Ontwikkeling van de mensenziel

 

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer]:  De ziel kan pas de geest van de waarheid in zich opnemen, omdat een onreine ziel die nooit kan bevatten. Want een onreine ziel is als de nacht, terwijl de waarheid een zon vol licht is, die overal het daglicht om zich heen verspreid! Dat is de innerlijke mens. Ziel en lichaam moeten alleen leren. Cyrenius, de opperbevelhebber over Syrië vroeg aan aan het kindje: 'kindeke-mijn, hoe is het toch mogelijk dat je, nog pas een paar maanden oud, al zo wijs en zo duidelijk kunt praten? Heb je dat van je moeder geleerd?' Het Kindje richtte Zich nu, fijntjes lachend, recht op in de ar­men van Cyrenius, en Het zei als een kleine Heerser: 'Cyrenius, het komt daar­voor helemaal niet op leeftijd aan, noch ook op het onderwezen wor­den, wel op wat voor een geest men heeft! Leren moeten alleen het lichaam en de ziel; terwijl de geest reeds alles uit God in zich heeft! Ik bezit nu die Goede Geest uit God in zijn volle Macht! Dat is de reden, dat ik al zo vroeg kan praten! Dit antwoord maakte Cy­renius bijna uitzinnig van verba­zing; ook de rest van het gezel­schap overigens.

 

De ziel kan in het allerslechtste geval akelig dromen en dat in ongekende tijden, in aeonen van jaren. De ziel heeft altijd de gelegenheid gehad op deze Aarde om de de ziel actief te houden. Mettertijd wortelt de ziel in zo'n fantasie en leeft daar vervolgens in als in een droom en in die droom kan zij duizenden jaren leven. Maar dat is nog lang geen echt eeuwig leven. Dergelijke zielen moeten tenslotte, als zij tot een echt eeuwig leven willen komen, in de zogenaamde geestenwereld veel groter strijd leveren en grotere beproevingen doorstaan dan de strijd, waar ik voorheen slechts zijdelings gewag van maakte. Wie hier echter deze weg gaat, weliswaar onder de nodige inspanningen en met ware wijze levensernst, bereikt al in weinig jaren in alle waarheid, duidelijkheid en met volle zekerheid het eeuwige leven, hetgeen hij elders door de slaperige instelling van de ziel pas na enige honderden, of zelfs na vele duizenden jaren pas kan bereiken, als het goed gaat. Maar als er ook maar iets fout gaat, kan een hier of elders geheel bedorven ziel ook aeonen na aeonen genieten van een zeer miserabel droomleven, waarin zij behalve zichzelf en haar zeer miserabele fantasiebeelden niets waars of reëels, of iets buiten zichzelf te zien krijgt.

 

Ondanks dat doet zij toch bittere ervaringen op, die haar leren dat zij omringd is door louter vijanden waartegen zij zich niet kan verweren, omdat zij die net zo min kan zien als op deze wereld een stekeblinde kan zien waarvandaan de vijand komt of waar andere gevaren hem wachten! Maar een stekeblind mens is ondanks al zijn blindheid toch niet geheel zonder licht, want de fantasie van zijn ziel vormt voor hem toch steeds een bron van licht en de blinde ziet dingen die, doordat ze enigszins verlicht zijn, er als natuurlijke dingen uitzien, maar zij zijn niet blijvend en het licht daarvan ook niet. Soms is het helder, dan weer erg wazig en vaak verdwijnt het ook helemaal, zodat zo'n blinde dan echt gedurende enige tijd geheel zonder licht en werkelijkheid is. Wel, bijna net eender vergaat het een ziel als zij volledig is afgezonderd. Zij heeft dan weer licht en dan weer duisternis. Licht noch duisternis ziet de ziel echter als een realiteit, maar slechts als een tijdelijke afscha­duwing van datgene wat de ziel, zonder het te weten of te willen, opneemt uit de sfeer rondom haar, zo ongeveer als waarop een aan het gras hangende dauwdruppel het beeld van de zon in zich opneemt.

