De Ziel

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer]:  Veel mensen kunnen het verschil tussen ziel en geest moeilijk uit elkaar halen. We spreken over de ziel en haar gevoelens, over een zieke ziel of een zieke geest of een geestesziekte, en dat is psychisch niet in orde. In de Bijbel vinden we al in Genesis 2:7: Hij blies de odem van het leven in zijn neus en zo werd de mens een levende ziel. Is het lichaam de ziel: nee, maar ze wordt er wel door bezield. Wat is dan simpel gezegd de ziel: daar woont de geest van de oerliefde, hoewel nog gevangen. De ziel moet afstand doen van haar hoogmoed en zich verdeemoedigen, zich isoleren uit het zinnelijke v.h. lichaam; krijgt dan makkelijker contact met de aan haar verwante zenuwgeest. Als deze situatie eenmaal ingetre­den is, zal de ziel het leven in zich voelen, ernaar streven  en zich steeds meer inspannen voor de naastenliefde en daardoor ook voor de zuivere liefde tot God, die zij in haar deemoed snel en moeiteloos zal vinden.

 

Daardoor wekt de ziel haar geest aan gene zijde uit God en begint ermee één te worden. Als dat eenmaal gebeurt, gaat de ziel steeds meer in alles op God gelijken, en heeft een helder inzicht gekregen in het eeuwige.’ Ieder mens werd een geestversterking meegegeven bij de geboorte om deze te bevrijden uit haar kooi. Deze geestversterking is de Goddelijke vonk, een nog ongeschapen geest, omdat deze het allerkleinste deel uit God is. De Geest is de eigen liefdesvlam uit het hart van God, die maakt dat wij in feite echte kinderen van God worden; wij zijn onuit­sprekelijk bevoorrecht boven engelen. De geschapen mens is weliswaar oorspronkelijk uit God, maar hij is door de gevallen schepping gegaan. Feitelijk bestaat de mens uit een geschapen geest uit de oerschepping, die gevallen is.

 

We kunnen ons natuurlijk nooit vergelijken met het eigenlijke oerwezen van God; maar in ons woont een onge­schapen, eeuwige geest uit God, en die kan in ons evenmin een beperking hebben als in het eigenlijke oerwezen van God Zelf, omdat wij daarmee één zijn. Kortom: we zijn feitelijk in ons wezen een levende ziel, waarin de Geest van de Schepper woont. Als je in jezelf hebt ingezien, dat je ziel met haar verstand en geest niet één en dezelfde zijn, die zal dan ook gemerkt hebben dat hij feitelijk met ziel en geest denken kan. De mens heeft een dubbele gesteldheid: één van het hoofd en één van het hart! Het verstand is koud berekend, maar in het hart rust de liefde van de Goddelijke Geest, die alles in zich heeft. Dat is de ongeschapen Geest of de Goddelijke vonk in de mens. Een ‘wedergeboren mens’ kan enorm veel weten. Jezus zei tegen Zijn leerlingen: Dat heeft niet jouw verstand maar je gewekte geest ingegeven. De geest schept alles in de mens schept en ordent; de ziel is als het ware een substantiële lichaam, zoals het stoffelijke lichaam een behuizing is voor de ziel. De ziel gaat meer en meer over in de geest en dus in het eigenlijke leven. Ziel en lichaam zijn niet één en dezelfde! De ziel is een geestelijk product uit de materie. In de materie heerst een geestelijk gericht, die wacht op haar bevrijding. Een zuivere geest kan nooit in het gericht zijn. Ieder mens heeft in hem een gedeelte geest uit God.

 

Wat is een ziel? Een geestelijk product uit de materie. De aarde is de draagster van tweeërlei soort mensen. De ene en betere soort stamt van oorsprong reeds van boven: kinderen van God. De andere en oorspronkelijk kwade soort stamt zuiver van deze aarde af. Hun ziel is in zekere zin een combinatie van afzonderlijke levensdeeltjes, die, terwijl ze van satan afgenomen zijn, in de massa van het aardelichaam als materie gevangen worden gehouden. Daaruit evolueren ze door de plantenwereld naar de dierenwereld, en werken zich door de vele niveaus van de dierenwereld tenslotte als een potentiële kracht, bestaande uit talloze oerzieldeeltjes, op tot een ziel van een werelds mens. Eerst uit mineralen en planten. Speciaal bij ongezegende verwekkingen verenigen zij zich in het lichaam van de vrouw, waarbij zij daarna net als de kinderen van het licht uit de geestelijke sfeer van de hemelen, op deze wereld geboren worden.

