Bijbelse Aardrijkskunde

INLEIDING

HET HEILIGE LAND HET HART VAN HET OOSTEN

Het oosten. De bijbelse geschiedenis heeft haar terrein in de landen van het oosten, dat ook wel het Morgenland wordt genoemd of de Oriënt. Het hart van het oosten is Palestina, het Heilige Land voor het verkoren volk.

Het oosten is het land van de opgang der zon, het land vanwaar het licht komt, het licht van religie en cultuur. Er is waarheid in de beroemde spreuk: Ex oriënte lux ‑ uit het oosten komt het licht ‑ het licht van godsdienst, wetenschap en beschaving.

Land van het Boek. In het oosten scheen het eerst het licht van de Openba­ring, en Palestina is het land van het Boek der Boeken. De bijbelse aardrijkskunde houdt zich daarom vooral bezig met Palestina, om een voorstelling te vormen van het land van de gewijde geschiedenis.

BIJBELSE AARDRIJKSKUNDE IS NUTTIG

De herder ­in Judea. Judea heeft verspreid, hier en daar, gras op de berghellingen. Het is niet zo welig als op onze weiden. En het water is “op de hoge plaatsen” in het kalkland schaars. Om het vee te drenken, dalen de herders met de kudden naar een bron, of een beek, of een put. Dan raken de kudden door elkaar. Men begrijpt haast niet, hoe iedere herder zijn eigen schapen terugvindt. Maar als de dieren gedronken hebben, begeven de herders zich één voor één op weg, ieder naar een verschillende kant. En dan laat elke herder zijn bijzondere roep horen en de schapen lopen uit de verwarde hoop naar de eigen herder; want de schapen kennen de herder aan zijn stem!

Als wij dit weten van de herders in Judea, begrijpen wij de woorden van de Heiland: De herder der schapen, wanneer hij zijn schapen naar buiten gebracht heeft, gaat hij voor ze uit; en de schapen volgen hem, omdat zij zijn stem kennen. Maar een vreemde zullen zij voorzeker niet volgen. Ik ben de goede Herder, en ik ken de Mijnen en de Mijnen kennen Mij. (Johannes 10:2, 4, 5, 14).

Het landschap in de Bijbel. De bijbellezer ziet de trekken, die het oosterse land­schap kenmerken: de geweldige stofwolken, die in droge tijden op de wegen opwervelen (Deut. 28:24); de dalen met koren bedekt, de weiden erboven op de berghellingen, waar de kudden grazen. (Psalm 65:13).

Men ziet de handelslieden trekken langs grote internationale karavaanwegen (Genesis 37:25) en de eenzame reiziger langs een holle weg (Numeri 22:24) die door de wijngaarden loopt met een muur aan deze en een muur aan gene zijde”.

 

BRONNEN VOOR DE BIJBELSE AARDRIJKSKUNDE

De hoofdbron voor de Bijbelse Aardrijkskunde is de H. Schrift zelf.

De Bijbel geeft belangrijke aanwijzingen voor de topografie (d.w.z. de leer, waar de plaatsen liggen).

Om te weten waar de plaatsen, in de Bijbel genoemd, op de kaart te vinden zijn, dienen ons de volgende middelen:

1. Soms zijn de bijbelse namen bewaard gebleven. Verge­lijken we b.v. in onderstaand lijstje:

Tegenwoordige naam:                                                          Bijbelse naam:

Bethlahm;                                                                              Bethlehem;

Aingidi;                                                                                 Engedi;

Gazze.                                                                                                 Gaza.

Sommige namen zijn in de Romeinse tijd veranderd:          Samaria ‑ Sebastiye.

2. Bij het noemen van plaatsen, waarlangs een veldtocht ondernomen wordt, kan men aannemen, dat de plaatsen in die volgorde liggen. Belangrijk is b.v. Jesaja 10:28‑32.

3. Door vergelijking van teksten kan soms de ligging van een plaats worden gevonden.

9

Beschrijving van de opmars naar Jeruzalem in Jesaja 10: 28‑32. Zij overvallen Ajath, te Michmas legeren zij hun legertros. Zij trekken de bergpas door: “Geba zij ons nachtkwartier”. Rama siddert, Gibea Sauls vlucht. Gil het uit, o dochter van Gallim! arm Anathoth! Madmena vlucht, de inwoners van Gebim bergen zich! Zij zwaaien met hun handen in de richting van de berg der dochter van Sion, tegen de heuvel van Jeruzalem.

Van de steden in de Jordaanvallei worden vooral Jericho en Beth­San genoemd (1 Sam. 31:10 toont de Kanaänitische invloed, door de vermelding van de tempel van Astarte; 1 Kron. 10:10 spreekt van Filistijnse hegemonie want er was ook een tempel van Dagon). Wanneer wij nu nagaan, welke plaatsen van de Streek verder genoemd worden, dan zijn die nederzettingen vooral ten oosten van de rivier in de meer rijke en brede vlakte van de Streek (kikkár), hoger ge­legen op de terrassen boven de “pronk van de Jordaan”. Door dit gebied stroomt de zijrivier Wadi el‑Yabis. Daar ligt een interessante dubbelheuvel Tell el Meqbereh‑Tell Abu Kharaz. Dit complex is krijgskundig bezien goed gekozen: een heuvel, die goed verdedigd kon worden, gelegen bij stromend water. In zulke ruïneheuvels kan men scherven vinden van aardewerk uit oude tijden, en aan deze scherven kan men zien in welke perioden de potten zijn gebakken. Welnu, het blijkt, dat deze heuvels al bewoond waren in de brons­tijd, in welke periode Israël het heilige land binnentrok. Voorts vond men ook materiaal uit de ijzertijd en daarna. Het was dus een stad, die ook in de tijd der Koningen bestond. De naam Wadi el‑Yabis herinnert aan de stad Jabes in Gilead. Gelet op de ligging kon deze stad gelden als een voorbeeld van sterke ligging, waardoor de be­volking wel een zelfstandige rol kon spelen. Dit komt uit in de bijbelse geschiedenis bij het verhaal, hoe Saul de stad ontzet, en hoe de mannen van Jabes in Gilead na de droevige dood van Israëls eerste koning, naar Beth‑San trekken. Deze geschiedenis leert ons nog iets meer over de ligging van Jabes in Gilead. Immers Saul, monstert het volk te Bezek (1 Sam. 11:8) en na een nachtelijke mars drong het leger in de morgenwake in de legerplaats door en versloegen de Ammonieten voor het heetst van de dag (1 Sam 11:11). De verhalen in 1 Samuël 31:10‑13 en 1 Kronieken 10:11 en 12 melden hoe de mannen de gehele nacht doorlopen om de lijken van Saul en zijn zonen te halen van de muur van Beth‑San en deze gebeenten te Jabes begraven onder een boom (1 Sam. 31:13 tamarisk, 1 Kronieken 10:12 tere­bint). Uit deze geschiedenissen volgt:

1. dat men van Bezek in de heuvelstreek van Palestina na een afda­ling in de Jordaanvallei gedurende een nacht in Jabes kon komen.

2. dat de stad versterkt was en daaromheen een terrein was, waar een veldslag kon geleverd worden.

3. dat gebeurtenissen te Beth‑San spoedig in Jabes bekend waren en dus de afstand niet groot was.

4.  dat men in één nacht kon wandelen van Jabesin Gilead naar Beth‑San. De aardrijkskundige lig­ging van de heuvel Tell el Meqbereh‑Tell Abu Kharaz past bij de bij­belse gegevens, terwijl het oudheidkundig on­derzoek bevestigt, dat in de tijd van Saul hier een stad lag, en dat was dan Jabes in Gilead. (Zo luidt de conclusie van Nelson Glueck. Some Biblical sites in the Jor­dan valley; Hebrew Union College Annual;
XIII bl. 105 v.v.).

4. Een enkele maal wordt een nauwkeurige beschrijving gegeven, waardoor men de ligging van een plaats kan vin­den. Zo was Richt. 21:19 een aanwijzing om Silo te vinden.

Zie, jaarlijks is er een feest voor den Here in Silo, dat noordelijk van Bethel ligt, oostelijk van de heerbaan, die van Bethel naar Sichem loopt en zui­delijk van Lebona.

Naast de Bijbel zijn nog andere bronnen be­langrijk:

I. Flavius Josephus, een Joods geschiedschrijver (37‑100), in wiens boeken (Joodse Oorlog en Joodse Oudheden) veel bijzonderheden te vinden zijn. Ook de Talmud vermeldt vele wetenswaardigheden voor de aardrijkskunde van Palestina.

II. De oudste reisbeschrijvingen, die daarom van waarde zijn, wijl ze het dichtst staan bij de bijbelse tijd. Het meest belang­rijke gaven Eusebius en Hieronymus in een lijst van plaatsen (Onomasticon) met aantekeningen over de ligging. Een Neder­landse geleerde, Prof. J. Simons heeft een moderne “Onomasti­con” opgesteld en daarbij aangegeven, waar men de Bijbelse steden moet zoeken op grond van wetenschappelijke uitkomsten, tot op heden verkregen.

III. Aardrijkskundige werken over de bijbelse landen, vooral wanneer ze geschreven zijn door mannen, die de H. Schrift goed kennen. Zo heeft een Duitse geleerde het land doorgereisd langs de wegen, waarlangs de Here Jezus ging. (G. Dalman, Orte und Wege Jesu).

IV. Ten slotte zijn van betekenis de opgravingen van oude steden.

11

OPGRAVINGEN 1)

Tell. Waar eens een oude stad was, is nu in veel gevallen een ruïneheuvel, een “tell”.

Zulk een tell is een heuvel. Dat komt door twee feiten:

1. De mensen bouwden de steden op natuurlijke hoogten.

2. Het niveau van de stad is in de loop der eeuwen gestegen.

Waarom koos men heuveltoppen om erop te wonen? Omdat zulk een hooggelegen nederzetting een natuurlijke sterkte is en een vijand deze moeilijker kan naderen. Bovendien staat een huis op de steenrots veiliger dan op de losse aarde in het dal, wanneer de regenstromen vallen. (Matth. 7:24‑27). Bergen en heuveltoppen bieden een ruimer uitzicht, dat in staat stelt om te waken over de akkers en de oogst. De westenwind, die over de heuveltoppen waait is aangenaam door de koelte en nuttig voor het wannen en zeven.

1) Kaart 15b van de Schoolatlas voor Bijbelse geschiedenis door Dr. A. van Deursen, J. B. Wolters, Groningen.

Men bouwde maar niet lukraak op de eerste de beste heuvel: neen, die werd met zorg uitgezocht. Het was vooral van belang, als de mensen beschikking hadden over het water; daarom werd een nederzetting gebouwd bij een bron. Zo is het oude Jeruzalem gesticht bij de bron Gihon (1 Kon. 1:33).

Straatniveau. En hoe kwam het, dat het niveau der stad omhoog ging? De straten der stad waren nauw, krom, hoekig, ongeplaveid en dikwijls modderig en vuil door het “slijk, der straten”. Straatreiniging was onbekend; wat ieder kwijt wilde wezen, wierp hij weg, waar het hem gelegen kwam. Op die manier steeg het niveau der stad van jaar tot jaar en de bouwmeester moest de vloer hoger maken.

Huizen. De huizen hadden fondamenten van onbehouwen blokken steen, aaneengekit door leem. De muren waren van leem of leemtegels, soms met hout gestut, gepleisterd met kalk. De daken waren plat en gemaakt van leem; het dak werd geschraagd door houten balken. (Ezra 6:11). Stortte een huis in, of werd het al te bouwvallig, dan pikte men de steen­klompen uit de puinhoop en de leem werd vastgestampt om de ondergrond te vormen voor een nieuw huis. Werd de stad veroverd, dan stak de vijand de nederzetting wel in brand. (Richt. 18:27 en 28). Daarna werd de stad vaak herbouwd, maar het puin werd niet weggehaald; op de as verrees de nieuwe nederzetting.

13

(Naar een tekening in Palestina Expl. Quart. 1939).

Doorsnede van de ruïneheuvel Tell el‑Hesi, waar de opgravers in de opvolgende lagen de aanwezigheid van “acht steden” in onderscheiden tijd konden aflezen. Het was dus wel “een berg van veel steden”.

14

Kruiken en lampen uit verschillende tijdperken.

Lagen. Op die wijze ontstaan de ruïneheuvels, waarin lagen zijn uit verschillende tijden. In die lagen be­vinden zich vaak gebruiksvoorwerpen. De stijl van het aarde­werk is meer dan eens veranderd; daardoor kan men aan de potscherven zien uit welke tijd de laag dateert. En is er een puinlaag met vuurstenen of een met bronzen werktuigen, dan zal men er geen spoor in vinden van ijzer. Want de steentijd, de bronstijd en de ijzertijd volgen na elkander.

Uit de cultuurresten in de lagen van een tell kan men de ouderdom bepalen.

De naam van de stad. De eenvoudigste manier, om met zekerheid te weten, welke oude stad ter plaatse van de tell lag, is wel deze: dat er een inschrift met de naam erop gevonden wordt. Dat is het geval geweest met Gezer. Op drie plaatsen bij de tell vond een Franse geleerde een in de rots uitgehouwen inschrift met de woorden: “grens van Gezer”.

Bij de opgraving van El‑Jib (10,5 km ten n. van Jeruzalem) vond men handvatten van kruiken met het woord Gibeon. Zulk een inschrift noemt eerst de stad Gibeon, dan het Hebreeuwse woord, dat “ommuurde wijngaard” betekent, en daarachter de naam van de wijnboer. Eén van deze inscripties luidt:

Gibeo ommuur[de wijngaard van A]maryah[u].

Het is wel voor het eerst, dat in Palestina in een stad zó duidelijk de naam werd gegeven als in het dorp El‑Jib, waarvan men nu met zekerheid eet, dat hier het oude Gibeon lag.

Het kan ook zijn, dat de geschiedenis, die men afleidt uit de lagen, in overeenstemming is (althans niet in strijd!) met de geschiedenis, welke men uit de bijbelse gegevens weet. Daar­door heeft men bijv. de ligging van Megiddo, Gibea Sauls en Hazor kunnen aanwijzen.

V. Bij enkele opgravingen zijn documenten gevonden, die van onschatbare waarde zijn voor de aardrijkskunde en de geschie­denis der oudheid. Daarvan moeten bijzonder genoemd worden de El‑Amarnabrieven; en de teksten uit Ras‑Sjamra in Syrië.

El‑Amarnabrieven. El‑Amarna, door een vergissing die burgerrecht ver­kregen heeft, gewoonlijk Tell‑el‑Amarna genoemd, is een kleine nederzetting van fellah’s aan de oostelijke oever van de Nijlstroom, ongeveer 250 kilometer boven Kaïro.

Daar vond men het archief der buitenlandse correspondentie van twee farao’s, Amenhotep III en IV, wier regeringsperiode (resp. 1411‑1375 en 1375‑ca. 1358 v. Chr.) de gehele ontwikkeling van het Oosten beslissend heeft beïnvloed. De kleitafeltjes van El‑Amarna zijn voor een groot gedeelte stuk voor stuk in Palestina ontstaan. Het zijn de brieven van Egyptische stadhouders en vazallen in het Syro‑Palestijnse gebied en van de talrijke potentaatjes, die in die tijd onder oppertoezicht van Egypte regeerden in de stadsstaatjes van Kanaän en de nabije landstreken.

(J. SIMONS, Opgravingen in Palestina).

In Palestina zelf zijn ook documenten gevonden. Belangrijk zijn de inschriften op potscherven in Samaria en de brieven van Lachis. Opzienbarende vondsten in het noorden van de woestijn van Juda zijn de oude schriftrollen, waaronder er zijn, die gedateerd kunnen worden tussen 200 en 100 voor Christus. Eén daarvan is een boekrol met de profetieën van Jesaja.

 

I. PALESTINA

1. NAMEN

Kanaän. De oudste naam is Kanaän (Gen. 11:31). Wat Kanaän betekent, weten wij niet. De nog dikwijls gangbare verklaring van Kanaän als “laagland” tegenover Aram als hoogland kan niet juist zijn. Reeds hierom niet, wijl het West‑Jordaanland voor een groot deel gebergte is, terwijl Aram (= Syrië) het karakter heeft van een ‘steppe. Eerst be­doelde men met de naam Kanaän de kustzoom langs de zee; later droeg men de naam over op het gehele West‑Jordaanland. De Jordaan was “de grens van het land Kanaän” (Exodus 16:35). Aan de overzijde der rivier lagen Gilead en Basan.

Palestina is de meest gebruikte naam voor het land geworden. Het woord Palestina is gevormd uit het Hebreeuwse woord voor Filistijnen (in Jesaja 14: 29 leest men daarom Filistea; daarvan is de naam Palestina afgeleid), Aanvankelijk bedoelde de naam alleen het zuidelijk deel van de kustvlakte. Eerst tijdens het Romeinse en Byzantijnse bewind duidde de naam Palestina in hoofdzaak het land ten westen van de Jordaan aan.

Andere namen. Andere namen zijn: het Land der Belofte (Hebr. 11:9) of het Beloofde Land, omdat het aan Abraham en zijn zaad beloofd was; het Land der Hebreeën (Gen. 40:15), naar Abraham, de Hebreeër bijgenaamd, omdat hij van de overzijde van de Eufraat gekomen was, of omdat hij afstamde van Heber; het Land Israëls (1 Sam. 13:19), naar de naam, die Go,. aan Jakob gaf; het Land des Heren (Hos. 9:3), omdat het land in zeer bijzondere zin het eigendom van Jahwe was; het Land van Juda (Neh. 5:14) of het Joodse Land (na de Babylonische ballingschap werd deze naam gebruikt, ook door de Romeinen); het Heilige Land (Zach. 2:12.1 voor de Joden, omdat het een afgezonderd land was. Voor de chris­tenen is Palestina het land van de Heilige Geschiedenis, inzon­derheid door de omwandeling van den Here Jezus.

De tegenwoordige staat der Joden heeft de naam Israël; op 14 mei 1948 kondigde de voorlopige staatsraad de oprichting aan van de Joodse Staat in Erets Jisraël (= land Israëls), dat is de Staat Israël.

17

2. GRENZEN EN LIGGING

Grenzen. Palestina heeft in verschillende perioden der ge­schiedenis niet altijd dezelfde grootte gehad 1). Gewoonlijk worden de grenzen bepaald: aan de westzijde door de Middellandse Zee (de Grote Zee), ten noorden door de Libanon en het gebied van Damaskus; ten oosten door de woestijnen van Syrië en Arabië en ten zuiden door de rotsige woestijn van ‘t Sinaïschiereiland.

Vruchtbare Halve Maan. De landen van het oosten liggen in het gebied, dat de “Vruchtbare Halve Maan” wordt genoemd. Dat is de grote halfcirkelvormige strook van het alluviale akkerland in het rivierendal van Mesopotamië, tot en met het vruchtbare land langs de Nijl. De “Vruchtbare Halve Maan” heeft de vorm van een reusachtige sikkel tussen de bergen en de zee.

Het hart van dit gebied is Palestina. Dit is het land van de Openbaring, het land van de gewijde geschiedenis, in het midden

1) Zie de Schoolatlas voor Bijbelse Geschiedenis door Dr. A. van Deursen.

 

18

van de Oude Wereld, tussen de rivier van Egypte 1) en de grote rivier Eufraat, daar, waar drie werelddelen elkaar naderen, op een plaats zeer geschikt, om vandaar uit de boodschap des heils naar alle oorden van de wereld te doen uitgaan.

Maar de wegen van Mesopotamië naar Egypte liepen langs het kalkland van Judea, nl. door de kustvlakte. Daardoor lag met name Judea toch ook weer afgezonderd.

Kort gezegd: in de ligging van Palestina op de wereld komen uit: afzondering en centrale ligging beide.

Op de kaarten 2, 3, 12, 13, 15 van de Schoolatlas voor Bijb. Gesch. zien wij de wegen naar Palestina.

Uit Egypte loopt de grote handelsweg door het kustgebied naar Gaza. Deze weg is “de weg van het land der Filistijnen” (Exodus 13:17).

Maar uit Egypte voert ook een weg, die door het Zuiderland in Palestina leidt. Dat is de “weg van Sur” (Genesis 16:7). Jakob koos deze weg toen hij naar Egypte toog (Genesis 46:1 en 5).

Van Elath naar Damaskus leidt de grote weg, “de koninklijke weg” (Numeri 20:17).

1) De rivier van Egypte is een kleine beek, de Wadi el Arisj.

Zeer belangrijk is de weg over Damaskus, dan over de Jordaan naar de Middellandse Zee, dat is “de weg der zee” (Jes. 8:23), de Via Maris der Kruisvaarders.

Uit het noorden komt de weg naar Hamath (1 Kon. 8:65, 2 Kon. 14:25, Amos 6:14) de ingangspoort, of over de Via Maris, uit het noorden (2 Kon. 25:21). De profeet zegt dan ook, dat het kwaad komt uit het noorden (Jer. 4:6).

3. DE BOUW VAN PALESTINA

Bouw. De bouw van Palestina is tamelijk eenvoudig: naast elkaar liggen vier stroken van noord tot zuid, twee ervan zijn hoog en twee laag. Het zijn:

a. het vlakke kustland aan de Middellandse Zee, overal een laagte, behalve, waar de Karmel erdoor breekt;

b. het heuvelland en het gebergte van Judea tot de Libanon, waartussen zich één laagte schuift: de vlakte van Jizreël;

c. het diepe dallandschap van de Jordaan (El Ghor = de Spleet);

d. het plateau van het OverJordaanse.

Aardbevingen en vulkanisme. Deze landschappen worden begrensd door breuk­lijnen in de aardkorst: langs deze lijnen verschuiven de aardschollen. Het Jordaandal is een verzakking (een slenk). Landstreken langs breuklijnen worden vaak door aardbevingen geteisterd. Hij doet de aarde van haar plaats wankelen. (Job 9:6). Grote indruk moet een aardbeving ten tijde van koning Uzzia gemaakt hebben. (Amos 1:1).

Ook stijgen langs spleten vulkanische stoffen omhoog. Het veeltoppig gebergte van Basan (Ps. 68: 16) zijn basaltkoppen. Aan de breukranden kunnen warme bronnen ontstaan, bijv. in Tiberias.

Opmerking: In het verzakkingsgebied ten zuiden van de Zoutzee zijn warme bronnen in het oude Edom (Gen. 36: 24 “dit is de Ana, die de hete bronnen in de woestijn gevonden heeft’).

De kustvlakte

De kust. De kust van Palestina is een duinenkust. Een zee­stroom uit het zuiden voert sedimenten aan; en de wind heeft de duinen gevormd.

De kust is vrijwel zonder havens. In een beschutte baai achter de Karmel kon Haifa de havenstad worden. En daar, waar het zand onderbroken wordt door harde rots, konden zeesteden verrijzen als Jaffa en Akko.

De Joden zijn niet een zeevarend volk geweest. Voor een deel is dit wellicht te verklaren uit de omstandigheid, dat de kustvlakte door vreemden werd overheerst. Flavius Josephus schreef eens: “Wij bewonen geen land aan de zee en verblijden ons niet in de handel”.

De kustvlakte. Achter de duinen is de kustvlakte. Deze is bij Gaza ongeveer 40 km breed, maar wordt naar het noorden smaller.

De kustvlakte bestaat uit drie delen: 1. Sjefeela. 2. Saron. 3. De vlakte van Akko ten noorden van de Karmel.

Sjefeela. De Sjefeela wordt in de vertaling “Laagte” genoemd. Deze laagte omvat twee gebieden

a. het lagere land achter de duinen.

b. het heuvelachtig terrein ten oosten daarvan. Het is het hellingland vóór het gebergte van Juda (de hellingen, Jozua 10: 40). Dit heuvelland was de grenszoom van Judea; hier zijn de oorlogen gevoerd tussen Israël en de Filistijnen, vooral in de dalen.

De dalen van de Sjefeela en de oorlogen (kaart 5 en 6)

1. Het noordelijkste is het dal, dat van Jaffa over Lydda door het dal Ajalon voert (kaart 5).

Aan het hoge boveneinde daarvan kwam het invallende Israël het eerst uit het Jordaandal te voorschijn; Jozua vervolgde hier de Kanaänieten toen hij de zon beval stil te staan (Jozua 10:10 v.v.). Langs deze weg heeft David de Filistijnen geslagen van Gibea af tot bij Gezer (2 Sam. 5:25). De uitgang werd beheerst door het sterke Gezer, dat tegen Jozua troepen zond (Jozua 10:32).

