WEG TOT GEESTELIJKE WEDERGEBOORTE

 

Een Brevier

 

door het innerlijk Woord ontvangen door

 

Jakob Lorber

 

Uitgeverij De Ster - Breda

Ginnekenweg 124 - 4818 JK Breda.


Druk: ICG-Printing, Dordrecht

Oorspronkelijke titel: Weg zur geistigen Wiedergeburt, Ein Brevier. LorberVerlag - 7120 Bietigheim, 1979.

Vertaling: J.E.Bos

Ontwerp omslag: Usanne Franken

Foto omslag: T.Janzen

 

Copyrights @1986 Uitgeverij De Ster - Breda ISBN 9065563113


Inhoud

Voorwoord 9

Verklaring van de titelafkortingen

1. Grootste en laatste getuigenis over de Heer door Johannes de Doper

       Joh.3, 34 - 36; Gr.Ev.Joh. 1/24 (12 - 18)

2. Het nachtelijke gesprek van Jezus met Nicodemus  Jeu. 25 - 26; Gr.Ev.Joh.1 /18,19,20,21 en 22;

Joh.3, 1 - 21 18

3. Uit de levensschool van de Heer - Motto Gr.Ev.Joh.IX/155 (9)

       a) De basis van de Leer van de Heer - Gr.Ev.Joh.III /53 (6 - 16)

       b) Zelfbeschikking en liefde van de daad - Gr.Ev.Joh.III /241 (2 - 10)

  c) De poort van de zelfverloochening - Gr.Ev.Joh IV/1 (4 - 6, 9 - 12)

  d) Het geloof als voorafgaand gegeven - Gr.Ev.Joh. V/213 (8 - 9)

  e) Zelfkennis en Godskennis - Gr.Ev.Joh. V/215 (1 - 7)

  f) Het geweten en de invloed van de engelen - Gr.Ev.Joh. III /232 (1 - 14)

  g) Vermaning tot verzoenlijkheid Gr.Ev.Joh. V/250 (4), Gr.Ev.Joh. IV/78 (1 - 5)

  h) De vrije wil is steeds te respecteren - Gr.Ev.Joh. VIII /43 (7)

i) Naastenliefde - Gr.Ev.Joh. VII/94 (17), Gr.Ev.Joh. VII/140 (1,3,11 - 12) Gr.Ev.Joh. IV/39 (1),

Gr.Ev.Joh.IV/79 (5 - 9), Gr.Ev.Joh. V/126 (9), Gr.Ev.Joh. VIII /120 (6,7), Gr.Ev.Joh. XI/75, blz.213

j) Over het bidden Gr.Ev.Joh. IX/87 (4 - 6)

k) Over de wetenschap van de beeldspraak -  Gr.Ev.Joh. IX/93 (4 - 7)

I) Deemoed en zelfrespect - Gr.Ev.Joh. VII /141 (4 - 12)

m) Wellust verhindert de geestelijke ontwikkeling - Gr.Ev.Joh. VIII /41 (8 - 13)

n) Weten en wijsheid - Weten en geloof - Gr.Ev.Joh. VII /183 (13 - 14), Gr.Ev.Joh.IX/132 (11-13)

o) Het onderscheid tussen zaligheid en verdoemenis - Ed.58, (10 - 12), GS 11 /106 (8)

p) Wat is dan de Geest? - GS 11 /79 (12 - 13), GS 11 /71 (9 - 14, 8)

4. Uit de leer van de ziel - Motto Gr.Ev.Joh. VI /133 (3)

a) Het Wezen en doel der materie in het proces van de ontwikkeling van de ziel –

Gr.Ev.Joh.VI /133 (3 - 6)

     b) Ontwikkelingsfasen van de ziel - Gr.Ev.Joh.X/21

     c) Het vormingsproces van de ziel - Gr.Ev.Joh.X/184 63

     d) Voorbeeld van een vereniging van dierzielen tot een menselijke natuurziel - Gr.Ev.Joh.X/185 (4 - 7)

     e) De twee principes in de mens: materie en geest - Gr.Ev.Joh.XI/75 (2 - 27)

     f) De leiding van de menselijke ziel naar voleinding - Gr.Ev.Joh.IX/171 (4 - 10)

     g) Leiding van het leven hier en in het hiernamaals - Gr.Ev.Joh.VII /156 (7 - 12)

     h) De ziel in het hiernamaals - Gr.Ev.Joh.VIII /17 (5 - 7); Gr.Ev.Joh.IX/142(2)-143(8)

 

5. Het drievoudige wezen van de mens en het Godsrijk in het hart van de mens – Motto

Gr.Ev.Joh.II /217 (5)

a)    Het visioen van Oalim - Hil/72 (9 - 26); 74 (2 - 3, 24 - 32)

b)    Lichaam, ziel, geest - Gr.Ev.Joh.II /217 (5), Gr.Ev.Joh.IX/174 (9 - 12), 

Gr.Ev.Joh.IX/176 (2 - 4, 7 - 9), Ed.51 (5 - 7)

c)    De drie-eenheid in God en mens Gr.Ev.Joh.VIII /24 - (1,4- 14); 25 (1 - 15), Hil/S 55 (12 - 13)

d)    De opstanding van het vlees (Gr.Ev.Joh.V/238 (1,3,6) 89

e)    Het Godsrijk in het hart van de mens - Gr.Ev.Joh.IX/72  (11 - 15), GS II /10 (14), Ed 70 (2 - 4, 13, 15,21, 24 - 25)

f)     f) God als Vader van Eeuwigheid Gr.Ev.Joh.III /225 (6 - 9) 92

 

6. De verlossing (Eigen tekst, ontvangen op 14 juni 1840)

7. De weg tot geestelijke wedergeboorte - Motto (tekst van 15 Aug. 1840)

     a) Noodzakelijke gedragsregels (eigen tekst, door Jakob Lorber ontvangen op 15 en 18 Aug. 1840)

     b) Dat is de kortste weg tot wedergeboorte (ontvangen door Jakob Lorber op 18 Aug. 1840)

     c) Zelfbeschouwing (meditatie) Gr.Ev.Joh.I/224 (8,e.v.), Gr.Ev.Joh.I /226 (1 - 4)

Gr.Ev.Joh.II/166 (18, 19), HII /242 (3 - 13)

     d) Zelfontwikkeling Gr.Ev.Joh.II /75 (7 - 9), - Schrft Hfst 5, GS II/44 (16, 17)

e) Geestelijke beschouwing van een zonsopgang: over de ware Sabbatrust in het hart –

Gr.Ev.Joh.II /148 (8 - 15)

     f) Het denken in het hart Gr.Ev.Joh.II /62 (1 - 10)

     g) Tweevoudig vermogen om tot kennis te komen = RBI I /35 (2 - 6, 8)

h) De wedergeboorte van de ziel Gr.Ev.Joh.XI /50 (1 - 14) - Gr.Ev.Joh.XI/52 (1 - 7),

Gr.Ev.Joh.VIII /61 (9 - 14), - Gr.Ev.Joh.VIII /57 (12), RBI.II /278(4,6),Jeu 298(8 -13)

     i) Het geestelijke gezicht Gr.Ev.Joh. XI /53

     j) Vergeefse moeite Gr.Ev.Joh.V/160 (1 - 6)

k) "Het Rijk Gods geweld aandoen" - Gr.Ev.Joh.VII /127 (3 - 7, 9)

     l) De weg tot het een worden met de Geest - Gr.Ev.Joh. VIII /150(14 - 16), Gr.Ev.Joh.IX/103 (5 - 6)

 

8. De Wedergeboorte van de Geest - Motto Hl/Voorbericht van de Heer, blz.7 (1)

Gr.Ev.Joh.I /2 (14 - 16), Joh.1, 13

a)    Verdere toelichtingen Gr.Ev.Joh.I /161 (1 - 6) -Gr.Ev.Joh.I /214 (10 - 11), Gr.Ev.Joh.II /41 (5),

Gr.Ev.Joh.IV/220 (6 - 8, 10), Gr.Ev.Joh.IV/225 (5,6,8), Gr.Ev.Joh.VII /54 (11 - 13),

Gr.Ev.Joh.VII/69 (6 - 7), Gr.Ev.Joh.IX/102 (8), Gr.Ev.Joh.IX/108 (4 - 5) –

Gr.Ev.Joh.IX/141 (3), GSI/164 (15)

b) Het wonder van Pinksteren maakte de geestelijke wedergeboorte pas mogelijk –

Hl/144 (2), Hl/46 (20 - 23),  Gr.Ev.Joh.III /171 (4 - 8, 11 - 14), Gr.Ev.Joh.IIl/180 (3 - 8),

Gr.Ev.Joh.IV/133 (8 - 9), Gr.Ev.Joh.IV/217(9) - 218(1),

Gr.Ev.Joh.VII 142(8), Gr.Ev.Joh.VII /129(10), Gr.Ev.Joh.IX/56 (6 - 7)

c) De verhouding tussen ziel en geest Gr.Ev.Joh.VII /66 (5 - 8), Gr.Ev.Joh.IV/226 (1 - 4)

Gr.Ev.Joh.IV/228 (2 - 5), Gr.Ev.Joh.IV/256 (1 - 4), Gr.Ev.Joh.V/211 (3 - 7)

d) De juiste kennis van de Goddelijke wijsheid - Gr.Ev.Joh.VII /55 (3 - 12)

e) Het levenskamertje in het hart in overeenkomstige zin - Gr.Ev.Joh. VIII/57 (10 - 14)

a)    De drie graden van levensvoleinding Gr.Ev.Joh. VII/155 (1 - 13), Gr.Ev.Joh.I/3(1), Joh.l,16 174

 

Epiloog            - Gr.Ev.Joh.III/224 (12 - 14)

 

Jakob Lorber en de werken van de nieuwe openbaring

 

Literatuur 186

 


 

Voorwoord

 

Over de leer van de Wedergeboorte van de Geest publi­ceerde voor de eerste maal, reeds tijdens het leven van Jakob Lorber (1800 - 1864), zijn eerste uitgever Johannes Busch uit Dresden in 1856 een boekje, waarvan het titel­blad hier in facsimile is weergegeven. Een daarna ver­schenen werkje 'Der Weg zur Wiedergeburt' werd diverse keren herdrukt, doch is reeds lang niet meer verkrijgbaar. Het boek dat thans voor U ligt komt daarvoor in de plaats en bevat een aanzienlijk uitgebreider en tevens op hetzelfde onderwerp betrekking hebbende keuze van teksten uit de geschriften van Jakob Lorber.

De geestelijke wedergeboorte moet niet verwisseld worden met reïncarnatie, waarvoor in het 'Grose Evangelium Jo­hannes' VI /61 (3-4) gezegd wordt: "Het verre morgenland gelooft nog heden ten dage (tijdens Jezus' leven op aarde) vast aan de zielsverhuizing; maar dat geloof is bij hen zeer verontreinigd, omdat zij de menselijke ziel weer in een dier­lijk lichaam laten terugkeren. Maar terug verhuist geen enkele nog zo onvolmaakte ziel meer".

Veeleer gaat het bij de geestelijke wedergeboorte om de voleinding van de mens, dus om het eigenlijke en hoogste doel van alle geestelijke inspanningen van de mens, ja om het 'mens' zijn als zodanig. Dat is in alle geschriften van Jakob Lorber ook te bespeuren als steeds aanwezige grond­gedachte, zoals die ook op honderden plaatsen in directe belering en vanuit telkens weer nieuwe aspecten wordt uiteengezet.

Dit brevier tot geestelijke wedergeboorte zou kunnen die­nen als een soort leidraad om als het ware van buiten af, namelijk vanuit het ons zo gewoon geworden diep inge­wortelde materiële denken, geleidelijk gevoerd te worden in het geestelijk centrum van ons eigen Zijn. Dat betekent: uit het donker van ons aardeleven tot het stralende licht van de Liefdewijsheid uit God in ons eigen hart.

Zelfs de kortste weg tot geestelijke wedergeboorte hoeft echter beslist geen korte te zijn, maar kan vaak ook betrek­kelijk lang en moeizaam zijn. Maar de Heer laat er ons ner­gens over in twijfel dat dit in elk geval de beste weg is, die de mens kan kiezen.

 

H.E.Sponder

 


 

Het lichaam van de mens weet in het geheel niet wat er allemaal in de mens verborgen is; want het heeft geen oog om te zien wat in zijn binnenste leeft. De geest echter die in zijn binnenste woont, deze alleen ziet en weet alles wat in de mens is. Laat daarom ieder streven naar de ware wedergeboorte van de geest, want zonder deze kan nie­mand het Rijk Gods binnengaan.

 

(Gr.Ev.Joh.VI /158 (12))

 


 

Titel-afkortingen van aangehaalde werken van de Nieuwe Openbaring door Jakob Lorber.

(door het Innerlijk Woord ontvangen van 1840 - 1864)

 

Ed               = Erde und Mond

Gr.Ev.Joh.    = Das grose Evangelium Johannes (11 banden; de 11e band door Leopold Engel)

GS              = Die Geistige Sonne (2 banden)

H                 = Die Haushaltung Gottes (3 banden)

Hi                = Himmelsgaben (2 banden)

Jeu              = De jeugd van Jezus (uitgave Ankh-Hermes)

RBI              = Robert Blum; nieuwe titel: "Von der Hölle bis zum Himmel" (2 banden)

Schrft          = Schrifttexterklärungen

Bij bovengenoemde afkortingen geven de romeinse cijfers de betr. band, de arabische cijfers het hoofdstuk, resp. de bladzijde, en de tussen haakjes ( ) geplaatste arabische cijfers het onderhavige vers (alinea) aan.


 

1.

 

Grootste en laatste getuigenis over de Heer door Johannes de Doper

 

Joh. 3,34-36: » Want hij, die God gezonden heeft, die spreekt Gods woorden. Want God geeft zijn Geest niet met mate. De Vader heeft de Zoon lief en heeft hem alles in zijn hand gegeven. Wie in de Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven; maar wie de Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn van God blijft op hem!«

 

Gr.Ev.Joh. 1/24, 12 - 18.

. . . »Alzo is het ook met Hem, die van God is gekomen, om te getuigen van God en te spreken het zuivere Woord van God. Hij Zelf is de mateloze zee (Gods Geest). Zo Hij iemand dus Zijn Geest geeft, dan geeft Hij hem niet naar de eindeloze maat, die slechts alleen in God in alle volheid kan zijn, maar naar de maat die in de mens is. Wanneer de mens de geest wil ontvangen, mag zijn eigen maat niet schadelijk zijn en open blijven staan, maar die maat moet vast gebonden en goed verzegeld zijn!

Hij echter, bij Wie u was en aan Wie u gevraagd hebt of Hij Christus is, heeft, hoewel uiterlijk ook een mensenzoon, de Geest Gods niet naar de maat van een mens, maar naar de eindeloze maat van God Zelf ontvangen reeds van eeuwigheid her; want Hij Zelf is de mateloze zee van de Geest Gods in zich! Zijn liefde is Zijn Vader van eeuwig­heid, en deze is niet buiten de zichtbare mensenzoon, maar in Hem Zelf, die het vuur is, de vlam en het licht van eeuwigheid in en uit de Vader.

Deze liefdevolle Vader heeft Zijn eeuwige Zoon boven alles lief, en alle macht en geweld ligt in de handen van de Zoon, en alles wat wij in de juiste mate hebben, hebben wij geput uit Zijn mateloze volheid. Hij Zelf is door Zijn eigen woor­den nu een mens van vlees onder ons, en Zijn Woord is God, geest en vlees, dat wij de 'Zoon' noemen. De Zoon is derhalve ook in zich eeuwig het Leven van alle leven.

Wie dus de Zoon aanneemt en in Hem gelooft, die heeft het eeuwige leven reeds in zich; want zoals God Zelf in elk woord Zijn eigen meest volkomen leven is, alzo is Hij ook in elk mens, die Zijn levensvolle woord in zich opneemt en dat bewaart. Wie echter het Godswoord uit de mond van de Zoon niet aanneemt, dus de Zoon niet gelooft, die zal en kan ook het Leven niet ten deel vallen, noch zien en in zich voelen, en de toorn Gods - wat betekent het gezicht der dingen die geen leven hebben buiten dat van de eeuwig onveranderlijke wet van het moeten uit hun aard - zal over hem blijven, zolang hij niet in de Zoon wil geloven.