 

Omdat het gehele wezen van zulke kinderen uit satan genomen is, lopen zij altijd min of meer gevaar om door de een of andere boosaardige geest, dat wil zeggen door de zwarte ziel van een eens op deze aarde al lichamelijk geleefd hebbende duivel van een mens, bezeten te worden. Dat gebeurt vooral dan, als zo'n jonge uit de satanische aardedeeltjes gevormde ziel een goede en hemelse richting inslaat. Omdat daardoor een levensdeel zich losscheurt van de helse sfeer, veroorzaakt dat een onverdraaglijke pijn aan de gezamenlijke hel, en daarom stelt zij alles in het werk om zo'n verwonding te verhinderen.

 

De ziel van de mens is als de hoogst gepotentieerde vermenging van mineralen-, planten­ en dierenzielen; zij heeft geen herinnering aan haar vorige bestaansvormen, omdat de specifieke zielsdelen in de eerder ge­noemde drie rijken geen eigen en strikt afgezonderde intelligentie bezaten, maar ten behoeve van hun soort alleen een soort intelligentie, die aan het algemene goddelijke leven in de ruimte ontleend was. Weliswaar zijn in een mensenziel al die talloze specifieke voorintelligenties met elkaar verenigd, en dat leidt ertoe dat de menselijke ziel uit zichzelf alle dingen zeker kan herkennen en verstandig kan beoordelen, maar een specifieke herinnering aan de vroegere niveaus van bestaan is niet denkbaar of mogelijk, omdat in de menselijke ziel maar één mens ontstaan is uit de eindeloos vele afzonderlijke zielen. De ziel van de mens is een zuiver etherische substantie uit zeer veel lichtatomen of kleinst mogelijke deeltjes tot een volmaakte menselijke vorm samengesteld. De zuivere geest is een gedachte van God, die voortkomt uit Zijn liefde en wijsheid, en die tot een waar bestaan komt door Gods wil.

 

Omdat God echter in Zichzelf een vuur is uit Zijn liefde en wijsheid, is dat ook het geval met de in zekere zin uit God naar buiten getreden gedachte die in een zelfstandig bestaan wordt geplaatst. Zoals het vuur echter een kracht is, is zo'n gedachte uit God op zichzelf ook een kracht, die zich van zichzelf bewust is en die zelf in de dezelfde helderheid kan werken als waaruit hij voortgekomen is. Als zuivere kracht doordringt hij alles wat jij materie noemt, maar kan zelf door de materie niet doordrongen worden, omdat de materie verder niets anders is dan een uiterlijke uiting van de geest uit God. De ziel is in zekere zin materie die door de kracht van de geest weer is opgelost en die door die kracht genoodzaakt in de eigen oervorm van de geest overgaat, en daarna met haar geest verenigt als het ware diens lichtetherische -substantiële lichaam vormt. Ook de ziel vormt en ontwik­kelt, puur door de wilskracht van haar geest, haar toekomstige omhulling uit de haar omgevende materie van het lichaam, wanneer die totaal is vergaan en ontbonden.

 

Bij de verwekking van de mens wordt de ziel  uit de drie natuurrijken in het moederlijf gedreven, waarna ze haar chaotische specifieke samenstelling begint te ontwaren. De ziel is dus een mengsel van fijnstoffelijke oerdeeltjes die bij de gevallen schepping weer ontnomen werden. Materie is een specifieke geest, die als ziel in elk mensenwezen wedergeboren kan worden in de Goddelijke Geest. De in een lichaam wonende ziel is natuurlijk in het begin niet veel reiner dan het lichaam zelf, omdat zij afstamt van de onreine oerziel van de gevallen satan. Het lichaam is voor de nog onzuivere ziel eigenlijk niets anders dan een heel wijs en heel goed en doelmatig ingerichte zuiveringsmachine. Waar bevindt zich de ziel in het lichaam? De ziel doordringt het hele lichaam, zoals water alles doordringt. De ziel is het fijnstoffelijke in de mens. Wat is de ziel in de mens? Waar heeft zij haar zetel in het lichaam?