2. De beek Sorek, de Wadi es‑Sarrar (hierdoor gaat thans de spoor­weg Lydda, Er Ramle, Jeruzalem). Het is het terrein van Simson; hier lagen Zora en Estaol (Richt. 13:25). Door dit dal keerde de wagen met de ark, langs Beth Semes (1 Sam. 6:13).

3. Het Terebintendal (Wadi es Sant), het terrein van de strijd tussen David en Goliath (1 Sam. 17) bij Socho en Azeka.

4. De beek Besor (zuidoostelijk van Gaza; 1 Sam. 30: 9‑15).

5. Het Zoutdal (Wadi el‑Milh) het oostelijke bovendeel van het dal van Berseba; waar de Edomieten de nederlaag leden tegen David (2 Sam. 8:13; 1 Kron. 18:12; Psalm 60:2) en tegen Amazia (2 Kon. 14:7; 2 Kron. 25:11).

Vruchtbaarheid. De eigenlijke kustvlakte is vruchtbaar. Reeds in de dagen der aartsvaders was de korenbouw be­langrijk en als er hongersnood heerste in Kanaän ging men naar het Filistijnenland, waar Gerar (Gen. 20:1; 26:1) een middelpunt was van korenhandel, gelijk de graan­silo’s bewijzen, die men bij de opgravingen vond. ‑ In de Sjefeela zijn thans o.m. uitgestrekte katoenvelden bij het oude Lachis.

Saron. Saron is de zeevlakte tussen Joppe en de Karmel. In de oudheid waren in Saron weideplaatsen voor runderen. (1 Kron. 27:29). Thans zijn hier vele bloeiende koloniën der Joden met uitgestrekte citrusgaarden.

De vlakte van Akko. Deze kustvlakte was eenmaal aan Aser toege­wezen; ook hier hebben de Joden grond geworven.

21

 

Het Bergland ten westen van de Jordaan

Waterscheiding. Dit bergland strekt zich uit van de Sinaïwoestijn tot aan de Libanon. Merkwaardig is het, dat de

waterscheiding tussen de Middellandse Zee en de Jordaan niet in het midden ligt, maar meer naar het oosten. Wel 2/3 deel van het land ligt ten westen van de kamlijn (door­snede kaart 2). Daardoor hebben de rivieren naar het westen een kalmer loop, zodat hier rijkere dalvormen zich konden ontwikkelen en vruchtbare dalen in het bergland zijn uit­geslepen. Maar naar het oosten zijn de hellingen zeer steil: hier hebben de winterbeken diepe kloven uitgegroefd, kale steenbeddingen tussen steile wanden.

Hoe groot is het hoogteverschil van Hebron en Engedi? (kaart 6). En van Jeruzalem en Jericho? (kaart 6).

Kamlijn. De kamlijn is van de grootste betekenis. Op deze

lijn liggen de voornaamste steden: Hebron, Beth­lehem, Jeruzalem, Bethel, Sichem, Samaria, Nazareth. Langs deze lijn loopt de hoofdweg voor het landverkeer. Zeer merk­waardig: de weg over de hogere punten van het bergland! Toch is dit begrijpelijk: want ten oosten en ten westen van de waterscheiding zouden de talrijke diepe dalen de grootste moei­lijkheden geven voor een verkeersweg van noord naar zuid.

Kalkgesteente. Voor een groot deel bestaat het gebergte van Sa­maria en Judea uit kalk. Dit gesteente kan in

koolzuurhoudend water oplossen. Tengevolge daar­van ontstaan holen en grotten. (Psalm 71:3; Psalm 95:4).

Een blik op de kaart toont ons duidelijk, dat dit WestJordaanse bergland in tweeën verdeeld wordt door de vlakte van Jizreël:

ten noorden het bergland van Galilea, ten zuiden het bergland van Samaria en Juda.

Boven-Galilea. Het bergland van Galilea bestaat uit Boven‑ Beneden‑Galilea. Boven‑Galilea is het gebergte van

Naftali; een mooi land van kalm‑gelijnde bergen met uitgestrekte olijfgaarden. Het bereikt zijn grootste hoogte in de Atzmon (1208 m).

Dit bergland van Boven‑Galilea zendt uitlopers naar de kust; daardoor is de weg langs de zee soms op de hellingen der rotsen. (Tyrische Trap).

Basalt en kalk. De bergen zijn voor een deel uit basalt opgebouwd door vulkanische werking. Daarnaast komt ook het kalkgesteente voor; bijv. in de koepelvormige Tabor. De dalen zijn voor een belangrijk deel door verweerde lava bedekt.

Beneden‑Galilea. Het bergland van Beneden‑Galilea vormt een reeks lagere bergen, eigenlijk heuvels, want de hoogste, de Tabor, is slechts 562 m hoog.

In het bergland van Beneden‑Galilea dringt de vlakte van Zebulon door. Ten oosten hiervan verrijst de berg, die in de overlevering wordt genoemd de Mons Beatus, de berg der zaligsprekingen, aan de oever van het meer Gennesareth.

Zuidwaarts van de vlakte van Zebulon verheft zich het berg­land, waarop Nazareth is gebouwd. De uitlopers van dit gebergte gaan langzaam over in de vlakte van Jizreël. Oostelijk van dit bergland verrijst de koepelvormige Tabor.

Het klimaat en de atmosfeer van het Evangelie ademt men nergens zuiverder dan op de Tabor. In het noorden glinstert de sneeuw van de Grote Hermon. Dichterbij biedt de blauwe Zee van Tiberias een verkwikking voor ziel en ogen. Aan de andere kant zijn het Gebergte van Gilboa en de Karmelketen een prachtige zetting voor de rijke vlakte van Jizreël. Vanaf dit geweldige voet­stuk, dat het gebied van de stammen Issaschar, Zebulon en Naftali beheerst, genieten wij een schitterend vergezicht op het Beloofde Land. De top van de Tabor is bij uitstek geschikt om de kleurenrijk­ dom te bezingen van Galilea, wisselend naar gelang van de seizoenen en het uur van de dag. Wij hebben aan het einde van een zomerse dag gezien hoe de schaduw zich uitbreidde over de vlakte en hoe de rode schijf in zee onderdook, terwijl de wind de takken van de olijf­bomen om ons heen deed ritselen. Men voelt de neiging het woord op de lippen te nemen, dat Petrus in zijn verrukking uitsprak: “Het is goed, dat wij hier zijn”.

(M. H. LELONG O.P., Heilig Land).

24

De Berg Tabor.

De Tabor bekoort door de mooie koepelvorm, de schilderachtige ligging, het wijde uitzicht. Zigzag gaat het pad omhoog tussen eiken, en Johannesbroodbomen. ‑ De overlevering wijst de Tabor aan als berg der verheerlijking. Als men zijn gevoel laat leiden door het uitzicht, waar wij ons zoveel taferelen uit de heilige geschiedenis kunnen voorstellen, en van de vrede en stilte geniet, voelt men de neiging te denken, dat de Apostel zich de Tabor herinnert als hij schrijft: Toen wij met Hem op de heilige berg waren. (2 Petrus 1:18). Foto Willem v. d. Poll.

Vlakte van Jizreël. Aan de voet van de Tabor breidt zich reeds uit de vlakte van Jizreël en dal van Megiddo. Aan de noordzijde van de vlakte verrijst het bergland van Galilea. En aan de oostzijde sluit het bergland van Gilboa af met het heuvelland, waarop Sunem, Naïn en Endor zijn ge­bouwd. Ten noorden van Gilboa’s hoogten is een lage inzinking, waarin de bron van Harod is. Door deze insnoering loopt de Nahr Dsjaloed naar het Jordaandal.

Kison. De vlakte van Jizreël watert af door de Kison (nu genoemd Nahr 1)‑el‑Moekatta). De bodem bestaat voor een groot deel uit verweringsgrond van vulkanische ge­steenten. Deze leem is zeer vruchtbaar, de Kison stroomt over een modderige bedding. Aan de randen is de vruchtbaarheid het grootst; bij goede bevloeiing zal de begonnen cultuur zich steeds meer uitbreiden. Door deze vruchtbare vlakte (Jizreël ‑God zaait) voeren de grote karavaanwegen.

Karmel. De velden van Jizreël klimmen op naar de Karmel. Het woord Karmel betekent boomgaard en geldt in de Schrift als beeld van schoonheid (Hoogl. 7:5); als spiegel van de menigvuldige goedheid Gods (Jes. 35:2).

Nergens in Palestina zagen we een landschap, dat zozeer de indruk gaf van frisse, jeugdige kracht. De sterke dauw, die alle nachten valt, bewaart de bergflora voor verdroging, zodat het hier zelfs in de hete zomer altijd groen blijft. Waar geen geboomte staat, is de grond bedekt met dicht struikgewas. Er groeit gras, er staat jong eikehout, men ziet er mooie dennen en wilde abrikozen en perebomen. In de tuinen der vele landhuizen vindt men een overvloed van vruchtbomen o.m. de Johannes broodboom. De frisse zeewind, die maar zelden tot storm wordt, geeft iets heerlijk opwekkends aan de lucht, die met aromatische geuren vervuld is. Het is een echt paradijs.

(R. M. LIGTHART‑LION CACHET, Door Erets Israël).

De Karmel is een kalksteenrug: daardoor zijn er ook vele holen; zo wijst men bijv. “de grot van Elia” aan. Het noord­westelijk einde is een imposant voorgebergte aan zee; daardoor worden de vlakten van Saron en Akko gescheiden en loopt de weg om de Karmel heen langs de zee. Aan de voet van het gebergte ligt de havenstad Haifa. Het gezicht op Haifa en de Karmel, vanuit de zee gezien, is verrukkelijk. Op de hellingen tussen het geboomte, zijn de villa’s in natuursteen opgebouwd: dat is Hadar‑ha‑Karmel (“de heerlijkheid van de Karmel”; verg. Jes. 35:2).

1) Nahr duidt aan: beek, die altijd water heeft (“sterke beek” Amos 5:24); wadi een beek, die ‘s zomers vaak droog is (Job 6:15‑17).

26

De Karmel; op de voorgrond de Kison.

Het witte klooster boven links staat bij de plaats waar Elia offerde (el­moechraka = verbrande plaats). Die plek lag aan de oostzijde, omdat Elia te voet nog dezelfde dag Jizreël bereikt (1 Kon. 18: 46). De Kisoa is hier nabij (vers 40). De helling biedt hier genoeg ruimte voor een talrijke schare (vers 19 en 20). Er moet dichtbij een hoogte geweest zijn, waarop men de zee ziet (vers 43). Volgens vers 30 moet er tevoren een altaar hebben gestaan (hij herstelde het altaar); zulke altaren werden op in het oog vallende hoogten gebouwd. Het water dat Elia behoefde (vers 34) kon geschept worden uit een bron op de helling, waar ook in droge tijden grondwater is.

Vooral ‘s avonds als de duizende lichten glanzen is het uitzicht betoverend.

Vlakte van Dothan. Aan de oostzijde van de Karmel is een laagte, Dothan. welke voert naar de vlakte van Dothan: hierlangs loopt een oude, beroemde handelsweg van Gilead naar Egypte. (Genesis 37:25). Deze vlakte ligt reeds in het gebied van het bergland van Samaria.

Kenmerken van Galilea:

1. Het is een bergland (Ps. 89: 13) met vruchtbare vlakten (Gen. 49:20).

2. Het was in de eerste eeuw dichtbevolkt; bij de verhalen in de Evangeliën zien we gehele scharen toestromen.

3. Flavius Josephus beschrijft de volksaard als “altijd begerig tot verandering; genot vindend in oproer” (Vgl. Lukas 13:1).

4. Galilea wordt door vele beroemde wegen doorkruist, b.v. de Via Maris (Jes. 8:23). De Romeinen plaveiden die weg; in een van de tolhuizen zat Mattheus (Markus 2:14).

5. De bevolking is gemengd (“Galilea der Heidenen” Jes. 8:23).

Het bergland van Samaria

Samaria. Het Bergland van Samaria toont vrij veel afwisseling: vlakten, weiden en dalen tussen de bergen. Zo ligt de berg, waarop Samaria gebouwd is (1 Kon. 16:24), bij een vruchtbare vallei. De hoogste toppen van het bergland zijn de Ebal en de Gerizim en in het dal daartussen, dat de enige pas dwars door de bergketen is, ligt nu Nabloes. Tussen Ebal en Gerizim lag eens het oude Sichem.

Het is op de Ebal, dat wij de grootte van het Heilige Land gewaar kunnen worden en dat we ons opnieuw verwonderen over de invloed, die zulk een klein land op de geschiedenis der gehele wereld heeft uitgeoefend. Maar de verklaring is ook in het gezicht. Aan de voet in het begin van de dalengte is de Jakobsbron, waar eenmaal de woorden gesproken werden: Noch op deze berg, noch te Jeruzalem zult gij de Vader aanbidden; maar de ure komt, en is nu, wanneer de waarachtige aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en in waarheid.

(G. A. SMITH, De historische aardrijkskunde v. h. H. Land).

Kenmerken van Samaria:

1. Het is een bergland met kleine vlakten (Jes. 28:1).

2. Open ligging voor de vijanden (Richt. 6:11; 2 Kon. 13:20 )

3. Het nam spoediger vreemde cultuur op.

4. Het heeft een centrale ligging; de geschiedenis der Aarts­vaders begint te Sichem (Gen. 12:6).

5. Samaria onderhield meer verbinding met Oost‑Jordaanland (1 Kon. 12: 25; 1 Kon. 22; 2 Kon. 9).

Het bergland van Judea

Bergland van Judea. Het bergland van Samaria sluit naar het zuiden aan bij het gebergte van Judea. Het algemene ka­rakter van het land is: steenachtige velden, waarop ruw kreupelhout en doornen en dwergeiken woekeren tussen menigten van rotsblokken. In de dalen zijn olijfgroepen, vijgen en terrassen met wijnstokken. Rotsblokken zijn de over­heersende trekken van het landschap. Maar in het gebied van Israël is het geheel anders geworden. Als men door “de corridor van Jeruzalem” naar Tel Aviv gaat, ziet men langs de weg de eucalyptusbomen, op de hellingen jong bos. Het vroeger kale land heeft al iets liefelijks gekregen. De herbebossing heeft grote waarde voor het behoud van de teelaarde.

“Het doel van de nieuwe bewoners was de kale hellingen weer te beplanten, weer te bekleden met de oude groene luister, en zo wordt Ezechiëls profetie vervuld: Maar gij, bergen van Israël zult uw takken voortbrengen en uw vruchten dragen voor mijn volk Israël, want nabij is zijn komst. Want zie, Ik kom bij u en keer Mij tot u, gij zult bewerkt en bezaaid worden”. (Ezech. 36:8, 9).

(ZEV VILNAY, Israël Guide).

Vlakten. De waterscheiding verloopt als een tamelijk rechte lijn van Hebron naar Bethel. Ten westen ervan liggen enige kleine vruchtbare vlakten, b.v. van Eskol bij He­bron en de vlakte van Refaim ten zuiden van Jeruzalem. (Jesaja 17:5).

29

Weg in het aangeplante bos op de hellingen van het heuvelland bij Belt Meir (dat is ten noorden van Estaol, in het land van Simson), in de corridor van Jeruzalem. - Foto Consulaat van Israël.

Sjefeela. Aan de westzijde ligt voor het gebergte van Judea een heuvelland, dat langzamerhand overgaat in de laagte, de Sjefeela. Dit hellingland is doorgroefd door verschil­lende wadi’s: bekend zijn de dalen van de beek Sorek, het Tere­bintendal en de Besor. Deze dalen waren vaak oorlogsterrein in de strijd met de Filistijnen.

Ten zuiden van Hebron daalt de centrale bergketen lang­zaam omlaag tot aan de wadi, waaraan Berseba ligt: de plaats der putten (Gen. 31:30 en 31); het uiteinde des lands.

30

De herder met de kudde in het bergland van Judea. Het kalkland­schap heeft van die zacht golvende berglijnen. Op de kale stenige hellingen vinden schapen en geiten het spaarzame gras. Deze herder heeft behalve het geweer ook een schopje om aarde te werpen naar schapen, die van de kudde afdwalen.

Zuiderland. Zuiderland is in de Statenvertaling en Nieuwe ver­taling de naam voor de Negeb (droog, verschroeid land) het gebied ten zuiden van Berseba. Israël werd terug­geworpen, toen het van deze zijde trachtte het Beloofde Land binnen te dringen (Numeri 14:44 en 45). De dalen volgen de loop van uitgedroogde wadi’s; maar als de regen valt, tooien zich de hel­lingen met groen en doen “het zuiderland herleven” (Ps. 126:4).

Een belangrijk bronnengebied is bij el Koeseme, wellicht het bijbelse Kades (Numeri 13:26); opvallend is de grote omvang van dit geheel van oasen, met waterbronnen aan alle kanten, door bergen afgesloten van de buitenwereld. Hier is plaats in overvloed en ook veiligheid en onderhoud voor een half‑nomadische bevolking, zoals de Israëlieten dit voor hun intocht in Kanaän geweest zijn.

(F. M. TH. BÖHL, Palestina in het licht der jongste opgravingen).

De Negeb wordt thans bewoond door bedoeïenen die hier leven als halfnomaden, terwijl de Joden energieke pogingen aan­wenden om dit land tot bloei te brengen.

31

Woestijn van Judea. Aan de oostzijde wordt het gebergte van Judea begrensd door een buitengewoon interessant landschap: de woestijn van Judea. Het zeer bijzondere is wel, dat deze woestijn bijkans onmiddellijk grenst aan het oude cultuurland van Jericho en aan de velden van Efrata. De woestijn van Juda is de afhelling naar de Zoutzee, door­ploegd van steile dalkloven. Want de beken hebben alleen water in de winter; de regen groeft en de stenen kolken de dalen dieper uit, zodat kale steile wanden rijzen boven de steenbedding. Nog meer werken droogte en zonneschijn in. Want de woestijn ligt in de regenschaduw; als de winden van de Middellandse Zee komen, hebben ze al hun vochtigheid reeds verloren. Zodra de regen invalt, bloeien kleurige bloemen en fris groen schittert even op de anders kale hellingen. Maar deze pracht gaat verloren bij de eerste Sirocco, de droge woestijnwind. Thans zwerven bedoeïenen rond, waar eenmaal Nabal zijn bedrijf had (1 Sam. 25:2), waar Amos schapenfokker was in Tekoa en kweker van moerbijvijgen. (Amos 7:14).

Holen. Het Bergland van Judea bestaat uit kalk. Als gevolg daarvan ontwikkelen zich de zogenaamde karstverschijnselen. Voor de bijbelse geschiedenis zijn daarvan het meest interessant de holen en grotten. Holen en spelonken worden meermalen in de Schrift vermeld; bekend zijn de spe­lonken van Machpela en van Adullam.

Boven alle bergen is één berg in dit plateau van Juda belang­rijk: het complex van Zions heuvelen, waarop Jeruzalem ligt.

Sinds 1947 zijn op drie belangrijke plaatsen in de Woestijn van Juda handschriften gevonden: noordelijk van de bron Ain Fasjka; een heel stuk zuidelijk hiervan in de wadi Muraba’at, en nabij Chirbet Mird, de oude burcht Hyrkania. In de eerste streek zijn de resten van een gebouw gevonden, uitgegraven en onderzocht waarvan de oude be­woners in direct contact gestaan hebben met de handschriftgrotten. (De bewoners van de streek noemen de ruïne Chirbet Qoemran. Chirbet is de Arabische naam voor een ruïneheuvel, of een ruïne zonder heuvel, wanneer de resten van oude gebouwen er nog voor een ruïneheuvel, of een ruïne zonder heuvel, wanneer de resten van oude gebouwen er nog voor een deel boven de grond uitsteken).

Enkele van die oude boekrollen zijn: Jesaja; bijbelverklaringen, bijv. een commentaar van Habakuk; de rol der Lofprijzingen; de regel van de gemeenschap, die zich hier gevestigd had.

In de wadi Murabaät werden brieven gevonden van de pseudo­Messias Bar‑Kochba (die ondertekent als Simeon ben Koseba). Een ervan luidt:

Van Simeon ben Koseba aan Jesjoe ben Galgola en aan de mannen van de vesting: vrede! Ik neem de hemel tot getuige tegen mij: indien er iemand ontbreekt van de Galileeërs, die gij hebt gered, dan zal ik uw voeten in de ijzers slaan, zoals ik heb gedaan met Ben Afloel.

(S)IMEON B(EN) KOSEBA, vorst van (I)s(raë)l.

De tussen haken staande letters zijn aangevuld naar het voorbeeld van andere brieven.

(PROF. DR. J. VAN DER PLOEG, Vondsten in de woestijn van Juda).

Die Galileeërs waren waarschijnlijk Joden‑christenen.

Hier is het oudste document, waarin gesproken wordt over chris­tenen in Palestina.

Kenmerken van Judea:

1. Judea is het meest geïsoleerd; de gemakkelijkheid van af­sluiting werkte mee tot het zelfstandig blijven in het geestelijk en godsdienstig leven.

2. Judea is een land van herders. Het hoofd van een dynastie en een der profeten werden geroepen van achter de kudde (2 Sam. 7:8; Amos 7:15).

De gelijkenis van de goede Herder sprak de Here in Judea (Johannes 10).

3. De nabijheid van de woestijn sprak van sterke tegenstellingen (Jes. 41:18, 19).

El Ghor

El Ghor (Arabisch = de spleet).

Bijzonder karakter. Een landschap zonder weerga! De beroemde aardrijkskundige Alexander von Hum­boldt noemt de grote “scheur” van het Jordaandal “het merkwaardigste geologische verschijnsel, dat in de gehele wereld te vinden was”.

El Ghor is een slenk in het grote Syrische breuksysteem:deze slenk (verzakt gedeelte) in de aardkorst begint bij de Orontes in het dal tussen Libanon en Anti‑Libanos en gaat zuidelijk tot aan de Golf van Akaba. Zelfs trekken de geologen die verzakking nog verder door de Rode Zee en tot aan de meren van Midden‑Afrika. De storing is echter het sterkst in El Ghor: dat is het diepst. Want terwijl het land bij het voormalige Hoele­meer of Chetmeer l) op 68 m boven zeehoogte ligt, is het meer van Tiberias reeds 212 m daaronder en de spiegel der Dode Zee zelfs 394 m beneden zeeniveau! In verband daarmee heeft de Jordaan een buitengewoon sterk verval: in totaal 907 m. Daarbij zijn oorsprong en mond in rechte lijn slechts 190 km van elkaar verwijderd.

1) Ten onrechte meende men dat hier de wateren van Merom waren. (Jozua 11:5, 7).

Bij het Hoelemeer zijn grootse werken uitgevoerd. Ten noorden van het meer was een moeras, dat drooggelegd werd: het vroegere landschap van waterpoelen en wuivende papyrus veranderde in akkerland. Ten zuiden van het meer is de Jordaanbedding verdiept, waardoor het water vrijer wegstroomt. Het meer is na de drooglegging tot een gebied voor groenten, wijn, fruit, aardnoten en weidegrond. Bovendien wordt het Jordaanwater door drainagekanalen en verder door pijp­leidingen getransporteerd voor de bevloeiing van verder gelegen ge­bieden. Een groots opgezet irrigatieschema is opgesteld in de vorm van een nationaal irrigatieplan, waarbij water uit de Jordaan bij het Hoelemeer naar een centraal punt in de Negeb wordt gebracht, vanwaar het water afgetakt zal worden naar verschillende delen van de Negeb.

Bronrivieren. De Jordaan ontstaat uit enkele bronrivieren: de Nahr‑el‑Hasbani, de langste, maar met het minste water; de Nahr‑el‑Leddan, waarvan de bron ligt bij het oude Dan; de Nahr‑Banijas, die ontspringt bij het vroegere Cesarea Philippi.

Wanneer deze drie bronrivieren zich verenigd hebben, stroomt de Jordaan door een breed dal.

Het dallandschap behoudt dit karakter tot het Hoelemeer: thans een vruchtbare vlakte. Beneden dit meer is weer een vruchtbare vlakte, waarin de rivier langzaam stroomt. Hier loopt de weg over de Jordaan van Damascus naar de zee; “de weg der zee” (Jesaja 8:23), de “Via Maris” zoals de kruis­vaarders die weg noemden. De overtocht wordt mogelijk ge­maakt door een brug (de brug der dochteren Jakobs) 1) ‑ die evenwel van latere tijd is.

