Maan niet op toekomst gericht

 

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer]:  Zoals de Aarde haar Maan op een afstand houdt, zo verhouden de ‘Maanbewoners’ zich tot de Aardebewoners. Sommige mensen kunnen bij volle Maan enkele Maankraters met het blote oog wel zien. Met een verrekijker of telelens zijn zulke kraters uitstekend zichtbaar. De kraters hebben de functie om het magnetische fluïdum voor de Aarde in balans te houden. De Maan heeft een onregelmatige omloop en haar baan kent afwijkingen. Dat is de reden waarom wij steeds maar één kant van de Maan zien. Er bevindt zich wel water, lucht en ijs op de Maan, maar slechts op de achterkant van de Maan, die wij nooit kunnen zien.

 

Op de armzalige Maan (zichtbaar voor ons oog) met haar diepe kraters, bevindt zich nog minimale lucht die nooit ontsnappen kan. Als het bij ons volle Maan is, dan is het op de achterkant daar nacht. De Maan beweegt zich langzaam om de Aarde. Toen de astronauten grondmonsters deden en tien centimeter in de grond boorden, troffen zij wel vocht aan. Daarna hielden zij het stilzwijgen. Zij zagen de Aarde als een blauwe mooie globehuls en liepen op dat deel van de Maan, waar geen menselijk wezen ooit kan leven en waar ook geen zuurstof, water, ijs noch enige vorm van zuurstofrijke lucht is. Ook zijn er geen wolken te bekennen.

 

De hemellucht moet er inktzwart zijn. Er waaien daar geen winden, kortom, het is doodstil op de zichtbare [voor]-Maankant. (de vraag op welke kant zij water gevonden hebben is mij nog niet duidelijk!) De voetstappen van de Astronauten bleven achter als een stil tijdelijk teken op het mulle fijnstoffige Maanzand. Hoe schijnbaar stil het daar ook mag zijn, er is volgens Lorber toch wel een beperkte vorm van leven op die Maankant die wij met het blote oog niet kunnen aanschouwen [aan de achterkant!]. Hoewel daar geen materiewezens leven, leven daar wel Maanwezens als geesten in een beperkte levenssfeer, zodat zij de Maan zelf niet kunnen zien noch fysiek kunnen voelen. De Maangeesten beleven hun Maansfeer uitsluitend geestelijk. Aan de achterzijde van de Maan is het echter geheel anders gesteld.

 

Op de ene Maankant is het veertien dagen licht, terwijl het op de andere Maanzijde veertien dagen donker is. Zouden de astronauten op de andere Maankant beland zijn, dan hadden zij mogelijk wel atmosferische zuurstof gemeten. Op de achterkant van de Maan kan het verschrikkelijk sneeuwen. Er zijn meren en rivieren en het kan daar enorm koud of heet zijn. De Maanwezens die op de achterkant van de Maan wonen zijn maar zestig centimeter groot; dit is te vergelijken met de dwergen of de kobolden in het noorden van Noorwegen. Zij hebben een dubbele maag en gebruiken die als een soort airco bij koud of heet weer. Het schaap is daar het hoofddier, hij is dertig cm groot en heeft een scherpe hoorn op zijn kop en wordt wel 150 maanden oud. Hij bereikt een leeftijd van twaalf tot dertien jaar.

 

Jakob Lorber schrijft, dat de Maan niet tot de toekomst behoort, maar deze duidt op datgene, wat tot het verleden behoort. In de Maan ligt geestelijk gezien de samenvatting van alle begrenzingen en huidige belemmeringen om de ziel van kracht te voorzien. Om deze reden wordt de Maan de ‘gevangenis van de ziel’ genoemd. De Maan die eens uit onze aardbol werd geboren, hangt nog steeds nauw samen met ons aardse bestel. De Maan beheerst het etherische gebied tussen de Aarde en haarzelf. Er is meer tussen Hemel en Aarde. Jakob Lorber beschrijft in het boek ´Aarde en Maan´ duidelijk de natuurlijke Maanwereld, de orde met haar verschillen in de gesteldheden van beide Maanhelften en levensvoorwaarden.

www.zelfbeschouwing.info