 

De ziel als geestelijke substantie is helemaal mens, zowel wat betreft gedaante alsook wat betreft alle ledematen en bestand­delen van het lichaam! En als dat niet zo zou zijn, kon zij ook niet van haar lichaam zo volmaakt mogelijk gebruik maken. De handen van de ziel bevinden zich in de handen van het lichaam, haar voeten in de voeten van het lichaam, en zo verder alle delen van de ziel in de overeenkomstige delen van het lichaam. Wordt het lichaam ergens ziek, dan is de ziel ook in de zieke lichaamsdelen aanwezig en spant zich erg in om deze weer gezond te maken. Lukt haar dat niet, dan wordt zij daarin passief en het gevolg daarvan is dat zo'n lichaamsdeel helemaal verlamd, vrijwel gevoel­loos en dus inactief schijnt te zijn. Dat is een goede en juiste leer van alle oude en ook nieuwe psychologen.

 

Bekend is van personen die hun handen of benen verloren hadden, het gevoel hadden, dat alles nog intact was. Omdat zij de pijn aan het etherische lichaam voelden (de ziel met haar fluïdum) bewijst dit uiteraard dat de ziel in zichzelf onsterfelijk is. De geest werkt op de ziel in en kan deze doordringen, de ziel kan echter nooit de grenzen van haar geest overschrijden maar ze moet er zijn om door de geest te worden doordrongen, terwijl de geest er niet is om door de ziel te worden doordrongen; maar de ziel kan door de geest worden opgenomen waardoor ze zelf geestelijk wordt. Natuurlijk heeft de ziel ook een lichaam, het is welis­waar etherisch, maar voor de ziel is dat lichaam net zo volmaakt als het vleselijke lichaam voor een stoffelijk mens. Het zielenlichaam heeft ook alles wat een vleselijk lichaam heeft.

 

Met je stoffelijke ogen zie je het weliswaar niet, maar ik kan alles zien, horen, voelen, ruiken en proeven. Want ook de ziel heeft dezelfde zintuigen die het lichaam heeft voor de communicatie tussen zichzelf en zijn ziel. Iedere wereldse zorg is een materiële band, waardoor een ziel zich vanuit het litteken van Adam verbindt met de materie! Hoe meer de ziel zich verbindt met de materie van haar vlees, des te meer moet de vorming van de eigenlijke geest van God in haar verkommeren. En hoe meer de ziel zich door haar zorgen verbindt met het lichaam, dat op zichzelf alleen maar een gericht, een ellendige noodzaak en tevens de dood zelf is, des te meer verliest zij het besef en de kennis van het eeuwige onvergankelijke leven in haar. Hoe meer zij deze band echter loslaat, des te vrijer wordt zij weer in alles. En hoe meer zij zich dan verbindt met de goddelijke geest in haar, des te levendiger en helderder zal haar bewustzijn en de kennis van het eeuwige leven in de ziel worden.

 

Ieder mens heeft een onsterfelijke ziel en in de ziel een geest die nog onsterfelijk is. En opdat de ziel, als geest die zich uit de materie ontwikkelt, volledig één wordt met de oergeest van God, die 'liefde' heet, moet al het streven van de ziel erop gericht zijn, dat zij zich ten eerste losmaakt van de materie en van alle eisen die deze stelt, en dat zij al haar inspanningen, al haar doen en laten enkel naar het zuiver geestelijke richt; ten tweede moet het voortdurend haar enige zorg zijn, dat zij één wordt met de in haar rustende geest van Gods zuivere liefde, omdat God Zelf van oorsprong in Zijn oerwezen de aller-zuiverste Liefde is.

 

De deelbaarheid van de ziel

De ziel is het opname orgaan voor de eindeloos vele ideeën van de oergrond, waaruit ze als een ademtocht voortgekomen is. Ze is de draagster van de ideeën, vormen, verhoudingen en handelwij­zen. Deze zijn alle in de kleinste omhullingen in haar neergelegd. Een juiste hoeveelheid van dit alles in één wezen samengevat vormt een volkomen mensenziel. Omdat de ziel echter een compen­dium van een buitengewoon grote hoeveelheid verschillende substan­tiële intelligentiedeeltjes is, kan ze, omdat ze is samengesteld, ook weer in al haar deeltjes verdeeld worden zoals de lucht, die weliswaar een geheel vormt en vertoond, maar toch in staat is zich oneindig te de­len. Zo'n deling van de ziel vond ook plaats bij de schepping van het eerste mensenpaar, toen uit één ziel twee ontstonden.