Meer van Gennésareth. Bezuiden deze vlakte bij het Hoelemeer woelt de Jordaan een diep bed uit in de basaltrotsen, waarna de rivier door een delta kalm de Zee van Galilea binnenstroomt. In het Oude Testament leest men Zee Kinnèreth (Numeri 34:11). In het Nieuwe Testament wordt

1) Deze naam is ontstaan òf uit een Arabische legende over “dochteren Jakobs” òf doordat in de dagen der Kruistochten hier een nonnenklooster was gewijd aan de H. Dakobus.

gesproken van de Zee van Galilea (Mattheus 4:18), de zee van Tiberias (Johannes 6: 1), terwijl Lukas de naam geeft Meer Gennésareth (Lukas 5: 1). De waterspiegel ligt 208 m onder zeeniveau, de diepte is 50 tot 70 m, de grootste breedte 9,5 km, de lengte 21 km, de oppervlakte 170 km’.

Dat meer houdt ons gevangen door zijn edele vorm, de diep blauwe tint van zijn water, de wonderfraaie omlijsting der kleurige bergen.

(Naar W. J. AALDERS, In het Land der Belofte).

Visserij. Het meer Gennésareth is gekenmerkt door grote visrijkdom; in de Evangeliën lezen wij, hoe de visserij werd bedreven met een werpnet (Joh. 21:6), met het grote treknet (Matth. 13:47) of met een angel aan een lijn (Matth. 17:27). Enkele plaatsen droegen een naam, die aan het vissersbedrijf herinnert, bijv.: Beth‑Saida, vishuis.

Meervlakte. De meervlakte, het land Gennésareth (Matth. 14:34) bestaat uit verweerde basalt; op sommige plekken is de bouwaarde maar dun boven het harde rotsgesteente.

Oeversteden. Behalve Tiberias liggen aan het meer enkele dorpen en Joodse koloniën. Maar in de eerste eeuw waren hier belangrijke steden met bloeiende cultuur.

Bijzonder gevaarlijk zijn voor de vissers op het meer de plot­seling opkomende stormen. Als de lucht boven het meerbekken sterk verhit wordt, ontstaat op het meer een depressie en uit de bergkloven valt de wind met kracht neer; Markus 4:35‑41. Soms is op de ene plaats de zee nog betrekkelijk kalm, terwijl een paar meters verder de wind uit een der bergspleten met geweldige kracht op het scheepje valt. Zo verklaarde onze zegsman joh. 6:23 “doch er kwamen andere scheepjes van Tiberias” op deze wijze, dat de vaart van Tiberias naar Kapernaum onder de beschutting van de westelijke bergen ongehinderd kon geschieden, terwijl de discipelen op hun vaart van de overzijde naar Kapernaum een zware reis hadden (Joh. 6: 16‑21).

(Naar: R. E. VAN ARKEL, G. P. MARANG en A. NOORDTZIJ, Langs Nijl en Jordaan).

De Streek. Uit het meer Gennésareth komt de Jordaan in eigenlijk El Ghor ‑ een ingezonken dalvlakte van wisselende breedte, ingesloten door gebergten aan beide zijden en bestaande uit een leem‑ en mergelmassa, een kaal land.

36

De dalvlakte heet in de vertaling van het Bijbelgenoot­schap de Streek. Jakob woonde hier te Sukkoth. Waar het dal ruimer wordt en er bevloeiing is, is de dalvlakte echter vruchtbaar en was er in de oudheid een bloeiende streek: bij Beth Sean en bij Jericho, de Palmstad. (Deut. 34:3). In El Ghor heeft de rivier zich een dubbel bed uitgegraven: een 15 m diep bed, van wisselende breedte en bijna loodrechte

37

wanden en tamelijk rechte oeverlijnen. Daarin is weer het sterk kronkelende Jordaanwater, ongeveer 30 m breed en soms 3 à 4 m diep, plaatselijk echter maar 1 m, zodat de rivier op som­mige plaatsen doorwaadbaar is (nl. in de zomer). Langs de oevers is een dichte massa van bomen (2 Kon. 6:2, 4, 5), strui­ken en riet.

Pronk van de Jordaan. Het prachtige groen is een verrukkelijk gezicht in de vale wildernis van El Ghor. In het O. T. ontmoet men voor deze groene oeverlandschappen de uitdrukking: pronk van de Jordaan; toen leefden in het welig groeiende hout en riet ook nog leeuwen. (Zacharia 11:3; Jeremia 49:19). Gewoonlijk is het water van de Jordaan alzo door dicht groen omgeven; in de regentijd rijst het soms zo hoog, dat de bomen onder water gezet worden. (1 Kron. 12:15).

Van de hoogte zagen wij de terrassen. Nog lager lag het dal van de Jordaan. De heilige rivier! Haar oevers zijn met altijd‑durend groen omzoomd en in duizend bevallige bogen vliet zij daarheen; het gezang der vogelen en haar eigen heldere stem vervrolijkt haar pad; haar loop is een schitterende lijn in een vreugdeloze woestijn. Dat zij zo schoon is, dat is ze enkel geworden door het contrast met de dorre en zoute gronden, die haar vergezellen. Door geen windje be­wogen hangen de wilg en de tamarisk over de glinsterende wateren; de lelie buigt zich omlaag en bevochtigt haar kelk in de kristalheldere stroom en de oleander bloeit aan haar oevers. Onder het ineengegroeide loof staan anemonen in groepen bijeen, en het verwarde kreupelhout strekt de nachtegaal tot verblijf.

(W. F. LYNCH, Togt door het heilige land, vooral
tot onderzoek der Jordaan en der Dode zee).

Zijrivieren. De voornaamste linkerzijrivieren zijn de Jarmoek en de tabbok.

Bij de samenvloeiing van Jarmoek en Jordaan is een grote hydro-elektrische centrale gebouwd, daar ligt Naharayim.

Dalvlakte. Van de rechterzijrivieren zij genoemd de Wadi‑el‑Kelt. Hier is vermoedelijk het Dal van Achor (Hosea 2:14; Jesaja 65:10). Deze laatste doorstroomt de vlakte van Jericho, de dalvlakte aan de benedenloop, liggende tegenover die van Moab. De naaste omgeving van Jericho, de naar de Jordaan hellende vlakte, is een vruchtbare vlakte om de Palmstad (Deut. 34: 3; 2 Kron. 28: 15). Verder naar de oever der Dode Zee wordt de bodem onvruchtbaar en dor, omdat het loog van de Zoutzee de plantengroei belet in deze zoute gronden (Ps. 107:34).

De Streek, zoals in de vertaling van het Nederlands Bijbelgenoot­schap de Jordaanvlakte wordt genoemd, heeft een tijd gekend, dat deze vallei een groot aantal nederzettingen had met een dichte be­volking. Het oudheidkundig onderzoek heeft inderdaad op verrassende wijze aangetoond, dat hier vele steden zijn geweest. Een grote vermaardheid hebben vooral de opgravingen van Telelat Ghas­soel verkregen. Deze ruïneheuvels liggen ten noorden van de Dode Zee, ten oosten van de Jordaan, in het gebied, dat door de Staten­vertaling genoemd werd “vlakke velden van Moab” (Numeri 33:48; Deut. 34:8). In Telelat Ghassoel vond men een grote nederzetting, die tot Abrahams tijd bestaan heeft. Er was al een vrij hoge cultuur; zeer mooi zijn bijv. de fresco’s en het Ghassoeliaans aardewerk. Men heeft wel eens gedacht dat hier de “dubbelstad” Sodom en Gomorra heeft gelegen. Maar het is toch wel waarschijnlijk, dat de steden van de Pentapolis (de vijf steden Sodom, Gomorra, Adama, Zeboim, Bela, dat is Zoar; Genesis 14:2) in het zuiden lagen; mo­gelijk in het gebied, waar nu het ondiepe gedeelte van de Dode Zee is, ten zuiden van het schiereiland El Lisaan (de tong).

Nu vindt het oudheidkundig onderzoek vele steden in de Streek, maar de Bijbel noemt er betrekkelijk weinig omdat als regel alleen die plaatsen vermeld worden welke van betekenis zijn geweest voor de gewijde geschiedenis, in de leiding des volks door de God van Israël, de Heer van de tijden en van de historie.

Deze streek van de Jordaan is in de laatste jaren het terrein, waar­over de Rabbijn Nelson Glueck nauwkeurige en verrassende studies schreef, die getuigen van terreinkennis en scherpzinnige Bijbelstudie.

Het oudheidkundig onderzoek van enkele belangrijke plaatsen als Jericho en Beth‑San toont, dat de steden in de Jordaanvallei een lange en bewogen geschiedenis hebben gehad. Ja, reeds in prehisto­rische perioden, in de steentijd en de overgang naar de bronstijd, was in de slenk van de Jordaan een dichte bevolking. Wij hebben vaak gedacht dat deze Streek wel gemeden moest worden om het hete klimaat, of om de onveiligheid. Maar wij zullen ons oordeel moeten herzien. Want de Jordaanvallei is merkwaardigerwijze een van de rijkste dalvlakten, een van de vroegst bewoonde rivierlanden geweest van het Nabije Oosten ‑ volkomen in overeenstemming met het bijbelse getuigenis (Genesis 13:10). Het is wel zeker, dat het onderzoek van Nelson Glueck heeft aangetoond, dat in de Streek van de Jordaan vele nederzettingen waren gelegen= en dat de archeologie zoals hij zegt onderstreept de historische betrouwbaarheid van de mededelingen in de Bijbel, ook in het gebied van, wat hij noemt:

“earth’s most storied river”
de meest historische rivier der aarde.

Dode Zee. Daarna stroomt de Jordaan langzaam in de Dode Zee. Hoe algemeen bekend die naam mag wezen, komt deze in de H.S. niet voor. Daar wordt gesproken van de Zoutzee (Numeri 34:3; Jozua 15:2) de Oostelijke Zee in tegenstelling met de Middellandse Zee (Ezechiël 47:18) de Zee der vlakte; (2 Kon. 14:25). De Arabieren noemen haar Bahr Lut, de Zee van Lot.

Wie van het westen de Dode Zee ziet, wordt getroffen door twee indrukken: het blauw van de zeespiegel, dat de aanschouwer zo vrien­delijk toeschijnt en de hoge spitsen en klippen aan de oostelijke oever, de muur van Moabs bergen, die flikkert aan de overkant als gepolijst koper en die de blauwe zee rood verft met zijn weerspiegelend licht.

Grootte. De Dode Zee is 76 km lang; de grootste breedte ten Z. van de Arnon bedraagt 15,7 km. Het zuidelijke gedeelte wordt afgesnoerd door een laag schiereiland, E1‑Lisaan. De oppervlakte is 920 km2 (ongeveer de helft van onze pro­vincie Zeeland). De grootste diepte bedraagt 401 m; waar de spiegel zelf 394 m onder zeeniveau is, bedraagt de totale diepte onder zeeniveau 795 m. Het zuidelijk gedeelte is veel minder diep, nl. 1‑5 m. Op vele plaatsen komen de gebergten vlak aan zee, waardoor landen op weinig plaatsen kan geschieden; een omwandeling langs de zee is onmogelijk. Wanneer men van Sodom noordwaarts langs de Dode Zee gaat ziet men de indruk­wekkende bergklomp Massada, bekend door de oorlog in het jaar 70. Het woord Massada is een gehelleniseerde vorm van het Hebreeuwse metsada; d.i. sterkte, bolwerk. Men denkt wel, dat David zich hier gelegerd heeft. David en zijn mannen togen naar de vesting (metsuda; 1 Sam. 24:23). Waar de oever effen is, vindt men ondiepe strandmeren (lagunen) of een zoute drassige bodem. In het westen verrijzen de bergen van Juda. Bekend is de Dsjebel Soedoem, de Zoutberg van Sodom.

Aan de zuidwestkust van de Dode Zee ligt een oord, dat heden ten dage Sodom wordt genoemd. We kwamen in Sodom aan tegen de avond. Boven het gebergte waren al de eerste sterren zichtbaar en ook een horizontale maansikkel. Het gebergte maakte op mij de indruk van een gigantische muur, die een sprookjesland insloot .... Het is als natuurformatie enig in de wereld . . . . Doordat het in deze omgeving praktisch nooit regent, was het zout niet weggesmolten, maar bewaard gebleven. De schaarse regen, die zo eens in de twintig jaren valt, heeft in het zout trechters en kloven uitgeslepen. Wind en regen te zamen hebben aan de steile muur de fantastische aanblik gegeven, die herinnert aan een gotische kathedraal in verwaarloosde staat. Men heeft niet veel verbeeldingskracht nodig om figuren en gestalten te onder­scheiden. Soms ziet men een gedaante, die lijkt op een vrouw met een slepend gewaad, die wegvlucht als voor een oordeel. De wachten van de potasfabriek wezen haar aan en zeiden: ziet, de vrouw van Lot, die achterom zag en door God werd veranderd in een zoutpilaar. (Gen. 19: 26). Ik moet hier eerlijkheidshalve bij vermelden, dat ik tegen de zoutwand totaal wel drie van vrouwen Lot zag uitgekris­talliseerd.

(Prof. Dr. M. A. BEEK, De Bijbel gaat open in Israël).

Zout. Door de grote hitte is de verdamping intens. Buiten­dien heeft de zee geen afvloeiing. Mede als gevolg daarvan is het water zo zout, wel zesmaal zo sterk als de oceaan (de monsters hadden 20 tot 26 % zout). Behalve het keuken­zout zijn merkwaardige zouten: chloormagnesium, waardoor het water zo walgelijk smaakt en chloorcalcium, waardoor het zo olieachtig‑vies aanvoelt. In het water kunnen geen dieren leven; slechts waar bronnen instromen of onderzees naar boven borrelen zijn brakwatervissen. Asfalt stijgt op een nog niet verklaarde wijze uit de diepte op; zij vormt drijvende eilanden, die soms een huis hoog zijn. De asfalt van de Dode Zee is de beste die bestaat.

De asfalt wordt in de Bijbel ook genoemd (het dal van Siddim, dat is de Zoutzee, was vol asfaltputten; Genesis 14:3, 10).

Het OverJordaanse

Twee delen. Het land ten oosten van de Jordaan bestaat uit twee zeer verschillende gebieden:

a. het noorden: een geweldig basaltisch vulkanenland, een van de meest grootse der aarde.

42

Huizen van basaltsteen in Hauran.

b. het zuidelijke OostJordaanland: een vrij vlak land, van horizontaal liggende kalklagen.

De grens tussen die beide landschappen ligt ten zuiden van de Jarmoek. Naar het oosten gaat het OverJordaanse land over in de Syrische Woestijn; de scheidslijn is ongeveer de Pelgrims­weg naar Mekka.

Vulkanisch gebied. Het OverJordaanse plateau ten noorden van de Jarmoek is bijna geheel een vulkanisch gebied. Onmiddellijk aan het Jordaandal verheft zich het heuvelland Dsjolan of Gaulanitis. Het heeft goede weiden voor de kudden der nomaden. Deze “stenige Dsjolan” gaat naar het Z. en O. over in de “vlakke Dsjolan”, welke aansluit bij de vlakte En Noekra. Dit land is bedekt met tuf en roodbruine aarde; uit lava verweerd. Deze vlakte is van een buitengewone vrucht­baarheid; hier is de korenschuur voor Syrië door de uitnemende tarwe. Deze landschappen liggen in het oude Basan; zij worden naar het oosten afgesloten door de Hauran of het gebergte Zalmon, een bergland van uitgebrande vulkanen: de veeltoppige bergen van Basan (Ps. 68:15‑17). Uit de vulkanen gijn meer­malen lavastromen uitgebraakt; een geweldige lavamassa is El‑Ledsja in het noorden. Dit land, het oude Trachonitis, is een plateau met diepe spleten, welke vaak als toevluchtsoord hebben gediend voor vervolgden.

Nog verder naar het noorden, buiten het eigenlijke Palestina, ligt de vruchtbare vlakte van Damaskus.

Krijtland. Het land ten zuiden van de Jarmoek draagt een eentonig karakter; ‘t is een tamelijk vlak krijt­plateau en de Bijbel spreekt dan ook over “de steden van de hoogvlakte”. (Deut. 3:10). Het plateau helt steil naar de laagte van El Ghor; van hieruit vertoont het zich als een gebergte.

Van de Jordaanmond gezien vertoont zich het oude Moab als een blauw, hoog en ontoegankelijk bergland, met talrijke donkere kloven, waartussen de bergruggen liggen met koepelvormige toppen. Over het geheel ligt een dichte geheimzinnige sluier, die nieuwsgierigheid op­wekt. Beklimt men dit blauwe bergland, dan vertoont het zich als een golvende hoogvlakte, welke door verschillende heuvelrijen ge­rimpeld wordt en naar het oosten zich verliest in de onbegrensde woestijn. 

(A.MUSIL, Arabia Petraea)

Het gehele plateau wordt doorsneden door diepe rivierdalen van Jarmoek, tabbok en Arnon. Deze verdelen de hoogvlakte in verschillende landschappen; het noordelijkste tussen Jar­moek en tabbok is Gilead.

Gilead. Gilead heeft mooie bossen; de dalen hebben boom­gaarden met granaatappelen, abrikozen en olijven. Bovendien is het een voortreffelijk weideland: in de hitte des daags ziet men aan de beken het vee staan, en in de avonden hoort men de herdersfluit bij de kerende kudde.

“Wij traden op een vochtig, groen, met heerlijke bloemen door­werkt tapijt (in het dal van de Jarmoek). Tot de knieën reikte het gras. En bloemsterren van de meest verschillende vormen en kleuren staarden ons aan. Daarbij lachte de zon vriendelijk en scheerden zwaluwen door de blauwe lucht. Deze streek had iets paradijsachtigs. De bodem was overdekt met fris uitspruitende planten en ik dacht aan het woord van het Evangelie: “Er was veel gras in die plaats”.

(S. KILLERMANN, Die Blumen des heiligen Landes;
aangehaald uit: F. J. BRUVEL. Bijbel en Natuur).

Perea. Tussen tabbok en Arnon is het land, dat in Nieuw­testamentische tijd het eigenlijke Perea vormde.

Pisga. Aan de noordoostzijde van de Dode Zee is de hoogte van Pisga, welke recht tegenover Jericho is (Deut. 34: 1) en die uitziet over de Wildernis (Num. 21:20). Van het Abarimgebergte is de Nebo een der toppen.

Moab. En zuidelijk van de Arnon ligt het oude Moab: een hoogvlakte, die sinds oude tijden als koren‑ en weideland beroemd is. De dalkloven der beken naar de Dode Zee vormen prachtige landschappen.

Algemene karaktertrekken van het OverJordaanse land zijn:

1. Het is een goed land, vooral voor veeteelt (Numeri 32). Nog steeds zwerven de nomaden ver naar het oosten, zoals reeds de Ru­benieten door de woestijn trokken tot de Eufraat toe (1 Kron. 5:9).

2. Het ligt open naar de Syrische woestijn; nog steeds benauwen de stammen uit het oosten (Richt. 8:10) de bewoners en brand­schatten de landbouwers. De stammen Israëls, die zich hier in het schone, maar onveilige land hebben neergezet, hebben eigenlijk maar de rol vervuld van bijwoners.

4. HET KLIMAAT VAN PALESTINA

Zonnestand. In de zomer is de zonnestand zeer hoog, meer dan 80°.

Jeruzalem ligt op 32° noorderbreedte; hieruit volgt dat de zonne­stand in de zomer kan wezen (90 ‑ 32) + 231/2 = 811/2 °.

Hierdoor is het zonlicht op de zomerdag zeer fel (niets blijft verborgen voor haar gloed; Psalm 19: 7). Daarom wordt de schaduw zeer gewaardeerd.

Het felle zonlicht en de stralende hitte van de hete zomerdag maken het begrijpelijk, dat de schaduw in de middag een gezochte rust‑ en schuilplaats is. De schaduw werd als beschutting gevoeld, zo zelfs, dat de Israëliet kon spreken van “de schaduw uwer vleugelen” (Ps. 17:8); hij ziet in de schaduw beschermende kracht (in de schaduw des Almachtigen Ps. 91:1).

Temperatuur. De gemiddelde temperatuur van Jeruzalem is 15,9° C. (in Nederland ± 10°). De warmste maand is augustus, de koudste januari. Het spreekt vanzelf, dat de hoogte boven zee hier grote invloed uitoefent; zo is Tiberias aan de Zee Gennésareth veel warmer, en is het Jordaan­dal heet ‑ tengevolge van de lage ligging.

Palestina is een land van tegenstellingen in het klimaat. Van Egypte met de trein komende, maakt men eerst kennis met de woestijnzone van Berseba met typisch woestijnklimaat en woestijnflora; daarna volgt de vruchtbare Saronvlakte in het vroegere Filistijnenland met zijn tientallen kilometers zich uitstrekkende sinaasappeltuinen en vruchtbare korenvelden; daarna volgt het wilde, door diepe ravijnen doorploegde bergland van Judea en tussen Jeruzalem en Jericho de Jordaanvlakte met zijn subtropische plantengroei. En dat alles op een afstand van enkele tientallen kilometers. Elk dier vier genoemde, scherp onderscheiden gebieden heeft zijn eigen klimaat en eigen flora en fauna. Van Jeruzalem naar de Dode Zee is nauwelijks 25 km. En het verschil in klimaat is geweldig. Jeruzalem ligt 1200 m hoger dan het Jordaandal. In maart is de temperatuur te Jeruzalem ongeveer als bij ons in april, en terzelfdertijd heerst in het Jordaandal een zomerse hitte. Vele Jeruzalemmers zoeken Jericho op als winter­ verblijf. 

(H. TH. OBBINK, Bergopwaarts, nov. 1923).

Dag en nacht. Overdag is de warmste tijd kort na twaalven. Doch dan begint in Jeruzalem de windvaan naar het westen te wijzen: dan brengt de koelere, vochtige lucht verfrissing. ‘s Nachts kan de temperatuur sterk dalen. Maar aan het Meer Gennésareth zijn de nachten niet koud. Het zachte warme klimaat aldaar verklaart het openlucht­leven, dat we in de Evangeliën aantreffen. De schare overnacht buiten. (Matth. 15:32; Markus 8:2 en 3).

Over het algemeen is de lucht weinig bewolkt, wel natuurlijk tijdens de plasregens (Ezechiël 1:28); het blauw des hemels en de reinheid der lucht roemt iedere reiziger. Het diepe pracht­blauw van de Zionshemel kent zelfs Italië niet.

Winden. De tegenstelling van zomer‑ en winterhalfjaar wordt bepaald door de winden. ‘s Zomers waaien droge winden. ‘s Winters heersen westen­winden, die regen brengen. (Lukas 12:54).

Sirocco. Uit de omringende woestijnen waait, met name in het laatst van de lente, de droge sirocco als zuiden‑ of oostenwind. Daarom zegt ook de Heiland: wanneer gij de zuidenwind ziet waaien, zo zegt gij: Er zal hitte komen. (Luk. 12:55).

Regentijden. Palestina heeft een scherp begrensde regentijd tussen oktober en april. In het prille voorjaar kan men de zg. spade regen verwachten, maar van eind april tot september kan men de regenjas en paraplu gerust thuislaten. Van de komst van de regen hangt de welvaart van het land af. Daarom is zo belangrijk de regen op zijn tijd. (Deut. 11:14; Jer. 5:24).

Men kan in de regentijd drie perioden onderscheiden:

de vroege regen, de winterregen omstreeks december, de late regen.

 

Tussen deze regentijden heeft men dagen met droog, zonnig weer; ze behoren tot de aangenaamste van het Palestijnse klimaat.

Vroege regen. De vroege regen wordt met spanning verbeid na de dorre zomer. De natuur komt tot een nieuw leven; de bodem verliest zijn dorheid; kruiden en grassen beginnen te ontspruiten, zodat het aardrijk met een zacht­groen kleed bedekt wordt. Dan komen weer enige weken van mooi, droog weer.

Winterregen. Daarna valt de winterregen, vaak in hevige buien.

De regen valt soms als vernielende slagregen: hierop doelt de gelijkenis van het huis op de zandgrond, dat door de waterstromen werd wegge­slagen (Matth. 7:27). Door de grote regenval zijn de rivieren vol water en moeilijk over te trekken (Ps. 124:4, 5; Ps. 69:2 en 3). De regenbakken worden in deze tijd gevuld, om in de droge zomer drinkwater te hebben. Elk huis had een cisterne (regenbak Spr. 5:15). Als er breuken in zijn vloeit het kostelijke water heen (,Jer. 2: 13).

Late Regen. Na de winterse regen komen weer droge dagen, die gevolgd worden door de late regen. In deze tijd rijpt het graan; daarom is de late regen zo belangrijk; blijft hij uit, dan verarmt het koren. Daarom ver­staan wij het: des konings welgevallen is als een wolk van de late regen. (Spr. 16: 15).

Regencijfer. De totale regenval in Palestina is in één jaar over het algemeen minder dan in ons land.

Natuurlijk valt niet overal evenveel regen. De kuststreek is door zijn lage ligging arm aan neerslag; de meeste regen valt in het bergland van Galilea.

