Wat is de ziel?

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer]:  De ziel is een geestelijk product uit de materie. Zij is als de hoogst gepotentieerde vermenging van mineralen-, planten­ en dierenzielen en zij heeft geen herinnering aan haar vorige bestaansvormen, omdat de specifieke zielsdelen in eerder ge­noemde drie rijken geen eigen en strikt afgezonderde intelligentie bezaten, maar ten behoeve van hun soort alleen een soort intelligentie, die aan het algemene goddelijke leven in de ruimte ontleend was. Weliswaar zijn in een mensenziel al die talloze specifieke voorintelligenties met elkaar verenigd, en dat leidt ertoe dat de menselijke ziel uit zichzelf alle dingen zeker kan herkennen en verstandig kan beoordelen, maar een specifieke herinnering aan de vroegere niveaus van bestaan is niet denkbaar of mogelijk, omdat in de menselijke ziel maar één mens ontstaan is uit de eindeloos vele afzonderlijke zielen. De ziel van de mens is een zuiver etherische substantie uit zeer veel lichtatomen of kleinst mogelijke deeltjes en tot een volmaakte menselijke vorm samengesteld. De zuivere geest is een gedachte van God, die voortkomt uit Zijn liefde en wijsheid, en die tot een waar bestaan komt door Gods wil. Omdat God echter in Zichzelf een vuur is uit Zijn liefde en wijsheid, is dat ook het geval met de in zekere zin uit God naar buiten getreden gedachte die in een zelfstandig bestaan wordt geplaatst.

 

Zoals het vuur echter een kracht is, is zo'n gedachte uit God op zichzelf ook een kracht, die zich van zichzelf bewust is en die zelf in de dezelfde helderheid kan werken als waaruit hij voortgekomen is. Als zuivere kracht doordringt hij alles wat wij materie noemen, maar kan zelf door de materie niet doordrongen worden, omdat de materie verder niets anders is dan een uiterlijke uiting van de geest uit God. De ziel is in zekere zin materie die door de kracht van de geest weer is opgelost en die door die kracht genoodzaakt in de eigen oervorm van de geest overgaat, en daarna met haar geest verenigd en als het ware diens lichtetherische -substantiële lichaam vormt. Ook de ziel vormt en ontwik­kelt, puur door de wilskracht van haar geest, haar toekomstige omhulling uit de haar omgevende materie van het lichaam, wanneer die totaal is vergaan en ontbonden.

 

Bij de verwekking van de mens wordt de ziel uit de drie natuurrijken in het moederlijf gedreven, waarna ze haar chaotische specifieke samenstelling begint te ontwaren. De ziel is dus een mengsel van fijnstoffelijke oerdeeltjes die bij de gevallen schepping weer ontnomen werden. Materie is een specifieke geest, die als ziel in elk mensenwezen wedergeboren kan worden in de Goddelijke Geest. De in een lichaam wonende ziel is natuurlijk in het begin niet veel reiner dan het lichaam zelf, omdat zij afstamt van de onreine oerziel van de gevallen satan. Het lichaam is voor de nog onzuivere ziel eigenlijk niets anders dan een heel wijs en heel goed en doelmatig ingerichte zuiveringsmachine. Waar bevindt zich dan de ziel in het lichaam? De ziel doordringt het hele lichaam, zoals water alles doordringt. De ziel is het fijnstoffelijkste in de mens. Wat is de ziel in de mens? Waar heeft zij haar zetel in het lichaam? De ziel als geestelijke substantie is helemaal mens, zowel wat betreft gedaante alsook wat betreft alle ledematen en bestand­delen van het lichaam! En als dat niet zo zou zijn, kon zij ook niet van haar lichaam zo volmaakt mogelijk gebruik maken. De handen van de ziel bevinden zich in de handen van het lichaam, haar voeten in de voeten van het lichaam, en zo verder alle delen van de ziel in de overeenkomstige delen van het lichaam. Wordt het lichaam ergens ziek, dan is de ziel ook in de zieke lichaamsdelen aanwezig en spant zich erg in om deze weer gezond te maken. Lukt haar dat niet, dan wordt zij daarin passief en het gevolg daarvan is dat zo'n lichaamsdeel helemaal verlamd, vrijwel gevoel­loos en dus inactief schijnt te zijn. Dat is een goede en juiste leer van alle oude en ook nieuwe psychologen. Bekend is van personen die hun handen of benen verloren hadden, het gevoel hadden, dat alles nog intact was. Omdat zij de pijn aan het etherische lichaam voelden (de ziel met haar fluïdum) bewijst dit uiteraard, dat de ziel in zichzelf onsterfelijk is.