 

Want er wordt niet gezegd dat de Schepper ook Eva een levende adem in haar neusgaten blies, maar Eva kwam met lijf en ziel uit Adam voort; en in deze tweede ziel werd ook een onsterfelijke geest gelegd en zo kwamen uit één mens en uit één ziel twee en waren toch één vlees en één ziel. Zo' n deling van de ziel kan men ook bij kinderen en ouders gemakkelijk herkennen; want dat de ziel van de kinderen ook gedeeltelijk uit de ziel van de ouders is genomen, bewijst de fysiognomische gelijkenis van de kinderen met de ouders. Wat daarin vreemdsoortig is, blijft vreemdsoortig en lijkt fysiognomisch niet op de verwekkers. Wat echter van deze afkomstig is, dat is duidelijk te zien aan de gelijkenis met de ouders en de ouders herkennen hun kinderen hierdoor.

 

Kijk, de mens is helemaal naar Gods evenbeeld geschapen, en wie zichzelf volkomen wil kennen moet zich realiseren dat hij als een en dezelfde mens in feite ook uit drie persoonlijkheden bestaat! Je hebt ten eerste een lichaam, voorzien van alle noodzakelijke zintuigen en andere lichaamsdelen, van zeer groot tot nauwelijks voorstelbaar klein, die voor een vrij en zelfstandig leven nodig zijn. Dit lichaam heeft ten behoeve van de ontwikkeling van de geestelijke ziel een heel eigen natuurlijk leven in zich, dat zich van het geestelijke zielenleven in alle opzichten onderscheidt. Het lichaam leeft van materiële voeding, waaruit het bloed en de andere voedingssappen voor de verschillende onderdelen van het lichaam ge­vormd worden. Het hart heeft een speciaal voor zichzelf levend mechanisme in zich, waardoor het voortdurend moet uitzetten en dan weer samentrekken, daardoor wordt het bloed, dat het lichaam doet leven, met de andere daaruit ontstane sappen naar alle lichaamsdelen gepompt.

 

En door de samentrekkende beweging neemt het hart het bloed ook weer in zich op, om het met nieuwe voedingsstoffen te verzadigen en het vervolgens opnieuw naar buiten te pompen, om er de meest uiteenlopende lichaams­delen mee te voeden. In deze ontelbaar vele en meest uiteenlopende onderdelen van het lichaam wonen even zovele verschillende natuurgees­ten die de stoffen, die aan hen beantwoorden en die nodig zijn voor de voeding en instandhouding van het door een dergelijke geest beheerste lichaamsdeel, uit het bloed halen en ze vervolgens opnemen in de lichaams­delen die door hen, dat wil zeggen door de geesten zelfbeheerst worden; zo maken ze het hele lichaam krachtiger en sterker, en zonder deze voortdurende eigen activiteit van het hart zou de mens wat zijn lichaam aangaat geen uur lang leven.

 

Kijk, met deze levensactiviteit heeft de ziel helemaal niets te maken; want die werkzaamheid houdt geen verband met de vrije wil van de ziel, evenmin als met de eigen werkzaamheid van de longen, de lever, de milt, de maag, de darmen, de nieren en zo nog ontelbaar veel andere delen van haar lichaam; de ziel kent deze helemaal niet en ze kan daar dan ook geen zorg voor dragen. Desondanks is het lichaam als geheel aparte persoonlijk­heid een en dezelfde mens, en doet en handelt alsof beide geheel dezelfde persoonlijkheid zijn! Maar wie van jullie kan dan zeggen dat lichaam en ziel één enkel ding zijn! Beschouwen we nu echter de ziel zelf, dan zullen we zien dat ook zij op zichzelf een geheel volkomen mens is, die substantieel geestelijk eveneens in zichzelf en ten behoeve van zichzelf precies dezelfde onder­delen heeft als het lichaam en deze in hoger, geestelijk opzicht ook net zo gebruikt als het lichaam zijn materiële onderdelen.

 

Alhoewel nu het lichaam enerzijds en de ziel anderzijds twee heel verschillende mensen of personen voorstellen, van wie elk van beide op zichzelf zijn volkomen individuele werkzaamheid bezit, kunnen ze zich uiteindelijk over het hoe en waarom van die werkzaamheid niet eens rekenschap geven en zijn ze in het licht van het eigenlijke doel van het leven niettemin slechts één mens; zodoende kan niemand van zichzelf noch van iemand anders beweren, dat hij niet een individu, maar een tweeledig mens is. Want het lichaam moet de ziel dienen, en deze met haar verstand en wil weer het lichaam, en zodoende is de ziel even verantwoordelijk voor de handelingen, waarvoor ze het lichaam gebruikt heeft, als voor haar hoogst eigen handelingen, die bestaan uit allerlei gedachten, wensen, verlangens en begeerten.