Een eigenaardig kenmerk van de neerslag in Kanaän is nog de grote schommeling der regencijfers. Evenals overal in subtropische gebieden verschilt de regenval van jaar tot jaar vrij sterk; schrale oogst, ja zelfs hongersnood kan hiervan het gevolg wezen. Dan zijn de akker­lieden terneergeslagen, omdat er geen regen op de aarde is geweest. (Jeremia 14:4).

Zo wisselen niet alleen vochtige winters met droge zomers, doch ook regenrijke, vruchtbare jaren met droge jaren van hongersnood af.

Sneeuw. Hoewel de neerslag in Palestina gewoonlijk in de vorm van regen voorkomt, is deze toch ook als sneeuw en hagel bekend. In de winter en het voorjaar is Jeruzalem wel eens getuige van sneeuwval: gemiddeld heeft de hoofdstad 3 sneeuwdagen per jaar.

Die sneeuwbuien kunnen soms vrij sterk wezen; in Hebron eens 30 cm dik; zo kan de sneeuwmassa gevaarlijk voor de huizen worden.

Dauw. Hoe belangrijk de regen ook moge zijn, gelukkig krijgt Palestina nog andere vochtigheid in de vorm van dauw. De grote hoeveelheid dauw stelt de boer dikwijls in staat te oogsten op waterarme gronden. In sommige delen van de Negeb is de hoeveelheid water uit dezen hoofde beschikbaar, groter dan de normale neerslag. Waargenomen is dat meer dan 200 mm op deze wijze door de planten ontvangen werd, waardoor de groei van watermeloenen in de Negeb in het regenarme jaar­getijde ongehinderd voortgang kan vinden. Zeewinden brengen massa’s waterdamp in het land; door de sterke afkoeling der nach­ten wordt deze damp gecondenseerd. Dan trekt in de ochtend de nevel over het veld, die bij het rijzen der zon spoedig verdwijnt. Dat is de nachtmist of dauw.

Menigmaal, wanneer ik op een herfstmorgen vóór zonsopgang mijn tent op een der hoogten ten westen van Jeruzalem verlaten had en naar de Heilige Stad reed, heb ik onderweg mijn paard tot staan gebracht, om naar een toneel van overweldigende schoonheid te zien.

Geweldige massa’s zilverwitte of opaal‑(melkblauw)kleurige wolken rolden voor mijn voeten in fantastische, eindeloos wisselende vormen. Daarboven uit staken de toppen der bergen, die als rotsgevaarten en eilanden in een schuimende zee zich voordeden. Het toneel duurt kort; de rijzende zon doortintelt en doorfonkelt de drijvende dampige massa, die al verder en verder rolt, om kort daarna geheel te ver­dwijnen in de hitte van de zonnestralen. Op de bodem laat ze de verkwikkende nachtmist of dauw liggen.

Met deze vluchtig voorbijgaande, elke morgen opnieuw gekomen en verdwijnende morgenwolken, vergelijkt Hosea de oppervlakkige boetvaardigheid van Israël:

Uwe liefde is als een morgenwolk, en als de dauw (of nachtmist) die in de vroegte vergaat. (Hosea 6:4).

(JAMES NEIL, Palestina en de Bijbel).

5. VRUCHTBAARHEID

Vloeiende van melk en honing. In de H. S. wordt Palestina genoemd een land vloeiende van melk en honing (Numeri 13:27), een land van tarwe en gerst, en wijnstokken, en vijgebomen, en granaatappelen; een land van olierijke olijfbomen en van honing (Deut. 8:8).

Deze bijbelse voorstelling wordt bevestigd door een Egyptisch verhaal van ± 1950 v. Chr. Sinoehe, een voornaam Egyptenaar vertelt van Boven‑Retenoe; dit is de Egyptische naam voor het eigenlijke Palestina. Daar mag Sinoehe, evenals Lot, het beste ge­deelte van het land kiezen. “Het was een schone streek. Vijgen waren er en wijndruiven, meer wijn dan water. Het was rijk aan honing en overvloeiend van olie. De bomen droegen velerlei vruchten, men vond er tarwe en gerst en overvloed van vee . . .”

(F. M. TH. BOHL, Kanaän voor de intocht der Israëlieten,
volgens Egyptische en Babylonische bronnen).

Dalen. Ondertussen moeten we wel bedenken, dat de Bijbel niet de voorstelling geeft, alsof geheel Palestina een vruchtbaar land is. Brede dalen en vlakten zijn voor de landbouw uitnemend geschikt; de dalen zijn bedekt met koren (Ps. 65:14); de Bijbel noemt b.v. de tarweoogst in het dal bij Beth‑Semes (1 Sam. 6:13), de aren in het dal Refaim (Jes. 17:5), de vruchtbare vallei bij Samaria (Jes. 28:1).

Woeste plaatsen. Daarentegen wordt ons ook gesproken van woeste plaatsen, waar in de winter het veld begroeid is met gras en kruiden, doch in de voorzomer alles is verwelkt. (Marcus 6:32 en 39). Ook de woestijn van Juda ligt in Kanaän, waar ook dorre gronden en zoutsteppen (Ps. 107:34) niet onbekend zijn. Die tegenstellingen, reeds in de Bijbel vermeld, zijn nog immer karakteristiek voor de Palestijnse landschappen.

Woestijn en wildernis. Er zijn in het Nabije Oosten, in en om Palestina drie natuurlijke landschappen: de woestijn, de steppe, het woud.

De Arabische woestijn nadert tot 20 km de stad Damascus, buigt dan om het gebergte Hauran heen, en loopt verder ongeveer langs de pelgrimslijn naar Mekka (kaart 13a).

Dan buigt de grens van de woestijn noordwaarts en omsluit de oevers van de Dode Zee en het Jordaandal (de woestijn van Juda is een echte woestijn). Vervolgens reikt de woestijn in het zuiden tot bij Berseba.

Zulk een woestijn mag men zich niet voorstellen als een wildernis geheel zonder plantengroei. Zo ziet zij er alleen uit in gebieden, waar de grond uit zouthoudende leem bestaat (de “zoute gronden” van de Statenvertaling Psalm 107:34). Ook de steenwoestijn is nagenoeg zonder enig groen. Maar het woestijnland, waar de bodem bestaat uit een mengsel van kalk en fijne leemdeeltjes, heeft een plantenkleed; zelfs de in dit gebied zeldzame “zandwoestijn” met zand­duinen is niet van vegetatie verstoken. Merkwaardigerwijze ziet men in dit gebied soms boomgroepen met tamarisken en schermaccacia’s. Zulke plekken zijn oasen.

Langs de woestijn is een strook, welke een steppenland is. De steppe is een vlakte, die door onvoldoende neerslag niet een dicht bos kon voeden, maar wel een natuurlijke plantengroei, die gevormd wordt door grassen, kruiden en struiken, plaatselijk ook een eenzame boom.

Het overige Palestina was eenmaal een gebied gelegen in de woud­gordel; thans vooral gekenmerkt door een drietal cultuurplanten: de olijf, de wijnstok en de vijgeboom. Dit gebied is tot cultuurland geworden.

Het bosgebied heeft thans (behalve op de Karmel) weinig grotere boomgroepen; in plaats daarvan ziet men de macchia (het struik­gewas dat in de regel 11/2 à 2 m hoog wordt) en nog meer de garigue (altijd groene, kleine struiken, die groepsgewijze geplekt staan en daartussen bodemflora van kruidachtige gewassen).

De grens van de woudgordel, de steppe en de woestijn hangt samen met het verschil in regenval. Is de neerslag geringer dan 200 mm, dan kan men naar alle waarschijnlijkheid een woestijn verwachten, bedraagt deze 300 tot 400 mm dan is er een steppe, en als het regencijfer boven 500 mm is, zal het gebied in de woudgordel liggen.

In het Hebreeuws worden o. m. onderscheiden de “midbar” en de “araba”. De midbar is de steppe; de plaats waar het vee wordt heenge­dreven. Na de regentijd is in de “woestijn” (dat is de midbar, de steppe) gras voor het vee; daarom kon Eliab tot David zeggen: Onder wie hebt gij de weinige schapen in de woestijn gelaten? (1 Sam. 17:28).

Het begrip “araba” duidt eigenlijk de echte woestijn aan; (“wil­dernis”).

In zijn geheel beschouwd, is het Palestina van nu een arm land vergeleken bij de oudheid. Wat zijn hiervan de oorzaken?

Geen verandering van klimaat. Men heeft gedacht aan een klimaatverandering, met name aan een uitdroging, mede een gevolg van het uitroeien der bossen. Nu is ongetwijfeld woud omgekapt (Jozua 17:15 en 18), maar het bewijs, dat Palestina vroeger een dicht woudgebied zou zijn, is niet geleverd. Wel heeft de ontwouding het wegspoelen van de teelaarde in de hand gewerkt. Daarom streeft men nu weer naar boomaanplant. Verder is er geen reden, om een klimaatverandering aannemelijk voor te stellen. Evenwel moet opgemerkt worden, dat sommige geleerden wel klimaatschommeling aannemen; b.v. de Amerikaan Huntington heeft er een boek aan gewijd.

Oorzaken achteruitgang. De achteruitgang van het land moet gezocht worden in verwaarlozing.

Vervallen terrasmuren en verbrokkelde wijngaardtorens leggen een getuigenis af van de vroegere cultuur. Een land als Palestina vereist toewijding; de velden vragen om bevloeiing; een goede oogst is te wachten in “een bewaterde hof”. Waar het land slecht verzorgd wordt, is ook de opbrengst gering. Bij de fellah’s is de produktie droevig door gebrek aan energie, armoede, primitieve gereed­schappen en een slechte methode van bemesting; bevloeiing kent men niet. Het centrale probleem voor de Israëlische landbouw (en daarmee voor de vraag hoeveel immigranten kunnen worden opgenomen), blijft de irrigatie. Een hectare bevloeid land heeft een 4 a 5 maal zo grote op­brengst als een gelijk terrein, dat niet kunstmatig werd bevloeid.

6. HET PLANTENKLEED

Palestina kent landschappen met verschillend plantenkleed. Het zeestrand heeft een andere bloemenpracht dan het Jordaandal de plantentooi aan de Dode Zee is een andere dan op de bergen.

Bomen en struiken. De terebint of terpentijnboom is een der mooiste bomen van Palestina; hij staat gewoonlijk op zich­zelf en trekt daarom de aandacht. Vandaar dat hij bij de Kanaänieten als heilige boom gold.

De acacia is de boom, die het “sittimhout” levert; hij groeit in warmere gebieden bijv. in de lage vallei van de Jordaan, waar de plant de naam gaf aan de plaats Abel Sittim (Numeri 33:49). Tamarisken met hun buigzame takken en teer groen bieden een liefelijk gezicht, vooral in de bloeitijd, als de einden der takken met roodachtige bloemen zijn bedekt. (Gen. 21:33. Abraham plantte een tamarisk te Berseba).

De geurende mirt in het dal geldt als zinnebeeld van schoon­heid. (Jes. 41:19). De altijd groene cipres (Hosea 14: 9) en de pijnboom zijn vertegenwoordigers van het naaldwoud.

52

53

Wilde Vijgeboom (Sycomore).

“De moerbeivijgen, die in menigte in de Laagte groeien” (2 Kro­nieken 9:27). Deze sycomore heeft reeds dicht bij de grond takken, zodat het voor Zacheus gemakkelijk was, dat hij “klom in een wilde vijgeboom” (Lukas 19:4).

De plataan behoort tot de mooiste bomen van Palestina (Ezech. 31:8 en platanen haalden niet bij zijn takken).

De brem is de struik, waarvan de wortels houtskolen leveren die lang gloeien (Ps. 120:4: gloeiende kolen van bremhout). De wortels worden in tijden van nood wel gegeten. (Job 30:4 en de wortel van de brem dient hun tot voedsel). In Gilead groeien de struiken, die beschouwd worden als de moederplant van de balsem van Gilead. (Gen. 37:25; Jer. 8:22).

Als in de oudheid bloeien de hennabloemen bij Engedi (Hoogl. 1:14); Israëlische pioniers telen deze bloemen (geliefd om de geur en de geelrode kleurstof voor de nagels); met vliegtuigen brengt men de bloemen uit Lod naar Europa.

Vruchtbomen. De olijfboom met zijn knoestige stam en grijsgroene kleur is de belangrijkste van de bomen. De bodem van Palestina is bijzonder geschikt voor de olijfboom. Zowel de kalkachtige grond als het basalt zijn uitnemende voedings­bodems.

54

Zeer oude olijfboom. - Foto Willem van de Pol.

Zelfs op schrale rotsachtige bodem wil de olijf groeien en verwerkelijkt de toezegging: “Olie uit het keihard gesteente” (Deut. 32:13b).

De statige vijgeboom heeft een dicht loof, waaronder men aangenaam kan rusten. In november wordt de boom kaal; maar in maart gaan de bladeren uitspruiten en weet men dat de zomer nabij is. (Matth. 24:32). De wilde vijgeboom of sycomore heeft reeds dicht bij de grond takken. De vruchten van de sycomore lijken wel wat op vijgen; zij herinneren in hun smaak aan moerbeien

55

Wachttoren op een wijnberg.

Daarom vinden wij in de Statenvertaling beurtelings de namen “wilde vijgeboom” en “moerbeziënboom”. De peulen van de Johannesbroodboom werden als veevoeder gebruikt. (Luk. 15: 16).

De granaatappelboom met zijn donkergroen gebladerte, zijn vurig gloeiende bloesems, zijn rode appelvormige vrucht (Hoogl. 6:7) is een vreugde voor het oog. De amandelboom heeft eerst licht roze, daarna witte bloesems aan dor uitziende takken (Pred. 12:5). Sierlijk wiegelen de kronen der palmen. Het best gedijt de palm in streken met meerdere warmte, zoals bij Jericho, de Palmstad (Richt. 1:16). Tegen de hellingen, in terrassen boven elkaar, zijn wijngaarden; omgeven door een steenmuur; zelden ontbreekt op de wijnbergen de wachttoren (Jes. 5:1 en 2).

Van de meloensoorten is vooral de grote groene watermeloen met het lichtrood vruchtvlees geliefd; om het zaad te beschermen waken jongens of mannen in “een nachthut in het komkommer­veld” (Jes. 1:8).

Bloemen. De bloemen des velds worden in de Bijbel voorge­steld als beeld van vergankelijkheid (Ps. 103:15,16).

“Zodra de eerste regen gevallen is, komen de eerste bloemen te voorschijn en het is vooral de vlakte van Saron, die dan getooid wordt met zee‑ui, affodillen, herfsttijlozen en straks ook narcissen. Wanneer de lente gekomen is, is de vlakte één grote bloemenzee. Dan is het, dat de steppe bloeit als een narcis. Daarom kan in de beurtzang van bruidegom en bruid gezegd worden: Ik ben een narcis van Saron”.

Hooglied 2:1.  (F. J. BRUYEL, Tijden en jaren).

Het gras des velds heeft een ruime betekenis: het is niet alleen gras, maar ook allerlei groene plant. In de regentijd is de steppe met gras bedekt, maar het behoort tot de ijzeren wetten van Pales­tina, dat de oostenwind de lentepracht gewelddadig beëindigt. Dat dorre gras dient om de oven aan te maken (Matth. 6:30). Een van de spijzigingen moet nog in het voorjaar zijn geweest, omdat de mensen zitten in het gras. (Matth. 14:19). De boer heeft hier dus de zorg om in de zomer het vee voeder te geven, hetzij haksel (Jes. 11:7) hetzij mengvoer (Jes. 30:24).

Doornen en distelen woekeren veel. Men trachtte deze on­kruiden uit te roeien door vuur. (2 Sam. 23:6, 7).

In moerassige plaatsen rijst riet en bies uit het water; naast ons gewone riet heeft Palestina ook het harde 5 à 6 m. hoge pijl­riet, dat als meetroede dienst kon doen. (Ezech. 40:3; Openb. 11:1).

7. DIEREN IN PALESTINA

Roofdieren. Van de roofdieren was de belangrijkste de leeuw, eens menigvuldig, vooral in de pronk van de Jordaan, thans verdwenen. De panters of luipaarden kwamen vroeger zoveel voor, dat ze ‘s nachts loerende om de steden slopen (Jer. 5:6). Nog steeds zijn er vossen, die de wijngaarden verderven (Hoogt. 2: 15). Troepen jakhalzen zwierven rond en vroeger ook hyena’s in duistere dalen, waar het verdwaalde schaap hun prooi wordt. De wolven der wildernissen slopen vooral in de avond rond (Hab.1:8); bijzonder in de kloven aan de Dode Zee. De honden, die in groten getale door de steden en dorpen doolden, hadden geen eigenaar; des nachts weerklonken de straten van het gehuil der dieren (Ps. 59:15 en 16). De Psalmen tekenen het zo juist: de dorpen bij nacht, zonder licht; als men ze bij toeval vindt, beginnen de honden te blaffen.

Des avonds toch komen zij terug
zij huilen als honden en lopen de stad rond.
Zij zwerven om te eten
als zij niet verzadigd zijn, dan grommen zij.

Steenbokken. Antilopesoorten zijn niet onbekend. Bij Engedi waren de rotsstenen der steenbokken (1 Sam. 24:3); nog steeds leven deze dieren in de bergen bij de Dode Zee.

Vogels. Talrijke trekvogels brengen de winter in Palestina door of trekken verder; de ooievaar aan de hemel kent zijn vaste tijden en een tortelduif en zwaluw nemen de tijd van hun aankomst in acht (Jer. 8:7). De koekoek hoort men vooral in het voorjaar evenals de bulbul (een lijster). Van de hoenderachtige vogels moet genoemd worden de patrijs of het veldhoen, een andere soort dan de onze. Wilde eenden en duiven bevolkten in groten getale het Jordaandal. Grote troepen kwartels strijken over de velden der vlakte. Van de roofvogels ziet men vooral adelaars, gieren en valken in de wildernissen aan de Dode Zee.

Insekten. Veelsoortig zijn ook de slangen; bijzonder groot het aantal soorten hagedissen. Overvloedig zijn de insekten: onder bijna iedere steen zijn schorpioenen; vliegen kunnen gedurende het hete jaargetijde lastig zijn. Een grote plaag zijn vooral de sprinkhanen (Joël 1:4). Nog gebruiken de bedoeïenen de sprinkhanen; ze worden geroosterd, gestampt en daarna met wat zout gegeten. Van de wilde bijen verzamelde men de honing uit de rotssteen. De Palestijnse soort is feller dan de onze (Deut. 1:44; Ps. 118: 12).

58

Gedeelte van de Madabakaart (de oudste kaart van Palestina uit de 6e eeuw). Men ziet de vissen zwemmen in de Jordaan. Over de rivier voert een brug. In de oostelijke dalvlakte is een hert, dat achter­volgd wordt door een leeuw.

Huisdieren. De meeste betekenis hebben natuurlijk de huisdieren. Het eigenlijk inheemse rund is het Arabische rund. De melkproduktie is gering; deze varieert van 400‑700 liter per jaar (terwijl de gemiddelde opbrengst per melkkoe per jaar in kg in Nederland 3850 is). Het rundvee in Israël staat op hoog peil, veel van het uitmuntende Friese stamboekvee is uit ons land naar Israël getransporteerd. Zeer aanzienlijk is nog de schapenteelt, in ‘t Oost‑Jordaanland. Het nuttigste dier voor de fellah is het vetstaartschaap; het tranig vlees is het voornaamste vleesvoedsel.

In het oude Israël waren geiten nuttig door de melk, het vlees, de huid voor de lederen zakken en het haar (waarvan de tenten werden gemaakt). Maar een groot bezwaar is, dat de dieren de takken en de spruiten van jonge bomen vreten; daardoor zijn de geiten oor­zaak geworden van ontbossing ‑ en als gevolg hiervan kale hellingen, doordat de teelaarde dan niet meer bijeengehouden wordt door boom­wortels, maar door de regen wegspoelt. In de Staat Israël zijn haast geen geiten. Vóór 1948, het jaar van de stichting van de Staat, werden praktisch geen geiten door Joodse boeren gehouden, maar wel 70 kudden met in totaal 18000 schapen. Daarentegen hadden de Arabieren 500.000 schapen en geiten. Thans bezitten de Israeli’s meer dan 50.000 schapen, terwijl Arabieren slechts 16.000 schapen en een zeer gering aantal geiten houden, aangezien de meeste kudden sinds de onaf­hankelijkheidsoorlog over de grenzen zijn gebracht.

Het eigenlijke rijdier is de ezel; de oosterse ezel is groter en le­vendiger dan de onze.

Visserij. Merkwaardig is het, dat de visserij vroeger veel meer betekende. Zelfs heette te Jeruzalem een der poorten de Vispoort (2 Kron. 33:14, Neh. 3:3), waarschijnlijk, omdat in de nabijheid een vismarkt werd gehouden. Uit Neh. 13:16 blijkt, dat Tyrische kooplieden hun vis te Jeruzalem aan de markt brengen.

8. BEWONERS VAN HET LAND, VOOR DE ISRAËLIETEN KWAMEN

Refaïeten. Opgravingen in Palestina brachten een groot aantal vondsten uit de prehistorie (= de tijd, voordat er geschreven berichten zijn; men leer, de prehistorie kennen uit de overblijfselen van de mens zelf, bijv. schedels, of uit gebruikte voorwerpen, bijv. stenen bijlen). Zo heeft men de “Karmelmens” gevonden met vuurstenen gereedschappen, in een prehistorische grot van het Karmelgebergte. Men noemt die tijd het “Grotten­tijdperk” van Palestina. Voor de bijbelse geschiedenis is van be­tekenis, dat er ook vondsten gedaan zijn uit de jongere steentijd. De bevolking bouwde toen dolmens (grafkamers uit stenen opge­bouwd); die oudste bevolking had stenen werktuigen. De plaatsen, waar men deze overblijfselen uit de steentijd vindt, zijn het Oost‑Jordaanland en de streek bij Jeruzalem, dus juist de streken waar het volk der Refaïeten heeft gewoond (Gen. 14:5; Deut. 2:11: 3:11; Joz. 12:4).

60

Hoe men zich Filistijnse krijgslieden moet voorstellen. Typisch zijn de hoofdbedekking, het harnas, het zwaard en het schild met versiering.

Van deze Refaïeten noemt de Bijbel de Avvieten in het latere Filistijnenland; de Horieten in ‘t gebergte Seïr; de Zamzummieten of Zuzieten bij de tabbok; de Emieten in het latere Moab.

Kanaänie en Amorieten. Na deze Refaïeten zijn stammen binnengedrongen, waarvan de belangrijkste zijn de Kanaänieten en de Amorieten. De Kanaänieten hebben de naam aan het land gegeven (Kanaän); zij vestigden zich vooral in de kustvlakte en in het Jordaandal (Numeri 13 . 29) terwijl de Amorieten woonden op het gebergte.

De Bijbel is gewoon zeven volkeren op te noemen, wanneer hij spreekt van de Voor‑Israëlitische bewoners van Kanaän, namelijk: Kanaänieten, Hetieten, Amorieten, Ferezieten, Girga­sieten, Hevieten en Jebusieten.

De Hetieten waren omstreeks 2000 v. Chr. over een groot deel van Voor‑Azië verbreid; zuidwaarts tot in Judea, waar zij te Hebron woonden in de dagen van Abraham (Gen. 23). ‑ Het Rijk der He­tieten behoorde in de tijd tussen 1500 en 1200 tot de grote mogend­heden van Voor‑Azië. De hoofdstad, Chattusas, is door de beroemde Hugo Winckler ontdekt in het dorp Boghaz‑Keui (Klein‑Azië). Dit Hetitische rijk is overvleugeld door het Assyrische en heeft ± 1100 als grote mogendheid afgedaan. Maar toch bestonden tijdens Salomo nog Hetitische vorstendommen in Noord‑Syrië (1 Kon. 10:29), ook nog in de dagen van Eliza (2 Kon. 7:6).

In het kustgebied woonden noordelijk de Feniciërs; in het zuiden de Filistijnen. Deze zijn afkomstig van Kaftor (Amos 9:7) vermoedelijk het eiland Kreta. Als volk zijn zij nà de Israëlieten gekomen, doch de eerste Filistijnse immigranten woonden er reeds in de dagen van Izaäk (Gen. 26:l).

Oost‑Jordaanland. In het OostJordaanland vonden de Israëlieten, behalve de reeds genoemde Amorieten, de Moabieten in het Z. en de Ammonieten verder naar het noorden. Dit waren Semieten, afstammelingen van Lot.

