draagt, te ont­sluiten en te doorschouwen.

 

Hoofdstuk 6

 

De analogie van het gesternte

 

1. Verhef nu je blik van de aarde naar de zon, die een getrouw beeld is van de wedergeborenen! Kijk goed en je zult spoedig gewaarworden, dat er zich menigmaal vlekken op haar eve­naar bevinden. Zie, volgens de natuurlijke uitleg van de verschijnse­len, zoals jullie dat noemen, zijn dat uitbarstingen vanuit haar binnenste net als vuurspuwende vulkanen op aarde en zijn het overeenkomstige uit­braken van de woede van de Godheid en kleine blijken van Haar alles ver­nietigende macht, die volgens de natuurwetten zich altijd door grote of

kleine onweersbuien, afhankelijk van de grootte van de vlekken, op de aar­den plaatselijk kenbaar maakt; maar dan wordt de Liefde des te werkzamer en verzacht alles weer met de wateren van erbarming, en op de zon met de grote stroomvloeden uit de oeverloze zee van Haar erbarmende genade. En zie, zo wordt alles weer tot de juiste orde teruggebracht en buiten deze ordening, waarin Ik vanaf de eeuwig­heid der eeuwigheden de eeuwige Liefde Zelf ben en waaruit en waarin alles wat bestaat werd gemaakt, kan niets bestaan noch ontstaan; en wie gezien zijn vrijheid, uit deze ordening treedt, die handelt tegen de liefde en tegen het leven en zal voor eeuwig te gronde gaan.

2. Nu heb je de zon aanschouwd en haar aard begrepen, die eenvoudig is en moet zijn, zodat zij kan bestaan voor het doel waarvoor zij er is en vol­gens de ordening van de liefde er moet zijn.

3. Wend dan je ogen naar de we­dergeboorte van de geest en naar het volk van God en naar de wet van de liefde en naar het leven van vrijheid in het licht van de genade uit de wate­ren der erbarming, en de zon zal ont­huld voor je ogen zweven en geen rimpel zal voor je verborgen blijven!

4. Maar zie, de zon heeft eveneens haar polen, vanwaar al haar licht en haar warmte uit het centrum van de rust der genade zich over haar gehele oppervlakte uitgiet; en als zij die rust op haar polen niet zou hebben, dan had zij ook geen licht. Want zie, de rust is ter opname van licht en warm­te onontbeerlijk en moet overeenko­men met de rust van de liefde in God; slechts uit de rust komt de ontvanke­lijkheid voor leven en licht voort.

5. En zie, als de lucht rustig is, dan is het op aarde ook zuiver en licht; maar waaien er heftige winden in ver­schillende richtingen, dan komen er spoedig zwarte wolken en die verduisteren het licht.

6. Jullie begeerten zijn als de win­

den, waardoor je met allerlei zorgen omgeven wordt, welke net als de wol­ken die door de winden aangevoerd worden, verhinderen dat het licht van de genade in je stroomt, zoals de wol­ken verhinderen dat de stralen van de zon op de aarde vallen.

7. Dus moeten jullie je helemaal geen zorgen maken, maar al je begeer­ten en de daaruit voortkomende zor­gen moeten jullie op Mij richten en aan Mij overdragen, zodat jullie rust hebben en Ik voortdurend bij je kan binnenstromen.

8. En zie, zoals de aarde volgens Mijn ordening om de in rust zijnde poolas draait, zodat geen enkele zijde onbelicht blijft, wat door de macht van Mijn liefde bewerkstelligd wordt, zo moeten ook al je handelingen voortspruiten uit Mijn liefde die van oorsprong af aan in jullie is en afhan­kelijk van je geschiktheid aangevuld wordt door het gegeven woord van de eeuwige Liefde volgens de wet van de genade en de erbarming; en zoals de nacht de aarde verfrist, zal de liefde jullie verfrissen en zoals de dag de aarde verlicht, zullen jullie verlicht worden door het licht uit de zon van de genade.

9. Jullie moeten zijn als de winter, die koud is in zijn rust, maar juist daardoor ook het best in staat is tot opname van warmte tot in het diepst van de aarde. En bij diegene waarbij de winter aangebroken is, zal ook het voorjaar aanbreken, dat is als het eer­ste leven der liefde in je, en zal de zomer aanbreken met haar grote werkkracht uit het leven der liefde, dat in je sterk geworden is door de genade. Dan zal de rustige herfst aan­breken met de vruchten van de wer­ken der liefde en genade, waarin jullie dan als geheel nieuwgeborenen in het leven van de zon zullen binnengaan om het aangezicht van jullie heilige Vader te aanschouwen, en zoals zij heel de wereld te verlichten door de grote kracht van de genade, van de liefde en de erbarming van jullie boven alles goede, heilige Vader.

10. Maar wie niet als de maan is en niet wordt zoals de aarde, kan ook niet gelijk de zon worden, - maar is als een komeet, die ook niet de geringste bestendigheid heeft en wiens wezen een gestolen wezen is uit de genade uitstromingen van de zon­nen, en zijn baan is ongeordend zoals de wegen van dieven en rovers, en hij wordt door de angst voor het licht van de ene kosmische ruimte naar de andere gedreven om in eeuwigheid geen rustpunt meer te vinden; en het licht zal hem op al zijn wegen vervol­gen en zijn nietigheid belichten.

11. En het zal hem uiteindelijk nog vergaan zoals de vallende sterren, die uit de genade geworpen en verstoten worden tengevolge van hun nietig­heid en verteerd worden vanwege de beroving van de genade; want het gestolen licht zal hen voor eeuwig ver­nietigen en zij zullen voortaan niet meer bestaan, zoals de vruchten van de bomen die te vroeg aan het licht werden blootgesteld, nog voor de lief­de hen bevestigd had; en daar zij geen vastheid hebben, omdat zij te weinig met de liefde verbonden zijn, worden zij zwakker en zwakker en vallen dan van de boom af en worden vertrapt en te gronde gericht.

12. Zie nu, hier heb je de zonnen, aarden, manen, kometen en vallende sterren en ook elk apart deeltje van het grootste tot het kleinste ten voe­ten uit volgens hun wezen en volgens hun betekenis, onthuld voor je!

13. De geest van liefde en genade is in je en is in alle wijsheid. Wie hem verneemt zal alles tot in de diepste diepten doorgronden; en hij zal de doden navorsen en zij zullen hem antwoorden, en hij zal de levenden doorzien en hun liefde zal hem ver­kwikken en hun licht zal hem verheu­gen; en hij zal zijn oor op de aarde te luisteren leggen en het gras zal hem de geheimen van de liefde vertellen, en het aardrijk zal hem zijn diepten onthullen, en de bergen zullen zijn stem horen en de klank van zijn woord zal tot in het merg van de aarde doordringen; en wanneer hij de zee zal aanschouwen, dan zullen de stralen uit zijn ogen alle druppels ervan doorlichten en ieder zandkor­reltje doordringen; en indien er daar nog vol ongeduld geesten op hun gericht wachten, zullen ze naar het licht van zijn ogen toestromen, zoals de vissen en het kruipend gedierte van de zee en van de wateren zich naar een boven het wateroppervlak gehouden fakkel bewegen, en zij zul­len zich laten vangen om verlost te worden uit de kerkers van de eeuwige nacht, en zij zullen de liefde herken­nen en hun dorst stillen met het water der erbarming en opgroeien tot de zwakte, tot de sterkte en tot de kracht uit de liefde van de Vader en van het Woord, dat de liefde is in de Vader en van de Geest, die de kracht is in beiden.

14. En zie, dit alles en nog veel meer andere zaken zal Mijn Geest je leren, indien jullie Zijn stem horen! Zijn stem is niet luid, maar zeer stil, ­maar juist daardoor alles doordrin­gend als de warmte van de liefde en als het licht van de genade en als de kracht van de erbarmende liefde van jullie heilige Vader.

 

Hoofdstuk 7

 

De oertijd van aarde en maan. De schepping van Adam en Eva

 

1. Zie nu, Ik zal jullie de organi­sche schepping tonen van het begin tot het einde en van het kleinste tot het grootste, zoals Ik deze gemaakt heb vanuit Mijn liefde en vanuit Mijn wijsheid en vanuit de eeuwige orde­ning uit die beiden, wat het woord is van de eeuwige macht en kracht in het meest innerlijke van de Godheid. En zie, er is niets in alle ruimten van de oneindigheid, noch iets groots noch iets kleins dat niet daardoor gemaakt zou zijn!

2. En zie en luister: nu bestond de aarde en er was de maan, en de zon was er en de sterren waren er; maar de aarde was nog kaal en haar oppervlak was nog als het oppervlak van de zee. En boven de wateren lag een dicht wolkendek en dat reikte tot diep in de dode ruimten van de werelden en het licht van de zon kon de druppel der erbarming niet verlichten. En de maan was bedekt door de nevel van de druppel en pas in deze nevel werd de aarde volledig gevormd en werd de maan gevoed. En de zon lag over die beiden heen met de stralen van haar licht uit de warmte van de liefde in God, zoals een kloek over haar kui­kens en maakte de aarde rijp en scheidde de maan van de borst van haar moeder.

3. Toen viel het grote wolkendek uiteen en zonk omlaag naar de rust van de polen, en de evenaar van de aarde kwam vrij en de zon zag zichzelf in de wateren, en de aarde straalde dankbaar het ontvangen licht terug in de schoot van de zon en zag met wijd open ogen de maan zich baden in de uitstromende stralen van de genade der eeuwige liefde uit de zon.

4. En zie en luister verder: het ging goed met de aarde, want zij werd ver­vuld met de liefde der erbarming en zag haar lieveling, de maan, monter om zich heen cirkelen. En de liefde deed haar machtige borst zwellen met de adem der erbarming, als wilde zij het kind nog eenmaal haar met de melk der genade gevulde borst aanrei­ken; maar zie, door de warmte van de erbarmen de liefde stremde de melk en ontstond het vaste land, dat boven de zeeën uitrees. En de zeeën zonken terug in de diepten en leken op het water, dat zich afscheidt bij het strem­men van de melk en dat dient om de inwonende woede door het zout van de genade door het erbarmen van de liefde uit God met alle kracht en macht te sussen.

5. En zie, toen werd het rustig op de aarde en in alle ruimten der onein­digheid van God, en de eeuwige Liefde daalde voor de eerste maal geheel op aarde neer en ademde in Haar almacht en kracht over het aard­oppervlak, en de ademtocht was een onpeilbare overvloed van gedachten in levende vormen van allerlei aard voor de toekomstige verlossing van de verlorenen.

6. En zie, toen ontkiemden uit de vaste delen van de aarde allerlei krui­den, planten, struiken en bomen, en in de zeeën, meren, rivieren, beken en bronnen wemelde het van allerlei wormen, vissen en dieren; en de lucht was vol leven door allerlei soorten vogels. En het getal van iedere soort zowel in de wateren als op het vaste land en in de lucht was gelijk aan het getal van de mens, die uit dit getal gemaakt werd, en het was gelijk aan het getal van de genade van de Liefde en was gelijk aan het getal van de toe­komstige verlossing en de daaruit ontstane en voortkomende wederge­boorte.

7. En zie nu en begrijp, wat tot nu toe nog door niemand gezien en begrepen werd; de eeuwige Liefde nam het getal uit Zich en het getal was de ordening en de eeuwige wet in Haar, waaruit en waarin Zijzelf eeu­wig bestond, bestaat en zal bestaan in alle macht en kracht van de heiligheid van God. En Zij nam de leem net als de room van de gestremde melk en vormde met de hand van Haar macht en met de hand van Haar kracht vol­gens het getal van Haar ordening de eerste mens en blies hem door de neusgaten de levendmakende adem in. En de adem werd in hem tot een levende ziel en de ziel vervulde de gehele mens, die nu gemaakt werd volgens het getal van de ordening, waaruit de geesten gevormd waren en waaruit de werelden in de ruimten gemaakt werden en de aarde en alles wat op haar is, en de maan en de zon. 8. En zie nu, deze eerste mens op aarde, die voortkwam uit de handen van de macht en de kracht van de eeuwige Liefde, kreeg uit de mond van de erbarmende Genade de naam 'Adam' of 'zoon van erbarming en genade' .

9. En let nu goed op: deze Adam kwam in plaats van de eerste der gevallen geesten; het werd hem niet te kennen gegeven wie hij was, en zie, toen verveelde hij zich, omdat hij zichzelf niet kende en ook niets vin­den kon wat op hem leek.

10. En zie, toen ademde de eeuwi­ge Liefde, onzichtbaar voor de nog blinde ogen van zijn ziel op hem, en hij sliep door de lieflijkheid van de erbarmende Liefde voor de eerste maal in. En de lieflijkheid van de erbarmende Liefde vormde in het hart van Adam, als het ware als in een zoete droom, een op hem lijkende gedaante van grote lieflijkheid en ook van grote schoonheid.

11. En de eeuwige Liefde zag dat Adam grote vreugde in zich voelde bij de innerlijke aanschouwing van zijn tweede ik. Toen raakte de erbarmende Liefde zijn zijde aan, op de plaats waar hem een hart gegeven werd gelijk aan het hart van de Godheid ter opname van de liefde en het leven uit de liefde in God, en ontnam hem daarmede de eigenliefde om voor Zichzelf een woonplaats voor te berei­den door de toekomstige wet van de erbarmende genade, en plaatste de eigenliefde, waaraan hij een groot welbehagen in zich voelde, buiten zijn lichaam en noemde haar 'Caiva' of, zoals jullie gewoonlijk plegen te zeggen, 'Eva', wat zoveel wil zeggen als de voorbereidende verlossing van de zelfzucht en de daaruit voortsprui­tende wedergeboorte.

12. En zie, toen raakte de erbar­mende Liefde hem aan en liet hem ontwaken om hem zijn eigenliefde, nu buiten hem, te laten zien en zag dat hij een groot welbehagen onder­vond bij de aanblik van zijn buiten hem geplaatste liefde en zeer opgeto­gen werd; en de liefde buiten hem, nu Eva geheten, verlustigde zich aan de mens Adam en boog zich naar hem toe en volgde al zijn bewegingen.

13. En zie, toen sprak de eeuwige Liefde Adam voor de eerste keer aan: "Adam!" - En hij sprak voor de eerste maal: "Hier ben ik, Heer van de glo­rie, macht en kracht!"

14. En de eeuwige Liefde sprak wederom: "Ziehier jouw helpster!" ­En Eva antwoordde: "Zie, Heer, hoe gehoorzaam de maagd aan de voeten van Uw zoon ligt en op zijn bevelen wacht!"

15. En zie, de erbarmende Liefde ondervond een groot welbehagen in de werken van Haar macht en kracht door de genade van Haar erbarmen en sprak verder en onderwees hen in alles en leerde hen alle dingen ken­nen, benoemen en toepassen. En toen zij alles begrepen, kenden en konden gebruiken, sprak de erbarmende Liefde weer tot hen: "Zie nu, jullie leerden nu alles, jullie kennen nu alles en kunnen van alles gebruik maken op één ding na, en dit laatste zal Ik je nu leren en in je de kracht leggen om op jullie gelijkenden te verwekken en voort te planten; maar jullie mogen er dan pas gebruik van maken, wanneer Ik terugkom en je bekleed aantref met het kleed van de gehoorzaam­heid, deemoed, trouwen de vereiste onschuld. Wee echter over jullie, wanneer Ik je naakt aantref; Ik zal jul­lie dan verstoten en de dood zal het gevolg zijn!"

 

Hoofdstuk 8 De zondeval

 

 

1. En zie, toen bedekte de eeuwige Liefde Haar aangezicht en ging vol­gens een door het getal van de orde­ning bepaalde tijd weg en was blind uit de diepte van Haar erbarmen en wilde en kon niet weten, wat de nieuw geschapenen zouden doen in het gericht van de Godheid ter beproeving van hun vrijheid door de erbarmende Liefde in de korte tijd op aarde. De plaats die hen op het vaste land was gegeven om te bewonen, was een dal en was een tuin en werd paradijs genoemd; en dat was het land, dat later overvloeide van melk en honing en het was de plek, die in de grote tijd der tijden van de groot­ste daad van de eeuwige Liefde 'Bethlehem' heette en eeuwig zal heten, en het was het punt, vanwaar het vlees geworden eeuwige Woord voor de eerste maal lijfelijk het licht van Zijn genade, aan de tranen der erbarming van de verre zonnen, de manen en van alle sterren zag oplich­ten.

2. En zie, tijdens het gericht waar­mee de Godheid hen in Haar gram­schap beproefde, groeide hun begeer­te. En er stond een boom in de tuin en deze boom droeg de mooiste soort appels en Eva begeerde deze hevig en ze zei tegen Adam: "Zie Adam, ik heb een hevig verlangen naar deze vrucht! Als jij wilt, dan zal ik er één plukken en proeven en hem dan aan jou geven als de eerste gave uit mijn hand!"

3. En zie, Adam zweeg, nadenkend over het gezegde van Eva. En een innerlijke stem, die heilig was, omdat deze van de Godheid in hem kwam, zei tegen hem: "Als jullie van de vrucht van deze boom zullen eten, dan zul je sterven!" En Adam schrok daarvan zozeer, dat hij zijn geliefde Eva geen antwoord kon geven.

4. En de begeerte steeg in Eva op en trok haar tot onder de boom en dwong haar er een appel van te pluk­ken. En Adam bemerkte nu dat Eva zijn hart ontrouw werd, en hij werd treurig en zei:

5. "Eva, Eva, wat doe je? Zie, wij zijn nog niet door de Heer van de macht en de kracht en het leven geze­gend! Zie, je houdt de vrucht van de dood in je hand; gooi die weg, zodat wij niet in naaktheid voor de Heer der gerechtigheid sterven!"

6. En zie, toen schrok de door begeerte overmande Eva van de ernst van Adam en liet de vrucht van de dood op de grond vallen. En haar begeerte verliet haar en zij werd bevrijd van haar begeerte en Adam voelde een groot welbehagen door de bevrijding uit de strikken van de dood brengende begeerte van Eva.

7. Maar zie nu, de door Eva uit haar hart gebande begeerte lag nu op de grond en veranderde zich door de macht van de richtende gramschap van de Godheid in de gedaante van een grote slang, die de vrucht van de dood in zijn bek nam, naar de boom toe gleed en alle takken en twijgen van de wortel tot aan de top omgaf en zijn starre blik op Eva richtte. En Eva merkte dat en keek de slang aan en Adam merkte het door Eva ook; maar hij zag de slang nog niet.

8. En zie, Eva ging naar de slang toe en bekeek met veel genot zijn ver­leidelijke windingen om de boom en de steeds veranderende kleuren van zijn schubbenhuid.

9. Maar de slang bewoog zich en legde de appel in de schoot van de nu zittende Eva, richtte toen haar kop weer op en sprak Eva met de volgende woorden aan:

10. "Eva, zie hoe jouw dochter die door jou verstoten werd, de boom van jouw verlangen omslingert! Versmaad de geringe gave, die ik in jouw schoot legde niet, maar geniet onbezorgd van de vrucht van je liefde; jij zult niet slechts niet sterven, maar je zult bevredigd worden met meer kennis over al wat leeft, dan de God die jij vreest, omdat die toch zwakker is dan jij bent!" En zie, toen deelde de tong van de slang zich en werd punti­ger dan een pijl en de slang boog haar kop naar Eva's borst, alsof zij die als een kind wilde kussen; maar nu stiet zij haar twee giftige pijlen in de bor­sten van Eva, en Eva aanschouwde in de slang haar eigen gedaante.

11. En nu merkte ook Adam wat zich onder de boom afspeelde en de tweede Eva beviel hem bijzonder goed en hij merkte niet, dat het slechts een slang was. En zie, toen ontstak ook in hem de begeerte, de hartstocht voor de tweede Eva, hij nam de vrucht uit de schoot van Eva, werd ontrouw aan zijn liefde en genoot van de verboden vrucht uit de schoot van Eva met wellustige begeer­te; en in dat genot herkende hij zich als de eerste die verloren ging door de grote ijdelheid van zijn blinde zelf­zucht in het rijk van het licht van de eeuwige Liefde, en die gevallen is in de zee van gramschap van de eeuwig onverbiddelijk dodende Godheid.

12. En zie nu, toen hij zich als zodanig herkende en de verblinde Eva zich door hem herkende, steeg een groot berouw op uit het diepst van zijn hart, en Eva schaamde zich over de naaktheid die zij bespeurde en over Adam’s naaktheid en was van top tot teen ontdaan en bedekte haar naakt­heid met bladeren van een vijgen­boom. En ook Adam strekte zijn han­den uit naar de bladeren om zijn blootheid te bedekken en verborg zich in een grot en weende vele tranen van grote smart; en Eva verborg zich achter een doornstruik en treurde hevig over haar schuld aan de verlei­ding.

 

Hoofdstuk 9

 

Het gericht van de Heer

 

1. En zie, toen trok de eeuwige Liefde door de macht en de kracht van Haar erbarmen de hand van de macht en de hand van de kracht weg voor Haar ogen, de ogen van de alles verlichtende genade, en het licht van de genade drong wezenlijk door in de grot waar Adam weende en achter de doornstruik waar Eva treurde.

2. En Adam’s tranen werden in de schoot der aarde bewaard en heetten en heten nog 'Tummim' of stenen, waaruit het licht van de zeven geesten van God zinnebeeldig straalt en zij werden vast door het licht van de genade uit de warmte van de Liefde, evenals zijn terechte berouw als blij­vend gedenkteken van de verlichten­de wijsheid, en zij werden over de hele aarde verstrooid als vertroostende tekenen van de toekomstige wederge­boorte, die evenals deze tranen van Adam in staat zal zijn tot opname en de allermooiste gedeelde weergave van het grote licht uit de zee van de genade der erbarming van de eeuwige Liefde en die iedere hardvochtigheid van de verleidingen van de wereld zal weerstaan.

3. En de tranen van de achter de doornstruik treurende Eva werden in de aarde bewaard en werden net zo gekleurd als het rood van haar terech­te schaamte over het misbruiken van de geheiligde liefde van Adam in haar. 4. En de eeuwige Liefde zag, dat iedere traan van Eva voor Adam, de zoon van de erbarmende Liefde, gerechtvaardigd was; en de warmte van de eeuwige Liefde maakte van deze tranen steentjes en hiervan was de naam 'Urim', als zinnebeeld van de gerechtvaardigde droefheid van Eva. En zie, één traan viel op de beschut­tende doornstruik, en zie, deze traan was er een van verloren onschuld en kleurde de voorheen witte bloem van de struik; en de bloemen werden rood gekleurd ten teken van de verloren onschuld van Eva. En zie verder, hoe­wel de mensen nu reeds alle gewassen op aarde kennen, kennen zij echter niet hun ware betekenis in de geest en in de waarheid en zullen die niet ken­nen en begrijpen tot aan de wederge­boorte, als zij zich die dan eerst deel­achtig hebben gemaakt, welke is de erbarming van de eeuwige Liefde door de genade van de verlossing daarin.

5. En zie nu nog een geheim, dat nog begrepen moet worden vanwege de zondige hoogmoed van de kinde­ren van de wereld! En zie, twee bloe­men van de struik werden door de, door onschuld gerechtvaardigde tra­nen van Eva bevrucht en bewaarden door alle stormen aller tijden gedu­rende de grote oorlog van Jehova tegen de volkeren der aarde getrouw hun zegen van de eeuwige Liefde. En ze maakten ten tijde van de uitwer­king van de genade van boven, de vrouw van Abraham tot een levend voorbeeld van de grote werken van de erbarmende Liefde, en de vrouw van Zacharias tot werkelijke volbrenging van de grootste van alle daden van de erbarmende Liefde van de eeuwige God.

6. En wend nu je ogen weer naar Adam en Eva en ga met Mij mee om ze te zoeken en kijk toe, hoe Ik, de eeuwige Liefde, hen vond, naakt, ver­laten, wenend en treurend van gerechtvaardigd berouwen terechte schaamte en Ik riep Adam te komen en trok Eva te voorschijn.

7. En zie, zij durfden niet naar het gezicht van hun Vader te kijken; want zij waren geschrokken door een geweldige donderslag van het dood­ brengende gericht uit het diepst van de gramschap van de Godheid.

8. En de vlammen van de toorn van God, van de Oneindige, rolden schrikbarend door al de eindeloze ruimten naar de aarde toe, waar de grote Liefde nu vertoefde bij Zijn rouwende en treurende gevallen kin­deren, die geschapen waren door Zijn erbarmende genade.

9. En zie, er woedde een hevige strijd tussen de eeuwige Liefde, die door het berouwen verdriet van de geschapenen weer erbarmen met hen had, en de woedende Godheid, die alles wilde vernietigen ter verzoening van Haar integere heiligheid.

10. Want zie, de vlammenvloed van toorn van de boos geworden Godheid stortte sneller dan de blik­sem op aarde neer, drong door tot in haar kern en de verterende vlammen laaiden overal in al haar uithoeken op tot aan de maan, tot aan de zon, - ja, zij tastten alle sterren aan! En zie, toen was de gehele, onmetelijke oneindigheid één vuurzee en ver­schrikkelijke donderslagen rolden door alle eindeloze ruimten en de aarde huilde luid en de zee woedde en de maan huilde en de zon jammerde en alle sterren schreeuwden luider dan alle donder. En dat, omdat zij neerge­drukt werden door een grote angst vol pijn om eeuwig vernietigd te wor­den, en hun luide stemmen weer­klonken hevig daverend vanuit de eindeloze diepten van de gramschap van de Godheid en die stemmen rie­pen:

11. "Grote, verheven God, lenig Uw grote toorn en blus de vernieti­gende vlammen van Uw zeer gerecht­vaardigde gramschap en spaar in Uw heiligheid de onschuldigen; want de vlammende woede van Uw toorn zal de rechtvaardigen verwoesten en zal de eeuwige Liefde in U vernietigen en zal Uzelf gevangennemen in Uw bovenmaatse macht en kracht van de heiligheid!"

12. En zie en hoor met open ogen en open oren wat de met toornende gramschap vervulde Godheid sprak; maar niemand verstond wat er gezegd werd, behalve de eeuwige Liefde, die ten tijde van de woedende uitbarsting van toorn van de Godheid het berouwvolle nieuw geschapen paar op de kermende aarde ondersteunde met de grote macht en kracht van Haar barmhartigheid en Ze weerde de grote woedende vlam van toorn af, die de plek van Adam’s wroeging en de plaats waar Eva treurde wilde aangrijpen.

13. En luister nu en begrijp goed de verschrikkelijke woorden van toorn uit de diepten van de gram­schap van de Godheid. Deze luidden: 14. "Wat heb Ik aan dat janken en woeden van de aarde en wat aan het huilen van de manen, wat aan het gejammer van de zonnen en wat aan de jammerklachten van de sterren?! Want Ik ben alleen, verlaten door Mijn Liefde, die Mij ontrouw gewor­den is en van Mij is weggegaan naar de aarde om het tweevoudige kwaad uit te werpen! Wat moet Ik zonder Haar beginnen? Daarom zal Ik al Haar werken tot op het fundament verwoesten en alles vernietigen, opdat er niets meer is wat in alle toekomsti­ge eeuwigheden der eeuwigheden Mijn Liefde van Mij zal wegtrekken en verwijderen! En Ik zal God blijven, de Enige, gedurende alle eeuwighe­den der eeuwigheden, zoals Ik dat sinds de eeuwigheden der eeuwighe­den was; en jij, vermolmd bouwsel van de schepping van Mijn zwak geworden Liefde, val in elkaar tot nie­tig puin in het niets, zodat Ik Mijn Liefde weer vind en Haar weer sterk maak door de macht en de kracht van Mijn eeuwige heiligheid. Amen!"

15. En zie, toen werden de banden van de scheppingen in alle ruimten van de oneindigheid van God verbro­ken en de brokstukken stortten door de wijde ruimten onder groot lawaai, gedonder, gegier, gehuil, geloei en gesuis in de diepten der diepten op hun ondergang af en het was de aarde zelf, die eveneens in puin lag in de brede schoot van de erbarmende Liefde.

16. En de nieuw geschapenen beef­den van angst bij de vreselijke aanblik van de grote, vernietigende gru­welscène, waarvan de omvang nooit door een geschapen geest in zijn geheel doorgrond kan worden; want die was oneindig.

17. En zie nu en luister verder naar wat de erbarmende Liefde toen sprak en deed! Verneem de woorden van de Liefde in Haar macht en bezie de grote daden van de barmhartigheid in Haar kracht, en hoor en begrijp goed de woorden, die aldus luidden:

18. "Grote, almachtige God van alle macht, alle kracht en alle heilig­heid! Laat Uw hevige toorn varen en stil het vuur van Uw alles verwoesten­de gramschap en luister in de rust van Uw heiligheid naar de woorden van Uw eeuwige Liefde, die het enige leven in U is, net als U, eeuwig en machtig en sterk zoals U uit Haar en Zij uit U, en wil niet het leven in Haar vernietigen en U door Haar, maar laat genade voor recht gelden en laat de Liefde U genoegdoening geven en eis verzoening voor Uw bezeerde en beledigde heiligheid en geen offer dat U van Haar mocht eisen ter eeuwige verzoening van Uw heiligheid zal voor Uw Liefde te groot zijn!"

19. En zie nu en luister en begrijp het goed, wat er daarna gebeurde en wat de Godheid daarop antwoordde! Het vuur temperde en uit alle ruim­ten woei een zacht zuchtje, vermengd met nog hevig rollende donderslagen, veroorzaakt door het rondvliegende puin van de verdwenen werelden, die van de ene onmetelijkheid tot aan de andere als grote bliksemschichten nog brandend flitsten. En de Liefde begreep de donder van God, die fel sprak:

20. "Ik zal alle schuld op Jou laten neerkomen, net als het wereldpuin op de aarde, en Jij moet de smaad van Mijn heiligheid, die de eeuwige band tussen Jou en Mij is, vereffenen! En zie, Ik vervloek de aarde, opdat Mijn heiligheid door geen vlek bezoedeld zal worden en Ik daardoor een onhei­lige God zou worden zoals Jij; en van deze vloek draag Jij de schuld, die Je op Je moet nemen en die Je moet ver­effenen ten behoeve van Mijn heilig­heid en Jij moet de vloek van de schande door de zonde van Adam van de aarde af wassen met Je bloed!"

21. En zie, luister en begrijp goed, wat het antwoord van de Liefde daar­op was en Zij sprak als volgt: "Grote, boven alles heilige God van alle macht en alle kracht! Het zal geschie­den naar Uw woorden!"

22. En zie, toen doofden opeens alle vuren op aarde en in alle ruimten van de schepping! En het puin van de verwoeste zonnen, aarden en manen werd weer samengevoegd door de macht en de kracht van de door de Godheid verhoorde Liefde en zij wer­den weer geordend, zoals zij geordend waren vanaf het begin van hun ont­staan; maar zij behielden voor eeuwig de onuitroeibare sporen van hun toenmalige totale verwoesting gelijk de littekens van de eeuwige Liefde, die later in de grote tijd der tijden voor iedereen aan het kruis bloedde.

23. En er bleef hier en daar aan het oppervlak, in het binnenste en in de zeeën van de aarde ook nog puin van andere werelden liggen, ten teken van de macht en de kracht van God en tegelijkertijd ook als sprekende getui­gen van de uitzonderlijk grootse daden van de erbarmende Liefde.

24. En zie en luister verder en begrijp goed wat er verder gebeurde: toen nu de eeuwige Liefde de eisen aanvaardde en daardoor al van tevoren genoegdoening verschafte aan de grote heiligheid van God, liet de Godheid in een zacht ruisen en suizen nogmaals, alleen voor de Liefde begrijpelijk, Haar heilige wil horen en sprak op zachte toon, als volgt:

25. "Zie, Jouw grote barmhartig­heid is in Mij opgestegen en is voor Mijn alziend oog getreden en Ik heb in de rust van Mijn heiligheid Jouw grote oprechtheid en eeuwige trouw herkend en Ik heb de tranen van berouw van Adam en de tranen van verdriet van Eva geteld en Ik ben van­wege Jouw grote erbarmen vol deernis geworden.

26. En zie, daarom wil Ik Mijn gerichten in deze tijd opheffen en op Jouw verzoek overvloedig genade voor recht laten uitstromen en Ik wil de schade die Mijn gericht heeft aan­gebracht, weer goed maken. En bui­ten Mij kan niemand iets goed maken dan Ik alleen, omdat niemand goed is behalve Ik, de heilige Vader; want dat zal voortaan voor eeuwig Mijn naam zijn. En Jij, Mijn Liefde, bent Mijn Zoon; en de heiligheid als de machti­ge alom werkende band van de kracht tussen Ons en tussen alles wat van Ons uitgegaan is, is de Heilige Geest, die alle ruimten der ruimten en alle oneindigheden der oneindigheden zal vullen, amen. En dat zegt nu de goede, heilige Vader. Amen.

27. En zeg Jij, Mijn geliefde Zoon nu ook aan het treurende paar - en laat dat diep in hun hart zinken - dat zij zich tot aan het einde van hun leven aan de geboden van de liefde en de erbarming moeten houden, zonder ze te verbreken, en Ik zal hen op een tijdstip dat Ik heb voorbeschikt dan een middelaar tussen Mij en hen zen­den om hun grote schuld te delgen en de grote, zware last van hun onge­hoorzaamheid te verlichten.

28. Maar tot dan moeten zij geduld oefenen en zachtmoedigheid betrachten en het brood, dat Ik hen thans slechts spaarzaam zal geven, moeten zij dankbaar in het zweet huns aanschijns genieten en zij zullen niet verzadigd worden tot aan de tijd van de middelaar die Ik uit hun mid­den zal verwekken en die volkomen en goed zal zijn, zoals Wij eeuwig vol­komen en goed en heilig zijn.

29. En zeg hen bovendien nog, dat Ik Mijn gericht slechts opgeschort heb voor diegenen die zich nauwgezet aan Mijn strenge geboden zullen hou­den; maar laat de overtreders voor alle eeuwigheid in alle gestrengheid van de eeuwige heilige waarheid bij de geringste overtreding bedreigd wor­den met de nauwkeurige voltrekking van het gericht!

30. Aldus spreekt de heilige en enig goede Vader door Zijn Zoon, die de eeuwige Liefde in Hem is en door de Heilige Geest als de werkende genade uit Ons beiden, voor de toekomstige vergeving van de zonde, die nu hun lichamen moeizaam en bezwaarlijk maakt, en tenslotte tijdelijk zal doden om na de dood van het lichaam het leven te verkrijgen, na de tijd van de beloofde middelaar.

31. Dat zegt de enig heilige en enig goede Vader. Amen, Amen, Amen."

 

Hoofdstuk 10

 

De verzoening van de Heer

 

1. En zie, luister, begrijp en versta goed wat de eeuwige Liefde zei en deed. Toen de goede, heilige Vader Zijn zeer ernstige toespraak beëindigd had, waarin Hij genade voor recht aankondigde en de overtreders van de wet van de onbegrijpelijk grote gena­de en van de dood van de zonde met een strafgericht dreigde, werd de eeu­wige Liefde tot in het diepst van Haar hart dat vol erbarming was geroerd en weende voor de tweede maal tranen van medelijden en tranen van de innigste vreugde en zalige verrukking over de grote, alles ontziende genade van de zo onvoorstelbaar goede en allerheiligste Vader en sprak, terwijl Zij tot in het diepst van Haar wezen ontroerd was tot Adam en Eva:

2. "Adam, je hebt nu het afschuwe­lijke gericht van God voor je ogen voorbij zien trekken en Eva zag en ondervond het door jou; nu echter wil Ik ook haar de ogen en oren ope­nen en zij zal in heel de toekomst met eigen ogen zien en met open oren horen, wat de Godheid in Haar rich­tende gramschap deed en wat daarop de eeuwige Liefde in Haar onbegrens­de erbarming deed; en dat zullen ook allen zien die uit haar zullen voortko­men gelijk aan het aantal sterren aan de hemel en de hoeveelheid gras op aarde en de hoeveelheid zand in de zee, die oneindig is.

3. En de wet heb Ik jou in je hart gegrift, zoals jij het ook in het hart van Eva moet prenten; en het teken dat jullie en allen die je zullen volgen zal waarschuwen voor Gods gericht wegens jullie zonde, zal zijn dat Ik hier en daar bergen laat ontstaan, die afwisselend tot aan het einde der tij­den zullen branden en Ik wil de blik­sem achterlaten, die je zal waarschu­wen voor de toekomstige vernietiging en de altijd daarop volgende donder, die je altijd met klem de naam van de grote en sterke God zal verkondigen, indien jullie Hem ooit zouden of konden vergeten.

4. En de tranen van medelijden en die van grote vreugde over de genade van de heilige Vader heb Ik als een eeuwig teken van een nieuwe schep­ping rondom in de wijde ruimten van de hemel opgesteld en ze zullen jullie iedere nacht op aarde beschijnen en zullen je verkwikken in de avondsche­mering van het leven en zullen je de aanbrekende dag aankondigen.

5. En kijk nu op naar de hemel; zij schijnen in veelvoudige ordening en in veelvoudige pracht, - die met rood­achtig licht als teken van Mijn mede­lijden en die met wit licht als teken van de vreugde om de grote genade van de zeer heilige en boven alles goede Vader. En die zacht wit glan­zende brede baan die over de sterren van het medelijden en van de vreugde loopt, bestaat eveneens uit sterren uit de voortijd, ontstaan door de tranen van de Liefde, die toen reeds mededo­gen had met de gevallen geesten; die baan is midden door de uitgestrekte ruimten getrokken en zal jullie die­nen als teken van het eeuwige, heilige verbond tussen de eeuwige Liefde, die jullie en alles wat er is in het bestaan riep en de alles volgens Haar heilig­heid richtende Godheid.

6. En kijk nu hierheen, Adam en ook jij, Eva, in Mijn linkeroog, dat boven Mijn hart tegenover je rechter­oog je mild en vol genade stralend aankijkt, - zie, er hangt nog één traan aan zijn wimper en zie, deze traan is groter dan alle tranen die reeds uit deze ogen voor jullie gevloeid zijn!

7. Daar waar die grote baan aan de wijde hemel gedeeld schijnt, kijk daar met graagte naar en wees altijd dank­. baar en diep geroerd, zo vaak als jullie daarheen zullen kijken; want die plek zal voor jullie en ook voor de gehele schepping te eeuwigen dage dienen als een blijvend teken van je breuk van trouw aan Mij en Mijn toenmali­ge breuk met de heiligheid van God uit barmhartigheid tegenover jullie, en de baan zal je op het punt waar zij weer als aaneen geknoopt verschijnt, herinneren aan de machtige bemidde­ling van de eeuwige Liefde, die Ik al sinds eeuwigheid her ben, aan de bemiddeling tussen de onaantastbare heiligheid van God en jullie, die trou­weloos gezondigd hebben voor het aangezicht van Zijn onbegrensde hei­ligheid.

8. En zie nu, vandaar deze traan en daar is de plaats van haar ontstaan!

9. En deze traan zal voor jullie en voor je nakomelingen eens opgaan als een mooie morgenster die alle volke­ren van de aarde zal verlichten, die jullie in de tijd der tijden met rou­wende en treurende voetstappen zul­len volgen en die zal nog van tevoren de stinkende drek van de zonde van de aarde afwassen en zal je tranen en bittere klachten van rouwen verdriet reinigen van het vuil van de slang.

10. En kijk nog één keer hierheen:

deze traan wil Ik laten vallen op een nog witte bloem van deze struik tus­sen de twee reeds bevruchte bloemen van Eva, en uit haar zal eens een reine vrouw opbloeien, die de kop van de slang zal vertrappen. En de slang zal haar weliswaar ook in haar hiel bijten, maar het gif zal haar geen kwaad doen; en uit haar zal voortkomen, wat er nu voor jullie is, een fraaie morgen­ster voor alle volkeren der aarde die van goede wil zijn en het eeuwige gericht voor alle weerspannige kinde­ren van de slang!

11. En de geesten uit de schoot van de heiligheid van de Vader zullen belichaamd op aarde neerdalen en zullen aan je kinderen de grote tijd verkondigen en de wijze van aan­komst van Hem, die nu voor je staat en die jullie nu nog horen en zien en voortaan niet meer zullen horen en zien tot aan de beloofde komst, vol­gens de toezegging van de heilige Vader door Mij als de eeuwige Liefde in Hem.

12. En nu hebben jullie alles ver­nomen, wat je moet weten om Mijn zegen te ontvangen!

13. En wees dan aldus gezegend

door de hand van de macht en door de hand van de kracht van de eeuwige Liefde van de heilige Vader en de kracht van de Geest, die heilig is uit Ons beiden, en bevrucht en vermeer­der je en vul de aarde met de levende vrucht van deze zegen!

14. En zo dikwijls jullie elkaar zul­len benaderen vanwege deze zegen, offer dan altijd van tevoren je harten aan Mij! Als jullie dit achterwege zou­den laten, dan zal de slang, die nog leeft en ook eeuwig in de gramschap van de Godheid zal leven, de vrucht in je bederven en jij, Eva en allen van jouw geslacht zullen in plaats van een vrucht van zegen een vrucht van ver­derf ter wereld brengen. En deze zul­len de kinderen van de zegen en van het licht in groten getale te gronde richten en aan hun woede en hun razernij zal geen einde komen; en zo zullen jullie de zonde als erfenis op allen laten overgaan en je schuld zal zichtbaar worden tot aan de grote tijd der tijden en ook daarna.

15. En dit offeren van jullie harten aan de zegen van Mijn genade is je gegeven als een heilige dienst, die je altijd verplicht bent voor Mij te hou­den ter wille van Mijn zegen, zo vaak jullie elkaar benaderen. Laat dit nieu­we en gemakkelijke gebod dat jullie zojuist uit Mijn mond vernomen hebben, de eerste kerk zijn, die Ik voor je sticht ter Mijner nagedachte­nis en die je de daden van de erbar­mende Liefde dankbaar laat herinne­ren en jullie terugvoert naar de heilige vrees voor God!

16. Ik zal van boven een geest zon­der zonden met een vlammend zwaard in zijn hand naar je toesturen, zodat hij jullie kan leiden en je de gehele aarde kan tonen van het ene uiteinde tot het andere; en hij zal jul­lie de dwalingen van de wereld verkla­ren, maar je ook tuchtigen als jullie zouden afwijken van Mijn wegen.

17. Dit alles zegt de eeuwige Liefde tegen jullie in naam van de heilige Vader, amen."

 

Hoofdstuk 11

 

De geboorte van Kaïn en Abel

 

1. En zie, toen verdween de Liefde voor de ogen van de geschapenen, terugkerend in de heilige schoot van de Vader.

2. En zie nu, jij Mijn luie en slech­te knecht, die ook nog zeer hardho­rend is; want Ik moet je als een schoolkind uit de eerste klas woord voor woord dicteren en nog versta je Me niet en vraagt Mij dikwijls twee, drie, vijf, vaak tot tien maal toe en kijk, Ik herhaal altijd getrouw ieder woord voor je! Let daarom beter op, zodat het vlugger opschiet dan tot nu toe; want de wereld heeft in de zeer korte tijd voor de voleinding behoefte aan dit werk van Mijn grote genade! Laat je dit door Mij gezegd zijn, jullie heilige Vader, wiens gehele wezen lou­ter liefde is!

3. En schrijf nu verder! Het pas geschapen paar was nu geheel alleen op de grote wereld en de beloofde engel verscheen met het vlammende zwaard in zijn rechterhand; en toen zij hem zagen, schrokken zij heel erg, zodat zij voor hem wegvluchtten en inwendig trilden van grote angst.

4. En zie, de angst verkortte Eva's tijd en met smart werd zij verlost van de verboden vrucht, die de slang tij­dens Adam’s blindheid in haar gelegd had.

5. En Adam bekeek de naakte vrucht en merkte dat de vrucht op hem leek, en verheugde zich daarover zeer; en Eva zag Adam’s vreugde en drukte vol begeerte deze vrucht van haar liefde aan haar volle borst.

6. En zie, toen kreeg zij een soort­gelijke steek in haar borst als de steek van de slang en legde vol angst de vrucht op de grond in de vaste overtuiging dat zij alweer gezondigd had.

7. Maar zie, toen verscheen de grote engel met het zachte gelaat voor het verontruste en bange paar en sprak hen met vaste stem toe:

8. "Wees niet bang en heb geen vrees voor de knecht van Jehova, die van boven naar jullie gezonden is om je de aarde te laten zien en je in te lichten over 's werelds dwaalwegen ­en ook om jullie en je nakomelingen te tuchtigen indien jullie van de wegen van de eeuwige Liefde en van de oneindige heiligheid van God ooit zouden mogen afwijken.

9. Zie, deze vrucht is voor jullie geen zonde meer; wel is die het gevolg van de drievoudige ongehoorzaam­heid tegenover God en is de dood van je vlees, die jullie in je vlees verwekt hebben door je zelfzuchtige begeerte. Jullie mogen deze vrucht niet van je werpen, maar hem volgens de wil van boven houden als getuigenis over jezelf en je vernedering, waardoor je nu zult ondervinden hoe door jullie de zonde en door de zonde de dood in de wereld gekomen is; de vrucht zelf zullen jullie 'Kaïn', of 'brenger van de dood' noemen!"

10. De verschrikte gemoederen van het paar werden door de toespraak van de bode van boven gerustgesteld en Eva nam de op de grond gelegde vrucht weer in haar nog sidderende handen en reikte op aandringen van Adam, ingegeven door de engel, de volle borst aan de zuigeling om daar­uit het leven van de aarde te zuigen.

11. En de engel trad aan de linker­zijde van Adam, en Eva met de vrucht op haar rechterarm ging aan Adam’s rechterzijde staan, opdat haar hart vrij zou blijven van iedere last en voortaan op alle wegen en paden naar de mens toegewend zou blijven.

12. En zo liepen zij voorbeeldig over de hele aarde om daar alle oor­den te bekijken en woonplaatsen uit te zoeken voor hun toekomstige nakomelingen, en voor hen het brood te zaaien door de macht en de kracht die hen door de Liefde verleend was door de grote genade van de erbar­ming.

13. Want de aarde met alles wat daarop was, was ondergeschikt aan de wil van Adam en de zee en al het water gehoorzaamde zelfs trouw aan de geringste wenk van Adam en was aan hem ondergeschikt van het oppervlak tot op de diepste bodem en bood vol eerbied zijn rug aan de voe­ten van zijn heer, zodat hij er naar believen stevig op kon lopen; en alle winden waren aan hem ondergeschikt en alle dieren in het water, op het land en in de lucht gehoorzaamden aan zijn stem.

14. En Adam was verbaasd over de kracht die in hem was en zag en begreep, over wat alles de eeuwige Liefde hem zulke grote kracht ver­leend had en hij werd buitengewoon vrolijk over die grote genade van boven en zei tegen Eva:

15. "Eva, mijn vrouw, zie, de Heer van de macht en kracht heeft ons gezegend; laten wij onze harten aan Hem offeren, zodat Zijn zegen op aarde gedijt volgens Zijn grote belofte en door jou als nieuwe bewoner van dit oord het licht van de genade mag aanschouwen!"

16. En Eva, vol deemoed en innige vreugde, zei: "Adam, zie, je dienares ligt vol verlangen aan je voeten te wachten op haar heer van de aarde en mij zal geschieden naar jouw wil; neem mijn schuldige hart en offer het aan de Heer!"

17. En Adam droeg in volle overga­ve Eva op aan de Heer, zoals hem door de Heer bevolen was.

18. En zie, de zegen werd zichtbaar bij Eva en Adam verheugde zich daar­over, en ook Eva voelde een grote vreugde. En hoor nu wat de engel van Jehova tegen het opgewekte paar zei, en zijn woorden waren goed gekozen als woorden van de hoogte en als woorden uit de diepte, en het was de eeuwige Liefde Zelf die door de mond van de engel sprak, en deze woorden uit de mond van de engel luidden:

19. "Adam! Jij hebt op de lange reis over de aarde veel ervaring opgedaan; Je zag haar vaste land en haar wateren, en zag ook wat er op en er in is, groeit en zich beweegt; en je zag de grote olifant en in een dalende volgorde alle dieren tot aan de kleinste van de krui­pende wormpjes; en je zag de krachti­ge haai en al het gedierte in de wate­ren tot aan de kleine diertjes die in een druppel wonen; en je zag ook al het gevogelte in de lucht, van de reus­achtige adelaar tot aan het vlindertje en vanaf deze tot aan de kleinste mug; en je hebt al hun kracht, hun deugde­lijkheid en hun nut op de proef

gesteld; en je zag hieruit ook hoe rij­kelijk de eeuwige Liefde voor je gezorgd heeft en door jou ook voor Eva.

20. Je sprak tegen de bergen en zij gaven je antwoord; en je bevroeg de zee en deze antwoordde; en je richtte je stem tot de diepe delen van de aarde en het antwoord is niet uitge­bleven, en je richtte de klank van je woorden tot alle bomen, struiken, planten, kruiden en tot al het gras en zij lieten je hun namen weten en ver­telden je vol eerbied, waarvoor zij deugden en waarvoor jij ze dus kon gebruiken volgens jouw eigen vrije wil; en zo gaf ook al het gedierte, dat je met de stem van je borst hebt aan­gesproken, ieder op zijn manier je een begrijpelijk en eveneens volledig ant­woord terug en toonde in hoeverre het bestemd was tot dienstverlening aan jou en tot volledige onderge­schiktheid aan je wil; en de winden leerden je hoe je hen kon gebruiken volgens je eigen wil; en dit alles zag en hoorde je en werd ook Eva gewaar.

21. Zie nu, Adam en ook jij, Eva, niet de eeuwige Liefde heeft je dit alles, zoals het leven en zoals Eva, gegeven, maar Zijn grote genade heeft je dit ten geschenke gegeven en je zult dit alles slechts behouden zolang je er volgens de wil van de heilige Vader een wijs gebruik van zult maken; maar het een na het andere zal zich verwijderen uit de invloedssfeer van je grote macht, indien jij je gemoed niet steeds geheel rein houdt voor het aan­gezicht van Jehova. Wees daarom wijs, zoals de grote, goede en meest heilige Vader wijs is, daar hoog boven de hele schepping en daar in de diepte beneden de hele schepping.

22. En zoals jij bent en voortaan moet zijn en moet blijven volgens de wil van de heilige Vader en volgens je eigen wil, zo moeten ook al jouw nakomelingen zijn en de nakomelin­gen van Eva moeten zijn zoals zij voor en onder je ogen is.

23. Als echter iemand niet is zoals jij nu bent en voortaan moet zijn en moet blijven, dan zal hij weliswaar de gave gedurende een bepaalde tijd behouden; maar het geschenk van de genade wordt van hem weggenomen, zodra hij niet meer is zoals jij nu bent, moet zijn en moet blijven. En zelfs de nakomelingen van Eva zullen zich boven hun hoofden verheffen en hen ontrouw worden tot in het merg van hun gebeente en zullen de honden achterna rennen en zullen zich voe­den met de uitwerpselen van de slan­gen en hun kinderen zogen met de borsten van adders; en jouw nazaten zullen door hen worden vergiftigd en zullen zowel lichamelijk als geestelijk een bittere dood in eeuwige schande en kwellende smaad sterven.

24. En zie nu, Adam, en luister, Eva! Nog zijn jullie in het paradijs, daar waar de eeuwige Liefde je geplaatst heeft voor en na je zonde en voor en na de vernietiging; maar indien jullie ooit het getrouw in acht nemen van de wetten van de liefde en de geboden van wijsheid van de heili­ge Vader zouden vergeten, dan word je uit deze mooie tuin door dit vlam­mende zwaard verdreven en jullie noch iemand van al jullie afstamme­lingen zullen verder gedurende de hele tijd van je lichamelijke leven ooit meer toegelaten worden, tot aan de tijd van de belofte, - en pas na die tijd van belofte zullen de kinderen van de verlossing en de daaruit voortkomen­de nieuwe schepping door de eeuwige Liefde binnengelaten worden.

25. Onthoud dit goed, Adam, en Eva, overweeg dit ook! De vrucht die uit jou, Eva, te voorschijn zal komen, moet jij, Adam, 'Abel' noemen en je moet hem voor eeuwig aan de Heer van de Heerlijkheid offeren; want zijn naam betekent 'zoon van de zegen' en hij zal de eerste voorloper zijn van Hem, die eens volmaakt in de grote tijd der tijden van boven uit de schoot van de macht en de kracht van Gods heiligheid zal komen.

26. En nu, nadat ik volgens de wil van de eeuwige Liefde jullie geleid en alles getoond en gezegd heb, is mijn zending voor het werk van de eeuwige Liefde in de Vader van alle heiligheid en goedheid volbracht en moet ik weer onzichtbaar worden; maar onzichtbaar zal ik jullie van stap tot stap volgen en zal al je schreden tel­len, zoals de onwankelbare wil van Jehova dat verlangt.

27. En jullie zullen mij altijd weer te zien krijgen, zo dikwijls je in volle­dige overgave je harten aan de Heer der heerlijkheden zullen offeren; en ik zal jullie offer in een vat opvangen en zal het omhoog naar God dragen en zal het uitschudden voor het aange­zicht van de Zoon en dan zal de grote, heilige Vader welbehagen vinden in je werken.

28. Maar jullie zullen mij ook te zien krijgen als je van de wetten van de liefde en van de geboden van de heilige Vader zou of kon afwijken, zoals je mij nu nog ziet met het vlam­mende zwaard in mijn rechterhand om je uit de ruin te verdrijven en aan jou, Adam, een groot deel van de geschenken van de eeuwige Liefde uit Zijn grote genade te ontnemen en je dan, zwak en vol angst voor het geringste geruis van het gras, achter te laten."

29. En zie nu, jij blinde schrijver van dit nieuwe levende woord van Mij in jou, zoals ook in jullie allen, en bekijk Adam, hoe hij nu met de vaar­digheden waarmee hij toegerust was, volkomen een heer over de wereld, in het paradijs leefde als een op één ding na volmaakt mens; en al zijn vol­maaktheden waren slechts een geschenk van Mij en hij behield ze tot aan de tijd dat hij Mij één enkele keer vergat, nadat de engel voor zijn ogen onzichtbaar geworden was.

30. En zie nu, alles wat Adam aan geschenken bezat wil ik als een blij­vende gift aan jullie geven en nog ontelbaar veel meer en iets nog onein­dig veel groters, namelijk Mijzelf en alles wat van Mij is zal ook van jullie zijn, als jullie Mij liefhebben en niets anders doen dan liefhebben!

31. Maar waar is jullie liefde, waar­voor Ik zo'n hoge prijs heb betaald en die Ik voor eeuwig de Mijne mocht noemen?! O, hiervan is nog slechts zeer weinig over op aarde! Zij is zo licht en zo teer en jullie willen haar niet en zoeken haar ook niet waar zij met verlangen op je wacht, en jullie versmaden de grote kostbaarheid in haar!

 

Hoofdstuk 12

 

De belofte van de Heer

 

1. O jullie kinderen van Adam! Waarom wil je dan niet liever Mijn kinderen worden? O wat een moeite en ingespannen arbeid kost het je om het met het zweet van jullie handen doorweekte brood van Adam te ver­werven, dat bovendien nog bezoedeld is met het venijn van de slang en doordrenkt met het gif van de adders, en door het op te eten halen jullie je daarmee in je onmatigheid de tijdelij­ke dood en daarna ook de eeuwige dood op je hals!

2. En zie Mijn brood dat bestreken is met de honing van Mijn liefde en doortrokken met de melk van het eeuwig vrije leven vanuit Mij en dat je in zulk een overvloed kunt eten tot jullie geheel verzadigd zijn en dat je nooit schade zou kunnen berokke­nen, maar je zou versterken en je eeu­wig en ook reeds tijdelijk zou toerus­ten met alle kracht en macht uit Mij, als jullie het maar aan zouden willen nemen, - zie, spoedig na Mijn aller­grootste daad die het grote werk van jullie verlossing is, was dit brood van Mij nog steeds zeer duur en de men­sen konden het alleen in een kleine portie kopen met hun daarvoor aan  Mij geofferd bloed en leven, en Mijn brood smaakte toen bitter in de mond van de koper en was nog niet bestreken met de honing van de liefde en doordrenkt met de melk van het vrije leven, ook niet hier op aarde, maar zowel de honing als ook de melk werd de treurende koper eerst in het rijk van de geesten precies afge­wogen, aangereikt; en zie, toch waren er massa's kopers!

3. Maar nu geef Ik het mét honing en melk aan iedereen die het maar wenst, geheel voor niets, slechts voor de beslist zeer kleine vergoeding in de vorm van jullie liefde, en zie nu, nu veracht men dat bitter en versmaadt de grote, vriendelijke Gever, die beslist en waarachtig met de aller­grootste liefde voor jullie is vervuld!

4. Onthoud dan toch: de poorten van Mijn hemel heb Ik nu wijd open laten zetten. Wie er ook maar naar binnen wil, laat hem komen en spoe­dig komen en meteen komen; want de grote tijd van de genade is aange­broken en het nieuwe Jeruzalem daalt op aarde neer naar jullie allemaal, opdat allen die Mij liefhebben daar zullen wonen en verzadigd zullen worden door het brood met honing en melk, en met volle teugen het zui­vere water van alle leven zullen drin­ken en het overvloedig uit de eeuwige bron van Jacob zullen putten!

5. Maar hoewel het neerdalen van Mijn grote stad een onmetelijk grote genade voor al Mijn kinderen zal zijn, zal zij echter toch ook door haar ster­ke muren alle blinden dooddrukken en alle doven verpletteren; want ze zal zo groot zijn, dat ze het hele aardop­pervlak beslaat! En wie haar niet ziet neerdalen en het ruisen in de zuivere luchtlagen der aarde niet zal bemer­ken, die zal op aarde geen plek meer vinden waar hij zich voor haar kan verbergen en haar gewicht ontwijken.

6. Want zie, het gewicht van haar paleizen zal de bergen vermorzelen en deze gelijk maken aan de dalen, en haar woningen wil Ik boven de poe­len en moerassen bouwen; en al het ongedierte dat daar in huist, zal totaal verpletterd worden door de grondves­ten van de woonhuizen van de grote stad van God, jullie heilige Vader in de hemel en op aarde.

7. En de ware Herder zal Zijn scha­pen roepen en zij zullen tot in alle uithoeken van de aarde Zijn stem horen en die feilloos herkennen, en zij zullen erheen gaan en met veel vreugde grazen op de uitgestrekte weidegronden van de eeuwige liefde van de heilige Vader, welke zijn de grote tuinen van de nieuwe heilige stad van de grote Koning van alle vol­keren die er waren, zijn en eeuwig zullen zijn.

8. En deze tuinen zullen het door Adam verloren paradijs zijn, dat Ik eerst teruggevonden heb en getrouw voor hen heb bewaard als een eeuwige woning.

9. Om die reden heb Ik jullie heel uitgebreid tot in de kleinste details Mijn eeuwige grote huishouding getoond en heb je de schepping van het prille begin tot aan het einde laten zien, en toonde je het aanvankelijke ontstaan van de eerste mens; Ik wil hem nog verder tot aan zijn einde laten zien en wil je de grote hoer en het verwoeste Babylon tonen en je dan in Mijn grote, heilige stad leiden en je daar een eeuwig blijvende woning geven als jullie Mij liefheb­ben, zoals Ik jullie boven alles liefheb! 10. Kijk op naar de hemel en bezie de aarde! Deze zullen eens als stoffe­lijk voorwerp vergaan en zullen alleen maar geestelijk blijven bestaan; maar ieder woord van Mij dat tegen jullie wordt gesproken, zal bestaan zoals het uit Mijn mond komt, lichamelijk en geestelijk in alle macht en alle kracht van de heiligheid voor eeuwig, eeu­wig, eeuwig, Amen!

 

Hoofdstuk 13

 

De verdrijving uit het paradijs

 

1. En nu keren wij weer terug naar Adam en Eva en zullen zien hoe het met de verdere levensloop van hen beiden en met de levensloop van hun beider afstammelingen voor de alzien­de ogen van de heiligheid van Jehova was gesteld! En zie, een korte tijd, die volgens jullie rekenwijze dertig aardse kringlopen om de zon bedroeg, wat jullie 'jaren' noemen, leefde het paar in de kring van zijn gezegende nako­melingschap, waarvan het aantal gelijk was aan het aantal jaren, met uitzondering van Kaïn, die niet geze­gend was.

2. En zie nu verder wat daar gebeurd is! Adam liep op de dag des Heren over een stuk land. Er was hem al door de eeuwige Liefde Zelf in zijn hart en daarna ook meermalen door de engel bevolen om deze dag als rustdag te houden ter gedachtenis van de grote daden van de zich erbarmen­de Liefde en ter eerbiedige beschou­wing van de onmetelijke heiligheid van God, de goede Vader. Hij wilde de mooie omgeving bekijken en de wereld beviel hem buitengewoon goed, zodat zijn gedachten geheel van God afdwaalden.

3. En gedurende deze overwegin­gen kwam hij aan de oever van een grote rivier, genaamd 'Eheura' of

'gedenk de tijd van Jehova!', - want dat riep de luid kabbelende stroom -; maar Adam, verdiept in wereldse gedachten, merkte en verstond ook niet de zin van deze woorden van de kabbelende golven van de rivier.

4. En toen hij nu in deze geestes­toestand langs de oever liep, bleef hij opeens met zijn linkervoet achter een plant haken, die eerst een eind over de grond lag en zich tenslotte om een grote boom slingerde. En hij viel hard op de grond en zijn lichaam was zeer pijnlijk en dat was voor hem een nieuwe ervaring; hij was kwaad op de plant en keek er boos naar en riep hem ter verantwoording en vroeg of hij zijn heer niet kende.

5. En de plant antwoordde: "Nee, ik ken je niet!"

6. Toen bekeek Adam de plant nauwkeuriger en kende de plant niet. Toen vroeg hij nogmaals aan de plant: "Wat is je naam en waartoe deug je?"

7. En zie, een zuchtje ruiste door de bladeren en het zachte suizen werd voor hem verstaanbaar en klonk als volgt: "Pluk de bessen van mijn twij­gen en pers het sap uit en drink ervan, dan zullen mijn naam en mijn bruikbaarheid aan je bekend gemaakt worden!"

8. En zie, Adam deed, verblind door zijn wereldse gedachten wat het kronkelende gewas hem aanraadde omdat hij de dag des Heren was ver­geten en nam enige bessen, proefde ze en zij smaakten zeer zoet; en hij ver­heugde zich over deze nieuwe kennis­making en hij mokte over de engel, dat die hem deze zo bijzonder lekker smakende plant niet ook gewezen had.

9. En hij plukte een grote hoeveel­heid bessen af en droeg die naar huis en kwam daar aan toen de zon juist onderging.

10. En Eva kwam hem, begeleid door Kaïn, als enige tegemoet. Zij hadden zich de hele dag zorgen gemaakt omdat zij niet wisten waar Adam naartoe gegaan was - want alle overigen wisten het wel en maakten zich op de dag des Heren geen zorgen over Adam, de vader van hun lichaam, omdat zij gezegende kinde­ren waren en ze op deze dag diep in gedachten waren over God en Zijn eeuwige liefde. Eva en Kaïn namen een groot deel van zijn last over. En hij vertelde hen over deze nieuwe kennismaking; en Eva was daarover in hoge mate verheugd en behandelde de bessen zoals Adam dat aangaf.

11. Toen nam Adam het uitgeperste sap en zei: "Laat ons de naam en het nut ervan onderzoeken!"

12. En zie, hij dronk met grote teu­gen van het sap en gaf het toen aan Eva en aan Kaïn en tenslotte aan allen om het te proeven op Abel na, die nog niet aanwezig was, omdat het vuur nog nagloeide op het altaar dat hij opgericht had om aan de heilig­heid en de liefde van Jehova te offeren wat de Heer welgevallig was.

13. En Adam en Eva en alle ande­ren die van het sap geproefd hadden, werden bedwelmd; en onder invloed van deze bedwelming welde er in Adam en Eva en in allen die van Adam en Eva afstamden, een onge­breidelde vleselijke begeerte op en zij bedreven benevens Adam en Eva on­tucht en hoererij gedurende dezelfde tijd dat Abel bij het altaar van Jehova bad.

14. En toen zij uitgehoereerd waren onder invloed van de roes, waarbij zij God en het aanbevolen en verschuldigde offeren van hun hart, dat zij altijd van tevoren moesten ver­richten, vergeten waren, verscheen de engel met het vlammende zwaard in zijn rechterhand het eerst bij Abel en zei vriendelijk tegen hem:

15. "Jouw offer was Jehova hoogst welgevallig, zo zelfs, dat Hij je tot red­der van je ouders en je broers en zus­ters heeft uitverkoren; zonder dat waren zij nu al verloren geweest op de dag van de Heer, waarop zij Hem ver­gaten en hun gemoederen tot de aarde keerden en geen deel konden hebben aan de zegen, die altijd vol­gens de vastgelegde ordening op deze dag van boven uitgaat naar alle ruim­ten van de oneindigheden!

16. Daarom ben ik zichtbaar weer­gekeerd, ten eerste om jouw offer te vergaren in dit vat van de erbarmende genade, die de eeuwige Zoon in de Vader is, en het te brengen voor Zijn allerheiligste aangezicht, de oogappel van de eeuwige Vader. Maar eerst moet ik nog de overtreders van de wet van de liefde en het gebod van de heilige genade tuchtigen en een groot deel van de geschenken van hen afne­men, hen met blindheid slaan en ze uit het paradijs verdrijven.

17. En verlaat nu je offeraltaar en plaats je aan mijn linkerzijde, zodat mijn rechterzijde vrij blijft om de overtreders te tuchtigen en volg mij in de woning van de zonde! En als ik de slapende zondaars gewekt zal hebben uit de duizeling van de hoererij en zij door grote vrees bevangen zullen vluchten voor het zwaard van de gerechtigheid, volg hen dan als een medevluchteling en draag je ouders een klein deel van het verloren geschenk achterna en geef het hun om hen te versterken, daar waar zij afgemat en uitgeput op de aarde neer zullen zinken in een land hier ver vandaan, dat 'Ehuehil' of 'land van de toevlucht' heet. En in dat land richt je precies zo'n offeraltaar op als dit hier, dat voortaan zal branden, ook onder de wateren die eens over de hele aarde zullen komen, en het zal tot een berg worden, die door geen sterfelijke voet bestegen kan worden tot aan de grote tijd der tijden. Dan zal hij zijn top neigen naar de vlakte, die 'Bethlehem' zal heten of de kleine stad van de grote Koning, die eens de grootste wordt op aarde; want haar licht zal meer glanzen dan het licht van de geesten der geesten van alle zonnen. En op dit nieuwe altaar moet jij in dit land van de vlucht dankoffers aan de Heer brengen uit alle rijken der aarde, zodat dat land dragelijk wordt voor de zondaars en het de rouwenden zal sterken en de treurenden zal troos­ten!"

18. En toen de engel zijn toespraak tot Abel had beëindigd, stonden zij op en liepen ernstig naar de woning van Adam, die door zijn macht en kracht rond en zeer ruim gevormd was en bestond uit dicht op elkaar staande, vrij uit de aarde opgegroeide, zeer hoge ceders - de vorm was gelijk aan de tempel van Salomo. - Deze woning stond niet ver van de grot van de rouwen het doornbosje van de treurnis en had twee ingangen, een smalle naar de morgen gericht en een brede naar de avond. * (* Morgen = oost; avond = west; middag = zuid; middernacht = noord)

19. En zie, het was omstreeks mid­dernacht - en het mocht niet vroeger zijn vanwege de dag des Heren, - dat de engel van de Heer met Abel over de drempel aan de morgenkant stap­te.

20. Toen Abel de drempel over­schreed begon hij te wenen over het grote ongeluk dat de zijnen nu moest en zou treffen.

21. Toen zei de engel op zachte toon tegen hem: "Ween niet Abel, jij van zegen vervulde zoon van de gena­de en doe wat ik je uit naam van de eeuwige Liefde, die door mijn mond spreekt, bevolen heb. En schrik niet over de donderende woorden die zich nu over deze slapende zondaars zullen uitstorten!"

22. En Abel deed zoals de engel hem had bevolen; en toen hij bij de zijnen was aangekomen, donderde de engel vreselijk ernstig woorden van verschrikking en van grote angst over de nu ontwaakte zondaars en riep met grote kracht en zeer luid:

23. "Adam, sta op, denk aan je schuld en vlucht van hier; want jij kunt hier voortaan niet meer blijven! Want tot aan de grote tijd der tijden hebben jij en al je nakomelingen door jouw schuld het paradijs en een groot deel van de geschenken verloren, omdat je de dag des Heren bent ver­geten en je hebt bedwelmd met het sap van een plant, die een meesterstuk van de slang was, en was uitgedacht om je je vrijheid te ontnemen, je voe­ten te verstrikken en je zinnen in de war te brengen, om God te vergeten en je te doen inslapen in de grove zonde.

24. Dus vlucht uit het aangezicht van de Liefde waarheen je wilt! En overal waarheen je zult vluchten, zal de gerechte toorn van God je in hoge mate treffen; maar het aandeel van de Liefde zal je karig toegemeten wor­den!"

25. En zie, toen stond Adam op van de grond met Eva en al de overi­gen die geslapen hadden tengevolge van de verdovende drank uit de plant van de slang, waardoor allen verloren waren behalve Abel, die nuchter was gebleven omdat hij niet van de bedwelmende drank gedronken had en de dag des Heren indachtig geble­ven was (N.B. zoals ook jullie als ware kinderen van zo' n heilige en goede Vader als Ik ben, voortdurend moeten denken aan de heilige rust van de sab­bat als de ware dag van de Heer, die Ik ben en jullie moeten op zondag doen wat je is geboden).

26. En toen Adam de engel in het oog kreeg, schrokken hij en al zijn familieleden zo hevig, dat hij zelfs niet één woord ter verontschuldiging kon uiten en hij verstijfd was van ont­zetting; want nu eerst begon hij te beseffen wat hij en al de zijnen voor het aangezicht van Jehova hadden gedaan.

27. Toen wierp hij zich op zijn gelaat neer voor de engel des Heren en weende en smeekte luid om erbar­men; want het vlammende zwaard had hem de ogen geopend en hij zag in dit ijzingwekkende licht van de bestraffende gerechtigheid het gehele gewicht en de grootte van het onnoe­melijke ongeluk, waarin hij zichzelf en al de zijnen door zijn lichtzinnig­heid had gestort.