Ik, Johannes, heb dat nu tot u gesproken en gaf U allen een volkomen geldig getuigenis. Ik heb u gereinigd van het vuil der aarde door mijn eigen handen. Gaat nu heen, neem Zijn woord aan, opdat u de doop door Zijn Geest ontvangt, want zonder deze is al mijn moeite met u nutteloos en zonder waarde! Ik zou ook zelf graag naar Hem toe willen gaan! Maar Hij wil het niet en openbaart mij door mijn geest, dat ik moet blijven, daar ik reeds in de geest heb ont­vangen wat u nog ontbreekt.«* (* Opmerking van de Heer: "Dit is het laatste en grootste getuigenis van Johannes over Mij en behoeft geen verdere verklaring, daar het zich in en uit zichzelf verklaart. De reden echter, waarom het in het Evangelie niet zo volledig is gegeven, blijft steeds dezelfde: omdat ten eerste het destijds de noodzakelijke manier van schrijven was om slechts de hoofdpunten op te tekenen, terwijl al het andere wat een pientere geest zonder meer vanzelf gemakke­lijk kan vinden, werd weggelaten; en ten tweede, opdat het levend heilige in het woord niet verontreinigd en ontheiligd zou worden. En zo is dus elk vers een met een vaste huid omgeven zaadkorrel, waarin de kiem tot een eindeloos leven en zijn onmeetbare volheid van wijsheid ver­borgen rust".)

 

2.

 

Het nachtelijk gesprek van Jezus met Nicodemus over de Wedergeboorte

 

(Hier volgt een gedeelte vooraf uit 'De jeugd van Jezus', 25 - 26:) Toen de heilige familie na de ceremonie van de besnijdenis van het Kindje Jezus de Tempel verliet, was de vroege winternacht al aangebroken, en daar het bovendien een voor-Sabbath was, was er nauwelijks nog een huis open, en zo vonden Jozef en de zijnen eerst geen onderkomen in Jeruzalem. Tenslotte ontfermt zich een voorbijgaande jonge Israëliet over hen: "Kom dan maar met mij mee, dan zal ik u voor een drachme of daarom­trent tot morgen onderdak verlenen". Toen Jozef zich de volgende morgen al had klaargemaakt om te vertrekken naar Bethlehem, kwam de jonge Israëliet het overnachtingsgeld innen. Toen hij de kamer betrad, overviel hem een grote angst en hij bracht geen woord over zijn lippen. Maar Jozef zei tot hem: "Vriend, neem iets van mijn bezit, dat u een drachme waard is, want ik bezit geen geld". Nu zei de Israëliet met bevende stem: "Man van Nazareth, nu herken ik je pas, jij bent Jozef, de timmerman en de­zelfde aan wie negen maanden geleden Maria, de maagd des Heren, door het lot in de tempel werd toegewezen. Dit is hetzelfde meisje. Hoe heb je op haar gepast, dat zij nu moeder is op haar vijftiende jaar? Wat is er gebeurd?

Jozef antwoordde toen: "Nu heb ik je ook herkend: jij bent Nicodemus, een zoon van Benjamin uit de stam Levi! Hoe kom je erbij mij uit te horen? Dat past je niet! Ga maar naar de Tempel en de Hoge Raad zal je een juist getuigenis geven over mijn hele huis!" - Door deze woor­den werd Nicodemus zeer getroffen en hij zei: "Maar om Gods Wil, zeg mij toch, hoe het gekomen is, dat dit meisje heeft gebaard! Is dat een wonder, of is het op natuurlijke wijze toegegaan?" - Nu ging de ook aanwezige vroed­vrouw naar Nicodemus en sprak: "Beste man, hier is je overnachtingsgeld voor dit zeer armetierige onderkomen. En houd ons niet langer tevergeefs op! Maar bedenk wel wie heden in je huis zo karig geherbergd werd voor een drachme! Als vroedvrouw heb ik het oude recht, je toe te staan het Kindje aan te raken; doe het, opdat de dikke schillen van je ogen vallen en je ziet, wie bij je op bezoek is geweest!" Nu raakte Nicodemus het Kindje aan en het innerlijk gezicht werd hem voor een kort ogenblik ontslo­ten, zodat hij de Heerlijkheid Gods mocht zien. En hij viel voor het Kind neer, aanbad het en sprak: "Hoe groot moet de genade en erbarming in U zijn, 0 Heer, dat U alzo Uw volk bezoekt! Maar wat zal er nu met mijn huis ge­beuren en wat met mij, nu ik Gods Heerlijkheid zo heb miskend?" En Nicodemus gaf de drachme weer terug en ging wenend naar buiten. Later liet hij deze kamer met goud en edelstenen versieren.

 

Gr.Ev.I/Hst.18 e.v.

. . . In de voorlaatste nacht van Mijn oponthoud in de na­bijheid van Jeruzalem kwam een zekere Nicodemus tot Mij, die een voorname man in Jeruzalem was; hij was een Fari­zeeër en als een rijk burger van Jeruzalem ook de overste van de Joden in deze stad.

 

Joh.3, 1 en 2: Er was een mens onder de Farizeeën, Nico­demus genaamd, een overste van de Joden. Deze kwam tot Jezus bij nacht en zei tot Hem: "Rabbi, wij weten dat U van God gekomen bent als leraar; want niemand kan deze tekenen doen die U doet, tenzij God met hem is".

 

Deze Nicodemus kwam dus zelf in de nacht tot Mij en sprak: "Meester! Vergeef me dat ik zo laat in de nacht tot U kom en U stoor in Uw rust; daar ik echter vernam, dat U deze streek reeds de volgende dag zult verlaten, kon ik niet anders, maar moest U mijn U toekomende achting betui­gen. Want ik en meerderen van mijn ambt weten nu, nadat wij Uw daden hebben gadegeslagen, dat U als een echte profeet door God gezonden tot ons bent gekomen! Want de tekenen die U doet, kan niemand verrichten, tenzij Jehova in hem is! Daar U dus kennelijk een profeet bent en moet zien hoe erg het met ons gesteld is, maar ons noch­tans door Uw voorgangers het Godsrijk is beloofd, zeg mij, wanneer dit zal komen en als het komt, hoe men dan moet zijn om daar in te komen?"

 

Vers 3: Jezus antwoordde en sprak tot hem: "Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: tenzij iemand opnieuw geboren wordt, kan hij het koninkrijk van God niet zien".

 

Op deze vraag van Nicodemus antwoordde Ik zo kort als het vers aangeeft, namelijk: "Voorwaar, voorwaar ik zeg u: tenzij iemand opnieuw geboren wordt, kan hij het konink­rijk van God niet zien en nog minder daarin komen!" ­wat zoveel wil zeggen als: indien u uw geest niet langs wegen, die Ik u met Mijn leer en daad toon, opwekt, kunt u het goddelijk levende van Mijn woord niet kennen, om niet te spreken van het indringen in diens leven gevende diepten!

Dat Nicodemus deze uitspraak van Mij niet begreep en het niet tot hem doordrong, dat men van het Goddelijk-Leven­de van Mijn woord helemaal niets kan begrijpen, als men geen gewekte geest heeft, toont duidelijk het volgende vers.

 

Vers 4: Nicodemus zei tot Hem: "Hoe kan een mens ge­boren worden als hij oud is? Kan hij soms voorde tweede keer in de schoot van zijn moeder ingaan en geboren worden ?"

 

Nicodemus, verbluft door zo'n uitspraak van Mij, vraagt: "Maar lieve Rabbi, wat voor vreemde dingen hoor ik nu? Hoe is het mogelijk dat een mens nog eens geboren wordt? Hoe zou een mens, die groot, oud en stijf is geworden, door het enge poortje kunnen ingaan in het lichaam van zijn moeder en dan voor de tweede keer geboren worden? Lieve Rabbi, dat is een onmogelijke zaak! Of U weet niets van het komende Godsrijk of althans niet het rechte, óf U weet het wel, maar wilt het mij niet zeggen, uit vrees, dat ik U zal laten oppakken en in de gevangenis werpen. . . U bent een grote weldoener van de arme mensheid en hebt nagenoeg alle zieken van Jeruzalem genezen, verwonder­lijk door de Kracht van God in U; hoe zou ik mij dan aan U kunnen vergrijpen?

Geloof mij, lieve Rabbi, het is mij ernst met het Godsrijk dat zal komen! Daarom, als U daarvan iets meer weet, zeg het mij op een manier, dat ik het begrijpen kan! Geef het Hemelse met hemelse en het Aardse met aardse woorden, maar in goed te begrijpen beelden, anders baat mij Uw be­lering nog minder dan het oud-Egyptische hiëroglyphen­schrift, dat ik noch lezen noch begrijpen kan. Ik weet heel goed uit mijn berekeningen, dat het koninkrijk van God er al moet zijn, alleen weet ik nog niet, waar en hoe men daar in komt en er in wordt opgenomen. Deze vraag zou ik graag door U helder en duidelijk beantwoord willen hebben".

 

Vers: 5: Jezus antwoordde: "Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: tenzij iemand geboren wordt uit water en geest, kan hij het koninkrijk van God niet binnengaan".

 

Op deze herhaalde vraag gaf Ik Nicodemus precies weer het antwoord, zoals dat in het bovenstaande Se vers staat. Het onderscheidt zich van het eerste slechts daardoor, dat hier nader wordt aangeduid, waaruit men eigenlijk moet worden wedergeboren om in het Godsrijk te komen, na­melijk uit het water en uit de Geest, wat zoveel zeggen wil als:

De ziel moet met het water van deemoed en zelfverlooche­ning gereinigd worden (want water is het oeroude symbool van deemoed, het laat alles uit zich maken, is tot alles dienstbaar en zoekt steeds de laagste plekken van de aarde op en vliedt van de hoogten) en dan pas uit de geest der Waarheid, die een onreine ziel nooit kan bevatten, daar een onreine ziel gelijk is aan de nacht, terwijl de waarheid een zon vol licht is, die overal dag om zich verspreidt.

Wie dus in zijn door de deemoed gereinigde ziel de waar­heid opneemt en deze als zodanig erkent, die wordt door de waarheid in de geest vrijgemaakt. En deze vrijheid van de geest of het ingaan van de geest in zo'n vrijheid is dan ook het eigenlijke ingaan in het Godsrijk.

Zulk een uitleg gaf ik weliswaar Nicodemus niet, omdat hij haar met de kennis en het inzicht dat hij bezat nog min­der zou hebben begrepen dan de korte, versluierde grond­stelling zelf. Hij vroeg mij daarom ook weer, hoe dat was te verstaan.

 

Vers 6: "Wat uit het vlees geboren is, is vlees; en wat uit de Geest geboren is, is geest".

 

Ik gaf hem tot antwoord wat in het bovenstaande vers 6 staat geschreven: "Laat het u niet verwonderen, dat Ik zo tot u spreek! Want ziet, wat uit het vlees komt, is weer vlees, dus dode materie of uiterlijke omhulling van het leven; wat echter uit de Geest komt, dat is ook geest of het eeuwige leven en de waarheid in zichzelf".

Nicodemus begrijpt de zaak nog steeds niet. Hij haalt zijn schouders op en verwondert zich steeds meer, minder over de zaak dan wel, dat hij als een zeer wijze Farizeeër, die in de gehele Schrift goed thuis is, de zin van zo'n woord niet in staat is te begrijpen. Want hij was erg overtuigd van zijn wijsheid en was ook vanwege die grote wijsheid verheven tot overste van de Joden.

Daarom verwonderde het hem des te meer, dat hij nu in Mij geheel onverwacht een Meester had gevonden, die hem zulke bijzondere noten van wijsheid gaf te kraken. Daar hij er helemaal niet uit wijs kon worden, vroeg hij Mij opnieuw: "Hoe moet dat nu weer worden opgevat? Kan dan ook een geest zwanger worden en zijnsgelijke baren?"

 

Vers 7: "Verwonder u niet dat Ik u gezegd heb: u moet opnieuw geboren worden!"

 

Ik zeg tot hem: "Ik heb u reeds gezegd u er niet over te verwonderen, dat Ik zei: u moet allen opnieuw geboren worden".

 

Vers 8: "De wind waait waarheen hij wil, en u hoort zijn geluid, maar u weet niet waar hij vandaan komt en waar hij heen gaat; zo is ieder die uit de Geest geboren is".

 

"Want ziet, de wind waait waarheen hij wil, u hoort zijn geluid, maar u weet desondanks niet, waar hij oorspronke­lijk vandaan komt; alzo is het ook met ieder, die uit de Geest komt en tot u spreekt. U ziet en hoort hem wel, maar daar hij op zijn geestelijke wijze tot u spreekt, be­grijpt en verstaat u niet, waarover hij het heeft en wat hij daarmede zegt en bedoelt. Daar u echter een wijze bent, zal het u te rechter tijd ook gegeven worden, dat u zulke dingen zult begrijpen en verstaan".

 

Vers 9: Nicodemus antwoordde en zei tot Hem: "Hoe kunnen zulke dingen gebeuren?"

 

Hier schudt Nicodemus bedenkelijk het hoofd en zegt na een poosje: "Ik zou van U graag willen horen, hoe zulke dingen zouden kunnen gebeuren; want wat ik weet en be­grijp, dat weet en begrijp ik in mijn vlees. Wordt het vlees mij ontnomen, dan zal ik nauwelijks meer iets begrijpen en verstaan. - Hoe, hoe word ik als vlees tot een geest, en hoe zal mijn geest dan een andere geest in zich opnemen en opnieuw baren? Hoe zal dat toegaan?"

 

Vers 10: "Jezus antwoordde en zei tot hem: "Bent u de leraar van Israël en weet u deze dingen niet?"

 

Ik zei tot hem: "U bent een zeer wijze leraar in Israël en u

kunt zoiets niet vatten en begrijpen? Als u dat niet kunt vatten als een geleerde van de Schrift, hoe zal het dan wel met die vele anderen gaan, die van de Schrift nauwelijks zoveel weten, dan dat er eens een Abraham, Isaak en Jakob zijn geweest?"

 

Vers 11: "Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wij (geestelijk) spreken (heel natuurlijk) wat Wij weten en Wij getuigen (van dat) wat Wij gezien hebben; en u kunt ons getuige­nis niet (begrijpen) en aannemen!"

 

"Voorwaar, voorwaar, geloof Mij! Wij, Ik en Mijn jongeren, die uit de Geest zijn gekomen, spreken hier met u niet alleen maar zuiver geestelijk, maar geheel naar de natuur en maken u in natuurlijke beelden der aarde dat bekend, wat wij weten en gezien hebben in de Geest, en u kunt dat niet begrijpen en aannemen?"

 

Vers 12: "Als Ik u aardse dingen heb gezegd en u niet ge­looft, hoe zult u geloven als Ik u de hemelse zeg?"

 

"Als u echter reeds zo iets gemakkelijks in begrijpelijke taal niet kunt verstaan, waar Ik toch op aardse wijze met u spreek over geestelijke dingen, die daardoor behoorlijk tot aardse dingen worden, dan zou Ik willen weten, hoe uw geloof zich zou houden, wanneer Ik over hemelse zaken zuiver hemels tot u zou spreken! - Ik zeg u: alleen de geest, die in en uit zichzelf geest is, weet wat in de geest is en wat zijn leven is! Het vlees is echter slechts de buitenste schors en weet niets van de geest, tenzij de geest het open­baart aan zijn omhulsel, de schors. Uw geest wordt echter nog te veel beheerst en bedekt door uw vlees en weet daar­om niets van hem. Maar de tijd zal komen, waarin uw geest, zoals Ik u reeds gezegd heb, vrij wordt; dan zult u onze verklaring begrijpen en aannemen!"

Nicodemus zegt: "Liefste Rabbi, gij Wijste onder de wijzen! O zeg het mij duidelijk, wanneer, wanneer die tijd zal ko­men, waarnaar ik zo vurig en smachtend verlang!"

Daarop antwoordde Ik en sprak: "Mijn beste vriend, dat ik u tijd, dag en uur kan aangeven, daartoe bent u nog niet vol­doende gerijpt. Ziet, zolang de nieuwe wijn nog niet be­hoorlijk uit is gegist, blijft hij troebel, en al doe je hem in een kristallen beker en houd je de beker dan tegen de zon, toch zal haar machtig licht nog niet door de vertroebeling van de nieuwe wijn vermogen door te dringen, en precies zo gaat het ook met de mens. Voordat hij niet behoorlijk is doorgegist en door het gistingsproces al het onreine uit zich heeft verwijderd, kan het Licht van de hemel zijn wezen niet doordringen. Ik zal u echter nu iets zeggen; zult u dat begrijpen, dan zal u die tijd ook duidelijk zijn!"