Niet al deze volkeren werden door de Israëlieten verdreven of uitgeroeid. Zo bleven er de vijf Filistijnse stadstaten Ekron, Gath, Asdod, Askelon en Gaza. De Jebusieten woonden nog lang in Jeruzalem. Ook vele steden, vooral die aan de grote handelswegen, werden pas later Israëlitisch: Akko, Dor, jibleam, Megiddo, Thaänach, Beth‑Sean e. a.

9. IN JUDEA

Jeruzalem in de geschiedenis. Jeruzalem is de heilige stad (Matth. 27:53). Het is de stad Gods op de berg Zijner heiligheid. (Psalm 48:2).

De grootheid van de stad is niet te verklaren uit haar aardrijkskundige ligging. Het bijzondere van Jeruzalem ligt in Gods besluit: Daar zal Mijn Naam zijn. (1 Kon. 8:29).

(H. VINCENT. Jerusalem. Recherches de Topo­graphie, d’Archeologie et d’Histoire).

Ligging. De stad ligt in het midden van liet belangrijkste deel van het land, aan de verkeersweg, die van ‘t N. naar ‘t Z. over de kam van het gebergte van Jizreël naar Hebron liep. En toch ook weer lag de stad afgesloten. Slechts in ‘t N. hangt ze samen met het bergland van Benjamin; als een land­tong steekt de stad tussen de omringende dalen vooruit. Het dal van de Kedron, begrenst de stad in ‘t O., terwijl het Z. en het W. door het dal van Hinnom worden ingesloten.

Heuvels. Het heuvelcomplex van Jeruzalem werd vroeger ver­deeld door het dal Tyropeon (= Mestdal of Kaas­makersdal, tegenwoordig noemt men het Stadsdal). Dit Stadsdal is thans met aarde en puin gevuld. Ten westen van dit dal lag de Bovenstad in het zuiden, en ten noorden daarvan de heuvel, waarop de kerk van het Heilige Graf staat. Ten oosten daarvan verheffen zich de heuvels Ofel, Moria (de Tempelberg) en Bezetha.

Ouderdom. Jeruzalem is een zeer oude stad. In de dagen van Abraham was ze reeds bekend onder de naam van Salem.

Oudheidkundig onderzoek deed zien, dat hier in Jeruzalem reeds in de prehistorische tijd een nederzetting was. Buitendien is de ouderdom ook gebleken uit Egyptische en As­syrische bronnen. Jeruzalem wordt reeds als Urusalim vermeld in de El‑Amarnabrieven. Nog oudere vermelding dan in deze El-Amar­na­brieven vindt men in een Babylonische lijst van goden, die op bepaalde plaatsen vereerd werden; in deze oude lijst is reeds sprake van Uru-­Silim‑ma, dat als middelpunt van het “Westland” met roem vermeld wordt. Hierdoor hebben we een bericht over Jeruzalem uit het 3de millennium vóór Christus.

Vermoedelijk is het eerst bebouwd de zuidelijke top van de oostelijke heuvel, dus Ofel. Hier was de stad Davids.

Stad Davids. Op Ofel werden bij de opgravingen overblijfselen van de veste der Jebusieten opgegraven; hier was dus de vesting Jebus. Deze vesting is door David veroverd, toen genoemd “burg Zion” en “stad Davids”.

Door al deze opgravingen is men versterkt in de gedachte, dat dus het oudste Jeruzalem lag op de oostelijke heuvel, bij de bron Gihon. Nu is er een traditie, dat de Bovenstad in het westen de stad Davids zou wezen. Evenwel is deze traditie noch oud, noch eenparig.

Voordelen Oostheuvel. Vóór de onderstelling, dat Ofel inderdaad de oude stad is, pleiten de volgende omstandigheden:

1. De helling van die heuvel is steil, zodat een vesting gemakkelijk verdedigd kon worden (2 Sam. 5:6).

2. Bij de opgravingen is gebleken, hoe klein de Palestijnse steden waren (Megiddo bijv. 5 ha). De westelijke heuvel is eigenlijk te groot voor een oude stad; daarvoor komt Ofel beter in aanmerking.

3. Dichtbij de oostelijke heuvel is de enige bron, die in een wijde omtrek het gehele jaar water geeft: de Gihon. Deze bron is van grote betekenis voor de oude stad Jeruzalem geweest. Het was echter nodig, dat men ook tijdens een beleg de beschikking had over het water. Er was reeds in de dagen der Jebusieten een waterschacht. (2 Sam. 5:8). Evenwel heeft Hiskia hier de eigenlijke tunnel laten graven (2 Kon. 20:20; 2 Kron. 32:30) van de bron naar de vijver Siloah (“het badwater Siloam”).

Zion. De naam Zion werd het eerst gegeven aan de zuidelijke top van de oostelijke heuvel, dus aan Ofel. (2 Sam. 5:7).

Later werd Moria, de tempelberg (2 Kronieken 3:1) Zion genoemd, de heilige berg, waar de Here zijn woning had. (Psalm 76:3).

De berg Moria is een vlakke rots, een tafelberg. En op dat bergplein ligt de hoost merkwaardige “heilige rots”.

64

De Heilige rots in de Rotskoepel.

Op het bergplein van de tempelberg (Zion of Moria) verheft zich de rots; de plattegrond lijkt iets op het grootzeil van een Nederlands binnenschip (17 m lang, 13 m breed, 1,77 m hoog). In de tempel van Salomo was hierop het brandofferaltaar. De Arabieren bouwden hieromheen en hierboven de prachtige Rotskoepel.

65

Jeruzalem, zoals het was in de Nieuwtestamentische tijd, gezien uit het westen. 1 = Tempelplein; 2 = Olijfberg; 3 = Golgotha, dichtbij de stad (Joh. 19:20) buiten de poort (Hebr. 13:12).

Tweede gedeelte. Salomo vergrootte en verfraaide de stad. Hij bouwde op Moria (ten noorden van Ofel) zijn paleis en de tempel; hierdoor werd de stad het godsdienstig middelpunt. Bovendien begon in zijn tijd ook de uitbreiding naar het westen.

Op de tempelberg bevond zich nog in Davids dagen een dorsvloer. (2 Sam. 24:18 v.v.). Deze tempelberg was dus in Abrahams tijd nog eenzaam en verlaten. Hierdoor wordt het begrijpelijk, dat Abraham offerend op de berg Moria (dit is de tempelberg volgens 2 Kron. 3:1), in een onbewoonde streek is, terwijl Jeruzalem reeds toen een stad van betekenis was. (Genesis 14:18).

De uitbreiding in het noorden is de Nieuwe stad (Zefanja 1: 10). Deze “Nieuwe stad” werd reeds in de dagen der eerste Koningen door een tweede ringmuur omgeven.

Geschiedenis. Niet steeds ging de stad vooruit. Menige vijandelijke macht kwam bij haar poorten, tot eindelijk Nebukadnezar de stad tot een puinhoop maakte (586 v. C.).

66

Het Tempelplein van ,Jeruzalem met de kathedraal van de Rots (ten on­rechte Omar Moskee genoemd). - Foto Willem van de Poll.

Vooral onder Nehemia werden de muren van de stad hersteld. Ook na die tijd leed de stad meermalen veel. Pas door Herodes Agrippa I werd met de bouw van een derde ringmuur aan de noordzijde begonnen. Bezetha werd daardoor bij de stad ge­trokken. Nadat Herodes nog veel voor de verfraaiing der stad had gedaan, werd zij in het jaar 70 na C. door de Romeinen veroverd en geslecht. Een halve eeuw later stichtte keizer Ha­drianus (117‑1311 op dezelfde plaats een heidense stad Aelia Capitolina. De muren daarvan hadden praktisch hetzelfde ver­loop als de tegenwoordige muren. Keizer Constantijn de Grote bouwde de Graf‑ en de Opstandingskerk, zijn moeder Helena op de Olijfberg een Hemelvaartskerk (in de 4e eeuw).

In 637 veroverde Kalif Omar de stad, door Mohammed aange­wezen als een der heiligste; vandaar de naam El‑Koeds = het heiligdom. Dit is nog haar tegenwoordige Arabische naam.

De opvolger van Kalif Omar, Abd‑El Malik, heeft over “de rots” gebouwd de beroemde Rotskoepel. Om de rots heen een achthoekige dom, gekroond door een zeer elegante koepel. Marmer, faiencewerk en goud werden aan dit gebouw niet gespaard. Vrome pelgrims hiel­den het zelfs voor de Tempel van Salomo!

Toen de Kruisvaarders in 1099 Jeruzalem veroverden, werd op de rots een altaar gebouwd en het kruis verving de halve maan.

Maar reeds in 1187 trok Sultan Saladijn de stad binnen en het oude tempelplein kwam onder de heerschappij van de volgelingen van de Profeet.

Het Tempelplein werd de “Haram‑esj‑Sjerif”: het Verheven Heilig­dom voor de mohammedanen.

Tot op de huidige dag.

Het tegenwoordige Jeruzalem. In 1517 kwam de Heilige Stad in de macht der Turken, die pas in de eerste Wereldoorlog Jeruzalem verlieten, om plaats te maken voor de Engelsen. Thans is de oude Heilige Stad binnen de muren onder de heerschappij van Jordanië; het zuidelijk gedeelte van de westelijke heuvel buiten de stadsmuur, behoort aan Israël.

De Joden noemen deze heuvel Har Tsion (berg Zion) en de later aangebouwde wijken het “nieuwe Jeruzalem”. Ten N. van de stad is de “Mandelbaumgate”; daardoor kunnen toeristen uit Jordanië in Israël gaan.

68

De tegenwoordige stadsmuur dateert uit de tijd van sultan Soliman, die in de jaren 1526‑1539 deze liet bouwen. Bekende Gouden poorten zijn: in het oosten de zg. Stefanuspoort

Poort. (herinnering aan Hand. 7:58) en de meest be­roemde, de Gouden Poort.

Deze poort is dichtgemetseld; de Arabieren hebben deze volkomen toegesloten uit bijgelovige vrees, dat anders op een vrijdag een chris­telijk veroveraar de stad door deze poort zal binnentrekken. De naam Gouden Poort berust op een vergissing. Want de “Schone Poort des tempels” (Hand. 3:2) welke met deze poort verwisseld wordt, was hier niet, maar bij het Voorhof der Vrouwen in de Tempel van Herodes. Buitendien, de tempelpoort in Hand. 3:2 wordt genoemd de hooraja of schone; dit is in de Latijnse vertaling geworden aurea of gouden.

Jaffapoort. Aan de westzijde is de Jaffapoort; thans is deze poort afgesloten: ja, de poort is dichtgemetseld. Vlak daar­bij is de zg. Davidstoren.

Een traditie (welke niet ouder is dan de Middeleeuwen) verbindt dit kasteel aan de naam van David. Het gebouw is evenwel een over­schot van het beroemde paleis van Herodes. Volgens de bekende Joodse geschiedschrijver Flavius Josephus was de Herodesburcht aan de noordzijde beschermd door drie grote torens: Mariamne, Fasaël en Hippicus. Eén is ervan over (vermoedelijk Hippicus).

Sommigen menen, dat in deze burcht tijdens de Hoge Feesten de residentie der Romeinse stadhouders was; de “Lijdensweg” zou dan van hier lopen naar Golgotha.

De traditie wijkt hiervan af; volgens haar is het Rechthuis ge­weest in de Burcht Antonia: daar begint dan de Via Dolorosa.

Aan de noordzijde is de grootste poort de Damaskuspoort.

Heilige Stad. Jeruzalem is de heilige stad voor de drie monotheistische godsdiensten. De mohammedanen hebben in El Koeds (de heilige) het Haram‑esj‑Sjerif, een van de meest heilige plaatsen. De Jood ziet Jeruzalem als de stad van de roemrijke geschiedenis. Voor de christenen is Jeruzalem de stad van de Heiland, de stad van Zijn lijden en Zijn tranen. De heilige plaats in de stad is vooral de Kerk van het Heilige Graf en Golgotha en S. Pieter in Gallicantu waar de op­gravingen het paleis van Kajafas hebben gevonden; (Matth. 26:57) en buiten Jeruzalem Gethsémané en de Olijfberg.

Olijfberg. Rondom de stad vinden we: aan de oostzijde de Olijfberg, 804 m. Van deze berg heeft men het mooiste gezicht op de stad en tegelijk een verrassende blik op de omtrek. Men ziet naar het z.o. de Dode Zee. Aan de voet van de Olijfberg ligt de hof Gethsémané. De zuide­lijkste heuvel draagt nog afzonderlijk de naam van Berg der Ergernis, een herinnering aan de goden van Salomo’s vrouwen. Bij de fontein Rogel komen het Kidron‑dal en Dal van de zoon van Hinnom samen. Uit het dal des zoons van Hinnom rijst de Berg des bozen raads op, zo genoemd, omdat Kajafas daar in een landhuis de raad tot de dood van Jezus zou hebben gegeven.

Aan de oostzijde van de Olijfberg lag Bethanië.

Steden in Judea

Bethlehem. Aan de weg naar het zuiden ligt Bethlehem, d. i. Broodhuis.

In de El‑Amarnabrieven heet de stad Beth‑Lachama. “Hieruit blijkt, en dat is interessant, dat de naam Bethlehem oorspronkelijk niet betekent: broodhuis, maar: huis, dat is tempel van de godin Lachama. Bethlehem, eerst dus de stad van een heidense tempel, toen de stad van David en zijn helden, en eindelijk de stad der kribbe, voor­waar een opgang, waarop geen tweede stad in de ganse wereld kan bogen”.  (Prof. Dr. JOH. DE GROOT).

Vaak vinden we de naam Bethlehem‑Juda, ter onderscheiding van een ander Bethlehem, dat in Galilea lag. Ook komt de toe­voeging Efratha, de Vruchtbare, voor. De inwoners zijn meest christenen, die van landbouw, veeteelt en nijverheid leven. Het ligt nl. in een vruchtbaar plekje van het anders dorre ge­bergte van Juda. De Basiliek der Geboorte is een van de oudste kerken; hier wijst men de grot, waar Jezus geboren werd.

Hebron. Hebron is gebouwd zeven jaar voor Zoan in Egypte (volgens Numeri 13:22) dat is in 1697 voor Christus. Aan de overzijde van het dal lag het nog oudere Kirjath Arba, bekend uit de geschiedenis van Abraham. Hebron ligt aan de helling van een dal, waar amandelen en abrikozen en de mooiste en grootste druiven van het gehele land in menigte groeien. Hier kan men de moskee bezoeken, gebouwd boven de spelonk van Machpela.

In het zuiden van Juda. Maon, aan de rand der woestijn van Juda. Hier woonde de rijke Nabal. Zif, bekend uit de geschiedenis van David. Tekoa, het vaderland van de profeet Amos. Adullam en Kehila zijn ook in de geschiedenis van Davids omzwervingen bekend geworden. Kirjath‑Sefer (“boekenstad”) waarvan de ligging door op­gravingen zeker is. Axeka in het Terebintendal.

Verder naar het Z. liggen nog: Berseba, put van de eed (Gen. 26:23 v.) of put van de zeven (Gen. 21:30). Deze stad werd beschouwd als de zuidelijke grens (“van Dan tot Berseba toe”). Gerar, waar Abraham en Izaäk heen trokken in tijden van honger (Gen. 26:1); bij de opgra­vingen vond men graansilo’s; Gerar was het middelpunt van de korenhandel in Zuid‑Palestina. Aan de Dode Zee in het zuidwesten de tafelvormige berg Masada; hier was de laatste, verschrikkelijke strijd tussen de Joden en de Romeinen in het jaar 70; Engédi, een oase; de wijngaarden van Engédi worden in het Hooglied genoemd.

Oostwaarts van Jeruzalem. Jericho, de Palmstad. 250 m onder zeeniveau, met haar tropisch klimaat; in een heerlijke, vrucht­bare omgeving.

Er wordt zowel in het Oude Testament als in het Nieuwe Testament van Jericho gesproken. Maar dan wordt niet dezelfde stad bedoeld. En in de Jordaanvallei zijn twee ruïneheuvels, op de plaats, waar beide steden gelegen hebben. Daarnaast is er nog een modern Jericho ontstaan. Zodoende zijn er drie Jericho’s aan te wijzen ‑ en in zekere zin tegenwoordig zelfs vier.

Het oudste Jericho is de stad, waarvan de muren gevallen zijn onder het bazuingeschal, in het gezicht van de Ark Gods. Deze stad was omgeven door een weelderige oase van wuivende tarwevelden en sierlijke dadelpalmen. Daardoor kreeg de stad de naam Palmstad (Richt. 1:16; 3:13; 2 Kron. 28:15). Deze oude stad is geworden tot een puinheuvel, Tell es‑Sultan en bij de opgravingen hebben de geleerden Sellin en Garstang stadsmuren gevonden.

Men vond de resten van een wijdere buitenmuur, die om de voet van de heuvel liep, en daarbinnen een dubbele muur. Die binnenste muur werd beschouwd als de muur uit de dagen van Jozua, en Garstang

72

Reconstructie van Jericho naar Garstang.

maakte een reconstructie, hoe Jericho er toen uitzag. Maar de dame, die in de laatste jaren de opgravingen leidt (Kathleen Kenyon) zei: wat men vroeger had aangezien als de muren in Jozua’s dagen, is uit vroegere tijd. Nu is er over de ouderdom van stadsomwallingen wel eens meningsverschil geweest. Maar gesteld, dat de stadsmuren uit Jozua’s tijd onvindbaar zijn? Dan kan men misschien een verklaring vinden in het feit, dat na de val van Jericho de stad eeuwenlang ver­laten was en de slopende krachten van weer en wind wegvaagden wat overgebleven was. Misschien is het ook mogelijk, dat de ban zó inten­sief is geweest, dat van de oude stad niets bleef.

Het Jericho uit de dagen van het Nieuwe Testament heeft men ge­vonden in de Tulul Abu el Alayig “heuvels van de vader der braam­struiken”. Tulul is het meervoud van Tell, en Tell is ruïneheuvel. Er zijn namelijk twee tells, een ten noorden, en een ten zuiden van de Wadi el‑Kelt.

Dit Nieuwtestamentische Jericho, dat zijn pracht dankte aan de bouwlust van Herodes, ligt ten zuidwesten van het Oudtesta­mentische Jericho.

Het moderne Jericho is het dorp, dat de Arabische naam Er‑Riha draagt; het ligt ten oosten van het Nieuwtestamentische Jericho, meer naar de Jordaan toe. Het is een dorp van kleine witte huisjes, die verscholen liggen onder het weelderige groen van bananen, dadel­palmen en sinaasappelbomen. Het profiteert van het verblijf der Amerikanen, die de opgravingen van Jericho leiden en van de zout­ziederij van de Potash Company aan de noordzijde van de Dode Zee.

Dit zijn dan de drie Jericho’s. Eigenlijk zou men nog van een vierde, een ultramodern Jericho kunnen spreken. Het is het kamp van de refugiés, van de Arabische vluchtelingen. Hier verblijven Arabieren, die uit de Staat Israël zijn weggevlucht. Zij krijgen steun uit het buitenland, hoofdzakelijk uit Amerika.

Jericho was in de Nieuwtestamentische tijd een lustoord met koninklijke gebouwen, een villastad, een sprookjestuin van boom­gaarden en bloemhoven, met lange lommerrijke lanen.

“Wie, zoals de Here Jezus, uit het noorden kwam, passeerde eerst de plaats van het oude Jericho, in welks nabijheid toen een aantal woningen stonden, die een soort voorstad vormden van het Hero­diaanse Jericho. Als men deze voorstad verliet, kwam men na een half uur gaans bij dat Nieuwtestamentische Jericho. Daar vond nu de genezing plaats van Bartimeus; een gebeurtenis, die in de drie synoptische evangeliën wordt verhaald, maar met interessante ver­schillen (Matth. 20:29‑34; Marc. 10:46‑52; Luk. 18:35‑43).

Volgens Mattheus en Marcus vond de genezing plaats toen de Heiland Jericho verliet; volgens Lukas toen Hij de stad naderde. “De beste oplossing hiervoor is die, welke rekening houdt met het

dubbele Jericho, het oude en het Herodiaanse. Voor een reiziger, die zich bevond op de weg tussen het ene en het andere, kon men even­ goed zeggen, dat hij Jericho (het oude) verlaten had, als dat hij Jericho (het Herodiaanse) naderde”. 

(RICCIOTTI).

Gilgal lag dichter bij de Jordaan, ‘t is bekend uit de geschiedenis van Jozua.

Ten noorden van Jeruzalem. Aan de wegen, die van Jeruzalem noordwaarts gaan, liggen:

Anathoth, de vaderstad van Jeremia (Jer. 1:1). Gibea, de stad op een heuvel in de stam van Ben­jamin (“Gibea Benjamins” 1 Sam. 13:2) de stad van Saul (“Gibea Sauls” 1 Sam. 11:4) met heiligdom (vandaar de naam “Gibea Gods” 1 Sam. 10:5).

Op 5 km ten noorden van Jeruzalem ligt de Tell el‑Foel (= bonen­heuvel). Hier zijn door de Amerikaanse geleerde Albright opgra vingen verricht; hij onderzocht de sterkte op de top van de heuvel.

74

Hoe men zich het oude Mizpa voorstelt ‑ naar het beeld, dat men uit opgravingen kreeg.

Deze bleek ± 1200 v. Chr. gebouwd te zijn en niet lang daarna ver­woest (Richt. 20:37‑40). Daarna is op de plaats een ruimere en versterkte woonplaats ingericht: de residentie van Saul (1 Sam. 19:9).

“De tegenwoordige archeoloog leest in de verwoeste puinhopen als in een boek, en het was reeds bij deze eerste opgraving van een oud‑Israëli­tisch gebouw volgens de tegenwoordige methode opmerkelijk, hoe voortref­felijk de bijbelse en archeologische gegevens elkaar aanvullen en elkaar wederzijds bevestigen”.  (F. M. TH. BOHL, Palestina).

Rama, Geba, Michmas, bij de nauwe bergkloof, waar de Filistijnen zich legerden in de strijd met Saul en jonathan (1 Sam. 14:1‑10).

Mizpa. Mizpa betekent wachttoren. Er zijn verschillende plaatsen, die deze naam dragen. Een van de meest bekende was Mizpa in Benjamin, waar het volk meer dan eens samenkwam (“tot den Here te Mizpa”. Richt. 20:1). Bij de opgravingen van de heuvel Tell‑enNaçbe vond de Amerikaanse geleerde o. m. twee oren van oude kruiken met het opschrift m s p; dit is een van de redenen waarom hij deze plek aanziet voor het oude Mizpa; ook vond hij een zegel met de naam Jaäzanja, vermoedelijk hij, die te Mizpa heeft gewoond (2 Kon. 25:23).

Emmaus. De Paters Vincent en Abel van de École Biblique hebben opgravingen verricht te Amwas en zien hier het bijbelse Emmaus. Evenwel wijzen de Franciscanen die plaats in El Koe­bebe. Beëroth, stad in Benjamin (2 Sam. 4:3).

Ai, werd aangewezen in Et‑Tell “een grote ruïneheuvel waarop de naam van Jozua 8:28 ruïneheuvel voor eeuwig zeer goed past” (Joh. de Groot). Er is echter reden om te twijfelen of Et‑Tell = Ai.

Bethel, al bekend uit de geschiedenis van Jakob (Gen. 28:19); later werd het onder Jerobeam de plaats van de kalverendienst. (1 Kon. 12:29).

Meer naar het noordwesten: Rama = Ramathaim; in het N. Test. Arimathea genoemd.

Aan de wegen van Jeruzalem naar het noordwesten:

Gibeon, tijdens de intocht der Israëlieten hoofd van een steden­bond (Jozua 9:17); later ging Salomo “naar Gibeon om al­daar te offeren, omdat dit de voornaamste hoogte was”. (1 Kon. 3:4); daar stond een tijd de tabernakel (2 Kron. 1:3).

Gibeon is ontdekt door opgravingen in het Arabische dorp El‑Jib, 101 km ten n. van Jeruzalem. Men vond daar o.m. een grote vijver (“zij ontmoetten elkander bij de vijver van Gibeon 2 Sam. 2: 13). Uit inscripties op handvatten van kruiken weet men met zekerheid, dat in dit dorp inderdaad het oude Gibeon gevonden is.

In de nabijheid:

Nob, bij Jeruzalem (Jesaja 10:32).

Beth‑Horon, in een steile bergpas, bekend uit veldslagen (Jozua 10:10).

Meer naar het westen: Kirjath‑Jearim, ten W. van Jeruzalem.

Plaatsen in de kustvlakte. In de vlakte Saron moeten worden genoemd: Joppe, in het O.T. Jafo, “de Schone”. Uit de zee heeft men een prachtig gezicht op stad en land. De omgeving is zeer vruchtbaar en levert vooral sinaasappelen. In de nabijheid van Jaffa de écht Joodse stad Tell Aviv (bijna 400.000 inw.) met een opgewekt leven.

