Zaad, zaaien en gelijkenis van de zaaier

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer]: De zaadkorrels betekenen de zielvormings- en ontwikkelingsmogelijkheden van de daaruit groeiende boom tot in de kleinste finesses. Delange ontwikkeling van zaadkorrel tot boom en nog dat lange wachte op de rijpe vrucht, is een noodzakelijkheid voor de zielerijping.(GJE 1-43-3) - Als de mens overvloed heeft in zaad (sperma) dan zal de mens, die hierdoor bevrucht wordt, onbeheerst en onmatig zijn, kwetsbaar en overdadig. bron:Oorz. & Behand. 2 - Dat sommige mensen aan bepaalde ziektes lijden, komt vanwege het verbrandingsproces, die in overmaat in hen aanwezig is.

 

Want als de mens in het paradijs gebleven was, dan zou hij de verbrandingsstoffen, waaruit vele kwalen voortkomen, niet in zijn lichaam hebben; maar zijn lichaam zou onaangetast zijn en zonder micro-organismen. Omdat hij echter toestemde in het kwaad en het goede naliet, werd hij gelijkaardig aan de aarde die zowel goede en nuttige als slechte en onnuttige kruiden voortbrengt en die ook een goede en een slechte vochtigheid en sap in zich heeft. Want door het proeven van de appel is het bloed van de zonen van Adam veranderd in het gif van het zaad, waarmee de kinderen van de mensen worden voortgebracht. Daarom is hun vlees aangetast en doorboord. Causae et Curae - Zoals iemand zaait, zo zal hij ook oogsten; wie zuinig zaait, zal ook zuinig oogsten, wie echter rijkelijk zaait, zal ook rijkelijk oogsten. (GJE 1-32-11) - ††

 

Een zaaier ging eens een goed en gezond gewas zaaien (Matth.13:3). En terwijl hij zaaide, viel er een deel op de weg; toen kwamen de vogels en pikten het op. (Matth.13:4) - Een deel viel op rotsachtige grond waar niet veel aarde lag, en het schoot daarom snel op, omdat er weinig drukkende aarde op lag; (Matth.13:5) maar toen de zon opkwam en fel begon te schijnen, verwelkte de in de koele en vochtige nacht opgeschoten kiem al gauw omdat hij geen wortels had, en verdorde. (Matth.13:6) Een deel viel tussen de dorens, en deze groeiden veel breder Uit dan het gewas en verstikten het. (Matth.13:7) En een deel viel tenslotte op goede grond en droeg vruchten, een deel honderdvoudig, een deel zestigvoudig en een deel dertigvoudig. (Matth.13:8) Wie oren heeft om te horen, die hore. (Matth. 13:9)

 

Maar Ik zeg tegen de leerlingen: 'Waar heb je het over en waarom storen jullie Mij?! Ik weet heus wel, waarom Ik tegen dit volk in gelijkenissen spreek die het niet begrijpen moet! Het is aan jullie gegeven om het Rijk Gods te begrijpen; maar aan hen is het niet gegeven (Matth.13:11); want weet wel, dat het zo is: Wie heeft, zoals jullie, daaraan wordt gegeven zodat hij dan in overvloed heeft; maar wie niet heeft, daar wordt ook nog van afgenomen wat hij heeft! (Matth.13:12) Daarom spreek Ik als Heer tegen hen in gelijkenissen; want met ziende ogen zien zij niets, en met horende oren horen zij niets; want ze begrijpen het niet! (Matth.13:13)

 

Wat deed Ik hier, en wie denken ze dat Ik ben? Zij zijn allemaal blind en doof. Hun evenbeeld heb je gisteren gezien aan de blinde en tevens stomme man die Ik heb genezen. Zoals hij lichamelijk was, zo zijn zij geestelijk, en Ik spreek tegen hen in gelijkenissen opdat de voorspelling van Jesaja door hen vervuld wordt, die zo luidt: 'Met de oren zult u het horen en toch niet begrijpen, en met ziende ogen zult u het zien en daarbij toch niets verstaan! (Matth.13:14) - Maar zalig zijn jullie ogen, die dat zien, en jullie oren, die dat horen! (Matth.13:16) Want voorwaar, Ik zeg jullie: Vele profeten en rechtvaardigen hebben gewenst om datgene te zien en te horen, wat jullie zien en horen, en hebben het toch niet gezien en gehoord! (Matth. 13:17) - GJE-[191-4,6,9]

 

Als iemand de woorden over het Rijk van God die Ik uitspreek, wel hoort, maar in zijn hart niet begrijpt, omdat dat hart van pure wereldgelijkvormigheid net zo platgetreden is als een weg, dan ziet de boze maar al te snel het niet in de aarde gevallen, maar op de vast gestampte, wereldse gladde buitenkant van het hart blootliggende woord, en pakt met gemak weg wat eigenlijk in het hart gezaaid is maar toch aan de werelds gladde buitenkant bleef plakken; en zo'n mens lijkt dan op de weg waarop het zaad, of wel Mijn woord, viel. (Matth.13:19) En daar aan de oever staan er veel van deze soort! (Matth. 13:18)

 

Het zaad dat op de rotsgrond viel, betekent het volgende: Een mens hoort het woord en aanvaardt het met veel vreugde. (Matth.13:20) Maar omdat zo iemand net als een steen te weinig levensvocht, waarvoor een moedig hart alleen borg staat, en ook te weinig grond, ofwel vaste wil, in en boven zich heeft en daarom ook net als een steen afhankelijk is van het weer om vochtig of droog te zijn, en dus met het weer meedraait, ergert hij zich erg en wordt kwaad als hij allerlei ellende en vervolging ter wille van Mijn woord moet ondergaan (Matth. 13:21) en lijkt daarom juist op een door de zon verhitte steen, waarop Mijn woord natuurlijk geen wortels kan krijgen en tenslotte helemaal verdorren moet.

