Hoofdstuk 6

Analogie van het gesternte

De Zon is een getrouw beeld van de wedergeborenen. De rust van de polen op de Zon is ter opname van licht en warmte onontbeerlijk…

Zo ook in de mens, die zich op de Heer moet richten en daardoor rust krijgt, waardoor de Heer voortdurend bij de mens kan binnenstromen. [4]

De mens moet zijn als de winter, die koud is in zijn rust en daardoor best in staat is tot opname van warmte tot in het diepst der Aarde. [9]  Hoofdstuk 6

 

Hoofdstuk 7

De oertijd van Aarde en Maan – De Schepping van Adam en Eva

Toen het in de oertijd rustig was op de Aarde en in alle ruimten der oneindigheid, daalde de eeuwige Liefde voor de eerste keer op de Aarde neer en ademde in haar almacht en kracht over het aardeoppervlak [Genesis 1], en de ademtocht was een onpeilbare overvloed van gedachten in levende vormen van allerlei aard voor de toekomstige verlossing van de verlorenen. [5]

Het getal van iedere soort zowel in de wateren als op het vaste land en in de lucht was gelijk aan het getal van de mens, die uit dit getal gemaakt werd, en het was gelijk aan het getal van de genade van de Liefde [Opmerking: bij deze tekst schoot mij getal 144 te binnen met zeer vele nullen. Want de hand [Jod = 14] bestaat uit de duim [1] tegenover de vingers [4] – evenals onze DNA [D=4 en A=1] en ons bloed [DAM=44]… De mens Adam = 144 en de Aarde in het Hebreeuws Adamah [soortgelijkend] evenals de volheid bestaat uit 1+2+3+4=10] en Liefde=14 als love, laf [hart = leb – uitspraak laf] en Valentijnsdag als 14e dag en David als geliefde..

De mens is gemaakt volgens het getal der ordening, waaruit de geesten gevormd waren en waaruit de werelden in de ruimten gemaakt werden en de Aarde en alles wat op haar is, en de Maan en de Zon. [7] [Opmerking: als ik het hier goed begrepen heb heeft de Godheid evenveel soorten mineralen [zand], planten en dieren geschapen als de hoeveelheid geschapen geesten en dus evenveel Aarden, Manen en Zonnen in de oneindige ether-luchtruimte.]

De eerste mens heet ADAM, dat is: ‘Zoon van erbarming en genade’. [8] Deze Adam kwam in de plaats van de eerste van de gevallen geesten [opmerking: dat was Lucifer!] en Adam wist niet wie hij was. [9]

Uit zijn ziel [in het hart] werd zijn tweede ik [het vrouwelijke in hem] genomen via de zijrib. Deze tweede ik = de eigenliefde, werd buiten zijn lichaam geplaatst met de naam CAIVA [=Eva]. Deze naam betekent ‘voorbereidende verlossing van de zelfzucht en de daaruit voortspruitende wedergeboorte’. [ 10,11]

De eerste keer dat de Godheid Adam aansprak was, toen Eva uit Adams ziel werd genomen. [13]   Hoofdstuk 7

 

Hoofdstuk 8

De Zondeval

De Godheid wilde [en kon] niet weten hoe Adam en Eva op Aarde hun opdrachten vervulden ter beproeving van hun wijsheid. God de Heer [de eeuwige Liefde] sloot zijn ogen !.... [1]

De plaats die Adam en Eva kregen aangewezen was een dal en een tuin, dat paradijs werd genoemd. Het land, dat later overvloeide van melk en honing. Het was de plek, die in de grote tijd der tijden van de grootste daad van de eeuwige liefde ‘Bethlehem’ heette en eeuwig zo zal heten. [2]

Eva werd verleid door de slang [de geplukte appel veranderde in een slang] en deze slang sprak met haar en stiet twee giftige pijlen in haar borsten en Eva aanschouwde in de slang haar eigen gedaante [d.w.z. ze zag haar tweede ik van Adam [als vervanger voor Lucifer] – [10]

Toen Adam zijn tweede ik zag [dat is zijn vrouw Eva] – wat hem bijzonder beviel, ontstak ook in hem de begeerte om van die verboden vrucht te eten en in dat genot herkende hij zich als de eerste, die verloren ging. [Lucifer].   Hoofdstuk 8

 

Hoofdstuk 9

Het gericht van de Heer

Het berouwde Adam zeer en zijn tranen werden in de schoot der Aarde bewaard en zij heten TUMMIM = [edel]stenen. [1]