28. Maar de engel stond met ver­bonden ogen en dichtgestopte oren, zoals de liefde van de Vader hem bevolen had, en sprak luider dan alle donderslagen uit de macht en de kracht van Jehova:

29. "In de gerechtigheid is geen genade en in het gericht geen vrij­heid; vlucht daarom, gedreven door de bestraffende gerechtigheid, opdat jouw talmende voeten niet ingehaald worden door het gericht van Jehova! Want de straf is het loon van de gerechtigheid. Wie die aanvaardt zoals hij die verdiend heeft, kan nog op erbarmen rekenen; wie echter de gerechtigheid en haar gevolgen weer­streeft, is een verrader van de onaan­tastbare heiligheid van God en zal toevallen aan Diens gericht, omdat er geen vrijheid meer is, maar de eeuwi­ge gevangenneming in de toorn van de Godheid.

30. Daarom, vlucht, ween en smeek daar, waarheen je voeten je zul­len dragen; en blijf daar, waar zij je de dienst zullen weigeren en ween, smeek en bid, opdat jij en Eva en alle anderen niet door jou te gronde gaan!"

31. En zie, toen verhief Adam zich weer en wilde vluchten op bevel van God, die door de engel sprak; maar zie, hij kon niet, want zijn voeten waren als verlamd. En hij begon te sidderen en te beven over zijn hele lichaam, want de grote vrees voor het gericht van God, waarmee de engel van de Heer hem had gedreigd, was een waarschuwing voor hem.

32. Toen viel Adam wederom neer op zijn aangezicht en weende en riep luid: "Heer, Gij almachtige, grote God in Uw grote glorie van alle hei­ligheid, sluit niet Uw hele hart met Uw onbegrensde liefde en barmhar­tigheid voor mij zwakkeling, die voor U ligt en verleen mij slechts zoveel kracht, dat ik, nietswaardige, in staat ben te vluchten voor Uw gerichten volgens Uw allerheiligste wil, waaraan alle schepselen ondergeschikt zijn, zoals ik het van mijn hoofd tot de voeten ben. Heer, verhoor mijn smeekbede!"

33. En zie, toen sprak de eeuwige Liefde door de mond van de engel ­net zoals Ik nu door jouw onreine mond spreek - tegen Abel:

34. "Abel, ziedaar jouw lijfelijke vader; ondersteun hem! En ziedaar zijn vrouw Eva, je lijfelijke moeder, smachtend op de grond; richt hen op, zodat zij beiden en al de overigen door jou gesterkt worden voor de vlucht en de goede, heilige Vader ple­zier aan je beleeft omdat je liefde betoont aan je vader met zijn zwakke lichaam, alsook aan je wankelende moeder en ook aan al je broers en zus­ters, of zij nu wel of niet gezegend zijn; want jouw kracht zal hen sterken en de overvloed aan zegen in jou zal hen verkwikken! En leid ze aldus met de hand van de kinderliefde en met de hand van de broederliefde met alle geduld en liefde tot aan de plek die je zult kennen doordat zij daar allen uit­geput neer zullen zijgen!

35. Laat de vermoeiden daar blij­ven en uitrusten; en keer daar tot jezelf in en treed voor Mij, zodat Ik je een grote hoeveelheid kracht kan ver­lenen om je ouders te sterken naar­mate zij dat nodig hebben en er toe in staat zijn die op te nemen en om je broers en zusters te verkwikken naar de mate van hun behoefte en hun ver­mogen die op te nemen. En doe nu wat Ik je bevolen heb uit liefde voor hen en uit gehoorzaamheid aan Mij!"

36. En zie, toen werd de vrome Abel met een grote erbarmende liefde vervuld, hij knielde neer en dankte badend in tranen God uit de diepste grond van zijn hart en greep toen, gesterkt vanuit de hoge, de handen van zijn zwakke ouders en deed uit grote liefde wat de Heer hem had bevolen.

37. En toen Adam bemerkte dat zijn zoon hem en ook zijn moeder hielp, net als alle overigen, sprak Adam ontroerd: "O mijn lieve zoon, omdat jij mij te hulp kwam in onze grote nood, ontvang dan ook al mijn zegen als dank en als troost van je zwakke vader en je zwakke moeder!

38. En dank de Heer, daar jij de liefde van de heilige Vader nog waar­dig bent in mijn en ons aller plaats, omdat wij ons onwaardig gemaakt hebben om Zijn allerheiligste naam nog uit te kunnen spreken!

39. En laat ons dan volgens de wil van de Heer vluchten!"

40. En zie, toen zwaaide de engel met het zwaard van de gerechtigheid en ze vluchtten gezamenlijk met haas­tige pas dag en nacht verder en verder, zonder ook maar een ogenblik te rus­ten.

41. En zo kwamen zij in het reeds genoemde land aan, waar de zon recht boven hun hoofd stond en hevig brandde; en rondom tot in de verste verte was er op de grond geen  gras te bekennen en ook geen boom of struik. En zie, toen zonken Adam en Eva met de overigen doodmoe en volledig uitgeput op de aarde neer en sloten hun ogen, gedwongen door de macht van de verdovende slaap en sliepen als waren zij bewusteloos, geboeid door de strikken van de zwakte uit de ongenade.

42. En zie, toen trad de engel van de Heer, die hen tot hiertoe zichtbaar vervolgd had, op Abel toe, die daar volkomen fris stond door de macht en de kracht van boven, en sprak:

43. "Abel, zie, van alle offers die jij in alle reinheid van je gemoed aan de Heer van de heiligheid opgedragen hebt, was er niet één groter dan dit en geen een Hem zo welgevallig! Neem daarom volgens de wil van boven dit zwaard van de gerechtigheid uit de hand van je broeder van boven - want zie, wij zijn kinderen van een en dezelfde Vader -, beschik erover en gebruik het volgens de macht der wijsheid en naar de kracht van de lief­de tot heil van de jouwen en breng hun zwak geworden levenskracht tot ontbranding, en laat de liefde tot de Liefde van de heilige Vader in hen opnieuw ontsteken en wakker de vlam van de terechte vreze Gods in hun harten aan! Maar Ik zal je niet verlaten, maar onzichtbaar en als je het wilt ook zichtbaar, aan jouw mij zeer geliefde broederzijde staan, altijd bereid je te dienen volgens de wil van de Heer.

44. Want zie, de overdracht van het zwaard betekent jouw volkomen vrij­heid net als de mijne, en zo is de wil van de Heer de jouwe geworden en heeft je boven de wet gesteld en heeft jou de geboden in eigendom gegeven en nu ben jij net als ik een onsterfelij­ke zoon van de liefde van de heilige Vader in het reine rijk van het licht van de vrije geesten!

45. En handel nu in liefde en in wijsheid voor je lijfelijke ouders, broers en zusters!"

 

Hoofdstuk 14

 

Adam komt tot inzicht en heeft berouw

 

1. En zie, toen viel Abel op zijn knieën neer, vervuld van overweldi­gende vreugde over de ontzaglijke genade van boven en zei: "O grote, meest heilige en bovenal goede lieve Vader, zie hier Uw onbeduidende die­naar in het stof voor U met gevoelens van de allerdiepste nietigheid ten opzichte van Uw almacht en oneindig erbarmen vanuit de diepste diepte omhoog kijken naar Uw hoogste hoogte, en verhoor het smeken om genade van een kind voor zijn zwakke ouders en voor al zijn broers en zus­ters en ontneem me niet de kracht, die een onmetelijk geschenk van U is en laat deze vol genade over hen uit­stromen ter vergeving van de zonde en tot herwinning van het leven uit U in de benodigde macht en kracht!

2. En verander deze omgeving barmhartig en genadig naar Uw hoog­ste welgevallen, opdat die vruchtbaar zal worden en de zwakken voeding zullen vinden om hun leden te ver­sterken en hun brandende dorst te les­sen aan een bron met fris water, en opdat er ook dieren zullen komen die nuttig zijn en hen dienen en aan hun wil gehoorzamen.

3. O grote, allerheiligste en boven alles goede Vader, verhoor mijn zwak­ke smeekbede, opdat Uw heilige naam verheerlijkt zal worden in de harten van degenen die U berouw tonen!"

4. En zie en luister nu wat er gebeurde, toen de vrome Abel zijn Mij welgevallige gebed had beëin­digd: zie, er begon een fris briesje te waaien over de bewegingloze woes­tijn, ijle wolken versluierden de wijde ruimten van het hemelgewelf en in de hele woestijn begon het te regenen en midden onder het regenen vielen er allerlei soorten zaadkorrels in de door de dichte, harde regen van Jehova ontstane kleine voren in het anders kale zand. En in een ogenblik was de uitgestrekte woestijn groen geworden door duizend soorten gras, planten, struiken en bomen en op de plaats waar de vrome Abel, biddend tot Mij in geest en in waarheid knielde, groei­de een grote boom op tot bijna in de wolken, met brede takken en brede bladeren, vol met broodvruchten met een fijne en zoete smaak en deze werd de naam 'Bahahania' of 'sterking en laving van de zwakken' (ook nu nog bl) jullie wel als 'broodboom' bekend), gegeven.

5. En uit de van zegen druipende wolken zei een zachte stem tegen de vrome Abel: "Abel, Mijn lieve, vrij ge­worden zoon, zwaai met je linker­hand het zwaard over de slapenden en wek hen tot berouwen tot verbete­ring van hun toekomstige levenswan­del voor Mij, en wees voor hen een waar voorbeeld van Hem, die eens zal komen in de grote tijd der tijden en zeg hen dat tot dan toe niemand meer vrijgesteld wordt van de wet, en dat de geboden tot die tijd en ook nog verder al diegenen zullen gevangen houden die zich niet de wedergeboor­te door de Zoon eigen maken, welke zal zijn de weg, het licht, de waarheid en het eeuwige leven, als enige over­winnaar van de dood.

6. Jij echter bent vrij als een engel van het licht en je zult opgenomen worden, nadat eerst het beeld van de grote Komende in korte tijd geheel voltooid zal worden, maar waarvoor jij je eerst door je toenemende dee­moed, liefde en vroomheid geheel geschikt en bekwaam moet maken, ondanks alle vervolgingen en mishan­delingen die je nog zullen treffen van de zijde van je broers en zusters ter wille van de verheerlijking van Mijn " naam.

7. En zie, nogmaals stond Abel ver­vuld van macht en vol kracht van de aarde op en zweefde er als het ware boven in de lucht als teken van de ware vrijheid, en deed wat hem bevo­len was.

8. En zie, toen stroomden nieuwe levenskrachten in de slapenden en zij ontwaakten dadelijk, richtten zich op en keken ten hoogste verwonderd naar alle kanten om zich heen naar de grote, weldadige verandering van de woestijn en wilden wel juichen van vreugde; maar toen verhief Adam zich en ook Eva die naast hem lag, en hij zei tegen zijn kinderen:

9. "Kinderen, juich en jubel niet al te vroeg, maar beween en berouw met mij en Eva allereerst onze grote schuld en bedenk wat we verloren hebben! Er is niets gelegen aan het aardse paradijs en al zijn goederen; want zoals ik en jullie het samen met mij zien, heeft de Heer ons in Zijn zeer grote, onbegrensde barmhartig­heid zo veel teruggegeven, dat wij allen het verlies van de overvloedige goederen van het aardse paradijs zeer makkelijk zouden kunnen vergeten door deze nieuwe, onoverzienbare rijkdommen van Zijn grote Liefde. Maar kijk naar de dieren in de lucht zowel als op de grond, die zich hier­heen haasten, kijk naar het gras, de planten, de struiken en al de kleine bomen en de grote bomen en de waaiende luchten en vraag deze alle­maal en luister of je ergens een ant­woord zult krijgen!

10. Ik deed dat meteen bij het ont­waken en overtuigde mij ervan, dat alle dingen voor mij stom geworden zijn en de klank van mijn stem niet meer verstonden. Het gekwetter van de vogels, het gebrul van de dieren, het ruisen van dit uit een bron ont­sproten beekje en al het gefluister van het gras, de planten, de struiken en al de boompjes en bomen drong welis­waar meteen tot mij door; maar wat schrok ik, en ik ben nog volledig ont­steld, toen ik van hen allen niets meer verstond en versta!

11. Maar zie, ik schrok niet omdat ik mogelijkerwijze mijn verstand ver­loren had, maar ik schrok veel meer van het oneindig veel grotere verlies van de genade van de heilige Vader over al het geschapene en te midden van al het geschapene!

12. Zie, alles wat ik verloren heb, dat hebben jullie ook verloren door mij omdat jullie door mij en met mij gezondigd hebben op één na, die ik niet meer waard ben mijn zoon te noemen, die gebleven is in de volheid van de genade en in de volheid van de zegen, in alle macht en in alle kracht, rein en rechtvaardig voor het alziend oog van de meest heilige en allerbeste Vader, van Zijn liefde en van Zijn geest.

13. En dat is mijn geliefde Abel, die door de hoogst rechtvaardige Heer ook van ons weggenomen is, want mijn ogen zien hem nergens meer. Dat is zeker om mij en jullie allen door mij te laten ondervinden wat het betekent uit de genade van de eeuwige liefde te geraken en onder de strenge gerechtigheid van de Heer te vallen door de zonde van de hoogst lichtzinnige ongehoorzaamheid tegen Zijn zo hoogst milde wetten van lief­de en tegen de gemakkelijke geboden van de genade.

14. O kinderen, neem alles goed ter harte wat ik je nu gezegd heb en probeer en overtuig jezelf of ik de waarheid tegen je heb gesproken; en kom dan en oordeel zelf hoe de zaken er voor staan, - of wij zullen wenen en treuren uit diep berouw, of dat wij ergens nog iets zouden kunnen vin­den waarover onze harten zich zou­den kunnen verheugen!

15. Ja, mijn kinderen, de eeuwige Liefde van de heilige Vader heeft ons slechts één enkele vreugde als geschenk van haar grote genade ach­tergelaten - en daarover kunnen en zullen wij blij zijn -, en dat is de grote genade berouw te kunnen hebben en te kunnen treuren!

16. Zie, het enige wat de Heer ons nog gelaten heeft, zijn de tranen van berouw en de tranen van verdriet! Laten wij Hem daarvoor uit het diepst van onze harten danken!

17. 0 hoe ontzettend gelukkig zijn wij nog, dat de Heer ons nog zo rijke­lijk bedacht heeft! Wat zouden wij zonder deze genade zijn?!

18. Laat ons daarom met de diep­ste gevoelens van algehele onderwor­penheid op de grond neervallen en zo lang wenen en treuren tot er geen bit­tere traan meer vloeit en onze ogen droog zijn en wij de Heer hebben teruggegeven wat van Hem is en wat wij in het geheel niet waard zijn, en dat Hij dan met ons vanuit Zijn aller­heiligste rechtvaardigheid kan doen wat Zijn heilige en altijd goede wil is en voor alle eeuwigheid was!"

19. En zie, toen viel Adam met al de zijnen op de aarde neer en deed wat hem duidelijk was gemaakt door het stille en geheime erbarmen van de eeuwige liefde in de Vader en door het geringe nog achtergebleven deel van de genade en weende en klaagde bitter tezamen met de zijnen, op Kaïn na. Die wierp zich weliswaar ook op de grond neer, net als de anderen, maar zijn ogen bleven droog en het ergerde hem dat hij niet net als de anderen ook kon huilen en hij stond op en liep weg. En toen hij zo voort­liep en naar de groene grond staarde, zie, toen zag hij opeens een slang op de grond weg kruipen; hij bukte zich voorover en greep haar, scheurde haar in stukken en at haar vlees op en maakte dat, door woede en toorn ver­teerd, tot het zijne.

 

Hoofdstuk 15

 

Kaïns bekentenis

 

1. En zie, toen nu Kaïn dat gedaan had, kwam zijn vrome broer Abel hem achterna en zei uit naam van de eeuwige Liefde het volgende tegen hem:

2. "O broer, waarom eet jij het vlees van de slang, terwijl er toch een grote hoeveelheid vruchten aanwezig is om je honger te stillen?! Zie, onze vader Adam dronk van een gewas dat hij niet kende en dat door de slang slim en listig met alle meesterschap van zijn grenzeloze boosheid was uit­gedacht tot verderf van hem en al zijn nakomelingen. Adam zondigde daar­door voor de Heer van alle gerechtig­heid en door hem, jullie allemaal; en ikzelf werd met de last van de schuld tegenover God beladen en moest boe­ten, net als jullie die van het sap van het verderf gedronken hebben en ik moest het paradijs verlaten, net als jullie en moest je gewicht met mijn lichaam torsen en al je zegen in mijn geest meedragen en moest daardoor ter wille van jullie een dubbele last op mij nemen.

3. En zie, jij eet het vlees van de levende slang helemaal op, samen met zijn bloed! Kaïn, waarom deed je dat?"

4. En zie, toen kwam Kaïn over zijn ergernis, zijn woede en zijn toorn heen, keek Abel aan en zei: "Zie, wat ik deed, deed ik uit wraak teneinde de slang en haar geslacht te gronde te richten en om mijzelf te gronde te richten omdat ik nooit waardig bevonden ben de zegen des Heren te ontvangen en omdat ik buiten mijn schuld werd die ik ben. Het was de schuld van mijn ouders, die voor mij bestonden nog voor ik er was en ik ontstond, doordat zij gezondigd had­den voor de ogen van Jehova.

5. Waarom moet en zal ik dan mijn schuld boeten, terwijl ik aan het ont­staan daarvan nooit iets heb kunnen bijdragen omdat ik slechts de vrucht van de zonde ben, maar niet de oor­zaak ervan - en ik moest daardoor de zegen ontberen die jullie in overvloed deelachtig werden en ik moest mij, belast door de onverdiende vloek van Jehova, moeizaam voortslepen, terwijl jullie als herten rondsprongen?!

6. En zie nu wat de oorzaak van mijn daad was; de slang in het gras sprak mij aan en zei: 'Eet mij op en verzadig je aan mijn vlees en stil je dorst met mijn bloed, dan zul je een heer van de aarde zijn en al je nako­melingen zullen over die aarde heer­sen en hun kracht en macht zal groter zijn dan die van alle gezegenden; en ik geef je geen gebod, maar de macht om te heersen en de kracht om alles aan je te onderwerpen!'

7. En zie, de slang sprak aldus ver­der: 'Mijn vlees zal je onterechte schuld voor God vernietigen en mijn bloed zal je een nieuw wezen geven, zonder schuld, toegerust met alle macht en kracht!' - Toen verstomde de slang en ik greep haar, scheurde haar in stukken en at haar op, zoals je zojuist zag!"

8. En zie, toen werd Abel ontroerd en zwaaide met zijn rechterhand het zwaard van de gerechtigheid over het hoofd van Kaïn; en Kaïns ogen wer­den geopend en hij zag zijn grote ongelijk in; hij had God en zijn ouders beschuldigd en zag de hele schuld in zichzelf en zag de ondoor­grondelijke wegen van de eeuwige Liefde in haar geheime en onbegrens­de wijsheid. Hij zag hoe hij welbe­schouwd de verleidende slang zelf

was, die door het onbegrensde erbar­men van de eeuwige Liefde door hem tot mens werd, opdat zij, weliswaar door een zwaardere beproeving in haar tijdelijke zegenloze zwakte, zich van deze zwakte bewust zou worden en zich in deze bewust geworden toe­stand van zwakte dan uiteindelijk, zelf bestemmend in alle vrijheid van haar wezen tot de Heer van alle macht en kracht zou hebben kunnen en moeten wenden, waarna haar dan ook, net als de reeds gezegenden, de zegen en daardoor de wederopname in de grote genade van de meest erbarmende Liefde in de grootste overvloed van macht en kracht ten deel zou zijn gevallen.

9. En hij zag dat het nog boze deel in hemzelf de slang was die hij zojuist had opgegeten en hij zag dat hij alleen door zijn wrevel die boze delen had ingeblazen in haar weer op aarde teruggekeerde wezen. En hij zag dat de woorden van de slang zijn eigen woorden waren, afkomstig van wat nog in de diepste grondlagen van zijn oerwezen leefde, dat al van vóór de schepping van de zichtbare, materiële wereld stamde.

10. En hij zag ook nog hoe hij de slang daardoor weer in zich opnam, zodat hij eigenlijk zichzelf opnieuw in al het boze en de daaruit voortvloei­ende valsheid had gesterkt. En hij zag hoe diep hij opnieuw in de dood ver­vallen was.

11. Toen viel hij door berouw over­mand ter aarde neer en weende en riep luid: "Grote, almachtige, meest krachtige en boven alles heilige God! Nu eerst besef ik mijn oneindige schuld en zwakte voor U, Uw recht­vaardigheid, maar ook Uw onbe­grensde liefde!

12. Zie, ik ben niet waard te bestaan; vernietig mij daarom geheel en al voor alle eeuwigheid, zodat ik voortaan voor eeuwig niet meer besta en daardoor mijn grote, alleen op mij rustende schuld gedelgd zal worden voor alle toekomstige, gezegende nakomelingen van Adam en Eva!"

13. En zie, toen nam zijn broer het zwaard weer in zijn linkerhand en zwaaide het nogmaals, - maar nu over Kaïns borst.

14. En zie, toen stroomde er nieuw leven in Kaïn en het hunkeren naar de dood verliet hem; maar daartegen­over werd de honger om te leven des te groter in hem. Maar hij kon niets vinden wat hem meteen zou hebben kunnen verzadigen. En toen hij niets vond, wendde hij zich nogmaals tot Abel en zei:

15. "Zie, broer, ik heb een geweldi­ge trek in voedsel dat leven geeft, dat leven in zich heeft en niet de dood, zoals het vlees van de slang en haar koude bloed! Want zie, broer, toen het besef kwam hoe ik voorheen was en hoe ik nu ben vanuit de grond van mijn bestaan, ondervond ik een sterk berouwen kreeg grote honger en een brandende dorst naar de goddelijke liefde en haar grote barmhartigheid! Want zie, ik ween zonder geluid en mijn berouw is zonder tranen; verza­dig mij daarom met de stem van de liefde en les mijn grote dorst met de tranen van het berouw!

16. Want hoor en versta dit: ik, de grootste, werd minder dan het stof; ik, de sterkste, ben zwakker dan een mug geworden; en ik, de schitterend­ste, werd zwarter dan het middelpunt van de aarde!

17. En zo sta ik nu voor je. Uit mij kwam een kleine geest voort, die nu reeds groter is in alles dan ik toen was, toen de wereld er nog niet was, toen ik mijzelf heb verstrikt in mijn al te grote kracht en daardoor de zwakste onder allen werd; want toen verloren zij die veel hadden, veel, zij die weinig hadden, weinig en ik, die alles had, verloor ook alles en dat allemaal door mijn schuld en die anderen verloren het vele en het weinige ook door mijn brandende schuld.

18. O broer Abel, talm daarom niet en reik mij een schotel met spij­zen van het leven, opdat ik een stem om te wenen zal verwerven en reik mij, zegenloze, een drank aan, opdat ik niet van berouw zonder tranen ver­smacht!"

19. Toen daalde Abel weer op aarde neer, ging bovendien in den lijve naar Kaïn toe en zei tegen hem: "Kaïn, jij zwakke broer van mijn lichaam en zoon van Adam en Eva, sta op en volg mij! Ik zal je weer bij je ouders en al je broers en zusters terugbrengen; en daar zul je overvloedig vinden waar­aan je zo'n behoefte hebt en je zult geheel verzadigd worden en alle dorst stillen.

20. Maar als je verzadigd bent geworden en je hebt je brandende dorst gelest, gedenk dan de Heer in Zijn liefde en Zijn erbarmende gena­de en bedenk dat het eerste het laatste en het laatste het eerste is!

21. En volg mij nu met alle geduld en zachtmoedigheid - en laat in het vervolg geduld je sterkte zijn en zachtmoedigheid je kracht -; en dan zul ook jij nog genade vinden voor Hem, wiens liefde oneindig is en geen grenzen heeft in alle eeuwigheden der eeuwigheden. "

 

Hoofdstuk 16

 

De opdracht van de Heer aan Abel

 

1. En zie, toen richtten zij zich op en gingen op weg naar de grote boom die tussen morgen en middag stond gezien vanaf de plaats tussen avond en middernacht waar Kaïn zich bevond, en kwamen bij hun verwan­ten terug, die nog allemaal, liggend op de grond, treurden en weenden.

2. En toen ze bij hen gekomen

waren, zei Abel tegen Kaïn: "Zie, hier is een grote hoeveelheid vruchten; dat zijn de ware vruchten van berouwen verdriet; buig je naar ze toe en verza­dig je en les je dorst!"

3. En toen Kaïn nu gewillig deed wat zijn broer hem door Mij had aan­geraden, begon hij met luide klaag­stem te jammeren en uit zijn ogen stortten stromen van tranen van groot berouw.

4. En zie, dat berouwen die treur­nis behaagde de eeuwige Liefde zeer; en Zij sprak door de mond van de engel tot de vrome Abel, die eveneens in tranen van medelijden wegsmolt, waaraan de Liefde een groot welgeval­len had, en zei:

5. "Abel, van zegen vervulde zoon van de Liefde, ga naar Adam en naar Eva, de ouders van je lichaam, en richt ze op en toon hen de boom des levens, die Ik tot voeding van het lichaam voor jullie allen intussen gezegend heb en die ook dient tot sterking van je huidige liefde!

6. En zeg tegen Adam, dat hij vol nieuwe kracht zijn kinderen op moet richten en hen het brood van de boom des levens moet geven ter ster­king van hun lichaam en hun liefde; en zeg tegen Eva dat zij naar Kaïn moet gaan en dat zij hem overeind moet helpen en hem naar Adam brengen; Adam moet hem de linker­hand reiken, terwijl hij hem met de rechter vastpakt, en moet dan zijn rechterhand op het hoofd van Kaïn leggen. Hij moet hem dan driemaal beademen en hem zevenmaal van de grond oplichten; en zo zal Kaïn naar de mate van zijn trouw in staat gesteld worden om van lieverlede Mijn zegen op te nemen.

7. En jij, Abel, neem het zwaard in je rechterhand en volg Me heel ver van hier in de richting van de morgen op een hoge berg in een grote woestijn! Daar zul je een opening vinden; steek het gevest van het zwaard daar zodanig in, dat de punt naar de hemel wijst en dat van zijn beide vlammen­de snijkanten, de ene naar de middag en de andere naar de middernacht is toegewend.

8. Kniel daarna neer, dank God totdat de vlam van het zwaard zal uit­doven; het zwaard zal in een doorn­struik veranderen en die zal bessen hebben, rode en witte; en pluk dan drie witte en zeven rode bessen van de struik en keer daarna weer naar je familie terug! En als je na veertig dagen weer thuisgekomen zult zijn, richt dan voor Mij een offeraltaar op, net zoals je dat in het paradijs onge­dwongen en vrijwillig gedaan hebt; leg daar dan schoven en vruchten op en steek het aan met het vuur van de liefde, dat Ik je van boven door mid­del van een krachtige bliksemschicht zal sturen.

9. Neem dan wat leem van de aarde, doorkneed die goed en maak daaruit een pot die van boven wijd en van onderen nauw is, net zo als het hart dat in je is. Vul deze pot vol met zuiver water en zet die dan op de stookplaats van Jehova boven de offervlam van de liefde. En als het water heet wordt en begint te koken, neem dan eerst de witte bessen en gooi die in het kokende water; doe dan na een klein poosje ook hetzelfde met de zeven rode. En als je ziet dat alle bessen zacht worden, neem dan de pot van het vuur, neem de zachte bessen in de volgorde waarin je ze erin gedaan hebt er met je rechter­hand weer uit, doe ze dan in je linker­hand en laat ze afkoelen en eet ze dan in genoemde volgorde op; neem dan de pot gevuld met het water waarin de bessen van het zwaard gekookt zijn en giet die uit op de stookplaats van Jehova en geef dan deze lege pot aan de vader van je lichaam.

10. En deze bessen zullen de wijs­heid en de liefde in je versterken en het water zal het vuur van de liefde verzachten; de pot echter moet een zeker teken zijn voor Adam en al zijn nakomelingen, hoe het met hun har­ten gesteld moet zijn, uitgekookt door het water van de erbarming, waarin de vruchten van de gerechtig­heid zacht geworden zijn door het vuur van de liefde ter voeding van de kinderen van de gezegende liefde, die dan vrij geworden zijn om de geest van heiligheid van God op te nemen.

11. En ga nu en voer precies uit wat Ik, de eeuwige Liefde, je bevolen heb! En nadat dit allemaal volbracht zal zijn, zal Ik weer tegen jou en tegen je verwanten door de mond van Mijn engel spreken, die een cherubijn is ofwel de mond van wijsheid en liefde van de heilige Vader. En nu, ga en handel!"

12. En zie nu, Abel deed wat hem bevolen was en verwijderde zich van de zijnen, nadat hij tevoren zijn zegen aan de vader van zijn lichaam had gegeven, wat Mijn geheime wil was, die hem in zijn hart bekend gemaakt werd.

13. En Adam omarmde hem we­nend en een treurende Eva drukte hem aan haar hart en al zijn broers en zusters gaven hem heel vriendelijk de hand voor een kort afscheid omdat hij in Jehova's dienst stond en ook Kaïn kwam naderbij en gaf hem zijn rechterhand en boog voor hem tot op de grond; en zo vertrok Abel dan, begeleid door de engel des Heren, onder wederzijdse zegeningen en onder de grote zegening van boven.

 

Hoofdstuk 17

 

De nieuwe godsdienst en levenswijze

 

1. En toen hij nu Gods woord strikt ten uitvoer had gebracht en daarvandaan weer terugkeerde naar de zijnen, die met een zeer groot ver­langen in hun hart op hem gewacht hadden, en ook het offer had gebracht volgens de opdracht van de eeuwige Liefde en de lege pot op de manier en in de betekenis zoals hem bevolen was aan Adam overgedragen had, opende de eeuwige Liefde weer de mond van de engel en zei:

2. "Abel, zeer gehoorzame zoon van Mijn gezegende barmhartige liefde, jou benoem Ik nu tot priester en leraar van al je broers en zusters en tot een trooster van je ouders. En daarom moet je op de ochtend van iedere sab­bat, als de zon opgaat, een offer bren­gen van de mooiste en zuiverste vruchten, die Ik op een later tijdstip nog nauwkeuriger zal aanduiden. En je moet dat 's avonds als de zon ondergaat, aansteken met het vuur van de liefde en Ik zal je tonen hoe het op een natuurlijke wijze in een steen verborgen is en hoe men het altijd daaruit kan opwekken! En je mag van middernacht tot aan de daarop volgende middernacht je hoofd niet bedekken, opdat je hoofd vrij mag zijn om Mijn grote genade te ontvangen; maar al je broers moeten hun hoofd pas 's morgens ontbloten en moeten het 's avonds weer bedek­ken. Je lijfelijke zusters moeten echter hun aangezicht en hun hoofd gedu­rende de hele heilige dag verhullen; slechts Eva mag op het midden van de dag driemaal naar het altaar van God opzien.

3. Maar Adam mag zijn hoofd gedurende de hele tijd van zijn bestaan nooit bedekken als teken dat hij de vader is van je vlees, opdat jul­lie hem altijd aan zijn hoofd kunnen herkennen en hem overal eerbied en liefde kunnen betonen.

4. Wee degene die het ooit zou wagen om zijn vader iets in de weg te leggen! Die zal Ik met ogen vol toorn aanzien, want het hoofd van de vader is als de heiligheid van God. Iedereen kan verhoord worden als hij in zijn hart berouw heeft; maar degene die ook maar het geringste deel van Mijn heiligheid aantast, zal door het onblusbare vuur daarvan aangegrepen worden en iedere druppel van zijn tranen van berouw zal verloren gaan en hij zal voor eeuwig vernietigd wor­den!

5. En wie met een boos hart zijn moeder iets aandoet en zich tegen haar liefde keert, zal Ik in al zijn nood nooit meer aanzien. Want de moeder is als de liefde in Mij; wie deze ver­smaadt zal slechts moeizaam vooruit­komen op de vurige wegen van Jehova.

6. Hetzelfde geldt voor een broer die zich tegen de andere keert; hij zal Mijn genade verliezen en Mijn erbar­men zal verre van hem zijn; en als iemand zijn zuster minacht, zal Mijn hart gesloten worden.

7. Want jullie broers zijn ook broers van Mijn liefde en jullie zusters zijn de lust voor het oog van Mijn liefde.

8. Daarom, eer je vader en bemin je moeder en wees in alle liefde on­dergeschikt aan elkaar, opdat jullie Mijn naam Jehova zullen vrezen en opdat jullie Mijn liefde kunnen beminnen en je door de grote heilig­heid van Mijn geest drievoudig kunt laten leiden op de dag van Mijn grote heiligheid om wijsheid te verwerven en zevenvoudig voor de zes dagen van liefde teneinde voor Mijn ogen gerecht te handelen.

9. En nu moet jij, Abel, ook aan al je broers verscheidene werkzaamhe­den leren, aan ieder een andere, zodat zij elkaar in liefde kunnen dienen en elkaar raad kunnen geven op vele gebieden van de wijsheid.

10. En je moet je zusters leren uit gras en planten vezels te maken, en je moet ze ook leren deze in brede stro­ken te vlechten om daaruit kleren te , vervaardigen voor hun broers en daar­na ook voor zichzelf, opdat de orde van de liefde gehandhaafd zal blijven.

11. Ik zal van boven aan Adam, Eva en aan jou verschillend gekleurde kleren geven, - voor Adam witte, voor Eva rode en voor jou blauwe afgezet met geel. Niemand anders echter zal deze kleuren voor zijn kledij nemen, maar hij zal zijn kleren bont verven; maar er mag geen zwarte vlek op voorkomen en er mag ook geen scheur in zijn, - afgezien van degene die gezondigd zou hebben; die moet in zijn berouw zijn kleren verscheuren en ze met verkoold hout bestrijken en as op zijn hoofd strooien, ten teken dat hij een zondaar is voor Mij en dat hij het kleed van de genade heeft ver­scheurd omdat hij zich besmeurd heeft met de kleur van de ongehoor­zaamheid en de dood over hem is gekomen!

12. Maar Kaïn zal zijn mooiste zus­ter begeren, die 'Ahar' heet of 'de schoonheid van Eva' en zal met haar naar de velden trekken en er voren in de aarde maken met het werktuig dat hij daar reeds in gereedheid zal vin­den; hij moet in de voren de graan­korrels strooien die hij daar in grote hoeveelheid zal aantreffen en de vrucht ervan moet hij 'tarwe' noe­men. Als deze rijp geworden is, dat is wanneer de korrels hard geworden zijn en de aren bruin, dan moet hij die graankorrels zorgvuldig uit de aren verwijderen en ze tussen stenen fijn wrijven. Het meel moet hij met flink wat water vermengen en daaruit een deeg kneden. Daarna moet hij het deeg op een platte steen leggen, die in de zon heet geworden is. Daarop moet het deeg gedurende een derde deel van de dag blijven liggen en dan moet hij het eraf pakken en het de naam 'brood' geven. Dan ech­ter moet hij dat brood nemen, het breken, God ervoor danken en het daarna met zijn vrouw Ahar nuttigen.

13. En zo dikwijls hij van zijn akkers zal oogsten, zo vaak moet hij ook de eerste tien garven aan Mij offeren.

14. Als hij Mij getrouw zal blijven, zal Ik altijd zijn offer van af de aarde welgevallig aannemen; maar als hij Mij vergeet, zal zijn offer niet aange­nomen worden en niet naar de hemel opstijgen, maar het zal aan zijn voe­ten op de grond blijven liggen.

15. En zo moet hij leven en zijn geslacht vermeerderen; maar hij moet Mij van tevoren driemaal zijn eigen hart en zevenmaal Ahars hart offeren. Indien hij dat mocht nalaten, dan zal zijn ontrouw aan het daglicht komen en zal hij een booswicht worden en de slang zal door hem leven en zal daar­na steeds verder leven in al zijn doch­ters, die daardoor aan de buitenkant mooi worden, maar des te lelijker van binnen en zij zullen al zijn zonen in het verderf storten en de kinderen van Mijn liefde met hun gif besmetten en Mij Mijn zonen afhandig maken.

16. En Ik zal eens zijn geslacht geheel van de aarde verdelgen! Zeg hem dat alles zeer duidelijk en herin­ner hem daarbij aan Mijn heilige naam Jehova en aan Mijn dag: de sab­bat!

17. Jou, Mijn vrome Abel, zal Ik een kudde tamme dieren tonen en je die geven om te weiden. En de naam die jij ze zult geven, zal de juiste naam zijn; en als je die bij hun naam zult roepen, zullen zij je als hun herder herkennen en ze zullen je stem altijd volgen.

18. En je moet Mij in het vervolg geen vruchten meer offeren, zoals na de terugkeer van de berg van Jehova, maar de eerstelingen van je kudde en dat zullen de mooiste en de zuiverste vruchten zijn, waarover Ik je reeds vroeger verteld heb.

19. Van tevoren dien je droog hout dwars over de plaats te leggen waar het vuur wordt gemaakt, daarna leg je het bloedige offer erop, dan dank je Mij en steek je het vuur aan zoals Ik je heb laten zien, het vuur dat in de steen woont en dat je daaraan op Mijn aanwijzing moet onttrekken.

20. En als teken dat je offer Mij welgevallig is, zal de rook ervan altijd snel naar de hemel opstijgen, alsof het grote haast zou hebben. De as echter, die je met een steen moet afdekken, dien je drie dagen lang op het altaar te laten liggen; op de derde dag moet je ernaartoe gaan en de steen van de as tillen en zie, een mooie vogel met glanzende veren zal zich uit de as ver­heffen en naar de hemel opstijgen. En dan zal er een wind komen en deze zal de as naar alle windstreken van de aarde blazen als teken van de toekom­stige opstanding van alle vlees, wat het werk zal zijn van de ware liefde door de wijsheid van de Heilige Geest, welke gegeven wordt aan de kinderen in de grote tijd der tijden en aan alle vreemdelingen die ernaar zul­len hunkeren.

21. Jullie moeten 's morgens, op het midden van de dag en 's avonds gezamenlijk eten, - maar wees altijd zeer matig en steeds in grote vreze voor de Heer, en je moet Hem altijd van tevoren en erna danken, zodat de spijzen gezegend zijn en daardoor de dood eraan ontnomen is.

22. Zodra iemand dit ooit mocht nalaten, zal hij spoedig daarop de slechte gevolgen ervan ondervinden. Wie het driemaal zal vergeten, die zal Ik met een lange slaap bestraffen; maar wie het uit traagheid en luiheid zal nalaten, die wordt zo dik als een os, zo vet als een zwijn en zo dom als een ezel en de kinderen zullen hem bespotten en uit volle borst lachen om zijn walgelijke gedaante. En zo zal hij weer willen worden als degenen die altijd gehoorzaam zijn, en daar­voor zal hij veel moeten vasten en droog brood eten.

23. Maar degene die het uit koppi­ge ongehoorzaamheid zal nalaten en uit minachting voor Mijn gemakkelij­ke gebod uit liefde voor jullie, over hem zal de begeerte tot ontucht en allerlei hoererij komen omdat hij gemakkelijk tot zonde kan vervallen en daardoor tot de dood en dan zal hij een harde strijd te verduren heb­ben met het bevechten van de slang die Eva verleidde en Ik zal hem niet eerder aanzien, dan tot hij vol berouw de overwinning behaald heeft over zijn vlees.

24. 's Morgens moeten jullie vruch­ten van de bomen eten; op het mid­den van de dag moet je echter van de boom des levens eten; en 's avonds moet je melk en honing drinken. De honing zal Ik voor jullie laten verga­ren op de takken van de bomen door vele diertjes uit de hemelse lucht, die je 'celie' zult noemen (jullie noemen ze heden ten dage 'bijen'). De naam 'celie' wil zo ongeveer zeggen 'de zorg van de hemel'. En op de derde dag voor de sabbat moeten jullie een schaap slachten, het van zijn bloed reinigen, het gedurende de dag op het met de stenen aangestoken vuur bra­den en het 's avonds met genoegen opeten.

25. En dan moeten ook Kaïn en zijn vrouw Ahar bij je komen en van het vlees van het tamme dier mee-eten; maar voor het overige moet hij op het veld blijven en daar zijn brood eten met de vruchten die daar zijn.

26. En nu weten jullie alles wat je op dit moment nodig hebt. En wan­neer er een koude tijd op aarde zal komen om deze te sterken, dan zal Ik je van boven kleren sturen die voor Adam, Eva en jou zijn gemaakt van schaapsvellen; de vellen van de voor het avondmaal geslachte schapen moeten door je broers verzameld wor­den en zij moeten ze in de zon laten drogen en ze bewaren om hun lichaam te bedekken in koude tijden naar het voorbeeld dat Ik je van boven zal geven. En als de huiden droog zijn geworden, moeten zij die zevenmaal in zuiver water wassen, waardoor de huiden zacht en schoon worden; _ en dan heel goed geschikt zijn om door jullie gebruikt te wor­den."

 

Hoofdstuk 18

 

Kaïns en Abels offer

 

1. En zie, toen ging de engel naar Abel toe kuste hem broederlijk en raadde allen nadrukkelijk aan, maar Kaïn in het bijzonder, om zeer gehoorzaam te zijn, indien zij in de toekomst de volle vrijheid wilden ver­werven met de daaruit voortvloeiende kracht en macht. Want dat is de grote macht van de zich erbarmende gena­de der liefde om de slang in ons te veranderen in het evenbeeld van de liefde en om daaruit de vruchten van de zegen en nooit die van de toorn van de Godheid te verwekken.

2. En nu, jij Mijn domme schrijver en nog steeds zeer onnozele, langzame en luie knecht, luister met beide oren naar wat er verder gebeurde. - Zie, toen gingen allen naar de plaats van hun bestemming en deden, zoals het hun vanuit de hoogste liefde in Mij bevolen was en zij leefden zo gedu­rende tien omlopen van de aarde om de zon.

3. Maar zie, er was eens een zeer hete dag en de zon brandde erger dan anders op de hoofden van de kinde­ren en op het lichaam van Kaïn, zodat hij zich begon te ergeren over de intense hitte en de zon vervloekte; maar de kinderen waren geduldig en wasten zich met fris water, dat hen versterkte en krachtig maakte en zij dronken er ook van en lesten daarmee hun brandende dorst en zij loofden en prezen God voor de zo grote gena­de dat Hij vanuit Zijn eeuwige liefde hun het beekje had gegeven voor zulke moeilijke tijden waarin zij op de proef gesteld werden.

4. En zie, niet ver van de hut van Kaïn, die hij naar eigen inzicht gemaakt had van boomtakken en bedekt had met het stro van de tarwe, stroomde een geweldige rivier, die Ik had laten ontstaan uit het midden van de bergen die op de bergen van de maan lijken en zich bevinden in het midden van het grote land Ahala (of de wieg van de kinderen van de zwakken en het nakomelingschap van Adam - en dat is het oude land dat jullie vandaag de dag nog 'Afrika' noe­men).

5. En zie, Kaïn wilde het water niet gebruiken en werd lui en traag door die grote hitte en wist niet wat hij zou doen, en hij wendde zich ook niet tot Mij om raad en nog minder tot zijn broer Abel.

6. En zie, toen kwam de sabbat des Heren en daarmee ook de tijd om te offeren. Toen nam Kaïn uit traagheid en ergernis vanwege de grote hitte tien garven waarin geen vrucht meer was, omdat de volle hem te zwaar waren om naar zijn offeraltaar te dra­gen en omdat hij het jammer begon te vinden van de vrucht, die daar voor niets verbrand moest worden, terwijl hij er voor zichzelf drie keer brood van zou kunnen bereiden. En zo kreeg hij kwade gedachten en legde het lege stro op het altaar en stak het aan; maar zie, de rook steeg niet op naar de hemel, maar sloeg op de aarde neer, waarover Kaïn in zijn hart nog nijdiger werd.

7. Tegelijkertijd ontstak ook de vrome Abel zijn offer voor de ogen van de Heer en sprak door en door ontroerd: "O Gij goede, heilige Vader, die mij zwakkeling met al Uw kracht van Uw heilige liefde, met het grote oog van Uw zon, zo genadig aanziet! Uw grote liefde brandt welis­waar op mijn huid, - maar mijn hart klopt bij deze grote hitte des te sneller door Uw onmetelijke liefde voor ons zondaars.

8. Ach, eens brandde de aarde door Uw toorn, O Jehova; maar nu brandt de liefde vanuit U, O Gij heilige Vader!

9. O hoe zoet is dit branden van het reine vuur van het leven van U; het is een heilige vooropleiding, die mij eerst bekwaam moet maken om in de toekomst het reine leven uit U op te nemen! O, hoe onmetelijk goed moet U, heilige Vader wel zijn, dat U ons nu reeds hier op aarde de onbe­grijpelijke omvang van Uw grote genade laat ondervinden!

10. Ja, dit vuur dat ik uit mijn zwakke liefde voor U heb ontstoken, hoe koud is dat ten opzichte van dat van U en hoe klein en donker tegen­over dat wat op ons onwaardigen af­straalt uit Uw wijdse zon, die een klein druppeltje is uit de onmetelijke zee van Uw onbegrensde erbarming!

11. Neem daarom toch het kleine offer van mij uit naam van ons allen ook genadig aan, als een geringe blijk van onze aangewakkerde liefde tot U, Gij allerbeste, allerheiligste Vader, en bewaar ons voortdurend in Uw warme liefde, die U ons nu zo vol genade door Uw zon laat ondervin­den, amen.

12. En U zij de boven alles uit­gaande macht en kracht over alles wat er op de aarde voor U is; en alleen U bent waardig alle lof, alle eer en alle roem te ontvangen van ons, die zich door Uw grote erbarmende genade Uw gezegende kinderen mogen noe­men, amen."

 

Hoofdstuk 19

 

Kaïns moord op Abel

 

1. En zie en luister verder! - Nu stonden de twee offerhaarden van Abel en Kaïn niet ver van elkaar. De totale afstand was zevenmaal tien pas­sen en de haard van Abel lag naar de richting van de morgen toegekeerd en die van Kaïn in de richting van de avond.

2. En zie, toen Kaïn nu merkte dat de rook van Abel naar de hemel opsteeg en de zijne op de aarde neer­sloeg, werd hij nijdig in zijn hart; maar zijn gezicht maakte hij effen, zodat men zijn toorn niet zou mer­ken, terwijl Abel voor Kaïn bad, omdat hij diens sluwheid opmerkte.

3. En de Heer vernam Abels smeekbede en liet volgens diens vrome wens Zijn stem aan de ver­toornde Kaïn horen en zei luid:

4. "Kaïn, waarom ben jij Mij ontrouw geworden en liet je je in beslag nemen door de toorn in je hart, en waarom is je gedrag geveinsd en lieg je met je ogen? Jij hebt iets boosaardigs in de zin tegen Abel! Is dat niet zo? - Ontken het als je dat kunt!

5. Ik heb vernomen dat je Mijn zon hebt vervloekt en zag de lege gar­ven waarmee je Mij tengevolge van je luiheid en je inhaligheid wilde afsche­pen, en Ik heb je ook meermalen zien hoereren in je grote luiheid, want je hebt bijna altijd nagelaten wat je bevolen was te doen voordat je je vrouw zou mogen beslapen. En zeg Me, is dat niet waar?

6. Zie, Ik heb je geduldig gadege­slagen en liet Mijn bestraffende rech­terhand niet op je hoofd neerkomen en Ik werd niet toornig op je in Mijn heiligheid! Overweeg daarom Mijn woorden en word diep gelovig in je hart, dan zul je Mij weer bevallen en je offer zal weer aangenomen worden; als je daarentegen in de geheime boosheid van je hart blijft, dan heeft de zonde zich voor je deur een rust­plaats ingericht en zal over je heersen en jij en al je nakomelingen zullen slaven en knechten van haar worden, en de dood zal komen over jullie allen.

7. Doe daarom niet wat de zonde wil, namelijk over jou heersen, maar breek volkomen met haar en maak haar aan je ondergeschikt, opdat je vrij zult worden, - meester over je eigen wil, die van oorsprong boos is, omdat die uit jou en niet uit Mij is!"

8. En zie, toen boog Kaïn zich ter aarde neer omdat hij berouw had over zijn schuld. Maar toen zag hij een slang aan zijn voeten en schrok daar hevig van. Hij stond snel weer van de grond op en wilde naar Abel vluch­ten; maar zie, de slang slingerde zich om zijn voeten, zodat hij de plek niet kon verlaten.

9. En de slang hief haar kop op, opende haar muil en bewoog haar gespleten tong en zei tegen Kaïn: "Waarom wil je van mij wegvluchten? Zie, ik ben een wezen, net als jij en moet in deze ellendige gedaante rond­kruipen; verlos me en ik zal jouw gelijke zijn en mooier dan je vrouw Ahar, en jij zult aan God gelijk wor­den, sterk en met gezag over alles wat er op aarde is!"

10. En zie, toen zei Kaïn tegen de slang: "Jij liegt; want toen ik je in het gras vond, aan stukken scheurde en opat, heb je mij bedrogen! En waar­om zal ik dan nu je woorden gelo­ven?! Want ik moest toen vanwege jou veel lijden; daarom ken ik je leu­gens en kan ik je stem nooit vertrou­wen. En heb je zojuist ook niet de woorden van Jehova van boven gehoord?!

11. Daarom, als er ergens een besef van waarheid in je is, verklaar me dat dan allemaal met je stem en overtuig me van het tegendeel, dan zal ik je geloven en aan je wens voldoen!"

12. En zie, toen sprak de slang nogmaals en zei: "Kijk, het is allemaal de schuld van je broer Abel! Hij wil naar de macht grijpen om te heersen om jou van het recht van de eerstge­borene te beroven; en dat zet hij alle­maal zo listig op touw, dat hij zelfs de liefde van de Godheid verblindt en vroom doet voor Haar ogen, opdat Zij hem over alles wat er op aarde is zal laten heersen en hij jou dan spot­tend met voeten kan treden. Want destijds, toen je mij in het gras vond en gedaan hebt wat ik je aanraadde, zou je een heer geworden zijn over alles, als de geniepige sluwheid van jouw fijne broer niet van tevoren had ontdekt wat er met je zou gaan gebeu­ren, - hij kwam toen meteen met gehuichelde broederliefde naar je toe alsof hij je wilde helpen; ja, hij heeft je ook geholpen, maar niet op de troon die jou alleen toebehoort, maar in de ellende en in een volkomen nie­tigheid van je verheven wezen, wat je bij jezelf toch allang zou hebben moe­ten bespeuren.

13. Zie, zelfs om deze kleinigheid was hij jaloers op je omdat de Heer jouw offer net zo aangenomen had als het zijne, en wist met zijn schandelij­ke vleierij de toch al zwakke wil van Jehova zo te sturen dat Hij jouw offer afwees en jij bovendien nog een flinke terechtwijzing over je heen kreeg.

14. En zie, het zinde hem al hele­maal niet dat de Heer jou niet meteen vernietigd heeft. Kijk naar hem, hoe hij vol arglist biddend de Heer alsnog wil overhalen om aan jou datgene te voltrekken wat Hij nu nog genadig heeft nagelaten.

15. En zie, de grote geniepigheid van Abel is nu, dat hij door zijn schandalige, huichelachtige veinzen de Heer in Zijn verblinding er ten­slotte toe wil brengen dat Hij hem al Zijn macht overdraagt, waarna deze Abel Hem dan van de troon zal sto­ten. En zodoende zal God dan op de aarde smachten; hij daarentegen zal als een god voor eeuwig op de troon van Jehova heersen.

16. Neem daarom nu een besluit; het is de laatste keer dat ik nog in staat ben je van de nodige kracht te voorzien om God en jezelf te redden! Ga daarom vlug naar hem toe en spreek hem met strelende woorden aan, opdat hij je gewillig hiernaartoe volgt! Dan zal ik hem bij zijn handen en voeten vastpakken; jij neemt dan een steen en slaat hem daarmee krachtig op zijn hoofd en zo zul je hem overleveren aan de dood waar­mee hij je door Jehova heeft laten dreigen! En zo zul je je van een anders gewisse dood bevrijden en je zult de ogen openen van de blinde liefde van de bedrogen God, die jou dan tot heer op aarde zal maken en de dood der zonde zal ondergeschikt aan je zijn."

17. En zo, overgehaald door de boosheid van zijn hart, verliet Kaïn zijn plaats en ging naar Abel toe en zei met zoetgevooisde stem tegen hem: "Broer, broer, kom toch naar mij toe en bevrijd me van de slang die mij nogmaals te gronde wil richten!"

18. Maar Abel antwoordde hem: "Dat wat jij gelooft dat nog moet gebeuren, is al gebeurd; maar wat je in je verdorvenheid van mij vraagt, zal ik in mijn liefde voor jou doen. De dood die jij mij denkt te geven, zal over jou komen; en mijn bloed, waar­mee je de aarde zult drenken, zal tot God roepen en zal over jouw hoofd en dat van al je kinderen komen; en de steen waarmee je je broer zult doodslaan, zal een steen des aanstoots worden en al je kinderen zullen er te pletter op lopen; de slang zal echter al het bloed te gronde richten en de kin­deren van de zegen zullen wraak roe­pen over jouw bloed; en dan zal er OVer jullie een grote duisternis komen en niemand zal de stem van zijn broer verstaan, zoals je nu al de mijne niet meer verstaat omdat je je hebt laten verblinden door je eigen grote boos­aardigheid door de gedaante van de slang in en buiten je, die was, is en eeuwig zal zijn de ware vloek van het gerechtvaardigde gericht van God!

19. En zie, omdat de Heer mij het plan van al jouw geheime boosheid heeft getoond en me van je grote woede op de hoogte heeft gesteld, weet ik wat je met mij wilt en zult doen en waarom!

20. 0, je blindheid zal duren tot aan het einde van alle tijden der tij­den; breng mij maar weg als een onschuldig offer en doe met me naar de boosaardigheid in en buiten je, opdat jouw slang tot een eeuwige leu­genaar bestempeld zal worden en jij hierna aan jezelf mag ervaren, wie van ons beiden bedrogen is!

21. En de schande die je de Heer hebt aangedaan zal je ketenen en na de daad zullen je ogen en je oren opengaan, opdat je zult zien, hoe de Heer mij tot Zich zal opnemen als het laatste Hem welgevallige offer uit jouw hand; want voortaan zal geen offer, maar de dood je gegeven wor­den, door welke je je broer hebt geofferd.

22. En zie, ik heb alle macht over je en het zou gemakkelijk voor me zijn je te vernietigen net zo als die berg aan de overkant van de rivier in de richting van middernacht!

23. Zie, ik zal de berg aanroepen en zeggen: 'Hier ben ik, Abel, de gezegende van de Heer, vervuld met de macht en de kracht van de Heilige Geest; daarom, verdwijn in het niets, opdat Kaïn kan zien, hoe groot zijn leugen is!'

24. En nu zie je Kaïn, hoe de machtige berg opgehouden heeft te bestaan door de in mij wonende kracht van de geest van de liefde. Welnu, het zou voor mij even gemak­kelijk zijn om jou te vernietigen! Maar om je in te laten zien dat God geen zwakheden heeft en er in je broer geen schandalige heerszucht huist, volg ik je gewillig als een lam naar de slachtbank."

25. En zie, toen nam Kaïn heel vriendelijk Abel bij de arm en zei: "Abel, wat denk je wel van mij?! Ik zoek jouw hulp en jij wilt mij reeds van tevoren beschuldigen dat ik je wil doden; kom nu maar en volg me naar de plaats waar de slang op je wacht en vernietig haar net zo als de berg en bevrijd mij en maak jezelf vrij van de beschuldiging van de slang!"

26. En Abel antwoordde hem kort: "Wat is het verschil tussen jou en de slang?! - Denk je nu, verblinde, dat ook ik een broedermoordenaar ben?! ­ Daarom ga ik met je mee en sterf om te leven en jij blijft leven voor de dood!"

27. En zie, dat waren Abels laatste woorden tegen Kaïn en van de lippen van Abel kwam geen geluid meer dat de oren van Kaïn bereikte; en zo volg­de hij Kaïn gewillig waar deze hem naartoe bracht.

28. En toen ze nu op de plaats aan­kwamen waar de slang op Kaïn wachtte, de plek waar Kaïns boze opzet vorm kreeg, omslingerde deze Abels voeten en handen en gooide hem op de grond, nam een grote steen en verbrijzelde daarmee het hoofd van Abel, zodat zijn bloed en zijn hersenen in de wijde omtrek de aarde besproeide.

29. En de slang maakte zich los van de voeten van Abel, nam de steen in haar bek en droeg die tot voor de deur van Kaïn en verborg zich in het zand onder de doornstruiken, bevrijd.

 

Hoofdstuk 20

Kaïns vervloeking en vlucht

 

1. En zie, toen trokken er van alle kanten zwarte wolken samen boven Kaïns hoofd en grote bliksemschich­ten flitsten naar alle richtingen, bege­leid door hevige donderslagen; en van alle zijden begonnen heftige windvla­gen te woeden en slingerden grote hoeveelheden hagel over de met vruchten beladen velden en verwoest­ten die tot in de bodem. En dat was de eerste hagel die vanuit de hemel neergeworpen werd en de hagel was een teken van de liefde zonder erbar­men, omdat de Godheid in haar opnieuw beledigd werd door Kaïns misdaad, die hij aan zijn broer Abel beging.

2. En zie, de boze Kaïn vluchtte zijn hut in en vond zijn vrouw sidde­rend op de grond liggen en enige van

zijn meestal ongezegende kinderen als dood naast haar. Toen kromp hij hui­verend in elkaar en vervloekte de slang en ging de hut uit en vond de steen die de vluchtende slang zodanig voor zijn deur gelegd had, dat hij er­over weggleed en hard tegen de grond sloeg, en nogmaals vervloekte hij de boosaardigheid van de slang en van de steen die de dood gebracht had.

3. En toen hij zijn zeer pijnlijke lichaam weer opgericht had, ging hij naar de oever van de dichtbij gelegen rivier om de vervloekte slang te ver­nietigen en te verdelgen.

4. Maar zie, toen hij de oever bereikt had, zag hij een afgrijselijk monster, zeshonderdzesenzestig el lang, zeven el breed en hoog, voorzien van tien koppen, hem stroomop­waarts tegemoet zwemmen en zag nog hoe er uit iedere kop tien horens als een kroon naar buiten groeiden.

5. En zie, toen deze monsterachtige slang hem geheel genaderd was, sprak zij tegen hem uit alle koppen tegelijk en zei: "Nu, jij flinke Kaïn, moorde­naar van je broer Abel, heb je zin om het tegen mij op te nemen, begin dan maar met je verwoestende werk!

6. Eens in het gras, toen ik nog zwak was, kon je mij wel aan stukken scheuren en mijn vlees en bloed ver­orberen; maar nu zou je een dergelijk werk bij mij niet gelukken, want de goede kost die je voor mij hebt klaar­gemaakt van het bloed van je broer, heeft me groot en sterk gemaakt. En nu, als je nog de wil hebt mij te ver­nietigen, begin dan maar je wraak met mijn bloed te voeden. Maar aan­gezien je slechts tien vingers hebt en geen tien handen en dientengevolge niet alle koppen tegelijk kunt vast­pakken, zullen de overige acht je met hun horens doorsteken en je met hun acht muilen verorberen!"

7. Toen schrok Kaïn hevig en vluchtte en verdween uit het gezicht van de slang en vervloekte deze nog een keer en zag nu in hoe geweldig hij bedrogen was door de slang. Toen dacht hij: 'Wie zal mij nu met de eeu­wig rechtvaardige God verzoenen, nu mijn broer Abel er niet meer is?! O, jij driemaal vervloekte slang, - jij bent de moordenaar van mijn broer en wilde nu mijn moordenaar worden! O, als ik wist dat je te gronde zou gaan als ik te gronde ging, zevenmaal zou ik zijn dood aan mijzelf wreken!'

8. En zie, toen stond de slang ach­ter hem in de gedaante van een uiter­mate bekoorlijke jonge vrouwen zei tegen hem: "Kaïn, doe dat en ik zal je vlees verteren en je bloed drinken en dan zullen wij weer geheel verenigd zijn en de hele wereld beheersen."

9. En Kaïn keek de bevallige jonge vrouw aan en zei: "Ja, dat is jouw ware gedaante; zo ben je op z'n ergst! Wie je zal zien met je tien koppen, die zal van je wegvluchten als voor een gericht van de Godheid; tot wie je echter in deze gedaante zult komen, die zal je nalopen, je vangen, je meer liefhebben dan God en zich voor de gelukkigste mens houden als je hem zult beetpakken met je handen die altijd de dood brengen, en de mensen zullen tempels en altaren voor je oprichten en je speeksel oplikken en je uitwerpselen opeten.

10. En als ik je niet met die tien koppen gezien zou hebben, zou ook ik je slaaf zijn geworden; maar nu ken ik je door en door en verafschuw je in deze gedaante nog meer dan in de vroegere met de tien koppen."

11. Toen sprak de mooie jonge vrouw weer: "Maar Kaïn, hoe kun je deze zachte lichaamsdelen van mij en deze zachte borst vrezen?"

12. "O zwijg", zei Kaïn toen, "jouw zachte leden zijn evenzo vele slangen vol bitter gif en onder jouw zachte gewelfde borst rust een ondoordringbaar pantser, waarmee en waaraan jouw slangenarmen mijn arme en zwakke geslacht zullen dood­drukken! Want in deze gedaante zul je zelfs de reusachtige leviathan tot je meest gehoorzame dienaar maken!"

13. En zie nu, toen ontbrandde de slangenvrouw vanuit haar innerlijke razernij, zodat haar hele wezen straal­de als de zon en zij nam de gedaante aan van Abel met een heel vriendelijk gezicht en sprak nogmaals tegen Kaïn:

14. "Kaïn, jij blinde dwaas, mijn boze broer, kijk, degene die je met een steen hebt doodgeslagen, staat nu verheerlijkt voor je en biedt je zijn hand aan om zich met je te verzoenen en vrees de gedaante van de slang niet, die je zelf bent! Wie was het dan, jij of de slang, die ontrouw werd aan de Heer? Besliep jij of de slang je vrouw net als de honden, zonder het vereiste offer van tevoren te brengen? Was jij het of de slang die de hitte vervloekte en door grote traagheid leeg stro aan de Heer offerde? Zeg me, werd de slang of jij nijdig op je broer uit boze afgunst? En was de slang niet veel meer een uiterlijke ver­schijningsvorm van jouw eigen inner­lijke boosaardigheid, waardoor je jezelf het waandenkbeeld aanpraatte om je broer te doden?

15. En waarom vervloek je nu de slang, die je toch zelf bent en houd je je eigen broer tenslotte nog voor de gepersonifieerde slang?! En toen je heenging om je broer te halen om gedood te worden en je met grote geslepenheid veinsde dat hij je van de slang moest bevrijden, vroeg je eigen broer, toen hij nog lichamelijk leefde, je toen niet of je misschien dacht dat ook hij een moordenaar van zijn broer zou zijn?!

16. Zeg en antwoord me of het niet zo is; en als het anders is, ver­vloek dan eerst de slang en houd niet mij, die van boven hierheen kwam om je als een verheerlijkte broer te helpen, voor de slang, maar jezelf en reik mij jouw nog met het bloed van je broer bevlekte hand, opdat die door mijn broederliefde gereinigd zal worden van haar grote schuld en je dan weer genade kunt vinden voor de ogen van de Heer!"

17. En zie, toen werd Kaïn in zijn blindheid door satan gevangen en wilde reeds zijn hand aan de verleider geven. Maar zie, toen sloeg er een geweldige bliksemschicht van de hemel neer tussen de leugenaar en Kaïn, en de voorgewende Abel lag als slang op de grond en Kaïn sidderde over zijn hele lichaam en verwachtte het zekere gericht van boven.

18. En zie, toen sprak Jehova uit de wolken: "Kaïn! Waar is je broer Abel, - waar heb je hem gelaten?"

19. Maar Kaïn vermande zich spoedig door de aanblik van de op de grond liggende slang en zei: "Waarom vraagt U mij dat? Ben ik mijn broe­ders hoeder?"

20. En de stem van Jehova sprak heftiger dan tevoren: "Het bloed van je broer, waarmee je de aarde hebt

gedrenkt, schreeuwt tot Mij! Ik heb jouw daad gezien; waar is Abel, jouw broer?"

21. Kaïn echter sprak: "Heer, mijn zonde is zo groot, dat die mij nooit meer vergeven kan worden!"

22. "Ja', zei Jehova, "daarom zij de grond die Abels bloed verslond, ver­vloekt; en als je daarop in het vervolg een akker zult willen maken, zal die je geen brood meer geven en je zult ver­der rusteloos en gejaagd als een ver­scheurend dier dakloos daarover rondzwerven en je zult je voeden met doornen en distels!"

23. Toen schrok Kaïn geweldig en zei met bevende stem: "Heer, Gij allerrechtvaardigste, zie, U verdrijft mij heden uit dit land en ik moet voor Uw aangezicht vluchten en zon­der rust voortvluchtig zijn op aarde. En dan zal het mij, armzalige, zo ver­gaan, dat wie mij vindt, mij dood zal slaan; wees mij daarom ter wille van de mijnen genadig!"

24. En zie toen zei Jehova: "Neen, niemand zal Kaïn doodslaan, - maar wie Kaïn zou doden, zal zelf zeven­maal gedood worden! Opdat nie­mand zich aan jou zal vergrijpen, zal Ik je op je voorhoofd met een zwarte vlek tekenen, zodat niemand je meer zal herkennen en doodslaan."

25. En zie, toen vluchtte Kaïn met de zijnen uit Mijn aangezicht ver weg voorbij Eden naar een laaggelegen land Nhod. Maar Eden was een mooi heuvelland, vol met de beste vruch­ten; daar beviel het Kaïn goed en hij wilde er zich vestigen. Maar toen hij naar de heuvels keek, zag hij overal een man staan met een grimmig gezicht, gewapend met een steen in zijn hand, als wachtte hij op Kaïn om diens misdaad te wreken; en deze ver­schijning werd veroorzaakt door de grote angst in hemzelf. En hij zag dat hij hier niet kon blijven.

26. Toen vluchtte hij verder en ver­der in de richting van de morgen en kwam in een grote laagvlakte; daar viel hij uitgeput neer en sliep drie dagen en drie nachten. Toen kwam er evenwel een hevige wind vanaf de bergen naar beneden, deze wekte de slapenden en gierde en loeide over de wijde vlakten en ging eindelijk liggen in de laagvlakten van het land, dat 'Nhod' heette of 'droge grond van de zee'.

27. En Kaïn keek weer omhoog naar de hoge toppen van de bergen en hij ontdekte geen mannen meer; toen wist hij niet wat hij moest doen. Maar na korte tijd strekte hij zijn armen uit en riep heel hard: "Heer, Gij meest rechtvaardige, als van deze grote af­stand mijn geroep nog tot Uw oor doordringt, kijk dan omwille van mijn kinderen en van mijn vrouw over die toppen genadig neer op de getekende vluchteling voor de heilig­heid van Uw ogen, die mijn voor­hoofd heeft getekend met de nacht van de zonde, opdat ik met onbedekt voorhoofd niet herkend zou worden vanwege de misdaad, die op het voor­hoofd, in de handen en op de borst van de grote zondaar geschreven staat. Diens zonde is zo groot, dat zij hem nooit meer vergeven zal kunnen wor­den."

28. En zie, toen kwam er een wolk over de hoge bergen zweven, zevenen­zeventig manshoogten boven de vluchtelingen en een luide stem sprak daaruit en het was de stem van Abel, die zei: "Kaïn, ken je deze stem?"

29. En Kaïn antwoordde: "O broer Abel, kom je hiernaartoe om je recht­matig te wreken op mij, jouw moor­denaar, handel dan met mij in naam van de gerechtigheid; maar spaar je gezegende zuster en haar kinderen!"

30. Toen klonk de stem nogmaals en zei: "Kaïn, wie het kwade doet is een zondaar; wie het kwaad vergeldt met kwaad, is een knecht van de zonde; wie goed doet omwille van het goede, die heeft zijn schuld afgedaan en er zal niets van overblijven; wie het goede meervoudig terugbetaalt, is zijn broeders waard; maar voor God telt er maar één ding en dat is: kwaad met goed vergelden en diegenen zegenen die de weldoeners vervloeken en het leven geven voor de dood!

31. En zie, vanwege dat laatste kom ik naar je toe; heb daarom geen vrees voor mij, want ik ben nu van bovenaf naar je toegestuurd om je ten eerste te tonen dat de Heer waarach­tig en getrouw is in al zijn beloften. En ten tweede om je aan te geven dat je met je verwanten in dit land moet blijven en jezelf en hen moet voeden met de vruchten die je in dit land aan zult treffen, en verder ook om je te laten weten dat je broer jouw daad heeft vergeven door de grote liefde van de Vader in hem.

32. Mijn bloed moet je echter ver­zoenen met je tranen van berouw, tot­dat daarmee de vlek op je voorhoofd afgewassen is; en je kinderen en je vrouw moet je vol vrees voor de Heer leiden. En als je dat vrijwillig vanuit jezelf zult doen uit vrees voor de Heer, dan zul je blijven leven zoals je nu bent, een balling; maar als je dat doet uit liefde, dan zul je het verharde hart van de gerechtigheid ontroeren."

 

Hoofdstuk 21

Het verdrag van de Heer met Kaïn

 

1. En zie, toen kwam Kaïn, die in grote vrees verkeerde, tot rust. De wolk verdween en hij huilde tranen van berouwen ging weg om voedsel voor de zijnen te zoeken en dacht er over na, hoe ver hij zich van het para­dijs verwijderd had en nu de liefde van de Heer geheel verloren had en in de harde werkelijkheid van de gerech­tigheid was uitgestoten, staande op de drempel van Gods gericht. En terwijl hij zo dacht, vergoot hij steeds meer tranen van berouwen het werd hem steeds duidelijker hoe enorm groot zijn schuld tegenover God wel moest zijn en hij dacht er ook over na of het dan toch nog op de een of andere manier mogelijk zou zijn, ooit ook maar het allerkleinste beetje liefde te verwerven.

2. En zo overdacht hij van alles. En zie, vervuld van al deze gedachten kwam hij met de zijnen bij een rijke­lijk met vruchten beladen braam­struik; en daar zij allemaal geweldige trek in eten hadden, wilden zij zich meteen op de struik werpen om naar hartelust daarvan te genieten.

