Gedenkwaardigheden van Swedenborg [875]

 

Swedenborg schrijft: Hieraan zal ik deze gedenkwaardigheden toevoegen:


‘Eens op een morgen toen ik uit de slaap ontwaakt was, zag ik twee engelen neerdalen vanuit de hemel, de een vanuit het zuiden van de hemel en de ander vanuit het oosten van de hemel. Beiden in wagens waar witte paarden voor waren gespannen.


De wagen waarin de engel vanuit het zuiden van de hemel reed, blonk zoals van zilver en de wagen waarin de engelen vanuit het oosten van de hemel reed, blonk zoals van goud; en de teugels die zij in de handen hielden, gloeiden als het vlammende licht van de dageraad.

Zo verschenen de beide engelen aan mij vanuit de verte, maar toen zij dichterbij kwamen, verschenen zij niet in een wagen, maar in hun engelenvorm, die de menselijke is; hij die uit het oosten van de hemel kwam, droeg een glanzend purperen kleed en hij die uit het zuiden van de hemel kwam, in een blinkend hyacintblauw kleed.


Toen deze engelen onder de hemelen in de lagere gebieden waren, snelde de een op de ander toe, alsof zij wedijverden wie de eerste zou zijn en zij omhelsden en kusten elkaar over en weer.


Ik hoorde dat die beide engelen, toen zij in de wereld leefden, door innerlijke vriendschap verbonden waren geweest, maar dat nu de een in de oostelijke hemel en de ander in de zuidelijke hemel was; in de oostelijke hemel zijn zij die uit de Heer in de liefde zijn, in de zuidelijke hemel echter zij die uit de Heer in de wijsheid zijn.


Nadat zij enige tijd hadden gesproken over de grootse dingen in hun hemelen, kwam tijdens hun gesprek dit ter sprake, of de hemel in zijn wezen liefde dan wel wijsheid is; zij kwamen direct hierin overeen, dat het ene van het andere is, maar zij discussieerden verder wat de oorsprong was, dit was voor hen een punt van overweging.


De engel die vanuit de hemel der wijsheid was, vroeg aan de ander wat de liefde is; en deze antwoordde dat de liefde die opkomt uit de Heer als Zon, de warmte van het leven van de engelen en van de mensen is en dus het leven van hen, en dat de afleidingen van de liefde, aandoeningen worden genoemd en dat daardoor worden voortgebracht het inzicht en zo het denken, waaruit volgt dat de wijsheid vanuit haar oorsprong de liefde is; en dus dat het denken in oorsprong de aandoening van die liefde is; en dat men vanuit de afleidingen, in hun orde beschouwd, kan zien dat het denken niet iets anders is dan de vorm van de aandoening en dat men dit niet weet, omdat het denken in het licht is, maar de aandoeningen in de warmte, en dat men daarom over het denken bespiegelt, niet echter over de aandoeningen, evenzo is het geval met de klank en de spraak.


Dat het denken niet iets anders is dan de vorm van de aandoening, kan ook worden toegelicht met de spraak, namelijk dat deze niet iets anders is dan de vorm van de klank; het is ook iets eenders, omdat de klank overeenstemt met de aandoening en de spraak met het denken, en daarom klinkt de aandoening en spreekt het denken; dit kan ook duidelijk worden gezien wanneer men zegt: Neem de klank weg uit de spraak, is er dan wel iets van spraak?

Evenzo: Neem de aandoening weg uit het denken, is er dan wel iets van denken?
Daaruit blijkt nu, dat de liefde het al van de wijsheid is, en daarom het wezen van de hemelen de liefde is en het bestaan ervan de wijsheid is; of wat hetzelfde is, dat de hemelen ‘zijn’ vanuit de Goddelijke Liefde, en dat zij ‘bestaan’ vanuit de Goddelijke Liefde door de Goddelijke Wijsheid; en daarom is, zoals eerder werd gezegd, het ene van het andere.

 

bron: Jakob-Lorber-Bulletin-International, 05-2021, nr. 63: www.zelfbeschouwing.info

UpToDate 2022

web counter