Caesarea is een ruïne. In de tijd der Romeinen gebouwd, werd het als de zetel der Romeinse stadhouders een der belangrijkste

76

In Tell ed Doewer zijn beschreven potscherven gevonden, die bekend zijn als de “brieven van Lachis”. Het schrift is met inkt geschreven (de inkt is volgens het scheikundig onderzoek samengesteld uit een extract van galnoten en roet). De afbeelding geeft een brief aan de vestingcommandant van Lachis uit het jaar 588 (kort voor de in­neming van Jeruzalem). De brief is kruiperig. “Aan mijn heer Jaoesj. Moge Jahwe aan mijn heer goede berichten doen horen, juist nu, juist nu. Wat is uw knecht die een hond is, dat mijn heer aan zijn knecht denkt? Moge Jahwe degenen ten verderve voeren, die op iets ingaan, waarvan gij niet weet”.

steden van Palestina. Van de oude schoonheid zijn slechts ruines overgebleven. Dor, een van de oudste steden, ligt nog iets verder ten N.; het was een nederzetting van de Feniciërs, die er de purperslak verzamelden. Antipatris wordt genoemd in de geschiedenis van Paulus.

Lydda (Lod), bekend als de plaats, waar Petrus Aeneas gezond maakte, ligt op de grens van vlakte en bergland; thans een kruispunt van spoorwegen en de luchthaven van de “El Al” (“omhoog”), de Israëlische luchtvaartmaatschappij. Ook het in die geschiedenis genoemde Sarona ligt in die buurt, dicht bij Joppe. Gezer ‑ de stad, die pas onder Salomo aan Israël kwam. (1 Kon. 9:16). De geschiedenis der stad kent men uit de belangrijkste opgravingen van een Engelse expeditie. Lachis eens het hoofdkwartier van Sanherib (2 Kon. 18:17).

Filistijnse steden. 1. Gaza “de sterke”, de belangrijkste stad der steden. Filistijnen; de stad ontleende haar betekenis vooral aan de omstandigheid, dat het aan de oude handels­weg van Egypte naar Syrië lag. Thans heeft het de naam ge­geven aan de Gaza‑strip, het zuidelijke deel van de Sjefeela, dat door Egypte is bezet.

2. Askelon, aan de zee (Jeremia 47: 7). Herodes de Grote, die er geboren werd, verfraaide de stad met vele bouw­werken. Herhaaldelijk is ze in de loop der geschiedenis in­genomen en verwoest. De ruïne deels door duinzand bedekt, deels weer ontbloot, is groots.

3. Gath aan de spoorweg Lydda‑Berseba.

4. Asdod. De naam leeft voort in het Arabische dorp Esdoed. Hier werd Dagon vereerd. In deze stad, ook wel Azote genoemd, predikte Filippus het Evangelie.

5. Ekron. Als de zetel van Baäl‑Zebub is het in de geschiedenis van Elia welbekend.

10. IN SAMARIA

De voornaamste plaatsen zijn:

Samaria, de stad, door koning Omri op de mooie, 100 m hoge heuvel van Sémer gebouwd. In de bloeitijd van Israël was het een stad van luxe (Amos 3:9 v.v.) en pracht. Herodes, die Samaria van Augustus als geschenk ontving, heeft de stad verfraaid; hij noemde de stad ter ere van keizer Augustus (wiens naam in ‘t Grieks Sebastos luidde), Sebaste (thans Sebastije).

In 1908‑1910 heeft een Amerikaanse expeditie opgravingen gedaan; in de Israëlitische laagvan de stad meent men gevonden te hebben het paleis van Achab, het “ivoren huis” (1 Kon. 22:39). Onder een der kamers werd in een rotskelder gevonden een verzameling van ongeveer 75 fragmenten vaatwerk met Hebreeuwse opschriften, die wat hun vorm betreft, doen denken aan de lettertekens van de Siloah‑inscriptie. Zij zijn geschreven met zwarte inkt met behulp van een schrijfstift en handelen over de levering van olie en wijn. Waarschijnlijk zijn het een soort geleibrieven, die de wijn‑ en olie­zendingen voor de koninklijke magazijnen begeleidden.

De “inschriften” van Samaria zijn geschreven met een vlotte cursieve vorm. Bovendien zijn ze geschreven op waardeloze en vorm­loze potscherven; als schrift iets heel bijzonders zou zijn geweest, had men niet de toevlucht genomen tot zulke ostraca (potscherven). De opstelling en indeling van de tekst regelen zich naar de grillige vormen en naar de afmetingen der scherven. Blijkbaar is schrijven een aan allen bekende kunstvaardigheid (Richt. 8:14).

(Naar J. SIMONS, Opgravingen in Palestina).

78

Er waren in de dagen van de omwandeling van de Here Jezus in hoofdzaak drie wegen van Galilea naar Jeruzalem.

I. Volgens schrijvers uit de 1e eeuw (Flavius josefus en de Talmud) was de weg door Samaria de gewone, meest gebruikte weg. Ook de Here Jezus ging langs deze weg (Joh. 4:4; Lukas 9:52 en 53).

II. Er liep een weg door het OverJordaanse, vermoedelijk langs de voet van het bergland. De Here Jezus ging ook die weg (Matth. 19:1). (II. Er was een weg door de kustvlakte langs Antipatris. Langs deze weg ging Paulus naar Cesarea (Hand. 23:31). Ook Jozef, Maria en het kindeke Jezus gingen langs deze weg van Egypte naar Nazareth.

Sichem. Deze stad, tussen de Ebal en de Gerizim, ligt in het centrum van Palestina. De opgravingen van Sellin en Böhl brachten aan het licht de grondslagen van de toren: de sterkte en het huis van de Verbondsgod (Richt. 9:46).

Prof. BÖHL deelt hierover mede:

Tussen Ebal en Gerizim liggen twee ruïneheuvels: ten W. van Nabloes de mooie puinheuvel Tell Soefar, ten 0. van Nabloes de heuvel Tell‑el‑Balata. Nu is de oostelijke heuvel Tell‑el‑Balata af­gegraven door een expeditie, waaraan o.a. de prof. Sellin en Böhl deelnamen. Daar werd gevonden “de sterkte, in het huis van de god Berith” (Richt. 9:46); de Sichemstoren met de verschansing van de tempel van de Baäl Berith = de god van het verbond. De Sichems­toren heeft volgens het verhaal uit Richt. 9 op enige afstand van Sichem gelegen, daar de inwoners van deze stad de ondergang van Sichem niet zien, maar ervan horen. Men neemt nu aan: dat in het W. lag de stad Sichem (verborgen onder de heuvel Tell Soefar), dat in het 0. lag Migdol Sichem (opgegraven onder de heuvel Tell el Balata).

Er zijn dan geweest twee vestingen aan de ingangen van de berg­pas, nl. “Sichem” en “Sichemstoren”. Tussen deze vestingen en de bergen Ebal en Gerizim lag een vruchtbaar land, met bronnen en van alle kanten beschermd en afgesloten van de buitenwereld. Daar is later de “Nieuwstad” (Neapolis, Nabloes) gesticht.

Vermoedelijk heeft Jerobeam de oude vestingwerken van de stad laten herstellen, en men meent althans een deel van de herstelde stads­wallen (die in bouw overeenkomen met de Salomonische vestingmuur te Megiddo) te hebben blootgelegd.

Nabij Sichem was de heilige terebint, Moré genoemd (Genesis 12:6). Een half uur van de stad vinden we de Jakobsbron, waar Jezus zijn gesprek voerde met de Samaritaanse vrouw. Ook het in dit verhaal genoemde Sichar (Askar) vinden we op korte afstand. Nabloes is een der grote steden van Palestina met een 25000 inwoners. In Nabloes alleen wonen nog ± 150 nakomelingen van de oude Samaritanen, die nog in hun kleine synagoge onder leiding van hun Hogepriester de Mozaïsche feesten vieren. Een deel der Samaritanen woont in Israël, zij heb­ben in Cholon (een voorstad van Tel Aviv) een synagoge.

Te Silo, Z. van Sichem, stond de Tabernakel in Samuels dagen. Daarheen togen de stammen Israëls in die tijd. Tirza, N.O. van Sichem, was vóór Samaria de residentie van de koningen van Israël. Men vond de stad in de ruïneheuvel Tell el Fara. Nog noordelijker lag Tebez, waar Abimélech gedood werd. Naar ‘t N.W. gaande vinden we de plaats, waar een ruïneheuvel nog herinnert aan het uit de geschiedenis van Jozef en Eliza bekende Dothan.

11. IN GALILEA

In dit landschap trof men al vroegtijdig een gemengde bevolking. Opper‑Galilea had na de wegvoering een grotendeels heidense be­volking en werd dan ook verachtelijk genoemd het Galilea der Heidenen. Het dialect verried de Galileeër en maakte hem, mede door zijn mindere strengheid in het godsdienstige, in de ogen van de mannen uit Juda verachtelijk. Over ‘t geheel noemde men de bevolking: krachtig, moedig en werkzaam.

In en om de vlakte van Jizreël. Jizreël, thans van geen betekenis, vroeger een aan­zienlijke stad, waar koning Achab woonde en Naboth zijn wijngaard bezat, Talinach, Megiddo en Jokneam,

vroeger belangrijke Kanaänitische koningssteden; hier zag men heel wat legers langs trekken tussen Syrië en Egypte.

Megiddo is een voorbeeld van een stad, waar veel gestreden is in de loop der eeuwen (als gevolg van de ligging bij een pas, naar de vlakte van Megiddo).

81

Reeds de Farao Thotmes III heeft hier slag geleverd (in 1478 voor Chr.). Later joeg Farao Necho (609‑593) bij Megiddo de koning van Juda, Josia, in de dood (2 Kron. 35:23; Zach. 12:11). De Romeinen hebben zich in de nabijheid genesteld; Napoleon trok er voorbij; tijdens de wereldoorlog voerde Allenby door de pas zijn leger naar de vlakte van Megiddo en werd beloond met de titel “Viscount of Megiddo”.

De stad weerstond Israël (Richt. 1:27), maar Salomo voerde hier heerschappij: hier was een van “de steden der ruiteren” (1 Kon. 9:15, 19). Bij de opgravingen door de Amerikanen zijn gevonden de “paardenstallen van Salomo”.

Ten O. van Jizreël: Beth‑Sean, uit Sauls geschiedenis bekend. In latere tijd heet de stad Skythopolis. ‘t Was de enige stad der Decapolis in het West‑Jordaanland. Bij de opgravingen vond men “het huis van Astarte” (1 Sam. 31:10) en “het huis van Dagon” (1 Kron 10:10); tevens bleek, hoe Egyptische en Filistijnse invloeden zich hier deden gelden. Ten N. van de vlakte: Sunem, bekend door Abisag en de Sunamitische, Naïn (waar de jongeling werd opgewekt), te midden van een schone natuur, Endor, waar de toveres woonde. Nazareth, een der bekendste stadjes, omdat de Heiland er zijn jeugd doorbracht. Thans wonen hier veel Arabieren. Men wijst de vreemdeling allerlei herinneringen aan Jezus en Maria. Doch slechts van één plek weten wij met zekerheid, dat Hij daar vaak is geweest, dat is de Mariabron. Bekend zijn verder: Kana (de bruiloft), Gath‑Hefer, waar Jona vandaan kwam, Sefforis, nu een groot dorp, vroeger een sterke stad.

82

Hazor bestond blijkens het onderzoek uit een stad en een vesting, die de vorm had van een groot versterkt kamp, omgeven door een geweldige wal van gestampte kleiaarde, terwijl de stad zelf door een stenen muur werd omsloten. Volgens Garstang was er in Hazor plaats voor 4000 inwoners, ongerekend het versterkte kamp, waarin nog 30.000 personen in tijden van nood konden geborgen worden. Gar­stang ontdekte een brandlaag; op grond van de aardewerkvondsten mag men deze verwoesting stellen in de tijd van de intocht; waar nu het boek Jozua (11:11 en 13) uitdrukkelijk zegt, dat Hazor ver­brand is, ligt het voor de hand hier de oudheidkundige gegevens met het bijbelse bericht in verband te brengen.

83

Zeer interessante resultaten gaf de voortgezette opgraving vanwege de staat Israël. Het bleek, dat de stad een bloeitijd beleefde tijdens Achab en jeobeam II en verwoest werd tijdens Pekah. O.m. werd een tempel gevonden waarin een zittende godheid met opgerichte stenen. Zij is de koningin des hemels. Jer. 7:18.
(Rechts gebedshouding met opgeheven handen).

Bij het Meer van Gennésareth. Tarichéae in de Joodse oorlog bekend geworden; Tiberias (12000 inw.) was een tijdlang de zetel van de Joodse schriftgeleerdheid (de Misjna en de Gemara ontstonden hier), Magdala, waar Maria Magdalena vandaan kwam. Dan volgen Kapernaam en Chorazin, waarvan men slechts ruïnes kan aanwijzen. Desynagogevan Kaper­naam, waarin de Heiland vaak is geweest, kan men leren kennen uit de bouwvallen, waarmee de franciscaner monniken trachtten de synagoge zoveel doenlijk in haar oude staat te herstellen.

In Opper‑Galilea: Safed of Tsefat, een belangrijke stad, de zetel der Joodse schriftgeleerdheid, met 11500 inwoners. Hazor, de stad van jabin. Kedes, de vrijstad in het noorden, Baraks geboorteplaats. Dicht bij de Litani ligt nog Abel Beth‑Maächa.

Aan de Middellandse Zee:

Haïfa (145000 inw.), de eerste havenstad van Palestina. Akko, een stad met een rijke geschiedenis (Kruistochten, Napoleon). Ze heette ook Ptolemai’s, St. Jean d’Acre, Akko. Akko werd door het oude Israël niet veroverd. De kust was in de macht der Feniciërs gebleven. Thans behoort Akko aan Israël.

12. IN PEREA

Heel het OverJordaanse heette in Jezus’ dagen Perea. In engere zin heette alleen het zuidelijk deel zo. Verder onderscheidde men daar Gilead en Basan, terwijl de Romeinen het in Gaulanitis, Batanea, Auranitis, Trachonitis en Iturea verdeelden. De steden­bond der Decapolis (= tien steden) werd gevormd door een soort vrije rijkssteden, onmiddellijk onder het gezag van de stadhouder van Syrië. De voornaamste waren: Beth‑Sean in het West‑Jordaan­land, Pella, Gadara, Philadelphia of Rabba (thans Amman, de hoofdstad van Transjordanië) en Gerasa.

Van het N. naar het Z. vinden we verder: Caesarea Philippi, door Filippus, de zoon van Herodes de Grote, prachtig op­gebouwd, in een mooie omgeving. In het brongebied van de Jordaan lag ook het oude Laïs, de latere stad Dan (in het dal, Richteren 18:28). Aan de Jordaan Bethsaïda‑Julias, aan de noordzijde van het Meer van Galilea, door Filippus zo ge­noemd naar keizer Augustus’ dochter. Golan, Levietenstad en vrijplaats, Edreï, een der oude hoofdsteden van Basan, met een merkwaardige ondergrondse stad. Bozra, Asteroth­Karnaïm, Ramoth in Gilead een vrijstad, Jabes, bekend uit de geschiedenis van Saul.

Sukkoth, Pniel ‘(Pnuël), Mahanaïm, Abel‑Sittim, Hesbon (de hoofdstad van Sihon, de koning der Amorieten), Bezer, een vrij­stad, Machaerus, een grensvesting van Herodes, waar Johannes de Doper gevangen gezet en onthoofd werd, Dibon, de residentie van de Moabitische koning Mesa; Aroër. Veel zuidelijker ligt Kir‑Moab of Kir‑Heres, de oude hoofdstad der Moabieten. Het bij de Decapolis reeds genoemde Rabba was de hoofdstad der Ammonieten, in Davids tijd bekend. ‘t Werd door Ptolemeus Philadelfus verfraaid en daarom in de Romeinse tijd Philadelphia genoemd. De ruïnes, die aan deze grootheid her­inneren, zijn de schoonste van het Oost‑Jordaanland. Thans heet de stad Amman, het is de hoofdstad van Jordanië.

13. DE STAAT ISRAËL IN PALESTINA

De staat Israël. Op 14 mei 1948 is in Tel Aviv de Staat Israël uitgeroepen. Daarmee kwam een einde aan het derde galoeth (= ballingschap).

Voordat de Joodse immigratiegolven in Palestina kwamen, was er al een bevolking van Joden. Dat is de Jisjoev. Zij woonden in Erets Jisraël, het land Israëls. De miljoenen Joden, die buiten Palestina leefden, waren in het galoeth (= ballingschap). En wel in het derde galoeth. Want het eerste galoeth was het verblijf in Egypte, dat eindigde met de uittocht onder leiding van Mozes. Het tweede galoeth was de Babylonische ballingschap. En het derde galoeth begon met de val van Jeruzalem A.D. 70 en eindigde 14 mei 1948.

Verlangen naar Israël. Toen de staat Israël werd geproclameerd, leefden reeds enkele honderdduizenden Joden in Palestina. Want de territoriale grondslag van de staat is gelegd door de kolonisten. Deze Joodse kolonisten zijn gekomen in verschillende emigratiegolven (ali-joth). De eerste ali-jah kwam omstreeks 1880. Zij bestond uit idealisten, die droomden, dat ieder zou wonen onder wijnstok en vijgeboom. Zij werden door de werkelijkheid bitter teleurgesteld. Maar bij vele Joden bleef een verlangend uitzien naar het oude land.

Zionisme. De machtige drijfveer tot de Joodse immigratie is het Zionisme geweest. De man, die deze beweging stuwde, was de indrukwekkende figuur van Theodoor Herzl. Hij wist de Joden te verenigen in de organisatie van het Zionisten­congres. Hij was het, die een plan voor systematische kolonisatie ontwierp, dat beantwoordde aan de grote nood van de Joden. Het Baseler program wilde in Palestina een tehuis voor het Joodse volk op de grondslag van kolonisatie door Joodse land­bouwende en industriële arbeiders.

Balfour declaratie. In het jaar 1917 gaf de toenmalige Engelse premier, Lord Balfour, een verklaring: “De Britse regering beschouwt goedgunstig de vestiging van een natio­naal tehuis voor het Joodse volk in Palestina”. Nu heeft En­geland van 1920‑1948 Palestina als mandaatgebied bestuurd. Maar terwille van de Arabieren wilde het de Joden niet onbeperkt toelaten.

Zeven aljoth. Er zijn zeven immigratiegolven geweest. Honderd­duizenden Joden keerden weer in het land der vaderen. Zij voelden zich niet meer veilig in ver­schillende landen van Europa. De laatste geweldige immigratie­golf kwam vooral na de tweede wereldoorlog.

Vanwaar de Joden kwamen. In het begin waren het vooral Joden uit Polen; zij werden gedreven door liefde tot Zion. Toen nà 1930 in Duitsland de toestand voor de Joden moeilijker werd, zijn ook velen vandaar naar Israël getogen. Deze Duitse Joden met hun zin voor studie, werklust en organisatietalent zijn van veel betekenis geweest bij de opbouw van het land.

Oosterse Joden. In de laatste jaren is het immigrantentype sterk gewijzigd. Er kwamen Joden uit Jemen (Zuid‑Arabië), Irak en Noord‑Afrika. Velen van hen hebben het aantrekkelijke, dat zij vroom‑gelovig zijn en vast­houden aan overgeleverde gebruiken. Maar zij hebben over het algemeen minder ontwikkeling dan de Joden uit het westen en leven op een lager niveau.

Kan de immigratie doorgaan? De toevloed van immigranten in Israël is zó groot geweest dat het geen weerga heeft in andere landen. Dat brengt moeilijke vragen mee. Hoe krijgen al die mensen kost en onderdak?

De regering van Israël heeft zich toch op het standpunt gesteld: “De poorten van het land staan wijd open voor de Joden der ganse aarde”. Men wil haast maken, omdat men vreest, dat er een tijd kan komen, dat men in sommige landen aan de Joden zal beletten, naar Palestina terug te gaan. Ook wil men de bevolking van Israël zo groot mogelijk maken, om de weerbaar­heid te versterken. Want de staat Israël is omringd door Arabische staten, die een vijandige gezindheid openbaren. Maar de immi­gratie is in de laatste jaren niet zo groot meer.

Eenheid. De Joden kwamen uit onderscheiden landen en spraken verschillende talen. Maar in Israël is de taal het Iwriet. Daarmee is het oude Hebreeuws herleefd en tot voertaal geworden ‑ al zijn er verschillende nieuwe woorden aan toegevoegd.

Hun eenheid ligt verder in het Joodse bewustzijn, in de grootse geschiedenis en in de traditie. Toch zijn er ook belangrijke ver­schillen. Ook in de godsdienst. Want slechts ± 13 % is trouw aan de Thora (boeken van Mozes). Maar een groot deel van de bevol king heeft zich losgemaakt van de Joodse religie. Toch worden de feesten als nationale dagen gehouden. En op de scholen wordt uit de Tenach (zo noemen zij het Oude Testament) verteld. Daarin staat immers de glorieuze geschiedenis van het Joodse volk.

88

Het “feest der weken” (Hebr. chag hasjewoe’ooth) is wat Christenen het Pinksterfeest noemen. Dan lopen de meisjes met bloemen in het haar: ‑ zeven weken na de 2e dag van het Paasfeest (Lev. 23:14 en 16) draagt dit meisje de zevenarmige kandelaar (de menorah). Foto Consulaat van Israël.

Grenzen en grootte van Israël. In de Bijbel wordt gesproken van “heel Israël van Dan tot Berseba toe”. Welnu, de noordgrens ligt inderdaad ook nu “in de landstreek der Jordaan” bij het oude Dan. Maar de zuidgrens reikt tot aan de Aelanitische Golf, en dus tot de Rode Zee. Daar had Salomo de havenstad Ezeon Geber. Israël heeft hier de haven Eilat. Israël heeft dan een haven, waardoor er toegang is tot de Indische Oce­aan. Maar Egypte en Arabië beheersen de Straat van Tirana.

De westgrens van Israël is de Middellandse Zee, met uit­zondering van de kustvlakte van Gaza, welk gebied onder Egyptes bestuur staat. (“Gazastrip”).

Heel grillig is de grens tussen Israël en het Arabisch gebied van Jordanië. Zo is het oude Jeruzalem gelegen in het Hasje­mitisch koninkrijk van Jordanië. Maar de voorsteden behoren aan Israël.

Volgens schatting heeft deze staat Israël een oppervlakte van ruim 20.000 km’, dus bijna 2/3 van Nederland. Bijna de helft daarvan is de Negeb.

En in dat land wonen bijna 2 miljoen Joden; voorts nog Arabieren en Drusen.

Een benauwend vraagstuk is het probleem der ontheemde Arabieren, die uit Israël zijn gevlucht naar de naburige Ara­bische staten.

Landbouw in de kolonies. De werkzaamheden in vele landbouwkolonies berusten bij de coöperatie. Ontginning van het land door zelfstandige enkelingen was niet mogelijk in streken waar moerassen, malaria en overvallen van rondtrekkende halfnomadische bedoeïenen het volbrengen van de dagelijkse werktaak voor een enkel gezin onmogelijk maakten. De strengste vorm van collectiviteit hebben de kib­boetsim. In de kibboets is gemeenschappelijke arbeid. Er is geen particulier bezit. Vrouwen en mannen hebben dezelfde ver­plichtingen. En hoe gaat het met de kinderen? Die worden al heel jong opgenomen in het kindertehuis, waar kinder­juffrouwen de opvoeding verzorgen. Als de vrouw klaar is met haar werk in de kibboets, kan zij zich met haar kind bezighouden. Na de dagtaak kunnen vader en moeder zich aan de kinderen wijden; zij hebben geen beslommeringen over de maaltijd of over de afwas; want daarvoor zorgt de aangewezen ploeg in de gemeenschappelijke eetzaal. Het leven in zulk een gemeenschap vraagt een bijzondere instelling van een mens.

Er zijn er, die hieraan niet kunnen wennen. Het is dus geen wonder, dat er ook koloniën zijn, die ingericht zijn als een dorp van zelfstandige boeren. Zulk een kolonie is een mosjawa (meer­voud mosjawoth). Tussen de kibboetsim en de mosjawoth zijn ook overgangstypen.