3. Maar zie, toen kwam er een juis­te gedachte in Kaïn op en hij zei tegen zijn familie: "O mijn vrouwen

mijn kinderen, trekken jullie je han­den, die je al te voorbarig naar dit rijke voedsel hebt uitgestoken, snel terug; want wij weten nog niet of dit het leven of de dood bevat! Laat ons daarom eerst op de grond neervallen en voor God onze grote schuld bekennen, en laat ons Hem in het stof van onze onmacht vragen of hij deze vrucht vooraf genadig zou willen zegenen; en indien Hij dat misschien toch vanuit Zijn grote erbarmen zal doen, moeten wij onwaardigen Hem van tevoren eerst bedanken en pas dan kunnen wij met angst en beven ons met mate daaraan verzadigen."

4. En zie, toen traden allen enige passen achteruit, weg van de struik en deden volgens de wil en het juiste inzicht van Kaïn, die luid voor hen allen bad en wenend zei: "O aller­rechtvaardigste, grote, heilige God, kijk genadig neer op ons wormen die voor U, Almachtige, in het stof van de machteloosheid liggen en die van­wege hun grote schuld hun ogen niet durven opslaan naar Uw onuitspreke­lijke heiligheid! O denk aan onze zwakheid en laat ons arme, berouw­volle, grote zondaars niet te gronde gaan!

5. Zie, deze struik voor ons schijnt een goede vrucht te dragen die geschikt is om als maal te dienen voor ons zondaars; maar wij vertrouwen het niet er van te eten, omdat wij door onze grote boosheid blind geworden zijn en daardoor niet meer kunnen zien of de dood of het leven daarin huist.

6. Wilt U ons daarom genadig aan­geven wat het voor een soort vrucht is, opdat wij dan pas werkelijk tot U bidden kunnen, of U, O Rechtvaar­dige, het gif van de slang eraan zou willen onttrekken en er dan slechts een kleine dauwdruppel van Uw zegen op zou willen laten vallen, opdat wij niet verloren gaan. O Heer, Gij rechtvaardige, Gij heilige, ver­hoor, verhoor, verhoor onze zwakke bede!"

7. En zie, een gloeiend rode wolk kwam van de bergen het dal in zwe­ven boven de struik; en hieruit sloeg met veel lawaai een krachtige blik­semstraal in de struik. En zie, een grote slang kwam er sissend uit te voorschijn en ging met opengesperde muil op Kaïn af, die daar mateloos van schrok. Maar zie, de bliksem liet de slang niet met rust en dreef haar met grote snelheid het hete zand van de wijde woestijn in; en toen zij geheel uit het gezicht van Kaïn ver­dwenen was, wendde deze zijn gelaat weer naar de struik en dankte God in stilte voor de genadige redding uit de grootste van alle gevaren.

8. En zie, toen zag hij ook, hoe uit de vurige wolk grote druppels op de struik begonnen te vallen, zodat de aarde rondom wijd en zijd bevochtigd werd.

9. En Kaïn en de zijnen zagen de grote vrijgevigheid van de Heer en hij viel met heel zijn familie nogmaals neer en dankte God vanuit het diepst van zijn hart voor zulke grote welda­den en zei, in tranen badend: "O Heer, Uw rechtvaardigheid is groot en onbegrijpelijk, - maar hoe groot moet Uw liefde dan wel zijn, dat U nog in staat bent de zware zondaar met Uw grote weldaden te gedenken, O Gij eeuwige Liefde! Hoe groot moet de boosheid wel zijn, die U ooit zou kunnen miskennen!"

10. En zie, toen liet zich uit deze nog van zegen druipende wolk een stem horen, die de volgende verstaan­bare woorden sprak: "Luister, Kaïn! Ik heb mijn gerechtigheid veranderd in liefde; de liefde zal echter slechts heersen onder diegenen die haar in de toekomst niet alleen in nood en benardheid zoeken, maar ook in hun blijheid en vrijheid.

11. Zie, Ik wil je een tijdslimiet stellen van tweeduizend jaar en gedu­rende die tijd zal niemand ooit getrof­fen worden door Mijn gerechtigheid; en uit deze gerechtigheid zal Ik een groot vat maken en het boven de ster­ren plaatsen - en uit Mijn liefde zal Ik een tweede vat maken en dat onder de aarde plaatsen. En zo kunnen jullie doen, wat je wilt: indien jullie kwaad doen, dan zullen je daden het vat van de gerechtigheid vullen en als het vol zal zijn, zal het op alle plaatsen bar­sten en het gehele gewicht zal over alle boosdoeners uitgestort worden en zij zullen allen gedood worden; maar indien het vat van de liefde, dat onder de aarde is, leeg zal blijven, zal het de doden opnemen voor een lange, zui­verende kwelling. En diegenen die zich laten reinigen zullen naar de ster­ren verplaatst worden voor een lange strijd; degenen echter die zich in hun innerlijke boosheid zullen verharden, zullen te zijner tijd onder de bodem van dit vat geworpen worden en er zal een eeuwig gehuil en een eeuwig tan­dengeknars zijn tengevolge van Gods toorn.

12. En ga nu naar de door de zegen bevochtigde struik en eet daarvan om je honger te stillen en denk er daarbij steeds aan, van wie deze gave is!

13. En jullie moeten je uitbreiden over het laagland; maar laat niemand van jullie het wagen één voet te zetten op de bergen, want de toppen zijn heilig en zijn bestemd om door Mijn kinderen bewoond te worden! Degene van jullie die dit gebod ooit zal overtreden, en dat geldt ook voor alle tamme dieren die je later aan je ondergeschikt zult maken, zal een prooi worden voor de daar steeds hui­zende waakzame dieren - zoals beren, wolven, hyena's, leeuwen, tijgers en ook grote, levende slangen, die bene­den aan de voet van de berg zullen huizen.

14. Alleen als iemand van jullie heel vroom zou worden en de vuur­proef van Mijn liefde zou doorstaan, zal het hem toegestaan worden in het binnenste van de berg door te dringen om daar erts en ijzer te vergaren en daaruit werktuigen te maken, al naar­gelang jullie die nodig zullen hebben.

15. En nu eet, bevrucht elkaar en vermeerder zowel het mannelijke als het vrouwelijke geslacht, en weer de zaden van de slang af door je gerecht­vaardigde vrees voor Mij, want Ik ben God, de Eeuwige, Gerechte en Heilige, amen!"

 

Hoofdstuk 22

Hanoch, Kaïns zoon, als wetgever

 

1.En zie, toen aten zij en deden een tijdlang zoals hen geboden was. Kaïn bekende nu wederom zijn vrouwen verwekte met haar een zoon en gaf hem de naam 'Hanoch', dat wil zeg­gen 'de eer van Kaïn'. En Kaïn riep al zijn kinderen bijeen en zei: "Kinderen, kijk hier is een nieuw broertje, dat de Heer mij gegeven heeft om een heerser over jullie te worden, waartoe ik hem zal aanstel­len, opdat er orde onder jullie zal zijn en er een eind komt aan je getwist en geruzie. En hij zal jullie geboden opleggen en zal de getrouwen loven en de overtreders tuchtigen, opdat ook wij een volk worden, groot en roemrijk zoals de kinderen van God, die geen wetten nodig hebben, omdat zij de liefde hebben die ze vrij maakt, maar ons, vanwege mijn zonde, met voeten zullen vertrappen als wij wet­telozen en ordelozen niet iemand hebben die ons vertegenwoordigt en rechtvaardigt tegenover hun grote macht.

2. Zie, hun God is ook de onze; maar zij hebben aan Hem een goede Vader - wij echter een Rechter! De Vader kent hun liefde en Zijn oog en oor is met hen. Maar zo is het niet bij ons. Wij zijn aan onszelf overgelaten en kunnen handelen, zoals we maar willen; maar indien wij willen overle­ven, hebben wij wetten en orde nodig. Want anders kan nu de ene de andere naar willekeur in haat en nijd doodslaan en zo zal het vat van de gerechtigheid zich voortijdig vullen en wij zullen dan allemaal te gronde gaan aan de op ons neerkomende grote last van onze gruweldaden. Laten wij ons daarom hecht aaneen sluiten en samen grote en kleine ste­nen bijeenbrengen en een hoge en stevige woning voor hem maken. En voor ieder van ons bouwen wij een kleine woning in een wijde kring om de zijne, zodat hij allen kan overzien en hun doen en laten kan gadeslaan. Als vorst in jullie midden zal hij ech­ter vrijgesteld zijn van iedere arbeid en zal eten van wat jullie handen opbrengen.

3. Maar voor nu ben ik in naam van de gerechtigheid van God als vader jullie aller wetgever en wee degene die ongehoorzaam wordt aan mijn geboden! Mijn vloek zal hem hevig treffen; dan zal er echter geen erbarmen zijn in mijn hart voor de vervloekte, omdat er in mijn hart geen liefde meer woont, maar slechts gerechtigheid.

4. Zie, waar de liefde woont, is ook erbarmen en geldt het recht van de liefde; maar waar alleen maar gerech­tigheid woont, kan alleen gelden recht voor recht en gericht voor gericht, loon voor loon, trouw voor trouw, gehoorzaamheid aan de wet, het gericht voor de ongehoorzaam­heid, straf voor de overtreding, ver­vloeking voor verraad en dood voor dood.

5. En de inwijding van mijn uit­spraak zal zijn, dat ik nu voor jullie allen zweer bij de hemel en zijn onverbiddelijke gerechtigheid en bij de aarde, die hardvochtige woon­plaats van Gods vervloeking, dat het­geen ik zojuist aan jullie allen als vader en vorst heb medegedeeld, iede­re overtreder hard en strikt zal treffen. 6. Na mij komt jullie broer als je ware heer en wetgever volgens zijn rechtvaardig inzicht en vrije wille­keur, - bijgevolg zal hij ook vrij zijn van de wet, omdat ieder van zijn vrije handelingen voor jullie een wet wordt en moet blijven, totdat hij meent dat het goed is die weer op te heffen.

7. Hierbij is mijn wil aan jullie bekend gemaakt, handel ernaar en voer deze uit als jullie ter vermijding van het gericht, de strengheid van de gerechtigheid door de wetgeving voor de orde willen doorstaan. Dat gericht zou anders allen treffen, wanneer er niet rechtvaardig vastgesteld zou zijn: gericht voor gericht."

8. En zie, toen trokken zij allen weg en gingen aldus aan het werk om een stad te bouwen, en daaraan werk­ten zij zestig jaar. Omdat de bouwsels dikwijls instortten, hadden zij veel tijd nodig om de woning van de nieu­we vorst te bouwen en konden deze pas afmaken, toen Ik Hanoch in een droom getoond had hoe ze te werk moesten gaan. Want Ik had medelij­den met de arme kinderen, die bij deze bouw aan vele en zware mishan­delingen bloot stonden van de zijde van de tot dan toe weliswaar zeer ordelijke en rechtvaardige Kaïn, die zich streng aan de wet hield. Door grote schrik te verwekken en onder grote vrees en angst voor de straffen zonder genade of erbarming, leidde hij de zijnen als een tiran. In hem was geen liefde, maar rechtvaardigheid ten aanzien van gehoorzaamheid aan alle wetten. Daarbij dacht hij er echter niet aan, dat gehoorzaamheid die een gevolg is van grote vrees eigenlijk allerminst gehoorzaamheid is, maar pure eigenliefde. Want wie zichzelf liefheeft, houdt zich aan de wet uit pure vrees voor de altijd er op volgen­de zekere bestraffing als hij die wet overtreedt, omdat hij bijzonder veel medelijden met zichzelf heeft als hij de pijn van de straf in zijn hulpeloze zwakte ondergaat. Maar indien hij ook maar de geringste gelegenheid vindt om in zijn hart onopgemerkt te zijn, zal hij de wet en de wetgever ver­vloeken en de wet weldra met voeten treden.

9. En als dan zo iemand op de een of andere manier zich een grotere macht kan vergaren, dan stelt hij zich tweemaal zo gruwelijk boven de wet­ten, of die nu goed of slecht zijn en hij zal ze vernietigen en ongedaan maken tezamen met de liefdeloze wetgever. (N.B. Dat zouden ook alle leiders en wetgevers in deze tijd goed moeten bedenken; want ook hen wacht een dergelijk lot als zij menen dat vrees het enige middel is om de orde te handhaven met het daaraan verbonden voordeel van de stomme gehoorzaamheid van de slaven. Anders zullen zij allen spoedig op ruwe wijze ondervinden, welke vruchten de wetten die hun oor­sprong niet in zuivere, onbaatzuchti­ge liefde vinden, hen vroeg of laat zul­len brengen, hetzij hier, maar zeker altijd in het hiernamaals.)

10. Want zie, Kaïn handelde tot op zekere hoogte zo onmenselijk naar de wet, omdat hij van Mijn kant niet altijd genade en bereidwilligheid ondervond, wanneer hij na een boze daad tranen van berouw vergoot. Dat kon Ik evenwel niet doen, aangezien zijn berouw alleen het verlies van Mijn genade betrof, maar nooit op Mijn liefde was gericht.

11. En zie, wie op zo'n manier berouw heeft, die treurt niet vanuit het diepst van zijn hart om het verlies van het leven, maar veel meer om het verlies van zijn welzijn; en zijn berouw is daarom vals, omdat er hem niets aan gelegen is om tot een volko­men hereniging met Mij te komen. En als Ik hem dan ook zou willen geven wat hij niet wenst en wil, zou hij slechts de dood verwerven door een dergelijke verwisseling van wil, omdat de vrije wil het eigenlijke leven van de mens is.

12. En zie, dat was ook het geval bij Kaïn, omdat hij de liefde uitge­bannen had en daarvoor in de plaats de gerechtigheid aangreep, zonder er bij te denken dat er zonder liefde geen gerechtigheid is en dat de gerechtig­heid eigenlijk de hoogste liefde zelf is, zonder welke alles te gronde zou gaan en noodzakelijkerwijs moest gaan.

 

Hoofdstuk 23

De bevelen van Hanoch, de tiran

 

1. En zie, toen de stad geheel opge­bouwd was, nam Kaïn Hanoch mee en voerde hem de hoge woning bin­nen, die voor hem gebouwd was. Hijzelf droeg de hele volmacht over al zijn kinderen en ook over zijn klein­kinderen in hun tegenwoordigheid aan Hanoch over en verlangde van hem, dat hij aan hun allen wetten zou geven volgens zijn juiste inzicht en volgens zijn eigen goeddunken en daarom zei hij:

2. "Zie, Hanoch, hier in deze alleen voor jou gebouwde woning draag ik al mijn vaderlijke rechten met alle macht en al het gezag aan jou Over om mijn, jouwen al hun kinde­ren autonoom te leiden door wetten, gemaakt naar jouw eigen goeddun­ken, die zij als heilig dienen te beschouwen; want het is niet belang­rijk hoe de wet luidt, want op zichzelf

stelt deze weinig voor, maar het komt aan op de stipte naleving ervan en daarom zal voortaan gelden: 'Wie ernaar handelt, handelt juist, - maar wie ertegenin gaat, staat geheel in het ongelijk!', en er moet dan altijd ge­straft worden met de zwaarte van de overtreding als maatstaf.

3. En dan zullen wij door zo te handelen vrij worden en niet door de wet aan welks geaardheid niets gele­gen is, maar alleen aan het in acht ne­men ervan.

4. Jij als wetgever bent echter vrij om je er niet aan te houden, omdat jouw vrijheid ter wille van de wet hei­lig moet zijn; want als ook jij aan de wet gebonden zou zijn, zou deze je slechts belemmeren om in de noodza­kelijke vrije sfeer te werk te gaan, omdat je er dan zelf in gevangen zou zijn. Daarom moet jij erbuiten staan, net zo vrij als iemand die geen wetten kent; maar iedere handeling van jou moet voor hen, omdat zij degenen zijn die geheel aan jou zijn overgele­verd, als de strengste wet gelden en als je iets wilt, dan moeten zij handelen zoals jij dat wilt, - en daarom moet alles wat ze doen of laten slechts in overeenstemming met jouw wil zijn."

5. En toen opende de nieuwe vorst zijn mond en sprak op zeer gebieden­de toon: "Mijn onderdanen, luisteren jullie allemaal, zowel de mannelijke als de vrouwelijke! Niemand beschou­we ooit wat dan ook als zijn eigen­dom, maar slechts als het mijne, opdat er aan het onderlinge ruziën en twisten een einde komt! Daarom zul­len jullie in de toekomst alleen mij dienen en alleen ten behoeve van mijn voorraadkamers werken; afhan­kelijk van je vlijt zullen jullie te eten krijgen en de meest getrouwen zullen mij dichter mogen naderen dan de minder getrouwen en de opzieners en de voltrekkers van het recht en de uit­voerders van de gerechte straffen zul­len betere kost krijgen. Wee de onge­hoorzamen! Die zal ik naar de bergen laten verdrijven en de dieren daar zul­len ze wurgen en verscheuren. Maar degenen die mijn wetten uit traag­heid, onopmerkzaamheid en uit licht­zinnigheid overtreden, zullen tot bloedens toe met roeden getuchtigd worden; maar degenen die het zou­den wagen mij in wat voor opzicht dan ook tegen te spreken, zullen met slangen getuchtigd worden tot in het merg van hun gebeente en hun tong zal uitgetrokken worden en aan de slangen worden toegeworpen als voedsel. En wie mij met schele ogen aan zal kijken, zijn ogen zullen uitge­stoken worden, zodat hij voortaan zijn vorst niet meer kan zien. De trage echter zal een lastdier worden en zal als een lastdier behandeld worden met stokken en knuppels, zodat zijn voeten vlugger en zijn handen rapper worden.

6. Verder geef ik jullie geen andere wet dan de striktste gehoorzaamheid aan al mijn vrije wensen en bevelen, die ik op ieder moment van de dag alsmede van de nacht zal laten uit­vaardigen, amen."

7. En zie, toen schrok zelfs Kaïn en ook alle overigen schrokken mateloos en gingen geheel ontdaan uit de woning van Hanoch en verwensten in hun hart hun onmenselijke vader Kaïn, die hen als dank voor de enor­me inspanningen zo'n erbarmelijk lot had bereid.

8. En toen het dan avond werd, kregen zij allemaal honger en durfden niet te eten en gingen treurig naar Hanoch en zeiden: "Heer, wij hebben de hele dag gewerkt, geef ons dus ook te eten, zoals je beloofd hebt!"

9. Maar Hanoch richtte zich op en zei: "Waar zijn de vruchten van jullie arbeid? Breng die hier en laat ze me zien en breng ze naar mijn voorraad­kamers, dan zal ik ieder laten geven waar hij recht op heeft!"

10. En ze gingen heen en brachten hem wat hun bevolen was, de een veel, de ander weinig en ze legden alles voor zijn voeten neer.

11. Maar Kaïn en zijn vrouw brachten niets, omdat zij in de mening verkeerden vrijgesteld te zijn. En zie, toen verdeelde Hanoch de vruchten en zei: "Wie gewerkt heeft, zal ook eten; wie echter niet gewerkt heeft, zal ook niet eten."

12. En zo moesten Kaïn en zijn vrouw voor deze keer vasten. En zie, toen verliet Kaïn met zijn vrouw wenend de woning van Hanoch en vond ook geen enkel medelijdend hart onder al zijn kinderen en klein­kinderen. Hij ging toen op het veld en at daar van de overgebleven vruch­ten; en omdat er voor hem geen woning neergezet was, overnachtte hij met zijn vrouw onder de vrije hemel.

13. En toen zijn kinderen de vol­gende dag daar weer kwamen om te werken, vonden zij hem al bezig met het verzamelen van vruchten. "Kijk", zeiden ze, "hij werkt voor de eerste maal op dit land; dat is zijn verdiende loon, want zo heeft hij het gewild: recht, in plaats van liefde!"

14. En zie, toen zij nu weer onafge­broken gewerkt hadden tot het mid­den van de dag, sommige verzamel­den vruchten, andere bouwden nog meer huizen en woningen en voor­raadkamers en sommige dienden hun vorst en zijn vrouwen zijn kinderen om het hen gemakkelijk te maken, kwamen allen weer naar zijn hoge woning en brachten hem vruchten en andere tekenen van hun vermoeiende harde werken en verlangden te eten waar zij recht op hadden, ook Kaïn met zijn vrouw.

15. En zie, toen verhief Hanoch zich met grimmige ernst en zei: "Hoeveel keer per dag willen jullie dan eten?! Denk je nu dat ik die vruchten voor jullie laat verzamelen, opdat je dan onbekommerd gevoerd kunt worden?! Waarvan zal ik dan leven en mijn bedienden, wier zaak het niet is te werken zoals jullie, maar hun heer op handen te dragen?! Verdwijn daarom uit mijn ogen en laat geen van jullie allen het ooit meer wagen de drempel van mijn hoge huis te overschrijden! Van nu af aan zal ik dagelijks voor mijn huis de vruchten door mijn dienaren in ontvangst laten nemen; jullie echter kunnen mond­jesmaat eten van de vruchten die van­zelf van de struiken en bomen zijn gevallen, - dat geldt voor de verzame­laars en ook voor hen die bouwen. En dit is een nieuw gebod voor jullie, waaraan je je heilig hebt te houden; wee de overtreders!"

16. En zie, toen nam Kaïn het woord en vroeg heel treurig en diep ontroerd aan Hanoch: "O Hanoch, grote vorst, mijn gewezen zoon, zeg me recht vanuit je hart en naar waar­heid, zijn je vader en moeder niet uit­gezonderd van alles wat je wijs en naar eigen goeddunken je onderda­nen hebt bevolen? En moet ik dan gelijk gesteld worden aan mijn kinde­ren, gebied dan dat zij ook hun vader en moeder van voedsel moeten voor­zien, want wij zijn aloud, afgemat en zeer zwak geworden. Of sta mij gena­dig toe hier vandaan te trekken tot aan het eind van de wereld, opdat ik de grote ellende van mijn. kinderen niet langer aan hoef te zien, daar zij onder het zware juk van de vrije gerechtigheid versmachten."

17. En zie, toen zei Hanoch: "Wat vraag je me nu?! Doe ik het dan niet goed als ik volgens de leer en de macht die jij me gegeven hebt, han­del?! Je hebt toch zelf niemand anders dan mij boven de wet gesteld en je hebt voor jezelf geen uitzondering gemaakt! Waarom wens je dat dan nu wederrechtelijk van mij en wil je mij daardoor ertoe dwingen op jou, de eerste wetgever, de strenge gerechtelij­ke gevolgen voor ongehoorzaamheid toe te passen om een afschrikwekkend voorbeeld voor de anderen genade­loos duidelijk te maken?! En indien ik zo handel, doe ik dan onrecht?! Omdat er bij ons geen liefde heerst, maar alleen het zuivere recht, hoe kun je je dan uitspreken tegen de wetten van mijn vrije willekeur om de een of andere uitzonderlijke genade te ver­krijgen, die niet strookt met de rech­ten van de wetten van je vorst?! Dat je mijn vader bent, wat gaat mij dat aan?! Ik ben door jou zo geworden, zonder dat ik het onder wat voor voorwaarde dan ook heb willen wor­den! En jij hebt mij immers buiten mijn wil verwekt en mij zonder dat ik het wilde tot een vorst gemaakt! Vertel me eens, welke verplichting ik, gerechtelijk bezien, ten opzichte van jou heb, omdat ik nu geheel buiten mijn wil, zuiver toevallig tengevolge van jouw wellust werd en ben wat ik ben en zoals ik ben, omdat ik niets te willen had en ook geen enkele voor­waarde kon stellen en een vorst werd als gevolg van jouw eerzucht!

18. Vlucht dan uit mijn ogen waar­heen je maar wilt, opdat de bittere gevolgen van de gerechtigheid je niet achterhalen! Dat zal de enige genade zijn die ik vrij vanuit mijzelf je zal schenken, omdat ik kan doen wat ik maar wil; ga dus nu en vlucht!"

 

Hoofdstuk 24

De uittocht van Kaïn naar de zee

 

1. En zie nu, toen begon Kaïn te wenen en vertrok daar vandaan met zijn vrouwen vier kinderen, twee van het mannelijke en twee van het vrou­welijke geslacht, en bereikte na veer­tig dagen de kust. Hij schrok van de aanblik van het grote water, omdat hij stellig geloofde het einde van de wereld bereikt te hebben. En hij dacht: als Hanoch mij nu vervolgt, waarheen zal ik dan vluchten?

2. Voor mij ligt het einde van de wereld en links en rechts zijn hoge bergen die ik niet mag betreden en het genadige oog en oor van de Heer is voor mij gesloten. Ook zie ik hier louter vreemde, ongezegende vruch­ten; wie zou die durven eten? En onze voorraad die wij meegenomen had­den is nu ook verbruikt! - Wat zal ik nu doen?

3. Ik wil daarom nog eens proberen een luid geroep tot de Heer te rich­ten; Hij zal me verhoren, of Hij laat ons ten onder gaan en zo zal het met ons dan tenslotte toch vergaan naar Zijn wil, die wij al die tijd in onze grote verblindheid zeker niet hebben herkend.

4. En zie, toen begon Kaïn na een tijdsverloop van zevenenzeventig jaar weer tot Mij te bidden, drie dagen lang, dag en nacht zonder ophouden en hij riep aan één stuk door: "Heer, Gij rechtvaardige, Gij liefderijke, zie vol genade neer op Uw grote schulde­naar en doe met mij naar Uw heilige wil!" En deze woorden herhaalde hij vele duizenden malen.

5. En Ik kreeg medelijden met hem, omdat hij zo sterk en eindeloos ellendig riep. Zie, toen zond Ik Abel in een vlam gehuld naar hem toe en Abel sprak tot hem met de woorden die uit Mij kwamen en zei: "Kaïn, sta van de grond op, kijk me in mijn gezicht en zeg me of je mij nog her­kent!"

6. Toen stond Kaïn op en bekeek vol vrees de vlam en herkende die niet, noch aan de stem noch aan de gedaante, en toen vroeg hij, bevend van zeer grote angst: "Wie ben jij dan, vreemd wezen in die vlam?"

7. En Abel antwoordde hem: "Ik, je broer Abel, sta voor je in de vlam van de goddelijke liefde! Wat wil je dat er nu met je gebeurt?" - "O broer", zei Kaïn, "jij bent het dus, ­zie, ik heb geen wil meer! Mijn zoon Hanoch heeft mij alles afgenomen, ook mijn wil; nu heb ik geen wil meer, en zie, in het bestaan dat we nu leiden, zijn wij allen zonder wil! Daarom kan ik niets anders zeggen dan: mij en ons allen geschiede vol­gens de heilige wil van de Heer!"

8. Toen zei Abel: "Luister dan nu! Het is de wil van de Heer mijn Vader en jouw God, dat jullie zonder vrees of schroom van alle vruchten zullen eten, die je hier maar vinden kunt; want de slang heeft je naar hier ver­dreven en is met al haar gif achterge­bleven bij je kinderen in de stad Hanoch en zal jullie niet meer lastig vallen. Want zodra de mens zijn wil heeft weggegeven, is er voor het boze gebroed niets meer te doen; maar wie zijn wil ondergeschikt heeft gemaakt aan de slang, die is haar gevangene en het einde van zijn invloed is nabij gekomen.

9. Wie echter ontsnapt is uit haar nu krachtig geworden strikken en op die manier de laatste druppels van zijn wil heeft gered en deze voor het aangezicht van Jehova op de aarde heeft neergelegd, die zal vanuit Hem een nieuwe wil gegeven worden, opdat hij in het vervolg als werktuig van de Heer zal kunnen handelen. En zo is het ook voor jou de wil van de Heer, dat jij in het vervolg naar Zijn wil zult handelen; en mochten de nakomelingen van Hanoch te eniger tijd jou of je familie vinden, dan zul­len zij jou en je familie niet herken­nen, omdat de liefde van de Heer jul­lie voorgoed geheel zwart zal branden.

10. En de naam 'Kaïn' zal van je weggenomen worden en een andere naam zal je gegeven worden en die luidt 'Atheope', dat wil zeggen 'de wil­loze naar de wil Gods'. Als zodanig moet je met je familie een zeer grote stevige mand vlechten van riet en bie­zen, zeven manshoogten lang, drie manshoogten breed en één mans­hoogte hoog, en deze moet je dan met hars en allerlei pek dichtmaken. En als je dit dan vlijtig gedaan hebt, moet je deze bij het grote water plaatsen en veertig dagen lang vruchten verzame­len; en als je dat gedaan zult hebben, leg dan de vruchten in de mand en ga tenslotte met z'n allen aan boord!

11. En dan zal de Heer vanuit het grote water een grote vloed op laten komen; die zal de mand met jullie erin opheffen en zal je wegdragen naar een ver land midden in dat grote water en daar zul je volkomen veilig zijn voor alle vervolgingen van Hanoch.

12. En in dit grote water zullen in de nabijheid wijd en zijd verspreid kleine stukken land liggen en als er teveel van jullie op één stuk land komen, zoek dan het naastbij gelegene op en zo voort, en bevolk volgens de wil van de Heer langzamerhand alle kleine stukjes land in de grote wate­ren.

13. En als jullie de Heer niet zullen vergeten, dan zal Hij je eens een groot vasteland geven om te bewonen, daar zullen jullie blijven tot aan het einde van de wereld, nadat het eerst van te­voren gereinigd zal worden door de er spoedig op neerstortende watervloe­den. Deze zullen de nakomelingen van Hanoch verstikken en doden en ook zeer veel kinderen van God, die zich door de schone dochters van Hanoch zullen laten vangen.

14. Deze vloedstromen zullen jullie willozen evenwel niet bereiken, omdat de wil van de Heer je op de wateren van Zijn grote erbarmen geplaatst heeft. - En als jullie het een of ander nodig zouden hebben, dan weet je immers zonder meer waar de grote Gever is, die jullie niet zal verla­ten als je Hem in je hart niet zult ver­laten.

15. En jij Kaïn, kom nu dichter bij!" En zie, toen liep Kaïn naar zijn in vlammen gehulde broer Abel en Abel omarmde hem en zo werd hij zo zwart als kool en zijn haren werden gekroesd. En dat gebeurde ook nog bij de vijf anderen.

16. En toen zei Abel: "Nu, broer Atheope, ben je bevrijd van elke schuld, want die is achtergebleven bij Hanoch en handel dan voortaan naar de wil van de Heer! Amen."

 

Hoofdstuk 25

De ontwikkeling van Kaïns geslacht

 

1. En zie, toen verdween Abel, en Atheope at voor de eerste keer in zijn leven geheel opgewekt en blij van de vruchten en deed precies zoals hem bevolen was.

2. En zo bevolkten dan zijn laatste nakomelingen alle eilanden in de wateren tot op de dag van vandaag en na de grote verdelging van het slan­genbroedsel door de vloedstromen uit de hemel, ook de grote werelddelen die jullie heden Afrika', 'Amerika' en 'Australië' noemen. En zijn stam is niet gedood door de vloedstromen en is tot op heden nog dezelfde, om te getuigen van de toenmalige en heden­daagse gruweldaden van Mijn en Hanochs kinderen.

3. En zie, zo leeft deze Atheope nog, natuurlijk en geestelijk, tot op dit moment als een niet aflatende waarnemer van jullie doen en laten, verborgen op een klein eilandje, dat geen sterveling ooit zal vinden in het midden van het grote water!

4. En zie, hij at en dronk allerlei soorten vruchten en verwekte in de volgende duizend jaar nog zevenhonderd kinderen. Toen echter werd hij door Mij vernieuwd en at en dronk niet meer, omdat hij voor de eeuwig­heid verzadigd werd door Mijn liefde, dat is de beste kost die er is. Want wie daarmee verzadigd wordt, zal de dood voor eeuwig niet zien, smaken en ondergaan en hij zal dan nooit hon­ger of dorst hebben. En zijn sterven zal een levend uittreden zijn uit dit leven naar het leven in het leven des levens van de levenden, door de Levende die Ikzelf ben.

5. En aldus verzadigd leeft Atheope nog tot op dit uur lijfelijk als de eerste mensenzoon in de wijdse aanblik van de aarde en kan het doen en laten van alle mensen bezien en is dientenge­volge een oude getuige van al Mijn daden tot aan jullie toe.

6. Hij kende Noach, Abraham, Mozes, alle profeten en Melchizedek, de hogepriester.

7. En hij was getuige van Mijn geboorte en Mijn nieuwe schepping door het grootste van al Mijn werken, namelijk door het werk van de verlos­sing. En zo zal hij ook bewaard blij­ven tot aan het volledige nederdalen van Mijn heilige stad, hetgeen zojuist een aanvang heeft genomen. Aldaar zal hij ook geheel opgenomen worden als een trouwe poortwachter; want buiten Mijzelf kent niemand de slang zo door en door dan hij, die de mees­ te hinder van haar heeft ondervon­den.

8. En zie, dat is de geschiedenis van Kaïn, die nu aan jullie gegeven is om rijpelijk over jezelf na te denken, opdat je daardoor des te eerder en des te gemakkelijker de fijnste wortels van het boze in jezelf mag vinden en herkennen om die tot in hun diepste grondslagen te vernietigen, om zodoende in Mijn liefde het reeds zo lang verloren paradijs weer te vinden en eindelijk ware, getrouwe burgers van Mijn nieuwe, grote, heilige stad te worden, omdat Ik voor jullie alle­maal de allertrouwste, heiligste en allerbeste Vader ben van alle eeuwig­heden der eeuwigheden. Amen.

 

Hoofdstuk 26

Hanochs goddeloze regering

 

1. En wend nu je blik een korte tijd terug naar Hanoch en Ik zal jullie nog in het kort tonen, hoe het er daar al na een tijdsverloop van pas dertig jaar heeft uitgezien.

2. En zie, Hanoch had nu de mooi­ste vrouw voor zichzelf uitgezocht en daarnaast nog twee bijvrouwen en bedreef mateloze ontucht met hen. Daardoor werd zijn verstand zo vrese­lijk verduisterd, dat hij zijn regering helemaal vergat; en de weinige ge­dachten waartoe zijn denken nog ter­nauwernood in staat was, waren alleen nog maar gericht op een goed leventje, pracht, zachte kleren en hoe­rerij.

3. Als zijn onderdanen hem maar zeer vele en goede gerechten van aller­lei soort vruchten brachten en zeer veel glimmende dingen voor zijn huis en erg zachte kledij, gevlochten van de fijnste grassoorten die aan de voet van de bergen groeiden, dan was hij daarmee ook al volledig tevreden en liet daarbij de wetten de wetten en de regering de regering.

4. Maar zie, toen merkten zijn onderdanen dat hij lauw geworden was en zij maakten gebruik van zijn blindheid. Toen merkten ook zijn dienaren hoe de zaken ervoor stonden en zij waren zo slim en zo sluw als de slang zelf, en probeerden daarom hun heer voortdurend op alle mogelijke manieren in slaap te wiegen en veroorloofden ook op leugenachtige wijze - als ware het op aansporing van de inschikkelijke vorst - aan de onder­danen alle mogelijke vermakelijkhe­den, als zij aan hen maar heel vlijtig hun steeds in aantal toenemende gaven afleverden.

5. En zie, toen deze dienaren nu zagen dat zij ongestraft konden doen wat zij wilden, begonnen zij te rege­ren en gaven wetten aan de onderda­nen; ten eerste moesten zij de vorst door allerlei offers een goddelijke ver­ering betonen en ten tweede moest de mooiste dochter van de een of andere onderdaan aan de vorst worden gege­ven; en de onderdaan die de gelukki­ge gever zou zijn, werd ontheven van alle leveringsverplichtingen en hij zou zijn huis in eigendom bezitten, hij zou toegang hebben tot het huis van de vorst en zou zich met diens diena­ren kunnen onderhouden en hij zou ieder jaar eenmaal zijn vorst mogen aanschouwen en hem bedanken voor zo'n grote en vererende genade.

6. En zie, daarmee had de slang een waarlijk geniale streek uitgehaald, zoals jullie dat zeggen! Want nu begonnen de ouders hun dochters altijd thuis te houden en besteedden er alle aandacht aan, dat zij alleen maar erg lieflijk en mooi werden, om daardoor misschien eens de staat van vrijheid te bereiken. En zo'n schoon­heid keek dan het gewone volk niet meer aan, omdat zij dacht dat ze bestemd was voor de vorst.

7. Maar wat gebeurde er nu door dit wederzijdse bedrog? Niets meer of minder dan het allerergste wat je je maar in je diepste gedachten kunt voorstellen, namelijk: de dienaren trokken uiteindelijk de hele regering naar zich toe onder het sluwe voor­wendsel, dat zij, die zeer goed van de tongriem waren gesneden, aan de vorst duidelijk maakten dat hij nu niet meer een vorst, maar een god van het volk was en dat het een vernede­ring zou zijn tegenover zijn oneindige hoogheid en onuitsprekelijke verhe­venheid, die nu goddelijk was, om de aardwormen wetten te geven. De die­naren wilden uit onmetelijke hoog­achting voor zijn boven alles verheven heiligheid deze vernederende zaak op zich nemen; en zodoende zou hij niets anders hoeven te doen dan alleen maar door middel van een wenk zijn welgevallen of zijn misach­ten te uiten en de schatten, die zij in grote hoeveelheden voor hem zouden verzamelen, goedgunstig en genadig aan te nemen.

8. Overigens mocht hij zich slechts eenmaal in het jaar aan het volk ver­tonen, waarbij dan iedereen voor hem zou neervallen en hem liggend in het stof aanbidden; en indien hij dan een van die bestofte wormen een bijzon­dere genade wilde bewijzen, dan mocht dat gebeuren door een ferme trap met zijn heilige voet op de kop van die worm.

9. En indien zo iemand deze hoge genade deelachtig mocht worden, bij­voorbeeld vanwege het offeren van een mooi, aantrekkelijk meisje, dan zou deze persoon meteen van de aarde opgetild worden en hij zou de goddelijke verhevenheid van de heer van alle macht en kracht aanschou­wen en zou daarna een vrije burger worden van de heilige stad van de ver­heven god Hanoch.

10. En zie, deze listige redenering van zijn dienaren streelde zijn egoïsti­sche ijdelheid zo zeer, dat hij meteen alles geheel inwilligde. O, wat een ontzaglijk grote dwaas!

11. En zie, nu hadden de dienaren bereikt waarnaar zij al lang gestreefd hadden, namelijk de wetgeving, bestraffing en hiermee de hele rege­ring en zo kwamen er in plaats van één, tien vorsten, die ook niet het geringste onderscheid maakten tussen mensen, hun broeders en de andere dieren en hen alleen maar onderver­deelden in dieren met verstand en dieren zonder verstand. En alleen als een willekeurig met rede begaafd dier het een of andere sluwe, boze plan in hun voordeel tot een goed einde had gebracht, werd hem het recht gegeven zich ook een mens te mogen noemen.

12. En toen nu deze tien vorsten zagen hoe hun wetten blindelings gehoorzaamd werden door de dier­mensen, - natuurlijk als gevolg van de zeer grote vrees voor de eindeloze mishandelingen, - koos ieder van hen langzamerhand eveneens tien diena­ren uit de vrije burgers van de stad en verhief hen in een soort adelstand, tezamen met hun vrouwen en kinde­ren. Daartegenover moesten evenwel hun dochters, als zij hun mooi en bekoorlijk genoeg voorkwamen, vrij­willig als hoeren aan hen worden gegeven. Zij verwekten kinderen bij honderden en duizenden tegelijk, die dan allemaal weer aan de diermensen overgeleverd werden om gevoed te worden; en wanneer ze volwassen waren, werden de mannelijken even­eens bij de diermensen ingedeeld, maar de vrouwelijke werden weer als hoer gebruikt, daar zij door een list Van de slang meestentijds zeer mooi en bekoorlijk werden. Zij werden dik­wijls reeds op hun twaalfde jaar besla­pen en werden daardoor onvrucht­baar gemaakt. En als zij dan na korte tijd al hun bekoring verloren hadden, werden zij uitgestoten naar de dieren en moesten hiervoor zorgen en wer­den 'Huhorae' genoemd, dat betekent bij jullie 'mensen, die het vee verzor­gen'.

13. En zie, zo ging men meer dan dertig jaar door op deze wijze te leven. Toen echter, omdat de mensen zich op deze ontuchtige manier ver­meerderd hadden tot vele honderd­duizenden en zich wijd en zijd over het land verspreid hadden en daar­door niet meer overzien konden wor­den, werden met de argeloze toestem­ming van Hanoch, hun nu geheel krachteloze en dadeloze god die nooit ingreep, nog eens tien steden gebouwd en deze werden vernoemd naar de namen van de tien vorsten, en deze heetten:

14. Kad (de dief), Kahrak (de hoe­renmeester), Nohad (de bedrieger), Huïd (de boze), Hlad (de koude), Uvrak (zaad van de slang), Farak (de gruwelijke), Molakim (de leugenaar), Uvrahim (de fijne vleier) en Thahirak (de grote zondaar).

15. En zie nu, ieder van deze ste­den werd gebouwd volgens het voor­beeld van de stad Hanoch; en zodoende werd er ook in het midden van elk een hoge burcht gebouwd gelijk aan de hoge woning van Hanoch en deze werd omgeven door een muur en een gracht. En bedenk dat de mensen toen geen werktuigen hadden zoals harken, spaden, houwe­len en pikhouwelen; daarom moesten zij hun handen gebruiken en als woel­muizen met hun vingers in de grond wroeten!

 

Hoofdstuk 27

De politiek van de raadsheren van Hanoch

 

1. Ik wil de mishandelingen die bij zo' n bouw plaatsvonden niet geden­ken, maar Ik wil jullie naar de hoofd­zaken leiden. - Toen nu de steden geheel gebouwd waren, gingen de tien vorsten naar Hanoch en zeiden: "Hanoch, gij grote verheven god van alle macht en kracht (N.B. ofschoon hij al zwakker was dan een mug en helemaal geen macht meer bezat) en allergrootste heer van alle gerechtig­heid (N.B. waaraan niets anders dan diefstal, hoererij, bedrog, al het boze, gevoelloosheid, slangenbroedsel, wreedheid, leugens, vleierij en allerlei soorten misdrijven ten grondslag lagen)! Zie, onder de meest wijze lei­ding van uw grenzeloze, onbegrijpelij­ke en onnaspeurbare gerechtigheid is uw volk groot geworden (N.B. Het was waarlijk een grenzeloze, voor hen geheel onbegrijpelijke en meer nog, geheel onnaspeurbare gerechtigheid) en heeft zich verspreid over heel het wijdse land van uw goddelijke heer­lijkheid en is daarom niet meer te overzien vanuit uw hoge huis en als wij ze niet in het oog houden, dan zullen ze doen wat ze willen; ja, zij kunnen zelfs zo ver afdwalen, dat zij in plaats van u, aan wie alleen toch alle aanbidding toekomt, weer de oude God van Kaïn beginnen aan te roepen en te aanbidden en het zou

diezelfde oude God toch weer eens te binnen kunnen schieten, iemand van hen te verhoren en hem met een onoverwinnelijke macht toe te rusten, waarna hij dan een groot volk om zich heen zou kunnen verzamelen, ons overvallen en ons tenslotte alle­maal vernietigen. (N.B. Zulke zorgen passen heel goed bij zo'n machtige god!)

2. Uiteindelijk zouden wij ook niet genoeg goede dienaren hebben om overal heen te gaan ten einde de vruchten af te nemen en hiernaartoe te brengen; en tenslotte zouden deze dienaren ons onderweg te slim af zijn en zouden uiteindelijk zelf alles ver­bruiken, wat slechts voor u, o grote god, door de aarde gehoorzaam werd voortgebracht!" (N.B. Dus uit angst te verhongeren, begon de grote god zich zorgen te maken?!)

3. En zie, toen kwam Hanoch in grote verlegenheid en wist niet wat te doen, omdat hij nooit eerder verno­men had hoe zeer zijn volk zich ver­meerderd had. Tenslotte stond hij op en zei met krijsende stem vol angst: "Hoe zou het zijn, als wij hen die teveel zijn geleidelijk aan ombrachten en doodden en ze terugbrachten tot het oorspronkelijke aantal zwakken en moedelozen?! Wat vinden jullie daarvan, mijn getrouwen?" (N.B. Een prachtig voornemen van de goddelij­ke gerechtigheid!)

4. En zie, toen zeiden de tien: "O allerrechtvaardigste god, overweeg wat mogelijk en wat onmogelijk is! (N.B. De meest wijze, machtigste en rechtvaardigste god moest zich dus ook door zijn dienaren over het mogelijke en het onmogelijke laten voorlichten!) Want zie, ten eerste zou­ den zij u en ons in enorme aantallen overvallen en ons allemaal vernietigen als wij er maar één zouden doodslaan, en ten tweede, denk aan het vat boven de sterren waarvan Kaïn ons vaak verteld heeft en wat er gebeuren zal als wij zouden beginnen met het bedrijven van gruwelijkheden!" (N.B. Dus had de grote machtige god toch nog angst voor de oude God?!)

5. En zie, toen zei Hanoch tegen hen: "Luister en verneem mijn wil, die krachtig klinkt: ieder van jullie, mijn tien trouwste dienaren, betrekt een van de tien steden en heerst daar en regeert daar uit mijn naam en geeft wetten volgens het juiste inzicht en besef en zorgt ervoor dat die nauw­keurig en streng opgevolgd worden! Als een van jullie ooit in ijver zou ver­slappen, dan zal ik de trouwste en ijverigste uit jullie midden boven hem plaatsen. Ik zal jullie beoordelen naar de inbreng van de vruchten! De eerste die de aan mijn heilige verhevenheid verschuldigde gaven zal brengen, zal ook de lof van de gerechtigheid als eerste oogsten en ik zal het weinige van hem aannemen als ware het veel; maar zij die later komen moeten veel brengen en ik zal het aannemen als ware het slechts weinig, omdat ik daaruit hun laksheid zal afmeten en hen voor hun handelwijze een terech­te lof of een terechte berisping zal doen toekomen; en de laatste zal overgeleverd worden aan de eerste, opdat zijn inzet en nauwgezetheid in alle rechtvaardige zaken zal toene­men. Want de strenge rechtvaardigheid is de enige grondslag van het rijk dat we hebben en zelf helemaal bezit­ten.

6. Dat is mijn rechtvaardige en gestrenge wil, omdat jullie en alle vrije en dienstbare onderdanen geen andere kunnen hebben en ook niet zullen hebben, want ik ben jullie god en heer. Eens is er wel de een of ande­re oude God geweest, die ook zeer machtig was zolang Hij rechtvaardig was; maar Hij zou toen Zijn recht­vaardigheid hebben laten vallen en was even goed voor de boosdoeners als voor de rechtvaardigen vanwege een zekere liefde, die overeenkomt met onze geestdrift voor mooie vrou­wen en Hij heeft zich daardoor geheel te gronde gericht en is nu niet meer.

7. Vandaar dat ik nu zijn plaats inneem, zoals jullie mij hier zien; daarom zal het aanroepen van de oude God weinig baten, omdat hij nergens en niets meer is. Vandaar dat je je in alle aangelegenheden tot mij, die nu alle macht en gezag in zich heeft, moet wenden! Amen."

8. (N.B. Dergelijke en nog veel slechtere afschilderingen van Mij moet Ik heden ten dage horen uit de mond van vele honderdduizenden, die hun volslagen onbegrip vanwege hun geheel verduisterde verstand ­een vermogen dat alle dieren door middel van hun scherpe zintuigen hebben - op Mijn troon zetten en zichzelf tegenwoordig geen 'goden' meer noemen - omdat deze naam zo gewoon en kinderlijk nederig klinkt -, maar zich 'filosofen' of 'wereldwijzen' en verder nog 'geleerden' of allerlei soort 'doktoren' noemen. Dit verduis­terde slag mensen wil Mij zelfs dwin­gen eerst bij hen in de leer te gaan, als Ik een God zou willen zijn in deze zeer verlichte tijd van de supergeleer­den; Ik beweer echter dat een regen­worm verstandiger is dan zij, ofschoon die slechts één zintuig heeft. Ik zeg jullie dat deze heren spoedig  zeer grote ogen zullen opzetten en toch niet meer zullen zien dan een woelmuis in de aarde, en met gespitste en zeer lange oren niet meer zullen horen dan een vis in het water, omdat die geen stem en ook geen gehoor heeft.)

9. En zie, dat was voor de tien vor­sten nu juist een goede, onuitputtelij­ke hoeveelheid koren op hun molens; want Hanoch was aan hun stille wen­sen tegemoet gekomen en gaf hun een streng gebod, dat hun juist goed van pas kwam. Want nu pas waren zij als het ware gerechtigd ieder denkbare wandaad te bedrijven en het volk en hun domme god te bedriegen.

(15 mei 1840) 10. En zie nu: toen dus de god Hanoch zijn rede had beëindigd, stuurde hij zijn tien dienaren weg. Deze gingen heen, naar hun uiterlijk te oordelen diep geroerd door zo'n geweldige toespraak; maar in hun hart waren zij buitengewoon vrolijk over de grote dwaasheid van Hanoch, die uit vrees en door allerlei zorgen hun eigen wil tot enige wet gemaakt had en er op het einde zelf van over­tuigd begon te raken dat hij een god was. Maar wat het laatste punt betrof vergisten zij zich deerlijk; want Hanoch wist voor zichzelf heel goed dat hij geen god was, omdat zijn zwakheid en algehele uitputting maar al te duidelijk aantoonden hoe het er met zijn goddelijkheid voorstond!

11. Maar hij wilde slechts de ande­ren in hun grove blindheid laten en die versterken en god zijn ter wille van het gewin en hij dacht: "Voor de blinden is het goed prediken; want die kunnen zwart niet van wit onder­scheiden en houden de dag voor een nacht en omgekeerd!" Maar hierin vergiste óók hij zich. En zo heerste er tussen hen een rare verhouding, waar­bij de ene de andere steeds voor de dommere en zichzelf voor de grotere hield.

12. En toen ze nu weer in hun ver­blijven tezamen kwamen, begon Kad met een redevoering die tot hen allen was gericht en zei: "Nu mijn broe­ders, wij die Kaïn nog als vader heb­ben en de aartsvader Adam hebben gezien en de aartsmoeder Eva, die niet gekend en gezien is door Hanoch, die evenmin ooit Adam zal zien. Zie, Kaïn, onze vader was een boosdoener zoals geen van ons het ooit was en nooit zal zijn, en omdat hij zich tot de God van Adam wendde, gaf die hem wat hij wilde.

13. Nu, wat hebben wij dan nog meer nodig?! Wij weten en zijn oog­ en oorgetuigen van Zijn grote daden; eveneens weten wij, waar de grote Machthebber woont! Laten wij doen wat Kaïn in zijn nood en ook in tij­den van overvloed deed, - en wees ervan verzekerd dat spoedig bewezen en aangetoond wordt, wie de eigenlij­ke heer in het land van de diepte is! Laat daarom ieder van ons voor deze God een altaar oprichten en Hem de vruchten van het land offeren en de zeggenschap zal dientengevolge niet achterwege blijven; en dan zal de dwaas Hanoch wel heel lang kunnen wachten op de majesteitelijke schat­ting van zijn ingebeelde heiligheid van ons, wij, die Adam en Eva nog gezien hebben!"

14. En zie, toen Kad zijn toespraak had beëindigd, verhief Kahrak zich en zei: "Broeders, als het zo ligt, dan staan wij voor een gewonnen zaak! Zie, wat mij betreft ben ik het volko­men met Kad eens; we zouden toch wel grotere dwazen zijn dan de hele Hanoch, als wij, die machtiger zijn, hem voor niets anders zouden voeden dan om zijn dwaasheid te versterken en hem daarenboven ook nog zouden vetmesten, zodat hij er nog meer naar zou haken om onze mooiste vrouwen te beslapen? Wij moeten, zoals jullie allemaal weten, het ook nog als een uitzonderlijke genade beschouwen, wanneer hij er een voor ons overlaat als ze hem niet meer bevallen! Daarom geloof ik, dat wij de mooiste voor onszelf moeten houden! De minder mooie geven wij aan onze die­naren; de overigen moeten eigendom zijn van onze onderdanen en Hanoch kan daardoor een bloedschender wor­den van zijn eigen dochters en nu door eigen toedoen de schande ondervinden en mager worden als het been van een bok en met de kalveren eten en met de vogels drinken! En waarom zouden wij niet hetzelfde doen als hij met onze vader deed?! Vader Kaïn vergat ook een voorbe­houd te maken voor bepaalde dingen en moest vluchten, terwijl hij toch evengoed Hanochs vader was als de onze! En zie, voor ons is hij nu nog slechts een domme broer; wat zal ons nu verhinderen aan hem de vlucht van Kaïn te vergelden?! - Zie, dat is mijn mening, voordelig voor ieder van ons, terwijl ik op mijn beurt de oude God zal aanhangen, zoals Kad dat zeer wijs, juist en doeltreffend achtte!"

15. Van alle kanten klonk nu instemming met de rede van Kahrak, waarop Nohad opstond en begon te spreken, zeggende: "Jullie kennen mijn ambt en handwerk, dat ik vol­gens de wil van Hanoch heb uitgeoefend met de grootste trouw, vlijt en ijver! Toch vraag ik aan jullie allen wat ik er gedurende die lange tijd bij gewonnen heb, en je zult mij zeker als antwoord geven: niets meer en niets minder dan niets! Dat betekent: ik hielp de grote bedrieger met bedrie­gen en was bijgevolg zelf een bedro­gen bedrieger; ik moest vanwege zijn bedrieglijke huichelarij tegenover de menigte een slecht leven leiden en mij openlijk - alleen maar omwille van een domme schijnheilige opvatting ­als zeer strenge dienaar van het recht, van ieder opwindend genot onthou­den om daarvoor heimelijk de meest krachtige verwijten en allerlei bedrei­gingen te incasseren, in plaats van lof en een niet zichtbare schadeloosstel­ling en vergoeding voor krenking in het openbaar, tengevolge van zijn onbegrijpelijke dwaasheid. Jullie heb­ben het allemaal gemakkelijker gehad en konden voor je genoegen veel doen wat voor mij onmogelijk was, omdat ik precies aan de spits van zijn gerechtelijke verdwazing stond en zijn gekste en meest afschuwwekkende wensen nauwgezet uit moest voeren, waardoor deze door mijn gedwongen huichelarij, waar ik wel mee overweg kon - of eigenlijk mee overweg moest kunnen, het een of andere wettelijke tintje kregen, waardoor ik dan vanwe­ge de volledige deugdelijkheid van mijn bedrog als rechtmatig bedrieger mij wederom heb moeten laten bedriegen en dat in drievoud: ten eer­ste door Hanoch vanwege het recht, ten tweede door mijzelf vanwege het volk en ten derde door het volk en jullie allen vanwege Hanoch. Ik geloof voldoende redenen voor mijn volslagen ontevredenheid aan het licht gebracht te hebben en daardoor ook mijn imago van bedrieger aan jullie voeten gelegd te hebben. En oordeel nu zelf of ik ongelijk heb, als ik uit dankbaarheid voor die erken­ning het drievoudige bedrog van mij zal afschudden en dat met alle kracht naar Hanochs hoofd zal slingeren, daar ik hem voor het volk zal ontmas­keren. En hierna moet hij dan maar zien waarheen zijn goddelijkheid hem zal leiden en hij zal die als een hin­kend hert achterna rennen. En dus zal ook ik doen wat Kad goed achtte en ik zal Kahraks raad nauwkeurig ten uitvoer brengen en mijn afgiften zul­len zijn ogen niet schaden en het gedraaf van mijn kamelen zal zijn oor niet hinderen. En hiermee neem ik bezit van de stad die mijn naam draagt."

16. En zie, hierop zeiden de overi­gen: "Nohad heeft uitstekend gespro­ken en hij handelt ook rechtschapen en goed."

17. Daarna stond Huïd op en liet de stem vanuit zijn borst als een blik­semslag klinken in de bijeenkomst van boze mannen en sprak heftiger dan de overigen, zeggende: "Luister goed naar mij, broeders en zonen van Kaïn, de vogelvrij-verklaarde, en begrijp al mijn woorden, want die zijn van zeer groot belang!

18. Wie zou in staat zijn alle bloed­druppels te tellen die mijn sterke han­den hebben doen vloeien uit de rug­gen en lendenen van het arme en zwakke volk tengevolge van de von­nissen van Nohad. Terwijl het net zo goed als Hanoch en wij, nakomelin­gen van Kaïn zijn. Bloed dat gevloeid is, niet door de overtreding van een bepaald gebod of door een of andere luiheid of vanwege de kleinste schijn­baar strafbare aanleiding, maar enkel en alleen, zoals jullie allemaal weten, louter voor zijn genoegen en tijdver­drijf, om maar niet te denken aan die mishandelingen bij de bouw van al die steden, - zo erg zelfs dat het voor mij volkomen onbegrijpelijk is, hoe deze armen de al zo lang durende martelgang hebben overleefd. Hij wist ons wel bij iedere tegenwerping de breekbaarheid van het bewuste vat boven de sterren voor te houden en vergat geheel en al dat onder de aarde! 19. Maar ik vraag jullie allen naar recht en billijkheid of het het volk niet beter zou vergaan onder de brok­stukken van het vat, dan onder onze voortdurende slagen met taaie roe­den, harde knuppels en stevige stok­ken! En zeg me, wat heeft hij dan voor het vat van de liefde onder de aarde gedaan? Ik geloof dat afgezien van de talloze bloeddruppels van onze broeders er zich zeer weinig in zal bevinden! En hadden wij de regering niet op een listige wijze naar ons toe getrokken, - zou hij dan ook niet als god van alle gruwelijkheden beslist begonnen zijn de een na de ander te laten doden?.

20. Wij zelf moesten onmenselijk zijn om hem voor iedere verdenking te behoeden, omdat wij nog zijn die­naren waren. Maar de steden zijn nu gebouwd, het volk is verdeeld, de macht is aan ons, evenals de nieuwe waardering van de oude God en het geprezen offer; wat hebben wij nog meer nodig? Aangezien het volk ons gehoorzaamde toen wij het mishan­delden, zal het ons zeker niet ontrouw worden als wij in plaats van deze wrede onmenselijkheid de geslagen wonden willen en zullen helen door wijzere en mildere wetten. Zie, men noemde mij boosaardig; maar hierbij zou ik een groot vraagteken willen zetten: wie is er eigenlijk boosaardig, ik, of Hanoch, of de slang van Kaïn! Ik geloof dat Hanoch een meester in al het boze is en de slang moet al haar gebroed in zijn hart hebben gelegd, ­anders waren zulke onmenselijkheden van één broeder ten opzichte van zijn broeders door zijn broeders en de broeders van zijn broeders, niet voor te stellen!

21. Daarom geloof ik, dat wij hem aan onszelf ondergeschikt en dienst­baar moeten maken en het volk steeds meer voor zijn onmenselijkheid schadeloos stellen in plaats van zijn majesteitelijke schatting; aldus kan hij de rechtmatige heffing op zijn eigen rug nemen en die dragen waarheen hij wil."

22. "Jouw toespraak is juist en wijs, broeder Huïd", zeiden de verzamel­den, "en laat Hanoch overkomen het­geen je zei in je rede, die ons allen midden in ons oog trof dat te vaak zijn grote misdaden heeft gezien!"

23. En zie, toen stond Hlad op en zei kort en bondig: "Broeders, jullie weten hoe gevoelloos ik ten opzichte van alles moest zijn om zo te zeggen het strenge recht te personifiëren ofwel om de willekeurige onmense­lijkheid van Hanoch als het onverbid­delijk recht uit te beelden, en ik moest bovendien zijn boze spelletjes uitvoeren met een gezicht alsof ik het er mee eens was. Hoewel ik niet de beul zelf was, was ik daarbij toch de opziener en moest de slagen van Huïd en al zijn handlangers tellen en die altijd vol erkenning aan Hanoch over­brengen. Zie, toentertijd moest ik gevoelloos schijnen, terwijl ik dat niet in het minst was; nu wil ik mij beke­ren, zoals je ziet! Tegenover Hanoch wil ik degene zijn die ik zo dikwijls moest schijnen voor het volk, onze broeders; en voor de broeders wil ik warm van hart zijn en ik zal Hanoch laten boeten voor het onrecht dat hij hen aandeed. Laat mijn trouw aan hem een koude vergelding zijn en mijn ijver zal mij tot de eerste onder jullie maken en de stem die hem looft zal in gehuil en gebrul veranderd wor­den, en dat zal tot een feest worden voor de oren van hen die zo dikwijls mishandeld zijn; en hun bleke wan­gen zullen rood gekleurd worden met de bloeddruppels van zijn rug!

24. Omdat ik het volledig met jul­lie eens ben, geloof ik dat mijn oor­deel niet onterecht is als ik te werk ga volgens mijn gevoel, dat lang genoeg als verstard al de gruwelen en misda­den van Hanoch aan moest zien. Want wie gevoel heeft en ontvanke­lijk is voor pijn en kwelling, die heeft het zeker ook voor weldadigheid; dat heb ik talloze malen gezien. Laten wij daarom in de toekomst regeren door weldaden te bewijzen. Diegene die toen het kwade deed, hem geschiede volgens de maatstaf van zijn daad, daarbij in het oog houdend dat hij ook een broeder is; laat het goede echter tienvoudig over de gehoorza­men en de weldoeners komen. En dan zal aan de oude God een waardig offer worden gebracht, dat Hem beslist zal bevallen als wij aan Hem datgene weer terugbrengen wat Kaïn en Hanoch zo misdadig lichtzinnig voor ons allen hebben verloren doen gaan."

25. En zie, toen verhieven allen zich en bogen voor Hlad en zeiden: "O broeder! Van al onze oordelen is het jouwe het meest juiste; jij komt de kinderen van Adam het meest nabij. Daarom zul je ons tot voor­beeld zijn, waarnaar wij al onze beschikkingen zullen regelen en rich­ten en wij zijn ook vast van plan dat te doen.

26. Het warme bloed van de arme broeders heeft het ijs om je hart gesmolten en nu komt daaruit een overvloedige warmte vrij; handel daarom vanuit deze warmte en ver­warm ons allen vanuit jouw over­vloed!"

27. En zie, toen verhief Uvrak zich ook en zei: "Broeders, zie en luister! Al jullie oordelen zijn juist, waar en terecht; maar dat van Hlad is, volgens mijn scherpe vermogen tot oordelen, duidelijk het meest juiste. En zodoen­de ben ik het op één ding na geheel met hem eens en dit ene punt is van zeer groot belang en luidt: grote, voorzichtige sluwheid bij alles wat wij ook maar ondernemen. Want zie: recht doen wedervaren, weldoen, juist en rechtvaardig oordelen, de juiste vergelding, een zekere orde, - dat zijn dingen die van groot openbaar belang zijn, zowel voor het volk als ook voor ons allen; en al deze dingen zijn toe­reikend als het gaat tussen ons en het volk. Maar nu weten ook alle vrije burgers van de stad Hanoch, dat wij voor deze domkoppen vorsten zijn en Hanoch werkelijk een god is en dat zal niet een van hen zich laten afne­men, zelfs niet na duizend stokslagen; en nog meer dan alle vrijen houdt het hele volk aan deze waan vast.

28. Maar als wij Hanoch nu meteen iets aandoen, zullen wij hen juist daardoor allemaal tegen ons opzetten; en als Hanoch in hun mid­den zou treden en hun duidelijk zou maken dat wij hem de handen gebon­den hebben, zodat hij de mishande­lingen die wij hen lieten ondergaan, niet had kunnen afweren, - als dit gebeurt komt het volk over ons en gaan wij tengevolge van het gewicht van de massa ten onder.

29. Daarom zijn list en grote, voor­zichtige sluwheid absoluut noodzake­lijk indien wij onze plannen ten uit­voer willen brengen, zodat de zaak ons tot voordeel kan strekken. Omdat ik in alle zaken zijn meest geheime raadsman was, weet ik ook het best hoe de zaken ervoor staan. Daarom ben ik vast overtuigd van het volgen­de: om de schijn op te houden moe­ten wij Hanoch minstens drie jaar lang de geëiste schatting betalen, het volk ondertussen goed verzorgen, opdat het ons toegedaan zal worden en dan de meer geschikten onderrich­ten over de onbeduidendheid van het wezen van Hanoch en over al zijn bedrog en zijn zeer grove aanmati­ging. We moeten hun sporen van de oude God wijzen en daarenboven nog duidelijk maken hoe alles wat wij deden, hoe hard het ook mocht zijn, er slechts op gericht was om hen uit­eindelijk als broeders te redden van het harde en zware juk van Hanoch, en dat dit nu heeft moeten gebeuren omdat zij anders allen tezamen omge­bracht waren.

30. Ik geef je de volledige verzeke­ring: als wij het volk zo inlichten en het volgens Hlads opvatting behande­len, verkeren wij in een onbereken­baar voordelige positie en ik geloof dat zelfs de oude God ons de heer­schappij niet zal bestrijden als wij Hem op de koop toe nog een offer willen brengen. Pas dan ben ook ik er zeker van, dat Hanoch van het volk zal vernemen wat de vorige verstandi­ge en zeer ervaren sprekers Huïd en Hlad reeds zeer wijs vermeld hebben.

31. Neem mijn toespraak goed ter harte, mijn broeders en verheven zonen van Kaïn!" En zie, allen bogen en zeiden: "Amen, zo zal het gebeu­ren, zodat elk van de toespraken rechtsgeldig wordt ten opzichte van Hanoch, de laaghartige verdrijver van onze vader en de schandelijke misda­diger tegenover de oude, machtige God."

32. Toen gingen de anderen weer zitten; maar Farak bleef staan en keek eerst ernstig om zich heen, alsof hij wilde zien of er niet bij een van de redenaars nog iets verborgen gebleven was waarmee hij niet openlijk voor de dag kwam; en wat hij met zijn ogen zocht, vond zijn verstand snel en gemakkelijk. Nu begon hij zeer krachtig te spreken en zijn toespraak ontzag niemand, net als een zwaard op het slagveld en hij zei:

33. "Broeders - als jullie deze ere­naam nog waard zijn -, Ik heb je toe­spraken aangehoord, waarin jullie je gedachten hardop uitgesproken heb­ben, maar achterbaks verzwegen jullie je wensen tegenover elkaar en hebben jullie elkaar aangelogen met je plan­nen en zijn daardoor elkaars weder­zijdse muiters geworden. Ieder van jullie was van plan zich heimelijk uit de voeten te maken om Hanoch aan te tonen dat hij uit volledige trouw aan hem, vóór de belangrijke aanvaar­ding van de regering volgens zijn aan­wijzingen, een bijeenkomst van de vorsten zoals die hier nu plaatsvindt, heeft belegd en dat hij geprobeerd heeft hen allen over te halen een schandelijk oordeel af te geven over Hanoch, opdat het aan Hanoch dan duidelijk zou worden in welke han­den hij de tien regeringen heeft gelegd. Als gevolg hiervan zou Hanoch hem dan met alle macht toe­rusten en hem aan willen stellen als enige heerser over ons allen; de overi­gen konden dan tengevolge van de lichtgelovigheid van Hanoch het lot van Kaïn onder elkaar verdelen.

34. O jullie schurken, jullie uit­braaksel van al het boze! Vraag jezelf af of er ooit een eerlijke karaktertrek in je was die iets tot stand gebracht heeft! Want alles wat ik ben en wat jullie zijn, is je gelukt door list, sluw­heid, bedrog, vleierij en huichelarij. Heeft het arme volk nog niet genoeg geleden? Is het niet toch al zo ellendig geworden dat het bijna niet meer op een mens gelijkt? Heeft het zonder dat al niet nagenoeg de laatste drup­pel bloed onder jullie slagen vergo­ten? En wat hebben wij ooit voor goeds gesteld tegenover het feit dat het ons zo lang gewillig voor niets gevoed heeft, dan alle mishandelin­gen die je maar bedenken kunt?! Hebben zij, die je diermensen noem­de, niet hetzelfde recht op alles wat de aarde voortbrengt? Maar het was hun verboden van al de vruchten die rijp geworden waren te eten, behalve alleen van de bedorvenen! En jullie zijn daarmee niet tevreden, maar wil­len het nog duizendmaal ongelukki­ger maken dan het zonder dat al is?!

35. Daardoor bewogen zeg ik zon­der schroom tegen jullie: jullie zijn het niet waard dat het arme volk je broeder is, maar als jullie over hen willen regeren, laat dan alle boosheid en sluwheid achterwege en leid hen voor het aangezicht van de ware en oude God en wees een ware broeder voor Hanoch en geen bedriegers van­wege eigen voordeel, en maak dat jul­lie door waarachtige trouw waardig bevonden worden voor dat wat je door list en bedrog geworden bent, anders zal de oude God je offer niet aanzien en zal Hij de zwakken tegen jullie helpen en Hij zal jullie tot sla­ven maken van de beesten, die jullie de naam gaven die uit jullie breinen ontsproten is! Denk goed na over de rede van de gruwelijke. Amen."

36. Zie, toen Farak zijn toespraak beëindigd had, bleven de anderen als versteend zitten en wisten ook niet één woord ter verontschuldiging over hun lippen te brengen, en de meesten dachten bij zichzelf: "Die is ons stie­kem voor geweest bij de oude God; want hoe kon hij anders ons zo haar­fijn doorhebben?! En omdat het nu eenmaal zo is, wie zal het aan zijn zijde overleven?! Indien hij te vernie­tigen was, dan zou het gemakkelijk zijn; maar nu - wie zou zich tegen zijn macht kunnen verzetten? Nog voor wij een hand kunnen opheffen, zal de zijne ons reeds vernietigend treffen; daarom zullen wij rustig afwachten wat voor keer de zaken nemen en dan zal het wel duidelijk worden, wat er verder te doen zal zijn."

37. En zie, toen niemand meer durfde te spreken, trad Farak nog een keer naar voren en vroeg hun: "Hoe is het jullie te moede? Heeft niemand dan meer de moed als spreker op te staan en mij te antwoorden? Waar is nu je list, je bedrog, je sluwheid, je gevlei, je gehuichel, waar je leugens, waar je macht, waar je vorstendom en waar je bedrogen god Hanoch?

38. Ja, ik zeg jullie dat je stomme gedachtentaal niet aan mijn oren is ontgaan en hoe de zaken zich ook mogen keren, jullie zullen heel precies doen wat er naar recht en billijkheid te doen valt; en wie van jullie zich daar niet nauwkeurig aan houdt, zal vogelvrij verklaard worden net als Kaïn, waarvan jullie zeggen dat hij je vader is, terwijl hij toch rechtvaardig handelde, - alleen te blind en streng, waardoor hij zichzelf daarin verstrikte en voor zijn eigen werken moest vluchten. Waarheen, dat weet nie­mand behalve de oude God; en als Hij het aan iemand zou bekendma­ken, dan zou die het weten. Maar dat is niet Zijn wil. Zie, zijn rechtvaardig­heid kwam voort uit angst voor het gericht van de Oude en daardoor mis­lukte alles wat hij deed omdat hij het niet uit liefde deed, wat hem toch boven alles door de oude God gebo­den was.