 

Wanneer wij echter het leven van de ziel als zodanig nog nader beschouwen, zullen we al gauw ontdekken dat zij ook een substantieel lichamelijk wezen is, dat op zichzelf niet veel hoger staat dan in het gunstigste geval de ziel van bijvoorbeeld een aap. Ze bezit weliswaar een instinctmatig denkvermogen van een wat hoger niveau dan een gewoon dier, maar van een verstand en een hogere vrije beoordeling van de dingen en hun onderlinge verband zou echter nooit sprake kunnen zijn. Dit hogere vermogen in de ziel, dat eigenlijk het hoogste is, en aan God gelijk, komt voort uit een zuiver essentiële, geestelijke, derde mens, die in de ziel woont. Door hem kan zij het ware van het valse en goed van kwaad onderscheiden, en kan ze vrijuit in alle voorstelbare richtingen denken en volkomen vrij willen; al naar gelang ze zich met haar vrije wil, ondersteund door de geest, op het zuiver ware en goede richt, maakt ze zichzelf langzamerhand volkomen gelijk aan de geest die in haar Woont, dus sterk, machtig en wijs, en is dan als in de geest wedergeboren identiek daarmee.

 

Als dat het geval is, is de ziel zo goed als één wezen met haar geest, zoals ook de edeler lichaamsdelen van een volmaakte ziel -die eigenlijk bestaan uit de zeer verschillende natuurgeesten in het lichaam -helemaal overgaan in het geestelijk substantiële lichaam, watje het vlees van de ziel kunt noemen, en gaat uiteindelijk ook over in het essentiële lichaam van de geest; waaronder de ware opstanding van het vlees verstaan moet worden op de jongste, meest ware levensdag van de ziel, die aanbreekt wanneer een mens volkomen in de geest wordt wedergeboren, hetzij reeds hier in dit leven of, wat iets meer moeite en tijd kost, aan gene zijde. Hoewel echter een volledig in de geest wedergeboren mens maar één volmaakt mens is, bestaat zijn wezen niettemin eeuwig uit een in zichzelf goed te onderscheiden drie-eenheid.

 

De geest is het eigenlijke in de schepping.

De ziel zal zich steeds zo tot de geest verhouden als het aardse lichaam tot de ziel. Het lichaam van een ziel, al is die nog zo volmaakt, heeft in zekere zin ook een eigen wil om te genieten, waardoor de ziel bedorven kan worden als zij daarop ingaat. Een juist opgevoede ziel zal echter nooit ingaan op de vraatzucht van het lichaam en steeds de baas over haar lichaam blijven; maar bij een verkeerd opgevoede ziel is dat heel goed mogelijk. Toch bestaat er tussen ziel en geest alleen maar dezelfde verhouding als tussen een oervolmaakte ziel en haar lichaam. Het lichaam kan zelf begeerten hebben zoveel het maar wil en met al zijn stekels, die vaak zeer scherp zijn, de ziel prikkelen om daaraan te voldoen en deze te bevredigen, maar dan zegt de volmaakte ziel daar toch altijd met succes nee tegen! En precies hetzelfde doet Mijn geest in de ziel waarin hij helemaal is overgegaan!

 

Zolang de ziel helemaal opgaat in de wil van de geest, zo lang gebeurt alles precies volgens de wil van de geest, die ook Mijn wil is; maar wanneer de ziel echter, door herinneringen van vroeger, wat meer bezig is met zinnelijke dingen, dan treedt op zulke momenten de geest terug en laat de ziel alleen over aan de uitvoering van haar wens, waarvan meestal niets terecht komt, vooral als de uitvoering daarvan zeer weinig of vaak ook helemaal niets geestelijks ten doel heeft. De ziel, die weldra haar egoïstische zwakheid en onhandigheid bemerkt, laat dan ook al gauw haar op eigen lust gerichte dromen varen, verenigt zich weer heel innig met de geest en laat diens wil overheersen. Dan is er natuurlijk weer orde en kracht en macht in overvloed."