 

De druppel is nu wel verlicht, maar zijn bewustzijn gaat niet zo ver dat hij met inzicht zou kunnen waarnemen waar vandaan het licht zijn lichaam is binnen­gedrongen. Zie je, dat deed de geest in de mens! Op dat moment heb Ik de menselijke geesten gewekt, en die droegen hun vleselijke omhulsels naar hier op deze top. Maar omdat hun geesten nog niet gewend zijn aan dit werk, gingen ze, toen Ik hen wat losliet, weer in hun lichaam slapen, en de ziel van het lichaam werd met angst vervuld. Als de geest in hun hart echter wakker gebleven was, zouden zij geen angst hebben, want de geest zelf zou dan de ziel met een lichtend vertrouwen vervuld hebben en hen in het hart de vaste overtuiging gegeven hebben dat de hele natuur hem moet gehoorzamen! Maar omdat dat vanwe­ge de oude wereld, waarvan hun zielen nog een deel in zich hebben, niet duurzaam plaats kon vinden, overvalt hun zielen ook nog steeds iets van de wereldse angst die jij hier bij hen tegenkomt.

 

De ziel van de mens leeft door een onjuiste koers bij het vlees, of door een juiste koers bij haar geest, die altijd één is met God, zoals het zonlicht één is met de zon. Leeft een geest bij het vlees, dat in zichzelf dood is en slechts voor een bepaalde tijd, als het lichaam niet beschadigd wordt, door de ziel leven krijgt, dan wordt de ziel helemaal één met het lichaam. Maar als de ziel zich steeds meer op het vleselijke in­stelt, zodat zij tenslotte zelf helemaal vlees wordt, dan bevangt haar ook het gevoel der vernietiging dat bij het vlees hoort, en dit gevoel is dan de vrees die de mensen tenslotte voor alles onbekwaam en krachteloos maakt! Geheel anders gaat het echter met een mens, wiens ziel door een juiste koers vanaf zijn prilste jeugd naar de geest geleefd heeft! Dan ziet de ziel in der eeuwigheid geen mogelijke vernietiging voor zich! Haar gevoel lijkt op de geaardheid van haar eeuwige onverwoestbare geest.

 

Zij kan geen dood meer zien en voelen omdat zij één is met haar eeuwig levende geest, die heer is over de gehele zichtbare natuurwereld. En het begrijpelijke gevolg voor de nog in het vlees levende mens is dat hij geen angst heeft. Want waar geen dood is, is geen vrees! Daarom moeten de mensen zich ook steeds zo weinig mogelijk zorgen maken over wereldse zaken, maar alleen zorgen dat hun ziel één wordt met de geest en niet met het vlees! Want wat baat het de mens als hij voor zijn vlees de gehele wereld zou winnen, maar daardoor zijn ziel zwaar zou schaden? Want ook deze hele wereld, die wij nu tamelijk ver kunnen overzien met al haar op luchtkastelen gelijkende vluchtige luister, zal vergaan en deze hele hemel met haar sterren ook op haar tijd, maar de geest zal eeuwig blijven, net als elk van Mijn woorden. Maar de mensen, die helemaal één zijn geworden met de wereld, zijn onuitsprekelijk moeilijk te helpen, want zij zien en vestigen hun leven op de ijdele dingen der wereld, leven in een doorlopende vrees en zijn tenslotte geestelijk helemaal ontoegankelijk!

 

Benadert men hen echter op de natuurlijke of wereldse weg, dan helpt men hen daarmee niet alleen helemaal niet, maar men werkt slechts hun gericht en daardoor de dood van hun ziel in de hand! Een werelds mens die dan zijn ziel wil redden, moet zichzelf geweld aandoen en beginnen met zoveel mogelijk alle wereldse zaken te verloochenen. Als hij dat met veel vlijt en ijver doet, zal hij zichzelf redden en tot het leven ingaan. Doet hij dat echter niet, dan kan hij op geen andere manier worden geholpen dan door veel werelds lijden, opdat hij de wereld met haar heerlijkheid leert verachten, zich tot God bekeert en zo begint Zijn geest in zich te zoeken en zich meer en meer met Hem te verenigen. Ik zeg je: Het geluk van de wereld is de dood van de ziel!

 

Zeg Mij nu, allerliefste Jarah, of je dit alles goed hebt begrepen!" Als iemand lichamelijk ziek is, dan moet hij lichamelijke hulp hebben; is iemand echter zielsziek, dan moet hij een aan de ziekte aangepaste zielkundige hulp krijgen! De zielsziekten van kinderen kan men het beste genezen door een goede vast omschreven tucht, waarbij de roede niet ontbre­ken moet; de zielsziekten van volwassenen worden echter gene­zen door wijze en liefdevolle raad, door degelijke leer en onderwijs, door uit zuivere liefde opwellende vermaningen en door het wijzen op de onafwendbare ernstige gevolgen, die anders zullen ontstaan als de zwakke ziel de goede raad niet opvolgt. Als bij de erge verstokten, ofwel blinde en dove zielen, dit alles geen resultaat meer oplevert, dan pas wordt het tijd om zulke wezens een strengere en krachtiger behan­deling te geven, waarin echter de naastenliefde toch ten volle aanwezig moet zijn, want zonder naastenliefde rust er geen zegen op een krachtiger behandeling!