 

Vers 13 -15: "En niemand is opgevaren in de hemel dan Hij die uit de hemel is neergedaald, de Zoon des mensen die in de hemel is. En zoals Mozes de slang in de woestijn heeft verhoogd, zo moet de Zoon des mensen verhoogd worden, opdat ieder die in Hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft".

 

"Ziet, niemand vaart op in de hemel, dan alleen Hij, die uit de hemel is neergedaald, namelijk de Zoon des mensen, die gelijktijdig in de hemel is. En zoals Mozes in de woestijn een slang heeft verhoogd, zo moet ook de Zoon des mensen verhoogd worden, opdat allen die in Hem geloven nietverloren gaan, maar eeuwig leven hebben. Zeg Mij, begrijpt u dat?"

Nicodemus zegt: "Lieve Meester! Hoe zou ik dat kunnen! In U is een bijzonder soort wijsheid. . . Als Uw machtige daden mij niet aan U bonden, zou ik U voor een dwaas of grappenmaker houden, want op Uw manier heeft nog nooit een mens gesproken. Maar Uw daden geven aan, dat U als een leraar van God tot ons bent gekomen en in U een volheid van goddelijke macht en wijsheid moet zijn, zonder welke het niemand mogelijk is, zulke daden te volbrengen. Waar dan het ene zuiver goddelijk is, moet ook het tweede goddelijk zijn. Lieve Meester, Uw daden zijn goddelijk en dus moet ook Uw leer van het rijk Gods op aarde goddelijk zijn, of ik het begrijp of niet! . . . Lieve Meester, sinds Henoch en Elias is nog geen mens op aarde het geluk ten deel gevallen zichtbaar op te varen in de hemel; U kunt wellicht de derde worden! En als dat zo zou zijn, zou dat dan andere mensen van nut kunnen zijn, die, omdat zij niet vanuit de hemelen zijn afgedaald, ook niet ooit in de hemel kunnen komen?

Bovendien zegt U, dat Hij, die van de hemel is nederge­daald, eigenlijk slechts schijnbaar op aarde is, maar in werkelijkheid nochtans gelijktijdig in de hemel is. Derhalve zouden aan het komende Godsrijk voorshands slechts Henoch en Elias en naderhand wellicht ook U deel hebben, maar alle andere miljoenen maal miljoenen mensen kun­nen zich voor eeuwig in het donkere graf leggen en uit Gods genade en barmhartigheid weer tot aarde en tenslotte tot niets worden.

Lieve Meester, voor zo'n Godsrijk op aarde bedanken de arme wormen der aarde. . . Wat had Henoch en wat Elias gedaan, dat zij van de aarde in de hemel zijn opgenomen?

Nauwkeurig beschouwd niets, dan wat hun hemelse natuur eigen was. Zij hadden bijgevolg geen verdienste en zijn vol­gens Uw nu gegeven uitleg slechts daarom in de hemel op­genomen, omdat zij evenals U vanuit de hemel op aarde zijn gekomen!. . .

Wat U echter bedoelt met de verhoging van de Zoon des mensen, gelijk aan die van de koperen slang van Mozes in de woestijn, en hoe en waarom allen het eeuwige leven zullen hebben, die aan deze verhoogde Zoon des mensen geloven, dat gaat lijken op iets, wat klinkklare onzin is. Wie is deze Zoon des mensen? . .Daarop antwoord Ik: "u heeft nu veel woorden gebruikt en hebt gesproken als een mens, die van hemelse dingen geen weet heeft; maar dat kan ook niet anders, want u bent in de nacht der wereld en kunt het Licht niet zien, dat uit de hemelen is gekomen, om de duisternis van de nacht van deze wereld te verlichten".

 

Vers 16: "Want zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat maar eeuwig leven heeft".

 

"Ik zeg het u: God is de Liefde en de Zoon is diens Wijs­heid. God had de wereld zo lief, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon, dat wil zeggen Zijn uit Hem Zelf van eeuwigheid uitgaande Wijsheid, in deze wereld gaf, opdat allen die in Hem geloven, niet verloren gaan maar eeuwig leven heb­ben! - Zeg Mij, begrijpt u ook dit niet?"

Nicodemus zei: "Het komt me wel voor, als zou ik het be­grijpen, maar eigenlijk begrijp ik het toch niet. Als ik maar wist, wat ik onder de Zoon des mensen moet verstaan. U sprak nu ook van de eniggeboren Zoon van God, die door Gods Liefde aan de wereld werd gegeven. Is de 'Zoon des mensen' en de 'eniggeboren Zoon' één en dezelfde indivi­dualiteit?"

Ik antwoord: "Zie hier! Ik heb een hoofd, een lichaam en handen en voeten. Het hoofd, het lichaam, de handen en de voeten zijn vlees, en dat vlees is een zoon des mensen; want wat vlees is, komt van vlees. Maar in deze Zoon des mensen, die vlees is, woont Gods wijsheid en dat is de enig­geboren Zoon van God, maar slechts de Zoon des mensen zal gelijk de koperen slang van Mozes in de woestijn wor­den verhoogd, waaraan zich velen zullen stoten. Zij, die zich echter niet stoten, maar geloven en zich zullen houden aan Zijn naam, die zal Hij macht geven, kinderen Gods te heten en aan hun leven en rijk zal voortaan voor eeuwig geen eind zijn".

 

Vers 17: "Want God heeft zijn Zoon niet in de wereld gezonden opdat Hij de wereld zou oordelen, maar opdat de wereld door Hem behouden zou worden".

 

"U moet nu ergens niet een gericht van deze wereld ver­wachten, zoiets als oorlogen, watervloed of een alle hei­denen verterend vuur uit de hemelen, want zie, God heeft zijn eniggeboren Zoon (de goddelijke wijsheid) niet in de wereld (in dit mensenvlees) gezonden, opdat Hij deze wereld zou oordelen (verderven), maar opdat zij door Hem ten volle zalig zal worden, dat wil zeggen, dat ook alle vlees niet zal verderven, maar met de Geest opstaan tot eeuwig leven. (Onder vlees wordt hier niet zozeer het eigenlijke vleselijke lichaam verstaan, maar veelmeer de vleselijke lusten van de ziel.) Maar, om dat te bereiken, moet het ge­loof de materiële begeerten tot grootheid teniet doen, namelijk het geloof aan de Zoon des mensen, dat deze van eeuwigheid her uit God geboren in deze wereld is gekomen, opdat allen het eeuwige leven zullen hebben, die in Zijn naam zullen geloven en dat behouden!"

 

Vers 18: "Wie in Hem gelooft wordt niet geoordeeld, maar wie niet gelooft is al geoordeeld, omdat hij niet heeft ge­loofd in de naam van de eniggeboren Zoon van God".

 

"Wie steeds, zij het Jood of heiden, in Hem zal geloven, die zal nimmer geoordeeld en verdorven worden; maar wie zich aan de Zoon des mensen zal stoten en niet in Hem geloven, die is dan ook reeds geoordeeld. Want juist het feit, dat hij niet geloven wil en geloven kan, omdat hij zich vanwege zijn gevoel van grootheid aan de naam en het we­zen van de Zoon des mensen stoot, is reeds het oordeel van zo'n mens. Begrijpt u het nu?"

Nicodemus zegt: "Ja, ik begrijp tamelijk de zin van Uw zeer mystiek gehouden toespraak; maar zij schijnt in zoverre als in de lucht gesproken, zolang de door U zo hooggeplaatste Zoon des mensen, waarin de volheid van de goddelijke wijsheid woont, er niet is en U ook tijd en plaats niet nader bepalen kunt of wilt, wanneer Hij zal komen en waar.

Zo klinkt ook Uw oordeel, dat U alleen vaststelt aan het ongeloof, raadselachtig. . . Wat is dan eigenlijk Uw 'oor­deel', welke nieuwe zin verbindt U met dit begrip?"

Ik zeg: "Mijn vriend, Ik zou ook bijna tot u kunnen zeggen: Ik begrijp nauwelijks meer, waaraan het kan liggen, dat u de geheel duidelijke zin van Mijn woorden niet in staat bent te bevatten! Het begrip 'oordeel' kunt u niet begrijpen, en Ik heb het u toch overduidelijk gegeven en geheel uitge­legd".

 

Vers 19: "En dit is het oordeel, dat het licht in de wereld is gekomen en de mensen hebben de duisternis meer lief­gehad dan het licht, want hun werken waren boos".

 

"Ziet, dit is het oordeel, dat nu Gods Licht uit de hemelen in de wereld is gekomen; maar de mensen, nu zij uit de duisternis zijn weggehaald en in het licht geplaatst, houden desondanks meer van de duisternis dan van Gods nu volle Licht voor hun ogen! Dat de mensen het Licht niet willen, bewijzen hun werken, die door en door boos zijn. . . "

 

Vers 20: "Want ieder die kwade dingen bedrijft, haat het licht en komt niet tot het licht, opdat zijn werken niet bestraft worden".

 

"Wie van zulke werken houdt en die doet, is een vijand van het licht; hij haat het en zal alles doen om niet met zijn daden in het licht te komen, opdat zijn kwade werken, ­

waarvan hij weet, dat zij in het licht ontoelaatbaar en ge­oordeeld zijn - niet in hun slechtheid herkend en bestraft kunnen worden. Welnu, daarin bestaat het eigenlijke oor­deel; wat u echter onder het oordeel verstaat is niet het oordeel, maar slechts een straf, die op het oordeel volgt. Wanneer u ervan houdt in de nacht te lopen, is dat reeds een oordeel van uw ziel, dat u meer van de nacht houdt dan van de dag. Als u daardoor u gauw stoot en u pijn doet, of u valt in een greppel of een diep gat, is zo'n schok of zo'n val niet het oordeel, maar slechts een gevolg van het oordeel in u, daar u van de nacht houdt en de dag haat!"

 

Vers 21: "Maar wie de waarheid doet, komt tot het licht, opdat zijn werken openbaar worden. Want zij zijn in God verricht".

 

"Bent u evenwel een vriend van het licht en de dag, van de waarheid uit God, dan zult u ook overeenkomstig de goddelijke waarheid handelen en zult vurig wensen, dat uw werken in het licht voor allen zichtbaar mogen zijn en openbaar worden voor iedereen; want u weet dat uw wer­ken, omdat ze gedaan zijn in het licht der waarheid uit God, goed en rechtvaardig zijn en zodoende erkenning en open­lijke beloning verdienen!

Wie een vriend van het licht is, zal niet des nachts, maar overdag gaan en zal het licht direct herkennen, omdat hij uit het licht is en dit licht heet het geloof uit het hart. Wie derhalve gelooft aan de Zoon des mensen, dat deze een Licht uit God is, heeft reeds het leven in zich, en het gericht is juist het ongeloof zelf.

Ik denk, dat u Mij nu wel zult hebben begrepen".

Nicodemus zegt: "Nu is mij alles duidelijk op één ding na; en dat ene is juist de bijzondere Zoon des mensen zelf. Wat baat mij het geloof of de beste, vaste wil om aan de Zoon des mensen te geloven, als de Zoon des mensen zelf er niet is? Uit de lucht of uit een pure idee kan men geen Zoon des mensen scheppen. Zeg mij daarom, waar ik deze eeuwige Godszoon aantref en wees er van verzekerd, dat ik Hem met een volkomen geloof zal tegemoetkomen!"

Ik zeg: "Als Ik dat niet in u had gezien, zou u van Mij zo'n betoog niet hebben gekregen! Maar u kwam in de nacht en niet overdag tot Mij, hoewel u veel van Mijn daden hebt gehoord en gezien! Omdat u echter in de natuurlijke nacht naar de tijd, als ook in de met deze overeenkomende nacht van uw ziel tot Mijn kwam, is het ook zeer begrijpelijk, dat u de Zoon des mensen nog niet duidelijk is.

Ik zeg u: als iemand de Zoon des mensen zoekt in de tijdelijke nacht, omdat hij bang is dat overdag voor alle mensen zichtbaar te doen, opdat hij bij hen niet een slechte reputatie zal krijgen, die zal dat wat hij zoekt niet goed vinden. Want dat zult u als wijze onder de Joden wel weten, dat de nacht, wat voor een het ook is, het minst deugt om te zoeken en te vinden. Wie dus de Zoon des mensen zoekt, moet Hem overdag en niet 's nachts zoeken; dan zal deze wel te vinden zijn.

Alleen dit zeg ik u: ga naar Johannes, die nu immers met water te Enon bij Salim doopt, die zal u zeggen of de enig­geboren Zoon van God er al is of nog niet! Daar zult u Hem leren kennen!"

Nicodemus zegt: "Ach, lieve meester, dat zal moeilijk gaan. Want ik ben dagelijks overstelpt met allerlei zaken en kan me daar niet gemakkelijk aan onttrekken! . .. Zo dikwijls U echter met Uw jongeren naar Jeruzalem zult komen, kom dan bij mij en ik zal U een goed onderdak geven! In mij zult U met allen die bij U zijn, steeds een oprechte vriend en beschermer vinden. . . Wat ook maar onder mijn gezag staat, zal U steeds tot dienen bereid zijn!

Want ziet, in mij is een grote verandering gekomen. Ik heb U lief, goede Meester, meer dan alles wat mij ooit dierbaar was en deze liefde zegt mij: U Zelf bent juist degene, voor wie U mij naar Johannes bij Enon hebt verwezen. Misschien is het ook niet zo, als ik het in mij voel; maar het zij zoals het is, ik heb U van gans er harte lief, daar ik in U een grote Meester van de echt goddelijke wijsheid erken. Hebben Uw daden, die vóór U wel niemand heeft verricht, mij reeds met diepste verwondering vervuld, Uw grote wijsheid heeft mij in mijn hart nog meer gevangen genomen voor U, 0 lieve Meester! Ik heb U lief! Zeg mij toch, spreekt mijn hart  een goed getuigenis over U uit?"

Ik zeg: "Heb nog een klein poosje geduld en alles zal u duidelijk worden. Binnenkort zal Ik weer tot u komen en zal uw gast zijn, dan zult u alles te weten komen.

Doe maar wat uw hart u ingeeft, dat zal u in één keer meer zeggen dan alle vijf boeken van Mozes en alle profe­ten samen. Want zie, in de mens is niets waar, dan alleen de liefde. Houdt u daarom aan haar, en u zult in het dag­licht wandelen".

 

3.

 

Uit de levensschool van de Heer

 

"Wie het van Mij leert en tot Mij komt in de levensschool door het geloof aan de enige, alleen ware God, door de liefde tot Hem en daardoor de liefde tot de naaste en dan naar Mijn leer leeft en handelt, die is een ware leerling van Mijn school En dit is de enig ware en goede levens­school voor elk mens, die in deze school wil binnengaan en daarin onveranderlijk wil blijven tot aan het einde van zijn aardse leven. Alleen in deze school zal hij het eeuwige leven in het hiernamaals voor zijn ziel vinden, en de dood en het gericht van de materie zullen van hem wijken".

 

(Gr. Ev. Joh. IX/155 (9))

 

a) De 'fundamentele kern' van de leer van Jezus

 

Gr.Ev.Joh.III /53(6 - 16)) (De Heer tot Suetal) Zoals men al het goede alleen daarom moet liefhebben, omdat het goed is en daarom waar, zo wil ook God dat men alleen van Hem houdt, omdat Hij alleen in hoogste mate goed en waarachtig is. Je naaste moet je daarom evenzo liefhebben, omdat hij evenals jij het evenbeeld van God is en evenals jij een goddelijke geest in zich draagt.

Zie, dat is welbeschouwd de fundamentele kern van de leer, en door deze nieuwe leer zo nauwgezet mogelijk in acht te nemen, wordt de aanvankelijk zeer gebonden geest in de mens steeds vrijer, groeit en doordringt tenslotte de gehele mens en trekt zodoende alles in zijn leven, wat Goddelijk leven is en bijgevolg eeuwig zal duren en wel in de hoogst mogelijke zaligheid.

Elk mens, die zo in wezen in zijn geest wordt wedergeboren, zal nooit een dood zien, voelen of smaken en het los wor­den van zijn vlees zal hem zalige vreugde zijn. Want de geest van de mens, die zo geheel een is met zijn ziel, zal gelijken op een mens in zware gevangenschap, die door een heel klein venster kan uitzien in de mooie landouwen der aarde en kan zien, hoe vrije mensen opgewekt daarin met allerlei nuttige dingen bezig zijn, terwijl hij nog in de gevangenis moet smachten. Hoe blij zal hij zijn, als de ge­vangenisbewaarder komt, de deur opent, hem van alle ketenen bevrijdt en tot hem zegt: "Vriend, je bent vrij van alle verdere straf, ga heen en geniet nu de volle vrijheid".