 

Opdat het geestelijk bestaan met voortdurend zeer sterk gebonden blijft aan en in de oergeest van de eeuwige en oneindige Godheid, heeft de Godheid Zelf de materie geplaatst tussen Zichzelf en de geest die mens moet worden, opdat de oorspronkelijk goddelijke mensengeest, als hij een godgelijke zelfstandigheid wil bereiken, uit de meer etherische delen van de ziel een op hemzelf gelijkend wezen maakt, het met een substantiële, maar toch ook geestelijk intelligente ziel tot leven brengt, en deze ziel dan ongemerkt verder ontwikkelt in de grootst mogelijke vrijheid van haar wil. En wanneer deze ziel dan in alle goede kennis en de werkzaamheid die het gevolg daarvan is, zo zeer is gegroeid, dat zij op haar oergoddelijke geest is gaan lijken, -hoofdzakelijk door de ware kennis van de enig ware, eeuwige God, in de liefde tot Hem en daardoor ook tot de naaste -en daarbij vol deemoed, geduld en bescheidenheid is, dan vindt er een voor alle eeuwigheden onscheidbare eenwording plaats van de ziel met haar oereeuwige geest.

 

Het lichaam is het huis van de ziel en de geest in haar is door God daar­aan toegevoegd opdat die de ziel onderwijst en wekt in alles wat geestelijk is, en het haar ook mogelijk maakt, ermee in contact te treden. Maar hoe kan de geest dat doen, als de ziel in het volledige bezit van haar vrije wil zich meestal buiten het huis bevindt en zich verkwikt en laaft aan het wereldse licht? Daardoor wordt ze zo verblind en verdoofd, dat ze dan niets meer ziet en gewaarwordt van wat er in haar huis gebeurt. Wie Mij niet net als jij heel jaloers liefheeft en Mij in zijn hart niet bijna zonder mededinging alleen wil bezitten, die bezit nog geen echte liefde tot Mij! Als hij die niet heeft, dan bezit hij ook niet de volheid des levens; want in de mens ben Ik het werkelijke leven door de liefde tot Mij in zijn ziel, en deze liefde is Mijn geest in iedere mens.

 

Wie dus de liefde tot Mij opwekt, die wekt zijn door Mij aan hem gegeven geest, en omdat Ik Zelf deze geest ben en moet zijn, omdat er in eeuwigheid geen andere levensgeest buiten Mij bestaat, wekt hij daardoor dus Mij Zelf in hem en is daardoor in het eeuwige leven helemaal ingeboren en kan dan voortaan in der eeuwigheid nooit sterven en nooit vernietigd worden -ook niet door Mijn almacht, omdat hij een is met Mij. Ik kan Mij Zelf ook niet vernietigen omdat Mijn oneindige bestaan zich in der eeuwigheid nooit in het niet-bestaan kan veranderen. Denk daarom dus niet dat jouw liefde tot Mij dom is, maar zij is juist zoals zij zijn moet! Volhard daarin, dan zul je eeuwig geen dood voelen of smaken!" Maar in de ziel woont al de zuivere vonk van de Geest van God, waaruit de ware zelfkennis en de goddelijke orde zich kenbaar maken door de stem van het geweten. De geestelijke levensvonk van God is vooral sterk en godgelijkend aanwezig in de mens; daarom is hij dan ook met rede is begaafd en verstandig kan worden, een taal heeft en aanvankelijk een vermoeden kan hebben van God als zijn Schepper en Hem later steeds zuiverder kan leren kennen en liefhebben, en zijn eigen wil volledig ondergeschikt kan maken aan het erkende goddelijke.

 

De levende geest in de mens is Mijn eeuwige liefde en wijsheid, die alles schept, ordent en in stand houdt; en deze geest is eigenlijk de ware en in zich­zelf reeds eeuwige mens in de mens, die om zelfstandig te kunnen worden, zichzelf echter volgens Mijn eeuwige orde in hem pas mettertijd met een ziel en een lichaam bekleedt en zo een uiterlijk waarneembare vorm aanneemt. Deze geest rust weliswaar in het binnenste centrum van jullie ziel, maar hij is daar nog helemaal geïsoleerd van de algemene geest, omdat hij door jullie te geringe liefde tot God ook een veel te geringe voeding krijgt. Daardoor kan de geest zich niet in de ziel uitbreiden en haar doordringen en zich zo door jullie hele wezen uitbreiden, dat wil zeggen niet ruimtelijk, maar in de sfeer van de wil, die in hem evengoed aanwezig is als in God Zelf, door Wie hij als een onverwoestbaar levensvonkje in het hart van de ziel werd gelegd.

