Wet belemmert, moedigt niet aan

(Want de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid zijn door Jezus Christus gekomen. Joh. I:17)              

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer]:  Zo ziet de wet er uit die aan het eerste leven gegeven moest worden, en dat begon al in het begin bij de eerste mens en in het verdere verloop gaf Mozes deze nog eens door, waarom hij in dit vers ook als verte­genwoordiger van de wet aangehaald wordt. Uit de wet kon echter niemand ooit de echte levensvrijheid verkrijgen, omdat de wet een belemmering en geen aanmoediging van het leven is. Door een positieve dwang van de onwrikbare wil van de bron van alle macht werden de eerste scheppingsideeën in een afgezonderd, op zelfstandigheid lijkend bestaan gesitueerd; de afscheiding en het vormen van het door ruimte en tijd beperkte bestaan werden vervolgens aan onveranderlijke wetten ondergeschikt gemaakt.

 

Het wezen, de mens, was, hoewel oorspronkelijk op een bepaalde manier de godheid zelf, of wel: het diepste wezen van God Zelf, nu gescheiden van zijn diepste grond, die het nog wel kende, maar daarbij door onwrikbare wetten in een beperkte vorm gebonden en gehouden. Die toestand beviel het op deze manier vastgelegde wezen niet, en zijn hoogheidgevoel kwam geweldig in opstand tegen zijn gedwongen be­perking en buitensluiting.

 

Omdat tijdens de allereerste opeenvolging van wezens het gevecht steeds heftiger werd, moest de grote grondwet verscherpt worden en de wezens moesten opgenomen worden in een tijdelijk vast oordeel. Dat gebeurde door de vorming van stoffelijke vaste hemellichamen en de daardoor ontstane grotere deling van de oorspronkelijke wezens.

 

In de tweede vorm van de wezens verschijnt dan de mens met een vleselijk lichaam, staande op de bodem van het resultaat van zijn eerste veroordeling. Ondanks dat hij nu op drievoudige wijze was gescheiden van zijn diepste grond, herkende hij deze in zich zelf toch al weer gauw, en werd trots, hoogmoedig en ongehoorzaam aan een niet zo strenge wet, die niets dwingend voorschreef, maar alleen aangaf wat wenselijk was.

 

Omdat de mens zich niets aantrok van wat hem als wenselijk aangegeven was, werden hem zwaardere verplichtingen opgelegd, voorzien van geweldige sancties, die bij niet nakomen van de verplichtingen, prompt werden uitgevoerd (denk aan de zondvloed en nog meer van dergelijke zaken!).

Na deze tuchtiging kwam God in de vorm van Melchizedek naar de Aarde en leidde de mensen; maar die begonnen al snel weer te vechten en moesten door nieuwe wetten worden gebonden en op zodanige wijze tot de orde worden geroepen, dat hen alleen een machinale beweging overbleef, die zich verzette tegen bijna al hun neigingen. Door de wet werd dus een grote kloof gemaakt, waarover geen geest en geen wezen meer kon springen. Daardoor werd ook het uitzicht op, en het innerlijke bewustzijn van een eeuwig voortduren van het innerlijke, op deze manier erg beperkte leven, zeer twijfelachtig.

 

Tijdens deze beperking verschijnt dan de goddelijke oerbron in Zijn eigen diepste volheid en wel in de persoon van Christus. Op dit moment komt Gods gunst dus terug, neemt alle zwakheden des levens van de mensen op zich en geeft hen daarvoor een nieuw teken van Zijn gunst, een nieuw leven vol van het ware licht; en daarmee en door Zich Zelf toont Hij hen de juiste weg, die zij moeten gaan, en het werkelijke doel van hun bestaan. (bron: GJE1-4:1-10)

 

