De wereld van gedachten

Een eigen gedachte kan je gelukkig maken of je zelfs benadelen. Het gaat hier om je eigen ik [in het Hebreeuws ANI] – denk in dit verband aan Jung of Freud met hun ‘anima, en ‘animus. En verwant daaraan is ‘animaal’ [animal] = dier. De mens en het dier hebben immers dezelfde zielsgesteldheid [nephesh] maar met dat verschil, dat de mens begaafd is met de goddelijke geestvonk ‘nesjama’ dat het dier niet heeft.

                    Geen fotobeschrijving beschikbaar.

ANI betekent niet alleen ‘IK’,  maar ook  ,schip’. De zee van gedachten met jou zelf aan het roer als ‘schipper’. Je probeert koers [‘cursor’] te houden in de navigatie, elektronisch of praktisch van mens tot mens. Vaak raken we allemaal verzeild in de loeiende stormen in de zee van andermans gedachten. Laat je niet overspoelen door die grote veelheden, maar haal het beste eruit.

Je kunt nog zoveel geprezen worden door anderen en roem ontvangen dat je zus en zo goed bent. Ja, je bent de bovenste beste. Bedenk echter, wanneer je eigen Ik het eens zal moeten betreuren, wat heeft dan zo’n uiterlijke voorkeur van enig nut?

Je gedachten zijn je eigen registratiebrief als begeleidende leidraad. Een soort paspoort, waarop alles genoteerd zal staan, waaraan jij te herkennen ben en wat later de doorslag zal geven.

Bij Lorber en Swedenborg wordt ervoor gewaarschuwd om blanke bladzijden in je leven te vermijden, want dat zou een signaal zijn van onbenutte tijd. Op elke pagina staan al je gedachten opgetekend waar anderen in de geestelijke wereld inzage van kunnen krijgen. Je bent daar als een open boek. Je kunt het beschouwen als een levende foto die door het licht van de geest wordt uitgeprint. Aan gene zijde doet dit het geestelijk waarheidslicht. Elke gedachte wordt aan gene zijde getoetst. Denken, navorsen of zoeken, beoordelen of bezinnen is echter nog geen daad, maar een voornemen hiertoe. Een poging hiertoe moet zelf ook gaan leven, zegt Lorber in het GJE10.

Lazarus zag aan gene zijde hoe zielen zwaar behangen waren met allerlei werelds vuil, waarvan zij zich moesten bevrijden. Alles wat innerlijk in de geest aanwezig is, vertoont uiterlijk een daarmee corresponderend beeld.

Uit de wil en de wens van een ziel ontstaat een blijvend beeld, die pas verandert, als ook de wil verandert. Je gedachtewil kun je daarom aan gene zijde niet zondermeer verbergen. [vanwege de daaruit volgende vormgestalte]. Op deze Aarde kan dat wel, omdat ieder mens een gemaskerd fysiek omhulsel heeft.

 

      Hartvormige roze en paarse bloementuin

                                                     

Eigen gedachten in de sferen van het geestelijk Rijk

Onlangs hield ik mij dagenlang bezig of er aan gene zijde [in de geestelijke wereld] elkaars gedachten gelezen konden worden. Alleen al de gedachte daaraan zou ik me eigenlijk wel onvrij kunnen voelen. Je kunt denken wat je wilt [de wet van de vrije gedachte van de wil], maar hoe zit het dan met de ‘bescherming’ van je eigen denkwereld?! Er is aan gene zijde eveneens toch vrijheid in het denken, maar misschien zou dat aan banden gelegd worden, als elke gedachte ‘gelezen’ wordt, en niets daar, maar ook helemaal niets verborgen blijft!....Geen privé in je eigen innerlijke privégedachtewereld? Nergens ‘ruimte’ waar je met je eigen gepeins zou kunnen ‘terugtrekken’? Daarop zocht ik antwoorden.

Enige tijd daarna moest ik in mijn privésfeer iemand naar een oogkliniek brengen. Vlug graaide ik nog een boekwerkje uit mijn Swedenborg- en Jakob Lorbercollectie. Ik wist niet wat ik in de wachtkamer te lezen zou krijgen. Wat ik las, waren precies [tot mijn grootste verwondering] de antwoorden, die ik op mijn vragen kreeg.

In het boekwerkje van Swedenborg: ‘De Goddelijke Drie-eenheid verklaard’ volgens de geloofsbelijdenis van Athanasius, dat een uittreksel uit een werk van Emanuel Swedenborg is, die dit in 1912 publiceerde bij de Academy of the New ChurchBryn Athyn, PA. USA, staat het volgende beschreven:

‘Al de gedachten van een mens verspreiden zich in de geestelijke wereld in iedere richting, zo ongeveer als de lichtstralen van een vlam. Omdat de geestelijke wereld uit hemel en hel bestaat, en de hemel uit ontelbare gezelschappen en evenzo de hel, daarom moeten de gedachten van een mens zich noodzakelijkerwijze in gezelschappen verspreiden.