 

De geest uit God woont in het binnenste centrum van onze ziel; daar is het nog gescheiden van de algemene Goddelijke Geest, omdat hij door de te geringe liefde tot God te weinig voeding heeft - de ziel wil zelf haar wil volledig ondergeschikt maken aan de erkende wil van God en laat zich vrijwillig helemaal door hem beheersen. Is het zo, dat een ziel zich als het ware van buiten af door de herkende en nauwkeurig opgevolgde wil van God tot in haar binnenste laat door­dringen, dan wekt deze de geest uit God, die in het binnenste van de ziel rust en sluimert. Deze verenigt zich dan terstond met de aan hem gelijke wilsgeest, die de hele ziel doordrongen heeft en die de eigenlijke geest van God is, en is dan in alles één met hem, zoals God dat - maar dan in een veel hogere graad -ook is en blijft, als het ware zoals het ene oog één is met het andere, hoewel bij een mens ook het ene oog altijd scherper en gemakkelijker ziet dan het andere.

 

De geest echter van wie Ik zeg dat hij jullie geest is, is ook Mijn geest in jullie en deze kent alle dingen en verhoudingen zoals Ikzelf en kan jullie alle wijsheid binnenleiden. Maar nu is hij in jullie nog niet gewekt en volledig werkzaam, dat wil zeggen, dat hij weliswaar op zichzelf wel wakker en werkzaam is, maar zijn waken en werken is voor jullie, ofschoon het voor jullie bestemd is, nog als iets vreemds en iets wat je nog niet eigen is, omdat jullie ziel nog niet zuiver genoeg is om zich volledig met Mijn geest te verenigen. In de geest ofwel de eeuwige essentie woont de liefde, als de alles tot stand brengende kracht, de hoogste intelligentie en levende vaste wil; dat alles bij elkaar brengt de substantie van de ziel voort en geeft haar de vorm ofwel het wezen van het lichaam.

 

Als de ziel of de mens er dus eenmaal is, overeenkomstig de wil en de intelligentie van de geest, trekt de geest zich diep in het centrum terug en geeft de nu bestaande ziel volgens zijn diepste innerlijke wil en intelligentie aan een als van hem gescheiden vrije wil en een vrije als het ware zelfstandige intelligentie; en de ziel kan dan deels door uiterlijke waarne­mingszintuigen en deels door een innerlijk opnemingsvermogen zich deze zo toe-eigenen en vervolmaken als zou deze volkomen vrije intelligentie haar eigen werk zijn. Ten gevolge van deze noodzakelijkerwijs zo gevormde toestand, waarin ze zich als het ware gescheiden voelt van haar geest, is de ziel in staat om zowel een uiterlijke als een innerlijke openbaring te ontvangen. Als ze die ontvangt, aanneemt en ernaar handelt, begint ze daardoor ook één te worden met haar geest en gaat daardoor dan ook steeds meer in de onbeperkte vrijheid van de geest over, zowel ten aanzien van de intelli­gentie en de wilsvrijheid overeenkomstig die lichtende intelligentie, alsook in de kracht en de macht om alles te kunnen bewerkstelligen wat ze erkent en wil.

 

Elk mens die hier wordt geboren, krijgt een geest uit Mij en kan ontegenzeggelijk volgens de voorgeschreven ordening het volko­men kindschap van God verkrijgen. Op de andere hemellichamen echter krijgen de mensen geesten van de engelen. Want elke engel is een kind Gods en moet op deze aarde net zoals Ikzelf en zoals elke aartsengel, de weg van het vlees doormaken, waardoor hij dan ook de scheppende kracht in zich heeft, die hij uit de overvloed van zijn liefde en licht kan nemen en dan in de nieuw wordende mensen van andere planeten kan leggen en waardoor hij op deze manier als een God kinderen kan verwekken, die zijn naam dragen. Deze kinderen zijn derhalve slechts secundaire kinderen en geen werkelijke kinderen uit God, maar ze kunnen wel, op de weg van een nieuwe incarnatie op deze aarde, tot het kindschap van God komen. De geest in de mens is een God in de kleinste maat, daar volledig uit het hart van God – de geest is niet deelbaar, maar waar hij in een grote of kleine ziel gelegd werd, daar blijft hij ook een eenheid.