39. Bij jullie heeft zelfs alle recht­vaardigheid het veld moeten ruimen en daarvoor in de plaats zijn list, bedrog, sluwheid, leugen en nog veel meer andere schandelijkheden erbij gekomen, die vanwege hun laagheid geen naam hebben en jullie geloven dat de oude God je meteen allerbe­reidwilligst zal ondersteunen in al je gemeenheden, wier aantal geen einde kent, als jullie Hem met slechts het een of andere onzichtbare vuur als offer om de tuin willen leiden. 0, jul­lie vergissen je geweldig; deze Oude heeft scherpe ogen en weet heel pre­cies hoe het van begin tot einde met je wezen gesteld is. Daarom is Zijn oor ver van jullie verwijderd en zal Hij je in je laaghartigheid nooit meer verhoren, ook al zouden jullie de gehele aarde als offer voor Hem aan­steken, als jullie niet tevoren je harten reinigen met het vuur van een onbe­grensde liefde ten opzichte van de door jullie verzwakte broeders en ongelukkige zusters en jullie je ont­houden van allerlei hoererij, die bij tweehonderd jaar oude mannen die het vorstenambt bekleden, onvoor­stelbaar slecht past.

40. Beantwoord nu mijn vragen, als jullie dat kunnen, of zeg me recht in mijn gezicht, zoals ik het jullie ook zonder schroom gezegd heb, wat je nu besloten hebt te doen, als je dat tenminste durft; want ik streef niet naar heerschappij, noch, zoals jullie, naar het een of andere vorstendom, maar alleen naar het nauwkeurig ver­vullen van de door mijn ambt opge­legde plichten en naar het welbeha­gen van de Oude, - daarom beging ik ook nooit een onrecht, noch heb ik ooit een vrouw geschonden, noch een maagd en nog veel minder meisjes van twaalf jaar of jonger, zoals jullie; daarom ook hebben jullie mij de gru­welijke genoemd, omdat ik geen luie schurk wilde zijn zoals jullie!

41. Dit zullen mijn laatste woor­den zijn, opdat jullie weten wie je voor je hebt, namelijk mij, de gruwe­lijke, die je echter nooit nader zult kennen dan slechts voorzover de hoogste noodzaak, zoals de huidige, dat vereist, opdat niet alles voor eeu­wig - ja, ik zeg voor eeuwig - te gron­de zou gaan door de weer gewekte toorn van de oude, eeuwige God! Laat daarom nooit iemand mij nadere inlichtingen vragen over het waarom en het waardoor! Amen."

 

Hoofdstuk 28

Het overleg van de tien vorsten

 

1. En zie, omdat geen van allen die reeds gesproken hadden het aandurf­de om een weerwoord aan Farak te geven, stond eindelijk Molakim op en richtte het woord persoonlijk tot Farak, hem daarbij scherp in de ogen ziende en zei: "Broeder, je rede was scherp en trof iedereen midden in zijn hart; maar kijk, wat onze toespraken betreft, de bedoeling daarvan is goed en oprecht, op de verstoting van Hanoch na; alleen worden zij omlaag gehaald door innerlijke, valse begeer­ten, die pas in ons wakker zijn gewor­den bij de aanblik van de aan ons toe­vertrouwde vorstelijke ambten.

2. Maar als wij deze brutale begeer­ten uit ons bannen en ook ware, trouwe broeders willen worden, zowel van het volk als ook van Hanoch volgens de maatstaf van recht en billijkheid, zouden wij dan ook nog schurken zijn?"

3. En Farak antwoordde: "De be­geerte is het leven van de wil; als jullie echter iedere begeerte in je wilt uit­bannen, van waaruit willen jullie dan als vorsten kunnen handelen?! ­Daarom zal niemand de begeerten in zich onderdrukken als zijnde de von­ken van de liefde in God; maar deze mogen geen verkeerde richting in­slaan.

4. De juiste richting daarvan is, te proberen God in Zijn liefde voor je te winnen en alle handelingen daarnaar te richten volgens het besef van de hoogste wil in ons, die in alle dee­moed de eigenliefde in ons zal bewa­ren door het gevoel van haar nietig­heid en haar onbegrijpelijke zwakheid die in haar is.

5. De verkeerde richting daarvan is echter, wanneer de zelfzucht of de volkomen blindheid en doofheid van de wil in ons en alle handelingen die daaruit voortkomen, zich richten op de eigen behoeften en de broeders van gelijke afkomst buiten beschouwing laten.

6. Zie, de valse begeerten blazen zich dan door hun steeds groeiende veelheid in ons op, onderdrukken de deemoed en wekken door hun gewicht de hoogmoed op, in welke situatie de mens zich dan graag van zijn grote last zou willen ontdoen. Maar omdat hij als blinde niets ziet en als dove niets hoort wat hem zou kunnen helpen, grijpt hij in zijn valse begeerten naar alle denkbare midde­len die zijn blinde liefde of eigenliefde maar kan verzinnen. Hierdoor stapelt hij alleen maar last op last, die tenge­volge van hun grote overbelasting het leven uit God in ons onderdrukken en ons maken tot dieren van de aardse materie en tot voedsel van de dood, die overal in de materie aanwezig is, zowel in het vuur als ook in het water, in de lucht en in de aarde, die de moeder van het vlees of van de dood is; want waar vlees is, daar is de dood ook. Daarom zullen ook wij allen, wat het vlees betreft, sterven.

7. Wie dus vervuld is van eigenlief­de, die is vervuld van liefde voor zijn vlees; maar wie zijn vlees liefheeft, heeft begeerte naar de dood, en de dood zal in zijn begeerte overgaan en hem gevangen nemen in alle vezels van het leven en hem zodoende verte­ren en doden. En zo zal hij tot het afval van de dood worden en zal de akkers bemesten, waar de vrucht van het eeuwige verderf gezaaid is. - Nu weten jullie alles; je handelen bepaalt of je zult leven of sterven, amen."

8. En zie, toen nam Molakim weer het woord en zei: "Broeders, je kent mijn ambt en vak; ik ben niet door Hanoch, noch door het volk ertoe gekomen tegen Hanoch en daardoor ook tegen het volk te liegen, maar door jullie allemaal, met uitzondering van Farak; maar alleen aan jullie moest ik de kern van hetgeen ik wist laten weten. Nu echter werp ik de leugens links en rechts voor de voeten van Farak en zeg openlijk en getrouw: als er een God uit de hemel zou komen, zou zijn redenatie niet wijzer zijn dan die van Farak!

9. Ik beken ronduit, dat als hij niet onze broer zou zijn, ik voor hem zou neervallen en hem aanbidden; maar hij is een mens zoals wij, - waar komt zijn grote wijsheid vandaan?!

10. Zie, ik ben net zo blind en doof als jullie; maar een ruisen binnen in mij zegt me: God spreekt onzichtbaar door de mond van Farak! Wij moeten heel goed naar deze stem luisteren, er goede nota van nemen en ernaar han­delen, indien wij willen leven; anders zullen de tranen van onze broeders zich verzamelen tot een grote vloed en ons allen tezamen verstikken met onze grote hoererij, bedrog en listige misdadigheid."

(22 mei 1840) 11. En zie, toen vatte Uvrahim ook moed, stapte naar voren en zei: "Amen, - dank aan de oude God, dat Hij vol genade de mond van Farak, onze broer, geopend heeft; zonder dat zouden wij gezamenlijk te gronde gegaan zijn, omdat wij allen reeds zo diep in onze de dood brengende begeerten staken en de een de ander wilde verraden, zodat de dood hoe dan ook over ons allen zou zijn geko­men als een rechtvaardig gericht van omhoog van de heiligheid of uit de diepte van de toorn van de oude God.

12. Ik was een gladde vleier en ver­oorzaakte meer kwaad dan jullie en dan Hanoch met al zijn gezag; want als ik er niet zou zijn geweest, zou hij zijn goddelijkheid allang hebben laten varen. Die was hem eigenlijk op suggesties van Uvrak en met de hulp van Nohad en Thahirak door mij aangepraat. Hij had al vaker in het geheim tegen mij opgemerkt dat deze goddelijkheid hem innerlijk zeer veel angst inboezemde en hem, als hij alleen was, bij dag en bij nacht niet met rust liet en dat hij deze ongeluk­kige gedachten van Uvrak al vaker verwenst had, maar die omwille van het volk niet kon laten varen, - en toch brandde die hem meer dan alle vuur in zijn gemoed.

13. En zie nu, hierbij leg ik al mijn gevlei neer in de overtuiging dat de wijsheid van Farak deze grote wond van onze broeder ook geleidelijk aan gemakkelijk zal helen, en ook dat deze ons hopelijk allen de ogen heeft geopend, opdat wij de afgrond mogen zien aan wiens brokkelige rand wij ons alle negen vol behagen bevonden, terwijl wij ons niet bewust waren van het grote gevaar ons leven te verliezen en daarmee alles wat daar­door maar enigerlei waarde had.

14. En jij, waarde broeder Farak, wees mij en ons allen een trouwe gids naar het licht uit de hoogten van de ware God, waarvan wij vervreemd zijn net als van onze aartsvader Adam, en leid ons allen volgens de jou wel­bekende wil van de enig ware God, en ook alle mensen, die eveneens onze arme, onschuldige broeders zijn, daar alleen wij door onze grenzeloze boos­heid schuldig zijn aan hun vergrijpen. En wat jij, o broeder, als enige aan wie de wil van boven bekend is, voor het goede zult houden, dat zullen wij met vereende krachten met de genade van boven graag en altijd vol bereid­willigheid nauwkeurig ten uitvoer brengen.

15. Daarom leg ik hier ook mijn vorstendom neer aan de voeten van de waarachtige vriend van God, en zal mij dan pas gelukkig achten, als ik mij een trouwe knecht mag noemen van de enige in dit land, die uit zo vele duizenden genade heeft gevon­den voor God, de ware en enige, die zijns gelijke niet heeft.

16. Hoor dus allen mijn welover­wogen wil: laat de stad van Farak voor ons allemaal een heilige stad zijn. Daar zullen wij steeds wijze raad halen om daarnaar wijs te kunnen handelen. Laat hemzelf voor ons een vorst en leider naar de wijsheid van God zijn en laat hem het enige cen­trale punt zijn tussen ons, Hanoch en het hele volk, opdat wij waardig bevonden mogen worden niet zozeer om vorsten te worden, wat toch al niets voorstelt zoals wij door Gods wijsheid hebben ingezien, maar alleen om voor gewillige, trouwe knechten aangezien te worden, die vreugde wil­len en zullen hebben aan het welzijn van de volkeren en aan de wijsheid van God in onze broeder Farak en ook in het volledige herstel van Hanoch en daardoor ook van al het vrije en dienstbare volk.

17. Amen, zeg ik uit aller naam; en jij broeder Farak, kijk mij aan in je wijsheid en wees ons allen een broe­der, vorst, leider, raadgever en wijze vriend! Amen."

18. En zie, de toespraak van Uvrahim wekte Thahirak weer op en ook de overigen die voor Farak hui­chelachtige woorden vol eigenbaat gesproken hadden. En zo begon ook hij te spreken als een drager en een waar verzamelbekken voor al wat slecht is en ook als iemand die zich goddelijke rechten en eigenschappen aanmatigde - zoals Gods voor alle eeuwigheid onaantastbare heiligheid, Zijn rechtvaardigheid, Zijn liefde, Zijn almacht, ja tenslotte zelfs de ganse schepping, alsof hij die met één vinger zou kunnen vernietigen, omdat hij, zoals hij dikwijls zei, ach­ter de trucjes van de oude God was gekomen en hij het zelfs ook tegen Mijn kracht durfde op te nemen en openlijke vijandschap tegen Mijn almacht durfde te verklaren -; en omdat Ik uit liefde het grote zwaard van Mijn toorn niet wilde trekken tegen een ellendige worm in het stof ­als de oneindigheid tegen een niets, dat nauwelijks onderscheiden kan worden vanwege zijn onuitsprekelijk kleine afmetingen tegenover Mijn eeuwige grootte en oneindige macht -, zei hij dus tegen iedereen dat Mijn zwakheid vrees zou hebben voor zijn kracht.

19. Wat vind jij, Mijn knecht, van zo' n krachtige uitspraak?

20. En zie, toch was deze nog niet zo lachwekkend, want die Mij heden ten dage bereiken zijn duizendmaal slechter dan deze was.

21. Want kijk eens naar de wortel van jullie priesterdom! Als hij spreekt, de wereldheilige op zijn troon, dan moet Ik in alle ernst zwijgen en er ook voor oppassen met niemand te spreken; als hij er achter zou komen, dan zou Mijn gespreksgenoot zijn leven niet zeker zijn.

22. Ik hoef ook de doorn in Mijn oog niet nader te bepalen, omdat jul­lie die zonder meer gemakkelijk kun­nen vinden. Nog maar een korte tijd! - En nu weer ter zake!

23. En zie, nu begon deze Thahi­rak, terwijl hij als de bliksem van mening veranderde, ook heel in het kort enkele geweldige slotwoorden tot de bijeenkomst te richten en zei: "Broeders, jullie die voor mij hier zo wijs en krachtig gesproken hebben, dat ik tot in de diepste grond van al mijn boosheid ben geschokt en ik mijn nietigheid en mijn bodemloze zwakheid heb aanschouwd en al het grote onrecht in al mijn doen en laten heb vernomen, - ik heb jouw wijsheid nodig, broeder Farak, niet om eerst hier op al mijn schandaligheden in te gaan, want zelfs een niet-wijze is het ambt en de functie die ik tot nu toe in de allersnoodste misdadigheid be­kleedde voldoende bekend.

24. Zie, ik ben te slecht om in jul­lie vergadering ook maar een woord ter verontschuldiging te uiten, maar ik wil slechts zoveel zeggen, dat ik een grondsteen van al het slechte onder jullie en het volk en Hanoch ben; daarom maak ik nergens enige aan­spraak op, noch op een vorstendom, noch op slaven en noch minder op bedienden, maar laat mij maar het­zelfde ondergaan als wat er met vader Kaïn gebeurde. En zo zal de grond­steen van al het boze van onder het brokkelige bouwsel van alle misdaad uitgegraven worden, opdat het dan in elkaar zal storten en een beter gebouw van Faraks rechtvaardige wijsheid uit God, de Ware en Machtige, voor alle tijden duurzaam opgericht mag wor­den op deze afschuwwekkende plaats.

25. Zie, broeders, dat is het enige loon, dat ik het meest van jullie alle­maal verdiend heb, - en waarmee ik hoop geen onbillijke eis aan je gesteld te hebben, omdat ik nu wel weet dat de oude God geen genade en erbar­ming meer voor mij kan en mag heb­ben vanwege Zijn heiligheid, die ik alleen op onuitsprekelijke wijze geschonden heb.

26. Hierbij heb ik mij voldoende uitgesproken en verwacht vol vertrou­wen en deemoed een rechtvaardig en heel billijk, welverdiend oordeel van de goddelijke, rechtvaardige en sterke wijsheid van Farak!

27. En als jullie mij mijn vrouwen mijn kinderen willen laten meene­men op mijn vlucht Kaïn achterna, laat dat dan jullie erbarmen sieren. En dus geschiede met mij volgens de wil van Farak, amen."

 

Hoofdstuk 29

De opvolgers van Hanoch

 

1. En zie, toen verhief Farak zich nog eenmaal en zei: "Zie, broeder Thahirak, God en alle vrije geesten kunnen het gebeurde in alle eeuwig­heden der eeuwigheden niet meer ongedaan maken; nog minder kun­nen wij zwakke mensen dat! Denk eens na; als er ook maar een vonkje goddelijke wijsheid bij een mens wordt aangetroffen, zou die dan niet als volgt moeten oordelen en spreken:

2. Deze mens heeft geweldig gefaald vanuit zijn kwaadwillige inzicht, omdat hij geen genade van boven heeft ontvangen en in zijn zelf­zucht blind was tot grote schade voor hemzelf en zijn omgeving; maar nu kwam er door de erbarmende liefde van God een heldere bliksemschicht van boven, vergezeld van een harde donderslag en die lieten hem zijn grote verdorvenheid zien en zijn ontelbare gruweldaden horen. En als nu die mens bang zou beginnen te worden en hij zou dan al zijn boze daden vanuit het diepste van zijn hart berouwen en zou daarmee al zijn boosheid van zich afwerpen en ook zijn wil door de genade van God gevangen laten nemen, - zeg me, wat zou jijzelf doen in zo'n geval? (Antwoord: vergeven en hem aanzien alsof hij nooit gefaald zou hebben en grote vreugde voelen dat iemand die zover afgedwaald was, weer de weg terug gevonden had en een uitweg uit de kerkers van de duistere waanzin naar het licht van de goddelijke gena­de!) Jij hebt goed en juist geantwoord, hoewel je toch slechts een mens bent; hoeveel temeer zal dan de allerwijste God, als de oorsprong van alle waar­heid en liefde, deze juistheid goed­keuren, omdat hij het beste weet, hoe en waardoor en waarom wij zo dik­wijls gefaald hebben!

3. Welnu, weet dan, dat wij liefde­loze mensen onze verdwaalde broe­ders naar het aantal van hun misdrij­ven veroordelen, of zij nu wel of geen berouw toonden; God echter veroor­deelt vanuit Zijn liefde en wijsheid geen begane en berouwde misstap­pen, maar alleen de verkeerde daden die bedreven werden en niet be­rouwd. Ofschoon dat wat gebeurd is nooit ten iet gedaan kan worden, maar in het onvergankelijke geheugen van God bewaard blijft als een donkere vlek op de lijn van ons leven; maar die lijn wordt niet beoordeeld in het begin noch halverwege, maar aan het eind, omdat zij groeit en langer wordt, of rechtuit al naargelang van de liefde en het recht in haar, of niet rechtuit en krom volgens de boosheid en alle ongerechtigheid uit haar.

4. En zie, nu heeft de kracht van de wijsheid uit God ook jouw krommin­gen recht gemaakt en je zult je niet zelf oordelen, maar van nu af in rech­te lijn je levensweg in alle trouwen rechtvaardigheid verlengen naar de ware God en dikwijls omzien naar de door God nu recht gemaakte weg, wdat je in het vervolg niet zult afwij­ken van de juiste richting, omdat je dan gemakkelijk een mogelijke bocht kunt ontdekken. Die kun je dan meteen opheffen door de genade van boven, die je dan het grote doel van je leven in het rijk van de eeuwige liefde en alle leven vanuit haar zal verlich­ten.

5. Ga nu, overdenk mijn woorden, en aanvaard in alle trouw wat je door Hanoch aangeboden is; de overigen evenzo samen met mij, de gruwelijke, en wees voor Hanoch een broeder, wees onder elkaar broeders, en wees broeders van het te leiden volk vol­gens de wil van God, de machtige, de krachtige, sterke, meest wijze en lief­devolle. Amen."

6. En na deze slotwoorden verhie­ven allen zich, bogen voor Farak en zeiden: "Farak, wijze man uit de oude wijsheid van God! Wij beseffen nu al jouw grote macht en onbegrijpelijk inzicht in alle dingen; hoewel wij niet inzien hoe je ertoe gekomen bent, zullen wij toch doen wat jij goed en terecht acht, omdat we inzien dat je wijsheid op liefde berust, die nie­mand aan het kortste eind laat trek­ken, indien men daarenboven nog op haar goed begaanbare paden wil wan­delen, en dat zullen en willen wij nu allen doen uit en volgens jouw wijs­heid.

7. En zie toe dat je ook Hanoch net als ons op het rechte spoor brengt, " amen.

8. En zie, toen verlieten allen hun plaatsen en begaven zich naar hun steden en handelden wijs en goed vol­gens de raad van Farak, en al het volk was welgemoed onder hun leiding.

9. En toen Farak nu op dezelfde manier ook Hanoch gemakkelijk bekeerd had, stond Hanoch op en greep de sterke hand van Farak en zei: "O broeder, jij hebt waar gesproken en wel gedaan; want waar een schep­sel leeft daar is, zoals bij mij, ook nog liefde en genade van boven te ver­wachten; alleen door de dood heeft alles opgehouden te bestaan. Nu leeft alles nog, - en kan er ook nog veel weer goedgemaakt worden; daarom wil ik alle wonden die mijn volkeren zijn toegebracht, weer helen en dat allemaal aan de zijde van jou, wijze broeder, aan wie het door zo' n groot inzicht gelukt is zo’n groot ongeluk van mij, de maar al te zeer bedrogene, af te wenden en daardoor ook van het arme bedrogen volk."

10. En zie, zo zette zich deze nu iets betere regering meer dan vijfhonderd jaar in een golfbeweging voort, ook zelfs nog onder de zonen, dat wil zeggen kinderen en kleinkinderen van Hanoch, zoals daar waren zijn jongste zoon Irad (de heftige, een leerling van Farak), die honderd jaar regeerde, diens jongste won Mahujel (de fata­list of noodlotsprediker), ook hij regeerde honderd jaar, dan diens jongste won Methusaël (de plannen­maker en ontdekker van de krachten in de natuur), die honderdtien jaar regeerde, en tenslotte diens won Lamech, die Mij bijna geheel vergat (de uitvinder van de doodstraffen, die vooral onder zijn heerschappij sche­ring en inslag werden), hij regeerde tweehonderd jaar.

11. Maar bij Lamech moet Ik iets langer blijven stilstaan omdat met hem alle soevereine macht ophoudt en de afgoderij en de aanbidding van Mammon hiervoor in de plaats komen, evenals de vervloekte natuur­filosofie als het grootste meesterstuk van de meest ongebreidelde boosheid van de slang.

12. En zie, Lamech was eigenlijk als middelste won niet gerechtigd te heersen, omdat naar het aloude geves­tigde gebruik alleen de jongste won gerechtigd was de regering over te nemen en alleen in sterfgevallen of andere gevallen van onvermogen de eerstgeborene zou regeren, en in het geval dat die ook zou komen te over­lijden pas de middelste zoon.

13. Nu leefden echter Methusaëls oudste zoon Johred (de stille wijze, een aanhanger van de leer van Farak die reeds lang geleden overleden was) en diens jongste broer Haïl (getrouwe leerling van Johred en rechtmatige heerser) nog gezond en wel.

14. Maar Lamech, een ruw, duister, eerzuchtig, meinedig mens, die om zijn eerzucht te bevredigen heel pre­cies beredeneerd had dat hij in gelijke mate gerechtigd was om te heersen, werd zeer vertoornd over dit oude gebruik; en omdat hij bovendien omringd was door een gelijkgezinde, boze bende van spitsboeven, belegde hij eens met het oog op zijn eerzuch­tige plannen een boosaardige raads­vergadering, juist toen door de dood van Methusaël, de overname van de regering door Haïl aanstaande was; hij wilde nagaan wat er te doen viel om zijn kwaadaardige doel met zeker­heid te bereiken.

15. En zie, een van hen, met de naam Tatahar (dat betekent bloeddor­stige, ook: een bloedhond) gaf hem een gruwelijke raad, zeggende: "Wij zijn zevenenzeventig man sterk, krachtig als bomen, vermetel als tij­gers, moedig als leeuwen en wreed als hyena's, en jij bent een meester van ons allemaal; daarom geloven wij dat het jou niet moeilijk zal vallen met een flinke knots in de hand een eind te maken aan Johreds wijsheid daar in het bos ginds bij de bergen, waar wij onlangs op tijgers joegen. En heeft dan de een of andere gulzige hyena met haar scherpe en sterke tanden zijn beenderen verbrijzeld, dan kun je haar daarna uit dankbaarheid ook nog de knaap Haïl als nagerecht toe­werpen, wat voor deze hongerige bos­dieren een welkome maaltijd zal zijn. Dan zeggen wij tegen het volk, dat zij op een jacht op hyena's door te groot vertrouwen in hun geheime wijsheid, dus roekeloos, in het gebergte door hyena's verscheurd en werden opgege­ten. En omdat jij dan de enige recht­matige nakomeling van Kaïn, Hanoch, Irad, Mahujel en de zoon van Methusaël bent, wie zal jou dan nog de heerschappij en de regering betwisten?!

16. Nu, Lamech, wat denk je, - is deze raad er niet een die als geen andere zeker naar het doel leidt? - Ga en handel, wij staan je terzijde en zonder twijfel hebben wij succes!"

17. En zie, deze raad kwam Lamech zeer goed van pas en reeds de volgende dag probeerde hij een gele­genheid te zoeken en vond die ook spoedig met behulp van de slang. Toen hij ontdekte dat Johred en Haïl voor hun genoegen naar het woud wandelden, ging hij met zijn bende spitsboeven snel langs een andere weg naar het woud en wachtte daar achter dikke bomen op de beide broers; en toen deze zich diep in het bos bevon­den, stortte hij zich plotseling op Johred, versloeg hem met één slag en deed met Haïl wat Tatahar hem aan­geraden had.

18. En zie, dit overkwam die bei­den omdat zij trots op hun wijsheid waren geworden en omdat zij als vor­stenzonen vergeten waren dat de ware wijsheid alleen uit de grootste dee­moed bestaat en dat zodra deze opzij geschoven wordt, ook de wijsheid ontwijd wordt; en aangezien dat bij beiden het geval was, was raad noch hulp mogelijk zonder genoodzaakt te worden hun vrijheid aan te tasten. Dat kan Ik niet doen, ook niet in de geringste mate, omdat het kleinste deeltje vrijheid oneindig veel hoger staat dan het hele natuurlijke en lichamelijke leven van alle levende wezens op aarde tezamen. Vandaar ook het toegelaten geweld in oorlo­gen, al was het alleen maar vanwege de vrijheid van wil en handelen van één enkel mens.

19. Laat dit ook voor jou een waar­schuwing zijn, Mijn nogal bekwaam stuk gereedschap, voor het geval dat je je zou willen verheffen boven je broeders (niet in stilte en nog minder in het openbaar) omdat Ik jou de gave van de wijsheid gegeven heb. Want zie, als je onkuis zou worden of uit nood zou stelen of brassen en een liederlijk leven zou leiden, dan zou hoe dan ook deze bij mensen zeldza­me gave in je zwakker worden; zou je er echter trots op worden, dan zou Ik haar meteen van je afnemen, je naakt en verlaten achterlaten in het woud van de dwaling en er zouden ver­scheurende dieren komen om je op te eten, en uiteindelijk zou er van jou niets anders meer over zijn dan een slechte naam.

20. Zie, in deemoed heb je het ont­vangen en in deemoed moet je het bewaren en in alle deemoed moet je het ook aan alle broeders weer door­geven.

 

Hoofdstuk 30

Lamech wordt koning

 

1. En zie nu verder! - Toen Lamech in het woud aan het hoofd van Tatahars bende deze daad aan zijn broers had begaan, keerde hij welge­moed terug naar Hanoch en liet aan al het volk in en om Hanoch en even­eens in de tien steden en de omstre­ken zeggen en bekendmaken wat de roekeloze broers Johred en zijn kwe­keling Haïl overkomen was; daarover was heel Hanoch met de tien steden en al het volk uit de omgeving verbijsterd. Toen kwamen de schrandersten bijeen en ook de wat meer verstandi­gen uit de steden en uit het overige volk, drieduizend in getal zonder hun vrouwen en kinderen, die thuis ble­ven.

2. En zo begaf zich dan dit kleine leger mannen naar Hanoch en ver­voegde zich bij Lamech, waar uit naam van allen één het woord voerde en zei: "Waar is dan dat woud waar zoiets gebeurd is met de jonge koning en zijn wijze broer Johred? Laat ons de plaats van de afschuwelijke mis­daad afzoeken om mogelijkerwijs nog enige treurige resten te vinden of mis­schien toch nog andere sporen die ons overtuigen kunnen van de waarheid van deze boodschap. Wij kunnen daar dan dit grote ongeluk oprecht betreuren en daarna de hyena's opzoe­ken, want die zullen beslist nog bloed aan hun snuit hebben, en ze dan met al hun soortgenoten wurgen en doden met onze knotsen en steenslin­gers, ter verzoening van hun schuld aan wat Johred en Haïl overkomen is . ".

(3 Juni 1840) 3. "Ja", zei Lamech, "Jullie hebben de juiste beslissing genomen; ik als je huidige rechtmatige koning (eigenlijk 'kan ik' of het verouderde 'kun ig') zal te midden van jullie hetzelfde doen en mijn eerste dienaar Tatahar zal onze gids zijn tezamen met zijn goed bewapende gezellen!"

4. En zie, dit snelle, gepaste besluit van Lamech beviel het volk en men zei: "Zie, zie en luister! Huhuhorah (dat betekent: er is nog een recht­vaardige koning!); ook is hij verstan­dig, laat hem onze koning zijn!"

5. En daarop stonden allen op en gingen, geleid door Lamech naar het tijger - en hyenawoud en vonden daar ook spoedig de nog met bloed bevlek­te gruwelijke plek en ze treurden en weenden daar en raapten de verstrooi­de resten van de kleren bijeen uit bedroefde eerbied.

6. En toen zij daar hun ijdele rouwdienst verricht en de waardeloze relikwieën van Johred en Haïl verza­meld hadden, verlieten zij de gruwe­lijke plek en trokken vol bittere wrok in groepen van honderd man, elk op een kleine afstand van dertig uitge­strekte handen van elkaar, het woud in om de snode hyena's te zoeken. En zie, ook niet één enkel dier wilde zich laten zien, laat staan een hyena. Toen zeiden zij: "Het laaghartige dier is beslist naar de bergen gevlucht! ­Houd moed! Hoewel geen sterveling sedert Kaïn het ook maar gewaagd heeft één voet op een berg te zetten, zullen wij dat nu voor de eerste keer doorbreken; want wij hebben een goede reden hiervoor en geen God is in staat deze stap af te keuren, omdat wij een rechtvaardige zaak tegen deze snode, vraatzuchtige beesten hebben. Daarom nog eens: houd moed, - ook al zouden wij met zijn allen te gronde gaan!"

7. En zie, Lamech antwoordde daarop: "Jullie stem is naar mijn wil en voor jullie een gebod. Ga daarom en doe wat je je hebt voorgenomen; ik zal hier aan het hoofd van Tatahars groep op jullie wachten en een waak­zaam oog houden op het een of ander beest aller beesten, dat aan je harde slagen ontkomen is."

8. Daarmee waren de drieduizend tevreden en ze liepen onwennig met aarzelende schreden en durfden nau­welijks om te kijken van duizeligheid bij de aanblik van de door hen beklommen hoogten en de diepten die ze achter zich gelaten hadden. En zie, drie dagen lang zochten zij naar de hyena's, maar geen enkele wilde zich laten zien; toen kregen zij er genoeg van en sloegen met hun knot­sen tegen een meer dan twaalf klafter* (* 1 klafter = 1,90m) hoge, zeer steile rotswand, die hen het voortgaan verhinderde en zij ver­vloekten de wouden en de bergen, omdat die onderdak verschaften aan allerlei monsters, en zij riepen de bomen, rotsen en rotswanden ter ver­antwoording en spuugden op de aarde om de schande van het bloed dat zij dronk en vervloekten haar tot in de grond en vervloekten de zon, omdat die zo' n gruweldaad verlicht had en ook alle sterren en de maan die zo' n ongehoord laaghartige daad aan hadden kunnen zien. En een van hen was de grootste en de sterkste en heette Meduhed (dat betekent 'de sterkste'). Deze keerde zich om en richtte enige korte, maar zeer passen­de woorden tot de in woede ontsto­ken menigte en zei:

9. "Wat hebben jullie voor met deze onzin? Zie, jullie breken en ver­splinteren je knotsen op deze dode, harde, onoverwinnelijke rotswand en maken de terugweg glibberig met je gekwijl! Als wij nu zouden terugkeren en er zouden hyena's, tijgers, leeuwen, beren of grote slangen ons de weg ver­sperren, hoe denken jullie je dan te verdedigen! De oude God heeft ons hier al een niet te overwinnen grens aan onze blinde, vruchteloze wraak gesteld; hoe gemakkelijk kan Hij een nog veel verschrikkelijkere op de terugweg opstellen! Bedenk daarbij, dat het slecht strijden is tegen de Oude" daar Hij zelfs bomen en stenen levend zou kunnen maken als Hij te weinig dieren zou hebben om ons allen te verslaan en te doden vanwege onze dwaasheid en onze ongehoor­zaamheid. Wij hebben de bergen betreden ondanks het strenge gebod van de wijste en rechtvaardigste man­nen, Kaïn, Hanoch en Farak. En wie weet, wonen er boven deze wand hogere wezens, waarover onder het volk nog steeds vage geruchten de ronde doen; want deze bergen zijn hier niet voor niets! En al zou slechts een van die wezens ons in het oog krijgen, wat zou ons povere aantal voorstellen ten opzichte van één zo'n reus van God?! Laat ons daarom in alle bescheidenheid omkeren nu het nog dag is, opdat wij niet te gronde gaan onder de vervloeking van de nacht, die van oudsher reeds een grote vijand van ons was - zoals de dag een plaag, die echter niet zo nauw verbonden is met zulke grote gevaren als de nacht. Laten wij daarom deze weloverwogen raad opvolgen. Amen."

10. En zie, toen deze toespraak hen tot bezinning had gebracht en zij weer moed hadden gevat en zich op de terugweg wilden begeven, kreeg Meduhed een grote man in het oog, die op een vooruitstekende punt van de wand stond; en deze man, een zoon van Adam en plaatsvervanger voor Abel, was Seth, die later van Mij door middel van de engel Abel, zijn broer, de opdracht kreeg met Adam en Eva naar het beloofde land te trek­ken en in de bergen te gaan wonen met het uitzicht op het ver verwijder­de vroegere paradijs, waarover Ik later nog iets uitvoeriger zal spreken.

11. En zie, deze Seth sprak hen met krachtige stem aan, omdat hij een van diegenen was die nog steeds de taal van alle schepselen sprak en zei: "Ruwe en God geheel vergeten heb­bende kinderen van Kaïn, de broeder­moordenaar! Welke gerechte straf van God, de Vader van mij en van de nog levende Adam, alsmede van al zijn kinderen die op de hoogten leven, heeft je hierheen, in de sterke armen van jullie ondergang gevoerd? O jullie slangengebroed, wat zien jullie er uit?! O jullie voer voor de hyena's, vertel me, wat wil je hier op deze heilige plaats! - Wat heb je te zoeken op de voor jullie zo streng verboden plek? ­Wijk van hier en val allen tezamen in de gapende muil van de bij overtre­ding voor jullie gestelde straf, name­lijk de dood brengende muil waaraan je niet zult ontkomen, tenzij deze rotswand je voor eeuwig zal begra­ven!"

12. En zie, toen viel Meduhed neer op zijn knieën en riep luid om erbar­men en genade. Seth evenwel, die namens Mij sprak en zodoende ook des te meer vervuld was van Mijn lief­de, liet zich spoedig vermurwen door Meduheds klagende stem en zei:

13. "Meduhed, jij alleen mag naar mij opkijken, naar de grote nabijheid van God, omdat jij je broeders afhield van grote, moedwillige boosheid voor het alziende oog van God; daarom zal alleen jij weten waar en wie deze vraatzuchtige hyena is: zie, deze dui­zendvoudige hyena is beneden geble­ven aan de slangentongenspits van de bende van Tatahar en heet Lamech!

14. Maar laat niemand van jullie het wagen hem aan te raken! Zeven­enzeventig maal wee over degene die zich aan hem zou vergrijpen, - omdat zo iemand vooruit zou lopen op Gods tijd, hetgeen echter het allerverschrik­kelijkst zou zijn, omdat zo iemand de band van de goddelijke liefde zou ver­breken en daardoor de brede, onme­telijke gordel van het scherpste gericht van de Godheid zou ontkete­nen, waardoor zich grote vuurkolom­men over de hele aarde zouden uit­storten en zo de hele wereld door vuur vernietigen. En sta nu op met je bende en trek in vrede naar huis en let niet op Hanoch, maar op jezelf en op God, die een getrouwe Redder is van diegenen die altijd naar Hem opzien, - zowel in vreugde alsook in nood! Amen."

15. En zie, toen werd Seth één lichtgloed; daar schrokken zij van en vluchtten weg uit zijn aangezicht over heg en steg en bereikten de vlakte voor zonsondergang en tegen midder­nacht ook hun huizen, die tien uur gaans van de bergen verwijderd waren.

 

Hoofdstuk 31

De landverhuizing onder leiding van Meduhed

 

1. En zie, voor zij uiteen gingen, nadat zij op hun geboortegrond aan­gekomen waren, richtte Meduhed een kort woord tot hen en zei: "Broeders, luister zeer goed naar mij; want wat ik jullie nu zal zeggen is van het grootste belang. Je hebt de man op de vooruit­stekende punt van de rotswand in het hoge gebergte gezien en de donderen­de klank van zijn krachtige stem gehoord en tenslotte ook nog be­merkt dat een groot licht hem omhul­de, zodat wij van angst huiverden en daarop onze voeten door grote vrees zo voortgezweept werden, dat die over heg en steg zijn gesprongen en wij hier op onze welbekende geboor­tegrond zijn aangekomen.

2. Jullie hebben hem de ons welbe­kende duizendvoudige hyena horen vermelden; jullie hebben ook zijn waarschuwing gehoord over de zeven­enzeventig voudige wraakneming en hebben tenslotte ook allemaal zijn ongehoorde straf rede over de vuurzui­len vernomen.

3. Oordeel nu zelf wat er in zulke omstandigheden te doen valt! - Laten wij hem in leven, dan zal hij spoedig met ons allen hetzelfde doen wat hij zonder schroom met zijn broers gedaan heeft; maar laten wij een gerechte wraak over hem komen, dan worden wij van boven gewroken met vuur, zevenenzeventig keer. Dus zijn wij nu russen hamer en aanbeeld terecht gekomen; of wij nu het ene of het andere doen, er wacht ons altijd een gewisse dood. - Mijn raad luidt nu als volgt:

4. Het schrikwekkende geheim ­als het ware een doodsgeheim - begra­ven wij diep binnenin ons, nemen dan onze vrouwen en kinderen en verlaten vervolgens in het holst van de nacht in alle stilte dit gruwelijke land en trekken in de richting van de mor­gen, waar ons al dikwijls een laag gebergte opgevallen is en trekken daaroverheen; dan zal wel blijken of er ergens nog een land zonder deze misdadigheid bestaat. En ook al zou dat aan het eind van de wereld liggen, dan geloof ik nog dat het beter is daar rustig te leven en op hoge leeftijd in te slapen, dan hier in voortdurende onrust of de aarde met je eigen bloed te drenken of tot as verbrand te wor­den.

5. Want de reus op het klif sprak ook: 'Let niet op Hanoch, maar op jezelf en op God, die een getrouwe Redder is van diegenen die altijd naar Hem opzien, zowel in vreugde alsook in nood!', - en de laatste heeft bij ons nu zeker zijn hoogtepunt bereikt.

6. Daarom, broeders, in wie zoals bij mij de gerechtigheid brandt, ver­trouw op de God waarover de grote man op de berg krachtig voor ons heeft getuigd en laten wij het liever nog vandaag dan morgen doen, omdat het anders misschien wel eens te laat zou kunnen zijn; vat daarom moed, vertrouw op God en morgen zullen wij ginds in het verre gebergte de zon begroeten. Schiet op en haal je familie en hetgeen je bezit, zoals vruchten en dieren en in drieduizend ogenblikken treffen wij elkaar weer hier, goed voorzien van knotsen, amen!"

7. En zie, amen sprak ook de scha­re en in twee uur was alles klaar voor de reis, dat was omstreeks het tweede uur na middernacht. En. toen nu Meduhed alle vaders had geteld en zag dat zij voltallig waren, dankte hij God en vluchtte aan de spits van de grote hem volgende menigte, die uit tienduizend mannelijke en twintig­duizend vrouwelijke personen op evenzoveel kamelen en grote ezels bestond.

8. En toen de zon opging, hadden zij allang het verre laaggebergte bereikt, wat stellig zonder Mijn bij­zondere hulp niet zou hebben kun­nen gebeuren omdat het gebergte hemelsbreed dertig uur gaans verwij­derd lag.

9. Hier weidden zij twee uur lang hun dieren, rustten uit en aten van de meegenomen vruchten en dankten God op bevel van Meduhed voor de wonderbaarlijke redding. Maar Meduhed ging, opgewekt door zijn geest en begeleid door tien man, iets verderop en viel voor het gezicht van zijn tien begeleiders op de aarde neer, ontstak in liefde tot God en zag in het licht van zijn liefde veel boosheid in zijn hart. Hij begon daarop te huilen en te weeklagen van berouw over zijn grote schulden.

10. En toen Ik zag dat hij het ern­stig met Mij meende, schreef Ik in duidelijk leesbare vurige letters de volgende woorden in zijn hart: Meduhed, sta op in het aangezicht van Mijn grote barmhartigheid! - Jij bent gered met al diegenen die, door jouw liefdevolle zorg in beweging gezet, je tot hier zijn gevolgd. Maar hier kunnen en mogen jullie niet lang vertoeven, nog minder blijven, - zoals je ziet loopt dit smalle dal in de rich­ting van de morgen en het kleine riviertje stroomt eveneens daarheen, loop jij daarom ook met de schare zeventig dagen lang in die richting voorwaarts en als je dan aan een onoverzienbaar groot water zult komen, rust daar dan zeventig dagen lang uit. En kom dan weer tot Mij in je hart, zoals vandaag, dan zal Ik je de weg wijzen die je over de wateren moet gaan om in een ver, groot land te komen, waar jullie zonder bloed­vergieten veilig zullen zijn voor de wreedheid van Lamech, de broeder­moordenaar. En indien jullie honger mochten krijgen, eet dan van alle vruchten die je onderweg in grote hoeveelheden aan zult treffen en drink het goede water van de stroom, die tot aan het grote water je wegwij­zer zal zijn en gedenken jullie allen zoals vandaag, je grote, boven alle wezens verheven God en gedenk dat Ik een volk op aarde heb, waarvoor Ik een heilige, liefdevolle Vader ben!

11. En bedenk, dat toen deze aarde als een dauwdruppel uit Mijn grote Vaderhart en gindse zon als traan van erbarming uit Mijn alziend oog vloei­de, O toen waren ook jullie nog Mijn kinderen! Tracht daarom als kleine schare door liefde te worden wat je eens was, nog voor de aarde een ontuchtig geslacht droeg en ginds de grote zon brandde uit Mijn genade! ­Maar nu moeten jullie op weg gaan en verder trekken in Mijn naam! Amen."

12. En zie, Meduhed sprak deze woorden hardop uit tegen de grote menigte en hij was diep ontroerd en de schare met hem, en vlug stonden zij op en handelden precies volgens Mijn geopenbaarde wil.

13. En zie nu, toen Meduhed na een reis van zeventig dagen aangeko­men was bij de hem reeds genoemde oever van het grote water op aarde, dat jullie vandaag de dag de 'Stille Oceaan' noemen en dat aan de kusten geelachtig maar deels ook - op de die­pere plaatsen - over brede banen hele­maal blauw oplicht door de vermen­ging van de kleuren van de bodem, van het rijkelijk voorhanden zijnde koperzout en de zich daarin brekende stralen van de zon, sloeg hij met zijn schare een kamp op in een streek die overvloedig beladen was met goede vruchten, precies de plaats waar Ik hen wilde hebben.

14. En omdat Meduhed - en ook allen die hem gevolgd waren - zag dat Ik een goede Gids ben, boog hij voor de schare zijn hoofd diep voorover naar de aarde en dankte Mij uit de grond van zijn hart, en uit de menigte volgden allen toch min of meer zijn goede voorbeeld, waaraan Ik een wel­behagen had.

15. En zie, toen nu Meduhed zijn dankzegging voleindigd had, in zijn hart diep geroerd door Mijn grote genade, en hij opstond en de nog lig­gende, met dank vervulde menigten overzag, begon hij te wenen van vreugde over Mijn grote erbarming, die zovelen het leven gered had en aan hen, die reeds zo lang in grote, harde slavernij leefden, de gouden vrijheid teruggegeven had en een zo rijke en onder Mijn hoge bescherming staan­de veilige rustplaats.

16. En toen spoedig daarna de menigte gesterkt en ook zeer opge­wekt weer opgestaan was, besteeg Meduhed een kleine heuvel, ongeveer zeven klafter hoog of nog nauwkeuri­ger, zeven manshoogten boven de wijde vlakte en hield van daaraf een uitvoerige en lange toespraak, die hem in zijn hart van boven was inge­geven. En hij voegde er niet één woord aan toe, noch liet hij één woord weg en was zodoende een echte prediker uit Mijn naam voor de licht en liefde behoevende schare. De woorden van zijn uitvoerige en lange rede luidden als volgt:

17. "Broeders, kijk naar mij en luister met open oren en harten naar de woorden die ik op innerlijk bevel van God nu zal spreken en jullie moe­ten geduldig luisteren, want zij zijn van groot belang!

18. Luister: God, de allerhoogste, heeft ons op wonderbaarlijke wijze uit de moorddadige handen van Lamech bevrijd en heeft ons behou­den hiernaartoe geleid tot aan het einde van de wereld, want jullie allen zien het einde van de aarde en het begin van de grote wateren. Kijk naar het mooie en heerlijke land, dat als het ware vanuit de hoge hemelen op aarde neergedaald is en het zou zeker een grote vreugde voor ieder van ons zijn om hier voorgoed te kunnen en te mogen wonen. Maar de wil van boven, vanaf de hoogten van God, luidt niet zo; wij mogen hier slechts zeventig dagen blijven, want in deze tijd zal een wreedaardig leger van Lamech met Tatahar aan het hoofd ons wel weten te vinden. En wee degene die in zijn wrede handen valt; hij zou hem verscheuren als een tijger een lam!

19. Daarom heeft de Heer in Zijn genade mij een plek getoond waar wij naartoe zullen gaan. Daar zullen wij gereedschappen vinden gelijk aan die welke al gegeven zijn aan Zijn grote kinderen die ginds op de grote hoog­ten van de aarde wonen, opdat we hierdoor tevens zullen beseffen dat Hij ook onze Vader wil zijn en zal worden, als wij bereid zijn ons gewil­lig te onderwerpen aan Zijn uiterma­te grote liefde, die tot hiertoe zo voor­treffelijk voor ons gezorgd heeft als ooit ook maar het beste vaderhart voor zijn kinderen zou kunnen zor­gen, zelfs al zou dat van alles in de allergrootste overvloed bezitten.

20. Daar zullen wij het gereed­schap nemen en het gebruiken om slanke bomen te vellen, die van de schors en alle takken te ontdoen en ze dan aan vier zijden te bewerken, zodat ze zo glad worden als een rusti­ge watervlakte. En er moeten tiendui­zend stammen van de mooiste en de beste kwaliteit, die maar weinig loof hebben, goed voorbewerkt worden. Elk van de zo goed voorbewerkte stammen moet tien manslengten lang en één pas breed zijn; dan moeten eerst dertig stammen door middel van nagels, die ook in grote hoeveelheden bij het gereedschap aangetroffen zul­len worden, vast met elkaar verbon­den worden. En als dan zo'n bodem klaar zal zijn, dan moeten aan de zij­kanten drie stammen in de lengte­richting boven elkaar bevestigd wor­den en in de breedte steeds twee boven elkaar; en dan moet de binnen­kant met hars en pek van de bomen, dat intussen door de vrouwen en de kinderen in grote hoeveelheden verza­meld moet worden, goed gedicht worden.

21. En deze nieuwe bouwsels moe­ten wij langs de oever oprichten, en op de laatste dag moeten wij nog overal een grote, van groen loof voor­ziene tak op iedere hoek van het bouwsel bevestigen, als teken van de behaalde overwinning door de grote genade van boven. Wat er verder nog te doen valt, daarop wachten wij tot op de laatste dag, volgens de grote belofte die tot mij kwam toen wij onze ogen nog in grote vrees en angst op Hanoch gericht hielden; en dit doen wij met zijn allen als broeders verenigd, omdat wij geen vorst heb­ben, aan wie wij de ten hemel schrei­ende schatting moeten afdragen, ­afgezien van onze grote God, die een Heer is van alle macht en kracht, eeu­wig oneindig, en die ook een machti­ge en rechtvaardige Heer is over alle heren, waar zij zich nu en in alle toe­komstige tijden der tijden ook onrechtmatig op de hele aarde mogen bevinden als plegers van gruwelijke daden en moorden op hun broeders. Onze God, die een Vader voor ons wil zijn, zijn wij liefde en onvoor­waardelijke gehoorzaamheid ver­schuldigd; wie zich daartegen zou wil­len verzetten, zal niet door zijn broeders met roeden en knuppels getuchtigd worden, maar God Zelf zal hem straffen door hem Zijn gena­de te onthouden.

22. Nu weten jullie voorshands alles wat er op dit moment nodig is; kom daarom bij elkaar, verkwik je met spijs en drank, dank de Heer en begin dan vlug met het opgedragen, grote werk, amen."

 

Hoofdstuk 32

Het hooglied van Meduhed

 

1. En zie, toen nu Meduhed deze toespraak beëindigd had, vielen allen voor God op hun knieën ter aarde neer en dankten en prezen God van­uit het diepst van hun hart, en dat duurde wel een uur; toen verhieven zij zich opgewekt en gingen, door de geest van de genade geleid iets verder landinwaarts en vonden daar in een ruime grot een grote hoeveelheid werktuigen van allerlei soort, zoals houwelen, aksen, bijlen, schaven, allerlei soorten messen, zagen, hamers, boren, winkelhaken, beitels en een miljoen dubbele spijkers, door jullie krammen genoemd. En zie, toen werden zij zo buitengewoon blij, dat zij sprongen en juichten van vreugde over Mijn voor hen niet te begrijpen grote genade. (N.B. Zie, wat Ik jullie hier geef is meer dan deze gereedschappen; maar er is er nog niet één die zich van ganser harte aan­gediend heeft om Mij met grote vreugde in zijn hart naar behoren te bedanken. Let op, jullie stompzinnige vereerders van Mijn naam en fijn­proevers van Mijn woord en zet de poorten van de liefde, van de nieuwe, heilige stad in jullie harten, wijd open, opdat Ik Mijn engelen daar naartoe kan sturen, zodat zij van tevo­ren alle pleinen, stegen en schuilplaat­sen zullen reinigen, evenals alle daar­aan gelegen woningen, zodat Ik dan Mijn intrede zal kunnen doen en jul­lie Mij dan tegemoet hollen en in grote vreugde uitroepen: 'Hosanna in den hoge en vrede voor alle volkeren die van goede wille zijn; geloofd zij de

 

Heer, die op een ezelin aangereden komt; halleluja voor de zoon van David; hallelujah voor de vorst van de vrede; hallelujah voor Hem, die komt in naam van de Here God Zebaoth; Hij alleen is waardig alle lof, alle roem en alle eer van ons te ontvangen; Hij is de heilige, enige Vader van onze harten, amen!')

2. En nu weer verder! - Zie, toen namen zij al die gereedschappen en ook de spijkers en droegen die naar de oever; zij sterkten zich daar door rust, spijs en drank en gingen reeds de vol­gende dag met van dankbaarheid ver­vulde harten aan het werk en loofden Mij zelfs als zij missloegen, - het was ook daarom, dat hun arbeid zo snel en goed vorderde, wat meer als een wonder dan als eigenlijk werken moet worden beschouwd; en zodoende kwamen tweehonderdvijftig bakken binnen veertien dagen kant en klaar en werden aan de oever met touwen vast gemaakt, zodat zij gezekerd waren tegen wegdrijven door de steeds langzaam opkomende vloed van de grote zee.

3. En zie, zo bleven er na getrouw verrichte arbeid nog goed vijftig dagen van volkomen rust voor hen over. Gedurende die tijd verstrekte Ik hen door de waarachtig vroom en liefdevol geworden Meduhed steeds meer kennis omtrent Mij; ook leerde Ik hen het vieren van een sabbat, op welke dag zij zich, in Mijn liefde rus­tende, van iedere arbeid moesten ont­houden en ook moesten zij geduren­de deze hele rustdag zich volkomen aan Mij wijden. En als zij dit voort­durend zouden doen, dan zouden zij allemaal uiteindelijk net zo wijs wor­den als Farak was en Meduhed nu is. Ja, als zij hun best zouden doen om godvruchtig te worden, niet alleen uit grote eerbied en door enkel Mijn naam te kennen, maar veel meer door te beginnen Mij met de juiste dee­moed in hun harten in alle oprecht­heid lief te hebben en zij dan in die liefde zouden groeien, zou Ik ook een goede Vader voor hen worden en de dood zou van hen teruggenomen worden, omdat zij dan weer als kin­deren opgenomen zouden worden in de brede schoot van de goddelijke liefde tot aan een gewisse grote tijd aller tijden op aarde, omdat zij dan allen tezamen naar de grote Vader zouden komen en Zijn gelaat voor eeuwig zouden aanschouwen en zich verzadigen aan de onmetelijke rijke uitstromingen van de liefde uit Mij.

4. En zie, zij hoorden van alles daarover door de mond van Meduhed en waren daar zeer blij mee en dron­gen zich in menigten om Meduhed heen en verlangden er erg naar om dagelijks iets over Mij te ervaren; in de hemel verheugde Ik Mij hierover en alle engelen van de oorspronkelijke schepping ook.

5. Zo leerde Ik hun door Meduhed ook de woorden in tekens vast te leg­gen; die tekens waren overeenstem­mende beelden, waarbij achter de natuurlijke vorm een geestelijke bete­kenis schuilging; en zo leerden zij in deze korte tijd ook schrijven en lezen.

6. En zie, zo heb Ik Mij in korte tijd een volk opgewekt waarvan tot op dit uur nog afstammelingen bestaan, - waar echter, daarover later! Welnu, toen zij nu zo goed voorbereid waren, liet Ik op de achtergrond een hooglied vol wijs­heid en liefde voor hen klinken door middel van Meduhed; het werd daar reeds opgetekend en is nog heden ten dage voorhanden - waar echter, ook daarover later! Het luidde als volgt:

 

Luistert allen, gij late kinderen van Mijn genade, hoe Ik u onthaal,

luistert, hoe Ik u allen uitnodig aan Mijn grote gastmaal!

Komt allen, die trouw van harte zijt hier in Mijn midden, en doet mede met 't gemeenschappelijk loven van Mijn naam, nog volgens d' oude zede, die Meduhed u zo vroom en trouw wist te leren, daar hij - als eerste - Mij in zijn hart heeft willen begeren!

 

Neemt dus zijn goed en zinnig voorbeeld wel in acht; ziet zijn ogen, mond en oren, en zijn witte baard, zo zacht, als veilige tekenen van zijn vroom en zeer wijs spreken!

O, dat toch jullie allen in dit alles hem geleken!

Zodat ook gij straks worden kunt Mijn lieve, trouwe kinderen, die dat kwade slangen broed niet meer vermag te hinderen.

 

Ziet, schoon spoelen van haar gruwelen zal Ik spoedig heel deez' aarde, der zondaren streven naar Mijn liefde zal dan blijken zonder waarde!

Maar als gij van binnen trouwen vroom van hart zult blijven, zal Ik Mijn watervloeden graag aan u voorbij doen drijven! En als Ik straks Mijn toorn zal ontkluisteren van zijn banden, dan zult gij veilig zijn geborgen: Ik zorg voor hogere landen!

 

Dan zullen op aarde alle geslachten klagen,en de 'groten' zullen geen hoongelach meer wagen.

En als dan d'hoge watervloeden ruisend stromen over de bergen, zullen ze slechts weinig kinderen sparen: dat zijn Mijn liefdedwergen. Ja, zeer klein werden ze en heel veel minder waard; hun groot gebrek aan liefde heeft hen zeer ontaard!

 

Ziet op dus naar Mijn licht-doorstroomde hemelzalen,

Ziet Mijn sterren stralend van Mijn genâ verhalen.

Ziet hoe de vlakten der aarde worden verlicht door de zon. Ziet hoe de maan haar begeleidt, welwillend van toen ze begon. Ziet alle werelden gehoorzamen aan Mijn wil.

Doet gij ook zo dus al uw werken steeds heel stil.

 

Ge wilt het wezen van de sterren geheel doorleven?

Hoor! Ik zeg: de liefde zal het juiste antwoord geven!

Als het hart volkomen zuiver op de liefde zal zijn gericht, zal Ik de fakkel van Mijn genade geven als een licht; daar leest een ieder dan gemak'lijk in fel en vlammend schrift, Gods naam in grote letters heel duidelijk gegrift.

 

O gij, klein hart, in nauwe borstkas ingesloten, kendet gij de bron, waaruit zo groots ge zijt ontsproten...,

dan zouden er geen vragen over de dode materie in u rijzen; ge liet ze, onbekommerd, dan graag zweven op hun eigen wijzen, wetend dat de Schepper Zelf van al deez' nietig kleine dingen..., onbeduidend vergeleken met een hart, dit steeds met liefde wil omringen.

 

Dàt, wat voor zwakke mensenkinderen zo vaak als groot opdoemt, wordt door Mijn liefde daarentegen slechts zo klein genoemd! Want die dingen in de ruimten, ze zijn als niets zo klein... gelijkend mensenharten, die nog niet ontkiemd in liefde zijn! Houdt daarom niets voor groot dan slechts Mijn liefde trouw en, wat direct daarna komt: des zondaars waar berouw.

 

Ik alleen ben groot, daar Mijn liefde en machtig besturen, en een vrije geest, die in de orde is gegrondvest, zal voortduren. Wat betekenen Mijn zonnen in hun onbekende banen?! Slechts dat ze u als al het andere, steeds uw zwakte manen!

Wat zijn zij meer... in het licht van Mijn volmaakte Godheid...dan 't afgevallen hulsje van een zojuist ontpopte mijt?

Stel dat g' eens tot in het centrum al dezer werelden in mocht keren... om daar dan het geruis te horen van hun snelle vluchten door de sferen... Om daar ook de sterkte te meten van aller zonnen felste licht...

en d'almacht te verstaan, waarmee Ik al dat groots verricht...

Zoudt ge ook dan nog nader tot Mijn grote liefde kunnen komen? Neen zeg Ik; aan vertwijfeling zoudt ge niet kunnen ontkomen!

 

Zoudt gij ook kunnen besturen daar de grote hemelwagen?

En hem - net als grote geesten - snel naar de sterren jagen?

Kondt g'uit uw mond ook lichtende zonnen baren, zonder weeën?

En hen onderdompelen - zoals Ik de Mijnen - in de golven van de zeeën?

Dan nog zou al uw kracht, naast de Mijne, een vergelijk behoeven: ze is als zand en stof in oude leem - en steengroeven!

 

Kijk op naar 's hemels blauwe randen, kijk over golven naar der zeeën verre stranden, maar geloof gerust, omdat Ik 't u zeg: grenzen zijn daar niet, waar men overdag zeeën van licht van de zon en 's nachts de sterren ziet!

En heel de inhoud van uw grote zee is zelfs niet te vergelijken met slechts een druppel der daargindse 'kleinste' sterrenrijken.

Richt daarom uw oog op Mij, de Grote, gij kleine mensenrij, en beperk uw weetgierigheid maar tot Mij.

 

Heinde en ver, ja overal moet ge Mijn liefde zoeken!

Laat uw blikken alom dwalen tot in de vreemdste hoeken!

De tekenen van Mijn naam zult g' overal kunnen vinden;

maar laat u dan ook door niets anders dan door Mijn liefde binden!

 

Ja, zelfs het gras zal u over Mij verblijdend informeren, mits g'u maar onophoudelijk van Hanochs zonden afblijft keren! En als g' elkaar, als broeders nu, steeds trouw wilt blijven minnen, en in bedwang houdt voor elkaar uw ongeregeld' aardse zinnen, dan zal grote genade tot u komen van boven...

en u zal getoond worden hoe men de Vader moet loven.

 

Zo kniel dan neder op deez' aard', de moeder van uw zonden, schudt af het stof der slang, 't maakt dodelijke wonden! Dank Mij, jullie Redder, vol nieuwe vreugde in het hart

en laat aan Mij gewijde tijd je nooit brengen tot enige smart! Laat de macht van Mijn liefde jullie diep in de harten raken, dan zal het licht van Mijn genade je tot nieuwe mensen maken!

 

7. En zie nu, toen Meduhed dit be­langrijke lied van het leven uit Mijn genade, dat een klein vonkje is van Mijn oneindige liefde en alle daaruit voortvloeiende erbarmen, geheel had opgetekend en het daarna ook aan het volk had voorgelezen, was er een tomeloze vreugde onder hen ont­staan, die slechts door een wonder uit de hemel gematigd had kunnen wor­den. En dit wonder was een plotselin­ge regen en deze regen was een regen van liefde vanuit Mij, omdat hun vreugde terecht was; want zij verheug­den zich erover dat Mijn naam aan hen bekend was gemaakt, maar nog meer over Mijn liefde; en het aller­meest verheugden zij zich erover, dat de bovenmatig grote, heilige God als Vader zo minzaam in de meest onbe­grijpelijke liefde de kinderen van de ellende door Meduhed onderrichtend had toegesproken.

8. En zie, zo dreef de regen hen uit elkaar en naar hun tenten, die waren gemaakt van twijgen, gras en witte leem, en zelfs daar prezen zij gelukza­lig Mijn naam in engere kring tot midden in de nacht en zij zouden niet opgehouden hebben met hun loftuitingen als Ik niet een welverdiende, rustige, zoete slaap over hen had laten komen.

(N.B. Ik heb jullie, als je ware Vader, al grotere dingen gegeven, ver­diend en onverdiend, maar sedert de overste van de Romeinen en de Kanaïtische vrouw in het evangelie en, op een enkele uitzondering na, bij de apostelen en enige martelaren, heb Ik sindsdien nog nooit zo'n grote vreugde gevonden, maar bij jullie al helemaal niet. Ik verlang het welis­waar ook niet, maar zeg jullie alleen, dat je Mij steeds meer moet beginnen lief te hebben; dat wil Ik van jullie. Daarover hoef je geen hartzeer te heb­ben; want wat niet is, kan toch nog wel eens komen als jullie Mij nader leren kennen en daardoor jullie har­ten verruimd zullen worden, zodat Ik met al Mijn genade daar in zal kun­nen trekken. Dat is iets wat jullie je allemaal boven alles zouden moeten wensen, maar niet moeten vrezen, zoals enigen onder jullie dat doen, want in de liefde mag zoiets niet. Amen.)

 

Hoofdstuk 33

De afvaart van de Meduhedieten

 

1. En zie, toen de nog overgebleven vijftig dagen verstreken waren, riep Meduhed, door Mij geïnspireerd, hen allen bijeen en hield een gloedvolle

(8 juli 1840) rede tot hen, die als volgt luidde: "Mannen, vrienden en broeders met al jullie vrouwen, kinderen, knechten en meiden, die nu eveneens volgens de wil van boven onze lieve broeders en zusters zijn, kom allen hierheen tot mij en stel je om de kleine heuvel op volgens de bekende orde, zodat jullie goed de aan mij geopenbaarde nieuwe wil van de allerhoogste God kunnen vernemen!

2. Want de Heer wil dat jullie al het gereedschap zullen verzamelen en daarvan moet je in iedere bak van iedere soort een gelijk aantal leggen op het stro dat jullie tot rustplaats gediend heeft. En als jullie dat gedaan hebben en de goed van loof voorziene takken met de nog overgebleven nagels op de hoeken bevestigd heb­ben, breng dan pas de verzamelde vruchten daarheen, genoeg voor de duur van minimaal dertig dagen en leg die voorzichtig onder de takken op vijgenbladeren! Laat de kamelen en de ezels achter als teken voor de Lamechieten, dat wij hier waren en ook ten teken dat wij al het dierlijke achterlieten en alleen het menselijke en dus ook het Goddelijke gered heb­ben. Leg om de gereedschappen klei­ne twijgen tot één voet hoogte en bedek die met jullie dekkleden en strooien mantels, en werp de dieren­huiden over het gereedschap. En als dit alles precies volgens het door mij verkondigde goddelijke voorschrift is gedaan, kom dan nog eenmaal bij deze heuvel naar mij toe, opdat ik jul­lie allen volgens de wil van boven ver­dere gedragsregels kan geven. Dan zullen wij gemeenschappelijk God danken en Hem plechtig prijzen voor Zijn onmetelijke en onbegrensde goedheid en barmhartigheid.

3. Ga nu en doe vlug wat jullie door mij van boven is aangeraden, amen."

4. En zie, toen bogen zij zich alle­maal naar Meduhed, dankten in hun harten God voor deze aanwijzingen en gingen zeer bereidwillig en snel aan het opgedragen werk; en volgens jullie tijdrekening was alles na zeven dagen geheel in orde.

5. En toen zij nu alles op de vereis­te manier hadden voltooid, kwamen zij op het vrome verzoek van Meduhed weer tezamen bij de heuvel en dankten Mij aldaar voor zijn aan­gezicht voor de zo snel en gelukkig volbrachte arbeid.

6. En toen Meduhed nu hun vol­brachte arbeid had gezien en zag dat zij net als voorheen weer allemaal vro­lijk en met een vroom hart om de heuvel verzameld waren, begon hij opnieuw een rede tot hen te houden en zei:

7. "Mannen, vrienden en broeders, vrouwen en zusters, luister! Het is de wil van de Heer, onze grote, almachti­ge God, dat jullie steeds met zijn hon­derdentwintigen plaats zullen nemen in één bak en wel met veertig van het mannelijke en tachtig van het vrou­welijke geslacht en de kinderen moe­ten zitten of liggen op de huiden, die over de werktuigen gespreid zijn. Maar de vrouwen moeten op de twij­gen en dekkleden en mantels gaan zit­ten; jullie mannen moeten om de vrouwen heen gaan staan, met jullie gezichten in de richting die de bak­ken nemen en waarheen de wind waait, en jullie zullen slechts eenmaal per dag eten en wel rondom het mid­den van de dag. Jullie moeten je behoefte, evenals de vrouwen en de kinderen op het achtereinde van de bak in het water doen; maar daarbij moet de een de ander vasthouden, opdat niemand in het water zal val­len. De mannen zullen verder gedu­rende de hele tijd niet slapen noch zitten en nog minder gaan liggen; want de Heer zal je ledematen sterk maken en je ogen open houden gedu­rende de tijd die wij volgens Zijn hei­lige wil op de golven van het grote water zullen doorbrengen. De vrou­wen en de kinderen zullen niet zelf naar de vruchten grijpen, maar moe­ten deemoedig hun eten aan de man­nen en vaders vragen, opdat wij één volk worden naar de wil en de eeuwi­ge, almachtige ordening van God en wij Zijn welgevallen en uiteindelijk Zijn oneindige liefde en genade waar­dig mogen zijn, want wij willen en zullen ook niet één haar op ons hoofd aanraken zonder Zijn heilige wil!

8. En als wij ons dan in de naam van de Heer allen in de bakken zullen bevinden, moet de oudste in iedere bak klaar staan om op een uit de hemel te geven teken, wat een krach­tige bliksemstraal zal zijn, het touw door middel van een scherp mes meteen door te snijden; daarop zal er wind komen en de bakken zullen naar de open zee drijven en dat in het aangezicht van Tatahar en zijn moordlustige bende, die op het moment dat wij al zo'n duizend manslengten van de oever verwijderd zullen zijn, aan zullen komen.

9. Dan zullen jullie zien dat zij ste­nen in het water slingeren; geen daar­van zal ons ooit meer bereiken. Want de rechterhand van God zal ons snel uit het zicht van de hyena's voeren en zal ons naar een groot, ver land lei­den, dat dertig dagen en dertig nach­ten van het vaste land verwijderd is en zich bijna in het midden van het grote water bevindt en 'Ihypon' heet (dat is: 'een veilige tuin'). En dit land zal blijvend van ons zijn, zolang als volgens de wil van boven de wereld zal blijven bestaan. Wij zullen het van verre al daaraan herkennen, dat wij een hoge, door Gods liefde in vlam­men gehulde, brandende berg, zullen aanschouwen.* (* De vulkaan Fujinojama, 3780 mt, op het eiland Hondo (Japan)) Er zal slechts één enkele toegang zijn en zelfs die zal ver landinwaarts tussen nog twee van die brandende, hoge bergen doorlopen; maar aan de kusten zal het voortdu­rend omspoeld worden door de krachtigste stormvloeden. En daaren­boven zal het nog omgeven zijn door zeer hoge bergen, waarin geen tijgers noch hyena's of leeuwen, beren noch wolven of slangen wonen, maar die bergen zullen meer lijken op een tot in de hemel omhoog reikende muur, die door niemand gemakkelijk beste­gen zal kunnen worden.

10. Binnenin het land zullen echter grote, onoverzienbare vlakten zijn vol met de heerlijkste en zoetste vruchten en ook mooie, nuttige, tamme dieren, die ons hun melk zullen geven als een gezonde kost; en de grond zal smaken als honing en melk en zal zonder zand en stenen zijn en eetbaar als een goed brood. En luister, zo spreekt de Heer: op de gehele aarde is er nergens meer een land dat hiermee vergeleken zo voortreffelijk is; het is er noch te warm noch te koud, maar er heerst daar een eeuwige lente!

11. Zo zullen de mensen die daar volgens de wil van God leven, nooit oud worden en hun sterven zal een zacht inslapen zijn; dan zullen er onzichtbare wezens komen, zo'n mens heimelijk weer tot leven wek­ken en hem naar God omhoog dra­gen. En er zal ook niet een stofje ach­terblijven, dat ooit aan de voeten van

 

 

 

zo' n wederopgewekte gekleefd heeft!

12. Maar wie ooit in zijn hart niet zal luisteren naar de wil van God, die zal ook sterven en zijn lichaam zal nimmer herrijzen. En er zullen aard­wormen in zijn vlees komen en het geheel met haar, huid en beenderen verteren; zijn ziel en zijn geest worden dan weer duizenden jaren lang tot fundament van de bergen. Zij moet als vast lichaam dienstbaar zijn in het duistere bewustzijn van haar ellende en haar volkomen nietigheid, tot zij eindelijk weer volgens de genadige wil van boven in een of ander dier wordt opgenomen. Van daaruit moet zij zich dan weer trede voor trede ellen­dig, stom en zonder spraak door de hele dierenwereld heen werken om tenslotte weer eens de waardigheid van het menszijn te kunnen bereiken. Hierop moeten jullie goed letten; want je zult dan vele duizenden malen moeten sterven, eer je weder­om tot het leven uit de liefde en de genade van God zult komen! Overdenk, wat de Heer jullie hier laat zeggen!