 

De aarde is de draagster van tweeërlei soort mensen. De ene en betere soort stamt van oorsprong reeds van boven, de kinderen van God moeten daaronder gerangschikt worden. De andere en oorspronkelijk kwade soort stamt zuiver van deze aarde af. Hun ziel is in zekere zin een combinatie van afzonderlijke levensdeeltjes, die, terwijl ze van satan afgenomen zijn, in de massa van het aardelichaam als materie gevangen worden gehouden. Daaruit evolueren ze door de plantenwereld naar de dierenwereld, en werken zich door de vele niveaus van de dierenwereld tenslotte als een potentiële kracht, bestaande uit talloze oerzieldeeltjes, op tot een ziel van een werelds mens. Speciaal bij ongezegende verwekkingen verenigen zij zich in het lichaam van de vrouw, waarbij zij daarna net als de kinderen van het licht uit de geestelijke sfeer van de hemelen, op deze wereld geboren worden.

 

Omdat het gehele wezen van zulke kinderen uit satan genomen is, lopen zij altijd min of meer gevaar om door de een of andere boze geest, dat wil zeggen door de zwarte ziel van een eens op deze aarde al lichamelijk geleefd hebbende duivel van een mens, bezeten te worden. Dat gebeurt vooral dan, als zo'n jonge uit de satanische aardedeeltjes gevormde ziel een goede en hemelse richting inslaat. Omdat daardoor een levensdeel zich losscheurt van de helse sfeer, veroorzaakt dat een onverdraaglijke pijn aan de gezamenlijke hel, en daarom stelt zij alles in het werk om zo'n verwonding te verhinderen. Nu wil je natuurlijk weten waarom de hel daar zo'n pijn van ondervindt, want één zo'n ziel moet vergeleken bij de hel toch onnoemelijk klein en onbelangrijk zijn, zoals een mensenhaar is ten opzichte van de gehele mens, en Ik zeg je dat je daar groot gelijk in hebt. Maar neem nu eens het kleinste haartje van je lichaam en ruk het uit, dan zul je daarbij merken dat je tijdens het uittrekken niet alleen op de plaats van het haartje, maar haast door je hele lichaam een onuitstaanbare stekende pijn zult voelen, die je tot vertwijfeling zou brengen als dat een uur lang zou duren.

 

Aan de hand van deze verklaring kun je nu al een beetje beter inzien waarom op aarde de bezetenheid voorkomt en waarom dat tot aan het eind van deze aarde zal voorkomen. Deze bezetenheid heeft voor de bezetenen ook beslist goede kanten, want zo'n ziel, wiens lichaam door de een of andere duivel in bezit genomen wordt, wordt door de kwellingen van zijn lichaam duidelijk gezuiverd, en wordt behoed voor een kwade binding met haar lichaam. Dan komt op het juiste moment de hulp van boven, en een wereldziel is dan helemaal voor de hemel gewonnen.

De helderheid van de ziel, of de eigenlijke primitieve, intelligente levenskracht, neemt door zwaar lijden en pijn van haar lichaam aan­merkelijk toe. Zij ziet en hoort alles wat voor de ogen en oren van de natuurmensen vaak nog erg ver weg is en je behoeft je er helemaal niet over te verbazen dat ik je daarnet vertelde over meer hemellichamen, want mijn ziel heeft ze beter en duidelijker gezien dan jij ooit deze aarde gezien hebt en ook ooit in dit leven van jou zult zien. Daarom kan ik terecht melding maken van alles wat mijn ziel heeft gezien in de eindeloze ruimte! Als mijn geest niet volgens de wegen die God mij in Zijn leer en daad aangeeft opwekt, kan ik het goddelijk levende van Zijn woord niet eens herkennen, laat staan tot de levengevende diepte daarvan doordringen.