90

Landbouwgebieden. De landbouwgebieden in Israël zijn de kustvlakten van Akko, Saron en de Sjefeela; de vlakte van Jizreël (die heet thans de Emek); de heuvelhellingen van Galilea. De Emek is thans de graanschuur van Israël. Dit vroegere malariagebied is thans de voornaamste producent van granen en veevoeder. De bodem bestaat uit een diepe en goed te cultiveren kleilaag. Deze grondsoort vinden wij eveneens in de Jordaanvallei, waar een klimaat heerst dat meer een tropisch karakter vertoont, warm en vochtig. Dadelpalmen, bananen, tomaten gedijen daar, wanneer voldoende water voorhanden is. Tomaten en andere groenten behoeven in dit klimaat geen kassen om in de winter een rijke oogst te leveren. Voorts heeft men grote toekomstverwachtingen van de Negeb. Men stelt zich veel voor van de resultaten van irrigatie.

Ten zuiden van Berseba ligt de kolonie Revivim. Een veelzeggende naam, want het is het Hebreeuwse woord voor regenstromen. Te Revivim, een van de meest zuidelijke posten, had ik de onvergetelijk belevenis tot mijn knieën door de luzerne te waden, dat drie oogsten per jaar oplevert op een bodem, die slechts enkele jaren tevoren nog onbetekenende woestijngrond was. Er was melk, zowel als honing in dit gebied ‑ niet het Beloofde Land, maar de woestijn Zin. Een prachtige kudde stamboekvee deed zich te goed aan luzerne en aan de knolgewassen in de woestijn. Hoe komen zij aan water? In de nabijheid is de wadi As­loej. Hoewel deze beekbedding een groot deel van het jaar droog ligt, weet men het water van de regenperiode te verzamelen en te bewaren in een reservoir.

(RICHARD CALDER, Gevecht met de woestijn).

Industrie. De industrie heeft te lijden onder gebrek aan grond­stoffen. Want de invoer daarvan is moeilijk, als gevolg van de krappe deviezenpositie. Toch zijn er enkele in­dustrieën, die van betekenis worden. Snel was de groei van de diamantnijverheid. Israël is thans, na België, het tweede uitvoer­land van geslepen diamanten. Daarnaast is er ook een toene­mende textielnijverheid; een bijzondere ontwikkeling vertoonde de uitvoer van regenjassen, nylonkousen en geslepen diamanten.

Uitvoer. Wat de uitvoer van agrarische produkten betreft, vormt de citruscultuur de ruggegraat van de Is­raëlische export. Onder de uitgevoerde vruchten nemen sinaas­appels de eerste plaats in, gevolgd door grapefruit en citroenen.

Diamant is na de citrus het belangrijkste exportartikel. Verder is ook de uitvoer van textielwaren stijgend.

De handelsbalans vertoont een groot tekort. Hoe tracht men dit te dekken? Door gelden, welke door Joden over de gehele wereld bijeengebracht worden, door de sommen voor schade­vergoeding uit West‑Duitsland, door leningen.

Drie steden. In de staat Israël zijn een drietal steden van grotere betekenis. Haifa is de haven, de belangrijkste toe­gangspoort voor passagiers en lading naar Israël. Tel Aviv is de stad met een opgewekt Joods leven.

Jeruzalem is door de Knesseth (het Joodse Parlement) tot hoofdstad geproclameerd. Maar de oude stad binnen de muren staat onder de heerschappij van het Hasjemitisch koninkrijk Jordanië. En Israël bezit alleen de westelijke voorsteden.

 

II. DE LANDEN VAN HET OOSTEN BUITEN PALESTINA

1. EGYPTE

Egypte en de Nijl. Egypte is het wonderland van de Nijl en der piramiden.

93

Indrukwekkende colonnades in het paleis van farao Merenptha. Mozes en Aäron hebben zulk een milieu gekend, als zij met de Farao spraken.

Gedurende de overstromingsperiode werd de Egyptische vlakte om­getoverd in een onmetelijk meer, door uitgestrekte palmaanplantingen, afgewisseld met zandduinen, omringd en waarboven hier en daar een sycomore, een groepje palmen, een tamarisken‑ of acaciabosje uitstak, terwijl de dorpen, met opzet op kleine heuveltjes gebouwd, in even­zoveel eilanden veranderden tussen welke zich de roeibootjes of zeil­schepen der fellah’s bewogen. Dit reusachtige wateroppervlak dat zich in het dal zowel naar het noorden als naar het zuiden uitstrekte tot voorbij de gezichtseinder, weerspiegelde in een kleurenrijkdom met on­eindige variaties alles, wat door zijn meestal kalme en klaardoorzichtige golfjes werd bespoeld. Naar het oosten begrensde enkel de lange, roze muur van het Arabische gebergte, hier en daar onderbroken door een blauwachtige wolkeschaduw, dit magnifieke kijkspel, dat in het westen door het zand van de Libische woestijn als met een soepele gouden band werd omlijst ....

(Jaarbericht No. 11. Ex Oriente Lux).

94

In de geschiedenis der kinderen Israëls speelt het een voorname rol en het kind Jezus werd erheen gevoerd, om veilig te zijn tegen Herodes: “Uit Egypte heb ik mijn zoon geroepen!” Hosea 11:1. De Israëlieten noemden het Mizraïm, een tweevoudsvorm omdat het van ouds verdeeld was in Opper‑ en Neder‑Egypte. Heel Egypte is niet veel meer dan een smalle strook langs de Nijl, een lange oase tussen de Arabische woestijn en de Libische woestijn. Aan de kust van de Middellandse Zee vinden we de brede Nijldelta. In het oostelijk deel hiervan lag het land Gosen. Daar met name in Opper‑Egypte weinig of geen regen valt, hangt de vruchtbaarheid van het land ten nauwste samen met de overstromingen van de Nijl.

Korenschuur.  De geschiedenis van Jozef illustreert zeer duidelijk, welke betekenis Egypte in de oudheid als korenschuur der wereld had. Andere produkten waren groenten, vlas, papyrus, druiven, vijgen en dadels, uien (Num. 11:5): in latere tijd katoen, suikerriet, aardnoten.

Stuwen. In de Nijl zijn stuwen aangelegd, om dal en delta beter te kunnen bevloeien. Een nadeel der stuwen is, dat de beste slibdelen daardoor in de rivier bezinken, waar­door de akkers dus minder slib ontvangen.

Tegenwoordig omvat de bevolking in hoofdzaak twee groepen: de fellah’s, de landbevolking, mohammedanen, die Arabisch spreken en de Kopten, de stedelingen, christenen.

Syene. In Opper‑Egypte, bij de Israëlieten Pathros geheten, lag aan de grens van Nubië Syene, thans Assoean geheten, met. een 4000 inwoners.

No. Van heel wat meer gewicht was No of No‑Ammon, door Homerus “het honderdpoortige Thebe” genoemd naar de honderd koperen poorten. Thebe lag op de rechter Nijloever. De ruïnes van de prachtige paleizen en tempels bij de dorpen Luxor en Karnak getuigen nog van de pracht dezer residentie.

Bij El Amarna liggen de ruïnes en rotsgraven van de oud­-Egyptische stad uit de dagen van Amenhotep IV de ketter­koning, die zichzelf Ichnaton noemde en de residentie van Thebe hierheen verplaatste. Hier werden de beroemde El Amarna­brieven gevonden.

Memfis. In Neder‑Egypte op de linkeroever lag Memfis, of Nof, de oude hoofdstad van Noord‑Egypte. Het had zijn bloeitijd, toen de piramiden werden gebouwd (thans nog te vinden bij het dorp Gizé).

De nieuwe hoofdstad Caïro, de grootste stad van Afrika, is verder naar het noorden gebouwd, voor een deel met de blokken steen, die men uit de ruïnes van het oude Memfis haalde. Het is het middelpunt van het geestelijk leven, van mohammedaanse wetgeleerdheid.

On. Dan volgt On, meer bekend onder de Griekse naam Heliopolis (Zonnestad). Dit was de hoofdzetel van de zonnedienst in de beroemde zonnetempel. Hier woonde Potifera, de vader van Asnath, aan Jozef tot vrouw gegeven.

In de delta. Verder de delta in Bubastis of Pibeseth, de stad, waarvan Herodotus meedeelt: Gestorven katten worden naar heilige vertrekken gebracht, waar zij gebalsemd en begraven worden.

Zoan of Tanis een stad in 1690 voor Chr. door de Hyksos gebouwd (vgl. Numeri 13:22); hier is wellicht de plaats, waar Mozes tekenen deed. (Psalm 78:12 en 43).

Raämses lag bij het land Gosen. (Gen. 47:11. )

Pithom eveneens een der magazijnsteden, waarbij de Israëlieten dwangarbeid verrichtten.

Sukkoth, de eerste legerplaats der Israëlieten bij de uittocht (Ex. 12:37) was een der vestingen van de “vorstenmuur” (opgebouwd tot versterking van de landengte van Suez tegen invallen van Aziatische volken).

Pelusium of Sin (Ezechiël 30:15) was de grensvesting.

Waar de oude karavaanweg het Suezkanaal kruist, ligt El Kantara (= de brug).

Er heeft hier een brug gelegen, ten behoeve van het spoorweg­verkeer naar Jeruzalem. Thans is die brug ten offer gevallen aan de eisen van de scheepvaart. In de plaats daarvan is nu een veer. De spoorweg Port Said‑Suez ligt aan de westzijde van het kanaal; aan de oostzijde voert de spoorlijn van El Kantara over Gaza naar Jeruzalem.

Even ten noorden van El Kantara ruines van het oude Tachpanhes, de plaats waar Jeremia tegen Egypte profeteerde. (Jer. 43:7).

Alexandrië. Van veel jongere datum is Alexandrië, de stichting van Alexander de Grote. De havens werden gevormd door een verbinding met het ervoor liggende eiland Pharos. De ligging van Alexandrië aan de west­zijde van de Nijldelta maakt dat de haven vrij blijft van het Nijlslib, dat naar het oosten verplaatst wordt. Doordien zich hier spoedig veel Joden vestigden, werd het een middelpunt van Joodse schriftgeleerdheid. Wereldberoemd waren het museum en de bibliotheek. Hier werd het Oude Testament in het Grieks vertaald: Septuaginta.

Ten zuiden van Egypte lag Morenland, Cusch, ook Ethiopië genoemd en Seba uit de Volkerentafel. In de Romeinse tijd regeerden over Ethiopië koninginnen, die de naam Kandacé droegen. Reeds vroeg woonden in Morenland Israëlieten.

Men heeft gevonden, dat reeds in de 6e eeuw voor Christus het bestaan van een Joodse kolonie in het uiterste zuiden van Egypte kan worden bewezen (op grond van oorkonden o. m. uit Elephantine en Assoean). Van Joden in Egypte vermeldt reeds Jeremia (hoofdstuk 41‑44); ten dele vestigden deze zich in het deltagebied b.v. Nof = Memphis doch ook in Boven‑Egypte (land Pathros; zie Jer. 44:1). Een grote uitbreiding verkreeg het Jodendom in Egypte tijdens de Diaspora (= verstrooiing der Joden door de Grieks‑Romeinse wereld; vgl. Jacobus 1:1). De Joodse schrijver Philo schatte het aantal Joden in Egypte op 1 miljoen. Met name in Alexandrië was een grote kolonie. Ook in het meer, westelijk gelegen Cyrene (Hand. 2:10) woonden Joden.

2. ARABIË

Araba. Dit woord is afgeleid van araba = woeste, droge plaats en omvat het gehele woestijngebied tussen de Rode Zee en de Perzische Golf, Syrië en de Eufraat. Men onderscheidde wel: het woestijnachtige, het eigenlijke en het Petreïsche Arabië (Arabia Petrea).

Woestijnachtig Arabië (Arabia Deserta) is de Syrisch‑Arabische woestijn, een onherbergzame, waterloze zandvlakte.

Arabië. Eigenlijk Arabië is het grote schiereiland tussen de Rode Zee, de Indische Oceaan en de Perzische Golf. Vooral de westkust was reeds vroeg van belang, het noordelijk deel (Hedzjas) evenwel minder dan het zuidelijk deel (Jemen), dat reeds vroeg “Gelukkig Arabië” genoemd werd (Arabia felix), volgens sommigen om het reukwerk, volgens anderen, omdat de regenval door de hoogte wat groter is; hier­door was de cultuur van dadels mogelijk (ook de beroemde mokkakoffie). De koningin van Scheba kwam uit deze streken. Hadramaut is het bijbelse Hazarmaveth (Gen. 10:26). Ofir lag misschien bij Oman.

98

De Dsjebel Moesa, vermoedelijk de Berg der Wetgeving.

Arabia Petrea. Petreïsch Arabië is het gebied van het bijbelse Edom en Moab, met nog enige aangrenzende landstreken ten zuiden en ten oosten van de Dode Zee. Ook het schiereiland Sinaï behoorde tot dit deel. Het werd naar de stad Petra, rotsstad, aldus genoemd. Rotsachtig is trouwens de bodem in de volste zin des woords.

Sinaï. Vooral het zuidelijke schiereiland Sinaï is een woest bergland, in het zuiden het hoogst, waar men de berg der wetgeving zoekt. Wellicht kan men daarvoor aanwijzen de Mozes‑berg (Dsjebel Moesa), met de Ras‑es‑Safsaf. In ‘t noordelijk deel zwierven de kinderen Israëls veertig jaren rond. Hier vinden we de woestijn Paran, de woestijn Sur, de woestijn Sin. Verder naar het noorden lagen Kades‑Barnea en Horma. Uz, het land van Job, lag vermoedelijk ten zuiden van de Dode Zee.

Verschillende volken, waarmee de Israëlieten in aanraking kwamen, hadden hier hun woonplaatsen. Allereerst de Amale­kieten, een roofziek woestijnvolk, de Kenieten, meer naar de

99

Reconstructie van het oude Ezeon‑Geber, zoals het was in Salomo’s tijd (volgens Nelson Glueck naar het beeld dat de opgraving vertoonde).

Edom. Dode Zee: de Edomieten, later Idumeeërs, nakomelingen van Ezau, woonden eerst in het hoge Seïrgebergte, later ook aan de westzijde van de Araba. Dat is de voortzetting van de diepe spleet, waardoor de Jordaan stroomt en waarin de Dode Zee ligt. In het Seïrgebergte zoekt men ook de berg Hor, waar Aäron stierf. De steden der Edomieten waren: Elath (Aelana, Aila) een haven aan de Aelanitische Golf, evenals Ezeon‑Geber, met de scheepswerven van Salomo, waar de Ofirvloot gebouwd werd. Petra, misschien het bijbelse Sela, een rotsvesting, wier ruïnes op vroegere heerlijkheid wijzen, was de hoofdstad; Boxra, ook een tijdlang de hoofdstad.

100

Sommige geleerden wijzen de berg Sinaï in N.W.‑Arabië, in het gebied van Edom of bij Kades. Maar dit is in strijd met Deut. 1:2.

De traditie (welke evenwel niet ouder is dan de 3e eeuw) zoekt de Berg der Wetgeving op het Sinaï‑Schiereiland. De bekende Egypto­loog GEORGE EBERS meent dat de Dsjebel Serbal de Berg van het Verbond is. Hij komt daartoe, omdat de Serbal de meest imposante berg van het schiereiland is. Maar deze opmerking doet weinig ter zake: 1e. Voor mensen, die als de Israëlieten uit de vlakke Nijldelta kwamen, waren ook andere bergen indrukwekkend. 2e. De Joden kwamen niet zozeer onder de indruk van de berg, als wel van de tekenen, waaronder God zich openbaarde.

Voor de gedachte, dat de Dsjebel Moesa de berg Sinaï is, pleit, dat daarbij een vlakte is (Er‑Raha), waarin het volk een geschikte legerplaats vond.

Verder naar het noorden woonden de Moabieten, kinderen van Lot, in hun steden ten zuiden van de Arnon: Kir‑Moab of Kir‑Heres, een sterke rotsvesting, Ar‑Moab of Ar “de heerseres over de hoogten van de Arnon” (Num. 21:28). De voornaamste stad der Ammonieten, die nog noordelijker woonden, was Rabba-­Ammon, later als Filadelfia een stad van de Decapolis. Thans heet het Amman, de hoofdstad van Jordanië.

3. SYRIË

Syrië. De naam Syrië werd gegeven aan het land ten westen van de Eufraat. De naam Aram wordt door sommigen in verband gebracht met de naam van een der zonen van Sem. In engere zin verstaat men onder Syrië alleen het hoogland ten N. van Palestina. Thans zijn hier de staten Libanon en Syrië.

Libanon en Anti-Libanos. Het land bestaat uit een smalle kustvlakte, ver­volgens twee bergketens, de in de Bijbel meermalen genoemde Libanon 1) en de Anti‑Libanos, de laatste met in het zuiden de Hermon (2759 m). Tussen deze ketens ligt een breed dal; hier stroomt de Litani naar het zuiden, de Orontes naar het noorden. Dit “Holle Syrië” (Coele‑Syrië) was reeds in de oudheid bekend door zijn vruchtbaarheid. Nog vindt men er korenvelden en wijngaarden.

Damaskus. Buiten deze gebieden omvat Syrië dan nog tussen de Orontes en de Eufraat een arm, dor land, de Syrische woestijn, van weinig betekenis en het land van Damaskus. Damaskus ligt in een delta, gevormd door een zevental armen, waarin zich de Abana (thans Barada) splitst. Deze rivier voorziet de stad van water. De takken van de Abana zijn ten behoeve der watervoorziening gekanaliseerd; de hoofdarm loopt door de stad. De Farpar stroomt enige kilometers zuidelijker. Door die waterrijkdom ligt de schone stad in een heerlijke omgeving;

1) Libanon is de Hebreeuwse vorm, Libanos de Griekse. Omdat Anti een Grieks woord is, luidt de samenstelling Anti‑Libanos.

102-1

Een Assyrisch reliëf uit de 7e eeuw voor Christus, dat Arabische boogschutters vertoont, op dromedarissen gezeten, in strijd met de infanterie van Assurbanipal. Het reliëf geeft een beeld van het verkeer in de oudheid.

 

102-2

 

Een der kolossale autobussen, die nu dienst doen op een van de oudste verkeerswegen die de geschiedenis kent: door de Syrische woestijn naar Mesopotamië, van Damaskus naar Bagdad.

(C. P. Grant, The Syrian Desert).

als men de weg naar Damaskus gaat, is het of “men uit de steen­woestijn het Paradijs nadert”. Damaskus is “de parel van het Oosten”, “de vederbos van de pauw”, zoals de bevolking de stad liefkozend noemt.

Aan de zoom van de veelbereisde Syrische woestijn is het een middelpunt van de karavaanhandel. Vele pelgrims verenigen zich hier om naar Mekka te reizen. Ten N.W. lag Helbon, bekend om zijn wijngaarden. De Damaskeners brachten de wijn van Helbon op de markt van Tyrus.

Fenicië. De smalle kustvlakte werd bewoond door de Feni­ciërs, het meest beroemde handelsvolk van de Oudheid. Van de Libanon kwam hout, vooral cederhout, de hellingen der bergen leverden ooft en wijn, de kust gaf de kiezelaarde voor de bereiding van glas en de purperslak voor de bereiding van de kostbare verfstof. In de vlakte trof men weiden, korenvelden en tuinen aan.

Havens. Plaatsen aan de kust: Akko, later Ptolemaïs, St. Jean d’Acre, Akka. Tyrus, thans het onbeduiden­de Soer (rots), is het nietige overblijfsel van de eens zo machtige Koningin der Zee. Eens was Tyrus “de stad, welker handelaars vorsten zijn” (Jes. 23:8) de stad “in het hart der zee” met een omvangrijke handel (Ezechiël 27). Eerst op het vasteland gelegen, werd het al spoedig op een paar rotseilanden gebouwd. Alexander de Grote verbond Nieuw‑Tyrus door een muur met het vasteland. Thans is haar grootheid vergaan. Sidon was ook lange tijd een van de machtigste steden der Feniciërs. Deze oudste steden hebben een geduchte mededinger gekregen in Berytus (nu Beiroet), de belangrijkste haven‑ en handelsplaats van Libanon; Gebal of Byblos is een van de oudste steden van betekenis door de houtbewerking (Ezech. 27:9; 1 Kon. 6:18) en door uitvoer van papyrus; Tripolis heet driestad, omdat het gebouwd werd door Tyrus, Sidon en Arvad. Arvad op een eiland, bleef nog lang een bloeiende handelsplaats.

Bij Ras Sjamra (ten zuiden van de monding van de Orontes) zijn zeer belangrijke opgravingen verricht; men vond daar de stad Oegarit.

De vondsten van Ras Sjamra hebben nieuw licht verspreid over de ouderdom van het alfabetisch schrift (dat ouder blijkt te wezen, dan men tot nu toe aannam). Voor de kennis van de toestanden in het oosten zijn de Ras‑Sjamrateksten van veel belang.

104

Twee bijlen van Ras Sjamra met opschriften in alfabetisch spijker­schrift.

Hierin worden ook enkele verhalen verteld. Daarbij worden uitdrukkingen gebruikt, die in hun vorm aan Oudtestamentische‑vormen doen denken. Bijv.: Er zijn twee offers, die Baäl mishagen en drie, waarvan hij een afkeer heeft (vergelijk Spreuken 30:21). Van een held, die zijn huis, zijn vrouw en zijn kinderen verliest, wordt gezegd dat hij zijn bed doorweekt met tranen (verg. Psalm 6:7).

Bij een vergelijking komt het superieure van Israëls godsdienst uit boven het kleine gedoe van Oegaritische goden.

Bijzonder opvallend is, dat de Ras‑Sjamra‑teksten ook spreken van het mythologisch monster, dat in het Oude Testament Leviathan wordt genoemd.

Het Oegaritisch schrijft de naam van dit gedrocht als Lotan.

Het dier wordt in de teksten uit Oegarit op precies dezelfde wijze voorgesteld als in het Oude Testament.

In Jesaja 27:1 (statenvert.) wordt de Leviathan genoemd “de langwemelende”, “de kromme slomme slang”, terwijl het in Psalm 74:13 (vert. Ned. Bijbelgenootschap) heet: “Gij (God) zijt het, die de koppen van de Leviathan vermorzeld hebt”. Daarmede vergelijke men nu de volgende passage uit de mythe van Baal en Aleyan Baal: Gij zult Lotan verbrijzelen, de vlug voortschietende slang,

vernietigen zult ge de kronkelende slang, de machtige(?) met zijn zeven koppen.

Het is waarschijnlijk, dat deze voorstelling in het Oude Testament is ontleend aan de Oud‑Phoenicische mythologie. Men bedenke echter wel, dat in de mythologische stijl in het Oude Testament nooit de mythologische gedachte mag worden gelegd.

Profeten en dichters hebben dergelijke voorstellingen slechts gebe­zigd om de grootheid Gods des te duidelijker te kunnen voorstellen.

(J. P. LETTINGA, Oegarit).

In Coele‑ Syrië. Baälbek, bij de Grieken Heliopolis met grootse ruïnes.

Ribla wordt vaak genoemd als het hoofdkwartier van de veroveraars, die in Syrië doordrongen. Hamath, het lag ten noorden van Lebo Hamath “de weg naar Hamath” (1 Kon. 8:65). In Salomo’s dagen reikte Israël tot Tifsah (Thapsacus) aan de Eufraat. Antiochië met de haven Seleucië, werd de moedergemeente der christenen uit de heidenen.

Aan de Eufraat. Aan de Eufraat lagen behalve Tifsah ook nog Pethor (Bileam) en Karchemis, een beroemde handelsstad. Hierlangs liep de weg van Egypte naar Babylon.

In de woestijn: Palmyra, waarvan de ruïnes wijzen op vroegere pracht.

4. DE LANDEN VAN HET OOSTEN

Hieronder worden verstaan de landen in het gebied van Eufraat en Tigris, Mesopotamië, Assyrië, Babylonië en die ten oosten daarvan: Elam, Medië en Perzië.

Babylonië is het vlakke, alluviale land in de benedenloop van Eufraat en Tigris. Dit is het oude gebied van Sumer en Akkad; later heet het Babylonië. De grond is zeer vruchtbaar en toen de menselijke kunst door kanalen en dijken de water­stand regelde, werd het een rijk land, dat door zijn schatten de begeerte wekte van de naburige volken in het gebergte of uit de woestijn.

Minder vruchtbaar is het eigenlijke Mesopotamië, dat noord­westelijk van Babylonië ligt. Het is een steppengebied. Daar ontstond het rijk van de krijgszuchtige Assyriërs. En in het noordwesten van Mesopotamië hebben de Mittanni geheerst in de Amarnatijd.

Oostwaarts van Babylonië en Assyrië is het Zagrosgebergte de grenswal van Iran. Het plateau dat aan Babylon grenst, werd Elam genoemd. De naam Elam schijnt zoveel te betekenen als “Oostland” of anders “Hoogland”.

