Zwaartepunt van de Aarde

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer]:  Het "zwaartepunt van een lichaam" is heel iets anders dan het "meetkundig middelpunt" van dat lichaam. Het "middelpunt van de Aarde" bestaat uit niets. Het "zwaartepunt van de Aarde" moet grote afmetingen hebben en die ruimte is nodig om speciale levenswerkzaamheden te verrichten. Het hart van de mens is een ongewoon kunstig celweefsel, waarin de "levende ziel" en in haar weer de "geest van de mens" als een "wever" op zijn weefgetouw bezig is; hij kan dit, omdat door zijn vakkundige constructie de "han­den van de ziel" alles kunnen opwekken, wat voor het vervaardigen van het fysieke leven nodig is. Als dit "weefgetouw" eenmaal in zijn natuurlijke construc­tie niet meer zo goed functionerend is, dan gaat het met het verder opwekken van het fysieke leven ook niet meer zo goed, maar tenslotte is het volkomen onbruikbaar geworden en dan kan de "ziel" het ook niet meer gebruiken; het is dan ook tijd voor haar om deze nutteloze werkplaats te verlaten. Naast het belangrijkste "zwaartepunt" bestaan er ook "neven­zwaartepunten".

 

Leg maar twee balken op elkaar en bepaal zelf dan waar het zwaar­tegewicht ligt. Dat zijn dan de "aanrakingspunten" van de materie, die op elkaar inwerken. Hier is dan is sprake van "gewichtsveranderingen" met een dubbel ge­wicht, die bijvoorbeeld de dwarsbuisjes in een boom doorsnijden, evenals dit is bij twee water­buizen, die elkaar treffen in een werveling en vervolgens hun weg weer gaan. De "boom" heeft diverse "aquaducten. Hoe verder naar de schors des te meer zijn er kanalen voor geleiding en straling op een punt. De "bast van een boom" heeft een afzetting van diverse vloeistoffen. Men vindt daar het "sponsachtige van de kern”. Het "vezelachtige van het hout". De "jaarringen van een boom" getuigen van de kleine nevenzwaartepunten als nawerkingen in de kern van wortels en twijgen. Beschadiging van het zwaartepunt (het "hart") zou de dood brengen. Hoe dichter de "organen" bij het hart liggen, hoe groter ze zijn, hoe meer verwijderd, hoe kleiner en dus ook meer vertakkingen. Een boom zuigt regen­druppels en dauw.

 

De "aardesappen" worden zorgvuldig onderzocht door de daar aanwezige scheikundigen en in de overeenkomende "voorgeleidingkanalen" geleid en verder gevoerd. Substantieel is er weinig stoffelijks aanwezig. Onze "ziel" is ook "substan­tieel" en daarin zit nagenoeg geen koolstof en zuurstof, dus geen chemie. Het "meetkundig middelpunt der Aarde" is niet te bepalen omdat zijn ligging aan heel belangrijke veranderingen onderhevig is. Het "zwaarte­punt van de Aarde" brengt de materie tot leven,  zowel in de Aarde als ook op de Aarde (bomen, gewassen, struiken). Een "boom" is in zijn groei flexibel want dan zie je aan de ene kant zijn vruchtbaarheid. In een ander jaar meer fruit aan ene kant van de Aarde. Het ene jaar meer fruit aan de "noordkant" maar zwakker aan de "zuidkant". Er is een "polaire wisseling" te ontdekken, maar ook weer andersom. Of het blad verwelkt eerder dan anders in de herfst.

 

Dit komt door de steeds veranderende positie van het elvenverwekkende zwaartepunt of de eigenlijke levensverwekkende positieve polariteit. Het "doel van de MATERIE" is niet om te blijven bestaan. Een appelboom blijft dus geen appelboom, anders kun je spreken van een "gefixeerde polariteit” dat bijna samenvalt met het meetkun­dig middelpunt en des te vaster en duurzamer. Daarom moet het "zwaartepunt" veranderlijk zijn. Dier en mens bewegen zich en hebben daardoor meer een bepaalde plaats voor zijn "levenszwaartepunt als hart". Wij hebben dus een vaste plaats voor het hart, de Aarde echter niet omdat deze zich niet vrijwil­lig bewegen kan. Daarom moet het levenszwaartepunt a.h.w. in hun inwendige rond­reizen om doelmatige reacties teweeg brengen in alle delen van het aardelichaam. Het "aardehart" kan dus uitdijen van IJsland, Noorwegen, Zweden, Lapland tot onder de Middellandse zee. Bij hoofdluis zien we identieke verschijnselen maar in een zwakke gelijkenis. In ieder geval bij de laagste dieren met hun onbestendi­ge zwaartepunt.

 

De Aarde is een groot organisch "dierlijk lichaam". Het heeft ook voedsel nodig om te kunnen leven. De "wortels van bomen en planten" zijn ook zogenaamde "poliepachtige zuigsprieten”. De "meeldraden van bloemen" zijn "eetsprieten". Zowel dieren als planten zijn bedekt met "zuighaartjes" om de elektrische en "etherische levensstof" uit de vrije lucht naar binnen te zuigen. Ook de Aarde heeft een "mond", "zuig‑ en eetslurven" en een "afvoer­kanaal" en kleinere. In de "Noordpool" bevind zich de mond van de Aarde ‑ de "Zuidpool" met haar afvoerka­naal ‑ de Noordpool mond is erg groot. De afme­ting varieert van 7.4 km x 25 = ongeveer 185 kilometer, dan de “slokdarm” en dan de "maag van de Aarde". Haar maag ligt vlak onder het "hart der aarde” en de omvang is gemid­deld "5180" km met een door­snee van ongeveer 400 kilome­ter. Deze "maag" bestaat uit een zogenaamde "gum­mizak van elasti­sche aard" en de maag heeft verder "dwars­stutten".

 

Vanuit de maag loopt een "schroefvor­mig hoofdka­naal" naar de Zuidpool en deze is ook gummiachtig maar harder bij de uit­monding. Op de Noordpool is een "nevel­massa steeds dich­ter wordend" met in de winter ontelbare "lichtklu­wens als vallende sterren" en "sneeuwkris­tallen". De Noordpool eet dit "Noordpoolijs" met grote magnetische kracht op. De maagwand vibreert en er wordt "elektriciteit" opgewekt en voedzaam water verder geleidt. Onverteerbare resten uit diens maag worden door een negatieve elektriciteit afgevoerd naar de Zuidpool. Het "noordelijk deel van de Aarde" is ook veel compacter dan het "zuidelijk deel van de Aarde". De "voedingsstoffen die slecht zijn" worden via de Zuidpool afgevoerd. Door dit uitdrijven van de laatste "uitwerpselen", wordt de "rotatie van de Aarde" bewerkstelligd. Zij maken dat de Aarde draait, roteert. Vergelijk het met een "raket" die omhoog gaat door haar opstuwende luchtkracht en zich in de juiste baan schiet. (bron: Aarde en Maan – Jakob Lorber) –

www.zelfbeschouwing.info