 

Het goddelijk levende van Zijn woord is absoluut niet te begrijpen, als mijn geest niet tot leven gewekt is. De ziel moet eerst met het water der deemoed en van de zelfverloochening worden gereinigd (want het water is het oudste symbool van de deemoed; alles kan er uit gemaakt worden, het is dienstbaar aan alles en zoekt steeds de laagste punten op aarde en ontvlucht de hoogten). Daarna pas kan de geest van de waarheid opnemen, omdat een onreine ziel die nooit kan bevatten, want een onreine ziel is als de nacht, terwijl de waarheid een zon vol licht is en die overal het daglicht om zich heen verspreidt. Wie zo de waarheid opneemt, wordt door deze waarheid vrijgemaakt in de geest en deze vrijheid, is dan ook het eigenlijke binnengaan in het Rijk van God. Slechts door de grote kwelling kan de ziel van de slechte roofmoordenaars meer en meer bevrijd worden van haar satanslichaam en diens zeer kwade geesten. Zonder die vrijmaking valt er aan genezing helemaal niet te denken. Vanwege de ongehoorde pijnen kunnen de zielen weer gelouterd zijn.

 

De geestelijke en zielkundige bouw van een mens bestaat eerst uit de geestelijke ontwikkeling en vorming. Wat de ziel eenmaal opgenomen heeft dan kan zij dit duizenden jaren behouden, als dat niet door de geest in haar weer helemaal in orde gebracht wordt. Is het lichaam eenmaal ontwikkeld, dan begint de ontwikkeling van de geest in het hart van de ziel. De ziel moet er dan alles aan doen om de geest in haar te laten ontkiemen en moet hem daarbij de helpende hand bieden. De ziel is dan de wortel en de halm, en het lichaam de aarde; zij moet de geest geen onzuiver water als voedsel geven. De ringen, die de geest aanlegt, zijn de deemoedigingen voor de ziel. Als de laatste ring eenmaal gelegd is, ontwik­kelt de geest zich verder zelf en neemt alles wat in de ziel met hem verwant is in zich op, beveiligt zich en neemt als laatste de gehele ziel en wat in het lichaam met de ziel verwant was, in zich op en is dan voor eeuwig geheel onver­woestbaar, zoals wij dat verloop ook bijna bij iedere plant meer of minder goed kunnen waarnemen. Zij zijn weliswaar voor een deel uit de materie genomen, maar als vrijgemaakte wezens behoren ze niet meer, of behoeven ze niet meer te behoren, tot deze vanaf de zondeval reeds veroordeelde zielsmaterie. Zieleheil gaat boven lichamelijk geluk! Ten koste van al het lichamelijke geluk moet men de ziel redden en haar een waar eeuwig leven bereiden.

 

Ben je echter bang, wees dan bang voor Hem die de echte Heer over leven en dood is en die de ziel van de mens verwerpen of aannemen kan. Ik ben een genezer. Hoe kan Ik dat, vragen de dode en daarom geheel blinde mensen zich af. En Ik zeg jullie dat ik van geen mens het lichaam genees, maar als een ziel nog niet te sterk met haar lichaam is vermengd, maak Ik slechts de ziel vrij en Ik wek, voor zover mogelijk, de in de ziel begraven geest. Deze versterkt meteen de vrij geworden ziel en die kan dan gemakkelijk alle gebreken van het lichaam in een oogwenk weer in de normale orde terugbrengen. Dat noemt men dan een wonderbaarlijke genezing, terwijl het toch de gewoonste en natuurlijkste, lichamelijke genezing ter wereld is! Wat iemand heeft, kan hij ook geven; wat hij echter niet heeft, kan hij ook niet geven! Wie een levende ziel heeft overeenkomstig Gods orde, met daarin een vrije geest, kan ook de ziel van zijn broeder vrij maken als deze nog niet te veel met het vlees is vergroeid en die helpt dan heel gemakkelijk haar zieke lichaam.