13. Jullie zullen je vrouwen in de toekomst nooit eerder dan in je veer­tigste jaar beslapen en dan nooit vaker dan onder Gods zegen nodig is om een mens te verwekken. En niemand zal meer dan ten hoogste twee tot drie vrouwen hebben; want alles wat daar bovenuit zou gaan, zal je door God als een grote zonde aangerekend wor­den en je leven op aarde van korte duur en moeizame aard maken. Het zal jullie liefde tot God verzwakken en je tenslotte van alle wijsheid bero­ven, die slechts een toegift van God is aan diegene die zich precies aan Zijn geboden houdt.

14. En tenslotte: net zo als hier zul­len jullie daarginds ook niets als je eigendom beschouwen, maar als het eigendom van God; en degene die zou beweren en zeggen: 'Deze gras­halm is van mij!', zal door God ogen­blikkelijk met blindheid bestraft wor­den, zodat hij in de toekomst niet één vrucht meer van de grond zal kunnen oprapen, maar gedurende zijn leven zal moeten leren te bestaan van de liefde van God en van zijn broeders.

15. De zondaren zullen net als het dier niets anders eten dan het gras van de aarde en het bittere loof van de schrale bomen; door de zonde hebben zij zich hiertoe verlaagd en zolang zij hun zonden niet zullen hebben geboet, moeten zij het niet wagen iets anders te eten, indien zij in leven wil­len blijven. Dit geldt in het bijzonder voor de ontuchtigen en in de eerste plaats voor die jonge vrouwen die zich uit wellust herhaaldelijk zouden willen laten beslapen; want zo'n lichaam zal door de Heer met de pest bezocht worden en zij moet uitgesto­ten worden tot aan de uiterste gren­zen van het grote land, waar niets dan gras en bladeren groeien. Tenslotte zegt de Heer, onze grote, almachtige God, dat jullie elkander lief moeten hebben en niemand moet ooit over een ander oordelen, maar de zwakke­re moet naar de sterkere gaan, zodat die hem kan steunen en hem in het leven kan bijstaan; de wijste echter moet allen dienen en een raadgever voor zijn broeders zijn.

16. Nu jullie de wil van God helder en duidelijk vernomen hebben, dank dan God vanuit je hart met mij en zeg: Heer, almachtige, grote God, wij danken U met het vuur van ons nog zwakke hart, maak het sterk, Gij grote, goede, sterke, eeuwige God, opdat wij eens Uw oneindige heilig­heid waardiger kunnen danken dan in onze huidige oneindig zwakke toe­stand, en U kunnen loven en prijzen en wij daardoor eens, zoals U ons zo genadig beloofd hebt, het ook waard zullen zijn om ook maar in het geringste op Uw kinderen te lijken. Maar nu, o grote God, laat Uw wil geschieden en laat ons de bakken bestijgen en leid ons allen enkel vol­gens Uw welgevallen! Amen."

17. En zie, toen zij dit korte gebed hadden geuit, verlieten zij met Meduhed de plek en beklommen met een blijmoedig hart de bakken.

18. En zie, al wat Meduhed voor­zegd had is precies uitgekomen. Met een grote voorhoede joegen de door de slang aangevoerde woedende hyena - en tijgerbendes van Lamech de arme Meduhedieten achterna; maar even snel dreef Ik de bakken met Mijn volkje van de oever weg, rustig en toch gezwind naar de kusten van het grote land dat door de grote wateren omspoeld wordt.

19. Maar de Lamechieten liet Ik achtervolgen door een steeds toene­mende vloed van de zee, die tot aan de bergen reikte, alwaar zij bij duizen­den door hyena's, tijgers, leeuwen, beren en wolven en slangen aan stuk­ken gescheurd en verorberd werden; want de groep achtervolgers bestond uit zevenduizend mannelijke en zevenduizend vrouwelijke koppen. En daarvan kwamen niet meer dan . .

zeven Jonge mannen en zeven Jonge vrouwen naar Hanoch terug en ver­telden daar wat er was gebeurd, en zij brachten de door de Meduhedieten achtergelaten dieren ongeschonden terug. Dat waren welgeteld vijfender­tigduizend kamelen en evenveel ezels en zij droegen die aan Lamech over en vertelden hem alles wat zij hadden gezien, - hoe namelijk een felle blik­semstraal uit de wolkenloze hemel tussen hen en de vluchtelingen was gekomen en deze met grote snelheid over het grote, onmetelijk water droeg, dat zich daar aan het einde van de wereld bevond. Maar toen waren de wateren gaan stijgen en hadden hen daar tot hoog in het gebergte gedreven. En er hadden zich niet te overziene scharen van bekende ver­scheurende dieren op hen gestort, die allen verscheurd en opgevreten had­den, op hen na. Zijzelf waren alleen gered doordat zij tussen de grote menigte kamelen en ezels gevlucht waren. En Lamech zou er eens goed over na moeten denken wat daar gebeurd was; het kwam hen voor alsof er voorbij de sterren een grote Koning woonde en de mensen zouden het nooit moeten wagen met Hem de strijd aan te binden, zij zouden er beter aan doen Hem te aanbidden en Hem vanwege Zijn onbegrijpelijke macht te vereren, omdat zelfs de zee, de winden, de bliksems en alle ver­scheurende dieren Hem gehoorzaam­den, - dat hadden zij met eigen ogen gezien en zij hadden een machtige stem gehoord die met donderende klank de dieren bevolen had en even­zo als een grote storm vanuit de hoog­ten van de sterren met de machtige elementen gesproken had.

20. En zie, toen Lamech dat verno­men had, rees er woede op in zijn innerlijk en hij besloot zich op Mij te wreken. Dat was een gevolg daarvan, dat de slang zijn hart geheel in beslag had genomen. Daarom zei hij tegen de jonge mannen die teruggekomen waren: "Luister, jullie onschuldigen! Ik wil genoegdoening hebben van de Sterrenkoning en een duizendvoudige vergoeding voor de schade; ga op weg, omdat jullie weten waar Hij te spreken is en gelast Hem uit mijn naam te geven wat ik verlang! En als Hij weigert, zeg Hem dan dat Hij door mij vervloekt is, en al zou Hij nu nog zo groot en machtig zijn, dan wordt Hij door mij, zoals mijn volk door Zijn dieren, onder mijn hoonge­lach voor Zijn volk op aarde aan stuk­ken gehakt en verscheurd. Want met al Zijn winderige en verwaterde macht is Hij ten opzichte van mij, de koning van de leeuwen, slechts een zwak lam. Sticht overal in de wouden brand en steek alle bergen aan, zodat al Zijn beesten gebraden worden en Hij zich daarna aan de welvoorberei­de dis kan zetten en het vlees en de botten van de verbrande beesten opeten kan; en als Hij ze niet wil laten verbranden, dan hoeft Hij er slechts de vloedstroom naartoe te leiden, zodat Zijn macht daarin verdrinkt!

21. O, ik ken deze uit lucht bestaande Koning van voorbij alle sterren heel goed! Alles wat Hij doet, doet Hij uit angst voor mij; want Hij kent mijn grootheid, macht en kracht, die Hem genoeg zorgen ver­schaffen en Hem uiteindelijk geheel zullen vernietigen als Hij niet aan mijn gerechte eis en aan al mijn wen­sen tegemoet komt.

22. Ga nu en voer uit wat ik jullie bevolen heb; neem mannen mee, die goed voorzien zijn van toortsen om in geval van een eventuele weigering de bergen in brand te steken!"

23. Toen verwijderden de jonge mannen zich en beraadslaagden on­der elkaar wat er te doen viel. "Want", zeiden zij tegen elkaar, "als hij dan zo machtig is, waarom gaat hij dan niet zelf? Want dwaas zijn is gemakkelijker dan vechten en in blinde woede drei­gen is makkelijker dan uitvoeren. Want wat hij heeft gezegd, zou ieder van ons ook hebben kunnen zeggen, maar met welk nut? Hoe ver zijn en onze handen reiken, weet en ziet ieder mens; maar wie heeft ooit slechts één vinger van de Koning die boven de sterren woont gezien, zodat hij dan daaraan Zijn hele macht en kracht zou kunnen afmeten? Lamech is slechts een mug ten opzichte van Tatahar en zijn aanhang; en waar is deze en zijn hele schaar van aanhan­gers? Thans vertegenwoordigen wij met ons zevenen nog slechts zijn hele centrale kracht en wij hebben de onbegrijpelijke macht van de grote, onzichtbare Koning die voorbij de sterren woont gezien en hebben Zijn rede gehoord, waarvan de kracht zo groot is, dat de hele aardbol gebeefd heeft als bij iemand waar de ijzige vorst tot in merg en been is doorge­drongen.

24. Daarom doen wij wat wij wil­len en gaan heen, en in plaats van een dreigement zullen wij Hem loven en Zijn grote macht en kracht prijzen; misschien neemt Hij ons op, zoals Hij Meduhed heeft opgenomen en ver­volgens kan Lamech thuis zijn kracht meten en in de stenen bijten van woede!

25. Wij willen echter liever zo'n machtige, grote Koning dienen, die ons wellicht ook evenals de scharen van Meduhed over de golven in vei­ligheid kan brengen."

26. En zie, zij voerden het zo wijs genomen besluit, dat Mij goed beviel, ook uit, namen hun vrouwen en hun met vruchten zwaar beladen kamelen en ezels en snelden weg en toen zij de wateren zagen, rustten ze uit aan de oever van de grote wereldzee.

27. Maar een die steeds het woord gevoerd had, sprak nu weer: "Daar zijn we nu! Waar moeten we naartoe? Wij weten van niets; laten wij daarom tot de grote Koning bidden of Hij ons in Zijn dienst wil nemen en ons de plaats van onze ware bestemming wil wijzen, omdat wij ons waarschijnlijk slechts door Zijn geheime ingeving aan de klauwen van Lamech ont­wrongen hebben en ons vrij hierheen hebben kunnen begeven.

28. Daarom roep ik met mijn gehele verstand en mijn gehele geest, daar wij nog geen namen hebben, U, 0 grote, onzichtbare Koning van alle macht en kracht, vol eerbied aan: neem in de eerste plaats ons aller dank aan voor de redding uit de tan­den van de hyena's en uit de klauwen van Lamech. En evenzeer bid ik U, dat U ons nu ook wilt leiden volgens Uw wil naar een veilige plaats, alwaar wij U dan ongehinderd willen die­nen; want wij weten dat U een zeer machtige Heer bent en kennen de volkomen nietigheid van Lamech, wiens steunpilaren wij hadden moe­ten zijn, maar niet wilden, omdat wij de grote macht van Uw heerlijkheid gezien en door en door ondervonden hebben, terwijl wij ook het wilde, nietszeggende, lege gepraat van de nu totaal machteloze Lamech gehoord hebben.

29. Verhoor daarom onze gemeen­ schappelijke bede en maak ons Uw wil bekend - of vernietig ons; want het is beter door U vernietigd te wor­den, dan Lamech te dienen!"

30. En zie, toen nu deze zeven met hun vrouwen hun korte, maar zeer oprechte gebed hadden beëindigd, stak er een kleine storm op, die van de bergen kwam en in de storm kwam een zeer grote hyena in snelle vaart naar het kleine gezelschap toe­gesprongen, vol grimmigheid en zo te zien in woede ontbrand, en bleef voor hen staan en bekeek hen grondig een voor een, van top tot teen, alsof zij zich het lekkerste hapje uit het in doodsangst in het nauw gedreven gezelschap wilde zoeken. En zie, juist toen allen een toevlucht in het water wilden gaan zoeken, vermande de spreker zich en zei met zeer luide stem: "Luister naar mij! Wij blijven staan waar wij staan, allerwegen omgeven door de onoverwinnelijke macht van de grote Koning en geloof maar, ook wanneer Hij ons vernietigt, dan nog zal Hij ons ook in de vernie­tiging bewaren; en wees niet zo bang voor deze kleine hyena, omdat wij zo gelukkig aan de moorddadige klau­wen van een veel grotere ontkomen zijn en wel des te meer, omdat wij in de vlakte zijn waar geen hyena meer de macht heeft om een mens aan te vallen en te verscheuren. Want de grote, machtige Koning van voorbij de sterren heeft ons in de bergen uit de tanden van duizenden verscheu­rende dieren gered toen wij nog tegen Hem waren, nu wij echter voor Hem zijn, - waarom zou Hij ons dan nu willen vernietigen?

31. Geloof me, Hij zal ons allen wel behouden! Kijk allemaal naar mij; ik zal in vol vertrouwen naar de hyena toegaan en mijn hoofd in haar muil steken! En als zij mij wat aandoet, vlucht dan naar het water of waar­heen je maar wilt; maar als jullie zien dat ik mijn hoofd weer behouden uit haar muil haal, val dan neer op de grond en dank de grote Koning, ­want dan is Hij ons al zeer dicht genaderd!"

32. En zie, hij deed ook meteen wat hij zei, - ging vol vertrouwen naar de grimmige en schuimbekkende hyena, die haar kaken wijd open sper­de, zodat er plaats genoeg in was voor zijn hele hoofd.

33. En zie, zoals hij zijn hoofd er in gestoken had, evenzo behouden ­zonder dat er ook maar een haar gekromd was - trok hij het er weer uit! Het hele gezelschap verbaasde zich zeer en viel meteen ter aarde neer en dankte Mij, weliswaar nog op zeer onbeholpen wijze, uit de grond van hun hart.

34. Toen zij bijna geheel uitgeput waren door hun dank - en lofprijzin­gen, begon tot hun grote verbazing de hyena goed verstaanbare woorden tegen hen te spreken en zei:

35. "Jullie verre nakomelingen van Kaïn en Hanoch, sta op en kijk mij aan! Kijk naar mijn grimmige en woedende gedaante! Ik ben slechts een verscheurend dier, bestemd om de bergen trouw te bewaken en ook de daarop wonende grote kinderen van God, die jullie in je blindheid een grote Koning noemen; maar zeg me eens of ik als dier ooit de wil van God overtreden heb! Mijn leven is stof en aarde; mijn tijd is slechts weinige jaren, dagen en slagen van het hart; ik heb niets te verwachten; wat mijn dorst naar bloed mij oplevert, is alles wat ik in mijn bestaan van de Schepper te verwachten heb; en als een van jullie ooit gezien heeft, dat ik de door de wil van God voorgeschre­ven grenzen overschreden heb, laat die een steen nemen en mij dood­slaan!

36. Maar jullie aarzelen, - niet omdat jullie er de moed niet toe zou­den hebben, maar omdat mijn gehoorzaamheid ten opzichte van de wil van God je verwondering wekt! En zie, hoe een verscheurend dier jul­lie mensen, die een eeuwig leven te wachten staat, jullie naar de wil van God over je totale godvergetenheid en eveneens over je bestemming moet leren! Zie, geen verscheurend dier is zo wild, dat het door honger gedreven zijnsgelijke aan zou vallen om die aan stukken te scheuren en daarmee zijn honger te stillen! Alleen jullie men­sen, die eeuwig zullen leven, trekken in horden uit om je broeders niet uit nood, maar uit pure helse heerszucht te doden, met hun bloed de aarde te bevlekken en hun vlees daarin te begraven!

37. O schaam je, jullie mensen, die heren van de wereld moeten zijn! Waar is je heerlijkheid? Jullie zijn met zijn veertienen en ik ben alleen en jul­lie hebben voor mijn aangezicht doodsangsten uitgestaan, - voor een ongelukkig dier, dat volgens de wil van de grote God oorspronkelijk slechts bestemd was je van dienst te zijn!

38. Ga mee in de wouden en over­tuig je of ook maar een dier het ande­re domineert; en wordt het twistziek en afgunstig, dan wordt het meteen uit de gemeenschap gestoten omdat het zich niet gedroeg overeenkomstig de in ons innerlijk werkende wil van God. En jullie zullen daar nooit zien dat het ene dier het andere dwingt voor zich op rooftocht te gaan om hem als een klinkklare leegloper van voedsel te voorzien, - tenzij het een zwak geworden dier is; dan sleept een ander dier de een of andere buit naar het hol en legt het voor zijn muil neer. En geen dier zal zijn scherpe en sterke tanden in nek en ingewanden zetten voor het dier koud geworden is en bedorven en halfvergaan; de god­delijke wil in ons innerlijk leert ons dat en wees er van verzekerd: zonder dat God het wil, heft ook niet één dier zijn kop omhoog!

39. Wij kennen onder elkaar geen andere eigendomsgrenzen dan de natuurlijke van ons lichaam; jullie mensen, die God geheel vergeten zijn, verdelen de aarde en dan zegt een koning, een vorst of een van diens gunstelingen: 'Dat geef ik jou tegen een kleine schatting en dat aan de gunsteling en zijn betere knechten vanwege hun bereidwillige en flinke vuisten! Al het overige volk kunnen jullie als lastdier gebruiken en hoef je slechts zoveel te geven, dat zij ternau­wernood een ellendig beetje leven behouden om voor de leeglopers het vele hinderlijke werk te kunnen ver­richten; en zouden zij weigeren, dan staat hen ten eerste grove mishande­ling en ten tweede de dood te wach­ten!' Zou zo'n slaaf zich dan willen inbeelden, dat hij ook als broeder van de koning of van een vorst of van anderszins door de koning benoemde groten, dezelfde rechten zou hebben of zou moeten hebben, - zou die niet onmiddellijk vermoord worden?! - 0 zeg me, waar op de hele wereld bestaat er nog iets gruwelijkers dan jullie mensen?! Is niet een slang, ik of een leeuw, een tijger, een verscheuren­de wolf en een grimmige beer, een zuivere heilige engel vergeleken bij jullie mensen? O, als ons liefde was gegeven zoals aan jullie, wat zouden wij God beminnen! Maar zelfs zonder liefde beminnen wij Hem door onze nauwgezette gehoorzaamheid onein­dig veel meer dan jullie, die niet alleen Zijn liefde waaruit Hij je geschapen heeft, vergeten zijn, maar zelfs Hemzelf, die je geschapen heeft!

40. Vraag het aan de stenen, vraag het aan het gras, vraag het aan de lucht, vraag het aan het water, ja vraag het aan alles wat je tegenkomt, alleen niet aan mensen, - en alles zal jullie de grote God verkondigen en over de oneindige wonderen van Zijn liefde vertellen; alleen jullie vrije mensen, die voor eeuwig in gelukza­ligheid zouden moeten leven, konden jullie Schepper, jullie oneindige Weldoener geheel vergeten! - Geen wonder dat jullie geen namen heb­ben; met welke naam zouden jullie benoemd kunnen worden? Duivels kennen God en vluchten voor Hem; satans kennen God ook, haten Hem, omdat Hij God is en Heer over hun bestaan. Wie zijn jullie eigenlijk, die door Zijn oneindige liefde van duive­len en satans tot vrije mensen gewor­den zijn en Hem geheel en al vergeten zijn en jezelf in je muggenkracht voor goden aanziet, terwijl jullie met ste­nen en knuppels op elkaar inslaan en holle steenhopen oprichten, die je dan steden noemt? Zie, zoals jullie zijn, zijn jullie niets; een grashalm is meer en een klauw van een hyena is een heiligdom vergeleken bij heel het talrijke gebroed van dergelijke men­sen die jullie in Hanoch achtergelaten hebben en die zijn zoals jullie tot nu toe zelf waren!

41. Kortom, zo wil het de grote God: voordat jullie een andere bestemming krijgen, moeten jullie zeventig dagen lang bij ons hyena's in de leer gaan om bij ons in de eerste plaats menselijkheid en naastenliefde en daardoor ook weer God te leren kennen. En als jullie dan weer je gelijkheid aan ons verscheurende, wilde beesten hebt erkend en door onze stille en blinde gehoorzaamheid ook God weer hebt leren kennen, ­pas dan zal de Heer van alle schepse­len jullie door ons een vreedzame woonplaats aan laten wijzen.

42. Volg mij nu gewillig volgens de wil van God en zonder vrees - maar alleen in de vreze Gods! De bereidwil­lige zal geen kwaad geschieden; de niet bereidwillige en ongehoorzame is het ook niet waard door de tanden van de hyena's verscheurd te worden, maar die wacht hier het lot van Lamech, de satan, de satansvorst!"

43. En zie, toen volgden alle veer­tien personen een grimmige hyena naar een duister hol in de bergen en leerden daar met Mijn toelating van de natuur der beesten, dat deze gelij­ke rechten hebben als de mensen wat betreft hun naastenliefde en gehoor­zaamheid en ze leerden zodoende ook weer Mij te erkennen en geheel op Mij te vertrouwen. Hierdoor werd hun ook het grote onderscheid tussen de ware mensheid en de dieren zicht­baar en zij leerden terzelfder tijd ook erkennen, hoe diep zij vroeger onder de dieren gezonken waren, - en dat allemaal door Mijn bijzondere gena­de, die hun Mijn wil in de wilde die­ren liet zien en deze in haar gehele volheid liet ondervinden.

44. (N.B. Meer dan toen zou een dergelijke school nu voor jullie nodig zijn! Want toentertijd waren de men­sen als kinderen van de wereld slecht vanwege de duisternis; maar nu zijn zij boosaardig in het licht en de vorst van de duisternis erkent dat hij tegen­over de sluwheid van de kinderen van de wereld een knoeier in boosaardig­heid is geworden en het vergaat hem al als vele zwakke ouders, die door hun kinderen in allerlei inzichten overtroffen worden.)

 

Hoofdstuk 34

De landing van de Meduhedieten in Japan

 

1. Nu laten wij dit kleine gezel­schap achter in de school van de schepselen en laten hen wilde bessen, gras en wortels eten tot de bestemde tijd; maar wij zullen ons naar Ihypon begeven (tegenwoordig 'Japon' of ook wel 'Japan') en daar wachten op de naderende Meduhedieten en we zul­len ons ook nog een korte tijd bij hen ophouden.

2. Door de gunstige wind die Ik veroorzaakte en met kleine omwegen om een kalme zee te kunnen bevaren, zijn de Meduhedieten na dertig dagen en nachten dus gelukkig en wel be­houden onder luid gejubel, vrolijk­heid en lofprijzingen van Mijn naam op het genoemde grote eiland geland en wel in de brede monding van een uit het binnenland komende, kalm stromende rivier. Op de rug van deze rustige en tamelijk brede rivier wer­den zij in hun bakken door een tame­lijk sterke, gedienstige wind tot in het binnenste van het land gedreven.

3. Toen zij nu helemaal tot het midden waren gekomen, viel Medu­hed op zijn knieën neer, geheel ont­roerd door de wonderlijke schoonheid van het land en dankte Mij een uur lang uit de verstilde diepte van zijn hart en aller ogen en oren waren op hem gericht.

4. En toen hij het Mij welgevallige gebed had beëindigd en daarin ook Mijn verdere wil had geschouwd om het geredde volk voorspoed te bren­gen, stond hij weer op en wachtte tot alle bakken met elkaar een aaneenge­sloten geheel vormden.

5. Toen dit alles langs de lage oever volgens Mijn wil was gebeurd, ging hij op Mijn stille bevel alle bakken af en vermaande de scharen in alle lief­de, niet eerder het land te betreden, dan nadat allen drie uur lang de Heer in hun harten hebben gedankt voor deze oneindige genade. En pas als de Heer in en voor hun ogen het ge­schonken mooie land met een zicht­baar teken zal zegenen, zal hij als eer­ste aan land gaan. Dan moeten zij eerst hun kinderen aan land zetten en tenslotte zelf met de vrouwen het land betreden; en daar moeten zij dan weer voor God op hun knieën vallen en Zijn heiligheid aanbidden en Zijn onbegrensde goedheid en oneindige liefde loven.

6. En zie, toen zij dit nu met grote vreugde in hun hart hadden gedaan, richtten zij op de roep van Meduhed hun ogen omhoog, zagen een lichte wolk het hele land omhullen en zagen een overvloed van grote druppels een uur lang uit de wolk neervallen. Toen zagen zij deze wolk van zegen zich weer delen en daaronder zagen ze een kleine regenboog brandend oplich­ten, en zij voelden ook een heel zach­te wind uit de richting van de morgen waaien, die hen bij monde van Meduhed luid verkondigde, dat Ik nu het land voor hen had gezegend, ­waarop zij in de reeds vermelde orde aan land klommen en dat wederom met grote vreugde in hun harten deden, zoals de wijze en vrome Meduhed hen liefdevol had aangera­den. En toen dit nu gebeurd was, riep Meduhed hen allen bij zich en hield een krachtige rede, die aldus luidde:

7. "Mannen, broeders, zusters en ook jullie kinderen die mijn woord reeds begrijpen! Onthoud allemaal goed, wat ik jullie nu door de grote genade van God zal verkondigen! De grondslag van al ons denken en han­delen moet zijn, dat wij nooit de hei­lige wil van God uit het oog van ons hart verliezen en die altijd zeer nauw­gezet met dank en lofprijzing vervul­len. Want alles wat van Hem afkom­stig is, is groot, heilig en daarom ook van het grootste belang; al komt het ons in onze kleine wereldse ogen ook nog zo klein voor, toch is het van oneindige waarde omdat het van God komt, die nu ons aller Heer is. En indien wij ons geheel naar Zijn wil schikken zouden wij ook nog, zoals ons allen beloofd is, gelijk kunnen worden aan Zijn grote kinderen die jullie hebben leren kennen aan de voet van de rotswand boven Hanoch.

8. Zie, de Heer, onze grote God, die onze allerheiligste Vader wil zijn, verlangt dat wij ten eerste elkaar lief­hebben en wel eenieder zijn naaste als broeder en zuster zeven maal meer dan zichzelf. Eenieder moet streng zijn voor zichzelf en mild en zacht tegenover zijn broeders en zusters. Laat nooit iemand denken dat hij groter en meer waard is dan de zwak­ste onder jullie broeders; want voor God geldt er niets anders dan een rein, deemoedig hart. Laat degene aan wie de Heer ooit Zijn genade zal schenken, zoals aan mij, zichzelf als de minste beschouwen en bereid zijn, evenals ik, om allen te dienen en naar de wil van God allen voor te gaan bij het geven van het goede voorbeeld. Slechts kinderen zijn door hun oor­spronkelijke zwakheid en de noodza­kelijke opvoeding onvoorwaardelijke gehoorzaamheid verschuldigd aan hun ouders; en als zij in zichzelf tot de erkenning van de wil van God zul­len zijn gekomen, laat dan in plaats van de gehoorzaamheid, die zij dan alleen aan God zijn verschuldigd, een grote mate van kinderlijke liefde en achting voor de ouders treden. Jullie moeten echter altijd volgens de wil van God je oor te luisteren leggen bij de wijste onder jullie en je oog op hem richten om de raadsbesluiten van God voor het algemeen welzijn alsook voor ieder individu te ervaren; maar hoed je ervoor ooit zo'n wijze op de een of andere manier meer achting, liefde en verering te geven dan een andere nog niet wijze, maar toch zeer bereidwillige, lieve broeder.

9. En laat jullie achting voor de wijze door Gods genade uit niets anders bestaan dan liefde tot God, liefde tot de naaste en bereidwillige gehoorzaamheid aan de voorschriften van God door het deemoedige hart Van een wijze broeder gegeven.

10. Laat er nooit een onwaarheid over je lippen komen; want de leugen is de grondslag van al het boze. Houd je ver van al het leedvermaak over de boetedoening van een zondaar, maar laat je liefde een gevallen broeder weer op de been helpen.

11. Het land behoort gelijkelijk aan allen, zonder onderscheid; laat de behoeftige om zijn honger te stillen nemen, wat de bodem zo rijkelijk voort zal brengen en laat de sterke met plezier voor de zwakken oogsten.

12. Maak de dieren tot vriend, zodat zij jullie hun warme melk niet zullen onthouden.

(13 juli 1840) 13. Laat ieder zich schikken naar zijn broeder en bereid zijn hem te die­nen, maar laat niemand ooit de ander bevelen, maar jullie moeten elkaar in liefde tegemoet treden, opdat jullie eens kinderen van de liefde van één Vader zullen mogen worden.

14. Hoewel de Heer altijd meer geeft dan voor de mens nodig is om in leven te blijven, moeten jullie ech­ter desondanks toch niet onmatig zijn in allerlei genietingen, maar volgens de wil van God vanwege je gezond­heid matigheid betrachten bij alles wat jullie doen en nuttigen. Want zo spreekt de Heer: 'Gezegend zij een juiste maat en een gerechtvaardigd doel; maar vervloekt zij de onmatig­heid en verdoemd de doelloze wegen, want daarop zullen slechts de hoererij en de ontucht gaan en daar de nacht van het verderf en de eeuwige dood vinden!' Verzamel daarom de over­vloed van de zegen en richt overal voorraadhuizen op, maar niet van steen naar het voorbeeld van Hanoch, maar van hout. Sla daartoe vier glad afgewerkte stammen zo in de grond, dat ze keurig in een vierkant twee manshoogten boven de grond uitste­ken. Leg dan hierop overdwars ook vier bomen volgens de jullie reeds bekende bouwwijze. Maak dan daar­over een raamwerk voor het dak en dek dat af met riet en gras. Maak dan ook tussen de vier uit de grond ste­kende houten pijlers uit riet gevloch­ten wanden, maar laat in iedere wand een opening, vier maal zo groot als een hoofd van een man en maak aan de morgenzijde ook een deur, maar niet afgesloten, opdat iedereen naar behoefte vrije toegang heeft. Sla nu tot op de helft binnenin zo'n voor­raadhuis enkele kleine palen in de grond, die ongeveer een halve mans­lengte boven de grond uitsteken. Bevestig daarop dunnere balkjes; leg daar dan eveneens rietmatten op om daarop dan de overmaat van de zegen voor jullie broeders en ook voor jezelf te leggen. Verzamel in de andere helft droog geworden, lang gras en leg dat tot op kniehoogte op de grond als rustplaats, opdat jullie daarop 's nachts slapen en je moe geworden ledematen uitrusten en je ingewan­den zich verkwikken.

15. Leg je werktuigen en ander gereedschap onder de matten met voorraden. Niemand zal zich echter ooit een dergelijk huis toe-eigenen, maar laat één voor allen werken en allen voor één en dus allen voor allen, opdat er niemand onder jullie en al je nakomelingen honger zal lijden.

16. Maak dichtbij de bergen die niet roken of zelfs branden, en die je van hier uit in de verte ziet, mansdie­pe kuilen; daar zullen jullie de reeds bekende broodaarde vinden. Hiervan zullen jullie voor je gezondheid over­eenkomstig de wil van God slechts met mate eten en niet dagelijks, maar nu en dan als je ontlasting te zacht geworden is.

17. Verder zullen jullie in de ber­gen, die je nu ook mag beklimmen als zij niet branden, mooie, zeer harde, gladde stenen vinden; verzamel ze en breng die tot voor je woningen. Ten eerste moet je daarop de korrels van een soort gras vermalen, dat jullie in grote hoeveelheden aan de oevers van de rivier aan zullen treffen en van het meel moeten jullie met wat water deeg maken in een vat; jullie moeten daartoe dan ook een reeds bekende bakplaats maken en daarop van het deeg een gezond brood bakken. En ten tweede moeten jullie ook wat zachtere stenen platen nemen, waar­van er eveneens een grote hoeveelheid aan de voet van de niet brandende bergen ligt en hierop moeten jullie dit alles op de aan jullie bekende wijze optekenen, zodat nog zelfs ons verre nageslacht de nu aan jullie geopen­baarde wil van God zal vernemen.

18. Want luister! Zo spreekt de Heer: 'Zolang jullie en je nakomelin­gen in deze gegeven ordening zullen blijven, zo lang zal ook nooit een vreemd volk dit land kunnen benade­ren en je vrede kunnen verstoren, en Ikzelf zal je duizenderlei mooie en nuttige dingen leren kennen en leren maken. Maar indien jullie ooit uit Mijn ordening zouden treden en in je godvergetenheid zou blijven volhar­den en niet weer terstond tot Mijn ordening zou terugkeren, dan zal Ik een ander volk verwekken en het hier­naartoe leiden en dat zal je onderwer­pen en tot slaven maken. Dan zal er een keizer komen, die je heiligdom zal vernietigen en jullie zal slaan en velen zal laten doden en hij zal jullie als ezels voor de ploeg laten spannen en je tuchtigen als een kameel. Hij zal zich alles toe-eigenen en zal jullie honger laten lijden en jullie verbieden je dorst te lessen met het sap van vruchten, maar hij zal jullie als een tam dier naar het water drijven. En jullie zullen voor hem, net als voor Hanoch, steden moeten bouwen en hem en zijn dienaren goed voeden, opdat hij krachtig zal worden om jul­lie te bestrijden en te doden.

19. Dan zullen jullie voor je arbeid geen vruchten en geen brood meer krijgen, maar dode tekenen als bewijs van de hoeveelheid verrichte arbeid, voor welke tekenen men jullie een weinig te eten zal geven. Ja, als jullie dan nog niet tot de ordening zullen terugkeren, zul je de keizer zelfs een vijfde deel van de moeizaam verwor­ven tekenen zonder vergoeding als een belasting op het werk moeten teruggeven; dat zal het teken zijn, dat jullie zelfs zullen moeten gaan vragen om te mogen werken en dan zullen jullie voor zo'n vergunning de vermel­de belasting moeten betalen.

20. En ik zeg jullie dat er in het ganse land niet één plekje meer zal zijn, dat de keizer zich niet zal hebben toegeëigend. En dan zal hij het land als een leengoed onder zijn gunstelin­gen en hovelingen verdelen; maar jul­lie zal hij tot verachte lijfeigenen van de gunstelingen en de hovelingen maken en deze zullen dan heer zijn over jullie dood en leven en jullie gekookt gras en slechte wortels te eten geven, want zij zullen zich de beste vruchten toe-eigenen. En degene die zich dan aan zo'n vrucht zal vergrij­pen, zal onmiddellijk met de dood worden bestraft.

21. Dan zal de keizer jullie mooiste vrouwen en dochters nemen voor de geilheden van hem en van zijn gun­stelingen en hovelingen, maar jullie zullen je jongens in de rivier werpen en daarvoor in de plaats zijn kinderen moeten voeden, zodat deze je dan kunnen mishandelen. Maar Ik zal om jullie jammerklachten niet te horen, tot aan het einde der tijden Mijn oren dichtstoppen en het zal jullie dan dui­zendmaal erger vergaan dan het jullie in Hanoch is vergaan!'

22. Neem ook van dit alles goede nota en schrijf het op de genoemde zachte stenen.

23. Zo zien jullie dan, mijn lieve broeders, wat de wil van God is; doe daarom wat jullie aangeraden is en jullie kunnen gemakkelijk, ja nog duizend keer gemakkelijker een zelf­standig volk blijven zonder ook maar op enigerlei wijze je rechten te verlie­zen. Word daarom vol liefde en gena­de en houd je ver van slechte eigen­baat, dan zullen jullie blijven wat je bent, een volk van God. - En nu tot slot is het de wil van God, dat jullie de bakken van de ene kant van de rivier naar de andere met elkaar zullen verbinden door middel van stokken over de bakken heen en zo een brug over de rivier maken, opdat wij ook het land aan de andere kant van de rivier kunnen betreden en daarvan onbeperkt gebruik kunnen maken.

24. Val nu neer op je aangezicht en dank de Heer voor deze grote genade, dat Hij tot ons aller welzijn ons heeft onderricht en Zijn wil bekendge­maakt en zeg met mij:

25. 'O Gij grote, bovenmatig goede en heilige, almachtige God, wij danken U in het stof van onze nietig­heid. Laat toe, dat onze met zwakke stem uitgesproken dank vanuit de diepte van onze boosheid tot Uw hei­lige oren doordringt en zie vol genade in ons deemoedige en schuchtere hart! O Heer, wij zien niet hoe leeg ons gemoed is; vervul ons daarom genadig met de warmte van Uw liefde en trek Uw genade nooit terug van ons, arme kinderen van de zonde! Laat ons, indien wij ons ooit zo mochten vergeten dat wij tegen Uw heilige wil zouden handelen, in ieder geval niet door mensen tuchtigen, maar tuchtigt U ons volgens Uw rechtvaardigheid en grote mildheid en verander ons in onze harten vol­gens Uw grote barmhartigheid, zodat wij eens waardig mogen worden om ook maar in het geringste op Uw kin­deren te gelijken! En blijf voor ons onze grote, heilige God en onze Heer, en word eens ook onze lieve, heilige, allerheiligste Vader! - O Heer, verhoor ons smeken en hoor vol genade onze zwakke bede! Amen.'

26. Ga nu en breng alles volgens de raad en op de juiste tijd ten uitvoer en overtuig jezelf van alles, opdat jullie tot het inzicht mogen komen hoe waarachtig en getrouw de Heer is! En als jullie alles hebben gedaan en de Heer niet hebben vergeten voor en na iedere arbeid, voor en na ieder maal, voor en na het slapen, voor en na de opgang en voor en na het ondergaan van de zon - en zeer in het bijzonder ook indien jullie elkaar beslapen, moeten jullie voor en na de handeling over alles de Heer om Zijn zegen vra­gen -, dan zullen jullie kinderen van het leven en het licht verwekken, in het tegenovergestelde geval slechts kinderen van de dood en de duister­nis.

27. Ik zal mijn hele leven hier blij­ven, in de buurt van de rivier waar wij aan land gegaan zijn; en ginds in die wijde grot op de mooie berg aan de overkant van de rivier zal mijn woning en die van mijn kinderen zijn, zodat jullie mij te allen tijde kunnen vinden zo dikwijls iemand wat op zijn hart heeft. De Heer geeft mij deze grot en de berg in eigendom uit liefde voor jullie, op.dat jullie mij altijd zullen kunnen vinden.

28. Maar voor jullie is het hele, grote, mooie land. Ik zal volgens de wil van God nog zeer oud worden en nog een late getuige van al jullie goede of slechte handelingen zijn. En van al degenen die hier nu in leven zijn, zal ik de allerlaatste zijn en jullie volgen voor het aangezicht van de Heer.

29. Jullie, mijn tien begeleiders, die ook reeds wijs geworden zijn, zullen het volk meenemen en leiden en het in wijsheid over het land verdelen en hun leren wat ze nodig hebben; en kom zo dikwijls als de maan vol is naar mij toe om raad en om onder­richt. Amen."

30. En zie, toen Meduhed zijn rede had beëindigd, boog het hele volk voor hem en allen vielen nog een­maal, zonder dat Meduhed het beval, op hun aangezicht en dankten Mij voor een dergelijke heilzame leer. Men stond toen weer op en nam eer­biedig voedsel tot zich, legerde zich toen op de grond en rustte en bad van tijd tot tijd gedurende drie dagen. Toen stond men op, nam de werktui­gen en zette eerst de brug in elkaar en ging daarna met de zegen van Meduhed naar zijn volgende bestem­ming naar alle richtingen het land in en prees en loofde Mij allerwegen. En het is gemakkelijk te begrijpen dat velen van hen wijs werden op de manier van Meduhed; en zo leefden zij ongeveer negentienhonderd jaar als een gelukkig volk, bijna tot aan de tijd van Abraham en zij werden niet meegesleept door de zondvloed van Noach.

31. Maar later begonnen zij Mij allengs te vergeten omdat Ik hen tot het meest ontwikkelde en rijkste volk op aarde gemaakt had en zij kregen een voorliefde voor allerlei houtsnij­werk en vervielen daardoor volledig tot de duistere afgoderij en allerhande hoererij.

32. En nadat Ik het gedurende zes­honderd jaar lang door de vingers had gezien en niemand en nogmaals nie­mand zag, die berouw had en ook maar de geringste aanstalten maakte zich te bekeren en te verbeteren, ver­wekte Ik, waarmee Ik hen reeds bij monde van Meduhed had laten drei­gen, in de omgeving van het huidige Mongolië een volk tot algemene gesel. Ik liet dat volk door een engel, die onzichtbaar was, naar Ihypon voe­ren en maakte vanuit het huidige China een brug van eilanden voor hen. Verschillende eilanden, die in een enigszins gebogen lijn liggen, getuigen nog tot op heden van het feit dat dat volk net als de Israëlieten over de Rode Zee, met droge voeten en ook bijna op hetzelfde tijdstip daar konden komen. Bij die gelegenheid liet Ik toen door het vuur van de aarde om Ihypon heen tal van grotere en kleinere eilanden zich verheffen en Ontstaan als eventueel toevluchtsoord voor enkele van de zeer weinige wij­zen, die daar in grotten woonden en Mij in stilte dienden, totdat Ik hen terugriep van de wereld.

33. In zulke grotten bevinden zich ook nog als getuigenis van Mijn liefde dergelijke beschreven tafelen, die nu weliswaar niemand meer zal kunnen lezen, veel minder nog dan de Egyp­tische hiërogliefen, die niemand dan alleen een volledig wedergeborene zal kunnen lezen, en waarvan af en toe iets geraden kan worden door een zware lichamelijk zieke vrouw, wier ziel slaapt, door middel van haar slechts voor enkele momenten opge­wekte kindgeest.

34. En zo bevindt zich in de grot (die vroeger of destijds Meduhedgrot heette) ook nog het aan jullie reeds bekende hooglied, alsook nog enige bekende werktuigen; deze grot is nu evenwel ontoegankelijk, omdat zij zich op een hoge berg bevindt, het­geen Ik later door vuur en tot nu toe aanhoudende aardbevingen liet bewerkstelligen.

35. En zo is dit land nog heden ten dage een keizerrijk, half mongools en half oer-ihyponisch. Laat de ongelovi­ge erheen reizen en zich overtuigen; maar hij zal er weinig baat bij hebben als hij niet de volledige wedergeboor­te bereikt heeft. En heeft iemand dit bereikt, dan zal hij niet alleen het hele oppervlak van de aarde, maar ook de diepte ervan met heldere verheerlijkte blik helemaal schouwen.

36. (Want alles wat Ik jullie hier geef, is voor Mijn kinderen waar en getrouw; want Ik geef het niet aan de wereld, maar aan Mijn zwakke kinde­ren. Daarom moeten zij Mijn liefde en wijsheid en Mijn woorden en Mijn genade niet met de maatstaf van de wereld meten. Want Ik wil niet schit­teren voor de wereld, maar slechts door jullie geliefd zijn. Want Ik heb genoeg zonnen om voor de ogen van de wereld iets te laten schitteren. Maar als jullie met je wereldse geleerdheid aanmerkingen hebben op Mijn geschrift wat denken jullie dat Ik dan eens met je wereldse onzin zal doen? - Leer het daarom van Mij; pas als jullie door Mij onderwezen zijn, zullen jullie zien en erkennen wiens voorschriften hoger staan, - de Mijne of die van de wereld. Want de wereld heeft het woord in de zin, Ik echter heb de zin in het woord, - daarom dwaalt degene die niet naar Mij op zoek is, op een ontzettende manier!)

37. Voor Ik jullie echter verder in Mijn huishouding zal leiden, wil Ik je in het kort iets over Mijn engel*  (* Betreft het gedicht 'De engel'.) zeg­gen, - vooral tegen diegenen die van­uit wereldse motieven in bijna iedere regel wel wat op de grammatica aan te merken hadden. Daar hun hart daar­bij niet speels is, moeten zij daar waar Mijn zwakke geheimschrijver van Mijn nieuwe Woord ergens een streepje teveel of te weinig gemaakt heeft tengevolge van zijn aloude gewoonte van onopmerkzaamheid, het volgens hun inzicht aanvullen, zo

ook wat verkeerd gespeld is en het puntje op de i; maar wie het zou wagen, ook maar één woord te ver­plaatsen of een betere verklaring te zoeken of zonder noodzaak een be­paalde overbodige basis te zoeken, die zal Ik met boze ogen aanzien. Zoek niet het woord in de zin, maar de zin in het woord, als jullie tot de waar­heid willen komen; want de waarheid is in de geest, maar de geest is niet in de waarheid; dat zou ook onmogelijk zo kunnen zijn, omdat de geest vrij is en voorrang heeft op iedere regel om waarheid uit zichzelf te scheppen. Daar jullie dat zelfs al van je genieën zeggen, waarom kijken jullie dan ver­volgens met zeer kritisch ogen naar Mijn geest, alsof een schooljongen je het een of andere slechte proefwerk ter correctie zou hebben gegeven?! ­Daarom, als iemand meent dat Mijn kleding niet deugt voor deze wereld, laat die Mij maar thuis houden; maar het zal voor eenieder verdienstelijker zijn, aan Mijn geschrift een aan haar ontnomen regel toe te voegen dan wereldse kritiek, - want het is veel zaliger om te geven dan om te nemen! Begrijp dit goed! Amen.

 

Hoofdstuk 35

Een boeteprediking door de dieren

 

1. Laten wij ons nu naar de school van de hyena begeven en daar onze veertien studerenden opzoeken en daar ook daadwerkelijk vernemen hoever dit kleine volk in deze uitzon­derlijke leerschool het met de verbete­ring van hun gemoed gebracht heeft gedurende deze korte tijd. (27 juli 1840)

2. Zie en let scherp op en niemand zal zijn oor dichtgestopt en zijn oog gesloten houden om de ferme taal te vernemen uit de muil van de reeds bekende hyena of van een tijger, een leeuw, een wolf en een beer. Want de mensen zijn vol leugens en er is er dan ook niet een die aan de ander wat waars kan zeggen, want de ervaring heeft jullie al heel dikwijls geleerd hoezeer de geleerden zich vergissen, omdat al hun dwaalleren door andere verdrongen worden, die vaak nog slechter zijn dan die verdrongen en verworpen werden. Zodoende is het ook voor jullie niet overbodig om ste­vige woorden vol pit en kracht uit de sfeer van de ongeveinsde natuur te vernemen en dat goed in je hart te schrijven om daardoor in te zien, hoe waarachtig, rechtvaardig en getrouw jullie aller heilige, eeuwige Vader is.

3. Want zie, toen nu de vastgestel­de tijd met goed gevolg was verstre­ken, trad de hyena weer vol woede voor het verschrikte gezelschap om doof angst hun gemoederen des te oplettender te maken en zei met haar brede tong, die met Mijn toestem­ming was losgemaakt en met wijd opengesperde muil het volgende:

4. "Rijs op uit de dood! Dat is de wil van de grote, almachtige God en Heer van al Zijn talloze schepselen! De korte tijd is snel verstreken; snel hebben de dagen en nachten in jullie zwakke bestaan elkaar afgewisseld. Destijds, toen jullie door mij, hyena, krachtens de machtige wil van de allerhoogste God werden weggeleid, zagen jullie dat de volle maan de ontoegankelijke paden door een wirwar van hoogten verlichtte tot aan het hol, dat ik en mijn kinderen bewoon­den en dat wij je gewillig hebben afgestaan, zodat je je aldaar hebt kun­nen verkwikken in de frisse koelte van de aarde. Kijk nu weer naar de maan en zie, dat hij opnieuw groot en vol is geworden, terwijl hij hiervoor zijn licht verloren had tot er niets meer van over was en toen een kind is geworden, daarna een jongeling en nu wederom is als een man, in zijn volle kracht en majesteit.

5. Wat deze jullie voortdurend in korte tijd ter zinvolle lering toont, moeten jullie later in je leven getrouw nabootsen. Jullie wereldse licht zal en moet afnemen zoals het licht van de maan, opdat jullie in staat zijn met volle overgave in plaats van het vroe­gere wereldse licht - dat jullie hoog­moedige verstand is -, een nieuw licht uit de hoge hemelen op te nemen, dat een ware liefde zonder eigenbaat is en uit dat licht de genade van de grote, heilige God.

6. Zie, zoals ik nu met jullie praat, kan op gelijke wijze ook ieder ander ding door de genadige toestemming van boven geschikt gemaakt worden om met je te spreken. Maar indien jullie verstokt en heerszuchtig van hart zullen blijven, val dan voor ons neer en bedenk, terwijl je je deze woorden herinnert, hoe ver jullie beneden ons staan - en hoe hoog de kinderen van God boven ons staan!

7. Want zeg me, welk dier hebben jullie ooit een ander zien overheersen? Welk dier hebben jullie zich iets zien toe-eigenen? Welk dier hebben jullie ooit iets van de ander zien wegne­men? Of hebben jullie ons ooit elkaar zien vermoorden of liegen en bedrie­gen of hoererij zien bedrijven louter uit bevrediging van de wellust?

8. Zeg me, wanneer hebben jullie ons een handeling zien plegen, die niet volledig met onze natuur over­eenkwam!

9. Zou het dan niet redelijk zijn, als de dieren van jullie het nuttige gebruik van je krachten zouden heb­ben geleerd?! - En nu, zoals jullie zien, moeten juist wij bloeddorstige dieren je zachtmoedigheid en de wijze ernst van het leven tonen en onderwijzen! O schaam je, jullie heren van de wereld, omdat een mug die mij om de oren zoemt meer wijsheid bezit dan jullie en heel Hanoch met de tien ste­den die zij bezitten bij elkaar. Want ook al is de duur van haar leven nau­welijks tot op enige dagen begrensd en is er van haar werken geen zicht­baar nagelaten spoor voorhanden, toch heeft zij zelfs in deze zeer korte levensduur oneindig veel meer gedaan dan jullie sinds de tijden van Kaïn met al je stedenbouw en marteling van je broeders, want zij vervulde de in haar heersende wil van God en voelde dankbare vreugde in dit onbe­duidende korte bestaan. Alleen jullie mensen, die eeuwig zullen leven, kon­den de waarde in je vergeten en nog meer de oneindige waarde van de meest heilige liefde van de eeuwige, heilige God in je geest!

10. Wij dode wezens zijn verheugd en dankbaar voor het stomme, korte leven en jullie levenden kunnen vreugde beleven aan het met begerige tong oplikken van het afval van de dood!

11. O Gij grote, heilige God, waar­om hebt U niet liever louter hyena’s, tijgers, leeuwen, wolven en beren geschapen, die altijd Uw heilige wil doen?! En U zou er nooit aan hebben moeten denken om ook maar één mens te scheppen, die niet alleen Uw meest heilige wil, maar zelfs Uzelf kon vergeten!

12. O kijk hierheen, jullie mooie, gladde mensen, kijk naar mijn af­schrikwekkende, harige, jammerlijke gedaante; is deze niet, als ware zij gehuld in de goddelijke vloek van de nacht, en die van jullie daartegenover in de hoogste zegen van de eeuwige liefde?!

13. Maar hoe komt het dan, dat onder het omhulsel van de dood de Schepper dankzegging, - en onder jul­lie huid van de zegen Hem spot, hoon, verachting en tenslotte zelfs totale vergetelheid tegemoet snelt?!

14. Daardoor komt het dat jullie je door je ongehoorzaamheid tot een uitvaagsel van de hel gemaakt heb­ben, terwijl mijn geslacht in alle dienstbaarheid aan de goddelijke macht, vele duizenden jaren voor jul­lie over de velden van de aarde liep, onder de zware druk van zijn wild­heid, toch nog nooit ondankbaar uit de door God aangewezen orde trad!

15. O overdenk deze woorden van een verscheurend dier goed en verhef je tot het peil om zelfs maar schepse­len genoemd te worden en zie of het je eens zal gelukken mensen genoemd te worden, en bedenk vervolgens, hoe hoog de kinderen van God dan nog boven jullie zullen staan en dat jullie op zijn minst op hen gelijkend, zoal niet gelijk aan hen kunnen en ook moeten worden. - Mijn rede is ten einde; maar blijf en luister nog naar een andere geslacht! Amen."

16. En zie, toen nu de hyena deze indringende rede had beëindigd, sprong een machtige grote tijger met verwoede haast voor het geïntimi­deerde gezelschap, keek hen vreselijk ernstig aan en keerde zich met zwie­pende staart tot de zegsman en aan­voerder. Hij keek hem een poosje strak aan, sperde eindelijk zijn dode­lijke muil wijd open en begon als volgt te spreken:

17. "Sihin! Dat zal jouw naam zijn, - dat betekent, deze naam wil je zeg­gen dat je een zoon van de aardse hemel bent, welke is een hemel van de dieren, wier ziel voortkomt uit het vuur van de zon en die het gegeven werd tot je ziel te spreken, die een door God gegeven ziel is en door jul­lie te schande is gemaakt tegenover mij en alle bloeddorstige dieren in de wouden en het struikgewas. Want zij heeft de grote Gever vergeten, terwijl onze ziel het nog nooit gewaagd heeft om ook maar een haarbreed van Zijn ordening af te wijken, ofschoon ook wij net als jullie met vijf zintuigen begiftigd zijn en ook een geheugen hebben en verlangens, en ook aarde en water onderscheiden, vuur en lucht, nat en droog en wij onderschei­den dag en nacht, hoog en laag, stijl en vlak, warm en koud en hebben ook een zeer scherp gezichtsvermo­gen, waarvoor zelfs een verdorven geest zich niet kan verbergen, maar waarvoor hij rillend van ontzetting als in doodsangst ineenzakt. En dat, omdat hij een onverbiddelijke, krach­tige rechter vol moed voor zich ziet, die gekomen is om hem het eerst te ontmaskeren en zijn vuile paleis te verwoesten en zijn onreine bloed te drinken, opdat de heilige bergen er niet mee verontreinigd zullen wor­den.

18. Jullie hebben allemaal met eigen ogen gezien wat het leger van Tatahar niet ver hier vandaan is over­komen; denken jullie dat de ezels en kamelen je hebben beschermd tegen onze terechte woede? - O neen, jullie zouden je geweldig vergissen als je er deze volslagen verkeerde mening op na hield! God heeft ons bevolen jullie te sparen; en er was niet één onder ons, die niet onmiddellijk aan de wil van de almachtige Schepper gehoor zou hebben gegeven!

19. En jullie mensen, die niet alleen de vijf edele zintuigen hebben, maar daarbij nog een onsterfelijke ziel waarin een goddelijke geest huist, jul­lie kunnen God vergeten en Zijn allerheiligste naam en wil veronacht­zamen?

20. O ellendig geslacht, jij laaghar­tig mensenwezen, jij werkelijk rot­tend monster van de grote aarde! Zeg me wat je bent of wat je wilt zijn, als je God, de Heilige, jouw liefdevolle Schepper uitgeschakeld hebt, terwijl je, zoals alles, slechts door Hem bent en bestaat?! - Hij die je nog daarenbo­ven uit ongemeen grote liefde de vol­ledige vrijheid schonk om jou, uit­werpsel van de hel, eens steeds dichter en dichter aan Zijn liefhebbend vaderhart te trekken! Daartoe, daar­toe moest Hij, de meest liefdevolle, heilige Vader vervloekt en vergeten worden - O Gij grote God, onder­steun mijn kracht, die mij bij de aan­blik van deze monsters verlaten wil, opdat ik Uw heilige wil kan uitvoe­ren!

21. Kijk naar het gras! Het prijst God, want ofschoon het niet spreekt, kent het God, en jullie weten in je leven van vrijheid niets van Hem! Ja, kijk naar deze bergen, kijk naar de stenen, kijk naar het water, kijk naar ons, ja alles wat je blik, je oor en je andere zintuigen maar tegen kunnen komen, dat looft, vereert en prijst God, - en alle hemelen zijn vol van Zijn grote genade, Zijn roem en Zijn oneindige eer! En waarvan zijn jullie dan wel vervuld, dat jullie Hem zo volkomen uit je oog en je hart hebben kunnen verliezen?!

22. Kortom - ik heb er geen woor­den meer voor! Het is voor mij niet mogelijk om jullie nog langer aan te zien en mijn gerechtvaardigde woede in te houden! Daarom verlaat ik jullie volgens de wil van de Hoogste en zeg nog tot slot, dat jullie - indien de eeu­wige Liefde je uit onze klauwen, die vergeleken met jullie handen, waar de damp van het bloed van je broeders nog afslaat, zachte klauwen zijn, naar de vrijheid zal geleiden en jullie tot een volk op aarde worden gemaakt ­jullie je zullen herinneren wat hier gezegd en getoond werd door een gruwelijke tijger, in wiens ogen grijn­zend en fel gloeiend de bloeddorst brandt, maar toch ten opzichte van jullie gelijk een lam was!

23. Leer het van de natuur, indien jullie hart afgestompt werd voor de zo luide stem van God! Amen."

24. En toen de tijger op die manier zijn rede had beëindigd, krachtig en doeltreffend, kwam nu de leeuw aan de beurt. Na loerend achter het kreupelhout gewacht te hebben, sprong hij plotseling als een kolos hieruit te voorschijn om voor de ogen van Sihin, die al weer wat meer moed gekregen had, post te vatten. Hij sperde zijn muil wijd open en begon, zoals gezegd, eveneens te spreken en zei het volgende: "Luister, jullie doven en kijk, jullie blinden, die machthebbers op aarde willen zijn, jullie flinke koningen, vorsten en heren van de wereld die zo zwak zijn als een mug! Wat denk je, wat zou wel de eerste plicht moeten zijn voor een vrij wezen, dat zijn door God verleen­de krachten naar willekeur kan gebruiken en door niets wordt of kan worden belemmerd om vanuit de lief­de van de grote, almachtige Schepper te denken?

25. Zie, jullie staren mij aan als een te pletter gevallen steenblok en weten minder dan een rottende boomstam! Zou het niet de eerste plicht zijn de heilige wil na te streven van Hem, die jullie evenals mij het leven schonk ­aan jullie een onsterfelijk, aan mij echter een sterfelijk -, en aan die wil bereidwillig gehoor te geven om daar­door de verloren genade te bereiken, die door jullie grote ongehoorzaam­heid was vergaan?!

26. Deden jullie dat ooit of doen jullie dat misschien nu? - O neen, jul­lie hebben God nog nooit leren ken­nen; en tegenover wat men niet kent, is men ook van alle plichten onthe­ven, - dat is je snode troost! Maar ik moet jullie zeggen en het jullie vra­gen, hoe het eigenlijk is om Hem te vergeten, aan wie je toch iedere dag en iedere nacht met klem herinnerd zou hebben moeten worden en hard­op Zijn grootse majesteit aan de opgaande zon, de maan en de heldere sterren had moeten verkondigen.

27. Zie, ik ben een krachtige, wrede bewoner van deze ongastvrije omgeving vol met dode stenen en ste­kend, doornig struikgewas, en ik moet uit noodzaak en door mijn natuur gedwongen ook op wrede wijze wat erbarmelijk voedsel zoeken en dankbaar aanvaarden wat Gods gericht mij slechts karig heeft toebe­deeld en bovendien vaak dagenlang razende honger dulden en lijden. Daarom zeg ik tegen jullie: als iemand mij in mijn grote nood ook maar één druppel water zou reiken om mijn brandende dorst te lessen en hij zou daarmee mijn droog gewor­den tong laven, - als een schutsengel zou ik hem dan vol dankbaarheid vol­gen en mijn laatste hap met hem delen en sterven uit liefde voor mijn weldoener!

28. Maar jullie mensen - niet alleen slaan, martelen en doden jullie de voor je werkende broeders - maar jul­lie zijn ondankbaar tegenover God, vervloeken Zijn zegen en verdoemen Zijn genade en veranderen Zijn grote liefde in het giftigste vuil van de slang!

29. O Lamech, Lamech! Jij wilde de wouden aansteken om ons te ver­nietigen omdat wij gehoorzaam waren aan de wil van de grote God! Wat moeten wij echter met jou doen, jij die God hebt vergeten en je broers hebt vermoord en ons voor de Rechtvaardige wilde beschuldigen van het vergieten van bloed?!

30. Zie, wij zoeken geen wraak, ofschoon zijn plannen ons welbekend zijn; maar alleen jullie ondankbare mensen willen je wreken op de onschuldigen! Leer daarom van mij dankbaar te zijn en gehoorzaam aan God; treed dan pas naar buiten en word datgene waartoe Gods hoogste liefde je gemaakt en voorbestemd heeft! Amen."

31. En zie, toen nu de leeuw zijn rede had voltooid, kwam ook de wolf eraan geslopen en begon voor het nu reeds wakker geschudde gezelschap een goede preek te houden en maan­de hen dat het hun ernstige plicht was te gehoorzamen en wederzijds God en al Zijn schepselen lief te hebben, waarbij hij zei:

32. "Zie, hier sta ik voor jullie ogen en bedeesde harten, een gevreesde en verscheurende wolf, geroepen en gewekt door de grote barmhartige liefde van de almachtige, heilige God om jullie Zijn heilige wil te tonen. Hij is een eeuwige kracht, vol van het hoogste, meest volkomen leven uit en in Zich, onzichtbaar voor alle wezens die zich onheilig geplaatst hebben in Zijn genade, terwijl Hij de Allerheiligste is. Hem hebben jullie op zeer smadelijke wijze vergeten door jullie broedermoord, door je zelfzucht, eigenliefde, heerszucht en de daaruit voortvloeiende verachting van alles wat jullie ook maar op eni­gerlei wijze aan het bestaan van de grote God en Zijn onaantastbare hei­ligheid zou hebben kunnen herinne­ren.

33. Daarom wekte de eeuwige Liefde juist ons tot je grote vernede­ring en onuitsprekelijke beschaming, de meest verachte en gevreesde bees­ten, om jullie ten eerste zachtaardige en deemoedige gehoorzaamheid te prediken en ten tweede om aan jullie blinden, aan jullie mensen die onster­felijk zouden moeten zijn en zouden moeten worden, door onze handel en wandel en zoals nu ook door het woord van onze los gemaakte tongen, krachtig en indringend de wil van God te tonen.

34. En deze heilige wil, waarin alle kracht en macht, alle wijsheid en sterkte, het eeuwige leven en de meest zalige, meest vreugdevolle vrijheid heerst en eeuwig zal heersen, luidt als volgt: jullie zijn allemaal volkomen gelijk voor God, jullie zijn broeders en zusters; daarom zal niemand er ooit ook maar van dromen op de een of andere wijze boven de anderen uit te willen steken. Want kracht noch schoonheid, jeugd noch ouderdom, deugd noch wijsheid of wat voor voortreffelijke eigenschap ook, mag je ooit voorrechten verlenen, maar met al deze voordelen moeten jullie vol­gens de goddelijke wil slechts in alle liefde en overgave elkaar bijspringen en de klaarblijkelijk minder begaaf­den bijstaan, opdat jullie gelegenheid zullen hebben om de goddelijke deugd van de eeuwige, door de bovenmatig goede Schepper in jullie ingeplante liefde te beoefenen. Want slechts uit de zuiverste en grootste liefde heeft de almachtige heiligheid van God zich laten bewegen om jullie slechte, ondankbare, eer, liefde en God vergetende mensen uit Zich te scheppen en dan ter wille van jullie ook nog een talloze, oneindige hoe­veelheid wezens van allerlei onover­zienbare soorten, die jullie op alle mogelijke wijzen hadden moeten die­nen.

35. Maar jullie, drievoudige blin­den en stokdoven zien en bemerken niets van al hetgeen voor jullie altijd nuttig zou zijn geweest, maar je schandelijke, wanordelijke, geile zin­nelijkheid en vleselijke liefde heeft je in alles verduisterd en jullie daardoor in de klauwen van de rechtvaardige, verdiende dood geworpen!

36. Overdenk daarom, wat je zou moeten en kunnen zijn en wat jullie nu zijn: niets dan jammerlijke larven en slangenpoppen van de hel!

37. Verander jullie zinnen, breng orde in je begeerten, was je met de liefde, word elkaar gelijk in deemoedigheid, in gehoorzaamheid en in de goed geordende verwekking van je kinderen; laat af van hoererij en ver­wek je kinderen met Gods zegen en wees voor hen ware vaders en moe­ders in de liefde en de genade van God. Leer hen vooreerst te gehoorza­men aan jullie wijze liefde om daarin de grote liefde, de heilige wil en zodoende ook de onschatbare genade van God te vinden. Pas dan zullen jullie erkennen, dat niet wij, boze die­ren, maar Gods liefde zulke heilige woorden vol genade door middel van onze losgemaakte tongen tot jullie oren heeft gericht!

38. En als jullie zullen worden zoals de liefde van de eeuwige heilige Schepper je nu geleerd heeft, dan zul­len jullie merken dat niet alleen die­ren, zoals jullie nu meemaken, maar alle schepselen in staat zijn met je te spreken en de dood zal uit jullie har­ten verdwijnen en met levendige ogen en wijdopen oren zullen jullie de diepten van de goddelijke wonderen heel duidelijk vernemen. Denk goed aan wat een wolf je hier op zeker wonderbaarlijke wijze heeft gepredikt en bedenk daardoor in jullie gebro­ken harten, hoe hoogst gemakkelijk alle dingen door de eeuwige Liefde en Gods heiligheid te verwerkelijken zijn, - en jullie zullen dan nog veel merkwaardiger dingen in jezelf gewaarworden door de genade van God! Amen."

 

Hoofdstuk 36

De herinnering aan Adam’s ongehoorzaamheid en de genade van God

 

1. En zie, toen nu de wolf - let wel: een wolf zeg Ik - op wonderbaarlijke wijze zijn rede vol wijsheid vanuit Mij voltooid had, sprong hij vrolijk naar buiten en er stond opeens een grote beer, als uit de hemel gevallen, zoals jullie plegen te zeggen, voor het in zichzelf gekeerde, berouwvolle gezel­schap en hij keek hen met een ver­warde, rusteloze blik aan, alsof hij daarmee wilde aangeven dat hun gemoed net als zijn blik nog verward en rusteloos was. Hierdoor werd hun gemoedstoestand goed gekenmerkt. De beer opende eindelijk ook zijn muil en begon volgens Mijn wil tegen hen te spreken met ernstige en waar­dige, zeer versterkende woorden. Hij zei namelijk:

2. "Wat is God, wat zijn jullie en wie ben ik? - Nadat God, de Eeuwige, Heilige, Almachtige, vanuit Zich heel deze zichtbare, oneindige wereld met al zijn zonnen, aardeplaneten, manen, zeeën, bergen, dalen en grote vlakten door middel van Zijn almachtige, levende woord gemaakt had en daar­op allerlei soort gewassen, zoals gras, kruiden, struiken en bomen volgens Zijn wijze ordening de een na de ander gezet had en iets later eveneens in dezelfde ordening, geleidelijk aan iedere denkbare soort dieren, en Hij gezien had dat dit alles in overeen­stemming met Zijn heiligheid goed was, sprak Zijn Liefde in Zichzelf tot God in het midden van Zijn oneindi­ge, almachtige heiligheid:

3. Alles is nu goed voorbereid; laat Ons daarom ook de mens maken van het fijnste leem der aarde, als een vol­komen evenbeeld uit Mij naar Mijn liefde en eveneens naar Mijn genade, opdat Wij gekend en geloofd zullen mogen worden door een zelfstandig leven buiten Ons, en opdat eens alle schepselen in en door deze mens ver­lost mogen worden om daardoor weer tot het vrije bewustzijn van hun doel­matige bestaan uit Mij te geraken!'

4. En zie, wat besloten was, werd ook meteen volledig uitgevoerd. Nu stond daar na enkele ogenblikken de vrije eeuwige mens in al zijn heerlijke majesteit, toegerust met alle oneindi­ge volkomenheden, voortreffelijke eigenschappen en nog grotere vermo­gens om nog oneindiger volkomenhe­den van gelijkwording met zijn oer­heilige oorsprong te bereiken, en wel om het evenbeeld te worden van zijn grote God vanuit en in alle geestelijke sfeer van heiliging.

5. Hij had de macht om met de hele schepping te spreken en er was geen zon zo hoog of zo ver weg, die zijn krachtige, vragende stem niet had kunnen verstaan; ook zou zelfs niet de allerhoogste engelgeest het gewaagd hebben de grote vrager en spreker een antwoord schuldig te blijven.

6. En God, die Zelf zichtbaar was voor Zijn lieveling, sprak met hem als de ene broeder tot de andere en zei: 'Kijk Mij aan, Mijn geliefde Adam! (Want zo heette en heet ook nu nog deze eerste mens.) Niet om je te toet­sen, maar om je volkomen vrij te maken en je bijgevolg een aan Mij gelijke macht te geven en één met Mij te worden, geef Ik je slechts voor een zeer korte tijd een gemakkelijk, kort gebod; hieraan moet je je gedurende die hele tijd houden, tot Ik spoedig naar je terug zal keren. Heb je het getrouw gehouden, dan zal Ik bij je blijven en dan zul je met Mij, als waren wij één, alles hebben.

7. Alles moet zich naar jouw macht voegen; maar zie daar op geringe afstand een boom staan, beladen met mooie vruchten; deze heb Ik om een zeer wijze reden nog niet gezegend! Daarom mag je voordien niet van het zoete sap van de appel proeven; want op de dag, dat je er van zult eten vóór Mijn terugkeer en zegen, zul je zondi­gen, jezelf te gronde richten en zwak, krachteloos, blind, doof en sterfelijk maken! O Mijn geliefde Adam, over­denk goed de woorden van jouw lief­devolle Schepper en bederf Me niet Mijn reeds zover gevorderde, grote werk van Mijn liefde en wijsheid!

8. Want nu hangt het niet meer van Mij en al Mijn almacht af, maar enkel en alleen van jou, krachtens de door Mij aan jou nadrukkelijk ver­leende vrijheid van wil.

9. Jij kunt nu behouden blijven of te gronde gaan! - Houd je daarom aan dit gemakkelijke gebod en word dan een tweede god uit Mij en in Mij!'

10. En zie, nauwelijks zevenmaal wisselde de dag zich af met zijn bege­leidster, die zonder licht is, of tot zijn eigen grote schade vergat ook deze eerste, door God zo hoog geplaatste en geheel vrijgestelde mens willens en wetens God, omdat hij door de wel­lustige, verderfelijke aanschouwing van zijn tweede ik zwak, doof en blind geworden was. En hij werd uit boosaardigheid ongehoorzaam aan het zo gemakkelijke en door de aller­hoogste liefde gegeven gebod van zijn meest goede en heilige Schepper.

11. Daarop ontbrandde de Eeuwige, de Heilige in toorn en ver­woestte de hele zichtbare schepping voor het aangezicht van de berouw­volle boosdoener. Ook niet één steen ter grootte van een appel bleef gespaard en ook geen dier, dat ook reeds duizenden jaren voor de ondankbare mens kwam en vervuld van dankbaarheid over de nog schrale vlakten van de aarde liep. Toen ging alles geheel te gronde in de oneindige zee van het goddelijke toornvuur.