Als zij zich die genade ten nutte maken, zullen ook zij deel hebben aan Mijn rijk; vervallen zij daarna echter weer in het kwade dan zullen zij het aan zichzelf te wijten hebben als de vloek en de hardheid van de wet hen zal doden! Want weet, de wet is er altijd, maar de genade komt slechts zo nu en dan de in het nauw zittende te hulp; als de genade echter niet wordt geëerbiedigd, moet men de wet weer voor lief nemen." GJE3-16-14

 

De wet is een belemmering en geen aanmoediging van het leven. De Heer schreef ons geen wet voor van: ‘gij moet’, maar ‘gij zult’, dus nooit iets dwingends. (GJE1-4-1) – (GJE 1-4-5)

 

Jonatha bemerkte dat het kindje Jezus zo licht was als een veertje, een donsje! Hij zei: ‘Aan zee woog het kindje zo zwaar als de hele wereld en nu zo licht als een donsje!' Het kindje Jezus: 'Jo­natha, zoals nu met jou, zo zal het ie­dereen vergaan! Niet in Mijzelf is de last gelegen, maar in de Wet van Mozes! Toen je Mij niet kende, maar alleen de Wet, en je Mij op je schouder droeg, toen woog niet Mijn last, maar die van de Wet zo loodzwaar op je schouders! Maar nu heb je in je hart Mij erkend als Heer boven Mozes en boven de Wet, en plots is het ge­wicht van de Wet niet meer het Mijne, omdat Ik de Wet gegeven heb.

 

Toen je (JONATHA) Mij niet kende, maar alleen de Wet, en je Mij op je schouder droeg, toen woog niet Mijn last, maar die van de Wet zo loodzwaar op je schouders! Maar nu heb je in je hart Mij erkend als Heer boven Mozes en boven de Wet, en plots is het ge­wicht van de Wet niet meer het Mijne, omdat Ik de Wet gegeven heb. Zo zal het in de toekomst geestelijk een ieder vergaan die onder de Wet staat! En Ik verzeker je dat dege­nen, die alleen door de Wet ge­rechtvaardigd heten, zullen brul­len en tandenknarsen, terwijl de Heer in de huizen der zondaren aan tafel gaat, en hen geneest en aanneemt tot Zijn Kinderen! De verlorenen zal Ik zoe­ken, de zieken, de ten onrechte gevangenen, en de verdrukten. Ik zal hen zoeken, genezen, bevrij­den en ontzetten!

 

Maar wettisch gerechtvaar­digden zullen Mijn Huis veroor­deeld moeten verlaten. Voorwaar, tollenaars en zondaren zal Ik in Mijn huis nog kunnen prijzen, maar die zogenaamde rechtvaar­digen zal Ik in Mijn huis met een zware last belasten! Ja, een hoer zal Mij zalven, en de schuld van een echtbreek­ster zal Ik in het zand afschrijven, en de zondaars zullen Mij aanra­ken; maar een wettische haarklover en Schriftgeleerde, die Mij probeert aan te raken, die zal Ik vervloeken! Hen, die de last van de Wet heeft gedood. Ik zal hen uit hun graven trekken! Maar voor die letterzifters van de Wet zal Ik de poort naar het leven zo nauw maken als het oog van een naald!'

 

(JOZEF) De Wet is toch ook door God gegeven; hoe kan dan een zondaar beter zijn dan een recht­vaardige?' Het Kindje hernam: 'Inder­daad heeft God de Wet gegeven, maar niet voor het wereldverstand maar voor het hart! Mozes zelf heeft de Wet in dienst van de lief­de tot God gesteld! Nu blijkt weliswaar de Wet te worden gehandhaafd, maar de liefde is allang om het leven ge­bracht. Een Wet zonder liefde heeft geen nut, en hij die die wet houdt zonder liefde die is er een dode slaaf van! Daarom heb Ik liever te doen met een heiden of met een vrijgevochten zondaar dan met zo'n dode geketende slaaf van de Wet!' Hoe meer wetten, hoe meer misdadigers. Jeugd van Jezus 173-8-26

 

Kijk, God, de wijze schepper, heeft in Zijn eindeloos grote wijsheid in zekere zin slechts tien voorschriften gevonden, die voor alle karaktersoorten der ziel bruikbaar zijn, en ieder mens kan ze ook zeer goed in acht nemen, als hij maar wil. Als God Zelf nu maar tien voorschriften vindt, die met de natuur en de hoedanigheid van iedere mensenziel zodanig corresponderen dat men daar alle nut van kan verwachten, hoe is het dan mogelijk dat een heidens keizer in Rome meteen honderd voorschriften vindt, waarvan het navolgen aan de mensenzielen hun heil moet brengen?"