Zo gelijkt de geest van de mens op de levensvrucht van een embryo-vogeltje in het ei; als het door de broedwarmte rijp is geworden in de schaal die hem omsluit, breekt hij die open en verheugt zich in zijn vrije leven.

Dat kan de mens slechts bereiken door zich nauwgezet en oprecht te houden aan de leer, die de Heiland uit Nazareth nu aan de mensen verkondigt. - En dan ontvangt de mens als hij in de geest steeds meer is wedergeboren, ook andere volkomenheden, waarvan de louter natuurlijke in het vlees zijnde mens zich geen voorstelling kan maken. De geest is dan een macht in zich, aan de Goddelijke gelijk; wat zo'n voleindigde geest in de mens dan wil, dat gebeurt, omdat er buiten de levenskracht van de geest in de ganse oneindig­heid Gods geen andere macht en kracht kan zijn. Want alleen het ware leven is heer en schepper, onderhouder, wetgever en bestuurder van alle creatuur, en daarom moet zich alles voegen naar de macht van de eeuwig alleen levende geest.

 

b) Zelfbeschikking en liefde van de daad

 

Gr.Ev.Joh.III/241 (2 - 10) (Raphaël tot Mathaël) Je weet dat elk mens zichzelf uit vrije wil, geheel onafhankelijk van de goddelijke wil, moet ontwikkelen en vormen naar de welbekende goddelijke orde, om op die manier een vrij Godskind te worden. - Het krachtigste en dus meest werk­zame middel daartoe is de liefde tot God en in dezelfde mate de liefde tot de naaste. De ware deemoed, zacht­moedigheid en geduld staan de liefde terzijde, omdat de ware liefde zonder deze drie naast zich in het geheel niet kan bestaan en geen ware en reine liefde is.

Hoe kan nu de mens in zich gewaar worden, dat hij zich getrouw bevindt in de reine liefde naar de goddelijke orde? De mens dient zichzelf te onderzoeken of hij, als hij een arme broeder of arme zuster ziet of deze zelf tot hem om hulp komen, zich in zijn hart geheel liefdevol en zichzelf vergetend gedrongen voelt, blijmoedig te geven. Voelt hij dat ernstig en levendig in zich, dan is hij als een waar Godskind reeds rijp, en de gegeven beloften, die een Gods­kind heeft te verwachten, beginnen werkelijkheid te wor­den en tonen zich op wonderlijke wijze in woord en daad, en daardoor wordt U gerechtvaardigd als leraar voor Uw volgelingen te treden.

Die volgelingen echter, bij wie de beloften niet openbaar worden, zullen dat aan zichzelf moeten toeschrijven, want zij hebben hun hart nog niet geheel geopend voor de arme naasten der mensheid.

De liefde tot God en het vrijwillig opvolgen van Zijn als waar erkende wil zijn het eigenlijke element van de hemel in het mensenhart. Het is de woonplaats van de Goddelijke geest in elk mensenhart; de naastenliefde echter is de poort tot deze heilige woning. Deze poort moet geheel geopend zijn, opdat Gods levenskracht in zo'n woning kan binnen­trekken, en de deemoed, zachtmoedigheid en geduld zijn de drie ver geopende ramen, waardoor de heilige woning van God in het mensenhart door het krachtigste Licht uit de hemelen volkomen helder wordt verlicht en met alle levenskracht uit de hemelen wordt verwarmd.

Alles ligt dus aan de vrije en vol vreugde vrijuit bedreven naastenliefde; de hoogst mogelijke zelfverloochening is de openbaring van de beloften zelf. - Daar heb je nu het juiste antwoord op de allerbelangrijkste levensvraag. Overdenk haar en doe daarnaar, dan zullen jullie gerechtvaardigd voor jezelf, voor jullie broeders en voor God staan! Want wat nu de Heer Zelf doet, dat zullen ook de mensen moeten doen, om Hem gelijk en dus Zijn kinderen te worden.

 

c.) De poort der zelfverloochening

 

Gr.Ev.Joh. IV/1 (4 - 6,9 - 12) (De Heer tot Mathaël)

Waarlijk Ik zeg allen: Niemand zal tot Mij komen, als de Vader hem niet tot Mij zal trekken! Gij allen moet door de Vader, dus door de eeuwige Liefde in God, beleerd zijn, als gij tot Mij wilt komen. Ieder moet volkomen zijn, zoals de Vader in de hemel volkomen is! Maar het vele weten, evenals de rijkste ervaring, zal je daar niet brengen, maar alleen de levende Liefde tot God en in dezelfde mate tot de naaste: daarin ligt het grote geheim van de Wedergeboorte van je geest uit God en in God. ­

Doch ieder zal van te voren met Mij door de enge poort der volle zelfverloochening moeten gaan, tot hij wordt, zoals Ik ben. Een ieder moet ophouden, zelf iets te zijn, om in Mij alles te kunnen worden.

God boven alles liefhebben, betekent: in God geheel op­gaan en ingaan - en de naaste liefhebben betekent even­eens: in de naaste geheel ingaan, anders kan men hem niet geheel liefhebben; een halve liefde baat noch hem, die lief­heeft, noch degene die men liefheeft.

Daarin ligt de hoogste wijsheid, dat men wijs wordt door de meest levende liefde. Alles weten is echter zonder de liefde tot geen enkel nut! Bekommer je daarom niet zozeer om veel te weten, maar dat je veel lief hebt, dan zal de liefde je geven, wat geen weten ooit kan geven.

Wat baat het jullie voor Mij, als je je bijna zou willen op­lossen van verwonderen over Mijn macht, grootheid en nooit te doorgronden heerlijkheid, - en buiten jullie huis zouden arme broeders en zusters wenen van honger, dorst en kou?! Hoe ellendig en geheel nutteloos zou een luid jubel - en lofgeschal ter ere en tot roem van God zijn, ter­wijl men op de ellende van de arme broeder geen acht gaf! Wat voor nut hebben alle rijke en pronkvolle offers in de tempel, als voor diens deur een arme broeder versmacht van honger?! - Daarom dient jullie onderzoeken vooral op de ellende van je arme broeders en zusters gericht te zijn; breng die hulp en troost! Dan zul je in een broeder, die je hebt geholpen, meer vinden dan wanneer je alle ster­ren zou hebben bereisd en Mij geprezen met tongen van de Seraphim!

Waarlijk, Ik zeg jullie, alle engelen, alle hemelen en alle werelden met al hun wijsheid kunnen je in eeuwigheid niet geven, wat je bereiken kunt, als je een broeder, die er ellen­dig aan toe was, waarachtig hebt geholpen met al je kracht en middelen! Niets staat hoger en dichter bij Mij dan alleen de ware liefde van de daad!

 

d.) Het geloof gaat vooraf

 

Gr.Ev.Joh. V/213 (8 - 9) (De Heer tot Epiphan) Bij het aanhoren van een nieuwe leer mag men het geloof tenmin­ste in het begin niet missen. Men kan de leren en hun grondslagen wel goed onderzoeken, - maar er behoort ook toe, dat men haar op grond van de autoriteit en waar­achtigheid van de leraar als waarheden van hoge waarde heeft aangenomen, ook zonder het direct tot op de bodem te begrijpen; want dat komt pas met de vervulling van dat­gene, wat de leer als voorwaarde in zichzelf heeft opge­steld. Komt dat niet te voorschijn, dan pas zou men schou­derophalend kunnen zeggen: "Of de leer was uit de lucht gegrepen, of de gestelde voorwaarden zijn nog niet geheel aan mij vervuld!" Dan is het tijd, met de meester eerst nader te spreken en inlichtingen in te winnen, of het ge­trouw in acht nemen van de beginselen van de nieuwe leer ook bij niemand anders de gehoopte werking heeft teweeg gebracht. Heeft zij dan bij iemand anders wel gewerkt, alleen niet bij jou, dan zou de schuld toch blijkbaar alleen aan jou kunnen liggen en dan zou je menig verzuim en nalatigheid ijverig moeten inhalen, om ook hetzelfde te be­reiken, wat je buurman heeft bereikt.

 

e.) Zelfkennis en Godskennis

 

Gr.Ev.Joh. V/215 (1 - 7) (De Heer tot Epiphan) Mijn doel en leer bestaat eenvoudig daaruit, de mens te tonen, waar hij eigenlijk vandaan komt, wat hij is en waarheen hij moet komen en ook zal komen naar de volle waarheid. Reeds de Griekse wijzen hebben gezegd: "Het moeilijkste, belang­rijkste en hoogste weten ligt in de naar mogelijkheid meest volkomen zelfkennis". Zie, dat nu is juist Mijn doel; want zonder deze kennis is het onmogelijk, een allerhoogst Goddelijk Wezen als de grond van alle worden, zijn en be­staan te kennen en te begrijpen. Wie dat echter niet inziet en zijn leven, denken en streven niet richt op het enig ware levensdoel, zichzelf en een allerhoogst Goddelijk Wezen als de eeuwige, diepste grond van alle zijn en worden geheel te kennen, die is zo goed als verloren.

Want elk ding, dat in zijn binnenste geen geheel en al op­nemende en in al zijn delen vasthoudende en steeds meer en meer onveranderlijke vastheid heeft, valt spoedig uiteen en gaat als dat, wat het was, geheel te gronde. Zo ook de mens, die in en met zichzelf en in en met God niet geheel een is geworden. Dat een worden kan de mens alleen daar­door bereiken, als hij zich en daardoor onvermijdelijk ook God als de diepste grond van zijn bestaan volledig leert te zien en naar zo'n inzicht werkzaam wordt in al zijn levens­sferen.

Is een mens aldus in zich rijp en gedegen geworden, dan is hij dan ook een heer geworden van alle uit God voort­vloeiende krachten en daardoor ook een meester geworden van alle creatuur, geestelijk en materieel; hij is absoluut door geen enkele kracht meer te vernietigen en heeft dan dus het eeuwige leven. - En ziet, dat is nu ook het totale eigenlijke wezen van Mijn gehele nieuwe leer, die echter in de grond eigenlijk een alleroudste leer vanaf het begin van de mens op aarde is! Zij is alleen door de traagheid van de mensen verloren gegaan en wordt door Mij als het ver­loren gegane oeroude Eden (Je den = het is dag) aan de mensen, die van goede wil zijn, nu weer als nieuw gegeven.

 

f.) Het geweten en de invloed der engelen

 

Gr.Ev.Joh. 111/232 (1-14) (Raphaël tot Mathaël) Meen je, dat wij talloze engelgeesten, en ik hier in het bijzonder, de Heer alleen op deze heuvel ten dienste staan? Zie, zoals hier nu voor je ogen zichtbaar is, staan wij de Heer steeds tot hoge dienst bereid en dragen Zijn wil van de ene on­eindigheid naar de andere; en wees er van verzekerd, dat wij je in je Pontus Iandstreek zeker zullen vinden en je steeds van alles in kennis zullen stellen, wat je naar Gods orde moet weten. Er moge gebeuren wat er wil, als je wil blijft zoals hij nu is, zul je van alles wat voor je nodig is om te weten in een oogwenk in kennis gesteld worden en meer heb je ook niet nodig.

Zou je evenwel als koning in de gewoonlijke hoogmoed van de heerser vervallen en je zodoende afwenden van de Heer en dus ook van ons, dan zou je zeker niets meer er­varen van Gods rijk en Zijn onmetelijke genade! Maak je daarom om niets anders bezorgd, dan dat je blijft in de vol­le liefde en genade van de Heer, - al het andere zal je vanzelf ten deel vallen!

Zou je je van alles, wat de Heer verder nog op deze aarde persoonlijk zal doen, zelf hebben kunnen overtuigen, en je zou je dan toch nog op de een of andere manier door de wereld laten verleiden, dan zou je al hetgeen je gezien en gehoord had even zo veel baten, als wanneer je niets gezien of gehoord had! Zo je voortaan echter blijft in de genade en liefde van de Heer, doordat je je door de wereld niet laat verblinden, maar de Heervoortdurend lief hebt boven alles en al je naasten als je zelf, dan zul je, al was je ook in de meest vreemde en verst verwijderde wereld, nochtans in alles worden ingewijd wat de Heer zal doen, - voorzover dat voor het heil van je ziel nodig is. Ben je daarmee tevreden?

Mathaël zegt: Mijn hoge vriend uit Gods hemelen! Ik ben daarmee geheel tevreden en heb niets meer nodig behalve dit ene, dat ik door je word gemaand, indien ik door zo vele omstandigheden ook maar iets afwijk van de Heer en van Zijn orde. Want zo'n por op het juiste moment is meer waard dan een wereld vol met de grootste schatten!

Raphaël zegt: Ook dat zou zonder dat je het vroeg altijd zijn gebeurd. Want elk mens heeft een geestelijk orgaan in zijn hart, dat voor ons engelen steeds open staat en on­gehinderd toegankelijk is. Dit orgaan geeft de eenvoudige begrippen weer: goed - slecht, waar - onwaar, recht ­- onrecht. Doe je meteen het goede, ware en rechte, dan wordt door ons het bevestigende en goede deel aangeroerd, en in je ontstaat daardoor het weldoende gevoel, dat je goed en juist hebt gehandeld en gesproken. - Maar heb je eens niet goed gehandeld en gesproken, dan wordt door ons het tegengestelde deel van het orgaan opgewekt en een angst zal je overvallen en je zeggen, dat je buiten de godde­lijke orde bent getreden. En dit orgaan wordt in morele taal heel treffend het geweten genoemd.

Je kunt je op deze stem getrouw verlaten, zij zal je nooit en nimmer bedriegen! Of het moest zijn dat iemand dit orgaan zo liet afstompen, dat het tenslotte als een te materieel geworden orgaan de aanraking door ons engelen geheel niet meer waarnam; dan zou het geestelijke deel van de mens zonder meer zo goed als geheel verloren zijn! Maar dat zal bij jou zeker wel niet gebeuren, omdat je in de genade en liefde van de Heer reeds een te grote vordering hebt gemaakt en de Heer jou met je metgezellen geheel heeft veranderd en vernieuwd. Je ziel is weliswaar nog de oude, waarin de liefde van de Heer als Zijn Geest reeds zeer sterk is beginnen te werken; maar je oude, verkeerde vlees is door de Heer omgevormd, zodat het niet meer op je ziel drukt. - Binnenkort zal je liefde tot de Heer door de werkzaamheid van de naastenliefde worden tot een intens gegeven en vaste vorm aannemen; dan zul je in Geest en Waarheid wedergeboren zijn en de geestelijke verbintenis aangaan met de Oerliefde in God en daardoor ook daar­mede één worden.

Daardoor zal dan Gods Liefde tegenover jou ook pas wer­kelijk in je beleefd worden en vorm aannemen, en je zult dan God steeds kunnen zien en spreken en de Heer zal, zoals hier nu lichamelijk voor je zichtbaar en voor je hart verneembaar, je Leider en Leraar zijn en blijven voor altijd. En er zal geen mogelijkheid meer zijn je van de Heer af te wenden, want je zult in willen en erkennen als een echte en ware zoon van de Eeuwige Vader volledig één met Hem zijn.

 

g.) Vermaning tot verzoenlijkheid

 

Gr.Ev.Joh. V/250 (4) (De Heer tot Petrus) Het spreekt vanzelf, dat in deze wereld voor grote en grove misdadigers ten aanzien van de rechten van de mensen ook geweldige en grote wereldgerichten moeten zijn en bestaan, daar an­ders tenslotte niemand meer zeker van zijn leven zou zijn. Maar wat betreft de meer kleine afdwalingen, die niet zel­den gebeuren onder de mensen, deze zullen voor de rech­terstoel van het barmhartige en verzoenlijke hart worden vereffend, opdat uit de kleine vergissingen van de mensen onder elkaar geen grote en zware misdaden zullen voort­komen; want waarlijk Ik zeg: roof, moord en doodslag zijn uiteindelijk toch niets anders dan gevolgen van aanvanke­lijk kleine afdwalingen der mensen onder elkaar, uit louter kleine, wereldlijke overwegingen van eigenbaat en eigen­dunk en op zichzelf gericht zijn.