12. Voor God was niets meer hei­lig; schuldig of onschuldig, - dat was voor de grote toorn om 't even. Boven en in alle oneindige ruimten riep Zijn donderende, machtige stem op ver­schrikkelijke wijze al het geschapene eeuwige vernietiging toe. De werel­den begonnen te beven, maakten zich los van hun fundamenten en de brok­stukken vluchtten huilend en bitter weeklagend voor het vertoornde aan­gezicht van God weg van de ene oneindigheid naar de andere.

13. Maar nu gebeurt er iets, dat geen engel in alle eeuwigheid ooit zal begrijpen: terwijl Hij, de Heilige in Zijn toorn met Zijn rechterhand alles vernietigt vanwege de heiligschennis door de zonde van de grote boosdoe­ner, beschermt tegelijkertijd Zijn evenzeer heilige linkerhand de wenende zondaar! En slechts een klein traantje van de zondaar viel in het zo meedogenloos van toorn, gloeiende oog van God en zie, alle toorn was verdwenen, en reeds lachte een nieuwe schepping in en uit alle eindeloze ruimten de ongehoorzame mens toe, en op de aarde en op alle werelden was er weer een vrolijk gewemel van talloze schepselen ten dienste van de ongehoorzame mens.

14. Zoals hij voor de zonde was, bleef hij dat daarna nog bijna dertig jaar lang begenadigd in zijn niet voor te stellen macht en kracht; hij viel weer, omdat hij in een roes van wel­lust hoogmoedig zijn liefdevolle Schepper vergat. De Schepper dreef hem (dat wil zeggen: hem op Zijn handen dragend) het paradijs uit, ter­wijl op een andere plaats de woestijn moest opbloeien onder de voetstap van de grote zondaar.

15. De broedermoordenaar Kaïn strafte Hij met een uitermate vrucht­baar stuk land, omdat hij had geweend over zijn wandaad, en Hij bevrijdde hem bovendien nog uit de klauwen van zijn zoon Hanoch en schonk hem de zee en al het land daarin; hetzelfde overkwam Meduhed en zijn grote volk; en nu openbaart Zijn oneindige liefde zich weer opnieuw aan jullie en Hij heeft Zijn hart niet eens afgesloten voor de zeer grote misdadiger Lamech!

16. O zie, zie, jullie onwaardige mensen, welk een oneindige liefde God voor jullie had en ondanks al jul­lie onuitsprekelijke zonden nog altijd heeft!

17. Luister hoe door mij Zijn stem jullie Zijn genade verkondigt! Kijk, daar in de richting van de middag ligt een groot, goed voorbereid land voor je klaar; zie, hoe Hij jullie aan Zijn grote, liefdevolle hart onzichtbaar beschermde tegen onze gerechtvaar­digde toorn!

18. En luister, straks, als ik de mij opgedragen toespraak aan jullie zal hebben voltooid en je wenend zult neerknielen voor Zijn liefde, zal Hij door een engel jullie zichtbaar op ne­men en zachtjes in dat mooie, reeds aangeduide land geleiden.

19. O mensen, denk er over na wat God is, wat jullie zijn en kunnen en moeten zijn door Zijn oneindige lief­de; maar denk er in je door God ver­leende genade ook over na, wie en wat wij arme verachte dieren zijn en omvat dan onbaatzuchtig alle schep­selen net als Hij met Zijn liefde - die niet alleen jullie en onze Schepper is, maar ook een ware Vader wil zijn en dat eigenlijk al heel lang is en was, nog voordat de wereld en wij waren gemaakt - en bedenk: ook wij stom­me en sprakeloze wezens hebben vreugde aan het leven. Laat daarom in jullie liefde uit God eens op de grote dag die komt, ook ons een nieuw licht aanschouwen van het vrije leven uit God, waarin al het geschapene zal leven en eeuwig zal bestaan!

20. Kniel nu neer voor God, jullie heilige Vader, en ween berouwvolle tranen van ware liefde, - laat je dan lof prijzend optillen door de zachte hand van de almachtige Schepper, die nu ook jullie liefdevolle Vader is, en je door Zijn zegenende rechterhand naar het aangeduide land geleiden en wordt daar tot een volk. Hoe dat moet, zal Zijn eigen, heilige mond je nog uitgebreid leren via de lippen van een grote broederengel! Amen."

(3 aug. 1840) 21. En zie, toen nu de beer zijn rede had beëindigd, verdween hij snel uit het gezicht en op hetzelfde ogen­blik stond er een engel op zijn plaats, gekleed in een lichtend gewaad en deze engel was de vrome Abel, die eigenlijk al onzichtbaar door de ziel van de dieren sprak. (Het is eigenlijk altijd het geval, dat, zo vaak bepaalde voorwerpen uit de natuur door de mond van een ziener of profeet gaan spreken, er een engel uit die dingen in de ziel van de ziener en profeet spreekt en deze dan met overeenkom­stige natuurlijke woorden het zelf opschrijft of, wat gemakkelijker is, meteen in bondige taal uitspreekt. Uiteraard begrijpt alleen de ziener en profeet, waarom het ene moeilijker en het andere gemakkelijker is, om welke reden zelfs de apostelen al, evenals alle vroegere zieners en profeten, meer gesproken dan geschreven hebben.)

22. Dus toen deze veertien mensen van beiderlei geslacht de engel duide­lijk konden waarnemen, begon deze uit Mij op zachtaardige wijze het woord tot hen te richten en hij zei, en dat is getrouwen waar:

23. "Kinderen van Kaïn, van mijn broer die in de macht van het boze was, die nog leeft en in zijn lichaam voort zal leven door alle perioden van het bestaan van de aarde heen tot aan het einde van alle tijden, onbereik­baar voor alle stervelingen tot aan het spoedige einde van alle boosheid, wanneer de Almachtige, na de grote tijd der tijden, door een kleine ziener aan de verre nakomelingen grote din­gen zal verkondigen en uitvoerig gewag zal maken van jullie slechte stamvader (wat zojuist gebeurt en al gebeurd is). Overdenk goed, wat ik jullie hier zal zeggen en bekendmaken volgens de meest heilige wil van God, van de almachtige, eeuwige Schepper, die eveneens de meest liefdevolle Vader is van alle engelen en vaderen en mensen! Jullie hebben de zeer kos­telijke woorden vernomen uit de muilen van de verscheurende dieren die God door middel van mij gekal­meerd had en in staat gesteld om te spreken tegen jullie, die meer verdor­ven waren dan al deze dieren door de grote boosaardigheid van de slang van Hanoch en nu voornamelijk door Lamech, die een grote bedrijver van gruweldaden is geworden. De hele schepping heeft nu een vreselijke afschuw van hem en op zijn schou­ders rusten reeds gerichten van God, als werelden zo zwaar, en zij houden nauwlettend het bijna geheel gevulde vat van wandaden boven de sterren in het oog.

24. Omdat jullie dus de jongsten waren en dat nog zijn, en tegen je wat betere neiging in, je noodgedwongen hebben moeten aansluiten bij het slangenleger van Tatahar, heeft de onmetelijke liefde van God zich over jullie ontfermd en leerde je eerst de oneindige misdadigheid kennen van Lamech, de godloochenaar, in zijn hoogst hovaardige heerszucht. Toen leidde zij jullie op wonderbaarlijke wijze in korte tijd hierheen over een zo lange afstand, die, als een mens met normale snelheid zou lopen, nau­welijks in honderden twintig dagen af te leggen zou zijn. Zij had jullie van ­tevoren gered uit de dodelijke klau­wen van de wilde beesten, waarin de godvergeten Tatahar zijn rechtvaardi­ge gericht vond en toonde je toen door de dood, de dood van jezelf. Ik ben reeds sinds lang geheel en al levend, en de liefde van God zond mij nu naar jullie toe om je uit de slaap van de dood te wekken en om jullie het leven in deemoed en in onafge­broken vrijwillige gehoorzaamheid aan de meest heilige wil van God te tonen en om jullie naar een land te leiden, dat de eeuwige liefde van God goed voor je heeft voorbereid. En als jullie jezelf in alle deemoed in de lief­de tot Hem geheel zullen hebben leren kennen, dan pas zullen jullie door de ermee gepaard gaande genade ook de ware, heilige, grote waarde van het leven in jezelf erkennen en pas daardoor ook het meest heilige en het allergrootste in de eeuwige liefde van de heilige, almachtige Schepper van alle dingen en meest liefdevolle Vader van alle engelen en mensen, niet alleen van deze aarde, maar van nog talloze andere werelden, waarvan jul­lie tot nu toe nog nooit ook maar enig vermoeden hadden; want dat te weten is slechts de kinderen en de engelen Gods gegeven.

25. Maar eens zullen werelden zich buigen voor deze aarde, omdat haar licht groter wordt dan dat van alle hemelen, want eens zal Gods heilig­heid alle volkeren verlichten die van goede wil zullen zijn. En als jullie getrouw zullen blijven in deemoed en in vrijwillige gehoorzaamheid jegens de allerheiligste wil van de eeuwige, grote Vader, zal dat licht ook tot jullie doordringen en je geheel en al levend maken; maar indien jullie je ooit boven de ander zouden of zouden kunnen verheffen, zal dit meest hel­dere en allerheiligste licht, uitgaande van het diepste innerlijk van God, slechts tot je komen als het licht van de meest ver verwijderde ster van de schepping tijdens de donkere nacht op aarde.

26. Zie, de nakomelingen van Hanoch zullen vanwege hun hoog­moed spoedig met hun hoofden tot aan het uitspansel reiken en als duis­tere, boze misdadigers met hun snode, blinde en dove koppigheid er doorheen stoten, precies op de plaats Waar het grote vat, dat al bijna geheel 'Vol is met allerlei soorten gruwelda­den, zeer wankel staat. Dit grote vat zal dan gevuld met zonden en het ver­schrikkelijkste gericht van God, op aarde neerstorten; dan zullen alle bedrijvers van het kwade in de mod­derstromen van hoererij en misdaad verdrinken en verstikken en zij zullen een zeer groot aantal van de kinderen van God meeslepen, omdat deze zich in hun hart door de dochters van de slang gevangen zullen laten nemen en met hen de schandelijkste hoererij zullen bedrijven en kinderen verwek­ken van de toorn en van de vloek Gods, die kinderen van de hel en zui­gelingen van de draak genoemd zul­len worden en er zullen niet meer dan acht mensen gespaard worden.

27. Voordat dit alles evenwel zal gebeuren, zal de Heer driehonderd jaar lang leraren en profeten laten komen, die hen zullen waarschuwen voor Zijn gerichten en boetedoening zullen prediken ter vergeving van hun zonden en volledige verandering van hun dodelijke schijnleven in het duis­ter van de hel. Zij zullen hen de weg van het ware leven uit Gods oneindi­ge barmhartige liefde en genade tonen en zij zullen hen op wonder­baarlijke wijze, zelfs tot in kleine din­gen de aard van het komende grote gericht van God laten zien.

28. Dan zal het gebeuren dat het boze gebroed de leraren en profeten zal grijpen en hen voor een deel doden en anderdeels met hun slan­genarmen zal omslingeren en hen meetrekken in de poel van hun hoere­rij en hen zal bederven en hun geest doden en hen bovendien nog tot moordenaars van hun eigen kinderen maken. (N.B. Zoals nu bij jullie in je Mij buitengewoon welgevallige vin­dingrijke tijden!)

29. Dan zal God de laatste leraar, genaamd Mahal - een broer van de enige oprechte zoon, die Noach zal heten, dat betekent 'de oprechte zoon' -, op eigen verzoek nog de gruwelste­den af laten reizen en daar prediken. Hem zal het slecht vergaan en hij zal zelf tot kwaad vervallen, tenslotte God verlaten en in de poel te gronde gaan.

30. Dan pas zal het genoemde vat, vol van zonde en gericht, breken en beladen met alle denkbare vervloekin­gen op aarde geslingerd worden en deze vanuit haar centrum op alle boze plekken doen ontbranden, en slechts ter wille van de weinige rechtvaardi­gen zal dan de barmhartige liefde van God de geweldige sluizen van de hemel openen en hoogopgaande vloedgolven zelfs over de hoogste ber­gen laten stromen om het hellevuur te kalmeren en om de kinderen te behouden en te reinigen, evenals de aarde zelf, om volgens de wil van God een beter geslacht te dragen.

31. Jullie zullen evenwel door het vuur noch door de vloed worden geteisterd, indien jullie in deemoedige gehoorzaamheid de nu aan jullie geo­penbaarde wil van God in acht zullen nemen. Deze luidt vol liefde als volgt: 32. Laat jullie eerste gedachte voor God, Zijn wil, Zijn liefde en genade zijn; en als de dag zich in de van ster­ren flonkerende armen van de nacht zal begeven en als de laatste straal van Gods mooie zon zacht zal wegsterven boven de wijdse vlakten van de aarde, dan moeten jullie je met deze onder­zoekende lichtende gedachten van je onsterfelijke geest in de gezegende rust van jullie lichaam begeven.

33. Jullie moeten je geen zorgen maken over de voeding van het lichaam; want waar de Heer een land op aarde gezegend heeft, daar hoeven de bewoners nooit honger te lijden, zolang hun streven erop gericht zal zijn alleen de heilige, alles zegenende wil van de eeuwige, grote Vader steeds voor ogen en in het hart te houden; want de mensen zijn geschapen, opdat zij God en Zijn heilige wil zul­len erkennen, daarnaar zullen leven en in woord en daad de allerheiligste naam van de grote, eeuwige God loven en prijzen!

34. En als jullie dat in alle dee­moed en vrijwillige gehoorzaamheid uit zuivere, onbaatzuchtige liefde voor God zullen doen, zal Hij ook altijd bereid zijn jullie vol genade Zijn heilige wil mee te delen, deels indirect door de sprekende natuur, maar deels ook rechtstreeks door Zijn eigen levende woord, dat helder klinkt in jullie harten.

35. Als jullie gedurende een be­proeving door een schijnbaar genoe­gen ook maar een dag lang nalaten dat te doen, zal het hart dat God had kunnen vergeten eerst met oprechte droefheid bezwaard worden en het zal zeven dagen lang stom zijn als een dode boom. En evenals de bodem van de aarde onder de schreden van de volgzame de edelste vruchten zal laten uitlopen, dragen, rijpen en tot aan zijn mond brengen, evenzo zal de aarde ook onder de voetstap van de ongehoorzame tot een woestenij wor­den en niets anders dragen dan stof, stenen, doornen en distels en giftige bessen.

36. Want de oneindige liefde en wijsheid van God geeft ieder het zijne. De vrome, volgzame kinderen geeft zij brood, honing, melk en zoete vruchten voor lichaam en geest, maar aan het ongehoorzame, hoogmoedige gebroed van de slang geeft zij stenen, stof, doornen en distels en giftige bes­sen voor geest en lichaam, opdat het boze gebroed zal verderven en waar mogelijk de dode geest zal behouden om langzamerhand weer levend te worden in de oneindige barmhartige liefde van de enige, grote, eeuwige, meest heilige Vader van al wat is.

37. Zie, jullie zijn allen gelijk, ­zowel mannen als vrouwen. Echter moeten jullie vrouwen je schaamde­len alsmede je hele lichaam goed bedekken en voornamelijk je hoofd, opdat door jullie wellustige aard de man niet tot ontucht geprikkeld zal worden, zoals het vrije geslacht van de vogels door het grote, geheime bege­ren van de verleidelijke ogen van de slang in de dodelijke gevangenschap van haar giftige kaken gelokt wordt; want jullie vrouwen zijn de kinderen van de slang het naast en vol van haar gif. Wees daarom voor alles even inge­togen als de bijenkoningin, die het niet waagt zich aan de zon bloot te stellen, maar vol zorg dag en nacht over de cellen van haar onschuldige kinderen kruipt; jullie moeten ook zo zijn en in alles jullie mannen gehoor­zamen, voorzover de allerheiligste wil Van God dat vereist. Maar als een man - waarover niet gesproken zou behoeven te worden - je tegen de meest heilige wil van God in tot iets zou willen dwingen, moet het ook aan jullie toegestaan zijn, jullie hoof­den voor de man te ontbloten en hem op lieflijke wijze aan zijn van God uitgaande plichten te herinneren. En als je dit allemaal zo nauwkeurig zult uitvoeren, zal de Heer jullie met grote genade overladen en je zult eeuwig en onsterfelijk in oneindige schoonheid een ware lust voor het oog van de eeu­wige, heilige Vader zijn.

38. Aan jullie mannen wordt geen andere wet gegeven dan de heiligste wil van de allerhoogste God, die zich altijd aan je zal openbaren; maar voor wie van jullie hier ooit in zijn hart geen acht op zou slaan, zal de heilige mond van God en ook die van de natuur zich geleidelijk aan sluiten. Dan zal aan hem, omdat hij zich van God af naar buiten heeft gekeerd, ook een uiterlijke wet worden gegeven, die hem tot slaaf van de zonde en knecht van de hel zal maken, als hij niet terstond zijn hart open zal bre­ken, het in deemoedige gehoorzaam­heid zal reinigen en het dan weer smekend en lang biddend in vrees en liefde voor God zal brengen, opdat Hij het weer zou willen zegenen en heiligen met Zijn allerheiligste wil. ­(N.B. Dat moet voor jullie ook een goede aanwijzing zijn hoe en waarom je naar de wedergeboorte moet stre­ven!)

39. Sta nu op en trek deze door de kinderen van God voor jullie gemaak­te kleren aan - deze voor de mannen en die voor de vrouwen -, zodat jullie je hiermee ook in de dracht van de kleding naar het geslacht zedelijk, kuis en fatsoenlijk onderscheiden. Blijf ver van alle pracht en hoogmoed; het kleed moet jullie slechts bedekken en je lichaam in koele nachten tegen de kou beschermen en jullie geestelijk naar God voeren in de warmte van de eeuwige liefde, zachtmoedigheid en gehoorzaamheid.

40. En hier moet ook ieder van jul­lie een blinddoek nemen en voor zijn ogen doen, opdat niemand duizelig zal worden door de afgronden waar­over ik je zal leiden; en als wij ons op de bestemde plaats bevinden, moeten jullie het licht van je ogen weer de vrije loop laten en daar verheugd je nieuwe verblijfplaats aanschouwen, kostelijk ingericht door de zeer grote liefde van de meest goede en heilige Vader. Daar zullen jullie je met de gezegende kost van de aarde verkwik­ken en uit de handen eten van twee jullie aldaar reeds verwachtende grote kinderen van God, een man en een vrouw, ter eeuwige versterking van het leven van je geest. Volg mij nu volgens de meest heilige wil van God! Amen."

41. En zie, zo leidde Mijn lieve Abel hen zeven dagen en nachten lang snel naar de bestemde plek over een meer dan dertig dagen lang tra­ject en dat zonder rust en zonder voedsel; want gedurende die tijd waren zij Mijn gasten en vlogen hen ­zoals jullie plegen te zeggen - de gebraden vogels in de mond, dat wil zeggen: Ik voedde hen intussen gees­telijk; de geest echter versterkte de ziel en de ziel maakte het lichaam krach­tig; en zodoende hebben zij het met Mijn ware hemelse kost heel goed tot aan het einde kunnen uithouden.

42. En toen zij dan geheel behou­den op de bestemde plaats waren aan­gekomen, verschenen meteen de beide hen hier opwachtende kinderen van God of kinderen van Mijn liefde, Ahujel en zijn vrouw Aza ('zoon van de hemel' en zijn vrouw als 'stilzwij­gend rechtvaardig verlangen'). Zij waren kleinkinderen van de kinderen van Adam, vóór Seth en ze namen hen de blinddoeken van de ogen en verwelkomden hen allervriendelijkst. Deze veertien kleinen verbaasden zich enorm over de twee grote kinderen van Mijn liefde, die de juiste grootte voor een mens hadden, namelijk zes­honderdzesenzestig duim voor de man en zesenzestig duim minder voor de vrouw, terwijl de grootte van de geredden nauwelijks zestig duim was.* (* Zie hoofdstuk 37: 1)

43. En nu zij weer geheel over het gebruik van hun ogen en oren kon­den beschikken, begon de engel weer te spreken en zei: "Kinderen, hier is de plaats van jullie bestemming en beschouw deze beide grote kinderen van God als je door God gegeven ouders en volg hen in alles; want dat is de wil van God, die ik in mijn eer­ste toespraak voor je moest verzwij­gen!

44. Deze zullen altijd bevestigend zeggen wat God in jullie harten zal spreken en zij zullen je steeds wakker schudden als jullie geest door slaap overmand mocht worden, en zij zul­len je veel nuttige dingen leren, zowel lichamelijk als geestelijk, waar jullie zeer veel baat bij zullen vinden. En jullie zullen elkaar geslachtelijk niet eerder bekennen, totdat zij, die nu je ouders zijn, je volgens de heilige wil van God zullen zegenen. En als jullie dan ook gezegend zijn, houd je dan ver van alle hoererij, maar laat de kuisheid als een maagdenpalm op jul­lie voorhoofden prijken en laat tweedracht, woede, afgunst, gierigheid en ontucht nooit de geheiligde verwek­king van jullie kinderen ontwijden, maar matigheid in alles en de liefde tot God boven alles zal je stelregel zijn. Als jullie dat zullen doen, zal je lichamelijke leven lang duren en je afscheid van de aarde zal jullie leiden in het grote licht van de oneindige genade van de eeuwige, heilige Vader, alwaar jullie dan het ware loon wacht van eeuwig leven in de brede schoot van de heilige, liefdevolle Vader in de hoge hemel, ginds voorbij de sterren en eens, ach eens in Zijn liefdevolle hart zelf!

45. Doch daarover zullen jullie ouders je nader inlichten. Die zijn door God goed onderricht en hebben mijn aan jullie gegeven lessen niet nodig! - Gods liefde zegene jullie en moge Zijn genade jullie verlichten en heiligen en je tot het leven voeren! Amen, amen, amen."

46. En zie, dat is de stichting van Sina of China, welk land voor de zondvloed gespaard bleef en over het geheel genomen heden ten dage nog vele malen beter is dan andere landen op aarde, op enige dwaze verslechte­ringen na, die pas later bij de aanra­king met andere mensen van de slech­te wereld daar ingevoerd zijn. Laat daar nooit een niet-wedergeborene het wagen Mijn evangelie te prediken! Amen!

 

Hoofdstuk 37

 

De prehistorie van het Chinese volk

 

1. Voordat wij nu naar Hanoch terug zullen keren, moet Ik jullie noodzakelijkerwijs nog wat naders over de bewoners van China zeggen. Onthoud en weet dan dat ten eerste, wat de afmetingen van de grote kin­deren van Mijn liefde ontsproten uit Adam betreft jullie voorstelling ver­keerd is, als je daaronder de lichame­lijke grootte verstaat; doch zeshon­derdzesenzestig duim is het getal dat Mijn volledige liefde in de mensen aangeeft. De duim geeft de maat aan van het goede dat uit de liefde tot Mij voortkomt; daarvan zijn er zeshon­derd voor Mij, dan zestig voor de naaste en tenslotte zes voor zichzelf. En de maat van de vrouw is gelijk aan de goddelijke maat in de man; doch in de naastenliefde en de eigenliefde Van de vrouw is een verschil van zes­enzestig en vandaar heeft de vrouw (10 aug. 1840) wat dit betreft de man in alles vol­strekt te gehoorzamen. Daar de vrouw uit de eigenliefde van de man gevormd is, kan zij zichzelf ook alleen in de man beminnen, als haar liefde oprecht zal zijn; en daar zij de man het naast is, is ook haar naastenliefde allereerst op de man gericht, en van­daar het verschil.

2. Overigens waren deze beiden, evenals alle kinderen van Adam, lichamelijk beduidend groter dan de zeer verzwakte kinderen van Kaïn en zij hadden veel machtiger, krachtiger en sterkere spieren, aderen en inwen­dige organen.

3. (N.B. De overeenkomst van het getal van de mens met het getal van Mijn tegenstander berust daarop, dat bij de laatste juist het omgekeerde het geval is, om het meest afschuwwek­kende wezen in Mijn ogen te zijn.)

4. Zie nu, hoe Sihin de eerste was die zijn gemoed naar Mij toekeerde; ook was hij de meest volgzame zoon van deze ouders en bracht zelfs vol zorg ook de anderen tot gehoorzaam­heid; daarom zei Ahujel, terwijl hij hem eerst uit Mijn naam zegende, in de tegenwoordigheid van Aza en alle overigen:

5. "Sihin, ik zegen je in de naam van mijn en jouw God! Het land zal jouw naam dragen. Neem je mooiste zuster tot vrouwen breng met haar in alle gezegende kuisheid kinderen voort, net als de kinderen van God en noem hen 'Zonen van de hemel' en 'Dochters van de aarde'; en als mijn grote geslacht door de liefde van God van de aarde zal worden weggeno­men, laat dan jouw nakomelingen liefdevolle, wijze leiders zijn voor de nakomelingen van je broeders!

6. Zoek de liefde, en de wijsheid zal je gegeven worden en je stam zal niet uitsterven voor het einde van alle tijden; want de Heer zal vele takken aan je stam maken, opdat je naam tot aan het einde van alle tijden zal voort­leven.

7. Aan jou is nu slechts één vrouw gegeven; maar in de loop der tijden zullen de mannen in alle kuisheid vanwege de verwekking van de geslachten ook meer vrouwen nemen; doch houd je ver van alle hoererij en een ongezegende geslachtsdaad. En als jullie dat allemaal in acht zullen nemen, zal jullie volk reeds na dui­zend jaar als het gras op aarde en als de sterren in de hemel worden.

8. Ik met mijn weinige nakomelin­gen zal jullie nog zegenen en vijfhonderd jaar lang leiden; maar dan zijn jullie aan de beurt tot aan het einde der tijden. Maar de tijd moet je meten aan de rijpheid van een vrucht, die in de tijd van één omloop van de aarde om de zon vijfmaal rijp wordt. En zo vaak jullie een ding hebben leren kennen, kijk dan in jezelf; daar zullen jullie een teken vinden en met dit teken moet je het ding altijd beel­dend aanduiden. Jullie handelingen moeten uitgedrukt worden door ver­schillende daarbij passende lijnen en de voltooiing daarvan door punten. Op die manier moeten jullie alles optekenen wat je in de toekomst nog van ons zult horen, leren en ervaren, en jullie moeten ook tot aan het einde der tijden je kinderen op het noodza­kelijke daarvan wijzen als toekomstig groot getuigenis over het boze slan­gengebroed. Amen."

9. Doch zonder schade aan de vrij­heid van geest bleef ook dit volk niet altijd geheel hetzelfde. Volgens de berekening ongeveer honderdentwin­tig jaar na de zondvloed, groeiden de nakomelingen van Sihin eveneens tot een belangrijk volk aan en geraakten dikwijls verwikkeld in allerlei twisten en vormden op die manier partijen, die in hun gebruiken en godsdiensten verschilden. Sommigen beweerden dat alleen de eerstgeborenen in staat waren leiding te geven; anderen zei­den dat als eerste geboren te worden, geen uitnemendheid inhoudt, omdat herhaaldelijk vrouwelijke eerstgebore­nen voorkwamen, - vandaar dat de bekwaamheid om leiding te geven altijd aan verstandiger harten opge­dragen zou moeten worden. Dat gre­pen weer anderen uit het volk aan en zeiden: "Als het alleen maar over het hart gaat, waarom zou dan niet ook het bezonnen hart van een jongere broeder in staat zijn leiding te geven?" Maar sommigen verwierpen weer alles en zeiden: "Zoals het in het begin was, zo zal het tot aan het einde der tijden blijven!" Anderen zeiden dat men overal en altijd God om raad moet vragen en nooit eigenmachtig moet oordelen en handelen. Daarop wierpen weer anderen tegen: "Als dat zo is, dan kan immers iedereen dat doen, waarom dan ook nog een of ook meer leiders?" - Anderen weer zeiden dat God zich niet aan iedereen openbaart, opdat de mensen elkaar niet zullen kunnen ontberen. Daarop antwoordden weer anderen: "Dan moet dus toch iedere ziener onderwij­zen wat hij vernomen heeft en de lei­ding aan God toevertrouwen; waartoe dan een of meer leiders?" Weer ande­ren merkten op: "Maar wie geeft ons de zekerheid dat zo'n ziener en leraar die boven ons wil staan, ook wel altijd Gods woord spreekt?" Anderen wederom zeiden daarop: "Ja, wanneer men de leraren niet meer onvoor­waardelijk geloven kan en mag, dan zijn onze leiders en leraren immers zinloos geworden!" En meer van der­gelijke grappenmakerij, waardoor er dan ook een massa sekten gesticht werden en het rijk daardoor in zeer verschillende bestuurs - en onderwijs­groeperingen verviel, en zo ging de versplintering voort tot in het jaar 3700 nadat Adam in leven was geroe­pen. Totdat de zelfs bij jullie betere geschiedschrijvers iets meer bekende bouwer van de Hehu-Tsin's linie (beschermende muur), Tschi-Hoang ­Ti (wijze alleenheerser over het volk) genaamd, optrad. Hij begon vurige predikingen voor het volk te houden en voorspelde het, dat een groot volk, niet ver van de landsgrenzen, ze in het geheim zou hebben verkend; en als zij zich niet allen tezamen zouden ver­enigen om langs het hele rijk een hoge en dikke muur op te bouwen, dit volk massaal en krachtig binnen zou vallen en hen allemaal op kwalij­ke wijze om zou brengen.

10. Hijzelf zou van Mij de macht hebben, zolang de inval tegen te hou­den, totdat de muur klaar zou zijn; echter slechts gedurende tien jaar, waarin zij alle ijver aan moesten wen­den om zo spoedig mogelijk dit grote, heilige werk volgens Mijn in hem geopenbaarde wil te volbrengen, anders zou het er slecht voor hen uitzien.

11. Nu kwam al wat handen had bij elkaar en de muur was in acht en een half jaar voltooid en had een leng­te van meer dan achthonderdzeven­tigduizend manslengten, de breedte was negen manslengten en de hoogte negentien manslengten. En zij werd om de honderd lengten voorzien van een tien lengten hoge wachttoren, waarin onafgebroken honderd man, elkaar afwisselend, de wacht moesten houden. Dit heeft weliswaar helemaal niet zo lang geduurd, omdat deze valse profeet zichzelf aan het volk bloot gaf doordat hij al hun godsdien­stige voorschriften verzamelde en wat niet in zijn ware despotenkraam te pas kwam, liet verbranden en vernie­tigen.

12. Daardoor gelukte het hem dit grote rijk, dat vóór hem zeer verdeeld was, zij het dan slechts door geweld weer te verenigen en zestig jaar lang als een echte overweldiger te beheer­sen. Zijn zoon die dezelfde naam had werd lauw en toegevend; maar diens zoon, de opvolger van deze beide overweldigers, begon de bloedige ver­volging van de vromen, waarmee reeds zijn grootvader was begonnen, op nog onmenselijker wijze voort te zetten en daarvoor moest hij bij een algemene volksopstand die grote mis­daad met zijn leven betalen.

13. Het rijk verviel toen weer in vele delen, tot dan eindelijk in het jaar van de wereld 3786 Liehu-Pang (een straatrover) een leger van gelijk­gezinden bijeenbracht, als veldheer alles onderwierp en zich tenslotte als alleenheerser (keizer) en zoon van de hemel, opwierp. Zoveel als maar mogelijk was, verzamelde hij oude, nog ergens verborgen geschriften en sagen, regelde de godsdienst, stelde priesters aan die over het heiligdom moesten waken en scheidde het volk in bepaalde klassen of kasten, waar­binnen men moest blijven op straffe des doods.

14. Hiermee stichtte hij het zoge­naamde hemelse rijk of de grote dynastie (Han) en breidde het zelfs voorbij de muur in westelijke richting aanzienlijk uit. En zo bleef dit rijk voortbestaan tot in de vierde eeuw voor de grote menswording van Mijn woord, waarna er wederom een grote splitsing plaatsvond, waarbij het een groot deel van lartarije en Mongolië verloor. Het viel daardoor uiteen in drie elkaar bestrijdende rijken, en zo'n rijk noemde men Tschenkue en nog later in de vierde eeuw na de grote menswording van Mijn woord, stierf dit geslacht uit. Het rijk kwam omwille van het volk en de priesters in dezelfde hemelse gedaante onder een Mongools-Tartaarse heerser die zich in de buurt van het Baikalmeer opwierp en het bevindt zich nog heden ten dage onder dezelfde lei­ding, die te verdragen is.

15. Daar hebben jullie nu in het kort de hele geschiedenis van China. Laat degene die moeite heeft dit te geloven ernaartoe reizen en zich over­tuigen; maar het zal hem niet veel beter vergaan dan wanneer hij naar Japan zou reizen. Een lantaarn op klaarlichte dag helpt ook de blinden niet; zij die zien hebben genoeg aan het licht van de zon!

16. Nu, aangezien wij op deze manier onze veertien mensen die een scholing doormaakten, goed verzorgd hebben, keren wij voor een korte tijd nog naar Hanoch terug en kijken nog even naar de dwaze handel en wandel van Lamech; en als wij tot aan de tijd van Noach daar dan schoon genoeg van hebben gekregen, dan zullen we nog een kort bezoek aan de stamvader Adam brengen en zullen daarna meteen de sluizen van de hemel ope­nen. Amen.

 

Hoofdstuk 38

 

De familie van Lamech

 

1. Jullie kunnen je heel gemakkelijk voorstellen, dat Hanoch en ook de overige tien steden door dergelijke geweldige landverhuizingen in één ­jaar in hoge mate ontvolkt waren Daarbij had Lamech ook nog zijn getrouwe aanhang verloren en was zijn macht, die hem zo na aan het hart lag, zo goed als van nul en generlei waarde geworden.

2. Als je deze omstandigheid nu voor ogen houdt, zul je zonder veel moeite weldra gemakkelijk inzien dat Lamech tijdens zijn regering tenmin­ste gedurende een periode van dertig jaar noodgedwongen een toontje lager moest zingen, opdat het volk zich weer aan zijn wil onderwierp en voor hem begon te werken, zodat hij en de zijnen tenminste zorgeloos als een zwijn en als een luie os zouden kunnen zwelgen.

3. Hij had twee vrouwen, namelijk Ada en Zilla (dat betekent: 'de wel­overwogen deugd in blijmoedigheid' en 'de stille overgave en verdraag­zaamheid'). Ada had twee zonen, namelijk Jabal (vader van de bewo­ners van het industriegebied rond de voet van de berg) en Jubal (muzikant, uitvinder van de herdersfluit en de viool, een instrument dat leek op dat van jullie, alleen was het gemaakt uit één stuk hout, dat hij met stenen steek - en slijpwerktuigen moeizaam vervaardigd had.

4. Maar Zilla had een zoon, te weten Thubalkaïn, die ook een zuster had, Naëhme. Met Mijn genadige toestemming werd hij een meester in de metaalbewerking en Naëhme temde wilde dieren en verschafte daardoor haar broer en zijn helpers toegang tot de ertsbergen. Haar hele lichaam was buitengewoon mooi en zij had een buitengewoon deemoedi­ge, maar ook een des te moediger ziel en in haar ogen lag een grote kracht, zodat onder haar blik harde stenen tot Was werden en de harde tanden van de beesten als de dons van een duif

5. Zie, dat was Lamechs familie, die, samen met enkele dienaren die bij hem gebleven waren en enige kamermeisjes en waardeloze bijzitten, bij elkaar ongeveer dertig mensen, allemaal heel hard moesten werken om wat te eten te hebben en het blote lijf te bedekken. Zoals reeds gezegd duurde het wel dertig jaar, totdat het volk, meer tengevolge van goede uit­vindingen dan omwille van Lamech, weer naar Hanoch begon te trekken om daar nuttige metaalwaren te kopen, wat als het ware op basis van ruil gebeurde. Ook reisden mensen uit de tien andere steden daarheen om Jubals muziek te horen, die hun harten week maakte en weer gunstig stemde ten opzichte van Lamech; ook lokte de grote schoonheid van Naëhme alle harten nabij, - en hij die Naëhme niet te zien kreeg, werd beschouwd ongelukkig te zijn en weende en huilde daar dagenlang om.

6. Opdat jullie inzien hoe zoiets mogelijk was, wil Ik hier voor jullie een kleine beschrijving van haar gestalte aan toevoegen. Naëhme is te vergelijken met de figuur die als de gemalin van een smid en als godin van de schoonheid onder de bijzon­dere naam 'Venus' in de grijze oud­heid van het zwarte heidendom schuil ging. Na Sara en Rachel heeft zo'n mooie gestalte als die van Naëhme nooit meer in den lijve de aarde betre­den. Haar lengte bedroeg vijf voet volgens jullie maat. Haar haar was zwarter dan kool, haar voorhoofd was wit als vers gevallen sneeuwen nabij de ogen zacht rood gekleurd. Haar ogen waren groot en volkomen hemelsblauw, de pupil vurig zwart, de oogleden fris en zacht evenals de don­kere wenkbrauwen. Haar neus was recht en verloor zich in de zachte, tere neusvleugels, waaronder de twee ope­ningen met hun zacht afgeronde vorm een lieflijke aanblik boden.

Haar mond was ter grootte van een oog en haar zacht gewelfde lippen leg­den iedere roos het zwijgen op. Haar wangen, van de mooiste, vrolijk glim­lachende volkomen vorm, waren als door het zachtste en teerste rozerood lichtjes getint en hun kleur was als een met sneeuw bedekte roos, waar de sneeuw als het ware de laatste liefdes­straal van deze koningsbloem zijn glanzend witte oppervlak een zijde­achtige glans verleende. Ook haar kin was van een vorm waarvan er geen tweede op aarde was. Haar hals was

noch te lang noch te kort, maar recht, glad en rond, zonder ook maar het geringste gebrek. Het begin van haar borst onderscheidde zich slechts van haar hals door een tere, weelderige, snel rijzende verheffing en was even­als de schouders en de nek in vol­maakt juiste verhouding. Haar boe­zem zag er meer uit als een etherische, teer witte leven gevende welving, dan iets vleselijks, aan welks verheven weelderig zachte ronding twee helde­re, jonge rozen schenen te ontluiken. Haar armen waren zo vol, mollig en zacht, dat jullie je daarvan ook niet de geringste voorstelling kunnen maken; want zulke armen komen alleen in de hemel voor. En naast deze fraaie ver­houdingen was ook haar hele lichaam overtrokken met de etherische zacht­heid en tederheid van het glanzende wit van de sneeuw.

7. Deze Naëhme nu werd de vrouw van haar broer, die bij haar zeven zonen verwekte, welke er zeer lomp en vormeloos uitzagen en die veel overeenkomst hadden met jullie zoge­naamde trollen. De oorzaak daarvan was, dat Naëhme zich naar de wil van haar vader, vanwege zijn heerszucht, te dikwijls voor ontuchtige doelein­den moest laten gebruiken; want daardoor werd al het manvolk weer aan Lamech onderdanig. Aller ogen waren nu op Naëhme en aller oren op de hebzuchtige bevelen van Lamech gericht; want Naëhme bleef tot in haar tachtigste jaar een voorwerp van menselijke bewondering, binnen welke periode de bevolking weer zeer gegroeid was en Lamech op al zijn wenken diende. Toen Lamech nu zag hoe machtig hij weer was geworden, werd hij ook steeds strenger en harder en voerde op gruwelijke wijze zelfs de reeds eerder vermelde doodstraf in voor degenen die weerspannig waren.

(28 aug. 1840) 8. Op Mijn bevel werd juist ten tijde van Naëhme door de kinderen van Adam de eerste goede bode uit de bergen naar de diepte van Hanoch gezonden om aldaar Mijn naam te verkondigen, en wel aan het hof van Lamech zelf. En zie, Lamech nam de bode goed op; de bode was een nazaat van Adam, afstammend van de kinds­kinderen van Adam via Seth en hij heette Hored ('de geduchte'), was

groot en wijs en had vrouw noch kind. En toen Lamech nu volgens de lering van Hored in zichzelf keerde, bewees hij deze bode een grote eer door zijn hele vrouwelijke hof bijeen te laten komen en de bode te verzoe­ken zich de mooiste vrouw uit te kie­zen. En zie, toen liet Hored tegen Mijn wil zijn blik vallen op de vrouw van Thubalkaïn en deze moest op leven en dood gehoorzamen aan het bevel van Lamech.

9. Want ofschoon Naëhme destijds al bijna tachtig jaar was, was zij noch­tans zo mooi, dat heden ten dage een achttienjarige, buitengewoon weelde­rige jonge vrouw voor haar in de nacht zou moeten wegkruipen. Thubalkaïn was zonder dat van ouds­her al aan ontrouw gewend; daarom ging dit voorval hem ook niet zozeer ter harte en dat des te minder omdat Hored hem de verzekering gaf dat ten eerste de wilde dieren hem niet meer zouden kunnen deren tengevolge van de wapens en zijn metalen kleding en ten tweede zou hij hem verscheiden sterke helpers bezorgen, die hem tegen alles zouden beschermen en hem de ware kunst zouden tonen van de verwerking van metalen tot allerlei nuttige voorwerpen.

10. Thubalkaïn was daarmee ook volkomen tevreden en zo was de zaak op schandelijke wijze geregeld. Hored verliet Hanoch en keerde met zijn vrouw weer naar de bergen terug.

11. Maar wat die hulpkrachten betreft, dat bleef bij een belofte; want Hored ging met zijn vrouw niet meer naar de zijnen, maar had een eenzame verblijfplaats uitgezocht om door nie­mand benijd te worden vanwege zijn geluk.

12. Maar Thubalkaïn was door dat bedrog genoodzaakt zijn halfbroer Jabal, een zoon van Ada, te overreden met hem samen te werken, aan de Voet van de bergen werkplaatsen te bouwen, deze als bewaker van de smelterijen te bewonen en als zodanig bekend te worden.

13. Zij vestigden op die wijze een complete metaalindustrie en maakten honderden deels nuttige, deels ook fijne, sierlijke, glanzende voorwerpen, die voor vruchten geruild konden worden en gretig aftrek vonden. Ja, uit bijna alle steden als ook uit de overige streken van het grote land reisden mensen naar de ijzersmelterij­ en, die goed bekend stonden, en kochten daar gebruiksvoorwerpen en ook luxe artikelen; zij hingen zeer aan Thubalkaïn en deden hun zonen bij hem in de leer, waardoor in korte tijd de fabrieksbevolking zo zeer aangroei­de, dat zelfs Lamech er bang van werd.

14. Want hij dacht bij zichzelf: 'Wat wil ik, wat moet ik doen? De misdaad die ik tegen mijn broers begaan heb, drukt als een zware last op mijn borst. De grote geduchte uit de bergen, die mijn tweede schoon­zoon geworden is, heeft mij mijn mis­drijf voorgehouden; hij beval me deze gruweldaad aan het volk te laten weten. Maar als ik dat doe, ben ik niet zeker van mijn leven; maar doe ik het niet, dan heb ik God en Zijn grote kinderen uit de bergen tegen me en die zullen mij, ongehoorzame, vernietigen.'

15. En zie, een krachtige stem sprak in zijn borst: "Maak het aan je vrouwen bekend en zeg tegen hen: jullie vrouwen van Lamech, luister naar wat ik te zeggen heb en neem goede nota van wat ik zeg: ik heb een man doodgeslagen wat mij een buil opleverde en ik heb een jongeling doodgeslagen wat mij verwondde; ­Kaïn zal zevenmaal gewroken wor­den, maar Lamech zevenenzeventig maal!"

16. En zie, dat vond Lamech goed; hij deed meteen wat de stem hem had bevolen. Maar toen zijn vrouwen dat hadden vernomen, ontstelden zij zo hevig, dat zij van toen af stom bleven en het daarom ook aan niemand kon­den mededelen. Na enige tijd verlie­ten zij hem heimelijk en gingen naar hun zonen in de smelterijen. Voordat zij deze echter bereikt hadden, wer­den zij door twee bergbewoners tot staan gebracht; zij kregen hun spraak weer terug en werden meegenomen naar de heilige hoogten van de ber­gen.

17. Nauwelijks waren zij in de ber­gen aangekomen of zij vroegen meteen naar Naëhme. Maar de leids­mannen deelden hen mee dat Hored uit ontrouw en afgunst uit hun gezichtskring was verdwenen en dat het hen niet was gegeven te zien waar hij zich als een worm verstopt had; en indien zij zich door hen wilden laten zegenen, zouden zij (de leidsmannen) hen (de vrouwen) tot vrouw nemen. Want Ada was honderdentien en Zilla pas honderd jaar oud en beiden waren noch steeds van een bijzondere schoonheid en zagen eruit alsof zij in de huidige tijd, indien goed verzorgd, pas in hun vierentwintigste levensjaar waren.

18. Daarop lieten zij zich zegenen en werden hun vrouwen en reisden toen met hun mannen naar de ver­blijfplaats van Adam, die al negen­honderdentwintig jaar oud was, om ook door hem gezegend te worden.

19. Toen Adam hen in het oog kreeg, sprak hij met ontroerde stem: "Luister, zonen van de kinderen van mijn kinderen, ik ken mijn gehele nakomelingschap die onder mijn zegen leeft na de zegen van eeuwige liefde van Abel; maar deze twee vrou­wen ken ik niet! Waar komen zij van­daan?" En beiden antwoordden: "Zij zijn Lamechs verstoten vrouwen, die door zijn onmenselijkheid verdreven werden."

20. En Adam zei: "Waar spreken jullie over? Ik ken de zoon van Methusalah en die is pas eenhonder­denzesentwintig jaar oud en heeft nog nooit een vrouw leren kennen!* (* N.B. van 25 juni 1841: "Hier duiden de eenhonderdzesenrwintig jaar niet op de leeftijd, maar geven slechts een toestand aan waarin de mens nog niet tot de juiste verhoudingen is gekomen, d.w.z. honderd voor God, tien voor de broeder en de naaste en één voor zichzelf! Als je dus kunt rekenen, reken dan en je zult er achter komen wanneer de mens geschikt is om wedergeboren te worden. Lamech heeft nog geen vrouw leren kennen omdat hij in de geest nog niet op de trap stond, die gesteld is tot grondsteen van de eeuwige ordening. Ans.W.H. (Anselm W. Hütten­brenner) is pas honderdzevenendertig jaar oud; - er moet van de zeven en van de drie nog zoveel afvallen. Amen. Dat zeg Ik, jullie Vader. Amen. Amen. Amen." - Methusalah was toentertijd tweehonderddrieendertig en Lamech zesenveertig jaar oud. Vgl. hoofdstuk 110, vers 7! De uitgever.)

 Waar spreken jullie over? Vervloekt zij de leugen en de mond die haar uit­spreekt, en de tong die onwaarheid spreekt in het aangezicht van God! Daarom, bij de vloek van Kiïn, van de moordenaar, spreek, - waar komen die vrouwen vandaan?"

21. "Wees niet boos, vader Adam!

Ook uit de schoot van Kaïn is in de vervloekte diepte een Lamech ont­staan; deze heeft twee broers ver­moord. In de vervloeking waren deze vrouwen godsvruchtig; daarom heeft de Heer ons gewekt om het verlorene te redden. Wees niet boos, Vader, omdat wij volgens de wil van boven handelden, maar zegen wat de Heer gered heeft!"

22. En zie, Adam werd ontroerd en zei: "Wat de Heer heeft gered, dat is al gezegend en dan zou mijn zegen slechts een vergrijp zijn, - maar ga in vrede! Wat God behaagt, hoe zou dat mij kunnen mishagen?! - Bewaar daarom de schatten van de eeuwige liefde en erbarming! Amen."

 

 

Hoofdstuk 39

 

Begin en oorzaak van het verval van de kinderen van de hoogte

 

1. En zie, daarop verlieten zij de stamvader en gingen heen en deze schatten kregen bijna te veel plaats in hun harten, zo erg zelfs, dat er voor Mij maar zeer weinig ruimte over­bleef, hetgeen natUurlijk volstrekt niet meer volgens Mijn ordening was. En zo werd het van lieverlede steeds donkerder in hun hart en zij werden steeds zinnelijker en zinnelijker. En dat werden hun kinderen ook en spoedig was er weinig onderscheid meer tussen hen en de Hanochieten.

2. Daar het de kinderen van Adam opgevallen was, dat deze vrouwen buitengewoon mooi waren, vroegen zij aan de twee, waar deze vrouwen vandaan kwamen.

3. Deze antwoordden: "Uit Ha­nochs diepte; er zijn daar nog vele duizenden die uit het bloed van Kaïn ontsprongen zijn! Ga erheen, verkon­dig daar de naam van de Heer en een­zelfde loon zal jullie deel zijn. Hored ging erheen en werd beloond; wij gin­gen ernaartoe en het loon is ons op het hart gebonden!" - Zij vroegen naar Hored en de beiden antwoord­den: "Broeders, onze liefde heeft ons door haar gezegende zoetheid blind gemaakt; daarom weten wij niet welke kant hij opgegaan is. Maar wij denken dat hij de weg van Ahujel en Aza genomen heeft en jullie weten, dat je daar niet eerder bent dan nadat de zon tachtig maal op - en onderge­gaan is; maar je hebt er weinig aan om hem zijn geluk te benijden, maar er is alles aan gelegen dat jullie de wil van Jehova uitvoeren en heengaan en in Hanoch Zijn heilige naam met kracht laten weerklinken, en je loon zal je niet onthouden worden."

4. En zij die dat vernomen hadden, hun aantal was zeven, begaven zich in de diepte. - Wij willen evenwel van te­voren nog een blik in de diepte van het dal van Hanoch werpen en hen daar opwachten, nog voordat wij hen daar volop laten optreden en ze daar, als niet uit Mijn naam geroepenen, met wereldse oogmerken zullen han­delen.

5. Zie, Lamech had nu niemand meer om hem te troosten. Niets sprak hem aan; de muziek deed zijn gewe­ten sidderen en hij hoorde in de zach­te trillingen alleen de laatste zucht van zijn vermoorde broers en de toon van de fluit sneed hem door zijn ste­nen hart. En dus vervloekte hij Jubal, dat hij zulke ellendige dingen opriep, die hem bij de klank van iedere toon niet alleen zevenenzeventigvoudig doodde, maar hem altijd een dui­zendvoudige dood bereidde. - Om die reden, die steeds weer zijn geweten zo verschrikkelijk verontrustte, moest Jubal het hof verlaten en hij mocht zich niet meer laten zien als zijn leven hem verder nog iets waard was.

6. Ook zijn mooiste bijzitten - al was hun uiterlijk nog zo aantrekkelijk - waren niet meer in staat hem ook maar het geringste genoegen te ver­schaffen, daarom verscheurden zij hun kleren en weenden en treurden. Toen Lamech dat zag, ging hij naar hen toe en zei: "Mijn Ada is weg en mijn Zilla is er niet meer; wat moet ik met jullie? Ga naar de velden en werk, zodat je maag in Hanoch niet leeg wordt en jullie niet aan mijn hof te gronde gaan; want ik heb niemand meer nodig dan alleen mijzelf! Als ik nog macht bezat, dan zouden de zon, de maan en alle sterren voor mijn woede buigen; maar sinds Tatahar ben ik zwak geworden en daarom ben ik niet meer in staat - zelfs door de vele terechtstellingen, die volgens mijn rechtvaardige wetten uitgevoerd zijn - mijn verloren macht weer te herstellen. Daarom wil ik alles verwij­deren en alleen zijn met mijn weinige knechten en raadslieden en overige dienaren en ik wil mijn regering slechts tot mijn stad beperken. Laat al het andere maar wetteloos en vogel­vrij zijn en wie ooit mijn hof zal naderen, zal met de dood bestraft worden!

7. En sta nu op, opdat jullie niet de eersten zijn die dat oordeel zullen ondergaan; en laat niemand het wagen mij ook maar met één woord te antwoorden, als zij niet wil dat ik mijn woede met haar bloed koel!"

8. En zie, plotseling was hij ver­dwenen en de meisjes gingen weg. Het waren er dertig, allen van een buitengewone schoonheid in de leef­tijd van twintig tot veertig jaar. Toen zij buiten gekomen waren, gingen zij op de grond zitten en overlegden onder elkaar wat er nu wel te doen viel, - en zij konden niet tot een bevredigend besluit komen. En zie, terwijl zij over van alles en nog wat piekerden, merkten zij opeens dat zeven grote, zeer krachtige mannen om hen heen stonden en zij schrok­ken erg door de onverwachte verras­sing. Maar toen de mannen hun ver­legenheid opmerkten, spraken zij hen als volgt aan en zeiden:

9. "Vrees niet, jonge, mooie kinde­ren, want jullie zal geen kwaad ge­schieden. Wij komen niet uit Hanoch om je terug te sturen en te doden, maar wij komen van boven van de bergen en willen jullie redden; en als jullie je onder het belijden van de goddelijke naam van Jehova door ons laten zegenen, willen wij jullie, gesterkt door de liefde van God, de boven alles machtige Vader van onze vader Adam, tot onze lieve vrouwen nemen. Maar daarvoor moeten jullie ons volgen naar de hoogten waarheen Naëhme de grote Hored gevolgd is en waarheen Ada en Zilla, de vroeger vrouwen van Lamech, de schrikwek­kende broedermoordenaar, zich met genoegen in de veilige armen van de beide broeders Aholin en Jolliël bege­ven hebben."

10. Toen stonden de meisjes op en zeiden: "Wij zijn met zijn dertigen en jullie zijn slechts met zijn zevenen; als ieder van jullie, zoals wij eens gehoord hebben, maar één vrouw mag nemen, dan is het de vraag wat wij, de overige drieëntwintig, bij jullie zullen doen?"

11. En de zeven zeiden: "Het is niet zoals jullie denken! Alhoewel er in het begin slechts één man en één vrouw door de almachtige liefde van Jehova geschapen werden, zoals ons nog door de onder ons levende stam­vader Adam verteld is, is het toch aan ons, kinderen van God, toegestaan om vier, ook vijf en nog meer vrou­wen te nemen ten behoeve van de voortplanting. Heb daarom maar geen bezwaar, laat je zegenen en volg ons!"

12. En zie, nadat de meisjes dat vernomen hadden, werden zij buiten­gewoon vrolijk en volgden de man­nen op de voet. En toen zij nu de hoogten geheel bestegen hadden, wis­ten de zeven niet hoe zij deze schatten van de liefde onder elkaar zouden ver­delen. Zij vielen neer en smeekten Mij om raad. - En zie, daar kwam Seth naderbij en zei: "Sta op en ver­zoek God niet met een meinedig hart, door de Heilige te vragen hoe jullie een onreine vangst onder elkaar zou­den kunnen verdelen, maar ga naar Adam en berouw daar je geweldige misstap en deel dan de vrouwen, nadat zij door vader Adam gezegend zijn, aan je broeders uit, opdat jullie gerechtvaardigd voor God mogen ver­schijnen; want jullie weten dat God heilig is en dat Zijn land niet ontwijd mag worden door ongehoorzaamheid en door de geilheid van jullie ijdele harten!"

13. En zie, na deze terechtwijzing gingen de zeven met de jonge vrou­wen, door Seth geleid, naar de woning van Adam en vonden hem en Eva tot Mij bidden en zuchten naast Enos ('de prediker van Mijn naam'), die een zoon van Seth was en aan de zijde van Henoch ('de wil van Jehova’), de zeer vrome zoon van Jared. Seth meldde onmiddellijk aan vader Adam wat er was gebeurd en verzocht hem erbarmen te hebben met de nakomelingen van Kaïn om daardoor de ordening die door de zeven verstoord was, weer te herstel­len.

14. Adam echter zei: "O mijn lieve zoon Abel-Seth, - ja, jij bent een getrouw evenbeeld van mijn vrome Abel; jij bent, evenals hij, geheel naar mijn zin vervuld met liefde en dat verheugt mij zeer! Hij zegende uit liefde de moordenaar en jij zoekt zegen voor het bloed van mijn vijand!

15. O, wees duizendvoudig geze­gend, jij door God gewekt zaad en zegen met deze zegen het zo zeer ont­wijde bloed en deel het uit aan de kinderen! En als het de Heer behaagt, dan mag ieder een van de maagden nemen en niet één meer, en dan niet hier in het land van Jehova blijven. Hij moet dertig dagen lang in de rich­ting trekken van de streek waar de zon ondergaat en zich daar in de diepe dalen vestigen en hij mag niet eerder tot de vaderen, die hier wonen, komen dan nadat de zon honderd maal haar kringloop heeft volbracht; want jij, mijn lieve Abel-Seth, vervuld van Jehovas genade, weet toch immers hoe heilig dit oord is, waar Zijn heilige naam zo dikwijls door ieders mond genoemd wordt, waar jouw offeraltaar staat, waar door Enos ook de heilige wil van de allerhoogste, heilige Vader gepredikt wordt en waar Henoch de heilige wil zeer nauwgezet vervult. Handel daarom in de heilige naam van Jehova en in mijn naam, die een heilige naam is, omdat ik deze als eerste ongeboren mens door Gods heilige hand geschapen, uit Zijn zeer heilige mond ontving!

16. Laat de liefde je leiden en de genade je eeuwig begeleiden! Amen!"

17. En zie Enos en Henoch bege­leidden vader Seth uit de hut van Adam naar buiten. En Eva weende van vreugde, omdat zij zag dat Adam zo gelukkig was en zei: "Adam, wat geeft het mij toch altijd een vreugde als je echt gelukkig bent! Maar wan­neer ik in mijzelf terugblik, dan wordt ik weer treurig als ik onder­vind, hoe groot mijn schuld is en hoe­veel boosheid daar reeds uit voortge­komen is; - hoe moet het er dan wel bij de nakomelingen van Kaïn uit­zien! O God! Wat ben ik voor een grote zondares!"

18. Maar Adam antwoordde haar troostend: "Geliefde vrouw, jij mijn tweede ik, je rouw is altijd juist en de Heer welgevallig. Wees daarom rustig van hart en bedenk dat wij zonder God tot niets in staat zijn; maar met God kunnen wij alles, dat heeft Henoch ons geleerd. Daarom kunnen wij zonder God ook nooit volledige rust vinden; daarom ook zullen wij alles aan de Heer offeren. Zie, Hij is machtig, wijs en vol liefde en Hij zal ook het juiste middel vinden om dat weer recht te maken, wat door ons krom geworden is. Wees daarom onbezorgd; de liefde van de Heer zal op zijn tijd alles weer in orde brengen! Amen."

19. En zie, toen dankte de aarts­moeder Adam en hij zegende haar voor de laatste maal in Mijn naam en leefde daarna nog tien jaar, - en zij nog dertig.

20. Seth deed nu wat Adam hem had aangeraden. De zeven begonnen echter te huilen omdat zij weg moes­ten gaan. En Seth betreurde dat in zijn hart en viel neer en smeekte Mij in zijn hart, zeggend: "0 Jehova! Zie de tranen van deze kinderen branden in mijn gemoed en toch is mijn liefde slechts haat vergeleken met Uw oneindig erbarmen! Toon mij door de mond van Henoch wat ik moet doen; of laat mij net als Abel sterven, opdat ik de tranen van de te verbannen kin­deren niet zal zien! 0 Jehova! Verhoor, zoals altijd ook deze keer mijn smeken! Amen."

21. En zie, Henoch keek op naar de hemel en Ik opende zijn mond en hij begon te spreken en zei: "Ik heb mijn oor op aarde te luisteren gelegd en heb de liefde van Seth duidelijk vernomen. Laat het zo zijn, dat de zeven de maagden geven aan hun der­tig broeders die geen vrouw hebben; maar zij moeten nog tien jaar kuis leven, dan mogen zij blijven; indien niet, dan moeten zij voor Mijn aange­zicht vluchten, zoals Adam hen heeft gezegd! Amen."

22. En toen de zeven dat vernomen hadden, werden hun harten opgewekt en vrolijk en zij prezen en loofden God voor zo'n grote genade en brach­ten de maagden met blijdschap naar hun broeders, begeleid door Seth, Henoch en Enos.

23. Maar toen de broeders deze maagden in het oog kregen, schrok­ken zij en wisten niet wat daarvan moest komen en zij weigerden hen aan te nemen. Maar omdat Ik de bereidwilligheid van de zeven be­merkte, sprak Ik door de mond van Henoch:

24. "Ik heb bij de zeven een onbaatzuchtig hart opgemerkt, dat er genoegen in had bij hun broeders vreugde te brengen; behoud daarom de meisjes, die gezegend zijn voor jul­lie hart; voor ieder vier en voor de twee oudsten ieder vijf; maar het gebod van de kuisheid moet gehou­den worden! Amen."

25. En zie, Seth, Enos en Henoch zegenden hen en verlieten hen, terwijl zij Mijn naam prezen en ze gingen heen en vertelden het aan Adam.

 

Hoofdstuk 40

 

Adam’s rede over zijn val

 

1. En toen Adam dat van Seth, Enos en de vrome Henoch vernomen had, was hij zeer verheugd, omdat hij zag hoe ver Mijn liefde boven de lief­de van alle mensen verheven is. En hij verwonderde zich niet weinig toen hij daardoor gewaar werd dat Mijn liefde zelfs in de diepte van de vloek naar het gladde addergebroed afgedaald was, en hij sprak, daarover ten diepste geroerd, de volgende korte rede uit. Deze toespraak was daarna nog lang beroemd en is tot aan de zondvloed bewaard gebleven, zij werd echter niet opgetekend, maar verspreidde zich van mond tot mond. Deze rede luid­de als volgt:

2. "O mijn kinderen! Doe jullie ogen wijd open en omvat de uitge­strekte vlakten van de aarde, die nu, zover je blik reikt, reeds bijna overal bezaaid zijn met mijn gezegende kin­deren! Blik omlaag in de diepte en overzie al die donkere, uitgestrekte dalen en zie in de richting van de morgen gindse zeer hoge, steeds bran­dende berg! Omvat de hele aarde als je dat kunt en kijk naar mij, de eerste mens van deze aarde, - ja, wat zeg ik, zie mij als degene die de eerste zou moeten zijn die in de geest aan al het geschapene als schepsel vooraf ging en sterker straalde dan het centrum van de zonnen en groter wilde zijn dan God! En God toonde mij de macht van Zijn heiligheid en ik werd ver­doemd en werd in de oneindige diep­ten van Gods zee van toorn geworpen en werd daar door de oneindige diep­ten van de ene toorn in de andere geslingerd. Ja, er konden toen wel eeuwigheden na eeuwigheden verstre­ken zijn; maar er was desondanks in de wijde onmetelijkheid geen plekje meer te vinden, waar ik ergens in dit grote niets een rustpunt zou hebben kunnen vinden.

3. En toen ik zo van de ene onein­digheid in de andere steeds verder en verder viel, eeuwig, eeuwig en al maar door, toen begon ik de grootte en de oneindig en eeuwig voortdurende macht van God in te zien en mijn ijdel streven werd mij duidelijk.

4. Maar ik dacht bij mijzelf: 'Wat voor nut heeft dit inzicht nu? Ik ben te ver verwijderd van God en Hij kan onmogelijk meer iets van mij weten; want in dit eindeloze niets heerst niets anders dan eeuwige godverge­tenheid. Eeuwig ben ik van toorn naar toorn gevallen, waar eindeloze vuurstromen voortdurend tegen mijn voorhoofd sloegen en brede vlam­mentongen aan mijn ingewanden lek­ten en mij meer verbrandden dan wit­gloeiende bronzen platen; nu ben ik zelfs eeuwigheden diep onder deze stromen van toorn gezonken. Waar is de vertoornde God nu en waar ben ik? - Hier heerst overal lege, oneindi­ge nacht!'

5. En zie, toen zulke gedachten van berouw zich in mij afwisselden, ont­waarde ik opeens een wezen dat op mij leek en dat mij achterna zweefde vanuit de eeuwige hoogten. Het wezen bereikte mij bliksemsnel, greep mij met machtige hand vast en keek mij aan met een zachte glimlach en zei: 'Lucifer, jij arme gevallen geest, ken je Mij?'

6. En ik antwoordde: 'Hoe zou ik jou kunnen herkennen in dit duistere niets, zonder schepselen?! Kun je mij echter vernietigen en gelijk maken met hetgeen nooit was, niet is en nooit meer zal zijn, doe dat dan en ik wil je bij voorbaat danken, zodat je na mijn vernietiging niet zonder dank zult terugkeren naar jouw mij onbe­kende hoogten uit dit oord zonder enig wezen!'

7. En luister, het wezen zei: 'Hoor! Niet vernietigen zal ik je, maar je behouden en je langs onbekende wegen daarheen terugvoeren vanwaar je vol zondige hoogmoed bent wegge­gaan!'

8. En ik zei: 'Doe wat je kunt, maar denk aan de grootte van Gods toorn! Want ik was groot en ben teniet gedaan; bedenk daarbij - mocht je op enigerlei wijze groter zijn dan ik, dat God eeuwig en oneindig is en vol van vlammende woedende toorn!'

9. En het wezen antwoordde: 'Heb jij dan nooit ook de liefde in God gemeten? - Zie, ook al zijn de toorn­vloeden groot, Zijn liefde reikt zelfs nog daar, waar de diepe stromen van toorn voor eeuwig onder de eindeloze zomen van de oneindigheid ver­droogd zijn en waar een tweede oneindigheid begint!'

10. Daarop antwoordde ik: 'Zie, toen ik nog een vorst van al het licht was, werd mij een mat vlammetje getoond. Dit zou ik hebben moeten aanbidden; want het zou de eeuwige liefde van God zijn. In mijn stralende luister kon ik dat niet geloven en beschouwde mij ver verheven boven dat matte vlammetje. En zie, toen werd ik vanuit mijn lichtende verhe­venheid door boosheid gegrepen. Ik ontvlamde nog heviger en wilde met mijn licht het vlammetje geheel en al vernietigen; maar toen omvatte de goddelijke toorn mij en ik werd hier­heen geslingerd in deze eeuwig duis­tere leegte, die ik pas na eeuwigheden bereikt heb.'

11. En zie, toen zag ik opeens het vlammetje boven het hoofd van dit wezen zweven en het wezen sprak mij weer aan: 'Lucifer, herken je Mij nu?' - En ik antwoordde: 'Ja, Heer, ik her­ken U; U bent Gods liefde en U reikt verder dan zijn oneindige vloed van toorn. Zie mij aan in Uw genade en geef mij een vast plekje, opdat ik rust mag vinden in deze eeuwige leegte!'

12. En zie, toen rolde er een traan uit het heldere oog van de eeuwige Liefde in de duistere ruimte van de eeuwigheid en werd tot een groot water. En de Liefde ademde over het grote water in de diepte en de wateren splitsten zich en uit het water ont­stonden talloze druppels. En het vlammetje boven het hoofd van de eeuwige Liefde nam op hetzelfde ogenblik in omvang toe en ontstak de druppeltjes en die werden talloze grote zonnen; uit de zonnen sproei­den in de warmte van de eeuwige Liefde planeten, en uit deze hun manen.

13. En zie, vanuit het midden van Gods traan dreef deze aarde op mij toe en de Liefde zegende haar en ademde op haar en de aarde bloeide als een tuin en was glad, mooi en vlak; maar er was nog geen levend wezen op te ontwaren. Maar de Liefde zag de aarde aan en op het vaste land zowel als in de lucht, even­als in de zeeën en andere wateren, wemelde het van allerlei soorten leven.

14. Zie, dat zag ik allemaal en ik ben door de bijzondere genade van de Heer mij nu volledig daarvan bewust. - Toen nu de aarde overeenkomstig de eeuwige ordening geleidelijk aan en volgens de wil van de liefde van God zo bewerkt was, richtte de Liefde haar ogen omhoog naar God en zei:

15. 'Laat, Gij heilige machten van de Vader, Ons de mens maken en hem een levende ziel geven, opdat datgene wat gevallen is een rustpunt moge vinden en zich zal verdeemoe­digen voor U en Mij en voor alle macht van Onze heiligheid!'

16. Toen donderde het uit de met vuur gevulde eeuwige ruimten en de donder was de stem van God en alleen de Liefde verstond deze stem. Zij vormde daarop uit fijne leem ­ziehier - deze voeten, die mij reeds negenhonderd jaar dragen, mijn han­den en - kortom, zoals ik voor jullie sta, zo vormde de eeuwige Liefde mij!

17. En alras stond ik daar. Maar nog was ik dood en er was leven noch beweging in mij te bekennen. Toen boog de eeuwige Liefde zich over deze dode vorm en blies met de levende adem een levende ziel door de neus­gaten in zijn innerlijke organen; en zie, toen kwam ik tot leven, zoals ik nu ben, de eerste mens van de wijde wereld. Ik bekeek de grote schepping en ondervond geen vreugde aan haar; ik werd moe van mijn wonderbaarlij­ke bestaan en ik kon niet begrijpen hoe, wanneer, als wat, waarom en vanwaar ik gekomen ben; want mijn met leven bezielde vorm kon de scheppende eeuwige Liefde niet zien.

18. En zie, toen liet de eeuwige Liefde de gestalte in zijn eerste slaap verzinken en zei tegen mij: 'Zie hier, jouw rustplaats! Trek binnen in het hart van deze levende woning; want voor jou heb ik haar goed toebereid. In haar zul je een dichtbeschreven bord vinden, waarop de wil van God met grote vurige streken opgetekend zal zijn; daarop moet jij je bezinnen en je eigen wil wegnemen en daar­voor in de plaats de wil van God opnemen!

19. Zie, dat is de onbekende weg waarlangs Ik je wil terugvoeren! Kijk nooit naar jezelf, maar steeds naar de tekst van God; dan zul je met Mij eeuwig leven en vanaf een troon over de oneindigheid heersen! Maar o wee, als je nog eens valt; dan zal de Liefde je zelfs nog tot vloek worden en Ik zal de mensen een andere geest geven, die in de eerste plaats van Mij uit zal gaan, - maar jij zult dan opnieuw dit rustpunt van eeuwigheid tot eeuwig­heid moeten verlaten en jou zal nim­mer een andere tijd gegeven worden dan het eeuwige vuur in de toorn van God en in de vervloeking van de Liefde!

20. Bedenk daarom wat dat bete­kent! De toorn van God kan verzacht worden indien de Liefde tussenbeide komt; maar indien de Liefde zelf een vloek over jou laat komen, wie zal jou dan wel beschermen tegen de eeuwige woede van de Godheid en wie zal de middelaar tussen de toorn van God en jou zijn? Ik zeg je; niets anders ­dan het gericht en de verdoemenis! Want jij bent een werk van God van­uit Mij. Waar is echter het wezen dat Gods heerlijkheid aan zou kunnen raken? Want of een werk zal ontstaan volgens de wil van de vrije macht van de eeuwige heiligheid van God - want daarom werd aan jou een vrije wil gegeven, opdat jij de wil van de eeu­wige macht van God in je zou kun­nen herkennen -, of, als je dat echter

niet wilt, is er niets aan jou gelegen en dan zul je de oneindige macht van God leren kennen wanneer zij je zal verbannen in de eeuwig brandende nietigheid.