 

De geest werkt op de ziel in en kan deze doordringen, de ziel kan echter nooit de grenzen van haar geest overschrijden maar ze moet er zijn om door de geest te worden doordrongen, terwijl de geest er niet is om door de ziel te worden doordrongen; maar de ziel kan door de geest worden opgenomen waardoor ze zelf geestelijk wordt. Natuurlijk heeft de ziel ook een lichaam, het is welis­waar etherisch, maar voor de ziel is dat lichaam net zo volmaakt als het vleselijke lichaam voor een stoffelijk mens. Het zielenlichaam heeft ook alles wat een vleselijk lichaam heeft. Met je stoffelijke ogen zie je het weliswaar niet, maar ik kan alles zien, horen, voelen, ruiken en proeven. Want ook de ziel heeft dezelfde zintuigen die het lichaam heeft voor de communicatie tussen zichzelf en zijn ziel. Iedere wereldse zorg is een materiële band, waardoor een ziel zich vanuit het litteken van Adam verbindt met de materie! Hoe meer de ziel zich verbindt met de materie van haar vlees, des te meer moet de vorming van de eigenlijke geest van God in haar verkommeren. En hoe meer de ziel zich door haar zorgen verbindt met het lichaam, dat op zichzelf alleen maar een gericht, een ellendige noodzaak en tevens de dood zelf is, des te meer verliest zij het besef en de kennis van het eeuwige onvergankelijke leven in haar. Hoe meer zij deze band echter loslaat, des te vrijer wordt zij weer in alles. En hoe meer zij zich dan verbindt met de goddelijke geest in haar, des te levendiger en helderder zal haar bewustzijn en de kennis van het eeuwige leven in de ziel worden.

 

Ieder mens heeft een onsterfelijke ziel en in de ziel een geest die nog onsterfelijk is. En opdat de ziel, als geest die zich uit de materie ontwikkelt, volledig één wordt met de oergeest van God, die 'liefde' heet, moet al het streven van de ziel erop gericht zijn, dat zij zich ten eerste losmaakt van de materie en van alle eisen die deze stelt, en dat zij al haar inspanningen, al haar doen en laten enkel naar het zuiver geestelijke richt; ten tweede moet het voortdurend haar enige zorg zijn, dat zij één wordt met de in haar rustende geest van Gods zuivere liefde, omdat God Zelf van oorsprong in Zijn oerwezen de aller-zuiverste Liefde is. Samenvattend dus: de ziel is een vrij geworden gelouterd geestelijk product uit de materie. Materie is echter gerichte geest. De ziel bestaat uit zieldeeltjes of uit oerdeeltjes van de ziel die ontnomen zijn uit de gevallen satan. De ziel bezit zeker een bepaalde intelligentie, maar dat is niet identiek met de geest zelf; de geest echter in de mens is een kleinste partikel, een geestelijk vonkje uit het hart van de Schepper, zodat we continue door Hem omgeven zijn. Onze opgave is aan dit vonkje gehoor te geven en zo heerser over ons te maken. Eerst als dat gelukt is, ben je wedergeboren.  bron: GJE1-2 [6], 1-[18], 58 [6], 79, 2-132, 169 [3-7], 210, 218 en 3, 4 [26], 2-104, 3-12, 16 [3], 25 [11], 31 [3-7], 2-218, 219, 225 en jeugd van Jezus, hfdst.54

www.zelfbeschouwing.info