 

Gr.Ev.Joh. IV/78 (1 - 5) (De Heer tot Zorel) Wie zijn ge­breken berouwvol bekent en boete doet in de ware, leven­de deemoed van zijn hart, die is Mij liever dan negenen­negentig rechtvaardigen, die nog nooit behoefte tot boete hebben gevoeld. Kom daarom nu tot Mij, boetvaardige vriend; want in je heerst nu het echte gevoel van deemoed, dat Mij liever is dan dat van de rechtvaardigen vanaf het eerste begin, die in hun hart roepen: "Hosannah, God in den hoge, dat wij Uw heilige Naam nooit hebben ontheiligd door een zonde willens en wetens!" dat roepen ze wel en ze hebben ook recht daartoe, maar daarom zien ze ook een zondaar met de ogen van een rechter aan en vlieden zijn nabijheid als de pest!

Kom daarom maar tot Mij, en Ik zal je de enige ware weg van het Leven en de Liefde wijzen en de ware Wijsheid uit haar! - Kijk vriend, de weg die tot het leven van de Geest leidt, is doornig en smal. Dat betekent zoveel als: alles, wat je ooit in dit leven aan erge, bittere en onaangename dingen kunt ontmoeten, bestrijd dat met alle geduld en zacht­moedigheid; en wie je kwaad doet, doe hem niet hetzelfde terug, maar het tegendeel, dan zul je gloeiende kolen op zijn hoofd stapelen! Wie je slaat, die vergeld je niet leer om leer - neem liever nog een slag van hem in ontvangst, opdat er vrede en eendracht tussen jullie mag zijn en blijven; want alleen in vrede gedijt het hart en groeit de geest in de ziel.

 

h.) De vrije wil is steeds te respecteren

 

Gr.Ev.Joh. VIII /43 (7) (De Heer) Laat ieder zijn vrije wil en leg niemand een verplichting op; want jullie weten nu, dat iedere morele dwang geheel tegen Mijn eeuwige orde is! En wat Ik niet doe, doen jullie dat evenmin!

 

i.) Naastenliefde

 

De ware naastenliefde bestaat daarin, dat men zijn naaste alles doet, waarvan men redelijkerwijs kan wensen, dat hij het iemand ook doet.

Gr. Ev. Joh. VII/94 (17)

 

Gr.Ev.Joh.VII/140 (1,3,11 - 12) (De Heer tot Agrippa) In de dagen van deze duistere tijd lijdt het rijk Gods geweld en die het willen bezitten, moeten het ook met geweld tot zich trekken, wat zoveel wil zeggen, dat het nu een zware taak is, zich vrij te maken van alle oude en ingeroeste gewoonten, die door de prikkelingen en verlokkingen van de wereld in de mens wortel hebben geschoten, dus de oude mens als een oud, verscheurd gewaad geheel uit te trekken en uit Mijn leer een geheel nieuwe mens aan te trekken.

Mijn leer verlangt van de mens niets, dan dat hij in de ene, ware God gelooft en Hem als de goede Vader en schepper boven alles lief heeft en zijn naaste als zichzelf. - Het is echter niet genoeg, dat men Mij kent en gelooft, dat Ik de Heer ben, maar men moet ook doe n, wat Ik leer; want pas door de daad zal de mens tot het volle evenbeeld van God kunnen geraken. Maar het doen naar Mijn leer zal zeker niet zwaar zijn voor hem, die Mij goed heeft leren kennen en Mij meer lief heeft dan alles wat in de wereld is; wie Mij alzo lief heeft, draagt Mij geestelijk ook reeds in zijn hart en zodoende ook de voleinding van het leven, dus het evenbeeld van God, en in volle zaligheid het eeuwige leven.

 

Gr.Ev.Joh. IV/39 (1) (De Heer tot Cyrenius) Zie, daarin ligt praktisch de verklaring van alle wetten van Mozes en alle profetie van alle profeten: Heb God als je eeuwige Vader boven alles lief en je arme en vaak zieke broeders en zusters in alle omstandigheden als je zelf, dan zul je als ware, naar de ziel gezonde kinderen van de eeuwige Vader in de hemel even volkomen zijn als Hij Zelf volkomen is,­waartoe je welbeschouwd bent geroepen! Want wie niet even volkomen wordt als de Vader in de hemel volkomen is, zal niet tot Hem komen en voor eeuwig aanzitten aan Zijn dis.

 

Gr.Ev.Joh. IV /79 (5 - 9) (De Heer tot Zorel en anderen) Wie van jullie van harte een vriend der armen zal zijn, die zal ook Ik een vriend en ware broeder zijn voor tijd en eeuwig­heid, en hij behoeft de innerlijke wijsheid niet van een andere wijze te leren, maar Ik zal ze hem geheel in zijn hart geven. Wie zijn naaste arme broeder zal liefhebben gelijk zichzelf en een arme zuster niet zal uitstoten, van welke stam of leeftijd zij ook is, tot die zal Ik Zelf steeds komen en Mij getrouw aan hem openbaren. Tot zijn geest, die de Liefde is, zal Ik het zeggen, en deze zal daarmede de gehele ziel en haar mond vullen. Wat deze dan spreken of schrij­ven zal, dat zal door Mij gesproken en geschreven zijn voor alle tijden.

Maar de hardvochtige ziel zal aangegrepen worden door boze geesten, en deze zullen haar verderven en haar aan een dierziel gelijk maken, zoals zij dan ook in het hierna­maals openbaar zal worden.

Geeft graag en geeft rijkelijk; want zoals jullie uitdeelt, zo zal je ook weer teruggegeven worden! Een hardvochtig hart zal door Mijn genadelicht niet worden doorbroken, en in hem zal de duisternis en de dood wonen met al haar ver­schrikkingen. - Maar een zacht en gevoelig hart zal door Mijn genadelicht, dat van zeer tedere aard en uitermate rechtvaardig is, zeer spoedig en gemakkelijk doorbroken worden en Ik Zelf zal dan intrekken in zo'n hart met de volheid van Mijn Liefde en Wijsheid. - Dat kun je zeker geloven! Want deze woorden zijn leven, licht, waarheid en volbrachte daad, wier realiteit ieder moet inzien, die zich daarnaar zal keren.

 

Gr.Ev.Joh. V/126 (9) (De Heer tot Mathaël) De ware, edele en verstandige naastenliefde is voor dit aardse leven de meest betrouwbare peilstok, om te doorgronden, of en hoe rein het er in een ziel uit ziet. Gebruik deze daarom vooral, dan zul je daarvan zeer spoedig de meest zegenrijke vruchten in je oogsten voor de schuren van het eeuwige leven in het licht van Mijn Geest!

 

Gr.Ev.Joh. VIII /120 (7 en 6) (De Heer tot een herbergier) Een vreemde arme is honderd maal armer dan een arme ingezetene, die bij al degenen, die zijn nood kennen, nog wel hulp kan vinden; maar de vreemde arme lijkt op een onmondig kind, dat zijn nood nog aan niemand kenbaar kan maken, behalve door te huilen. Wees daarom barm­hartig tegen vreemden, dan zul je ook in de hemel barm­hartigheid en opname vinden; want voor de hemel zijn jullie tot nu toe nog louter verongelukte vreemdelingen op de aardse tocht daarheen! Waarlijk, wie zonder eigenbaat, uit puur zuivere naastenliefde een vreemde helpt, die is ook een zeer grote vriend van God, is reeds op deze aarde aan de engelen des hemels gelijk en heeft de volheid van het Gods­rijk reeds in zijn hart.

 

Gr.Ev.Joh. XI/75 (blz.213) De naastenliefde is de weg tot de liefde tot God. Daar de mens Jezus dit gebod uiterst nauwgezet vervulde, groeide in hem ook de liefde tot God, zodat hij tenslotte in haar kon opgaan. De zonde had geen macht over hem; want zijn streven was, door de van aan­vang af reeds zichtbare weg der naastenliefde, die zich openbaart door uiterlijke werken, tot de innerlijke, on­zichtbare weg der liefde tot God te geraken.

 

j.) Over het bidden

 

Gr.Ev.Joh. IX/87 (4 - 6) (De Heer tot Zijn jongeren) De mensen moeten zich in het ware bidden steeds oefenen en daarin niet traag worden; want een goed en vast ver­trouwen wordt de mens ook eigen door goede oefening, die de leerling nog steeds tot meester heeft gemaakt. – Een van alle aardse goederen welvoorzien mens verleert al gauw het ware bidden vol geloof. Wordt hij tenslotte eens door nood getroffen, dan begint ook hij wel door gebed bij God hulp te zoeken; maar inwendig heeft hij er te weinig vertrouwen in, dat hij bij God verhoring zal vinden, en de oorzaak ligt blijkbaar in gebrek aan oefening in het leven­de, volle vertrouwen in God. - Waardoor kan de mens dan zijn vertrouwen in God beter versterken, dan door oefening, bestaande uit bidden en vragen zonder op­houden? !

 

k.) Over de wetenschap van het overeenkomende

 

Gr.Ev.Joh. IX/93 (4 - 7) (De Heer tot een schriftgeleerde) Het is met het horen, zien, voelen, denken, spreken en de schrift van de geest anders gesteld dan hier bij de mensen in de natuurlijke wereld, want de levensomstandigheden van de geest en de ziel zijn van geheel andere aard dan die van het lichaam. En daarom kan dat, wat een geest doet of spreekt, alleen langs de weg van de oude wetenschap van het overeenkomende voor de natuurmens begrijpelijk worden gemaakt. - Hebben de mensen deze wetenschap door hun eigen schuld verloren, dan hebben zij zichzelf buiten het verkeer met de geesten van alle regionen en hemelen gesteld en kunnen daarom het geestelijke in de Schrift niet meer vatten en begrijpen en daarvan inzien, dat de letter dood is en niemand levend kan maken, maar dat het alleen de innerlijk verborgen zin is, die, zelf leven zijnde, alles levend maakt.

Als je dat nu begrijpt, streef er dan ook in de eerste plaats naar, dat het Godsrijk in je levend en geheel werkzaam wordt. Dan zul je ook weer tot de genoemde wetenschap van het overeenkomende tussen materie en geest komen. Zonder deze zul je noch Mozes, noch enige profeet ooit in de diepte van de levende waarheid kunnen begrijpen en daardoor zul je je genoodzaakt voelen in ongeloof en aller­lei twijfels en zonden te vervallen! - Streef er daarom vóór alles naar, dat je zo spoedig mogelijk in de geest wederge­boren en ziende wordt, anders zul je duizenden gevaren die op je loeren en je dreigen te verslinden, niet ontgaan!

 

l.) Deemoed en zelfrespect

 

Gr.Ev.Joh. VII /141 (4 - 12) (De Heer tot Agrippa)

Wanneer alle schepselen beslist Gods werk zijn, dan zijn het ook werken uit Zijn liefde. Je bent immers zelf louter liefde uit God en in God en je bestaan is in wezen door de wil van Gods liefde zelf belichaamde liefde van God! God heeft je zozeer lief, dat Hij Zelf in mensengestalte tot je is gekomen en nu de weg leert tot het vrije en als uit jezelf voortkomend godgelijk zelfstandig leven!

God is van eeuwigheid een allervolkomenste meester, zo­wel in het grootste als in het kleinste. Hij is nooit een knoeier en stumper geweest en hoeft Zich bijgevolg over Zijn werken niet te schamen. De mens nu is het meest vol­komen van de talloos vele, eindeloos verschillende schep­selen, het culminatiepunt van goddelijke liefde en wijsheid en ertoe bestemd, zelf een god te worden. Hoe zou God zich dan voor Zijn zo voortreffelijke werk schamen en het onwaardig vinden, dat te benaderen? Zie, zulke louter uiterlijke, wereldlijke ideeën van God moet je laten varen! Ze zijn verkeerd en zijn niet dienstig, dat je daardoor God steeds meer naderbij kunt komen, maar zulke verkeerde ideeën zouden je slechts steeds meer van God verwijderen, en mettertijd zou je zodoende, vanwege louter verkeerde eerbied, het helemaal niet meer durven Hem lief te hebben.

Let wel! Ik alleen ben de Heer van Eeuwigheid, - hoe ben Ik dan nu onder jullie? Ziet, Ik noem jullie kinderen, vrienden en broeders, en wat je bent tot Mij, dat is naar zijn bestemming elk mens, en er is geen minder en geen meer! Want elk mens is Mijn volmaakte werk, dat zich als zodanig ook moet kennen en gerechtvaardigd achten, maar niet ge­heel miskennen en zichzelf verachten; want wie zich, als toch kenbaar Mijn werk, veracht, die veracht immers bij­gevolg ook Mij, de Meester.

Vrienden, de deemoed in het hart van de mens is een der meest noodzakelijke deugden, waardoor men het eerst tot het innerlijke Levenslicht kan komen! Maar deze deugd bestaat eigenlijk alleen in de ware liefde tot God en tot de naaste. Zij is het zachte geduld van het hart, waardoor de mens wel zijn eigen voortreffelijkheid kent, maar zich nooit overheersend boven zijn nog veel zwakkere broeders ver­heft. Hij omvat ze slechts met des te meer liefde en tracht ze te verheffen tot zelf erkende hogere voleinding door onderricht, raad en daad. Daaruit bestaat de eigenlijke en alleen ware deemoed; maar in de verachting van zichzelf bestaat zij nimmer. - Wie zichzelf niet goed acht als een werk van God, die kan ook zijn naaste en ook God niet naar waarheid achten, maar alleen maar een of andere totaal verkeerde motivering.

 

m.) Wellust verhindert de geestelijke ontwikkeling

 

Gr.Ev.Joh. VII/41 (8 - 13) (De Heer tot Agrikola) Een goed, met verstand, wijsheid en zelfverloochening gepaard gaand huwelijk verhindert de geestelijke wedergeboorte niet, maar de wellustigheid maakt haar onmogelijk. Vliedt deze daarom erger dan de pest!

Wellustelingen van beiderlei geslacht, zij het ook dat zij na enige tijd geheel tot inkeer komen en door grote zelf­verloochening een geheel kuis leven beginnen te leiden en door zo'n echte boete ook de volledige vergeving van hun zonden verkrijgen, zullen toch de volledige geestelijke wedergeboorte moeilijk of niet bereiken, maar slechts ten dele; want de ziel van zo'n mens heeft genoeg te doen zich zo ver van haar vlees vrij te maken, dat zij de vermaningen van de Geest zoveel verneemt, als tot haar heil noodzake­lijk zijn. Zo'n mens kan weliswaar nog zeer goed en wijs worden en veel goeds doen; maar tot de wonderbaar machtige daadkracht zal hij moeilijk in alle volheid komen. Dat kan zo'n ziel pas in het hiernamaals verkrijgen.

Een dergelijke ziel lijkt op een mens, die jarenlang ziek was en tenslotte door een zeer goed geneesmiddel gezond is geworden. Zoals deze echter door gebrek aan inwendige ontwikkeling van spieren en zenuwen en de oefening daarvan niet gemakkelijk tot de volle lichaamskracht van een kerngezond mens kan komen, evenzo gaat het een lang ziek geweest zijnde ziel; ontbreekt van aanvang af de ware en zuivere liefde tot God, evenals het geloof en de wil, dan ontbreekt haar nog meer de oefening daarin, en de kracht van deze drie eigenschappen van het leven der ziel blijven bij een volledig gebeterde wellusteling toch steeds achter, hoewel in de hemel over de algehele bekering van een zondaar meer vreugde heerst, dan over negenen­negentig rechtvaardigen, die nooit boete hoefden te doen. Want wil de liefde, het geloof en de wil krachtdadig wor­den, dan moeten zij reeds vanaf de jeugd behoorlijk ge­vormd en dan goed geoefend worden. - Wie kinderen heeft, die dient ze reeds vanaf hun prille jeugd te oefenen in deze drie delen van de zuivere liefde tot God en even­eens van het geloof en de wil, en zij zullen dan met de over­winning van de wereld veel minder moeite hebben.

 

n.) Weten en wijsheid - weten en geloof

 

Gr.Ev.Joh. VII /183 (13 -14) (De Heer tot Lazarus) Ik heb je al veel verklaard en je ziet ook al veel in; maar hoofd­zaak is en blijft het onophoudelijk streven naar de volle wedergeboorte van de geest in de ziel; want alleen maar door haar wordt de mens pas in alle waarheid en wijsheid verheven en heeft dan een volkomen, samenhangend licht van het aardse tot in het zuiver geestelijk hemelse, en met het licht ook het eeuwige leven, wat dan oneindig meer is dan alle wetenschappen in alle dingen der natuur. - Wat zou het ook een mens baten, al zou hij ook alle dingen en verschijnselen in de hele wereld der natuur tot in alle bij­zonderheden kennen en kunnen beoordelen, maar van de wedergeboorte van de geest in de ziel was hij even ver ver­wijderd als deze aarde van de hemel?!