 

Als de zielendokter echter zelf een erg zieke ziel heeft, die meer dood dan levend is, hoe zou hij dan dat wat hemzelf ontbreekt aan een andere ziel kunnen geven?! Denk er daarom over na! De eenvoudige bescheiden mens wiens hart nog zo zuiver mogelijk is, heeft blijkbaar ook een vrijere ziel en in de ziel een vrijere geest en neemt daarom vlug en gemakkelijk dat wat tot de geest behoort aan. Ik zeg je echter, dat ieder mens die zijn lichaam verliest, ook tegelijkertijd voor eeuwig de aarde verliest. En als hij niet door de liefde in zijn hart een nieuwe aarde voor zichzelf geschapen heeft, dan zal zijn ziel zich over moeten geven aan de wind en de wolken en de nevels, en wordt heen en weer gedreven in de eeuwige oneindigheid. Zij zal nooit ergens rust en stilte vinden behalve in het valse en waardeloze voortbrengsel van de eigen fantasie, en hoe langer deze rust duurt, des te zwakker, duisterder zij wordt en tenslotte gaat zij over in pikzwarte nacht en duisternis, waaruit de ziel vrijwel nooit zelf een uitweg vindt! Daarom kun je in de toekomst ook maar beter zo doen als Ik het je nu gezegd heb; maar doe voor dit ogenblik, wat je zelf wilt en kunt!' 

 

Als de ziel teveel luistert naar de eisen van het lichaam en daaraan gehoor geeft, stelt zij zich daarmee in verbinding en daalt zo af in haar persoonlijke hel en in haar persoonlijke dood. En als de ziel dat doet, zondigt zij tegen Gods orde in haar. Hecht de ziel eraan en schept zij er behagen in om daar te blijven, dan is zij net zo onrein als de onreine, en onder het gericht vallende, geesten van haar lichaam. Zij bevindt zich dus in de hel en in de dood. Ook al leeft zij, net als haar lichaam, op de wereld verder, zij is toch zo goed als dood en voelt de dood ook in zich en is daar erg bang voor. Want de ziel kan in die zonde en hel van haar doen wat zij wil, het leven kan zij toch niet vinden, hoewel zij dat boven alles liefheeft. Kijk, dat is de reden waarom nu vele duizend maal duizenden mensen over een leven van de ziel na de dood van hun lichaam net zo veel weten als een langs de weg liggende steen. Maar als men hen er iets over verteld, lachen zij hoogstens of worden zelfs boos, jagen de wijze de deur uit en raden hem aan om zulke dwaasheden, die alleen maar leugens zijn, aan de wilde zwijnen te vertellen!

 

Toch moet de mens, op z'n laatst wanneer hij dertig is, zo ver in zichzelf met de vorming van zijn ik klaar zijn, dat het komende vrije zalige leven na de dood van zijn lichaam voor hem zo bewust en vaststaand is als het vliegen in de hoge vrije lucht voor een adelaar! Maar hoe ver zijn mensen er nog van verwijderd, die pas daarnaar beginnen te vragen! En hoe ver dan wel diegenen, die er niets over willen horen en dat geloof zelfs te dwaas vinden om er over te kunnen lachen! -Zulke mensen bevinden zich zo hun gehele aardse leven in de complete hel, en al in de algehele dood. Maar ook kan een ziel zich reeds geheel gereinigd hebben, waarna haar dan toch nog vaak geruime tijd gegeven wordt om haar ijdele op zichzelf onzuivere lichaam en diens geesten ook te reinigen. Het edelste deel van het lichaam neemt dan uit de ziel uiteindelijk ook de onsterfelijkheid in zich op, en wordt op de jongste dag, na de dood van het grofste deel van zijn wezen, ter meerdere versterking van de ziel, mee opgewekt.

 

Bij zulke reeds reine zielen gebeurt het dan ook, dat zij toch zo nu en dan als hun hel, dat wil zeggen hun lichaam, vaak nog zeer verlokkend' werkt, korte tijd in zo'n persoonlijke hel binnengaan, met andere woorden, toegeven aan de begeerte van hun lichaam en diens geesten. Die zielen kunnen dan echter niet meer volledig onrein gemaakt worden, maar zijn slechts voor zolang onrein als zij zich in de poel van hun lichaamsgeesten ophouden. Zij kunnen het daarin nooit lang uithouden en keren daarom heel snel in hun reine toestand terug, waarin zij dan weer net zo rein zijn alsof zij nooit onrein geweest waren. Daarbij hebben zij in hun hel voor een tijd rust en orde hersteld en kunnen zij zich vervolgens weer ongestoorder in het licht van hun geest bewegen en versterken. De ziel bestaat uit dezelfde delen als ons lichaam. bron: GJE1-2 [6], 1-[18], 58 [6], 79, 2-132, 169 [3-7], 210, 218 en 3, 4 [26], 2-104, 3-12, 16 [3], 25 [11], 31 [3-7], 2-218, 219, 225 en jeugd van Jezus, hfdst.54

www.zelfbeschouwing.info