 

Nadat de geest in het hart van de ziel is gelegd, welke handeling bij sommige kinderen vroeger, bij anderen weer later gebeurt, vaak ook drie dagen voor de geboorte, komt het lichaam sneller tot rijpheid en de geboorte kan plaats vinden. In deze tijd moet de moeder zich in het bijzonder van alle begeerten en prikkels onthouden, want die zijn meestal van de hel afkomstig, en overal waar de moeder zich in een dergelijke geprikkel­de toestand dan bezeert, daar wordt als tegenovergestelde pool de in de ziel gelegde geest geprikkeld en dit tekent de ziel op de overeen­komstige plaats. Deze tekening van de ziel drukt zich dan ook op het lichaam af, daar komen bij kinderen de zogenaamde moedervlekken vandaan. Dat zo'n teken slechts plaatselijk is en maar een heel kleine plek en niet op de hele ziel en daarna op het hele lichaam inwerkt, dat bewerken de geesten. Zou dat niet het geval zijn, dan kon door zo'n onvoorzichtige aanraking en de daarop volgende algehele brandmer­king van de hel de hele ziel bedorven worden en kon daarop de dood van het lichaam volgen en dat is juist de bedoeling van de hel.

 

Daarom moet iedereen zich enigszins in acht nemen voor dergelijke mensen die veel en grote moedervlekken op hun lichaam hebben zoals hierboven beschreven werd. Want niet zelden worden de specifica van de hel meer of minder in zo'n wezen gewekt en zijn ze eenmaal gewekt dan is zo'n individu, dat veel van dergelijke grote tekenen op zijn lichaam draagt, niet zelden op een of andere ma­nier boosaardig. Of zulke mensen geloven dan niets of ze zijn aan on­tucht overgeleverd of hebben een slechte reputatie en de volgende waarschuwing geldt hier: "Neem je in acht voor de getekenden!" Want de hel tekent alles wat ze geeft, zodat het haar niet kan worden afgenomen, opdat ze hetgeen haar toebehoort weer na afloop van de vastgestelde tijd herkent om het rechtens terug te nemen. En zoals een mensenziel uit vele volkszielen samengevoegd wordt, zo gaat het ook met haar bijbehorende geest, die de eigenlijke opwekker, verdere begeleider, ontwikkelaar en instandhou­der van de zielen is tot aan de menselijke ziel toe, die daarna pas volledig haar sfeer van vrijheid binnentreedt en in staat is zichzelf in moreelopzicht verder te ontwikkelen.

 

Pas wanneer de ziel zich door zichzelf tot een bepaalde graad van geeste­lijke volmaaktheid heeft verheven, verenigt zich haar licht­ en liefdesgeest van gene zijde met haar, en vanaf dat moment begint de mens in alles steeds meer op God te lijken; en als het lichaam dan van de ziel wordt weggenomen, is ze al een geheel op God gelijkend wezen en kan ze vanuit zichzelf alles tot bestaan roepen en ook door haar wijsheid in stand houden. Als de geest in je ontwaakt, zul je zijn stem waarnemen als heldere gedachten in je hart. Daar moet je goed naar luisteren en je in je gehele levenssfeer naar richten, dan zul je daardoor je eigen geest een steeds groter werkgebied verschaffen; zo zal de geest in je groeien tot de grootte van een man en je gehele ziel doordringen en daardoor je gehele materiële wezen. De geest in de mens is uit God, en als die heer is geworden in de mens, leert hij de ziel in een uur veel meer dan je op aarde zelfs van de meest wijze leraren in duizend jaar zou kunnen leren.

Samenvattend

De ziel is een vrij geworden gelouterd geestelijk product uit de materie. Materie is echter gerichte geest. De ziel bestaat uit zieledelen of oer zielsdelen die ontnomen zijn uit de gevallen satan. De ziel bezit zeker een bepaalde intelligentie, maar dat is niet identiek met de geest zelf – de geest in de mens is een kleinste partikel, een geestelijk vonkje uit het hart van de Schepper – zodat we continue door Hem omgeven zijn. Onze opgave is aan dit vonkje gehoor te geven en zo heerser over ons te maken. Eerst, als dat gelukt is, ben je wedergeboren.

www.zelfbeschouwing.info