 

Gr.Ev.Joh. IX/132 (11 - 13) (De Heer tot Zijn discipelen) Het Rijk van God, dat in Mij in deze wereld is gekomen, is de meest zuivere en volkomen waarheid, zoals ook Ik de weg, de waarheid en het leven Zelf ben, waarvan Ik jullie toch zeker voldoende bewijzen heb gegeven. - Onthoudt echter goed, dat het steeds gemakkelijker is, de mens een of andere zaak verstandelijk bij te brengen, dan zijn gemoed tot een vast en onbetwist geloof te bewegen! Daarom dient men veel meer te streven naar het verkrijgen van het leven­de geloof, dan naar louter kennis; want alleen in kennis en weten is het leven niet, maar wel in het zuivere en door de werken der liefde levende geloof. - Het nog zo zuivere weten is een afbeelding der dingen en hun orde van deze wereld, die, zoals zij nu is, vergankelijk is evenals alle dingen in, op en boven haar; maar de zaken van het geloof zijn een Waar licht uit de hemelen, zijn een levend bestand­deel van het gemoed, de ziel en haar geest en zijn onsterfe­lijk en onvergankelijk.

 

o.) Het verschil tussen zaligheid en verdoemenis

 

Ed 58 (10 - 12) Er zijn talloze bedrieglijke kunsten, die er op zijn berekend, een ziel steeds dichter bij het eigenlijke wezen van de satan te brengen, opdat zij een met hem overeenstemmend deel zal worden. Dat kan echter nooit geschieden, daar elke ziel reeds een eigen geest in zich heeft en daarvan niet los kan komen, - welke geest het tegenovergestelde is van de satansgeest.

Wil zo'n ziel de satan benaderen, dan treedt de geest in haar steeds op als rechter en bestraffer en pijnigt de ziel van binnenuit als een onblusbaar vuur, door welke pijn de ziel weer - zover als mogelijk - van de satan wordt ver­wijderd, en vervolgens weer een betering ondergaat. Wil zij deze verbetering volgen, dan wordt haar dat ook steeds gemakkelijker, hoe meer zij de reinheid van haar in haar wonende geest benadert.

En als deze verbetering steeds voortschrijdt, kan zij ook tot zaligheid komen, wanneer zij wordt als haar geest. Want dat is het verschil tussen zaligheid en verdoemenis: in de zaligheid gaat de ziel geheel in de geest over en de geest is dan het eigenlijke wezen; maar in de verdoemenis wil de ziel de geest uitstoten en een andere, namelijk die van satan, aannemen. In dit geval wordt zij het meest on­gelijk aan de geest, tengevolge waarvan de geest in haar de volkomen tegengestelde polariteit in haar is. Als zodanig oefent de geest dan die tegenkracht uit, die voortdurend allerhevigst van de satan afstoot; hoe meer een ziel het wezen van de satan naderbij komt, des te heftiger is de reactie van de geest in haar tegen de satangeest. Deze reactie is dan voor de ziel een zeer pijnlijke gewaarwording en daarvandaan komt ook het lijden en de pijn van de hel, zoals deze reactie zich ook als het onuitblusbare vuur openbaart. En dat is ook de worm in de ziel, die niet sterft en wiens vuur niet dooft; en dat is dan een en hetzelfde vuur, dat in de engel de hoogste zaligheid en in de duivel de hoogste ongelukzaligheid teweeg brengt.

 

GS 11 /106 (8) Elke handeling heeft een door God dien­overeenkomstig bepaald gesanctioneerd gevolg. Dat gevolg is het onveranderlijke oordeel, dat uit elke handeling voort­vloeit. Het is door de Heer zo bepaald, dat elke handeling, hetzij goed hetzij boos, zichzelf oordeelt.

 

p.) Wat is dan de Geest?

 

GS 11 /79 (12 - 13) Wat is dan de geest? De geest is het eigenlijke levensprincipe van de ziel, en de ziel is zonder de geest niets dan een substantieel etherisch orgaan, dat wel alle geschiktheid bezit tot opname van het leven, maar zonder de geest niets is dan een substantieel geestelijk­ etherische poliep, die zijn armen voortdurend naar het leven uitstrekt en alles inzuigt, wat met zijn natuur overeen­komt.­

De ziel zonder de geest is dus alleen maar een stomme, polaire kracht, die de botte zin naar verzadiging in zich draagt, maar zelf geen oordeelskracht bezit, waaruit haar duidelijk zou worden, waarmee zij zich verzadigt en waar­toe haar verzadiging dient.

 

GS 11 /71 (9 -14,18) Om de wedergeboorte van de geest te verkrijgen is het nodig acht te geven op die heilige school van het leven, in al haar onderdelen, die de grote heilige Meester van alle leven uit Zijn eigen heilige mond aan de mensen op aarde heeft gepredikt en heeft bezegeld met Zijn eigen bloed!

Wie niet krachtdadig aan zich wil werken, zoals in deze school is aangegeven, die moet het aan zichzelf toeschrij­ven, als hij daardoor het leven van zijn geest verbeurt.­Het is wel zeker, dat iedere nog zo eenvoudige bezitter van een bepaald goed zal weten, wat hij bezit en wat voor waarde dat voor hem heeft. Als iemand echter bezitter is van het eeuwige leven in de geest, zeg Mij, kan die dan wel vragen of zijn ziel en zijn geest met het lichamelijke leven zullen vergaan of niet?

Maar diegenen, die ware leerlingen zijn of dat waren in de eeuwige levensschool van de Heer, verachtten de lichame­lijke dood en wachtten in grote vreugde en zaligheid slechts op de volledige verlossing van de zware, uiterlijke levensbanden van de wereld. Zij getuigden van de waarheid van de levensschool in de Heer - als martelaren met hun bloed.

Wie niet wordt wedergeboren in zijn geest, zal niet ingaan in het rijk der hemelen of het eeuwige leven.

 

4.

 

Uit de leer van de ziel

 

Alle materie van de hardste steen tot aan de ether hoog boven de wolken is ziele-substantie. En haar bestemming is weer in het zuiver geestelijke Zijn over te gaan.

(Gr.Ev.Joh. VI/133 (3))

 

a) Wezen en doel van de materie in het proces van de ont­wikkeling der ziel

 

Gr.Ev.Joh. VI /133 (3 - 6) (De Heer) Alle materie van deze aarde - van de hardste steen tot aan de ether hoog boven de wolken - is zielesubstantie, maar in een noodzakelij­kerwijze vastgestelde en daarmee vaste toestand - Het is haar bestemming weer in het ongebonden, zuiver geeste­lijke Zijn terug te keren, wanneer zij juist door deze isole­ring de levenszelfstandigheid heeft bereikt. Om deze even­wel door een steeds grotere zelfwerkzaamheid te verkrij­gen, moet de uit de gebonden materie vrijgemaakte ziel alle mogelijke trappen van ontwikkeling in het leven door­maken; zij moet zich in elke volgende levensperiode weer opnieuw met een nieuw, stoffelijk lichaam omhullen, waar­uit zij dan weer nieuwe levens substantie tot zich trekt, daarmede werkt en zich deze eigen maakt. Is een ziel - wat haar leidende geest uit God heel duidelijk ziet - eenmaal in een lichaam (hetzij dat van een plant of van een dier), door de vereiste rijping geschikt tot een hoge­re levensfase op te stijgen, dan zorgt de haar steeds verder vormende leidende geest ervoor, dat haar het verder on­bruikbare lichaam wordt afgenomen. Zij kan dan, waar zij reeds met hogere intelligenties begiftigd is, zich een ander lichaam vormen. Daarin kan zij zich weer in korte of langere tijd opwerken tot een grotere actieve levensintelli­gentie, en zo vervolgens steeds verder omhoog tot aan een mens. Zo kan zij dan geheel vrij, in haar laatste lichaam tot volledig zelfbewustzijn, tot kennis van God, tot liefde tot Hem en daardoor tot volledige vereniging met haar geest komen, welke vereniging wij de nieuwe - of geestelijke wedergeboorte noemen.

Heeft een ziel deze levensgraad bereikt, dan is zij volein­digd en kan dan als een volkomen zelfstandig zijn en leven niet meer door het allesomvattende goddelijke Alzijn en Alleven vernietigd of verteerd worden.

Het meest zekere teken van de reeds bereikte zelfstandig­heid van het leven van de mensenziel bestaat daarin, dat zij God kent en Hem zelfs boven alles zeer liefheeft. Want zo­lang een ziel God niet kent als een Wezen dat buiten haar is, is zij nog blind en stom zijnde niet vrij van de dwingende macht van de goddelijke Almacht; zij moet dan nog hevig strijden, om zich los te maken van zulke ketenen. Maar zo­dra een ziel begint de ware God als buiten haar zijnde te kennen en Hem door het gevoel van haar liefde tot Hem werkelijk goed waar te nemen, dan is zij reeds van de ban­den der goddelijke Almacht vrij. Zij behoort dan geleidelijk steeds meer zichzelf toe en is derhalve zelf schepper van haar eigen zijn en leven en daardoor een zelfstandige vriend van God voor alle eeuwigheden.

 

b) Trappen van ontwikkeling der ziel

 

Gr.Ev.Joh. X/21 (De Heer) Alles wat de aarde bevat, vanaf haar middelpunt tot ver boven haar hoogste luchtstreken, is zielesubstantie, doch tot aan een zekere ontbindingstijd in een verschillend meer harde of mildere vastgestelde toe­stand. Daarom wordt zij zowel voor het stoffelijk oog van de mens op deze wereld, als ook voor zijn gevoel zichtbaar en voelbaar, hetzij als helemaal dode en harde of als een meer weke materie. Daartoe behoren alle steensoorten, mineralen, soorten aarde, water, lucht en alle nog on­gebonden stoffen in haar. - Dan komt het hele plantenrijk in het water op de aarde met zijn overgang in het dierenrijk. In dit rijk doet het gericht zich reeds als milder kennen, en de zielesubstantie bevindt zich reeds in de periode van het in meerdere mate los zijn, dan zij in haar vroegere harde gerichte toestand was. En de scheiding en afzonderlijke vorming met betrekking tot het ontstaan van intelligentie van deze vroeger als chaotisch gemengde zielesubstantie in dit tweede rijk, bevindt zich dan ook in een grote verschei­denheid.

Moest dan de zielesubstantie vanwege de bijzondere intel­ligentievorming in het tweede rijk aan een grote afzon­dering onderworpen zijn, in het derde rijk van de dieren, dat nog een veel grotere verscheidenheid vertoont, moet zij vanwege het tot nog meer volkomenheid brengen van nog lichtere en vrijere afzonderlijke intelligenties, tot een steeds grotere éénwording gebracht worden. En daarom ver­enigen zich dan daar ook zielesubstanties van talloze kleine diertjes van verschillende aard en soort in een grotere dier­ziel, zoals bijvoorbeeld in die van een grotere worm en een insect. - Talloos vele van zulke insectenzielen, weer van verschillende aard en soort, verenigen zich, na zich los­gemaakt te hebben van hun bindende stoffelijke omhulsels, weer in een dierziel van grotere en meer volkomen soort, en zo steeds verder tot aan de grote en volkomen dieren van ten dele nog wilde en ten dele reeds zachtere aard; en uit de laatste éénwording van deze dierzielen ontstaan dan pas de van alle mogelijke intelligentie begaafdheden welvoorziene mensenzielen.

Wanneer een mens in deze wereld geboren wordt en van­wege zijn volkomen vrij worden nog een lichaam krijgt te dragen, dan is dat in hoge wijsheid door God reeds zo in­gericht, dat hij (de mens) als een volledige ziel zich van alle noodzakelijkerwijs voorafgegane toestanden in hun over­gang, maar nog steeds in hun afzonderlijke staat, evenzo weinig kan en mag herinneren, als een oog de kleine aparte droppels van een zee, waaruit deze bestaat, kan zien en onderscheiden. Want zou een mensenziel dat gegeven zijn, dan zou zij deze éénwording uit zo oneindig verschillende zielesubstantie en intelligentiedelen niet verdragen, maar zichzelf zo snel mogelijk trachten op te lossen, gelijk een waterdruppel oplost op gloeiend ijzer.

Om de ziel van de mens te behouden, moet haar door de inrichting van het haar omsluitende lichaam elke her­innering aan voorafgaande levensfasen volledig ontnomen worden tot aan de tijd van haar volledige innerlijke één­wording met haar geest der liefde uit God; want deze geest is als het ware de kit, waardoor alle oneindig verschillende intelligentiedelen van de ziel tot een eeuwig onverwoest­baar volmaakt wezen bevestigd worden, zich in alle klaar­heid doorlichten, kennen, begrijpen en als een voleindigd, aan God gelijk wezen Gods liefde, wijsheid en macht loven en prijzen!

 

c) Het proces van de ontwikkeling van de ziel - ('zielsverhuizing')

 

Gr.Ev.Joh. X/184. (De Heer tot de stadsrechter Titus)

Je vraagt, waarom Ik zulke vijandigheden in de natuur op deze aarde toelaat. En Ik zeg je: Omdat de mensen van deze aarde naar hun ziel en hun geest zo zijn gesteld, dat zij Gods kinderen kunnen worden, waardoor zij dan tot precies hetzelfde in staat zijn, als wat Ik Zelf vermag te doen. Daarom is dan ook reeds tot de ouden gezegd door de mond van de profeten: "Gij zijt Mijn kinderen en dus goden, zoals Ik, uw Vader, God ben!"

Om echter een ziel zo te vormen, moet zij in een lange reeks van jaren uit een ontelbaar aantal zielepartikelen uit het gebied van alle creaturen op deze aarde in zekere zin samengevoegd worden en dit samenvoegen van de vaak oneindig vele creatuurzielen is nu datgene, wat de oude wijzen, die daarvan kennis droegen, de 'zielsverhuizing' noemden.

De uiterlijke stoffelijke vormen van de creaturen worden wederzijds wel verorberd, maar daardoor worden de in de creaturen wonende zielen vrij en verenigen zich met de gelijksoortigen en worden in een volgende, hogere trap weer in een stoffelijke vorm verwekt, en zo voort tot aan de mens.

En zoals het met de ziel gaat, zo gaat het ook met haar geest in het hiernamaals, die de eigenlijke verwekker, leider, vormer en onderhouder van de zielen is tot aan de mensen­ziel, die dan pas in haar volle vrijheidssfeer overgaat en in staat is zichzelf in moreel opzicht verder te vormen.

Wanneer de ziel zich uit zichzelf tot een zekere graad van volkomenheid heeft verheven, dan pas verenigt zich haar licht- en liefdegeest in het hiernamaals met haar en de ge­hele mens begint vanaf dat moment God in alles geleidelijk steeds gelijkvormiger te worden; en wordt het lichaam dan van de ziel afgenomen, dan is zij reeds een volkomen aan God gelijk wezen en kan uit zichzelf alles in het leven roe­pen en ook wijs onderhouden.

Dat, wat Ik je nu heb gezegd, vindt echter alleen op deze aarde plaats, en op geen enkele van de talloze andere hemellichamen dan juist op deze aarde, en wie verstand heeft, die versta het om deze grondige reden: omdat juist deze aarde overeenkomt met Mijn hart, Ik Zelf echter ook maar één hart en niet meerdere harten bezit, zo kan er ook maar één hemellichaam zijn, van Mij uit gezien, dat geheel overeenkomt met Mijn hart en wel diens meest innerlijke levenspunt.

 

d) Voorbeeld van een vereniging van dierzielen tot een menselijke natuurziel.

 

Gr.Ev.Joh. XI 185 (4 - 7) (De Heer verder tot Titus) En nu wil Ik je tonen, wat uit de vandaag door je gadegeslagen jacht is geworden wat de zieletoestand betreft. (Bij deze jacht schoten een gazelle, een jakhals en een reuzenade­laar er het leven bij in.) Welnu, let op! Daar voor de deur staat reeds een mensengestalte, als die van een kind, en wacht, bij een volgende verwekking in het lichaam van een moeder te worden opgenomen. En achter deze zielsver­schijning zie je een lichtgestalte; dat is reeds van deze ziel de geest aan gene zijde, die er voor zal zorgen dat deze - momenteel nog - natuurziel bij eerstvolgende gelegen­heid in een moederlichaam wordt opgenomen. Dus heb je gezien, hoe uit de drie laatste trappen van reeds volkomen dierlijk leven - weliswaar met vele duizenden voorafgaan­de trappen van ontwikkeling - een mensenziel te voor­schijn is gekomen.