Zoals het woord zegt, is Mesopotamië het land tussen de twee grote rivieren Eufraat en Tigris. Een grote, vlakke uitgestrektheid, voor het grootste deel gevormd door aanslibbing, waarvan de vruchtbaar­heid ons moeilijk kan verbazen, omdat daar aarde, zon en water elkaar ontmoeten.

Er is niets verwonderlijks in, dat vanaf haar oorsprongen de be­schaving hier een haardstede heeft gevonden. Tot deze beschaving hebben Sumeriërs en Semieten beide de bijdrage geleverd van hun ras en van hun vindingrijke geest. Deze mensen waren nochtans ge­stuit op twee hindernissen van formaat: het gemis aan steen en de afwezigheid van ertsen. Daaruit vloeide de noodzakelijkheid voort tot het scheppen van een aparte architectuur, door gebruik te maken van de enige natuurlijke hulpmiddelen (en dat zijn hier de aarde en het riet) terwijl men voorts voor de onafwijsbare eis stond het metaal in te voeren.

(ANDRÉ PARROT).

Eufraat en Tigris. Dit beschavingsgebied der oude wereld ontleende vooral zijn betekenis aan de tweelingstromen Eu­fraat en Tigris, die beide ontspringen op het Berg­land van Armenië en in de Perzische Golf uitstromen. Thans vormen ze bij de monding de Sjatt‑el‑Arab (Arabieren­stroom), terwijl ze vroeger afzonderlijk uitmondden.

107

De vertaling van het Bijbelgenootschap neemt als de vier rivieren van het Paradijs, de Pison, de Gihon, de Tigris en de Eufraat. (Genesis 2: 10‑14).

Volgens Delitzsch is de Pison de Palacottas; de Gihon de Sjatt en Nil. Daar zoekt hij het Paradijs.

In deze theorie is te weinig aandacht gewijd aan de beschrijving in Genesis 2:10. Een rivier ontsprong in Eden, om de hof te bevochtigen en splitste zich daar in vier stromen. De oriëntalist Alois Musil meent, dat een splitsing in vier armen geschiedde in het alluviale laagland; als wij verder bedenken, dat de uitmonding van de Eufraat meer stroomopwaarts was dan thans en de Perzische Golf zich verder naar het noorden uitstrekte, is de plaats van het Paradijs te zoeken aan de grens van het hogere tertiaire land en het lagere vlakke alluvium. Op grond van terreinkennis en litteratuurstudie stelt Musil zich daar (bij el‑Aswad) het paradijs voor als een landstreek met een breedte in west‑oostelijke richting van 35 km. Een landstreek, die besproeid werd door rivierarmen (van de Eufraat); beschut was door de omringende tertiaire hoogten en naar het zuidoosten open lag voor warme winden.

Babylonië. “Zodra de nevelen van het voorhistorisch tijdvak optrekken, draagt en onderhoudt het land een grote bevolking, wonend in tal van steden. In het zuiden, in het Oude Testament “land van Sinear” genoemd, vinden wij Ur, dat als woonplaats van Abraham zulk een belangrijke plaats heeft ingenomen in de geschiedenis des heils. Meer noordelijk Larsa (wellicht Ellasar van Gen. 14:1) met de tempel van de zonnegod. Voorts Erech, dat reeds in Gen. 10:10 als een belangrijk centrum is genoemd. Ook vinden we hier Nippoer, nu een der best gekende steden van de vlakte. Veel jonger dan deze alle is Babel, dat door Hammoerapi tot Sinears hoofdstad gemaakt is, en sinds die tijd zoal niet het werkelijke, dan toch het geestelijke middelpunt is gebleven van geheel West‑Azië, totdat ook Babels zon onderging en de wereldstad een vormloze massa bouwvallen werd in een jammerlijke woestenij”.

(Naar A. NOORDTZIJ, Gods Woord en der eeuwen getuigenis).

In het Tweestromenland zijn verschillende steden opgegraven ‑en de vondsten geven een duidelijk beeld van het leven in de oudheid.

Dat wordt vooral afgeleid uit de spijkerschrift‑inscripties, want “zij schreven op de klei”.

Zeer belangrijke opgravingen zijn verricht in Douro‑Europos, waar men de oudste christelijke kerk met muurbeschilderingen vond en tevens een synagoge uit de 3e eeuw.

Er zijn ook andere steden aan het licht gebracht, die niet in de Bijbel genoemd worden, bijv. Mari aan de Midden‑Eufraat. Deze stad was een belangrijk centrum in de tijd van Abraham; toen de Aarts­vader van Ur naar Haran trok, heeft hij deze stad gezien.

“De ontdekkingen in Mari zijn een sterke bevestiging van de Israëlietische verhalen in Genesis, dat de Hebreeuwse voorvaderen uit Haran naar Palestina kwamen. In de teksten van Mari wordt ook o.m. de stad Nahor (Gen. 24:10) ge­noemd; waarschijnlijk was de ligging be­neden Haran in het dal van de Balich”.

(W. F. ALBRIGHT).

Babel. De eerste bloeitijd van de machtige stad Babel is onder Hammoerapi; later verkreeg het opnieuw luister door Nebukadnezar. (Dan. 4:30).

De stad Babel heeft in haar lange geschiedenis vooral een bloeitijd gekend tijdens Nebukadnezar. Die grote prach­tige stad bracht de koning in zondige verrukking tot zelfverheffing (Daniël 4:30).

Deze stad is vergaan en de woorden van de profeten over Babels ondergang zijn vervuld. Maar de opgravingen heb­ben aan het licht gebracht, welk een grootse en prachtige stad Babel is ge­weest. Daar vond men de tempel van de Babylonische god Mardoek (Jeremia 50:2; daar heet die god Merodach).

109

De Itsjtarpoort had een grote pracht van veelkleurige afbeeldingen van leeuwen, stieren en draken. Als men door die poort in de Pro­cessiestraat was gekomen, zag men rechts de beroemde hangende tuinen, die een weelderig park waren op het dak van een paleis. Verder weg zag men de zuidelijke burcht. Deze burcht bevatte een ontzaglijk grote feestzaal, 52 m lang en 17 m breed. De dubbele deuren

110

Babel.

Gezicht op de Isjtar‑Poort en de binnenstad ten tijde van Nebukadnezar II.

waren van cederhout, in goud en zilver gevat. In deze zaal heeft de dramatische gebeurtenis plaatsgehad, toen Belsazar een maaltijd aanrichtte voor de rijksgroten, toen men de heilige vaten van het huis Gods ontwijdde. Terzelfdertijd verschenen vingers van een mensenhand, die tegenover de luchter op de kalk van de wand van het koninklijk paleis schreven. (Daniël 5:5).

(F. M. Th. DE LIAGRE BÖHL, Babylon de heilige Stad, Jaarbericht 10 Ex Oriente Lux).

Zusterstad van Babel was Borsippa. Ur, de oude stad, was zetel van de maanverering.

Ur. Een van de oudste steden, die in het Oosten werd opge­graven, is Ur, in de heuvel Tell al Mukajjar, de pekheuvel. Blijkens de opgravingen was Ur een stad met nauwe straten ‑ maar daaraan lagen grote huizen. Als Abraham er kwam, zag hij een stad met hoge cultuur. Een bewijs daarvan vindt men met name in de grafgewel­ven van de tweede dynastie van Ur. In een van deze graven is gevon­den de kist van koning Meskalam‑dug met een prachtige gouden helm.

De Bijbel meldt: Aan de overzijde van de Rivier hebben oudtijds uw vaderen gewoond, Terah de vader van Abraham en de vader van Nahor en zij hebben andere goden gediend (Jozua 24:2). Van deze goden in Ur was Nannar de hoofdgod ‑ de godheid van de maan, die ook bekend is onder zijn andere naam Sin. Men moet zich niet verwonderen, dat de maangod de hoofdgod was, want de Babyloniër gaf aan de maan de voorkeur boven de zon, wellicht omdat hij zijn tijdsindeling aan de maan ontleende. Zijn heiligdom stond in Ur zó hoog in aanzien, dat het begunstigd werd door alle koningen, die over de stad geheerst hebben, van welke dynastie zij ook waren.

Wij stellen ons Terah voor, zoals hij daar liep langs de kanalen van het rijke Ur. We zien hem deelnemen aan de godsdienstige plechtig­heden rondom de tempeltoren, terwijl hij de oude, heilige woorden meeprevelt. Terah wordt een mens voor ons, een heiden zoals er in die tijd duizenden en nog eens duizenden waren.

Toch moeten we niet menen, dat Terah een grotestad-mens was. We moeten hem eerder zoeken op het platteland aan de rand der stad Ur onder de herdersstammen, die daar met hun kudden rond­zwierven; van deze herdersstammen wordt in Babylonische teksten meermaal melding gemaakt. Zij leefden in de Syrisch‑Arabische woestijn buiten de steden en toch in nauw contact met deze, omdat zij daar hun produkten konden verkopen en datgene kopen wat zij voor hun dagelijks bedrijf nodig hadden. Zij waren Hebreeën, die mensen van de overzijde, nl. van de Eufraat. Zulk een herder is dan ook Terah geweest. En de kennis, die omtrent Mesopotamië is ver­worven, heeft het ons vergund, dat wij zijn persoon en leven in spreken­de trekken kunnen voorstellen.

Uit die stad Ur, met haar hoge beschaving met haar verering van de maangodin, werd Abraham geroepen.

(Dr. A. H. EDELKOORT, Pioniers van het geloof).

Akkad. In Noord‑Babylonië Akkad, (in Gen. 10:10 ge­noemd als deel van Nimrods rijk) en Sefarvaim.

“De oudste berichten over deze vlakte bewijzen dat hier twee onder­scheiden rassen eeuwen achtereen om de heerschappij hebben ge­worsteld en dat beider ineenvloeiing het eigenaardig karakter aan de Babylonische cultuur heeft gegeven”.

Het ene ras is dat der Soemeriërs; het andere is dat der Akkadiërs.

Assyrië. Assyrië ligt aan weerszijden van de middenloop van de Tigris. Ten westen van deze rivier omvat het land een deel van Mesopotamië; ten oosten van de Tigris tot aan het Zagrosgebergte.

De Assyriërs zijn een zeer krijgszuchtig volk geweest; hun koningen hebben slechts één begeerte gekend: de uitbreiding van hun gebied en de vestiging van militaire macht. (A. NOORDTZIJ).

De oudste hoofdstad was Assur aan de Tigris (deze stroomt Ninevé. ten oosten van Assur Gen. 2:14). Vanaf ± 1000 wordt Ninevé de residentie der koningen; de groot­heid dankt de stad vooral aan Sanherib en zijn opvolgers; door hen werd Ninevé de heerseres van het oosten, wat ze gebleven is tot haar ondergang in 612 v. Chr.

Genesis 10:12 doet vermoeden, dat Ninevé met Rehoboth‑Ir (de voorstad ter plaatse waar nu Mosoel ligt), Kalach en Resen een grote stad is geweest (“dat is die grote stad”).

Mesopotamië. Mesopotamië (= het land tussen de rivieren) is het steppenland tussen Eufraat en Tigris, tot daar, waar deze rivieren elkander naderen.

Hier is Paddan‑Aram (= het veld van Aram). De meest bekende stad is het oude Haran (Carrhae heette de stad bij de Romeinen). Aan de Eufraat: Karchemis (hier was in 605 de veldslag, waar Nebukadnezar voor het eerst in het volle licht der geschiedenis treedt in de strijd tegen farao Necho; 2 Kron. 35:20, Jer. 46:2). Pelhor (“aan de rivier”, de woon­plaats van Bileam; Num. 22:5). Tifsah (= veer; grensstad van Salomo’s rijk; 1 Kon. 4:24).

Elam. Elam is het land ten oosten van de Beneden‑Tigris en de Perzische Golf; ten dele is het bergland, ten dele laagland, waardoor de Ulai (Dan. 8:2) stroomt.

Elam heeft van de vroegste tijden af een rol gespeeld in de ge­schiedenis van Babylonië. Aan het rijk der Elamieten is de genade­slag toegebracht door de Assyriërs. Met het neerslaan van Elam heeft Assyrië zich echter het meest geschaad. Door de geweldige verzwakking van Elam werd de deur geopend voor de Meden, die in 612 v. Chr. Ninevé ten val brachten. En naast dezen zien wij ook de Perzen optreden.

(Naar C. VAN GELDEREN, Chr. Encyclopaedie).

Susan. De hoofdstad Susan kwam tot grote bloei onder de Perzische heersers; van het hofleven in deze resi­dentie onder Ahasveros (= Xerxes 486‑465) geeft het boek Esther een aanschouwelijk beeld.

De opgravingen, door Franse geleerden in Susan verricht, hebben tal van dingen doen vinden, die van de grootste betekenis zijn voor de geschiedenis van Elam en van de vroegste beheersers van de vlakte van Sinear. De meest beroemde vondst is de wetgeving van Hammoe­rapi, ingegraveerd in een groot blok zwart dioriet (thans in het Louvre te Parijs).

Elamitische Joden waren ook op het Pinksterfeest van Hand. 2.

Medië. Medië, naar Jafets zoon Madaï genoemd, is een land met vruchtbare dalen en grasrijke steppen. De stad Achmetha of Ecbatana werd de zomerresidentie der Per­zische koningen. Hier was volgens Ezra 6:1 het rijksarchief. Een oudere hoofdstad was Rhagae of Rages, verder naar het oosten (genoemd in het Apocriefe Boek van Tobias).

Perzië. Perzië is het land van grote tegenstellingen. woest bergland en vruchtbare dalen en landschappen. Dit rijk heeft in de Oudheid een voorname rol gespeeld. Onder de grote Kores strekte het zich uit van de Indus tot de Middel­landse Zee. Alexander de Grote bracht het ten onder. De hoofd­stad Persepolis (= Perzenstad) wekt nog door haar ruïnes van paleizen en koningsgraven de bewondering der reizigers.

De oudste hoofdstad van het Perzische wereldrijk was Pasar­gadae (met het graf van de grote Cyrus of Kores).

De Parthers woonden noordelijk van de Perzen. Ze worden in Hand. 2 genoemd.

5. KLEIN‑AZIË EN DE LANDEN IN EUROPA

We komen hier meer op het terrein van het Nieuwe Testament en wel in het bijzonder van de reizen van de Apostel Paulus.

Voor de Oudtestamentische geschiedenis heeft Klein‑Azië vooral betekenis, omdat hier indertijd was het grote rijk der Hethieten. De beroemde Duitse geleerde Hugo Winckler heeft de hoofdstad Chattusas van het oude Hethietenrijk gevonden in het dorp Boghaz‑Keui.

Gebergte. Klein‑Azië 1) bestaat uit een groot en hoog plateau, met randgebergten in het noorden en zuiden. Aan de Zwarte Zee zijn die bergen bosrijk; in het zuiden zijn de gebergten ruw: hier strekt zich de Taurus uit, die naar het oosten zijn voortzetting vindt in de woeste Anti‑Taurus. Tussen beide gebergten vormen de Cilicische passen de heerweg: zowel Xerxes als Alexander de Grote en later de scharen der Kruis­vaarders togen over deze passen.

“En daar zwoegden ook eenmaal twee pelgrims, Paulus en Silas, die geen ander wapen hadden om de wereld op te eisen voor Jezus Christus, dan het Evangelie des Kruises”. (G. Wielenga).

Rivieren. Het plateau wordt door rivieren doorsneden: deze rivieren zijn over het algemeen ondiep, maar bezitten een groot verval (“In gevaren van de rivieren”; 2 Cor. 11:26). In de dalen liggen nederzettingen; zo liggen in het dal van de Lycus de stad Colosse met de beide zustersteden Laodicéa en Hierapolis.

1) Wanneer in de Statenvertaling genoemd wordt “Azië” in de vert. van het Bijbelgenootschap “Asia” is dit niet het werelddeel, evenmin Klein‑Azië, maar de Romeinse provincie van die naam, in het westelijk deel van het schiereiland.

Levant. Voor de ontwikkeling van Klein‑Azië hebben vooral de kustvlakten betekenis gehad. In dat opzicht is vooral de Levant bevoorrecht.

Van het westen begon het Hellenisme (de Griekse beschaving); meer in het binnenland handhaafde zich de taal der inwonende bevolking (“en zij zeiden in het Lycaonisch”; Hand. 14:11). Toen de Romeinen Klein‑Azië veroverden, was overal de Griekse cultuur doorgedrongen. In verschillende plaatsen hadden de Joden synagoges. Tijdens Paulus’ zendingsreizen kende het land een zekere bloei.

Zeestroom. In het oosten van de Middellandse Zee gaat langs de

kusten een zeestroming, tegengesteld aan de richting van de wijzers van een uurwerk. Aan, de zuidkust van Klein‑Azië loopt deze stroming dus van het oosten naar het westen. Hierdoor is de richting te verklaren van het schip, waarmee Paulus voer. (Hand. 27:4, en de zee, langs Cilicië en Pamphylië doorgevaren zijnde, kwamen zij aan te Myra in Lycië).

Cilicië. In het zuiden van Klein‑Azië lag het landschap

Cilicië met in het zuiden een zacht klimaat. De hoofdstad was Tarsus of Tarsen, de vaderstad van Paulus 1). Hier was de samenstroming van oosterse en westerse cultuur; een stad van wetenschap en wijsgerige scholen. Oudtijds een bloeiende stad, is zij thans van weinig betekenis.

Pamphylië. Aan de kust van Pamphylië Perge, en Attalië een belangrijke haven voor het verkeer met Syrië.

Lycië. In Lycië lagen de havensteden Myra en Patara.

Carië. In Carië de Griekse kolonie Cnidus. Aan de door

Joniërs bezette kust lagen: Miléte, een belangrijke handelsstad, Efeze, een stad van handel en landbouw en Smyrna, thans nog een grote handelsstad. het middelpunt van de zuid­vruchtenhandel. De christengemeente, hier gevestigd, muntte uit door trouw.

1) Wel te onderscheiden van Tarsis, vaak gezocht in Zuid-Spanje.

Lydië. In Lydië: Sardes, de oude hoofdstad van het konink­rijk Lydië, Philadelphia, Thyatira, met beroemde purperververijen.

Mysië. In Mysië: Pergamum, vroeger de hoofdstad van het koninkrijk Pergamum. De stad had een belangrijke bibliotheek en leende haar naam aan het hier uitgevonden perkament.

116

Ruïnes van Sardes. Eens was Sardes een belangrijke stad, de hoofd­stad van Lydië. Antieke tempelruïnes getuigen van de grootheid dezer stad, die nu vervallen is tot een ellendig dorp.

In Pergamum waren prachtige tempels van verschil­lende Griekse goden. Ze heet de plaats, daar de troon des Satans is (Openb. 2:13), wat misschien slaat op de keizercultus, welke martelaren heeft geëist. Aan de kust: Adramyttium, Assus en Troas, van waar Paulus naar Europa overstak.

Lycaonië. Antiochië in Pisidië en Iconium, Lystre en Derbe in Ly­caonië zijn welbekend uit Paulus’ eerste Zendingsreis.

Phrygië. In Phrygië worden genoemd: Colosse, Laodicéa (met de “lauwe” christengemeente) en Hierapolis.

De landschappen Cappadócië, Galatië, Pontus en Bithynië hebben geen steden, in de Bijbel genoemd.

De brief aan de Galaten was gericht aan de bewoners van Galatië, een bevolking van gemengd Keltische oorsprong. (Galaten = Kelten). Paulus had daar op zijn tweede zendingsreis een vrucht­baar arbeidsveld gevonden. Nicea en Chalcedon zijn in de kerk­geschiedenis wel bekend geworden.

Cyprus. Van de eilanden moeten nog worden genoemd: Cyprus, vroeger buitengewoon vruchtbaar. De oor­spronkelijke bewoners heten in de Bijbel Kittieten. Paulus be­zocht er Sálamis en Pafos.

Rhodus. De bouwvallen van Rhodus getuigen van vroegere grootheid. Patmos was het verbanningsoord van de apostel Johannes. Hier ontving hij de “Openbaring”. Lesbos met de stad Mytilene. Samothráce deed Paulus aan, toen hij naar Europa ging.

Macedonië. In dit werelddeel bezocht hij eerst Neapolis, toen nog een Thracische stad en kwam daarna te Philippi in Macedonië. Daar werd de eerste christengemeente gesticht. Over Amphipolis en Apollonia trok hij naar Thessa­lonica, in de tijd der Romeinen de hoofdstad, als Saloniki thans nog een stad van betekenis.

De reisweg welke Paulus hier volgde, is de Via Egnatia. De Via Egnatia was een van de grote Romeinse heerwegen. Hij liep van Byzantium over Neapolis, Philippi, Amphipolis, Apollonia en Thessa­lonica westwaarts tot aan de Adriatische Zee (bij Dyrrachium, van­waar men kon overvaren naar Brindisi).

Athene. Langs Berea leidde de weg naar Athene, de wereldberoemde hoofdstad, waar men echter voor de ernstige woorden van Paulus weinig tijd en aandacht had. Het resultaat van zijn rede op de Areopagus legt daarvan getuigenis af. Groots zijn de tempelresten op de Akropolis.

Corinthe. Meer gezegend werd het werk van de Apostel in Corinthe, waar hij lange tijd arbeidde als een getuige tegen de ongebondenheid.

Corinthe had een gunstige ligging op de landengte. De schepen uit Italië en Spanje kwamen in de haven Lechaeum aan de westkust. En de schepen uit het Oosten meerden aan de wal van de haven Kenchreën (Hand. 18:18). Over de landengte werden kleine schepen wel getrokken langs een daartoe ingerichte baan. Men meed namelijk de gevaren bij de gevaarlijke kaap Malea. Door de scheepvaart kreeg Corinthe een internationaal karakter. Toen Paulus de stad bezocht, was deze in zekere zin nieuw, want in 146 voor onze jaartelling was Corinthe door de Romeinen verwoest, doch in de dagen van Caesar weer opgebouwd. In de tijd van de Apostel kende men in Corinthe maar één aristocratie: die van weelde; maar één wens: geld verdienen. Zedeloosheid en lichtzinnigheid waren kenmerkend in de wereldstad. ‑Later is verval gevolgd. In 1858 werd de oudste stad vernietigd door een aardbeving; daarna is Nieuw Corinthe gebouwd op 5 km afstand. Het oude Corinthe is opgegraven. Daarbij vond men o. m. de rechts­hal, waar eens de rechterstoel was, toen Paulus voor Gallio gebracht werd (Hand.:12), de vleeshal (1 Cor. 10:25) en een steen, waarop in Griekse letters stond “Synagoge der Hebreeërs”.

Derde reis. Van zijn reis als gevangene naar Rome moeten nog genoemd worden: Creta of Kaftor, vroeger welvarend, een eiland met 100 steden; aan de zuidzijde lagen “Schone havens” of “Goede Rede” (Boni Portus) en Phoenix. Zuidelijker lag het eilandje Clauda thans Gozzo. Na de schipbreuk landden de reizigers op Melite,(Malta), waar de naam St.‑Paulus-­Baai de herinnering bewaart.

Rome. Te Syracuse op Sicilië bleef Paulus drie dagen en ging over Rhegium (nu Reggio), Putéoli (nu Pozzuoli), waar de zeereis eindigde, Forum Appii en de Tres Tabérnae naar Rome, de stad op zeven heuvelen gebouwd. Nog altijd is Rome een grote stad, waar vele indrukwekkende bouwvallen aan vroegere schoonheid herinneren. En Rome is ook de stad, waar (zoals Vondel zegt):

d’Apostelschap, beknelt in ijsre boeien,
Verhief er ‘t Kruis, gezegent in Godts Zoon.

119

Catacomben zijn de onderaardse begraafplaatsen, die de oude christenen rondom de stad Rome hebben aangelegd. De fresco’s op de wanden geven een beeld van het geloof en het leven der gemeente. Hier is afgebeeld een fresco uit de catacomben van Petrus en Marcellinus. Het is een levendige voorstelling van een oud‑christelijke Agape of liefdemaaltijd, waarbij men in vrede en liefde bijeen was, gelijk de inschriften melden: Irene reik mij warm water. Agape schenk mij in. Van zulke liefdemalen wordt gesproken in judas vers 12. De kanttekening van de Statenvertaling zegt hierbij: Grieks agapais; dat is liefden. Zo werden genoemd de maaltijden, die de eerste christenen plachten met elkander tot versterking der liefde te houden, als het Avondmaal was gevierd, van welke de Apostel Paulus spreekt in 1 Corinthe 11:21 en 22 en die be­schreven worden door Tertullianus in zijn boek “Verdediging der Christenen”.

 

UpToDate 2024-2025