In deze stenen, die over de gehele Aarde verstrooid liggen, straalt het zinnebeeldig licht van de zeven geesten als gedenkteken van zijn oprecht berouw. [2]

Ook de tranen van Eva werden rood gekleurd – de kleur van haar schaamte. Uit deze tranen maakte de eeuwige liefde steentjes met de naam URIM. [3]  [Zie ook: Geestelijke Zon-2-6:6,  JJ. 1-273:2, Hemel en Hel-1-17:18, GJE5-86:6, en GJE5-87:1]

De Godheid ontstak in haar grootste toorn en wilde de gehele schepping teniet doen. Dat gebeurde vrijwel ook – het was verschrikkelijk onvoorstelbaar. Maar het was de erbarmende Liefde die Adam en Eva beschermden tegen de onmetelijk grootste kracht van de Godheid. En de grote Liefde sprak met de Godheid om genade voor recht te laten gelden. ‘Laat de Liefde U genoegdoening geven en eis verzoening voor Uw bezeerde en beledigde heiligheid!, zo sprak de Liefde. [4-14] – [Opmerking: dit alles geschiedde ruim 6000 jaar geleden![

De Godheid temperde het vuur en zei fel tegen de Liefde: Ik zal alle schuld op Jou laten neerkomen – net als het wereldpuin op de Aarde, en Jij moet de smaad van Mijn heiligheid, die de eeuwige band is tussen JOU en MIJ, vereffenen. En zie, Ik vervloek de Aarde, opdat Mijn heiligheid door geen vlek bezoedeld zal worden en Ik daardoor een onheilige God zou worden zoals Jij; en van de vloek draag JIJ de schud, die Je op Je moet nemen en die Je moet vereffenen ten behoeve van mijn heiligheid en Jij moet de vloek vaan de schande door de zonde van Adam van de Aarde afwassen met Je bloed! [20] [Opm. dat is de kruisiging van Jezus in 4185 n. Chr.]

In het navolgende antwoordde de GROTE LIEFDE van de Godheid: ‘Grote boven alle heilige God van alle macht en kracht! Het zal geschieden naar Uw woorden! Door de macht en kracht van de Godheid, die de Liefde verhoorde, werd alle puin in de kosmos weer samengevoegd naar hun oorspronkelijke vorm, maar de littekens zijn voor eeuwig zichtbaar, gelijk de littekens van de eeuwige Liefde. [littekens van bijv. Jezus’ handen na de kruisiging. [21]

Diep op de bodem van de grote zeeën der Aarde ligt het puin van de andere planeten als getuige van Zijn erbarmende liefde. [23]

Er volgt nu een gesprek tussen de Godheid en de Liefde in de Godheid, dat is het Zoonschap, want in de band van hun heiligheid is uitgegaan de Heilige Geest die alles vult in alle hoeken der onenigheden. [24-27]

En dat de Godheid hen eens een Middelaar uit het midden van het mensenpaar Ada en Eva zal verwekken. [Dat is Jezus, de Zoon van de Vader in de Godheid].

De Vader en de Zoon zijn onafscheidelijk van elkaar. De eeuwige Liefde is een eigenschap van de Vader. De Heilige Geest werkt via de Vader en de Zoon als werkende genade voor de mensheid.  Hoofdstuk 9

 

Hoofdstuk 10

De verzoening van de Heer

Vers 2 spreekt over de Liefde in de Vader tot het tweetal – Adam en Eva – en zegt, dat uit hen zullen voortkomen alle mensengeesten, dat gelijk is aan het aantal sterren, de hoeveelheid gras op aarde en de hoeveelheid zand in de zee, die oneindig is. [2]

De Heer zal hier en daar bergen laten ontstaan, die afwisselend tot aan het einde der tijden zullen branden. [3] [bijv. vulkanen]

Het roodachtig licht is als teken gesteld van zijn medelijden voor de mensheid. Het witte licht als teken van de vreugde om de grote genade van de zeer heilige en boven alles goede Vader. En die zacht witglanzende brede baan die over de sterren loopt is van het medelijden en de vreugde uit de voortijd, ontstaan door de tranen van de Liefde, die toen al medelijden had met de gevallen geesten. [5]

In de volgende teksten ontvangt het eerst mensenpaar [4151 v. Chr.] raadgevingen van de heilige goede Vader, hoe zij en hun nageslacht hebben te leven.

Een geest zonder zonde zal hen met een vlammend zwaard begeleiden over de gehele Aarde uit het paradijs en dan weer terug naar het paradijs. [16]  Hoofdstuk 10