 

En kijk, daar aan de oever staan veel van zulke stenen, die nu ter wille van Mij erg kwaad zijn op de slechte FarizeeŽn. Ze zien nu echter tijdens Mijn aan hen gerichte woorden, dat zich boven hun hoofden allerlei ellende en vervolging samenpakt. Door te veel ergernis enerzijds en te veel vrees anderzijds doden ze nu Mijn woord in hun hart, want ondanks alle tekens die zij hebben gezien, en ondanks al Mijn uitdrukkelijke verzekeringen geloven zij toch niet dat Ik voldoende machtig ben om ze te beschermen tegen al het kwade. Op deze manier lijken ze op de steen waarop het zaad viel.

 

Het zaad, dat tussen de dorens viel, betekent: Dat een mens het woord hoort en ook aanvaardt, maar daarbij bezig is met allerlei wereldse zaken en de daarbij behorende zorgen, of met bedrieglijke winsten of de nog bedrieglijker rijkdom. Zulke ijdele zorgen hopen zich van dag tot dag op, tieren net als alle onkruid welig in het hart voort en verstikken maar al te makkelijk en te snel Mijn gezaaide woord. (Matth. 13:22)

 

En kijk, weer staan er daar aan de oever velen die lijken op de dorens, waartussen het zaad viel! Het in de goede aarde gezaaide zaad betekent echter: Dat een mens Mijn woord hoort en het opneemt in de grond van zijn hart, waar het altijd en immer helemaal juist en levend begrepen wordt; zo'n mens lijkt dan op een goede grond waarin het zaad valt en afhankelijk van de wil en de kracht van de mens gemakkelijk honderdvoudige, of zestig voudige of dertigvoudige vrucht opbrengt aan goede werken. (Matth. 13:23) en daarbij betekent honderdvoudig dat hij alles voor Mij doet, en zestig voudig dat hij veel voor Mij doet, en dertigvoudig dat hij behoorlijk wat voor Mij doet.

 

Er zijn dan ook drie hemelen in Mijn rijk: de bovenste voor de honderdvoudige vrucht, daaronder die voor de zestigvoudige vrucht en de onderste voor de dertigvoudige vrucht. Minder dan dertigvoudig telt niet mee, en wie minder dan dertigvoudig heeft, raakt het kwijt aan degenen, die dertig, zestig en honderdvoudige vrucht hebben. Zo wordt dus genomen van degene, die niet heeft, en toegevoegd bij degene, die reeds heeft, opdat hij dan overvloedig heeft! En zie, daar aan de oever staan er velen van wie het nu al genomen is, en het is aan jullie gegeven terwijl je toch al veel hebt, terwijl zij te weinig of niets hebben!

 

Als iemand een akker heeft, die hem veel vruchten opbrengt, omdat de grond goed is, maar ook een akker heeft, die ondanks alle bemesting slecht blijft en nauwelijks meer vruchten oplevert dan wat er op gezaaid wordt, ‑dan vraag je je af: Wat zal de eigenaar doen? Wel, hij zal de geringe opbrengst van de slechte akker nemen en bij de goede en rijkelijke vrucht van de goede akker doen en hij zal het jaar daarop niet meer zaaien op de slechte akker, maar alles zaaien op de goede akker! Die zal dan de volle oogst geven, maar de slechte wordt overgelaten aan het onkruid, de distels en de dorens. Zo pakt een verstandige heer des huizes dat aan; moet de Vader in de hemel soms onverstandiger handelen dan een verstandig mens op deze vergankelijke aarde? Denk daarom niet in je hart dat de Vader in de hemel onrechtvaardig zou kunnen zijn!

 

Als je weet dat men alleen bij diegene raad vraagt, die enige wijsheid heeft, en zich gauw afwendt van iemand die al snel laat blijken dat hij slechts een praatjesmaker is, dan is de vraag: ‑doet men onrecht, als men het geloof in de praatjesmaker opgeeft en het overdraagt op de echte wijze, die toch al van alle kanten vertrouwen in overvloed geniet?

 

Of doen jullie, als Mijn leerlingen, onrecht, als je Mij volgt en tempel en FarizeeŽn en alle schriftgeleerden verlaat, en daardoor het laatste vonkje vertrouwen dat je in hen had, bij hen wegneemt en het aan Mij geeft, terwijl Ik door Mijn daden en woorden toch al zoveel vertrouwen bezit?! Ik denk, dat het jullie nu wel duidelijk is dat er absoluut geen onrecht gebeurt als, zoals Ik jullie vertelde, eenmaal van degene die niet heeft volgens dat getal dat Ik noemde, ook dat wat hij heeft wordt afgenomen.

 

Ik spreek echter alleen maar over het geestelijke en niet over de materie, want het zou wel onrechtvaardig zijn als men bij de weinig bezittende het kleine bezit weg zou nemen en het aan een rijke zou geven, wiens voorraadschuren en kamers toch al te vol zijn. Daarom betreft alles waarover Ik nu spreek, alleen maar het geestelijke en niet de materie, waarvoor slechts een dwingende en harde wet kan en mag gelden tot de tijd van haar eens komende ontbinding. Is dit nu duidelijk?' Allen antwoorden: ' Ja, Heer en Meester; want Uw wijsheid gaat boven al onze nog zo hoge en wijs gewaande gedachten! Daarom vragen wij U, of U op deze manier verder wilt spreken!' [bron: GJE1-191 16-25]

www.zelfbeschouwing.info