 

"IK zeg je: Gedurende de tijd dat het Joodse volk geregeerd werd door richters, die alleen de wetten van God handhaafden, hield het zich ook in leven, handel en wandel, op een paar merkwaardige gewoonten na, volledig aan Gods orde. Maar toen het later in de gelegenheid kwam om de glans van de koningen der heidenen te zien, hoe die in grote prachtige paleizen woonden, en hoe hun volkeren zich voor hen tot in het stof bogen, beviel dat de blinde zotten uit het Joodse volk wel, en zij eisten, omdat zij zich voor het machtigste volk der aarde hielden, van God ook een koning. Maar God wilde de domme eis van het volk niet meteen inwilligen en waarschuwde het en toonde alle kwade gevolgen die het onder een koning te wachten zouden staan! Gods profeten predikten echter voor dovemansoren; het hielp niets, het volk wilde tot elke prijs een koning!

 

En God gaf het volk Saul als eerste koning en liet hem zalven door de oude trouwe knecht Samuël. Vanaf het moment dat het volk een koning had, die meteen zwaar drukkende wetten oplegde, zakte het steeds meer af¡ tot op het tegenwoordige niveau van uiterste verdorvenheid.

Waar komt dat nu voornamelijk door? ‑Wel, dat komt door ‑de ondeugdelijke wetten, die afkomstig zijn van mensen, die geen kennis hebben gehad van hun eigen aard en nog minder van de aard van hun medemensen, en met hun onbehouwen en slechts op het speciale eigen¡belang gerichte wetten het innerlijke zielenleven geheel en al te gronde richtten!

bron: GJE2‑26,27:1‑3

 

Zo ziet de wet er uit die aan het eerste leven gegeven moest worden, en dat begon al in het begin bij de eerste mens en in het verdere verloop gaf Mozes deze nog eens door, waarom hij in dit vers ook als verte­genwoordiger van de wet aangehaald wordt. Uit de wet kon echter niemand ooit de echte levensvrijheid verkrijgen, omdat de wet een belemmering en geen aanmoediging van het leven is. Omdat tijdens de allereerste opeenvolging van wezens het gevecht steeds heftiger werd, moest de grote grondwet verscherpt worden en de wezens moesten opgenomen worden in een tijdelijk vast oordeel. Dat gebeurde door de vorming van stoffelijke vaste hemellichamen en de daardoor ontstane grotere deling van de oorspronkelijke wezens. GJE1-4 [1,4]

 

In de hel zijn beslist de strengste wetten nodig, met daaraan verbonden de pijnlijkste straffen; maar in Mijn Rijk, dat de hemel is, heeft men geen behoefte aan een wet en nog minder aan een straf! Ik ben niet gekomen, om jullie door de harde straffen van de wetten der hel op te voeden, maar alleen om jullie door liefde, zachtmoedigheid en waarheid voor de hemel klaar te maken. Als Ik jullie nu door Mijn nieuwe leer uit de hemel bevrijd van de wet en als Ik jullie de nieuwe weg door het hart naar het ware eeuwige vrije leven wijs, waarom wil je dan toch nog steeds veroordeeld en verdoemd onder de wet leven, en waarom bedenk je dan niet, dat het beter is lichamelijk duizendmaal te sterven in de vrijheid der liefde, dan één dag te leven onder de dood van wet?! GJE1-75 [3,4]

www.zelfbeschouwing.info