21. Want bij God is geen enkel wezen van enig belang en er is Hem ook ten eeuwigen dage niets gelegen aan miljarden van zulke geesten, zoals jij er een bent; want Hij is bij machte op ieder ogenblik talloze miljarden nog grotere geesten dan jij te voor­schijn te roepen om ze daarna weer voor eeuwig te vernietigen, als zij niet overeenkomen met Zijn eeuwige heerlijkheid!

22. Bedenk daarom, wat God is en wat Hij wil en wat jij bent en wat jij met de aan jou verleende vrije wil zult willen, opdat de grote heerlijkheid van God in jou openbaar zal mogen worden en zodoende ook in allen die uit jou zijn voortgekomen en in jou en met jou zijn gevallen!

23. Zie het wijde graf van de aarde en ook dat van alle talloze sterrenwe­relden! Ik neem van jou de grote last af van de met jou gevallen geesten en leg die nu in de aarde en in alle ster­ren, en er zal geen stofje nutteloos rondzweven, het zal tot zijn tijd geko­men is een levend wezen in zich ber­gen, aan jou gelijk'

24. En zie, toen nam de Liefde de geest en legde die in de slapende gestalte; en het beviel de geest goed in mij, want hij zag dat hij welgeborgen was en dat hij van zo'n grote last die hij zo lang had moeten dragen, bevrijd was; maar nu werd hij in de levende woning gedragen, die de eeu­wige Liefde bereid had.

25. En toen ik op deze manier één geworden was met de geest, zie, toen wekte de eeuwige Liefde mij. Ik ont­waakte en stond als een enkel mens in het aangezicht van de gehele onmete­lijke schepping en zag niemand anders dan mijzelf, het gras van de aarde en haar struiken en bomen en ook de lichtende zon aan het verre, blauwe uitspansel. Toen werd ik bang. Ik verliet de plek en zocht naar gezel­schap en vond ook niet één wezen dat op mij leek.

26. En toen ik moe werd van het zoeken, viel ik weer op aarde neer en een zoete slaap overmande mij. En zie, in deze slaap had ik de volgende droom: in het midden van mijn hart zag ik een oneindig bekoorlijk wezen en dit wezen in mij sprak tot mij:

27. 'Bekijk mij en zie hoe mooi en bekoorlijk ik ben en hoe ik een vorm als de jouwe heb en die goed kan overzien! Ook al was eens mijn gestal­te slechts een groot licht dat zijn stra­len door de eindeloze ruimten zond en zichzelf verloor in zo' n bovenmati­ge grootte, toch kon ik nooit mijn eigen vorm aanschouwen, maar ik was zelf licht, waarin zich talloze vor­men onthulden. De vormen, waarin ik mij oneindigvoudig vermenigvul­digd zag en waarin ik mij goed voel­de, zijn mij ontnomen; maar daar­voor in de plaats is mij nu zelf een vorm gegeven en deze vorm is mooier dan al mijn vroegere licht, en ik heb zo'n welgevallen aan mijzelf in deze vorm, dat ik een grote vreugde aan mijzelf heb en mijzelf liefheb en ik word door jou bemind, en heb een grote begeerte in mij tot mijzelf en kan jou naar mij toetrekken wanneer ik wil, en jij moet altijd de aantrek­kingskracht van mijn begeerte vol­gen!'

28. En zie, ik had in mij werkelijk een groot welbehagen aan mijzelf. En toen ik zo in dit behagen steeds vaster en vaster sliep, zag ik een lichte hand dwars door mij heen grijpen tot in het midden van mijn hart en mijn tweede ik vasthouden. Deze verzette zich aanvankelijk, maar was spoedig door de machtige vingers van de lief­de van Jehova overmeesterd; want de lichte hand was de hand van de eeu­wige Liefde.

29. Vlug brak de machtige vinger van God een rib van mijn tweede ik, greep in diens binnenste, haalde een worm uit zijn binnenste en sloot ten­slotte weer de plaats waar de machtige vinger van de Heer zich een weg had gebaand om de zichzelf beminnende begeerte weg te nemen. Daarna zag mijn tweede ik er echter niet zo bekoorlijk meer uit als tevoren; zijn vorm was aan de mijne gelijk en ik ondervond niet meer de aantrekking ervan, maar wij beiden werden door de eeuwige Liefde aangetrokken. Toen zag ik de geest in een sluimering geraken en in deze sluimering loste hij zich op en ging in mijn gehele lichaam over en wij werden volkomen één.

30. Terwijl ik daar nog over droomde, zie, toen werd ik opeens door een zachte stem gewekt en deze stem was een stem van de Heer die zei: 'Adam, zoon van de aarde, ont­waak en kijk naar je helpster!' - En ik zag Eva voor mij en had uitermate veel vreugde; want ik zag mijn tweede ik dat uit mij was getreden en deze vreugde was de eerste liefde die ik, de eerste ongeboren mens, ondervond en ik zag voor de eerste maal mijn geliefde vrouw - en mijn liefde was zuiver in de reine schoot van de eeu­wige liefde van God in alle volheid van het eerste leven!

31. En zie verder, ik leefde drie dagen en drie nachten met zulke zoete gevoelens. Maar toen onder­vond ik opeens een zekere leegte in mij en ik wist niet wat ik daaruit zou hebben moeten opmaken, of wat er van moest of kon komen!

32. Om mijn hart ontstond een woestenij en mijn mond werd droog, - en zie, toen stond opeens de eeuwi­ge Liefde voor mij, die mij vol mild­heid en liefdevol aanzag. Zij beadem­de en sterkte mij en zei: 'Adam, kijk, je hebt honger en je verlangt naar eten en drinken en jouw liefde, die 'Eva' zal heten, niet minder. - Kijk naar de bomen, die Ik nu zal zegenen; eet de vruchten daarvan ter sterking van jullie lichaam en van jullie zielen. Maar van die boom daar midden in de tuin mogen jullie niet eten, voor Ik weer zal terugkomen en jullie en de boom zal zegenen; want op de dag dat je van de boom zult eten, zal ook de dood bij je binnen treden. Je zult wel­iswaar in verzoeking komen; maar wees tot drie maal toe standvastig, dan zul je de worm van de dood, die aan die boom knaagt, te gronde rich­ten. Je zult Eva zuiveren en jezelf en haar en allen die uit jou voortkwamen en voortkomen, een volledig vrij, zalig, eeuwig leven in God bezorgen.

33. Zie, daarom maakte Ik de tijd, opdat jouw beproeving slechts kort zou duren, - maar dat door strijd ver­kregen leven duurt eeuwig!

34. Zie, jij hoeft niet met een vreemde macht te strijden, maar met jezelf; want Ik heb alles aan jou ondergeschikt gemaakt, maar alleen jezelf kon en mocht Ik niet tot onderdaan maken, opdat je leven van jezelf zou worden. Daarom, minacht dit gemakkelijke gebod niet en verhef je boven jezelf, opdat je eeuwig zult mogen leven!

35. Zie, van oorsprong is de worm het boze in jou en draagt de angel des doods in zich; bijt daarom niet in de angel van de worm, die ik jou vóór Eva uit je hart heb genomen terwijl je sliep en daaruit vormde Ik Eva, die je liefhebt omdat zij uit jouw liefde ont­stond en haar vlees ontstond uit jouw begeerte en in haar bleef de wortel van de dood, die jij tot leven moet wekken door je gehoorzaamheid!

36. Geliefde Adam, zie, Ik, de eeu­wige Liefde van God, uit wie al het leven stroomt, vraag dit van je: bederf voor Mij niet het grote werk dat Ik aan jou verrichtte! Je weet immers welke lange tijd der tijden er vervlo­gen is, sinds Ik je opving tijdens de eeuwige val van het leven naar de dood! Zie, er zouden wel een miljard aardse jaren verstreken kunnen zijn, als er toen reeds tijd zou hebben bestaan en Ik schuwde niets om jou, lieve geschapen broeder, te redden; maar omdat Ik al zoveel deed, doe jij dan nog het weinige en geef in jou aan Mij Mijn geliefde broeder terug, opdat wij voor eeuwig in God, onze heilige Vader, weer één liefde mogen worden. Amen'.

37. En zie, toen verliet de Liefde mij. Ik echter at en dronk en sterkte me - tot ongehoorzaamheid! 0 kin­deren, luister, ik gehoorzaamde de eeuwige Liefde niet!

38. De aarde kan jullie de grootte van mijn wandaad vertellen; want er bleef niet een steen op de andere en de oneindigheid was met het grote geweld van Gods toorn vervuld!

39. Ik verborg me en weende bitte­re tranen van berouw; en de eeuwige Liefde versmaadde mijn tranen niet en de tranen van Eva waren aange­naam voor Haar. O kinderen, luister, de Liefde maakte alles weer goed! - Ik faalde op een sabbat wederom en weende luid over mijn verdorvenheid. En zie, de Liefde zond een engel en liet mij uit de tuin der verleiding in een land leiden, dat Seth nog heel goed kent, in een land om te verbete­ren, maar ook een land van treurnis ­en toen weer in een land van vreugde. Want toen ik de vloek van Kaïn weg­nam, die door mijn angel des doods was verdorven omdat hij ontstaan was uit het sap van de appel die door de worm des doods bezoedeld was, toen gaf de Liefde van de Heer mij mijn lieve Abel-Seth, - en nu honderd jaar geleden leidde de nieuwe engel van de eeuwige Liefde van de Heer ons hier­heen in het land van de erkenning van God en Zijn eeuwige waarheid, waar Abel het zwaard plantte en de rode en witte bessen van de struik plukte!

40. Zie nu, kinderen, wat de onmetelijke Liefde van God allemaal voor mij en voor jullie tezamen gedaan heeft, nog doet en eeuwig zal doen! Wees daarom vrolijk als de eeu­wige Liefde ook de kinderen van Kaïn bezoekt; maar niemand van ons mag daarheen trekken zonder het uitdruk­kelijke gebod van de Heer, want het aardrijk daar bestaat uit de uitwerpse­len van de wormen! Daarom, als de Heer niet vantevoren iemand geze­gend heeft, laat hij het dan niet wagen erheen te gaan! Want al het slechte schuilt nu in de vrouwen van de diepte; daarom verontreinig je niet met hen! Amen."

 

Hoofdstuk 41

 

De benoeming van Henoch tot prediker

 

1. En toen nu Adam deze door Mijn bijzondere toelating gekregen rede had beëindigd, werd ter wille van zijn zielenheil zijn innerlijk weer afge­sloten. Seth, Enos en Henoch ver­wonderden zich buitengewoon. Zij konden de diepere zin van deze woor­den niet begrijpen en vroegen aan Adam wat hij er mee had willen zeg­gen.

2. Hij keek hen verbaasd aan en wist nauwelijks dat hij over iets gesproken had en vroeg daarentegen aan hen, wat hij dan eigenlijk gezegd had.

3. Seth zei daarop: "O vader, zie, je hebt ons jouw wonderbaarlijke wor­ding vanaf de aanvang van alle wezen­lijkheid onthuld en ons de onbegrij­pelijke leiding van de eeuwige Liefde getoond. Wij begrepen het niet en wilden je om een nadere uitleg vra­gen; vergeef ons daarom de misstap van onze nieuwsgierigheid! Wie zou ook niet stomverbaasd zijn over zulke dingen, die zojuist vanuit jouw mond tot onze oren doordrongen?!"

4. Adam kwam overeind en zei opgewonden: "Als jullie wonderbaar­lijke zaken vernomen hebben, denk er dan aan, dat zij van de Heer stammen en niet vanuit mij voortkomen, en dan weten jullie ook Wie dank en eer toekomt!

5. Daarom, loof de Heer, omdat Hij de hoogste liefde en wijsheid in alle heiligheid Zelf is en bedenk dat een mens aan andere mensen niets kan geven dan dat wat hij tevoren van de liefde van de Heer heeft ontvan­gen, omdat Hij de enige Gever van alle goede gaven is! Als ik jullie iets goeds gegeven heb, dan heb niet ik, maar heeft de Heer je dat gegeven. Ontbreekt het je aan licht, kijk omhoog naar het licht van de hemel en dan zullen jullie immers heel gemakkelijk erkennen waar het licht der lichten onophoudelijk uit stroomt; want waar iemand een geschenk gegeven wordt, daar is ook de grote, heilige Gever niet ver weg. Daarom zoek Hem en jullie zullen Hem ook wel vinden en begrip voor Zijn genade zal niet achterwege blij­ven!

6. Neem dit goed ter harte; want Adam, jullie aller vader, verkondigt je nu, zoals hij al eerder deed, de ont­wikkelingsgang van de schepping (dat betekent de overgang van het ont­staan van Lucifer tot Adam) uit de neerdalende grote genade van de eeu­wige, boven alles heilige en goede Vader! Daar de heilige Liefdevolle het Zijne deed, doen jullie dan ook het­geen van je gevraagd wordt en gehoorzaam in alle dingen! Amen."

7. En zie, toen bogen zij voor Adam, gingen heen en bespraken onderweg wat er wel te doen viel. En Henoch, de jongste van hen allen, die toch al vanwege zijn bijzondere vroomheid een verkondiger van Mijn naam was, nam het woord en zei tegen zijn vaderen:

8. "Vaderen! Adam, ons aller aardse vader, heeft woorden vol wijsheid en diepe zin gesproken. Wij begrepen die niet; want hij sprak en wist niet, dat hij zo gesproken had. Want als hij als mens gesproken had, zouden wij als mensen hem dan niet hebben kunnen begrijpen? Maar omdat hij ­weliswaar op menselijke wijze - uit naam van God met de tong van de geest over dingen sprak die een getui­genis waren van de liefde in en uit God, kon ons vleselijke wezen niets begrijpen van al datgene wat godde­lijk en van de geest van de liefde is.

9. Daar het echter nu gezegd werd vanuit de geest van de liefde volgens Jehova's heilige raadsbesluit, moest het gezegd worden ter verheerlijking van de meest heilige naam. Door onze kortzichtigheid begrepen wij het immers niet; maar er is er Eén, die het begrijpt en deze Ene is de eeuwige liefde van de Heer; uit Haar is alles wat bestaat voortgekomen en dus ook onze liefde tot Haar. En zo voel ik dat iemand, indien hij zijn liefde keer op keer alle delen van zijn wezen zou laten doorstromen ter eeuwige liefde uit God en in God, dergelijke woor­den van wijsheid zou begrijpen; want de liefde is de wortel van alle wijsheid en er is geen andere wijsheid dan slechts in de liefde tot de liefde in God.

10. Vandaar, o vaderen, hebben wij onze wortels uit God; laten wij deze door laten schieten tot in alle delen van ons leven en mijn ondervinding zegt mij luid en duidelijk, dat ons uit het genademeer van de eeuwige liefde nog zeer veel en zeer grote dingen aangeboden zullen worden, die nog groter, dieper en meer verheven zul­len zijn dan hetgeen Adam aan ons

vertelde. Uit Adam en Eva zijn wij geboren: daarom hebben wij veel vlees, maar weinig begrip vanuit het hart. Maar als er eens mensen uit de reine liefde van God zouden kunnen geboren worden, zal voor hen ons begrijpen tot speelgoed worden."

11. En zie, deze korte leerrijke woorden bevielen Seth en Enos zeer goed, zo zelfs, dat Enos zich tot Seth wendde en zei: "Vader Seth, Henoch heeft een dusdanige rede vol geheime betekenissen uitgesproken, dat deze mij als een vuurstroom door merg en been ging en mijn hart huiverde van de geheime wijsheid van de goddelij­ke liefde in hem.

12. Luister, vader, zijn innerlijk gevoel is waar, omdat daaruit zijn gehele wezen in de zuiverste liefde en vol deemoed spreekt; daarom zal hij voortaan voor iedereen een leraar in de geheime wijsheid van de eeuwige liefde zijn voor al onze broeders en kinderen. Want ofschoon de Heer ieder de liefde en het begrip van het hart als zuiver geschenk uit Zichzelf gaf, is het anderzijds toch ook over­duidelijk dat niet ieder van ons een even grote last kan tillen en de een heeft meer kracht in zijn voeten, de ander in zijn handen, een ander in zijn borst, een ander in zijn rug en weer een ander in zijn innerlijke orga­nen en de een in dit en de ander in dat. Ook heeft weliswaar iedereen een menselijk gezicht en toch ziet niet een er net zo uit als de ander. En daarmee bedoel ik dan ook: Henoch heeft grote macht en kracht in zijn hart en niemand zal daarin op hem lijken; want men kan niet zoveel liefde heb­ben als men wil, maar zoveel als de Heer hem geschonken heeft. Aan iedereen heeft Hij weliswaar liefde gegeven, maar wat dat betreft zijn zij niet allemaal gelijk; daarom moet ook het inzicht verschillen, opdat de ene broeder de andere nodig zal hebben, waardoor dan weer alles in evenwicht gebracht wordt, wat de Heer zo vol wijsheid verschillend heeft laten ont­staan.

13. En jij, Henoch, die nu mijn woorden wel goed begrepen zult heb­ben, zeg mij eens, is het niet zo, of

kan of moet of mag het anders zijn? Jouw hart is sterk en jouw verstand stelt het mijne ver in de schaduw; daarom spreek en leer ons de juiste weg van de Heer en toon ons allen Zijn onbegrijpelijke stappen en leer ons hoe de rechtvaardige, meest heili­ge naam van de Heer naar behoren te loven en te prijzen, zoals het zich be­taamt voor ons kinderen van Zijn eeuwige liefde en daardoor kinderen van onze oude vader! Amen."

14. En zie, toen de vrome Henoch zulke waardige en verheven woorden uit de mond van Enos had vernomen, vroeg hij de beide vaderen: "Past het een zwak kind eigenlijk wel voor die­genen te prediken van wie hij nog zo veel te leren heeft?"

15. Maar Seth en Enos gingen daar tegenin en zeiden: "Beste Henoch, weet jij dan niet wat Adam ons dik­wijls geleerd heeft?! De vaderen heb­ben slechts met de zegen van de Heer in de lichamen van hun kinderen woningen voor onze jongere broeders verwekt; maar omdat wij verwekkers van de lichamen zijn en niet eveneens van de liefde, die een levende geest vanuit de liefde van God is, zijn wij in de liefde immers niets anders dan lou­ter broeders en zusters onder elkaar en zijn zodoende veel meer kinderen van een en dezelfde meest heilige Vader in de hemelen van de hoogte, die een eeuwige woonplaats is van de heiligheid van God, die een ware Vader van ons allen is. Predik daarom maar verder vanuit jouw liefde en wees ervan verzekerd: wij zullen met de genade van God de tong van de broeder en die van het kind goed onderscheiden; want indien iemand de liefde predikt, spreekt hij als een broeder uit het hart van de eeuwige liefde en zijn woord zal zijn als een opgaande zon, waarvan het licht met haar warmte de nevelen uit de donke­re voren van de aarde verjaagt. Degene echter die slechts zou predi­ken vanuit de aan hem verleende wijsheid, diens leer zou als het licht van de middagzon zijn, waarvan het licht niet meer verwarmt, maar slechts geweldig en onverdraaglijk brandt en men voor de uiterst felle stralen graag zou willen vluchten naar de diepste schaduw uit vrees voor zulke brandende stralen!

16. Maar jij, Henoch, hebt een grote bron van liefde en niet van de naakte wijsheid in je; laat daarom jouw goddelijke morgenzon over ons, jouw broeders in God, opgaan!"

17. En Henoch antwoordde: "Lieve vaderen, als dat zo is, terwijl mijn gevoel vanuit God het mij ook zegt dat het zo is, dan hebben jullie geheel juist gesproken; maar één ding heb je vergeten en dat is van groot belang en luidt als volgt: ieder kan ter ere van God spreken en handelen zoals hijzelf wenst; maar in Zijn naam prediken mag slechts diegene die het van boven gegeven werd. Mij is het echter door jullie gegeven, maar nog niet van boven; daarom predik ik alleen voor jullie. Maar als het mij ook van boven gegeven wordt, pas dan kan en mag ik voor alle broeders over de grote kracht van de naam van de eeuwige Liefde preken. Maar wat de betamelijkheid van het prijzen van de grote Naam betreft, weten jullie lieve vaderen immers toch al welke prijs en welke lof de Heer het aange­naamste is en jullie weten ook, dat woorden of gebaren of gedachten of zekere ceremoniële gebruiken zo goed als niets voorstellen en dat alleen lief­de en gehoorzaamheid het meest wel­gevallige offer is dat wij mensen in staat zijn Hem te brengen! - Hij, die ons aller God en Vader is, weet pre­cies wat Hij met ons wil; laat daarom altijd Zijn heilige wil geschieden! Amen."

18. "Ja," zei Seth, "lieve Henoch, ook deze toespraak was vol van wijs­heid vanuit de oneindige liefde van de Heer en leek op een mooie morgen, die in jou opgaat en onze rimpels zacht verlicht. Zie, Henoch, alle waarheid is een licht dat uitgaat van de zachte vlam van de eeuwige Liefde en dit allermooiste, heerlijkste licht is de ware ochtendzon van het hart; ja, het is het enige licht en buiten dit licht is er geen licht en zelfs het licht van de zon is slechts een matte weer­schijn van dit heerlijke, enige licht van de eeuwige Liefde. Zie, dit licht schijnt zo mild in jouw hart; het ver­kwikt ons altijd en verwarmt onze harten met grote gedachten, de heili­ge Vader waardig. Ja, als jij spreekt, komt het mij voor alsof ik geluiden hoor uit een wereld die eens voor onze verre nakomelingen als een grote stroom van licht uit de eeuwige mor­gen van God zal opgaan; - zie, zo zeer verkwikt ons het spreken van jouw hart. Zwijg daarom niet, maar spreek en laat je hart de vrije loop en toon ons wat ik en Enos wensen!"

19. En toen Henoch dat gehoord had, keek hij op naar de hemel en sprak als volgt zachtjes in zijn hart tot Mij: "Heilige Vader, zie genadig op mij, Uw zwakke kind, neer! Zie, ik zou moeten geven, maar heb niets anders dan mijn liefde tot U! O Vader, zie, wij zijn allemaal stoffige wormen voor U, Gij almachtige, eeu­wige, heilige Vader! Er is niets goed aan ons dan alleen onze liefde voor U, die vooraf uit U in ons kwam. Laat ons U door deze liefde in ons, o goede, heilige Vader, met al onze krachten buitensporig liefhebben! Want hoe kan ik, zwakkeling, spre­ken, als mijn liefde tot U mij altijd mijn tong verlamt, - daarom kan ik ook, zoals U weet, U loven noch prij­zen, omdat de liefde tot U mijn tong verlamt.

20. O Vader, zie daarom genadig op mij, stoffige worm, neer en maak mijn tong los, indien dat Uw heilige wil is, zodat ik in het aangezicht van mijn vaderen, broeders en kinderen in staat ben te spreken ter verheerlij­king van Uw naam! - U weet dat Enos, Kenan, Mahalaleël en mijn vader Jared altijd de grote heerlijkheid van Uw allerheiligste naam gepredikt hebben; O laat mij daarom geen onwaardige zoon van mijn vrome vaderen zijn!"

21. En zie, toen nu Henoch zulk een stil gebed in zijn liefhebbende hart gesproken had, hetgeen een waarachtig gebed was dat Mij alleen daarom al aangenaam was en eeuwig aangenaam zal blijven, omdat het een terecht gebed was, liet Ik meteen een engel naar de aarde afdalen om daar zijn broeder Henoch te sterken en liet Ik hem zijn tong geheel losmaken. En nadat dit gebeurd was, zie, toen ver­mande Henoch zich vanuit zijn liefde en sprak als volgt:

22. "O lieve vaderen en lievelingen van God, zie, de liefde tot God heeft mij gedurende korte tijd blind, doof en stom gemaakt; de Heer heeft mij in mijn liefde aangezien en Zijn onmetelijke liefde heeft mij gesterkt en mijn matte tong los gemaakt. Zie, dat alles heeft de eeuwige Liefde zojuist gedaan. Nu pas kan en mag ik spreken; verneem daarom de lofprij­zing van de heilige Vader.

23. Zie, de Heer, die vol liefde is, wil dat de mens Hem uit al zijn krachten liefheeft; want er bestaat nergens anders een macht of kracht dan alleen in God. En zo is alle kracht in de mens slechts een kracht van de liefde uit God en deze kracht is ons in ons hart gelegd, en deze kracht is geen andere dan de Liefde zelf. Omdat wij nu de liefde hebben, mogen wij die niet houden, maar haar aan Hem offeren, die haar vanuit Zijn genade op een wonderbaarlijke wijze zo over­vloedig in ons hart gelegd heeft.

24. Zie, wij hebben niets wat wij aan de Heer zouden kunnen geven, dat wij niet tevoren van Hem ontvan­gen hebben; en welke vreugde zouden wij Hem verschaffen, ook al zouden wij in staat zijn Hem de hele aarde, ja de gehele wereld te geven?! Hij zou tegen ons zeggen: 'Kinderen, daar heb Ik nimmer behoefte aan; want als Ik plezier zou hebben in werelden, dan kon Ik er op ieder ogenblik talloze miljarden voor Mijzelf scheppen en Ik zou er voor de eeuwigheid der eeu­wigheden voldoende ruimte voor hebben. Maar Ik heb geen vreugde aan jullie offers, die uit materie voor Mij gemaakt zijn, wat een huis des doods is; Ik verheug Mij alleen over een boetvaardig, berouwvol hart, dat Mij liefheeft. Dat is hetgeen geheel van jullie is als een vrij geschenk van Mij; dat hebben jullie volledig in eigendom. Als je wilt kun je het aan Mij teruggeven en Ik zal daar intrek­ken met Mijn genade, en jullie zullen dan eeuwig met de genade in Mijn eeuwige liefde leven en alle dingen zullen zo helder worden als een drup­pel water. Als jullie echter zelf in je hart gaan wonen en dan de deur voor Mij vergrendelen, zodat Ik niet bin­nen kan komen wanneer Ik dat wil, dan zullen jullie al spoedig het levens­brood dat in je is, verteerd hebben; en omdat Ik als enige Gever van het levensbrood met Mijn leven gevende gave niet meer binnengelaten word, zal ook weldra de eeuwige dood het onvermijdelijke gevolg van de eigen­liefde en de zelfzucht in je worden!

25. Want zie', zegt de Heer verder, 'Ik schep geen vreugde in het nemen, maar Mijn grootste zaligheid bestaat geheel alleen uit altijddurend geven! Wie ontvangen wil, laat die altijd gewillig nemen als Ik hem geef en laat zijn hart zich vullen met Mijn gena­de, opdat eens Mijn volle liefde daar­in haar intrek zal nemen; want wiens hart niet geheel met Mijn liefde ver­vuld wordt, zal nooit het leven in zich proeven, maar de dood zal hem geheel en al gevangen nemen. Want nu is het de tijd, dat Ik vooraf aan ieder de genade geef en dan pas, vanaf

de grote tijd der tijden, de liefde uit Mij; maar daarna zal de liefde de eer­ste zijn en degene die de liefde niet zal hebben, zal geen deel hebben aan het licht van de genade, maar dan zal het licht van de wereld een ieder te gron­de richten!'

26. En zie, lieve vaderen en begrijp mijn woorden goed en luister goed naar wat de Heer nog verder spreekt, Zijn woorden luiden aldus: 'Luister, kinderen van Mijn erbarmen, Mijn genade is een grote schat en er is op aarde niets dat daarop lijkt. Mijn genade is een goed licht vanuit Mijn heilige hoogte, zoals de liefde een goede spijze des levens is. Wie Mijn genade niet ontvangen heeft, die kan niet geloven dat Ik het ben uit Wie het leven eeuwig stroomt; maar wie het geloof niet heeft, is gelijk de die­ren en zal geoordeeld worden, waar hij gaat en staat. Maar als er iemand zou zijn die Mij in zijn liefde mocht erkennen, over hem zullen stromen van genade uitgegoten worden en zo

iemand heeft dan reeds van tevoren een aandeel aan dat, wat eens in de grote tijd der tijden de mensen van de aarde, die van goede wil zijn, zullen krijgen.

27. Daarom geloof, opdat jullie eens tot liefde en daardoor tot leven zullen mogen komen, en bemin Mij in jullie geest en laat al het werk van je handen en je wil getuigen van het leven in jullie en laat je tong je zeggen dat jullie kinderen van God zijn. Ik zal de mensen oordelen naar hun geloof; Mijn kinderen echter zal Ik in Mijn liefde leiden en het licht van Mijn wijsheid zal voor jullie worden tot een eeuwig lichtbaken van het meest zali­ge leven in Mij, jullie liefdevolle, hei­ligste Vader, nu en in alle eeuwighe­den der eeuwigheden! Amen.'

28. O lieve vaderen, hebben jullie het gehoord, wat de Heer gesproken heeft?" - En Seth antwoordde: "Ja, geliefde Henoch, wij hebben het heel goed gehoord; maar het vergaat ons niet veel beter dan bij de vertellingen van Adam, want wij allen hebben weliswaar de genade, maar te weinig liefde!"

 

Hoofdstuk 42

 

Kenans gezang over de tien zuilen

 

1. En nadat Seth die korte, weinig liefdevolle opmerking had uitgespro­ken, zie, toen kwamen deze drie nog Kenan, Mahalaleël en Jared tegen en begroetten hen in alle liefde en dank­ten Mij voor de genade van het weer­zien, en Seth zegende hen allen in Mijn naam, opdat zij spreken konden en mochten voor het aangezicht van Mijn liefde en voor het aangezicht van Seth, de tweede stamvader van de (28 sept. 1840) zeer gezegende tak uit Adam, die Ikzelf tenslotte in de grote tijd der tij­den afsloot, toen Ik lichamelijk op aarde was.

2. En toen deze drie de zegen had­den ontvangen, voerde Kenan als eer­ste het woord en zei: "Lieve vaderen en kinderen, hoor en begrijp mijn uiteenzetting goed; want ik zal jullie deze zo getrouw als ik haar in een nachtelijk visioen heb ontvangen, weergeven. En dit droomgezicht beeldde tien zuilen uit en deze zuilen staken boven een groot water uit, dat dikwijls geweldig tegen die zuilen opsloeg. En op de eerste zuil stond Adam en hij sprak tot de wateren: 'Luister kinderen, God, de Heer Zebaoth, de machtige, heilige Vader van alle door mij verwekte kinderen, is een enige God! Zoals Hij mij tot de enige mens van de aarde heeft gemaakt, zo is Hij vanaf de eeuwig­heid een enige God en er is buiten Hem geen andere God meer; want de oneindigheid is van eeuwigheid tot eeuwigheid geheel vervuld van Zijn eer, heiligheid en liefde. Daarom geloof, jullie watervloeden, dat de Heer de enige, grote, eeuwige, almachtige, heilige, rechtvaardige, hoogst wijze, meest liefdevolle, gena­devolle, barmhartige, bovenal goede en boven alles verheven God is en daarom ons aller Vader. Wees daarom rustig, jullie montere baren en word helder, zodat het licht van deze enige God je zal doorschijnen tot in de grond van je leven! Amen.'

3. En zie, toen werden de baren om de zuil van Adam rustig en uit Gods hoogte straalde een geweldig licht op het spiegelgladde oppervlakte van de wateren neer; toen begon het opper­vlak te schitteren als een zon en uit de diepte van de wateren rees een een­stemmige lofzang op, die zich als een lichtende wolk losmaakte van de wateren en steeds helderder stralend opsteeg naar de eeuwige, heilige hoogten van de almachtige Vader, die de ene en enige God is.

4. En luister verder, lieve vaderen en kinderen, naar wat ik heb gezien in mijn nachtelijk gezicht, weliswaar niet met mijn lijfelijke ogen, - met geestelijke ogen heb ik dat vol verruk­king gezien!

5. Niet ver van de zuil van Adam stond er een die bijna even verheven was. De montere baren durfden hun flikkerende koppen nauwelijks te ver­heffen tot die verheven zuil en draai­den vol eerbied zacht schommelend om deze verheven zuil heen, alsof zij wilden zeggen: 'Kijk, sterfelijk mens, zie de naam van de Hoogste, die hei­lig en liefdevol 'Jehova' heet! Nooit mag deze naam door zondige tongen ijdel uitgesproken worden; want de naam van de heilige Vader is heilig, zeer heilig, de meest heilige! 0 men­sen, 0 kinderen', riepen de ronddraai­ende golven, 'bedenk, O bedenk, aan wie deze naam behoort! Bedenk dan in je hart, dat het God, ja een God is aan wie deze naam toebehoort!'

6. En zie, toen ik vol verbazing dat van de zacht schommelende, woelige golven vernomen had, kon ik pas ver­vuld van vrees mijn verbaasde blik naar de bovenkant van de geesteszuil opheffen en ik zag - 0 ik kan niet beschrijven hoe warm en toch hoe zalig het mij om het hart geworden is! -, ik zag op de glanzende hoogte van de zuil, jou, dierbare vader, jou, Seth, zag ik staan, met een ernstig gezicht! En jij sprak tot de zacht kringelende baren wat ik even tevoren vertelde en hetgeen ik van hen getrouw heb ver­nomen, en ik was vol geloof en luis­terde als had ik van al de kringelende golven vernomen wat jij hebt gezegd daar op de heilige hoogte tegen de heilige zuil in het zachte gewieg van de er omheen vloeiende golven; en zoals ik heb gesproken, zo heb ik het gezien.

7. En luister nu verder, dierbare vaderen en jullie, ons altijd gehoorza­me kinderen, luister ook! - Zo zag ik verder, niet vet van de zuil van Seth die omgeven was door lichtende gol­ven, de derde zuil; die was als door een roodachtig licht omgeven, meer verheven dan al de anderen; en alle baren die sneller en sneller om de andere zuilen sloegen, stonden hier stil en wasemden, door eerbied en liefde gedrongen, uit hun zacht tril­lende rimpels de Heer en eeuwig hei­lige Vader, een vurig loflied toe.

8. Ik wilde naspeuren waarheen de weg van die zo vurige dampen wel zou kunnen voeren, - en zie, mijn ogen, bijna verblind door de glans van verheven gezangen die zo opste­gen uit de rust van de zuivere wate­ren, aanschouwden op de heilige top van de derde zuil, door glinsterende wolken omgeven, de derde van jullie, lieve vaderen, en dat was Enos!

9. Ja jij, vader Enos, jij stond op de derde zuil en sprak met vlammende woorden tot de stil luisterende baren: 'O luister, al jullie wateren van de aarde; verneem de woorden uit de hoge en hoor de tonen van de heilige spraak! Je kunt zes dagen en nachten in vrolijke reeksen stromen en wie­gen; maar, als de zevende dag geko­men is, gezegend met de heilige rust, de sabbat van de Heer, een heilige dag, luister, dan moet je die ook altijd vieren vanwege de verschuldigde lof en prijs aan de heilige Vader! Want het is overeenkomstig de eeuwige ordening, dat alles wat de levende adem uit God ademt en de liefde van de eeuwige, heilige Vader in zijn lief­hebbende, denkende hart ondervindt, de rust en de plechtigheid van de hei­lige dag gedenkt; want dat is te allen tijde de meest heilige wil van de heili­ge Vader: zes dagen kunnen alle wate­ren arbeiden, kunnen zij met ruisende teugen stromen en wiegen; maar de heilige rust moet op de heilige sabbat zweven als vurige wolken over de zwijgende, luisterende baren, uitnodi­gend tot het feest!'

10. En luister, lieve vaderen en volgzame kinderen, dat wat ik jullie hier heb vermeld, heb ik zo getrouw en precies ontvangen.

11. En luister nog verder met de wil tot geduld, geliefde vaderen en jullie ook, kinderen die ons liefheb­ben, naar wat ik voorts nog met ver­bijsterd geestesoog voor wonderen van de goddelijke liefde en de lichten­de genade naar eer en geweten heb gezien! 0 vaderen en kinderen, zoals jullie mij nu vol trillend vuur zien om je mijn visioen te vertellen, ja waar­lijk, zo stond ik daar in mijn visioen als vierde op een iets minder verheven zuil omgeven door roodachtig licht; evenals de drie eerste zuilen was deze naar alle denkbare richtingen om­spoeld door opgetogen, kringelende baren. Vol verbazing over een derge­li jke zo plotseling verheven plaats, die ik daar evenals de vaderen ingenomen heb, bemerkte ik vol treurnis, dat de golven die langs de zuil stroomden steeds donkerder en stormachtiger werden en op talrijke plaatsen vol brandende ijver, met rusteloos schui­mende koppen die eruit zagen als rokende bergen, zich hoog boven de zuil waarop ik stond, verhieven. Ik was vervuld van zorgen en kommer; de golven waren als kinderen die zon­der gehoorzaamheid in hun hart zich vol boosheid beijverden om de zuil van hun vader en dus ook van hun moeder te doen ineenstorten en deze in zijn val met lasterende tongen te honen en met stampende voeten, waaraan massa's dodende stof van de zwartste ondankbaarheid kleeft, na te trappen.

12. En toen ik dat een tijd lang met bloedend hart had aanschouwd, verhief zich opeens, de zuil omwerve­lend, een hevige storm als een orkaan over de schuimende koppen der gol­ven die als bergen zo hoog waren. En zie, de heftige storm die de zuil omwervelde hield niet lang aan, en het gewoel van de woedende golven, gedwongen door de strenge macht van de orkaan kwam tot een zegenen­de rust, zodat slechts hier en daar nog een sporadisch, zacht gemurmel van de zich tot volledige rust gewillig effe­nende rimpels van de zo grote water­vlakte de lichtende schichten van de uit de goddelijke mond stromende ademtocht, niet onaangenaam onder­brak. En toen de machtige liefde van de eeuwige, heilige Vader de zegenen­de rust met zulke verbazingwekkende middelen getrouw tot stand had gebracht, ontsprong er terstond aan mijn mond een heerlijke toon. En luister, deze toon klonk als heilige woorden die uit het liefhebbende hart van de heilige, eeuwige Vader vloei­den vanuit de hoogten der hoogten uit de oneindige, schitterende sferen van het eeuwige licht der lichten, en zij goten zich welluidend heel ver uit in overvloedige, glanzende stromen over de eindeloze luisterende vlakten van de grote wateren, en zoals ik het heb vernomen geef ik de gewaarwor­ding van de zo heerlijke klank van die goddelijke stem getrouw weer. De zin en betekenis daarvan sprak zich op de navolgende wijze heel mooi en won­derlijk uit:

13. 'Luister', zo sprak de heilige stem, 'jullie vloedstromen die slechts willen woeden, gehoorzaamheid en liefde zijn jullie, sidderende baren, aan de zuil van Kenan verschuldigd en nog lang zullen jullie de dode en bestendige spleten van de treurende aarde bevochtigen; doch wee de schuimende baren die zich in veilig­heid willen brengen, als zij zich ooit boven de lichtende zuil van Kenan mochten verheffen!

14. Hoe hoog die baren zich ook zouden willen verheffen, Ik zal hen door de eeuwige kracht van Mijn toorn en brandende gramschap plot­seling verharden en verstijven tot ontoegankelijke bergen tot een tijde­lijke als ook een eeuwige geestelijke kwelling in de brandende poel van Mijn eeuwige vloek!

15. Doch de geheel rustig gehoor­zamende vloed zal spoedig tijdelijk en eeuwig overgaan in het deinen in het licht van de eeuwige liefde van de door de heilige Vader der vaderen gezegende, montere, vrolijke vloeden, die toevloeien naar de zeeën van het eeuwige leven vanuit Mijn erbarmen!

16. Verhef jullie dan steeds boven de heilige, lichtende zuil van Kenan. Dat is de wil van de eeuwige, heilige Vader der vaderen en rechter van de woedende baren van de zee des levens in eindeloze gelederen en vurige stro­men vanuit God!' - Zie, geliefde vade­ren en ook jullie ons liefhebbende kinderen, zoals ik het heb verteld, zo getrouwen waarachtig heb ik het ook met mijn innerlijk oog gezien vol ver­wondering en vanuit de hoge bestuurd door de eeuwige liefde in God en uit God!

17. En luister nu verder wat voor wonderen van goddelijke Liefde ik vol verbazing in de geest heb gezien, als stonden de zo zeldzame dingen concreet voor mijn duidelijk ziende, wijd open ogen van mijn vleselijke lichaam!

18. Ik stond nog op de lichtende zuil en keek nu iets verder naar de vijfde zuil; en luister hoe verbaasd ik was over het nieuw ontstane wonder van de goddelijke liefde van de eeuwi­ge heilige Vader!

19. De zuil was van de voet tot aan de top in duister gehuld en de golven die haar met heftige rukken omspoel­den, leken zich als in toorn ontbrand gloeiend erts te pletter te lopen; daar daverde en tolde de dood door de gloeiende diepten van de woedende wateren en golf na golf verstarde, aan­gegrepen door een gloeiende grim­migheid.

20. Ik keek in de nachten van de gierende diepten des doods en zag er dingen - 0, luister, 's mensen tong zou eerder verstarren dan de gruwelen van de woedende, geheel met de dodende toorn doorgloeide golven weer te geven!

21. Toen ik met mijn geopende geestesoog in het hart van de vleselij­ke ziel er voldoende lang naar had gekeken, hief ik met beklemd hart mijn ogen op naar de top van de duis­tere zuil en zag daar, o luister, jou, Jared, de zoon van mijn zoon Mahalaleëls eerste gezegende liefde, in volle ernst met een naar boven gewend gelaat om liefde smeken tot de eeuwige, heilige Vader voor de in woede ontstoken en onderling botsende, wurgende, elkaar vermoorden­de baren!

22. En toen jij, mijn Jared, zo smeekte, stortte opeens vanuit de wijd geopende hemelen een rijkelijke vloed van erbarmende liefde neer op de met de vuurgloed van de dodende woede verstarde, schuimende golven. O luister, toen bruiste en suisde de verstarde vlakte van de met de dood gevulde zee opnieuw, toen begonnen de door de dood reeds versteende baren zich weer vrij te maken van hun bittere verharding en vloeiden als broeders en zusters, elkaar zacht omgevend en wiegend en rimpelend, elkaar doordringend en helpend, tevreden in de door de eeuwige liefde opnieuw doorwarmde armen en har­ten.

23. En toen ik dat had gezien, werd er opeens door machtige handen een vlammend zwaard in de bevende han­den van de smekende Jared geslin­gerd, die dat behendig opving en het naar goddelijke beschikking zover zwaaide als maar mogelijk was; en toen dat gebeurd was, kon ik de dui­delijk verstaanbare woorden horen:

24. 'Jij aards, trouweloos tumult der golven, waag het nooit om een als kind van de eeuwige liefde geschapen wezen te doden; want Ik ben de Heer van het leven zowel als van de dood! Wie ooit met een toornig hart zijn broeders en zusters doodt, zal ook heel zeker meteen met de straffen van de dood van geest en ziel worden bestraft. Daarom zal niemand de ander trappen, noch slaan, noch vloe­ken, noch vermoorden, noch doden; want Ik ben de Heer en de machtige God, zowel van het leven als ook van de tijdelijke en de eeuwige dood!'

25. En hoor en zie, geliefde vade­ren en ook jullie, ons beminnende kinderen, zoals ik het nu getrouwen waar heb verteld, is het ook gebeurd van teken tot teken, van woord tot woord.

26. En toen ik dat had vernomen en duidelijk gezien, wendde ik mijn blik meteen naar de zesde zuil en zag daar, O luister geliefde vaderen en ook jullie, ons beminnende kinderen, - de bange tong van Kenan is huiverig om voor je vorsende ogen de verschrikke­lijke gruwelen te vertellen, die ik, jul­lie Kenan moest zien terwijl het gebeurde en wel bij de zesde zuil.

27. Ik zag de zuil omstroomd door bloed en afschuwelijk slijk en in plaats van de anders montere baren die de vorige zuilen omcirkelden, luister, kropen hier niet voor te stellen afgrijzen - en afschuwwekkend de hui­veringwekkendste, schandaligste dra­ken.

28. En luister, zelfs de zuil, die heerlijke zuil, was als geen van de anderen van de voet tot aan de top bevuild en bezoedeld met het bloed van de schande van de schandalige, verschrikkelijke draken! Dikwijls kropen de draken omhoog zelfs tot aan de top; ook gingen massa na massa omhoog, opdat niemand het heerlijke merkteken van de goddelijke wil zou kunnen zien.

29. Zover het geestesoog ook maar kon reiken, kon het echter niets dan drommen en drommen waarnemen en zien hoe zich deze horden draken elkaar in hun gruwelijke ijver vermor­zelden om daarop weer verenigd te worden tot grotere draken. Dan kropen zij, zich draaiend en krom­mend over de anderen, recht op de met slijk overdekte zuil van Mahalaleël af, omstrengelden die tot onderaan de top en wilden haar daar­door helemaal de goddelijke vorm ontnemen, waardoor de heilige wil van de eeuwige, heilige Vader bekend gemaakt zou worden aan de vreedza­me baren van de grote wateren van het leven in de eindeloze zeeën van de heilige liefde in het hart van de eeu­wige, heilige Vader.

30. Maar luister, wat er naar waar­heid verder is gebeurd! Opeens klonk een gedreun in de gloeiende hemelen; de zon doofde en ook de maan kon niet meer zacht het schijnsel van haar trouw schenken, evenmin als de ster­ren; die vielen in talloze menigten uit de purper doorgloeide hemel.

31. En luister, toen dat gebeurde, begonnen ontelbare doden uit alle diepten van het stinkende slijk te kla­gen, te jammeren en zeiden: 'O bedek ons, jullie gebroken sterren, opdat wij het gelaat van Mahalaleël nooit zien; want hij is in de naam van de eeuwi­ge, toornige God als een vurige gesel tot ons gekomen om ons ellendige draken te slaan, omdat wij zijn hoge en heerlijke zuil omstrengelden!'

32. En luister, toen dat aan de duistere diepten van de dood was ont­stegen, barstten de hemelen en uit de geopende scheuren werden geweldige stromen goddelijk vuur over de zuil van Mahalaleël gestort.

33. Maar Mahalaleël, verlicht door de geest van de Heer, zei: 'Luister, stinkende golven in draken-gedaante, de liefde van de Heer is eeuwig en heilig en rein; daarom zullen ook jul­lie geen onreinheid bedrijven!

34. De tijd, een heilig vuur uit de hemel, is aangebroken om jullie stin­kende draken met het eeuwige vuur van de toorn te wassen, als jullie je niet voor die tijd schoonwast tot vreedzame, met liefde en genade doorlichte, montere golven.' (2 oct. 1840)

35. Toen nu onder voortdurend bliksemen en begeleid door heftig gedonder, uit de vurige mond van Mahalaleël deze krachtige woorden vloeiden, 0 luister, toen begonnen de drommen en massa's draken te verzin­ken en toen zij op een effen vlakte waren gaan lijken, vloeiden de schan­delijke, walgelijke vormen gelijk von­ken spattend erts in de sombere stevi­ge smidse, hier in -, daar door - en ginds ook schitterend uiteen in aan­vankelijk nog troebele, doch geleide­lijk aan steeds helderder wordende golven en vreedzame vloeden.

36. En luister, aldus was de orde, die heerlijke orde spoedig opnieuw weer hersteld en na het herstellen van de goddelijke ordening liet ik mijn oog gretig rondgaan in de eindeloze verten over de witachtige vlakten van de grote, nu geheel rein geworden wateren en zag dat er nergens meer drommen en massa's zich verdrongen, en zag dat slechts hier en daar don­kerder golven de lichtere benaderden en dan in de buurt daarvan zelf hel­derder en helderder, ja tenslotte zelf

geheel lichtend werden en ik zag ver­der nog, nadat ik mijn onderzoekend oog had afgewend van de eindeloze verten van de wiegende vlakten van de grote wateren en op de zuil van Mahalaleël had gericht, dat deze, heel lieflijk gereinigd van al de bloedige schande, in een witachtig licht blonk, omgeven door bevallig kabbelende, stoeiende, lichtende golven.

37. Luister Mahalaleël, jou zag ik toen knielen en de Heer, de heilige Vader van de lichtende golven dan­ken; en zie, ieder woord dat aan jouw sidderende lippen ontsprong, dan­kend de Vader van de eeuwige liefde, vloog naar omhoog als een stralende zon naar de eeuwige hoogten van de eeuwige, heilige Vader!

38. En luister, jullie geliefde vade­ren en ook jullie, ons liefhebbende kinderen, zoals ik het heb gezien en naar waarheid heb gehoord, zo getrouwen waar geef ik het aan jullie weer!

39. En omdat jullie dat nu gewillig in je harten opgenomen hebt, hoor mij Kenan nog verder verhalen over het nachtelijke wonder van de grote liefde en helder stralende genade van de eeuwige heilige Vader!

40. Nu luister, toen ik dat alles vol­doende in het stralende licht van de genade, uitstromend van de eeuwige hoogten van de heilige God en Vader van de liefde en alle vreedzame, lich­tende golven, had bekeken, stiet mijn oog opeens op een geheel roodgloei­ende zevende zuil; en Henoch, de vrome, eerlijke Henoch stond bijna zwevend op deze gloeiende zuil.

41. De golven omspoelden met arglistige bedrijvigheid de hoog in de vlammende luchten opstijgende zuil van Henoch. Maar mijn geestesogen verbaasden zich niet al te lang over de aanblik van dit zonderlinge beeld, daar ik spoedig gewaar begon te wor­den, dat onder de arglistige vloeden, gedeeltelijk door het slik van de bodem bedekt, zich vreemde, geroof­de, gestolen wateren bevonden op gruwelijke wijze geboeid.

42. Er waren daar wateren der lief­de en wateren der genade, en er waren wateren van het leven en wateren van het licht en voorts nog wateren van alle denkbare soorten; en al die talloze wateren - luister! - waren als door­zichtige stenen met gloeiende banden van de schandelijke, pure eigenliefde vastgemaakt.

43. En zie, jullie vaderen en kinde­ren, hoe dat meest liefdeloze roven en stelen gebeurde; luister, zoals ik het heb gezien, zal ik het aan jullie ver­kondigen: er verhieven zich massa's door diefachtige ijver gedreven, beval­lig lijkende wolkjes uit deze zo boos­aardige, golvende vlakte van het grote water, waarmee de zuil van Henoch naar alle denkbare richtingen onover­zienbaar ver omgeven was. Deze wolkjes vluchtten weg, ver over de grenzen van het gebied van de zuil waartoe zij behoorden; als zij dan in andere gebieden van de grote wateren heel rustige vlakten zagen, stortten zij zich, door begerige haast gegrepen, sneller dan de bliksem op de vreedza­me golven, verstoven die tot een vochtige nevel en tilden deze dan op en dreven hem in allerijl als stormen­de winden naar de onheilspellende diepten vol slijk van het gemeen klamme gespuis. Daarin lieten zij deze zo boosaardig geroofde, heel vreedzame wateren zinken en drukten en persten deze dan met hun gestolen macht tot harde stenen tezamen en bedekten hen uit schandelijke eigen­baat op de meest schandelijke wijze toe met het slijk en met de mest van de leugen.

44. Doch dit arglistige, loze gedoe hield niet lang aan; want spoedig zag ik Henoch helderder dan de zon oplichten en gloeiend hete stralen ontsproten aan Henochs hoofd, door­woelden in machtige stromen in één ogenblik al die slijkerige, diefachtige diepten van de door roofzucht door­gloeide wateren.

45. En luister, nauwelijks waren de

vlakten van de geniepige wateren door de zengende stralen uit Henochs hoofd geraakt of de golven van de geniepige wateren begonnen te gisten, te suizen en te bruisen. De eindeloze vlakten dampten en rookten en zij gaven door de hitte van de stralen gedwongen, al de voorheen zo boos­aardig gestolen en door eigenliefde en hebzucht in de modderige grond geketende vreemde wateren onvrijwil­lig terug. En de vreemde wateren ste­gen als vurige wolken in talloze scha­ren, zich ijverig losmakend van de lagere, donkere en troebele dampen van de geniepige vloeden, omhoog in de zuiverder, lichtende luchten. En zie, toen zij aan de diepten van de dood waren ontstegen, kwamen er bedrijvige winden, die Henochs zuil omgaven en zij droegen heel teder met wervelende vreugde de weer los­gemaakte kinderen terug langs de razende dampen van de verraderlijke wateren in de liefhebbende, wachten­de armen van de wateren, die door een door de goddelijke genade gege­ven gebod waren veredeld. En toen dat door een wonder van de heilige liefde van boven was gebeurd, strekte Henoch vol macht opeens zijn han­den uit en sprak streng gebiedend, met heftige, donderde stem:

46. 'Jullie kwaadaardige, diefachti­ge, rovende golven, verneem daar in de diepten van de slijkige, duistere gronden de heilige wil van de eeuwi­ge, machtige God en luister met een kalm oppervlak naar de machtige woorden van het heil, die je toeroe­pen: iedere druppel is veelvuldig geteld in het hart van de eeuwige lief­de en ieder is dus het eigendom van zichzelf en van de eeuwige liefde; daarom zal niemand de gruwelijke prooi van de ander worden. Want wee de dief, de geniepige rover en moor­denaar van het eigendom van andere zuiverder wateren en wezens; ja wee over al de op boosaardige wijze, slechts zichzelf liefhebbende golven! Hoor dit: de boosaardigheid van de rovers en moordenaars zal nooit dei­nen met vrolijke, rimpelende kringen, maar wel, luister, zal zij zeker door de dodende macht van het gebod nu meteen of mettertijd als een gestolde dood tot gloeiende stenen van de eeu­wige vloek geboeid in de onderste diepten van de aarde worden gewor­pen. Je zult niet roven en stelen!, zo luidt de machtige wil van de eeuwige heilige God.

47. Onthoud en eerbiedig dat, jul­lie boosaardige golven!'. En luister, geliefde vaderen en ook jullie ons lief­hebbende kinderen, dat waren de laatste van Henochs donderende woorden vanaf de stralende zuil als heerlijk, eeuwig teken van de godde­lijke wil! En toen die heerlijke woor­den verstierven in verre, zelfs voor het geestesoog vreemde velden van de duistere vlakten van de golvende gru­wel, kon ik heel duidelijk aan de diepten ontstegen woorden verne­men. Met een toon van gehoorzaam­heid lklonken die woorden op naar de zuil: 'Maak ons rein, lichtende heraut van de machtige wil van de heilige, eeuwige God, opdat wij, als de andere wateren, ook welbehagen vinden in het lichtende, heilige oog van de eeu­wige, heilige liefde!'

48. En luister, toen begonnen heel heftige, vurige winden, ontsprongen aan de glanzende zuil, te waaien en mengden met glanzende overvloed het vuur van de eeuwige liefde met de golvende baren der luisterende, ein­deloze vlakten op wonderbaarlijke wijze ineen. En de baren en vloeden werden door zo' n glanzende mildheid gelouterd, o luister, dat zij zo helder leken als de oppervlakte van de zon en zij loofden en prezen de Heer van de genade, terwijl zij de zuil met stra­lende golven omcirkelden. Toen klon­ken de heilige echo's harmonisch langs de eindeloze ruimten van de glanzende vloeden. - Luister, zo heb ik het naar waarheid gezien en het getrouw aan jullie doorgegeven.

49. En omdat jullie, geliefde vade­ren en ook jullie ons liefhebbende kinderen reeds zo lang geduldig naar mij, Kenan, de geestelijke spreker, vol aandacht hebben geluisterd, hoor dan nog verder wat voor wonderen van de goddelijke liefde en genade ik heb gezien en naar waarheid vernomen: op niet zo' n grote afstand aanschouw­de ik een geheel gladde zuil, die er haast uitzag als glinsterend erts; luis­ter, deze werd door een zandige zee omspoeld!

50. In de verte meende ik en geloofde ik werkelijk watervloeden te zien; doch hoe meer deze stoffige vloeden geleidelijk dichter bij mij kwamen, heb ik des te helderder en zuiverder aanschouwd dat hier geen water meer rondom de zuil golfde, maar wel droog zand dat door de winden verheven, wervelend, het dei­nen van de wateren aan het onderzoe­kende oog van de spiedende Kenan bedrieglijk voorspiegelde!

51. Toen ik, mij ergerend, dat met verbazing bekeken had, kon ik ook na lang kijken nergens enig water ont­dekken, al was het maar een druppel. Toen hief ik mijn ogen ten hemel en smeekte om genade, om hulp en zodoende ook om wijze raad tot de eeuwige, heilige Vader van de liefde; maar stom bleef de hemel, omvloeid door een witachtig, hier en daar soms matrood schijnsel en nimmer kwam ook maar het geringste geluid van de steeds meer en meer droefgeestige heilige, eeuwige hoogte van de anders zo bereidwillige liefde en genade doorstromende woning van de eeuwi­ge, heilige Vader.

52. En zie, toen rezen de valse wol­ken hoger en hoger en wat makkelijk is te begrijpen, hoe hoger zij stegen, des te dichter zij werden, zodat zelfs de felste het oog verkwikkende straal niet door de stoffige, golvende massa's van het bedrieglijke zand heen kon dringen.

53. Maar luister, gelukkig hield die verduistering niet al te lang aan; want weldra zag ik met opgewekt gemoed Methusalah op de met duister zand omgeven zuil staan, bewapend met een tweesnijdend, brandend zwaard. Voor zijn ogen was een door glinste­rend stof bezoedelde linnen band gebonden en zijn oren waren dichtge­stopt met kleverig hars. Maar zie, opeens kwam er, in snelle vlucht en stralend met een hemelse glans, een machtige adelaar aangevlogen. Deze cirkelde in steeds kleinere kringen om Methusalahs van waarneming versto­ken hoofd, ontdeed hem van de beschermende band voor zijn ogen en pikte heel zorgvuldig al het kleverige hars weg van zijn voor geluiden geslo­ten oren. En toen hij op die wijze Methusalahs zinnen van de bescher­mende banden had bevrijd, vloog de machtige, stralende adelaar als een van verre nog stralende ster op naar de hemelse, heilige hoogten vanwaar hij was gekomen. Maar de trouwe en oprechte Methusalah greep het tweesnijdende, brandende zwaard, dat hij met zijn dreigende rechterhand als zigzaggende bliksemstralen in kringen naar alle denkbare richtingen zwaai­de.

54. En tijdens het bezielde zwaaien van het brandende zwaard spatten lichtende, vurige tOngen als sproeien­de vonken van de door een heftige brand gegrepen harsbomen, die onder aan de voet van de bergen rijkelijk met dikke stammen groeien.

55. En luister, de talloze tongen vlogen met de grootst mogelijke snel­heid naar alle denkbare richtingen over de eindeloze, stoffige vlakte en mengden door de macht van hun vuur het bedrieglijke zand tot een chaotisch ding, waaruit niet duidelijk op viel te maken wat voor nut zo'n mengsel zou kunnen hebben.

56. Ik keek vol verwachting toe bij de wonderbaarlijke en langdurige ver­menging van de vlammende tongen met zulke oneindige massa's bedrieg­lijk zand en toch wilde niets anders dan slechts heel wit, reeds doorgloeid zand als het lang gewenste resultaat te voorschijn komen!

57. Maar zie, te midden van het zo met smart gewenste resultaat verhief Methusalah zich met verschrikkelijke blik en begon op geweldige wijze de heilige wil van de eeuwige, heilige Vader tot het geheel doorgloeide zand te prediken. En de machtige woorden die vurig aan Methusalahs mond ont­vloden, goten zich naar alle denkbare richtingen in brede stromen uit, gelij­kend op grote wateren, angstaanja­gend bruisend en ruisend en woe­dend, zoals de vlammende tongen voordien en sleurden het zand met zich mee. En het bruisen, ruisen en woeden sprak duidelijk verstaanbare machtige woorden, ja, woorden van macht en van de eeuwige grootheid van de heiligheid van God!

58. Die woorden luidden - luister, jullie vaderen en kinderen! -: 'Nietig stof, verneem de wil van Gods heilig­heid! Een vals, bedrieglijk golven zal je nooit baten; bekeer je tot vloeibaar, zuiver water en golf als zodanig in eeuwige, lichtende baren; want niets anders dan alleen de leugen, zal eens geheel te gronde gaan!'

59. En zie, toen dat door de einde­loze vlakten werd verstaan, loste kor­reltje na korreltje op tot zuivere drup­pels; die versmolten heel vrolijk in lichtende waarheid en vloeiden teza­men tot een oneindige vlakte van het zuiverste water en waren nu geheel en al zacht golvend en rimpelend, terwijl ze blij de heilige naam van de eeuwige God loofden en prezen. Zij wisten het tegen hen getuigende nog aan Methusalahs zuil vastklevende zand er vanaf en loofden haar toen, haar in lichtende rijen omgevend, nadat zij met liefdevolle gretigheid vooraf hun krullende, schitterende, schommelen­de koppen met het rijkelijk van de zuil stralende licht hadden getooid.

60. En zie en hoor, jullie waardige vaderen en ook jullie, dierbare kinde­ren, zo waar en getrouw ik dat heb gezien en ook met wijd open oren heb gehoord, zo getrouwen waar heb ik het aan jullie doorgegeven. De waarheid, 0 vaderen en kinderen, de waarheid alleen is waarlijk het lieflijke wezen van de liefde. Daarom wordt de leugen als geen andere zonde te gronde gericht; want alleen zij is juist het tegenovergestelde van de eeuwige waarheid van de liefde van de Vader.

61. En luister nu verder, geliefde vaderen en ook jullie, ons liefhebben­de kinderen, wat ik, jullie Kenan, met verbaasde ogen nog voor wonderen heb gezien! - Het kwam mij zo voor, alsof ik samen met de zuil waarop ik stond steeds verder en verder in de verre gebieden van de andere zuilen geschoven werd; en evenals het mij eerder overkwam, overkwam het mij nu weer en ik zag vanaf mijn verhe­ven standplaats de negende zuil!

62. O vaderen en kinderen, daar zag het er heel vreemd uit! Luister, uit de oneindige diepte van de eeuwige nacht, beklad met allerlei smerige, zwak schijnende kleuren, rees een zeer schrikwekkende zuil tot een voor het oog niet meer bereikbare hoogte op. Om de zuil heen was geen wiegen van wateren, noch enig stuiven van zand, noch een bewegen of streven te zien van iets wat je wezens zou kunnen noemen; slechts eeuwig durende nacht omgaf geluidloos deze negende, veelkleurige, eindeloze zuil. Ik dacht in deze ontzettende, eindeloze, leven­loze woestenij: 'Wat moet dat, ja wat kan dat betekenen? Voor wie staat hier deze oneindige zuil?'

63. En zo dacht ik lang, zeer lang hierover na; maar ondanks al mijn nutteloze denken kon niet het geringste vonkje de eeuwige, eindelo­ze nacht rond de eindeloze, bonte zuil verhelderen. 0 vaderen en kinderen, toen werd ik bang; want zelfs het licht van mijn zuil werd geleidelijk aan minder, zo zelfs, dat ik maar nauwe­lijks kon zien of mijn voeten nog op haar zwak schijnende top stonden. Toen ik vervuld van smart dat bemerkte, viel ik neer op mijn knieën en begon vanuit het diepst van mijn gemoed tot de eeuwige, heilige Vader te bidden en te smeken dat Hij mij daar toch niet te gronde zou laten gaan.

64. En luister, toen ik dat in alle ernst deed, klonk er opeens een zacht vermanende stem, die zei: 'Kenan, laat je denken met zuivere liefde in Mij, je Vader en God, verzinken en dan zul je weldra de dingen met heel andere ogen zien!? - En ik deed meteen wat de heilige stem me zei, zonder ook maar één ogenblik over die liefdevolle stem na te denken.

65. En luister, toen ik dat met een van liefde vervuld hart deed, begon de mij oneindig voorkomende zuil terstond steeds dieper en dieper in de afgrond van de eeuwige nacht te ver­zinken. En dat wegzinken was nog niet lang aan de gang of een ver ver­wijderd ruisen van zeer grote wateren, niet ongelijk aan het donderend rol­len der sferen, drong tot mijn scherp luisterende oren door. Nog voordat ik mij helemaal had kunnen omdraaien, luister, 0 vaderen en kinderen, of daar zag ik reeds massa's schuimende vloe­den als werelden zo groot, steil omlaag storten in de duistere, einde­loze ruimten van de eeuwige nacht die de bonte zuil daarvoor had omge­ven. En luister, dit neerstorten had niet lang geduurd of ik zag de vroege­re plaats van de eeuwige nachten geheel gevuld met nog troebel, doch eindeloos voortkabbelend water. Ook zag ik het einde van de zuil, die mij eindeloos had toegeschenen, afdalen uit de eeuwige hoogten van de hemel en neerzinken naar die troebel, gol­vende vloeden van de nieuwe wate­ren. En op de lichtende top stond in lichtende glorie Lamech, Methusalahs zoontje, als een geschikte lieflijke heraut van de goddelijke, heilige wil. En toen hij ook mij opmerkte, begon hij weldra de volgende woorden tot de vloeden te richten:

66. 'O luister, jullie grote wateren! Word niet door begeerten verteerd; want als jullie in liefde en genade van boven samengaan, is dat een bezit voor eeuwig en een eindeloze vreugde voor jullie samenzijn. Want op een en dezelfde plaats kan zich niet meer dan één ding bevinden; zoek daarom niet jezelf te vernietigen door vreemde begeerten en golf en kringel in je geheel eigen sfeer, tot lof en roem van de eeuwige, heilige Vader!'

67. En luister, nadat Lamech zo wijs had gesproken, werden de vloe­den zeer snel helder en begonnen te golven, doorlicht met het eeuwige licht van de goddelijke wil. En ik, Kenan, heb dat werkelijk zo gezien; en zoals ik het heb gezien en gehoord, heb ik het getrouwen naar waarheid ook weergegeven.

(I9 oct. 1840)

68. En luister, jullie liefdevolle vaderen en ook jullie, ons liefhebben­de kinderen, 0 luister nog gewillig naar het einde van mijn woorden en zie met mij, jullie Kenan, in de diepte van de goddelijke toorn en de door de vlammen van de toorn heen flauw schemerende genade voor de trouwe­loze volkeren van deze aarde!

69. O luister en zie wat ik heb moeten horen en zien op die donker­ste plaats van de tiende zuil! Luister, alle eerdere zuilen hadden nog meer of minder een eigen licht, - ja zelfs de negende zuil was door een bontge­kleurd, dof geflakker omgeven; maar deze, naar volgorde, tiende zuil had niet één ook nog zo dof schijnend puntje, ja zij was zo duister dat ik haar slechts kon voelen, maar niet zien, ondanks de meest intensieve inspanning van mijn geestelijk gezichtsvermogen en of er nu water, zand of alleen sombere, lege en nieti­ge ruimte haar omgolfde, omstoof, omgaf, - luister, dat was allemaal gru­welijk verborgen voor het onderzoe­kende oog van de dromende Kenan in die ongelooflijk sombere zwarte nacht die de tiende zuil omhulde.

70. Ik wachtte en wachtte van moment tot moment en keek met driemaal versterkte kracht van mijn gezichtsvermogen of er zich een licht­puntje zou laten ontwaren; doch al mijn moeite was geheel vergeefs, zelfs mijn tot het uiterste gespannen gehoor vermocht ook niet het geringste zuchtje van het teerste windje te vernemen!

71. O luister, toen werd ik bang in deze met de eeuwige dood vervulde sombere verlatenheid! Ik kon niet bidden, noch de eeuwige Vader van de liefde vragen om een spoedige bevrijding uit deze nacht van ijselijke dood, want eerst nu bemerkte ik, dat niet alleen mijn ogen en oren dienst weigerden, maar dat, ja zie en luister, zelfs mijn tong verlamd was en niet tot spreken in staat.

72. En toen ik dit zo bitter bij mij­zelf moest merken, flitste opeens een felle bliksemschicht uit de bodemloze diepte van de eeuwige nacht omhoog naar de voor mij op ijzer lijkende hoogten van de geheel gesloten hemel!

73. Maar zoals anders steeds de donder op de bliksem pleegt te vol­gen, was bij deze eindeloze bliksemstraal niet het geringste spoor van een erna volgende rollende donder. En zoals het vóór de bliksem was, zo was het ook daarna: de dichtste nacht, die zich uitbreidde van de ene oneindig­heid tot aan de andere; en ik, jullie Kenan, begon wel geweldig naar licht en leven te verlangen; want waarlijk ik zeg jullie, nu had ik toch wel schoon genoeg van de oneindige nacht van dood! O vaderen en kinde­ren, die nacht, o die nacht, die heeft lang geduurd, totdat zich eindelijk een heel klein sterretje aan de ijzeren hemel vertoonde als een enig, pas laat verschijnend gevolg van de reeds lang daarvoor in de diepte van de hemel wegsnellende bliksem.

74. Mijn lange tijd verblinde ogen waren nu onafgewend gericht op dit uiterst kleine flikkerende puntje. En toen ik mij verbaasde over dat flikke­rende lichtje, O luister, toen opeens klonken er heel duidelijk klanken in mijn reeds geheel doof geworden oren - het waren geen woorden, noch men­selijke stemmen, ook was het geen bruisen, geen suizen, geen woeden -, O luister, deze tonen leken op het flui­ten van de herders, net als toen zij zo dikwijls volgens het aloude gebruik de schapen van Abel om zich heen wilden verzamelen, en deze dan met vlugge pas kwamen om de zorgzame herder met hun hemelwaarts geheven koppen verbaasd aan te zien.

75. Maar alleen het gefluit heb ik duidelijk vernomen, - van de schapen van Abel heb ik niets gezien! - Toen mijn reeds geheel verdoofde zintuigen dat hadden bemerkt, ging als een bliksemstraal zo duidelijk een woord door mijn ziel heen, luister, één woord en dat woord, ja dat zoete woord sprak: 'Jouw tong, hoor me Kenan, is nu losgemaakt; bid en vraag nu aan de Vader van het licht, de lief­de en het leven om licht en om liefde en leven voor deze door de dood gebroken zuil!'