Er zal daaruit een kind van mannelijk geslacht geboren worden, waaruit, zo het goed wordt opgevoed, een groot man kan worden. Het gemoedelijke van de gazelle zal zijn hart regeren, het slimme van de jakhals zijn rede en het krachtige van de reuzenadelaar zijn verstand, zijn moed en zijn wil. Zijn voornaamste karaktertrek zal krijgshaftig zijn, dat hij evenwel door zijn gemoed en door zijn verstand kan matigen, waardoor hij een zeer bruikbaar mens in wat voor stand ook kan worden. Wordt hij echter een krijgs­man, dan zal hij weliswaar door zijn moed ook geluk heb­ben, maar toch de prooi worden van andere oorlogszuch­tige wapens. - Opdat je dit kind nu dadelijk vanaf de ge­boorte kunt gadeslaan, zal je aardse buurman reeds het volgende jaar als vader kunnen optreden.

 

e) De twee principes in de mens: materie en geest

 

Gr.Ev.Joh. XI/75 (2 - 27) (De Heer) Er is reeds vaker uiteengezet, dat Adam als eerste mens - in de zin van de volledige geestelijke vrijheid - van deze aarde daartoe was geschapen, een vorm te ontwikkelen van waaruit de materie weer tot het vrije geestelijk leven zou kunnen worden teruggebracht. Daartoe behoorde echter voor alles de overwinning van de materie zelf, dat wil zeggen: er moest door een vrij besluit een toestand worden geschapen, die enerzijds de overwinning van alle lagere, als aardse lus­ten, begeerten en neigingen bekende eigenschappen op­leverde, om anderzijds een vrij opstijgen tot het meest vol­komen zuivere geestesleven mogelijk te maken.

Het is reeds vaak genoeg gezegd, dat de menselijke ziel uitermate kleine beginpunten kent, die zich voortdurend tot steeds hogere bewustzijnssferen ontwikkelen, om ten­slotte in de mens weer die vorm te verkrijgen, die dan als aardse vorm zich niet verder meer kan ontwikkelen, maar wel in die van haar ziel. Derhalve ontmoeten elkaar in de mens twee principes: het einde van het stoffelijk leven als hoogste graad van zelfbewustzijn en het begin van een on­veranderlijk zieleleven in de hoogst verkregen voleinding van vorm. Daarom kan de mens op deze messnede van het aardse leven zich niet afsluiten voor het bewustzijn dat hij leeft - want daarvoor is hij zichzelf tot bewijs - maar nochtans er geen idee van hebben, dat hij op de drempel van een geestelijk leven is aangekomen, dat nu zijn aanvang neemt in de onveranderlijk blijvende menselijke vorm; met andere woorden: nadat hij vele lichaamsveranderingen heeft doorgemaakt die de menselijke gestalte als einddoel hadden, blijft deze nu in haar algemene vorm onberoerd. Wel begint nu een verandering naar de ziel, die tot doel heeft steeds meer de Geest Gods Zelf te benaderen en met Deze in een gemeenschap te treden.

Wat kan er gebeuren, als deze overgang niet tot stand komt? Want hier staan materie en geest scherp tegenover elkaar, die zich wel wederzijds steeds meer verfijnen, maar nooit - als polariteiten - elkaar geheel kunnen raken.

Er moet hier echter in elk geval een weg gewezen worden, een brug geslagen, waarover het mogelijk is van de materie tot de geest te komen! Deze weg moet een voorbeeld zijn, dat iedereen kan navolgen. Zou deze weg niet gevonden worden, dat wil dus zeggen, zou een mens deze niet be­treden, dan zou het uittreden uit de materie om in een fijn­stoffelijk leven over te gaan, onmogelijk worden.

Het streven van de Godheid Zelf moet dus zijn Haar schep­selen, die Zij uit liefde en tot hun redding de weg door de materie liet gaan - nadat deze de grens bereikt hebben van waaruit de geestelijke weg mogelijk is -, ook tot Zich te trekken en zo te brengen in de verhouding van Vader tot kind. .

Adam moest deze brug in zichzelf bouwen en had het eigenlijk erg gemakkelijk, omdat de prikkelingen van de materie zeer gering waren in vergelijking tot heden. Er was bij hem alleen maar de zelfoverwinning, de gehoorzaam­heid nodig, dan was de brug geslagen en kon in hem het geestelijk leven bloeiend ontwaken, daar gehoorzaamheid aan God het enige middel tot beproeving is bij een mens, die verder vrij van elke zonde is. Pas uit ongehoorzaamheid volgen alle andere overtredingen vanzelf. Nu viel Adam en daarmede had een terugtreden in de materie plaatsge­vonden, dat wil zeggen in die polariteit, die zich evenzo ver van God kan verwijderen, als tot God Zelf kan opstijgen tot steeds hogere zaligheden.

Vaak werd nu door bijzonder sterke zielen geprobeerd, door dit bladerendak heen te breken om de zon er door­heen te laten schijnen, en al naargelang dit ook op enkele plaatsen daarvan gelukte, bezit de mens oeroude religies. Het gelukte echter deze sterke zielen niet de kern van de boom zo te treffen, zijn kroon zo te breken, dat deze mach­tige boom moest sterven. Dat gelukte hen daarom niet, omdat zij zelf in hun aardse leven niet zonder schuld waren, maar eerst van de wereld proefden alvorens zij dorst naar waarheid, naar Godskennis kregen.- Het gelukte pas Jezus, niet alleen het bladerendak te doorbreken, maar de boom der zonde te breken. Hij verwierf dus in zich de trap, die Adam niet had behaald en verzoende zo in zich de Godheid, die in Zijn heiligheid door het niet achten van Zijn gebod was gekrenkt.

Daarin, dat nu deze weg die direct tot God leidt is geopend, en daarin, dat deze weg door de mensenzoon Jezus, die daardoor tot Godszoon werd, werd vervuld, ligt de verlos­sing.

(De Heer) Zonder Mij kan niemand tot de Vader komen en zonder het geloof in Jezus heeft ook nog geen enkele wijze ooit het almachtige Goddelijk Wezen als de oerbron van alle liefde, die zich persoonlijk kan tonen, ervaren.

Het Onzichtbare werd zichtbaar in Jezus en deze vereniging van beide in de mensenvorm maakt het nader treden mogelijk van het schepsel tot de Schepper, het opgaan van de materie in de geest, het terugvoeren van de ontstane gevolgen der zonde opwaarts over de scheidingswand van materie en geest, over de punten waar zij anders onmoge­lijk elkaar hadden kunnen raken. Brug zijn is het leven van Jezus.

 

f) De leiding van de menselijke ziel tot voleinding

 

Gr.Ev.Joh. IX/171 (4 - 10) (De Heer) De mens, zoals hij in deze wereld komt, wordt wat de ziel betreft geheel van Gods Almacht gescheiden en wordt in alles overgelaten aan zijn eigen willen en kennen. Pas wanneer hij door de be­lering uit de mond van zijn ouders en andere wijze leraren tot erkenning van God komt, zich dan gelovig tot Hem wendt en Hem vraagt om Zijn hulp en bijstand, dan begint ook het instromen van de zijde van God door alle hemelen heen, en de ziel van de mens gaat over in een steeds duide­lijker erkennen en eindigt in een steeds grotere liefde tot God en wordt daardoor langzamerhand evenzo volkomen in en door de Geest van God in haar, als de Goddelijke Geest in haar zelf volkomen is, en blijft daarbij nochtans in alles volkomen vrij en zelfstandig. ­

Elke voleindigde ziel is van een en dezelfde waarheid door­drongen, omdat zij voortvloeit uit het Licht van haar liefde tot God en tot de naaste.

Zolang de mensen onder elkaar tot twist, strijd en oorlog kunnen komen, zijn zij ook ver verwijderd van het Godsrijk en zullen daarin niet eerder komen, dan wanneer zij in alle geduld, deemoed, zachtmoedigheid en ware naastenliefde onwrikbaar groot zijn geworden; maar zijn zij dat eenmaal geworden en komen zij daardoor in zich tot de waarheid uit God, dan is het met alle twist, strijd en oorlog ook defi­nitief afgelopen.

 

g) Over de levensweg op aarde en in het hiernamaals

 

Gr.Ev.Joh. VII /156 (7 - 12) (De Heer tot de Farizeeën) De mens moet in de wereld werken en vrijwillig de slechte ver­leidingen van de wereld weerstaan. Daardoor wordt zijn ziel sterk en de kracht van Gods Geest zal deze door­dringen. Maar door als een luiaard te leven komt geen mens ooit tot het ware, eeuwige leven, dat afhankelijk is van volkomen werkzaamheid in al de talloos vele levens­lagen en sferen.

Zulke mensen (die zich geheel van de wereld afzonderen, evenals de kluizenaars van de Karmei en Sion) zondigen weliswaar even weinig als een steen zondigt; maar is dat soms een verdienste voor de steen? De ziel zal echter haar lichaam moeten afleggen; wat zou zij in het hiernamaals kunnen doen met haar grote zwakheid en haar volslagen niets doen? Want daar zullen toch ook beproevingen van allerlei aard over haar komen, die de ziel tot algehele acti­viteit zullen aansporen. En deze beproevingen zullen voor de ziel, die is toegerust met haar op aarde verkregen ver­mogens, geheel overeenkomen met die op deze aarde. Alleen moeten zij voor de ziel als zodanig sterker zijn dan hier, omdat aan gene zijde dat, wat een ziel denkt en wil, zich ook reeds als werkelijkheid aan haar voordoet. Hierop aarde heeft de ziel alleen te doen met haar onzichtbare ge­dachten en ideeën, waar zij gemakkelijker tegen kan vech­ten en waarvan zij ook gemakkelijker los kan komen; maar als de gedachten en ideeën tot een zichtbare realiteit wor­den - , hoe zal de zwakke ziel daar dan haar zelfgeschapen wereld moeten bestrijden?

Daarom zullen in het hiernamaals de verzoekingen ook erger worden dan hier. En wat zal de ziel kunnen doen, om zich uit de harde gevangenschap van haar eigen kwade hartstochten te bevrijden? En toch zal zij aan de andere zijde tot veel grotere zelfwerkzaamheid moeten komen, om zich uit de dwaling van haar eigen gedachten, ideeën en voorstellingen te bevrijden; want wanneer zij niet eerst zelf het werk ter hand zal nemen, zal zonder overgang geen plotselinge hulp door erbarmen van God of van een an­dere geest tot haar komen, evenmin als dat hier op aarde reeds meestal het geval is.

Want wie God niet ernstig zoekt, maar geheel de lusten van de wereld najaagt, die verliest God en God zal hem geen tekenen geven, waaraan hij zou kunnen zien, hoe diep en ver hij reeds van God is afgeweken. Pas wanneer hij uit eigen beweging en behoefte God weer zal beginnen te zoeken, zal God hem ook beginnen naderbij te komen en Zich door de zoekende ook in zoverre laten vinden, als het de zoekende ware ernst is God te vinden en te leren ken­nen.

 

h) De ziel in het hiernamaals

 

Gr.Ev.Joh. VII/17 (5 - 7) (De Heer) Elke ziel zal in het hiernamaals dat worden, wat zij wil. Is het iets kwaads, dan wordt zij er van tevoren wel opmerkzaam op gemaakt, welke gevolgen dat noodzakelijk zal hebben. Zal zij daar­door tot inkeer komen, dan kan zij gauw en gemakkelijk geholpen worden; komt zij daardoor echter niet tot inkeer, dan wordt zij ongehinderd gelaten alles te hebben en te genieten, waar haar liefde naar uitgaat.

Deze liefde nu, hetzij van goede of kwade aard, is in feite het leven van de ziel van elk mens, engel of duivel; ontne­men wij de liefde aan de ziel, dan ontnemen wij haar ook het leven en het bestaan. Maar dat kan nooit in de zuivere Goddelijke orde voorkomen, want zou ook maar het klein­ste atoom in de schepping vernietigd kunnen worden en volledig het bestaan verliezen, dan zou God Zelf daardoor een atoom aan Zijn bestaan verliezen, hetgeen echter on­mogelijk is.

En zo kan een mensenziel des te minder haar bestaan geheel verliezen; maar zij kan hoogst ongelukkig en ellen­dig worden geheel door haar eigen wil en kan, als zij het maar ernstig wil, ook weer door haar eigen vrije wil geluk­kig en volkomen zalig worden.

 

Gr.Ev.Joh. IX/142 (2) - 143 (8) (Uit een belerend gesprek van de Heer met vissers aan het Witte Meer) (De Heer) De ware zaligheid van het leven bestaat niet in het helder en duidelijk zien en kennen, maar alleen in de steeds groter wordende liefdadigheid. Daarom moet elke ziel zich dat eerst tot haar enige levenselement maken, alvorens zij ooit innerlijk tot duidelijk inzicht van het leven kan komen. Want de liefdadigheid is een innerlijk vuur, dat door steeds levendiger te worden tot een heldere vlam moet worden.

Is eenmaal dit levenselement in de ziel geheel gewekt, zo­dat de ziel zelf helemaal tot dit levenselement wordt, - wat betekent dat de hele mens in de geest opnieuw, dus weder­geboren wordt - dan blijft de ziel ongeacht haar innerlijke heldere inzicht vanwege haar tot in hoogste graad gegroei­de liefdadigheid, ook in hoogste mate werkzaam. Haar zaligheid en helder inzicht groeien naar de graad van haar liefdadigheid en niet naar de graad van haar heldere inzicht, waartoe zij zonder de liefdadigheid zonder meer nooit kan geraken; want het is reeds van eeuwigheid her zo door God bepaald, dat geen geest en geen mensenziel zonder een overeenkomstige werkzaamheid ooit tot het Licht kan komen.

Hoe verkrijgen de mensen op deze aarde het licht? Wel, zij wrijven hout op hout, of steen op steen zo lang, tot er vonken afvliegen; vallen die vonken op licht brandbaar materiaal - zoals hout, stro, zekere harssoorten vermengd met zwavel en nafta -, dan zal al spoedig een heldere vlam oplaaien en het zal licht worden in haar zelf en rondom haar naar alle richtingen.

Zie, zo blijkt reeds in de dode wereld der materie, dat aan het vuur - en licht maken een zekere werkzaamheid moet vooraf gaan! En zo moet des te meer aan het levenslicht een zekere werkzaamheid vooraf gaan; door deze wordt de liefde gewekt, die het levens element is, en uit haar verhoog­de werkzaamheid ontstaat dan pas het licht in de ziel, dat is de wijsheid, die zichzelf en alle dingen uit zich kent, be­oordeelt en ordent.

Zo is het gesteld met de dingen van het leven van de ziel en haar innerlijke heldere kennis en inzicht. De wijsheid van een ziel is reeds hier en nog meer in het hiernamaals het gevolg van haar werkzaamheid; zou deze ooit kunnen op­houden, dan zou bij de ziel ook de wijsheid en innerlijke helderheid van het leven ophouden. - Heb je dat nu be­grepen?

(Daarop een van de vissers) Ja, Heer en Meester. Maar nu zou ik ook nog graag willen weten, waarin de werkzaam­heid van een volkomen ziel in het grote hiernamaals be­staat. Op deze harde aarde is er voor de mens zeer veel te doen, als hij wil leven - wat moet hij echter in het grote geestelijke hiernamaals doen? Wordt daar ook geploegd, gezaaid en geoogst voor het levensonderhoud?

(De Heer antwoordt) Jawel vriend, ploegen, zaaien en oogsten, - maar wel op een andere manier en in een andere zin, dan dat gebeurt op deze materiële wereld! Weet, dat zonder de grote werkzaamheid van de geesten en in het bijzonder van de volmaakte geesten, op geen enkele aarde iets zou ontstaan! Er zou niet alleen niets groeien en geen levend wezen op de grond rondwandelen, maar er zou ook geen zon en geen aarde ooit zijn ontstaan en nog minder voortbestaan.