‘Alle gedachten van de mens verspreiden zich dusdanig in zo’n richting, en dat heeft men tot nu toe niet geweten, omdat er niets bekend was over de aard van de hemel of de hel. Dat deze gezelschappen bestaan, en dat er bijgevolg een verspreiding van ’s mensen gedachten plaats vindt, en in een andere wereld dan die waarin zijn natuurlijk gezicht zich uitbreidt. Want de gedachte van een mens is als het gezicht van zijn ogen.’

‘Het is de liefde van de mens, welke zijn gedachten in de gezelschappen bepaalt; goede liefde richt die gedachte in hemelse gezelschappen en slechte [egoïstische] ‘liefde’ in helse gezelschappen. De liefde van de mens is vergelijkende wijze als vuur en zijn gedachten zijn als lichtstralen, die daaruit voortkomen; Wanneer de liefde goed is, dan zijn de gedachten, die als stralen daaruit voortkomen; Wanneer de liefde kwaad is, zijn de gedachten, als stralen daaruit, valsheden.’ Joh. 14:20,21: ‘het licht is de waarheid van het geloof en de warmte is het goede van de liefde!’

Daar boven [in de hemelse sferen] verbinden die gedachten zich met gelijksoortige gezelschappen, deze schikken zich daarin en enten als het ware zich daarop zo volledig, dat de mens met die gezelschappen geheel en al één wordt.

Er kan niet de minste gedachte bestaan, zonder dat die in een of ander gezelschap wordt opgenomen, niet door de individuen of engelen van dit gezelschap, maar door de genegenheid van de liefde, waaruit en waarin dat gezelschap bestaat. Vandaar dat de engelen, van die [gedachte]-invloeiing niets merken, noch ook door haar op enige wijze worden gestoord.

‘Terwijl de mens in deze wereld leeft, is hij [al] in verbinding met de hemel, en ook in medegezelschap met de engelen, ofschoon noch de engelen noch de mens daarvan iets weten. De oorzaak van deze onwetendheid ligt hierin, dat de gedachten van de mens natuurlijk zijn en die van de engelen geestelijk, en die twee maken één geheel, alleen door overeenstemmingen. Daar een mens door de gedachten van zijn liefde ingevoerd is in gezelschappen van de hemel of van de hel, is het, dat bij zijn intrede in de geestelijke wereld, wat onmiddellijk na zijn dood plaats vindt, zijn hoedanigheid bekend wordt enkel en alleen door de verspreiding van zijn gedachten in gezelschappen: en op die wijze wordt iedereen onderzocht…’ [opmerking: zie ook een beschrijving hierover in het Jakob Lorber Bulletin van 2017]

‘Ook wordt hij omgevormd door de toelating van zijn gedachten in de hemelse gezelschappen, en veroordeeld door de invoering van zijn denken in de gezelschappen van de hel.’ [A.V. 1093]

‘Na de fysieke geboorte opent de mens in de loop van de tijd voor zichzelf de hemel of de hel, en gaat hij binnen in de gezelschappen en al gedurende zijn leven in deze wereld en een inwoner wordt van het ene of het andere gezelschap!’

’…Al zijn gedachten worden vormen die hij ziet, en zijn wil wordt een voldongen feit. Zijn woorden zijn vastberaden en één met de gedachte en de wil. De [ether]-ruimte heeft niets meer met hem te maken, en het tijdsverloop heeft hem de laatste minuut getoond. Want in het vrije geestelijke zijn hoort, ziet, voelt, ervaart, denkt, wilt, handelt en spreekt hij over tijd en ruimte heen; d.w.z. voor hem is er maar één tegenwoordige tijd, waarin een eeuwig verleden en een eeuwige toekomst vriendelijke hem de handen reiken. En zijn oog is qua zinnelijkheid zo dicht bij de eindeloze verre dingen als zijn eigen gedachte.’ [Saturnus, hfdst. 44:18]

‘Daarom moet elke gedachte worden vastgehouden en mag geen tweede een eerste verdringen. In de geest is dit doorgaans het geval, want wie niet standvastig is, is niet geschikt voor het Hemelrijk van God. Zoals ook de Heer zelf zegt: ‚Wie zijn hand aan de ploeg slaat en omziet, is niet geschikt voor het Rijk van God.’ Geestelijke Zon, deel 2, hfdst. 18:2

….’Dat ook de geringste gedachte die een mens ooit had, hetzij op deze of ook op een andere Aarde, eeuwig onmogelijk ooit verloren gaat of kan gaan. De geesten, waarvan de gedachten, woorden en ideeën en daden door Gods wil zo'n nieuwe wereld vormen, beseffen in hun volmaakte toestand al gauw dat die wereld een gevolg is van hun gedachten, ideeën, woorden en daden, en zij belasten zich dan erg graag en met een groot gevoel van zaligheid met de besturing, leiding, vorming en het algehele levend maken en de doelma­tige, inwendige organisatie van het hemellichaam en uiteindelijk ook van alle dingen en wezens, die op zo'n hemellichaam moeten bestaan. GJE4-57:4

Wat betekent ‘men’ in de taal?