76. Toen wierp ik mij neer en begon ijlings tot de heilige Vader van de liefde en al het bewegende leven te bidden en te smeken of Hij in Zijn erbarmen een fel brandend genade­ vlammetje van boven wilde sturen, zodat mijn ogen de verschrikkelijke grootte en verste uitgestrektheid van de sombere dood mochten aanschou­wen. En toen ik lang genoeg getrouw en waarachtig tot de heilige Vader had gesmeekt, riep opeens een heel krachtige stem mij bij mijn naam en zei: 'Sta direct op en kijk in de grote afgrond van de sombere dood! Hier op de plaats van de tiende gebroken zuil wordt de echtbreuk aangeduid, waarvan de verbrijzelde onderste helft, die van de liefde, verstrooid ter­neer ligt in de diepste afgrond van de dood, - maar de bovenste helft, die van de genade, hangt aan de ijzeren, eindeloze boog van de hemel en zal niet eerder naar het puin afdalen, dan nadat de grond van deze zuil schoon gewassen wordt van de drek van de slang. De grond is de aarde, een huis vol zonden en de drek van de slang is het zeer prikkelende vlees van alle vrouwen uit de diepte van Hanoch. Wee de aarde, die nu vet geworden is van het bloed van de broeders die vanwege het vlees van de ontuchtige vrouwen elkaar gruwelijk vermoord en de aarde gedrenkt hebben met hun gezegende bloed! Spoedig zal Ik grote stortvloeden uit de hemel neer laten stromen en al het vlees doden vanwe­ge het prikkelende vlees van de vrou­wen, waardoor al het water hier om de tiende zuil is verbruikt! O prijk maar, prijk, heerlijk, prikkelend vlees van alle vrouwen, als meest arglistige kinderen van de draak! O prijk, jij lokkende spijs van de wormen van de slijkpoel, jij walgelijke stank voor Mijn eer! Jij baadt en wast je dagelijks in het fijnste water, bereid uit allerlei kruiden en geurstoffen en smeert de fijnste oliën op je huid om daardoor nog prikkelender en nog aantrekkelij­ker te worden teneinde de kinderen van de eeuwige heilige Vader te verlei­den!

77. Daarom rust er een eeuwige vloek op je hoofd; dat zeg Ik, Jehova, God de almachtige, de Eeuwige; Ik zal jullie spoedig, O heel spoedig een bad bereiden waarin je voor eeuwig naar hartelust kunt baden en smeren!

78. En hoe dat zal gebeuren, luister Kenan, dat zal Ik je juist nu tonen, zeer duidelijk toegelicht door het licht van de genade van de eeuwige, heilige Vader; daartoe moet je over­eind komen op je nu ook geheel uit­gedoofde zuil en naar beneden in de diepte kijken, daar zul je zien wat er, luister goed, zeer spoedig zal gaan gebeuren.'

79. En luister, jullie vaderen en kinderen, ik ben meteen overeind gekomen en keek met hoogst verbaas­de blik neer in de diepte van de dood en zag daar machtige scharen van onze kinderen de heilige berg verla­ten, zich vrolijk naar de dochteren van de mensen spoedend om zich daarmee in de diepte te verenigen. Zij verwekten kinderen bij hen, krachtige zonen en bekoorlijke dochteren en toen zag ik de zonen heersers worden en als zodanig de armzalige, hulpeloze kinderen van de mensen op gruwelij­ke wijze doden, slachten en vermoor­den! Toen vloeiden er stromen bloed van de broeders en de kinderen van de mensen; en luister, die stromen onschuldig vergoten bloed schreeuw­den om wraak naar de ijzeren boog van de hemel.

80. Toen scheurde de hemel zich in het midden in tweeën en uit de lich­tende scheur daalde een engel in snel­le vlucht neer naar de lieveling van Lamech en zei tegen hem: 'Maak nu, Noach, de ark van de genade in orde, zoals de Heer je allang getrouw heeft opgedragen en breng jezelf met alles wat de Heer je heeft bevolen in veilig­heid; want kijk, reeds brandt de van vervloekingen zware aarde op talloze punten, aangestoken door de richten­de toorn van de eeuwige God! Het weeklagende bloed heeft echter, zoals je ziet, de genade van de hemel gewel­dig ontroerd; daarom heeft de heilige Vader besloten de aarde van de vloek schoon te wassen en haar daardoor te bemesten voor een beter geslacht dat spoedig voort zal komen uit jou, Noach, de enige die Hem nog trouw is gebleven!'

81. En zie, lieve vaderen en ook jullie, ons liefhebbende kinderen, toen de lichtende engel dat snel spre­kend tegen de lieveling van Lamech had gezegd, braken opeens de ijzeren bogen van de hemel open en uit de wijd gapende kloven en vurige scheu­ren stortten meteen daarop geweldige stromen dampend water omlaag om als genade van de eeuwige, heilige Vader het vuur te blussen en in de toekomst de schuld van de zondige aarde te delgen.

82. En toen de stortvloeden de dalen van de aarde begonnen op te vullen, zag ik talloze geslachten uit die dalen omhoog klimmen en wee­klagend de hoogten van de bergen opzoeken. Ik zag de bekoorlijkste vrouwen, dochters van de mensen met het blankste vlees, zeer angstig met bloedende vingers en handen uitgeput de meest steile en ontoeganke­lijke rotspunten beklimmen en op duizelingwekkende hoogten hun bloedende handen opheffen naar de gapende spleten van de vurige hemel en met luide stem vol smart om troost en hulp roepen. Doch al hun geroep was vergeefs en te midden van de vloedstromen, die nu steeds hefti­ger uit de gapende, gloeiende spleten langs de ijzeren hemel neerstortten, stieten vurige wervelende winden met geweld de zwakke kinderen van de mensen van de zo moeizaam beklom­men, rotsige toppen van de bergen neer in de woedende golven, bran­dend en verzengd, als klagend voer voor de dood!

83. En luister, zodra die vurige winden al spoedig hier en daar een beschermende bergspits op gruwelijke manier hadden ontdaan van het zachtste, blankste en bekoorlijkste vlees, woedden en riepen zij, afgrijse­lijk honend: 'Daar, baad je en was je en smeer jezelf in, schandelijk, lok­kend voer van de duivel en zijn hel­pers, en maak je heel mooi in de wel­riekende armen van de eeuwige dood en krijg het loon voor je rusteloze inspanning waardoor alle geslachten van de aarde zijn gevallen vanaf Adam als eerste tot aan de laatste bewoner van deze door vervloekingen zware aarde en ga de dodelijke weg van al het bekoorlijke vlees!'

84. En luister, dat riepen de woe­dende, vurige winden keer op keer zodra zij al gauw de ene en spoedig daarop weer de andere beschermende top van de zo moeizaam beklommen hoogten en steilten hadden gezuiverd!

85. Doch luister, dit griezelige doden en vermoorden van het zondi­ge vlees van de weelderige vrouwen en alle door hun verleidelijke list erg bedrogen en daardoor gevallen zonen van de aarde en kinderen van de hemel, duurde helemaal niet zo lang; want spoedig zag ik enorm grote watermassa's helemaal over de hoogste toppen van de bergen vloeien en gol­ven en was er, buiten mijzelf, geen levend wezen te zien en ook niets te horen dan slechts de elkaar rondom mijn mat oplichtende zuil verdrin­gende golven van het nu nieuw gevormde grote water.

86. Ik was er door de negen vooraf­gaande gebeurtenissen reeds aan gewend geraakt om, zodra de wateren de eindeloze diepten van de dood gevuld hadden, weldra een schitteren­de zuil te zien die zich helder verhief boven de wiegende vlakten van de vloedstromen. Toen dan ook, zoals bij de negende, de zuil zich niet meteen volledig aan het zoekende oog van Kenan vertoonde, duurde het niet lang of daar was Lamech zelf, uit de hemel gedaald en vol gezag, te zien; maar nu, luister, wilde geen van de zuilen zich meer laten zien!

87. Ik wachtte heel lang en ver­baasde mij niet weinig, toen ik niet de zuil zag, maar de ark van de genade, die op vredige golven wegdreef. En toen deze de plaats had bereikt waar vroeger de donkere zuil zich door mij, blinde ziener, liet aanvoelen, - luister, toen weken de vliegende golven terug en de ark van de genade bleef staan op een zeer grote, nu aan het water ontstegen, lieflijk glanzende zuil.

88. En toen nu de schitterende ark van de genade geheel was bevrijd van al die golvende stromen en wateren, luister, toen werd op het dak een blin­kend venster geopend waaruit weldra zachtmoedige duiven met montere vleugelslag opstegen en ver wegvlogen over golven en stromen.

89. Doch de montere duiven ver­toefden, heen en weer vliegend, niet lang boven de vloedstroom; want behalve de zuil van de ark van de genade was er niets anders te zien dan de ene golf na de andere. En toen die montere zeilers van het zwerk niets vonden waarop zij na een vlucht van langere duur zouden kunnen neer­strijken voor de voor hen benodigde rust, vlogen zij weer snel op de ark van de genade af, zochten ijverig het blinkende venster op en vlogen daar­door vlug de ark van de genade weer binnen.

90. En toen daarna dat blinkende venster weer werd gesloten, luister, toen begonnen meteen zeer hevige, vurige winden eindeloos ver naar alle denkbare richtingen over de mij eeu­wig voorkomende vlakten van de gol­vende grote wateren te waaien. Door dit hevige waaien van de vurige win­den begonnen nu snel als de bliksem, machtige massa's wolken uit de gol­vende vlakten heel indrukwekkend op te stijgen. Dit machtige woeden van de wind was nog niet lang aan de gang, toen er zich boven de waterspie­gel hier en daar hoog oprijzende top­pen van bergen begonnen te tonen, ­ja, verschillende daarvan begonnen zelfs onmiddellijk groen te worden en zagen er spoedig uit als aardige tuin­tjes.

91. En luister, toen dat zich aan het vorsende, blijde oog van Kenan voordeed, blikkerde het venster op het dak van de ark van genade weder­om en ging open. Spoedig daarna ste­gen in snelle vlucht opnieuw duiven daaruit op en monter vlogen zij direct naar de al groen geworden toppen van de bergen, cirkelden op een bekoorlijke wijze in blijde kringen daar omheen en vertoefden wiegend en schommelend lange tijd op de fris­se, reeds uitgegroeide twijgen; doch na daar lang te hebben vertoefd, ver­lieten zij deze weer en keerden rijke­lijk beladen met groenende twijgjes rechtstreeks in de wachtende ark van de genade terug.

92. En nu, luister en zie, toen dat ijlings was geschied, begonnen de vloeden zeer snel te zakken en bergen en lieflijke velden met vruchtbare aarde stegen snel en wondermooi uit de zinkende vlakten van de wateren op en werden meteen groen, en de warme stralen van de zon deed hen opleven tot lieflijke weiden en vlakten en weelderige tuinen vol vruchten.

93. En daar op de plaats van de zuil, o luister, rees om de zuil heen steeds hoger en hoger zo'n wonder­schoon land op, tot dat eindelijk de ark van de genade zelf geheel op de verheven groenende aarde kwam te rusten. Zie, toen blikkerde opnieuw het venster op het dak van de ark van de genade en daaruit haastte zich in een snelle boog een grote vlucht mon­tere duiven en deze keerden na langer wachten nimmer terug naar het open gelaten venster op het dak van de ark van genade.

94. Toen merkte Noach, de lieve­ling van Lamech, in de ark van de genade het dalen van de vloed en begon de poorten te openen en liet daaruit al de bewaarde geslachten der aarde en geleidelijk aan ook zijn kin­deren en vrouwen blij gestemd weg­gaan. En toen zij met bevend hart en sidderende voeten de groenende aarde hadden betreden, wierpen zij zich voor de lichtende, open ark van de genade terneer en dankten en prezen de Heer als enige erbarmende Redder uit het verdiende gericht van de toorn van de eeuwige, heilige God.

95. Toen zij lange tijd zich vol dank en liefde tot de heilige Vader hadden gewend, kwam er een lichten­de engel ijlings aangevlogen en bracht Noach de blijde boodschap over van de hoog verheven lichtende hemel, die overspannen werd door een kleu­rige boog. En luister, - de lichtende engel sprak aldus:

96. 'Luister Noach, jij enige band met Mijn liefde, uit jou zal Ik eens het zaad van het leven verwekken, dat zeker oppermachtig de onmetelijke verslonden buit aan de dood zal ont­rukken! Want Ik heb medelijden met het vlees daar onder de nu verharde vloeden van de zonde; daarom zal Ik eens een machtige Redder zenden en de bevende aarde nooit meer met zo'n gericht teisteren. De kleurige boog zal te allen tijde de volkeren verkondi­gen, dat Ik de aarde nooit zoiets aan zal doen tot aan het einde van de tijd der tijden wat daarna zal gebeuren, dat weet Ik, de eeuwige Vader, alleen!' 97. En luister, jullie liefdevolle vaderen en ook jullie, ons liefhebben­de kinderen! Zo heb ik dit alles gezien en getrouw gehoord en zoals ik het vernomen heb, heb ik het jullie naar waarheid doorgegeven en verder werd mij niets meer te zien gegeven. En wat ik heb gezien, moeten jullie wijze vaderen en kinderen vol liefde zelf verklaren; want voor mij is de zin van zo'n zeldzame droom uit God verbor­gen."

 

Hoofdstuk 43

 

Henoch verklaart de woorden van Adam en Kenan

 

1. En zie, toen Kenan klaar was met de vloeiende en sierlijke beschrij­ving van zijn visioen, keken allen hem aan en bogen voor hem; want zij waren ten zeerste verwonderd en wis­ten niet welke betekenis ze eraan moesten hechten.

2. Na lange tijd van verbazing gezwegen te hebben, herstelde vader Seth zich tenslotte en wendde zich met weloverwogen woorden tot de aanwezige kinderen, terwijl hij dan­kend zijn ogen naar de hemel ophief en als volgt begon te spreken: "O Kenan, o kinderen, wat is dat? Wat heeft dat te betekenen en waartoe zal dat leiden?!

3. De geheimzinnige woorden van aartsvader Adam zijn nog nauwelijks in ons verklonken; wij hebben nog geen woord daarvan op verstandige wijze in ons liefdeszwakke hart ontcij­ferd; ja zelfs Henochs laatste donder­preek zweeft: nog als een donkere klu­wen voor al mijn zintuigen: en nu kom zelfs jij, lieve Kenan, met een wereld van akelige dingen, waarvan de zin alleen aan God bekend kan zijn; ja, ik zou zelfs bijna beweren, dat het voor een mens nauwelijks moge­lijk zou kunnen zijn, zijn leven te behouden, als de eeuwige, heilige Vader hem zoveel wijsheid zou doen toekomen om nog de onbegrijpelijke diepe zin van zulke geheimzinnige, verheven dingen te begrijpen!

4. O Kenan, Kenan, waarom moest jij een dergelijk visioen zien en het aan ons arme, zwakke vaderen en kinderen vertellen, en ons daardoor (12 nov. 1840) in verwarring brengen - en ons daar­door armer hebt gemaakt dan wij tevoren waren, omdat wij ons nog niet bekommerden om de in zulke woorden prijsgegeven wegen en raadsbesluiten van de eeuwige heilig­heid van Jehova, waarvan de zin aan geen engel duidelijk kan zijn, zolang de engel slechts engel is, maar toch nooit gelijk kan en zal zijn aan Hem, die ons aller lieve, heilige Vader is, die niet te doorgronden is in ieder van Zijn eeuwige woorden?!

5. 0 kinderen, wat je uit de mond van de lieve Kenan vernomen hebt, zet dat uit je hoofd en erken liever in alle wroeging en deemoed van onze liefdeszwakke harten met mij, dat wij met elkaar tot niets in staat zijn! Ook zal geen van ons allen ooit begeren iets dergelijks te begrijpen, maar wij laten zulke onbegrijpelijke zaken altijd weer over aan God, want Hij zal heus wel weten wat Hij er mee wil; ons heeft Hij het beslist slechts als een zuivere steen des aanstoots gegeven om daarmee ons, arme zwakkelingen, ten eerste te kennen te geven hoe sterk Hij zelfs in een zonnestofje is, en ten tweede dat wij deemoedig in ons­zelf bevestigd zouden vinden dat wij uit onszelf tot niets in staat zijn, maar dat alleen Hij, onze lieve, heilige Vader, altijd alles in allen is!

6. O kinderen, denk over de woor­den van jullie vader Seth na en behoed je daardoor voor iedere ver­zoeking! Amen."

7. En toen Seth zijn weloverdachte toespraak had beëindigd, stapte de  zeer vrome Henoch dadelijk voor de vaderen, boog voor hen en vroeg om toestemming of hij in hun tegen­woordigheid hieromtrent ook enige woorden zou mogen zeggen en dat des te meer, omdat hij op heel bijzon­dere wijze zojuist een innerlijke oproep daartoe had gekregen.

8. Seth keek hem aan en zei: "O spreek, spreek maar, blijde, vrome zoon van de eeuwige lente! Ook jouw donderpreken zijn slechts een verkoe­lende ochtenddauw tegenover zulke ongehoorde zonnebranden uit Ke­nans mond. Het zal ons allen goed doen als je die een beetje zou weten te temperen; daarom spreek je uit - je zou eigenlijk allang iets hebben moe­ten zeggen -, spreek! Amen."

9. En allen stemden met de wens van Seth in en Henoch begon als volgt te spreken: "O lieve vaderen en alle kinderen van God, luister en ver­sta de uit mijn mond komende woor­den goed!

10. Als jullie het willen en kunnen, hef dan je blik op naar de onmetelijke hoogten van de hemel van God, onze allerheiligste, beste Vader en laat dan weer je blik dalen naar de evenzo onmetelijke diepten van dezelfde machtige God, aan Wiens heerschap­pij nooit een einde is! Bedenk, hoe­veel er wel in de hoogte en in de diep­te verborgen mag liggen, waarvan geen mens ooit maar iets heeft kun­nen dromen!

11. Kenan alleen was zo gelukkig, voorzover het mij nu bekend is, om een klein zonnestofje enigszins ont­leed in zijn geest te aanschouwen en onze aartsvader Adam heeft ons even­eens slechts een weinig fijngewreven zonnestof getoond - waarbij je mijn zogenaamde donderpreek buiten beschouwing moet laten - en dat ver­wondert ons reeds in zo hoge en onbegrijpelijke mate! Maar hoe is het dan mogelijk dat wij in staat zijn werelden en zonnen aan onze zwakke ogen voorbij te zien trekken en toch nog in leven te blijven?! Wie heeft ooit het wonder in een grashalm gezien, die zich bescheiden onder onze voetstap buigt?! Welke grootheid en verhevenheid van God ligt daarin besloten en toch trappen wij met onze onwaardige voeten daarop en blijven in leven!

12. Gaat het dan met ons in de geest niet bijna net zo als de kinderen, die ook heel bedroefd naar een hard stuk brood kijken dat hen aangereikt wordt op een tijdstip waarop zij nog zachte melkspijs verwachten?! Moet men hen daarom nooit brood geven, omdat men hen aan zachte kost gewend heeft?! Hoe zouden zij daar­mee tot de kracht van een man gera­ken?!

13. Zie, net zo vergaat het ons nu ook! Terwijl wij nog kinderen met melktanden waren, gaf de heilige Vader ons melk te drinken en een zachte kost die aan onze krachten goed aangepast was; maar nu moeten wij in de geest mannen worden! Zie, dan deugt die slappe kost niet meer, maar de Vader geeft ons nu brood, opdat wij krachtige mannen in Zijn genade zullen worden, zodat wij dan niet alleen naar de dingen kijken, maar ook goed Zijn grote liefde en wijsheid begrijpen en kennen zullen en uit deze twee Zijn meest heilige wil die daarin ligt!

14. Als nu aartsvader Adam ons de weg verteld heeft die zijn eens ver­dwaalde geest doorliep, in en waar­door ook onze geest verdoold en ver­ward geworden was, dan steekt daar toch waarachtig niet zo veel onbegrij­pelijks in! Want de geest moet er toch immers eerder zijn dan het lichaam, evenals God er noodzakelijkerwijs eerder moest zijn dan het een of ande­re schepsel dat uit Hem voortkwam, omdat Hij de oergrond van alle din­gen is! Want voor wat zou anders dit lichaam, dit halfvergane gebouw uit leem wel moeten zijn geschapen, indien noodzakelijkerwijs de reeds lang bestaande geest niet al aanwezig geweest zou zijn, waarvoor toch eigenlijk door God, onze heilige Vader, deze woning ter beproeving van zijn vrijheid, gesticht werd!

15. Een hen heeft toch nog nooit een leeg ei gelegd; wij weten ook maar al te goed dat de inhoud van het ei er eerder moet zijn dan de witte, harde, goedgesloten schaal! Of kan iemand die enige wijsheid bezit, aan­nemen dat de geest pas in het lichaam ontstond en zich daar vormde en ont­wikkelde? Ja, wie daartoe in staat zou zijn, moet toch immers nog duizend maal onverstandiger en veel onwijzer zijn dan iemand die een woning zou willen bouwen voor iemand die er nog helemaal niet is, omdat hij in de dwaze veronderstelling verkeert, dat als de woning er maar eenmaal staat, die wel in en uit zichzelf een bewoner zal verwekken!

16. Waarom dan komt de verwek­king vóór het ontstaan, waarom de man vóór de vrouw? Hoe komt het dan dat wij de wind van verre horen ruisen, terwijl onze bomen er nog rustig bij staan? Maar als de wind bij onze bomen aangekomen is, dan bewegen alle twijgjes. Welnu, moet de wind er dan niet reeds eerder geweest zijn om naar ons toe te komen en onze bomen tot een leven­dig bewegen aan te zetten? De bomen hebben de wind beslist niet verwekt, maar de wind is er vrij overheen gewaaid en bracht hen toen pas tot levendigheid.

17. Zou iemand met rede kunnen beweren dat de een of andere vrucht ter wille van de boom geschapen was, of zou de boom er daarom vroeger geweest moeten zijn, opdat hij eerst een vrucht voort zou brengen?! Waarom zeggen jullie dan dat God allerlei zaden in de aarde heeft gelegd, waaruit daarna allerlei soorten gras, planten, struiken en bomen voortge­komen zijn die de zaadvruchten voortbrachten, waarin de levende zaden weer opnieuw geboren aanwe­zig zijn!

18. Als God echter ons, Zijn kin­deren, in al Zijn talloze wonderbaar­lijke werken de eeuwige ordening toont waarin het leven of de kracht altijd ver aan datgene vooraf moet gaan wat juist daardoor en tenslotte daarvoor ontstaat, hoe zou het ons dan zo hogelijk kunnen verwonderen dat Adam in staat was ons een hoger inzicht in de lange geschiedenis van zijn geest te geven en ons daardoor toonde dat en hoe ook wij daarin ver­vlochten zijn en waren, en al onze nakomelingen tot aan het einde van alle tijden meer of minder zullen zijn. Hij toonde ons daarenboven nog, hoe heilig en groot en toch zo liefdevol, vol genade en barmhartigheid God, ons aller Vader, is en hoe oneindig lankmoedig en toegevend.

19. En als wij dat ervaren, waarom zullen wij dan vrezen, terwijl wij heel goed weten hoe oneindig goed Hij is, die ons dat laat ervaren! Ja, wij zullen en moeten God vrezen - maar niet omdat Hij ons brood geeft, maar wij moeten vrezen, Hem niet lief te heb­ben; want degene die één ogenblik zijn liefde tot God verzuimd heeft, was dood zolang hij buiten Gods lief­de was. Daarom moet onze voor­naamste bezigheid zijn God voortdu­rend lief te hebben, omdat Hij ons naar het getuigenis van aartsvader Adam reeds lang daarvoor zo innig liefhad, dat wij nu datgene wat wij als Zijn kinderen zijn, slechts door Zijn oneindige liefde zijn geworden; en daarom moeten al onze bezigheden erop gericht zijn onze liefde tot God voortdurend te versterken!

20. Kijk naar de talloze schepselen om ons heen! Zij bestaan en ontstaan weliswaar ook uit deze almachtige liefde; maar zij kunnen en mogen deze liefde niet met wederliefde beantwoorden, omdat zij niet rijp zijn voor en in staat zijn tot liefde, - even­als wij onze jongeren de wederzijdse liefde onthouden zolang zij daarvoor nog niet rijp zijn.

21. Maar wij allen zijn rijp gewor­den voor de liefde; daarom moet ook onze voornaamste bezigheid zijn, niet aflatend Diegene lief te hebben die ons volkomen rijp heeft gemaakt om lief te hebben!

22. Wanneer dan een echtgenoot tegen zijn vrouw zegt dat zij hem moet liefhebben in al haar doen en laten, omdat hij haar van ganser harte bemint, mag dat dan ook door een deugdzame knaap tegen een onrijp meisje gezegd worden? Jullie zeggen: 'Bij de heiligheid van God, nee, niet totdat de boom gezegend is! Wee degene die zich daaraan zou vergrij­pen; want eerst moet er de rijpheid zijn, dan de zegen en pas daarna de liefde!'

23. O vaderen, volgens de wil van God hebben jullie volledig gelijk, als je het zo stelt; maar ga eens bij jezelf te rade en beantwoord voor jezelf de vraag of het niet een nog grover falen zou zijn, wanneer de rijpen en geze­genden net als de kinderen zouden doen en zouden vluchten, dan wan­neer de onrijpe kinderen elkaar zou­den beslapen!

24. Door Kenan toonde God ons onze volledige rijpheid aan om Hem uit vrije wil lief te hebben, waarom verbazen wij er ons dan over als waren wij onrijpe kinderen, terwijl wij ons toch veel meer zouden moeten verba­zen dat wij allen tezamen in de liefde lauw en onbestendig zijn als golvend water, waardoor de genade in ons ver­splinterd wordt als de zon op het onrustige oppervlak van het water?!

25. Ik zeg jullie: Kenans droom zegt ons niets anders dan dat wij God, onze heilige Vader uit al onze krach­ten steeds meer lief moeten hebben en vol liefde ieder liefdeloos moment zouden moeten berouwen, dat ons dood gemaakt heeft zolang wij zonder liefde geweest zijn; want leven en 'lie­ven' is een en hetzelfde. Wie leven heeft, die leeft in de vreugde van zijn welbewuste bestaan en is tevens een vriend van zijn leven; maar als iemand geen vreugde meer zou bele­ven aan zijn eigen leven, zou hij immers ook uit het leven treden zodra hij de lust tot leven zou verliezen en dan zou hij zichzelf doden, zodat hij dan een zelfmoordenaar zou worden, net zo als Kaïn een broedermoorde­naar werd. En hij zou bijgevolg tweevoudig sterven, ten eerste buiten Gods liefde en verder buiten zijn eigen liefde.

26. Zie, ons leven of onze liefde is in God en God is alleen onze liefde en ons leven; maar indien wij zwak en lauw worden in onze liefde tot God, wordt ook ons leven steeds zwakker, zo zelfs, dat wij in deze toestand waar­in het leven zwijgt, de dingen in en om ons tenslotte zouden aanschou­wen alsof wij blind en doof zouden zijn. En wij zouden van alles wat er in en om ons omgaat niets begrijpen en als dan de heilige Vader ons, die lui en ook traag zijn in de liefde, met Zijn genade komt wekken, menen wij dat het niet gepast zou zijn in liefde te ontwaken. 0 lieve vaderen, dat moet ver van ons zijn; want onze God is een heel ernstige God en uitermate heilig als onze liefdevolle Vader en Hij beleeft geen vreugde aan plagerij­en en verzoekingen; want waarom zou Diegene ons verzoeken die reeds lang van tevoren al onze haren heeft geteld, zelfs nog voordat die op ons hoofd gegroeid waren?! Zou Hij niet weten wat wij zullen doen? - O, daar­aan heeft Hij geen behoefte!

27. Maar wij hebben des te meer Zijn genade nodig; genade is echter geen geplaag noch een verzoeking, maar zij is de zuivere gezegende gave van de heilige Vader om ons zwak geworden leven hoe langer hoe meer te versterken in Zijn liefde. 0 vade­ren, bekijk nu met de juiste liefde tot God, onze heilige Vader, het visioen van Kenan en jullie zullen makkelijk inzien, dat God ons daardoor in de geest niets anders heeft laten zien dan de dodelijke zwakte van onze liefde tot Hem! Laat ons daarom weer sterk worden in de liefde in en tot Hem, dan zal ons alles weer duidelijk wor­den, wat tot dusver duister voor ons gebleven is! Amen."

 

Hoofdstuk 44

 

De verklaring van Adam over zijn zwakte

 

1. En toen Seth dat had gehoord, begonnen zijn ogen open te gaan, evenals de ogen van de anderen; want zij begrepen nu allemaal goed wat Henoch ermee had willen zeggen en zij waren ermee tevreden, omdat zij inzagen dat Henoch zulke dingen, die voor hen allen zo geheel en al onbe­grijpelijk waren, begreep. En met een eenvoudig hart prezen en loofden zij Mij innig, omdat Ik voor hun heil aan een mens zoveel wijsheid had ver­leend en hen dingen uit de hoogte en uit de diepte getoond had, en omdat ik voor het geestelijk welzijn van diegenen die Mij met ware liefde zoch­ten, de verborgen zin onthuld had.

2. (N .B. Vele en veel grotere din­gen zijn nu ook al aan jullie gegeven; maar er is nog niemand echt in zijn hart naar Mij toegekomen om Mij te loven en in ware liefde te prijzen en om zich bovenmatig te verheugen over die grote nu zo rijkelijk neerstro­mende genade. En niemand hunkert heimelijk naar de inwijding van de knecht die een werktuig van Mijn genade moet zijn voor nauwelijks meer loon dan Mij in ware liefde te dienen, zoals ieder van jullie zou moeten doen. Ik heb ten aanschouwe van de wereld voor jullie er slechts één tot dwaas gewekt, opdat jullie tot grote eer verheven zouden mogen worden voor de engelen en deze ene is Mijn zwakke, arme knecht (J.Lorber). Hij is een dwaas, die vroegtijdig van het platteland naar je toe is gekomen en hij verkeerde lange tijd onder jullie en niemand werd gewaar dat hij voor de wereld een dwaas is. Maar de dwaas zocht Mij en Ik heb Me door hem laten vinden en heb hem voor jullie ogen opgewekt, opdat hij een lastdier voor je zou worden en jullie een nieuw brood uit de hemelen zou

brengen. Het is een waarachtig brood, omdat het liefde geeft en lief­de eist. Maar als het lastdier zich op Sion op een drassige weg bevindt, ga dan naar hem toe en neem gretig het brood uit zijn korf; maar jullie bekommeren je weinig om zijn voe­ten, terwijl deze voor het merendeel ter wille van jullie tot aan de enkels in de taaie leem vastzitten! Ik zeg je ech­ter, indien het brood en het water van het leven je goed smaakt, laat het goedmoedige lastdier dan niet in de steek! Laat degene die er toe in staat is, zijn voeten uit de drek bevrijden zonder dat de wereld het merkt; want anders zullen in de loop van de tijd, als hij bij je zal blijven, zijn voeten uit angst zo zwak worden dat hij nauwe­lijks in staat is het brood voor je te dragen, tenzij Ikzelf hem daarvan bevrijden zal, maar dan zal Ik hem ook leiden waarheen Ik wil. Ik zal hem dan echter nooit bij jullie laten; want Ik heb weliswaar nog veel kin­deren, maar daar zijn er weinige onder die zich als dwaas zouden laten gebruiken. Want het is beter en gemakkelijker van het brood te eten wanneer het reeds toebereid is; maar het is moeilijker om zich uit liefde tegen een gering loon als lastdier voor de ploeg te laten spannen. Bedenk dat wel en loof en prijs Mij door gehoor­zaam te zijn! Wie van jullie daar iets aan doet, zal nooit een stuiver verlie­zen en het zal hem te gelegener tijd tijdelijk en eeuwig vergoed worden; Maar de knecht zal aan degene die het zou willen doen, zeggen waarin zijn voeten vastzitten. Amen.)

3. Nadat allen Mij een uur lang geloofd en geprezen hadden, stond Seth weer op, liet de anderen ook opstaan en zei tegen hen: "Kinderen, onze Henoch heeft met de zichtbare genade van boven zware lasten van onze gekwelde harten getild en die met kracht in een onpeilbare diepte van verrukking en zaligheid geslin­gerd; God, onze meest heilige, beste Vader, zij daarvoor eeuwig geloofd en geprezen! Maar omdat ter wille van ons zoiets aan Henoch werd gegeven als gevolg van zijn uitmuntende dee­moed voor God en voor de broeders ­en wat hij ontvangen heeft, heeft hij ons allemaal zonder iets weg te laten getrouw weergegeven -, als wij dan nu met een vrolijk gemoed God, onze heilige Vader, loven en prijzen, dan geloof ik dat wij derhalve Henoch in onze liefde en vreugde niet moeten vergeten! Want daar hij een lieveling van God is geworden, zou hij dan ook niet de onze zijn?!

4. Ofschoon wij wel weten dat het­geen hij ons zegt allemaal van boven komt, geloof ik toch, - terwijl wij ach­ting moeten hebben voor de plaats, die ons aller vader Adam en moeder Eva nu innemen -, dat het nog gepas­ter zou zijn, de mond waardoor God Zelf tot onze harten gesproken heeft niet buiten beschouwing te laten.

5. O kinderen, laten wij toch Henoch in ons midden opnemen en hem de magere aarde niet meer laten bewerken, opdat zij hem een harde hap oplevert, - maar omdat God, onze allerheiligste Vader hem in Zijn oneindige liefde genadig tot bewerker van onze aan liefde schortende harten gemaakt heeft, laten wij dan voor hem de aarde laten bewerken door onze vele andere zonen en dochters, die weliswaar allemaal krachtige lede­maten, maar daartegenover des te zwakke re harten hebben.

6. Jij, lieve Henoch, moet dan ook gewillig en dankbaar aannemen wat jouw vaderen je uit grote dankbaar­heid, lof en prijs tot God zouden wil­len geven, zodat je alle tijd zult heb­ben om naar de heilige wil van God al onze harten ijverig te bewerken.

7. En nu kinderen, volg mij naar mijn woning en laten wij in de naam van onze heilige Vader de inwendige mens met spijs en drank versterken en misschien wil onze lieve Henoch ons dan weer wat vertellen over de liefde. Amen."

(26 nov. 1840)

8. En toen Seth dat zijn kinderen had aanbevolen, gingen zij meteen op weg naar Seths woning, die in de nabijheid van Adam’s woning was opgezet. En toen zij daar aankwamen, bogen allen voor de woning van Adam en toen pas voor de woning van Seth en zij bezochten daarna voor korte tijd de aartsvader en aartsmoe­der en lieten zich voor de maaltijd door Adam zegenen, iets wat dagelijks bij de aanwezigen pleegde te gebeu­ren, maar voor hen die van verre kwa­men, werd een meer algemene vrije zegen uitgesproken. Nadat zij dat gedaan hadden en zich vol eerbied en warm van dankbaarheid wilden ver­wijderen, zie, toen zei Adam ontroerd met een reeds erg trillende, hartroe­rende stem:

9. "Lieve kinderen en jij mijn geliefde Abel-Seth! Ik, jullie vader Adam, heb je nu gezegend en jullie gaan heen om je ledematen met spijs en drank te versterken, - en dat jullie dat doen is immers terecht en wel gedaan; maar zie, ik ben al heel oud en zwak geworden evenals moeder Eva, en ik kan niet meer werken. Al mijn ledematen weigeren dienst; jul­lie weten dat ik nog altijd gewerkt heb en niet wilde hebben dat iemand voor mij zou hebben moeten werken, teneinde daarmee iedereen het goede voorbeeld te geven.

10. Maar vandaag ging het niet meer. Toen jullie allen niet in staat waren te werken, werkte ik, je vader, met de genadige hulp van onze grote, heilige Vader voor jullie allemaal; maar nu ben ik daar niet meer toe in staat!

11. Kinderen, ik heb honger en dorst; als jullie je verzadigd hebben, gedenk dan ook je oude vader en moeder met een kleine versterking en geef ook mij wat te eten en te drin­ken, en zorg voortaan voor ons! En wat jullie voor ons, je ouders, doen, doe dat uit liefde, opdat de door jullie aangereikte hap niet hard en bitter zijn zal, maar je oud en zwak gewor­den ouders goed zal smaken; want jullie zullen deze kleine last niet lang meer hoeven te dragen, omdat ik, je zwakke vader, je altijd zegenend, zeker niet lang meer te midden van je in deze woning zal wonen, maar deze voor eeuwig zal verlaten en een ande­re woning betrekken, dezelfde waarin Abel getrokken is. Zorg daarom met vreugde voor mij, je oude, zwakke vader en eveneens voor je moeder, zolang wij nog in jullie midden verke­ren; want na enkele jaren, die spoedig verstreken zullen zijn, zullen jullie treurend hem zoeken, die je nu in zijn onbeholpen zwakte om spijs en drank vraagt, - maar zijn woning zal nooit ergens op de wijde wereld te vinden zijn. Nu, lieve kinderen, ga in de naam van God, begeleid door mijn zegen en versterk de inwendige mens; maar vergeet je oude, zwakke, honge­rige vader en eveneens oude, zwakke moeder niet! Amen."

12. Toen deze rechtschapen kinde­ren die woorden van Adam hadden gehoord, werden hun gevoelige har­ten zo geroerd, dat allen luid gingen wenen en lange tijd niet in staat waren zich te herstellen. Eindelijk stond Seth op en zei uitermate ont­roerd:

13. "Vader! Kinderen! Zolang de aarde draait en de hemel met zijn sterren de maan en de zon omspant, is er door de mond van een mens nog nooit zo'n heilig woord uitgesproken als dat, wat ik, na Adam jullie aller vader, nu zal uiten. Ik zeg: eer zullen alle sterren uit de hemel vallen en de zon en de maan voor eeuwig hun licht ontnomen worden; alle zeeën, meren en rivieren tot op de laatste druppel verdrogen en de hele aarde een kale steen worden: ja, dat alles zal eerder gebeuren dan dat ooit bij ons tevoren de begeerte op zal komen een hap in de mond te steken, aleer onze vader Adam en onze moeder Eva op ieder moment van de dag toereikend verzadigd zijn!

14. 0 vader en moeder, jullie weten immers toch van vroeger hoe zeer ik mij altijd verheugd heb als je in de dagen toen je nog krachtig was, iets van mij wilden aannemen; maar hoeveel groter is mijn vreugde nu jul­lie onze verzorging nodig hebben, zodat de genadige gelegenheid zich toch nog aan mij voordoet om met de allergrootste liefde ook maar het aller­geringste deel van mijn overgrote schuld te delgen en, o vader en moe­der, aan jullie het kleinste deel van je grote weldaden af te doen! O vader en moeder, neem het genadig op en ver­blijf zegenend onder ons tot aan het einde der tijden!

15. En jullie, Enos en Kenan, rep je naar mijn woning en haal meteen de beste spijzen en verse dranken en zeg tegen mijn vrouw Jeha, jullie moeder, dat haar vader Adam en haar moeder Eva daarnaar talen en breng haar hier, opdat ook zij beloven zal wat ik in het aangezicht van God zojuist heilig gezworen heb! Ga nu en kom meteen terug! Amen, amen, amen.

 

Hoofdstuk 45

 

Adam zegent zijn kinderen

 

1. En zie, nauwelijks was er een tijd van honderd slagen van het hart ver­streken of de beide afgevaardigden met de wenende Jeha aan hun zijde, betraden vol eerbied, voorzien van spijs en drank de woning van Adam. Eerbiedig reikten zij het voedsel aan Seth, opdat hij, neerknielend voor Adam en Eva, hen als de meest waar­dige datgene zou kunnen overhandi­gen waarnaar zij verlangden, en hij deed dat met de grootste kinderlijke liefde en de grootste vreugde.

2. En zie, toen Adam de grote bereidwilligheid en de grote liefde van zijn kinderen zag, sloeg hij nog voor hij een hap had genomen zijn ogen op naar de hemel en zei: "O, grote, goede, boven alles heilige Vader, hoe groot toch moet Uw liefde voor ons zwakke, ongehoorzame mensen zijn als reeds de kleinste vonk van Uw oneindige liefde mij, oude en zwakke eerste mens op aarde, zo mild en heerlijk uit mijn nakomelingen en Uw kinderen tegemoet straalt! O Vader, zie vanaf Uw heilige hoogte met genade neer op Uw zwakke, gevallen zoon, wiens val al zijn nako­melingen meegesleept heeft en zegen in Uw mildheid ook de lieve gave van mijn nakomelingen en Uw lieve kin­deren, zodat deze mij en mijn trouwe vrouw sterken mogen in ons voortdu­rend berouw over onze ongehoor­zaamheid tegenover U, o Gij meest heilige, goede, liefdevolle Vader! Zegen echter ook deze lieve kinderen van U en laat het in Uw genade gebeuren, dat Uw heilige naam te allen tijde geprezen, geloofd en ver­heerlijkt zal mogen worden! Amen."

3. Toen Adam die woorden had uitgesproken, nam hij de aangeboden spijzen en at en dronk, samen met Eva, welgemoed en vol dankbaarheid tegenover Mij en vervuld van vriende­lijkheid tegenover zijn kinderen. Maar de kinderen dankten Mij in stil­te in hun hart voor de grote genade dat Ik hen waardig bevonden heb, opdat zij nu met grote vreugde voor hun ouders mochten zorgen. - Zie, dat waren in Mijn ogen echt lieve kinderen, waarvan er tegenwoordig op de geheel verdorven aarde nog maar weinig zijn; 0, dat waren nog eens kinderen naar Mijn hart! Waren er toch maar veel meer van zulke kin­deren, 0, dan was Ik niet zo'n onzichtbare Vader voor hen als Ik nu helaas voor zo heel velen moet zijn, opdat zij in hun verstokte verblinding niet geheel te gronde gaan! ­

4. En toen Adam en Eva in het bij­zijn van hun uit liefde nog steeds wenende kinderen zich hadden verza­digd, stond Adam op en dankte Mij met een hart vol ontroering en wend­de zich, nadat hij zijn dankzegging beëindigd had, tot zijn kinderen en zei met een buitengewoon vriendelij­ke stem, die trilde van ontroering: "Gods zegen en mijn zegen moge altijd met jullie en je nakomelingen zijn. En zolang als de aarde aarde blijft, zal tot aan het einde van alle tij­den jullie nu zo plechtig gezegende geslachtslijn voortbestaan; en aan hun die ooit rechtstreeks van jullie af zul­len stammen, zal mijn oervaderlijke zegen uit God als onze meest heilige Vader in hun doen en laten goed zichtbaar zijn; en eens zal mijn zegen over jullie allen zichtbaar worden als een nieuwe opgaande zon van liefde en genade uit God, de Vader, over alle volkeren der aarde, die dan de grote heerlijkheid van Gods onmetelijke liefde en zachtmoedigheid zullen zien neerdalen als een leven van al het leven! Amen. - En ga nu, lieve kinde­ren en versterk je en laaf je onder Gods en mijn zegen! Amen."

5. En Seth stond op en zei: "O, lieve vader en lieflijke moeder! Het zou ongepast zijn dat, al zouden jullie ook maar een halve dag honger heb­ben geleden, wij uit grote liefde voor jullie niet ook het onverdiende onge­mak met jullie zouden delen, want daaraan zijn wij schuldig, omdat wij pas zo laat naar jullie toegekomen zijn; laat ons daarom uit grote liefde voor jullie en door jullie en met jullie tot God, vandaag geen spijzen meer tot ons nemen, opdat wij in staat zijn God des te zuiverder en waardiger te loven en te prijzen in onze zeer geluk­kige nuchterheid! O vader, neem ons kleine, terechte offer in genade aan; en veroorloof dan jouw nakomeling Henoch om voor jou en ons over de liefde van God te spreken, opdat zijn mond ook door jouw zegen geheiligd zal mogen worden, zoals die in onze aanwezigheid door God geheiligd werd door je overleden zoon Abel! O vader, voldoe genadig aan mijn vrome wens! Amen."

6. Toen Adam dat gehoord had, was hij tot tranen geroerd en zei: "O kinderen, mogen jullie in het doen van het goede nooit beperkt worden! Doe altijd dat waar je baat bij hebt; maar doe, wat je ook doet, niet tot mijn eer, maar altijd ter ere van God, en vergeet je vader niet in zijn grote nood en gedenk altijd de zwakte van je moeder!

7. En jij, lieve Henoch, daar je door God middels mijn liefste Abel tot redenaar en prediker van de liefde gezegend bent, wees daarom ook in je hele nakomelingschap door mij geze­gend en moge eens voor alle volkeren der aarde uit jouw lijn een groot Prediker opstaan, die met de woorden van het eeuwige leven aan de mensen het rijk van God zal verkondigen! Amen. - En spreek nu met je gezegen­de mond! Amen."

8. Toen Henoch nu zo'n krachtige aanmoediging had gekregen, werd hij buitengewoon blij en opgewekt en dankte in zijn hart eerst Mij; toen knielde hij voor Adam neer en kuste zijn voeten en het kleed van Eva en bad daarna innig tot de oerstamvader om hem zijn zegenende vaderhanden op zijn hoofd te leggen, zodat pas daardoor zijn zwakke tong waardig geacht mocht worden woorden van liefde te spreken voor en aan het oor van diegene die eens die woorden uit de mond van de eeuwige Liefde Zelf had vernomen, ja voor en tot de geheiligde oren waarin Gods stem zo dikwijls was doorgedrongen.

9. Adam deed wat Henoch wenste en zei toen tegen hem: "Lieve Henoch! Jouw vraag was juist gesteld, zodat deze voor God en mij welgeval­lig is en het is zoals jij hebt gezegd; maar één ding dat voor jou niet beta­melijk was geweest te denken, laat staan te zeggen, moet ik hier aan toe­voegen en dat is: voor en tot wiens oor Gods heilige stem eens tevergeefs in de allerhoogste liefde sprak!

10. Zie, lieve Henoch, het is, zoals voor ieder van jullie, mijn plicht ten aanhoren van iedereen de eigen fou­ten te bekennen en mij voor God en de aarde te vernederen; maar wee degenen die de naam van zijn broeder zou kleineren en hem zijn eer zou ontnemen, die God Zelf hem gegeven heeft! Zo'n eer is dus van God uit ieders eigendom en niemand heeft het recht zo' n geheiligd eigendom van een ander met woord of daad aan te tasten; maar iedereen heeft het recht zich voor God en de aarde te verdee­moedigen, dat wil zeggen voor zijn volwassen broeders, - maar niet voor hen die nog niet mondig zijn, opdat deze niet hoogmoedig of op een andere manier onaangenaam getrof­fen zullen worden.

11. Laat dit voor jullie allen een goede leer zijn en voor mij een grote geruststelling, waardoor ik nu pas zelf goed in staat zal zijn Gods woord uit Henochs gezegende mond goed in mij op te nemen! Want het is wat anders als de ene broeder tot de ande­re spreekt over de aarde, de maan, de zon en alle sterren - want dat zijn wereldse zaken die allemaal omwille van mij en jullie werden geschapen, dan wanneer een broeder tegen de ander woorden vanuit God spreekt over zaken die God aangaan; die kan en zal niemand eerder aanhoren, dan dat hij zich vernederd heeft voor de alles richtende heiligheid van God.

12. Maar wie zou menen dat de broeder vanuit zichzelf en niet vanuit God spreekt, als zijn tong gezegend werd die zou in zijn eigendunk het gericht over zichzelf uitspreken, omdat hij denken zou dat ook hij zo goed was en God immers door ieders mond zou kunnen en moeten spreken en het zou nu niet bepaald die van Henoch moeten zijn; maar dat zeg ik je, als jullie aller lijfelijke vader en als de verwekker van je ziel vanuit God: zo ligt het niet! Kijk naar de bloemen op het veld! Is niet elke anders van vorm, kleur, geur en in het gebruik ­en van allen is toch alleen de roos met haar heerlijke geur en haar voor ieders zwakke ogen versterkende dauw de edelste, indien van tevoren het hart door de geur verkwikt werd?! En als je naar de talloze sterren aan de hemel kijkt, zul je bij nauwkeurige beschou­wing opmerken dat er ook niet twee hetzelfde licht hebben; maar één onder al die sterren, die hun groep niet verlaten en die je 'ster van Abel' noemt, is het die straalt als een helde­re dauwdruppel in de morgenzon! Het is voor God hetzelfde of het nu om een zonnestofje of om een zon gaat en het is voor Hem hetzelfde om een mug of een olifant te voeden; want als iemand veel heeft, kan hij daarvan met dezelfde wil en dezelfde liefde aan groot en klein geven: veel aan degene die veel nodig heeft en een kleine gave aan degene die maar weinig nodig heeft, en hij kan ook velerlei gaven uitdelen, aan de een dit en aan de ander dat en zodoende aan iedereen wat anders. Maar Henoch werd begiftigd met liefde en kreeg een gezegende tong en een zeer verlicht hart; daarom moet hij ook geven wat hij ontving. En daar Gods liefde zijn aandeel werd, moet hij nu ook liefde teruggeven, evenals de roos dat wat zij ontving teruggeeft en niemand twij­felt eraan, dat zij van tevoren van God gekregen heeft wat zij geeft, omdat het een goede gave is die onze zintui­gen goed doet. Wie zou ooit kunnen twijfelen vanwaar Henochs gave komt, wanneer zijn tong van louter liefde voor God beeft?!

13. Daarom spreek, Henoch, en sterk ons, je vaderen, met de over­vloed van jouw genade uit God! Amen."

 

Hoofdstuk 46

 

Over het komen van de Heer

 

1. En zie, toen vader Adam zijn rede had beëindigd, stond Henoch vol eerbied op en begon tot de vade­ren te spreken. Maar voor hij werke­lijk begon, keerde hij zijn liefhebben­de hart in stilte tot Mij en bad Mij om de genade dat het hem nu ver­gund zou mogen worden te spreken over Mijn liefde en de heiligheid van Mijn naam, onuitsprekelijk voor ieders tong, omdat die zo heilig is.

2. En Ik gaf hem ook meteen waar­om hij Mij gebeden had en zijn stem maakte Ik zo welluidend als zuiver brons, en zo sprak hij een rede uit vol waardigheid en lieflijkheid, en voor en na hem werden door geen mense­lijke tong woorden gesproken die hierop leken, tot aan Mozes en alle profeten die eveneens met Henochs tong en uit dezelfde geest gesproken hebben. Deze rede luidde als volgt:

3. "O vaderen! De grote genade van God, onze meest heilige Vader, is onder ons gekomen als een verkoe­lend zuchtje, ontvloden aan de verre morgen. Ja, de heilige, eeuwige Vader is onder ons! Jij, aartsvader Adam, zult misschien zeggen: Henoch, luis­ter, dat kan niet waar zijn; want de Heer heeft tegen mij gezegd: 'Zien zul je Mij niet meer, maar Ik zal een engel aanstellen die je zal leiden, voeren en beproeven tot aan de tijd die Mij wel­gevallig is!' Maar vader Adam, stel dat een van de mannen een zwakke vrouw zou hebben, die op een zonni­ge morgen het van liefde verblijde gezicht van de haar diep beminnende echtgenoot zou hebben verduisterd omdat zij hem niet in het vertrek wilde volgen, opdat zij de zegen van God zou ontvangen, waarna de zon

op zou gaan en uit God de aarde zege­nen met de heldere stralen van Gods barmhartige liefde! Als dan de echtge­noot deze ongehoorzaamheid aan de liefde bemerkt, zal hij zeggen: 'Vrouw, wat moet ik met jou begin­nen, wanneer jij Gods genade en kracht in mij verafschuwt en je boven Gods zegen verheven voelt?! Zie, ten einde te voldoen aan Gods heiligheid in mijn kracht, verlaat ik jou en je zult niet eerder een zegen ontvangen, dan dat de zon je zeven duizendmaal heeft aangezien en je steeds badend in tranen van berouw heeft aangetroffen! Dan zal ik in mijn plaats iemand stu­ren, opdat hij je uit mijn naam zal zegenen; en als jij een nieuw mens geworden zult zijn, zal ik terugkomen en je van verre aanzien of je het waard geworden bent, dat ik je met mijn zegenende kracht zal aanraken. De herinnering aan mij zal je omringen en op je akker zullen doornen en dis­tels groeien; maar het zaad waaruit een spruit uit God zou kunnen komen, zal dan niet meer binnenin je zijn!'

4. Nadat de echtgenoot dat gezegd zou hebben, zou hij zijn vrouw verla­ten. En als dan de vrouw een dergelij­ke heilige ernst zou bemerken, zou zij zich op de grond werpen en beginnen te huilen en te weeklagen over haar­zelf en haar onvergeeflijke ongehoor­zaamheid tegenover haar echtgenoots heilige kracht uit God en zij zou zich van treurigheid in het stof van de aarde wentelen. Daar de echtgenoot nu de grote ernst van het berouw van de vrouw zag, zou hij bij zichzelf zeg­gen: 'Zij heeft een geweldig berouw over haar zonde en weet zich geen raad en weet niet wat ze moet doen tegenover mijn gestrengheid die een bescherming vormt voor de heilige, vanuit God bij mij horende kracht, en haar gejammer doet de stem van mijn afgezant verstommen. Daarom zal ik het harde woord in mijn hart breken en mij alleen door mijn zeer toegevende liefde laten leiden en vóór de tijd naar haar toegaan en haar troosten en ik wil haar aanraken en haar tranen drogen en haar weer als mijn vrouw aannemen!'

5. Maar de vrouw, die zich bijna blind heeft gehuild, herkent pas gelei­delijk de grote barmhartigheid van haar echtgenoot, staat tenslotte op en kijkt overgelukkig en verbaasd naar het gelaat van haar man. De man ver­maant haar dan en zegt: 'Vrouw, je bent verbaasd dat ik mijn woord heb gebroken, maar zie, mijn liefde heeft mij mijn woord doen breken en mijn gestrengheid ontfermde zich over je, omdat je deze zo gematigd hebt door jouw berouw, en zo ben ik vóór de gestelde tijd tot je gekomen om je weer in mijn hart op te nemen!' ­

6. O zie, vader, hoe deze echtge­noot uit grote liefde zijn woord zou breken en zijn hardheid zou vergeten tengevolge van het grote berouw van zijn vrouw. Zo pleegde ook God, onze allerheiligste Vader, uit onmete­lijk grote liefde reeds heel dikwijls woordbreuk en hield zich niet aan Zijn gerechte gestrengheid, en Zijn toorn is de toorn van een duif ten opzichte van de boetvaardigen; maar Zijn liefde is als een krachtige bron die de wereldzee ononderbroken voedt!

7. O vaderen en ook jij moeder Eva, sla jullie ogen op en aanschouw de grote Heilige die onder ons is - ja kijk naar de liefdevolle, zich niet aan Zijn woord houdende Vader die onder ons, Zijn kinderen, is!

8. O Vader, mijn rede is ten einde en moge nu Diegene die mij deze woorden ingaf, spreken; want mijn tong verstomt voor Hem!

9. O Gij heilige Vader, zegt U Zelf in Uw liefde het grote Amen!"

10. En zie, zoals Henoch het over­bracht, was het ook en Ik sprak voor allen zichtbaar het grote Amen. En toen zij Mij in 't oog kregen vielen zij allen voor Mij neer en in het stof aan­baden zij Mij, hun heilige Vader, met grote wroeging in hun hart. En geen van hen durfde zijn ogen op te slaan; maar Ik riep hen allen bij naam en gebood hen hun hoofden op te hef­fen, opdat zij hun heilige Vader mochten herkennen. En zij keken op en Adam herkende Mij en wilde spre­ken; maar zijn tong gehoorzaamde niet aan zijn grote liefde en Ik had medelijden met deze zwakke kinde­ren en daarom verbleef Ik een tijdlang te midden van hen.

(18 dec.1840)

11. En zie, zo was het dan, dat nie­mand het aandurfde en ook door te grote vrees en liefde geheel niet in staat was, ook maar één woord over zijn lippen te brengen. En Ik had zo' n medelijden met een dergelijke armoe­de en grenzeloze schroom, dat Ik hen moed en kracht inblies, opdat zij in staat zouden zijn de donderende klank van Mijn stem te verdragen en de hogere zin van dergelijke woorden uit de mond van de eeuwige liefde goed te begrijpen, die zich als een grote vloed uitstortten uit de oerbron van al het worden en zijn.

12. Toen nu al hun zintuigen aldus waren gesterkt en daardoor ook hun ziel en hun geest, stond Adam op, ondersteund door zijn kinderen en zei vol liefde en deemoedig vertrouwen: "0 Gij heilige Vader, U die de eeuwi­ge liefde Zelf bent, U heeft ons, die allen met zonde beladen zijn, genadig mild en vol liefde in Uw grote barm­hartigheid aangezien; daarom waag ik het, arme knecht der zonde in mijn oneindige nietigheid voor Uw aange­zicht, U met bevend hart te bidden en te vragen: 0 heilige Vader! Waar is aan ons nog een levende vezel te vin­den, die ook maar enigszins waardig is om juichend van te kunnen zeggen: omdat ze nog onbedorven was, bent U er of wilde U naar ons toekomen?!

13. Maar al onze haren zijn slecht geworden en elke vezel van ons leven nutteloos! O wilt U ons genadiglijk openbaren wat toch Uw liefde bewo­gen heeft, zo genadig tot zo'n diepte af te dalen!

14. O allerheiligste Vader, neem onze door wroeging ingegeven beden en vragen niet zonder genade aan; maar zoals altijd geschiede ook dit­maal Uw meest heilige wil!"

15. En zie, toen Adam dat uit het diepst van zijn hart in Mijn aanwezig­heid had gezegd, vielen allen weer op hun knieën en aanbaden Mij in hun voor mensen onuitsprekelijke liefde; Ik kwam echter dichter bij hen en liet ze, nadat zij hun liefde voldoende geuit hadden, opstaan en hun ogen en oren openen en Mijn woord dui­delijk horen.

16. En pas toen dat gebeurd was, richtte Ik het volgende woord tot hun harten, dat zintuiglijk of natuurlijk aldus luidde:

17. "Kinderen, luister! Aldus spreekt Hij, die jullie een onsterfelijke ziel en een levende geest uit Zichzelf heeft gegeven, opdat jullie Mijn grote liefde voor jullie zullen kennen. Ik wil jullie eenmaal het eeuwige leven geven uit jullie liefde tot Mij en uit Mijn liefde tot jullie, wanneer de grote schuld van de Liefde deze schuld aan de Heiligheid gedelgd zal hebben in een tijd, die ik daartoe eerst uit Mij zal maken. Zoals Ik jullie allen gemaakt heb uit Mijn barmhar­tigheid, zo zal Ik ook deze tijd berei­den uit Mijn liefde.

18. Zoals Ik nu een Geest van genade in je midden ben, zal Ik dan een mens onder de mensen zijn, ver­vuld met de hoogste liefde. Zo zien jullie nu ook in, dat Ik, je Vader, als een hoge, eeuwige geest met alle kracht en macht tot je gekomen ben en jullie weten goed dat Ik het ben, die nu hierover tot je spreekt. Toch zullen je latere kinderen Mij niet meteen herkennen in de zwakke, arme broeder die onder hen is, en zij zullen Mij vervolgen en gruwelijk mishandelen en zullen met Mij doen wat Kaïn Abel aandeed. Maar het zal moeilijk worden de Heer van het leven te doden; want Mijn schijnbare dood zal aan al diegenen het eeuwige leven geven die zullen geloven dat Ik het ben die als een machtige redder onder hen ben gekomen, bekleed met alle macht van de liefde om de schuld te verzoenen, die jullie ongehoor­zaamheid over je heeft gebracht, zoals ook over de gehele aarde en over alle sterren - want ook daar zijn kinderen die bij het oerbegin uit jou, Adam, zijn voortgekomen. Maar die onge­hoorzaamheid zal voor de ongelovi­gen en de halsstarrigen in hun boos­aardige eigenliefde tot een eeuwig gericht en zodoende ook tot een eeu­wige dood worden.

19. En zo zal Ik zevenmaal komen; maar de zevende maal zal Ik in het vuur van Mijn heiligheid komen. Wee dan degenen die onzuiver bevonden worden! Deze zullen voor­taan niet meer bestaan, dan in het eeuwige vuur van Mijn toorn!

20. Zie, in het begin van de wereld was Ik reeds eenmaal hier om alle dingen te scheppen ter wille van jul­lie, en jullie ter wille van Mij. In grote watervloeden zal Ik spoedig terugko­men om de pest van de aarde af te wassen; want de dalen van de aarde zijn Mij een gruwel geworden vol met vuil slik en vol pest, die uit je onge­hoorzaamheid is ontstaan. Daar zal Ik ter wille van jullie komen, opdat niet de gehele wereld te gronde gaat en er een geslachtslijn zal bestaan, Wier laatste telg Ik zal zijn.

21. En Ik zal voor de derde maal verschillende keren komen, zoals nu ongeteld tot jullie, nu eens zichtbaar, dan weer onzichtbaar in het woord van de geest om Mijn weg voor te bereiden. En Ik zal als de nood hoog is, voor de vierde maal in een stoffe­lijk lichaam komen, in de grote tijd der tijden. En Ik zal meteen daarop voor de vijfde maal komen in de geest van liefde en wijding voor allen. En Ik zal voor de zesde maal innerlijk komen tot een ieder, die een waar en ernstig verlangen naar Mij in zijn hart zal dragen en Ik zal een Leider zijn voor diegenen die zich vol liefde in hun geloof door Mij naar het eeuwige leven laten trekken. Maar Ik zal dan ook ver van de wereld zijn; maar wie opgenomen zal worden, die zal leven en Mijn rijk zal voor eeuwig met hem zijn.

22. En tenslotte zal Ik nog eenmaal komen, zoals reeds gezegd; doch dit laatste komen zal een blijvende komst voor allen zijn, op welke manier dan ook!

23. Luister en begrijp goed: blijf in de liefde; want die zal jullie redder zijn! Bemin Mij boven alles, - dan zal je leven voor eeuwig zijn; bemin elkander echter ook, opdat het gericht je kwijtgescholden wordt! Mijn genade en Mijn eerste liefde zij met jullie tot aan het einde van alle tijden! Amen." - En hun ogen werden gesloten.

 

Hoofdstuk 47

 

Over de grootheid en de diepgang van Gods woord

 

1. Toen zij weer geheel zichzelf geworden waren, stond Adam op en zei tegen de kleine groep aanwezigen: "Kinderen, hebben jullie het nu met eigen ogen gezien en met eigen oren gehoord? Ja, jullie hebben de Heer der eeuwigheid gezien, de God van de oneindigheid, ja, onze meest liefde­volle, heilige Vader heb je gezien en Zijn onuitsprekelijk zoete stem gehoord! Ja, Hij is zoals Hij was toen ik Hem zag, en dat was nog eer Hij gezien werd door een sterfelijk oog, dat nu omhuld is door de drievoudige nacht van de dood. En Zijn stem is dezelfde onveranderde stem vol macht en kracht. Door haar oneindig zoete klank verlieten zonnen en werelden gehoorzaam hun niet-zijn en in onbegrensde eerbied dat en daar werden, wat en waar zij zijn, ja door die klank werd zelfs de machtigste en grootste geest wat hij nu is: een onmachtige worm in het stof van de aarde, hier voor je ogen; want ikzelf ben als een ellendig, slecht, ondank­baar schepsel op zijn plaats gekomen door en vanuit mijzelf!

2. O kinderen, zie toch hoe buiten­gewoon goed onze God, ja onze meest liefdevolle, heilige Vader is! Zie, deze grote geest, wiens plaats ik arm en zeer zwak stoffelijk mens nu

inneem, was geroepen om een broe­der van de eeuwige liefde van de hei­ligheid van de Vader te zijn; maar de met eigenliefde vervulde ongehoor­zaamheid dreef deze grote, machtige geest hierheen, in deze naamloze laag­heid. Omdat het nu niet meer moge­lijk is, dat wij in onze gezamenlijke nietigheid ooit de Godheid met waar­digheid, ook al was het maar een zon­nestofje meer naderbij zouden kun­nen komen, wil Hij, teneinde ons dichter naar Zich toe te trekken, zoals jullie allen nu goed vernomen heb­ben, Zelf in onze nietigheid afdalen om daardoor aan deze nietigheid meer te geven dan ooit voor de grootst mogelijke grootheid van geest te begrijpen zou zijn. - Dat wil zeggen als ik het goed begrepen heb - : Hij wil voor ons wormen in het stof niet slechts een God, een heilige Vader zijn, zoals Hij in de eeuwigheid was, maar Hij wil zelfs een sterke Broeder voor ons worden, teneinde ons, waar­delozen, daardoor met Zich in het eeuwige leven te verenigen!

3. O kinderen, wie kan zo'n onein­dige Liefde begrijpen?! Waar is het hart, dat in zijn hoogste staat van ont­branding ook maar het oneindig kleinste deel verdragen zou van een dergelijke Liefde, die in staat is de grote God, de heilige Vader naar ons toe te trekken, erbarmen te hebben met onze nietigheid en tenslotte van­uit een dergelijke Liefde Zichzelf met onze nietigheid te bekleden om alles, alles, alles voor ons te worden?!

4. O kinderen, mijn gevoelens ver­lammen mijn tong; spreek jij daarom verder Henoch, jij gezegende spreker Gods, en laat ons de wonderlijke kracht van je tong horen! Maar luis­ter: begin over de grote Liefde van de heilige Vader te spreken daar waar ik opgehouden ben! Amen."

5. En toen Henoch dat verzoek had gehoord, sprak hij zichzelf moed in, stond op, dankte Mij in alle dee­moedige zelfontkenning van zijn zui­vere hart, boog tenslotte voor allen en ging naar Adam, boog voor hem en zei:

6. "O vader van mijn vaderen! Zie, hier zijn mijn vaderen en jouw kinde­ren aanwezig; hoe zou ik bij zo'n bij­zondere aanblik het ook maar kunnen wagen te spreken voor degenen die God uit jou vóór mij in het leven riep en die de natuur als vaderen boven mij geplaatst heeft?! Daartoe zouden zij mij dat toch ook eerst in liefdevol gedogen moeten toestaan, zodat ik dan in het aangezicht van alle vaderen en de hoge moeder Eva in alle inner­lijke rust het woord van de grote genade van God goed uit zou kunnen spreken."

7. Toen de vaderen deze deemoedi­ge bescheidenheid hadden vernomen, stonden zij op, bogen voor Adam en prezen Mij hardop en dankten Mij, dat Ik Henoch zo'n heel bescheiden, deemoedig hart gegeven had. En een grote vreugde straalde van al hun gezichten over de heerlijke Henoch. En in het bijzonder Adam zelf loofde zijn inzicht en deemoed en verzocht hem nu met de blijde instemming van allen welgemoed over de grote liefde van God, de eeuwige, heilige Vader met spreken te beginnen.

8. En toen Henoch dat had gehoord, zie, pas toen begon hij na een innerlijke, stille aanroep van Mijn genade en erbarmen het volgende te zeggen en sprak:

9. "O geliefde vaderen! Wat moet, wat kan de trage tong van de zwakke, begrensde, kleine mens op deze zo heilige plaats uitbrengen en sidderend stamelen, waar kort tevoren de eeuwi­ge liefde en wijsheid van de heilige Vader zulke voor eeuwig inhoudsvolle woorden tot onze harten heeft gesproken!

10. O vaderen, wat betekent ons hoogste woord tegenover Zijn klein­ste, dat voor de eeuwige macht van die heilige liefde toereikend is om met een onmetelijk aantal grote en kleine dingen de oneindige, eeuwige ruimte van Zijn wil te vullen, terwijl ons hoogste woord niet eens in staat is om het kleinste zonnestofje uit zijn voor hem bestemde orde weg te blazen!

11. O vaderen, zie, als wij daar goed over nadenken, moeten wij dan ook niet het gevoel krijgen als ston­den wij op gloeiende kolen en ik, de spreker, op de brandende stralen van de middagzon op haar hoogtepunt, terwijl haar stralen boven onze hoof­den het harde erts vloeibaar maken?!

12. Bedenk, het was God, die daar stond als een machtige, eeuwige Geest en Zelf belangrijke woorden tot ons sprak, en wij begrijpen die niet en zullen ze in der eeuwigheid niet volle­dig begrijpen; want daar niets door zichzelf bestaat, hoe zou het dan mogelijk zijn om het eeuwige, onein­dige wezen van God te beseffen en de eeuwige geest van één woord uit Gods mond te begrijpen, omdat wij allen immers heel goed weten, hoe­veel woorden de eeuwige Liefde en Wijsheid nodig had om ons en heel het onmetelijke heelal rondom ons, dat voor ons even volkomen als onbe­grijpelijk is, tevoorschijn te roepen!

13. O vaderen, zie, als men dat bedenkt en over Gods oneindig grote glorie zou willen spreken, waar zou men dan moeten beginnen en waar eindigen?!

14. Zouden wij ons dan tot het zonnestofje moeten wenden, dat glin­sterend, geheel onbelangrijk in de stralen van de zon door de lucht van onze kleine woning zweeft, zonder te weten waarmee wij dan het eerst zou­den moeten beginnen?! Of wie weet wat het laatste is, opdat hij dan een gepast, rechtvaardig lof tot de Heer, de meest heilige Vader, de oneindige, eeuwige kan aanheffen?!

15. O vaderen, als wij in onze woning reeds de onmogelijkheid inzien, voor God het eerste het beste zonnestofje elegant en welgevallig te begroeten en Hem te bedanken voor de kennis over dat laatste, - waar moeten wij dan beginnen, als wij uit onze woning zouden stappen en daar op de wijde aarde de eindeloze hoe­veelheid stof zouden zien?!

16. En toch moeten wij toegeven dat wat ons oneindig voorkomt voor God zoveel als niets betekent, ofschoon de volledige ontsluiering van ook maar één dergelijk zonnestof­je voor ons een eeuwigheid in beslag zou nemen, als wij het met de onein­dige volkomenheid van God zouden willen doorzien.

17. 0 vaderen, zie dus, zo' n heel klein stofje zoals wij het nu kennen, is reeds te groot voor ons; hoe groot moet de oneindige veelheid in haar ordening van het eerste tot het laatste dan wel zijn! - Waar bestaat buiten God een wezen dat daaruit de eeuwi­ge wijsheid van de heilige Vader zou kunnen begrijpen?!

18. En omdat het zo is, wat zeggen wij dan over de aarde zelf en over al de talloze sterren en alles wat zich op de aarde bevindt en wat er wel alle­maal in de grote sterren aanwezig is?! En wat zouden wij over onszelf kun­nen zeggen, nu en in onze staat als allereerste wezens?! En toch is dit alles slechts een eenvoudig woord uit de mond van God!

19. O vaderen, bedenk nu een