Wij zeggen in de omgangstaal: ‚men zegt’; of ‚er wordt gezegd!‘ Wie is dan ‚men‘?  De spreker [redenaar] verbergt zich vaak achter het woord  men‘ in plaats van zijn eigen mening te zeggen.

Men‘ presenteert de mening van het volk, de geestesgesteldheid van het publiek [publieke mening]. Het zijn die mensen, evenals ieder willekeurig [mens] – ‚Men‘ kan hiermee ook de ‘maatschappij’ of het ‘publiek’ of de ‘algemene opinie’ bedoelen of vertegenwoordigen. We betrekken aangaande dit thema de Hebreeuwse taal erbij, en gebruiken in onze taal het woord ‘men’ met dezelfde letters: M…N

Het Hebreeuwse woord MieN betekent ‚geestvoorstelling‘ –  en zonder te kunnen denken, kunnen we in onze geest zich niet iets voorstellen. Wat stel ik mij voor in de geest?  Datgene, wat ik natuurlijk op het oog heb. Ik geloof erin. Zonder voorstelling kun je niets geloven. Je hebt het fysiek niet nodig om iets te zien, slechts in je innerlijke geest kun je de dingen in de voortstelling dichterbij halen. Je ‘gelooft’ daaraan zelfs! Ja zeker. En zonder te weten kijk je in een reflex naar je beleving in de uiterlijke wereld.

Een voorbeeld volstaat over de eerste dag van april. Men wordt voor de gek gehouden in iets, waarin je meent te geloven, en juist op deze dag. Op de 91e dag van het jaar. Januari heeft 31 dagen, februari 28, maart 31. Dat zijn samen 90 dagen. Met de 1ste april erbij zijn dat precies 91 dagen.   

 

A         = 01    [eerste letter v.h. Hebr. alfabet]

M         = 40    [dertiende letter v.h. Hebr. alfabet]

N         = 50     [veertiende letter v.h. Hebr. alfabet]

=========

            = 91

De geëmigreerde Sefardische Joden hadden vroeger [o.a. in Spanje] de meest bekende [feest]dagen in de wereld geprepareerd, zoals bepaalde [kinder]feesten op bepaalde dagen, en zo ontstond er een anekdote, dat er op de eerste april van het jaar de legeraanvoerder ALPHA zijn bril verloren had waardoor hij niets kon zien en men hem gemakkelijk dus voor de gek kon houden.

 

De werkelijke kant van het verhaal is, dat dit alles niets met hem te maken had, maar met de eerste letter van het alfabet, de A [de Hebr. Aleph of de Griekse Alpa]; en verbinden we de A met ‘men, dan ontstaat het Hebreeuwse woord Amien, dat Amen betekent.

De A, de eerste letter van het alfabet [ook die van de Hebreeuwse] staat beeld voor onze IK. Het Hebreeuwse woord MeN of MIEN betekent ‘voorstellingskracht in de geest’ en dat is inherent aan Amen. Ik stel mij iets voor in de geest, dat het zo is, en het zei zo, het is zo, het is in mijn beleving werkelijkheid! Als op de eerste april van het jaar een onwillekeurig iemand je attendeert: ‘je hebt een gat in je jas!’, dan geloof je dat onmiddellijk en je kijkt in je verbeelding willekeurig naar de aangewezen plek.

Of dit nu wel of niet ‘waar’ is, speelt geen rol. Je ‚gelooft‘ er toch willekeurig in. In een veel meer diepere zin van het woord betekent AMEN: ‚Het is waar en zeker’, want wanneer er ‘Amen’ wordt gezegd, is dat geen leugen en komt volledig met de waarheid overeen.

Dan zal op de 1ste april – of wij het nu wel of niet beseffen, het woord AMEN onbewust en onjuist gebruikt worden, wanneer je iemand in de maling neemt.

Het is begrijpelijk, als iemand zegt of schrijft: ‚men meent, dat dit of dat gebeuren moet!, het lezerspubliek gelooft erin, omdat het een publieke mening is. De schrijver kan zich daarachter bijv. verbergen en het publiek refereert op haar beurt zich weer aan de auteur, enz.

Dus in plaats van op te komen voor zijn eigen ik-mening, wordt er vaak gesproken in de ‘wij’ of ‘men’-vorm. Men in het Latijn betekent ‘mij’. Wij mensen! G.

www.zelfbeschouwing.info