De mensen ploegen wel de aarde en strooien het zaad in de voren; maar het is aan de geesten opgedragen het kiemen, groeien en rijpen van de vrucht te bewerkstelligen. In het bijzonder voor de volkomen geesten is er zowel op deze aarde als ook op al de andere hemellichamen veel te doen; nog meer echter voor de juiste ontwikkeling van de ziel en de vervolmaking van de mensen reeds aan deze zijde, en dan nog veel meer in het hiernamaals. Want er komen immers steeds onvergelijkbaar meer onvolkomen zielen in het hiernamaals dan volkomen, vooral van deze aarde. Deze onvolkomen en slechte zielen zouden echter de ge­hele aarde met hulp van de onzuivere natuurgeesten spoe­dig dermate verderven, dat er geen gras, geen struik, geen boom meer op haar zou groeien en geen dier en geen mens meer zou kunnen bestaan.

Alleen door de liefde, wijsheid en macht van de volkomen geesten worden de kwade en onvolkomen zielen in het hiernamaals daaraan verhinderd, en dan ook geleidelijk verder ontwikkeld en mogelijkerwijze ook van trap tot trap dichter bij het Godsrijk gebracht.

Hoe de volkomen geesten dat allemaal bewerkstelligen, laat zich niet met woorden beschrijven; maar wanneer jullie zelf in de geest zijn wedergeboren, dan zal het je wel duidelijk en vanzelfsprekend worden, hoe de geesten wer­ken en doen in het grote hiernamaals. - Heb je dat ook begrepen?

(Spreekt opnieuw dezelfde visser) Ja, lieve Heer en Mees­ter, en ik dank U voor Uw kolossale geduld met ons zwak­ke en nog zeer domme mensen! Het zal zeker nog lang du­ren, tot wij, temidden van louter wonderen levend, die wonderen zullen begrijpen! Wij zien en genieten van het water en weten niet in het minst, wat het is. Wij zien eveneens het vuur en zijn licht, ondervinden zijn gloed en warmte, maar weten ook helemaal niet wat het is en wat zijn eigenlijke ontstaansgrond is. Maar het zij, zoals het is, wij zijn nu reeds bovenmate blij en gelukkig, dat wij door Uw overgrote genade en liefde nu de onbedrieglijke weg naar de volle en levende waarheid hebben gekregen.

O, lieve Heer en Meester, wees ons nu ook met Uw genade behulpzaam, dat wij deze weg tot aan het lichtende doel nooit moe, zwak en traag worden te bewandelen.

(Daarop antwoordt de Heer) Wie gelooft en de goede weg heeft, zal ook dat bereiken, waarnaar hij ernstig streeft!

 

5.

 

Het drievoudige wezen van de mens en het Godsrijk in het hart van de mens

 

Bij de geboorte van het lichaam wordt de eeuwige levens­kiem als een vonkje van de volkomen zuivere Geest van God in het hart van de ziel gelegd.

(Gr.Ev.Joh. II/217 (5))

 

a) Het gezicht van Oalim

 

H 11 /72 (9 - 26); 74 (2 - 3,24 - 32) (Oalim) Het klonk mij aanvankelijk erg vreemd in de oren, dat ik mijn hart zou hebben moeten zien. Toen ik echter zo nadacht over deze mogelijkheid of onmogelijkheid de ogen in het lichaam te brengen, verloor ik plotseling het licht van mijn ogen; maar bijna op hetzelfde ogenblik werd alles licht in mij, daarom zag ik mij innerlijk dus, zoals ik mij anders uiterlijk zie bij het licht van de zon.

Ik kon niet begrijpen, hoe zoiets mogelijk zou kunnen zijn, maar daar begon ook al spoedig mijn hart geheel doorzich­tig te worden en ik zag weldra drie harten zó in elkaar steken, als er binnen de ruwe kastanjevrucht drie kernen zijn: in de bruine schil de eigenlijke vleeskern en daarin pas de kleine kiemkern, waarin het leven is besloten, en in deze de oneindige menigvuldigheid en eindeloze veelheid. Het uiterlijke hart sprong spoedig uiteen en viel losgemaakt in de eindeloze diepte; en dat was het uiterlijke hart van vlees van het lichaam. Het meer inwendige, substantiële hart bleef echter en verwijdde zich voortdurend, omdat het binnenste, zeer sterk lichtende kiemhart daartoe dwong, daar dit zelf aldoor groeide en steeds groter werd, evenals de kiem van een in de aarde gelegd zaad zich zo lang al maar vergroot, tot daaruit een machtige boom is geworden.

Zo was het ook met mijn binnenste kiemhart het geval. Aanvankelijk zag het er slechts uit, als was het een hart; toen het echter al maar groter werd, kreeg het ook steeds meer een menselijke gestalte en herkende ik mij zelf in deze nieuwe mens, die is voortgekomen uit mijn meest innerlijke lichte kiemhart.

Bij de aanblik van deze mens kwam de gedachte in mij op: "Heeft soms deze nieuwe hartmens in mij ook nog een hart in zich?" En ik werd gewaar, dat ook hij nog een hart in zich droeg. Maar dit hart zag er uit als een zon, en haar licht was duizendvoudig sterker dan het licht van onze natuurlijke zon.

Toen ik dit hart aandachtig bekeek, ontdekte ik opeens in het midden van dit zonnehart een klein, aan U, 0 heilige Vader, volkomen gelijk, levend evenbeeld, - maar wist niet hoe dat mogelijk was.

Doch toen ik daarover nadacht, kwam een onuitsprekelijke zaligheid over mij en Uw levende beeld sprak tot mij uit het zonnehart van de nieuwe mens in mij het volgende: "Richt je ogen opwaarts en je zult spoedig gewaar worden, waar­vandaan en hoe Ik nu levend in je woon!"

En ik richtte aanstonds mijn ogen omhoog en aanschouw­de meteen in een eindeloze diepte der diepten van onein­digheid eveneens een onmeetbaar grote zon, en in het midden van deze grote zon al spoedig U Zelf, o heilige Vader!

Van U uit gingen onnoemelijk veel ongekend lichte stralen, en een van deze stralen viel in het zonnehart van de nieuwe mens in mij en vormde zo U Zelf levend in mij. Spoedig daarop strekte de nieuwe kiemhartmens zijn arm uit en wilde mij uiterlijke mens gevangen nemen.

Ik schrok, en deze schrik wierp mij weer in mijn oude huis terug. - Het eerder ontweken vleeshart kwam weer uit de diepte omhoog en legde zich meteen weer om de twee binnenste harten; toen dat gebeurd was, werd de uiterlijke wereld mij weer zichtbaar en al het innerlijke verdween. ­

En dat is ook alles, wat ik in mij gezien, gevoeld en gehoord heb. (De hoge Abedam tot Oalim en dus ook tot al de vade­ren) Luister en laat eenieder in zich er acht op slaan, wat Ik je hier nu zal zeggen! . . . Jullie zijn reeds bijzonder zwak ge­worden, hoewel al je oorspronkelijke leraren nog in leven zijn; hoe zal het dan wel later diegenen vergaan, die zelfs over jullie huidige bestaan in hevige strijd zullen gewikkeld worden?! Daarom zeg Ik jullie nogmaals, dat geen leer enig nut heeft, als haar bepalingen niet door Mijn levend getui­genis in elk mensenhart konden bevestigd worden. In Oa­lim zelf hebben jullie dit levende getuigenis geheel uitge­beeld gekregen. Dat moet nu zo genomen worden, dat jullie het niet bij de leer alleen laten, maar er ijverig voor zorgt, dat deze bij hen die beleerd zijn geworden weldra overgaat tot de volle, levende daad. Wees ervan verzekerd, dat een ieder die deze leer ernstig metterdaad zal opnemen, spoedig het grote, levende, heilige getuigenis van Oalim in zich zal vin­den, dat stralend lichtend zal getuigen van de echtheid van Mijn aan jullie allen gerichte woord.

Zie, Oalim vond in het derde kiemhart, nadat het zich tot een mens had gevormd, nog een zonnehart en in dit hart tenslotte Mij Zelf, zoals je het verwarmende beeld van de zon in elke dauwdruppel vindt; en dit Mijn Beeld in hem sprak zoals Ik in hem, en diens woord maakte hem Mij duidelijk als de eeuwige heilige Vader in de hoogte van Mijn oneindig heilige Goddelijkheid!

Deze innerlijke mens Oalim wilde reeds een worden met zijn uiterlijke substantiële, en ten dele ook met diens geheel uiterlijke materiële mens; maar daartoe was Oalim nog niet rijp. Jullie zullen dat alles pas ervaren als je de volle rijp­heid hebt bereikt, maar dan blijvend en eeuwig.

Leer je nakomelingen evenzo daarnaar, dan zullen jullie hem een blijvend getuigenis overleveren van de echtheid van Mijn leer. En wie dit getuigenis in zich zal vinden, heeft ook reeds het eeuwige leven uit Mij ontvangen, dat hem nimmer meer zal worden ontnomen. - Zie, dat alles heeft het gezicht van Oalim jullie te zeggen.

 

b) Lichaam, ziel, geest

 

(Gr.Ev.Joh. 11 /217 (5) (De Heer) Bij de geboorte van het lichaam uit het lichaam van de moeder wordt de eeuwige levenskiem als een vonkje van de zuivere Goddelijke Geest in het hart van de ziel gelegd, evenals bij de vrucht van een plant, wanneer zij de bloesem heeft afgeworpen en zichzelf begint te wapenen en te consolideren. Is het lichaam een­maal gevormd, dan begint de ontwikkeling van de geest in het hart van de ziel. Hier moet dan de ziel al het mogelijke, doen, opdat de geest in haar begint te kiemen, en moet hem daarbij nuttig zijn.

 

Gr.Ev.Joh. IX/ 174 (9 - 12) (Raphaël tot een arts) Het licht van de volle levenslamp in het leven hier op aarde is een vol, levend geloof, die de dingen van het Godsrijk verlicht. Wie in dit licht blijft en zich niet meer dan nodig bekommert om de dingen van deze wereld, die komt vroegtijdig tot het eeuwige levenslicht in zich, en zo dan ook reeds hier in het zichtbare wezenlijke rijk van God en in zijn kracht en macht. Want wie een is met de wil van God de Heer, die is ook een met Zijn eeuwig volkomen wijsheid, vrijheid, zelfstandigheid, macht en kracht, en is daardoor dan ook voor altijd een waar kind van God.

Welnu, ik ben zo'n kind van God, ben dat echter niet pas in de reine wereld der geesten geworden, maar nog in mijn aardse levens zodanig, dat de macht van de goddelijke geest in mij dat alles vermocht te bewerken, waartoe zij nu in staat is. Ik ben dan ook niet op die manier wat het lichaam betreft gestorven, zoals alle mensen sterven, maar de macht van de goddelijke geest in mij loste het plotseling zo volledig op, dat er niet een zonnestofje groot van op deze aarde achterbleef; alles van het lichaam is tot mijn eeuwig, onverwoestbaar kleed geworden, en je ziet me dan nu met lichaam, ziel en geest. Zou je dat moeilijk zijn te geloven, voel mij dan maar aan, en je zult een mens met vlees en beenderen waarnemen, zolang ik dat wil; wil ik evenwel alles weer in het zuiver geestelijke veranderen, dan zul je me weliswaar ook nog precies zo zien als nu, doch niet met je vleselijke ogen, maar met de ogen van je ziel, die ik je kan openen, wanneer en hoe lang ik dat wil. Kom nu naderbij en bevoel mij; want ook deze door jou aan mij opgedane ervaring behoort tot het gebied van de joudoor mij gegeven uiteenzetting van het werkelijk bestaan van het Godsrijk.

 

Gr.Ev.Joh. IX/176 (2 - 4, 7, 9) (Verder Raphaël tot de arts) Er is slechts één Zijn; maar een niet zijn is er in de gehele schepping nooit. Het tijdelijk materiële bestaan is toch maar een proefbestaan om het ware en onverwoestbare bestaan te bereiken. Nochtans is het echter in zich ook een geheel geestelijk bestaan, daar op zichzelf beschouwd in de gehele sfeer van de oneindigheid onmogelijk een ander werkelijk en waar bestaan kan zijn.

Zie, vriend, met al je griekse wereldwijsheid, daar zit nu de Heer onder ons! Hij geheel alleen is het ware en eeuwig werkelijke Zijn in Zich Zelf; wij zijn slechts Zijn door Zijn wil van de kleinste tot de grootste verwerkelijkte ideeën en lichtgedachten. Daar nu Zijn ideeën en lichtgedachten als de vrucht van Zijn eeuwige, oneindige liefde (die Zijn Wezen en Zijn is), evenals Hij Zelf onvergankelijk en nooit te verwoesten zijn, zo is immers ons bestaan ook eeuwig onverwoestbaar in het werkelijke geestelijke Zijn. - Het is dus onmogelijk, dat ook maar een puntje van datgene ooit vernietigd zou kunnen worden, wat er eenmaal is, omdat al het eenmaal bestaande in de oneindige volheid van ge­dachten en ideeën van onze Heer en eeuwige Meester een niet te verdelgen realiteit is.

Wanneer de Heer ook maar een kleinste van Zijn schep­pende, goddelijke gedachten en ideeën geheel zou kunnen verdelgen en vernietigen, dan zou Hij immers van Zijn ab­soluut oneindige volmaaktheid iets verliezen -, wat in zich echter de reinste onmogelijkheid zou zijn.

Ed 51 (5,7) (De Heer) Wanneer de vrucht ongeveer drie maanden levend in het lichaam van de moeder is geweest, dan heeft het zielehart van de rustig geworden ziel een ze­kere soliditeit bereikt en wordt door een engelengeest precies in het hart van de ziel een eeuwige geest gelegd onder zevenvoudig omhulsel. Natuurlijk moet hier nie­mand aan een natuurlijk omhulsel denken, maar aan een geestelijk, dat veel krachtiger en beter houdbaar is dan een stoffelijk -, wat ook reeds aan veel dingen op de wereld is te zien, waar het eenvoudiger is een materiële kerker te doorbreken dan een geestelijke. - Na het inleggen van de geest in het hart van de ziel, wat bij sommige kinderen vroeger, bij andere later geschiedt, bij velen drie dagen voor de geboorte, groeit het lichaam sneller uit en de geboorte zal plaats vinden.

 

c) De Drie-eenheid in God en mens

 

Gr.Ev.Joh. VIII /24 (1, 4 -14); 25 (1-15) (De Heer bij Zijn opdracht aan de discipelen) . . . al degenen, die Zijn levens­leer geheel hebben aangenomen, door de oplegging van hun handen te dopen, dat wil zeggen te sterken in de naam van de Vader, die de Liefde is, in de naam van het Woord, dat de Zoon is of de wijsheid van de Vader, en in de naam van de Heilige Geest, die is de alles vermogende Wil van de Vader en de Zoon.

Onder deze drie begrippen is het Wezen van God geheel verklaard en aan de mensen volledig uitgebeeld. Het is waar, dat daarbij voor een mens met een zwak bevattings­vermogen een soort Goddelijkheid van 3 personen te voor­schijn komt; maar men kan, om aan de diepste en in de grond meest innerlijke waarheid in alles geheel getrouw te blijven, het immers toch niet anders voorstellen dan het is gedaan.

De mens is geheel naar het evenbeeld van God geschapen en wie zich zelf volkomen wil kennen, moet weten en in zich erkennen, dat hij als een en dezelfde mens eigenlijk ook uit drie persoonlijkheden bestaat! Je hebt ten eerste een lichaam, voorzien van alle nodige zintuigen en andere voor een vrij en zelfstandig leven benodigde ledematen en bestanddelen van het grootste tot aan het kleinst denkbare. Dit lichaam heeft, ten behoeve van de vorming van de geestelijke ziel in hem, een geheel eigen natuurlijk leven, dat zich van het geestelijke zieleleven in alles streng onder­scheidt. Het lichaam leeft van de natuurlijke voeding, waar­uit het bloed en de andere voedingssappen voor de verschil­lende lichaamsbestanddelen worden gevormd. - Het hart heeft in zich een speciaal levend mechanisme en wel zo­danig, dat het zich voortdurend moet uitzetten en daarna weer samentrekken. Het drijft daardoor het het lichaam levend houdende bloed met de andere daaruit ontstane sappen in alle lichaamsdelen en neemt het, door het zich samentrekken, ook weer terug in zich op, om het met nieuwe voedingsstoffen te verzadigen en dan weer opnieuw uit te drijven tot voeding van de vele lichaamsbestanddelen. Zonder deze voortdurende eigen werkzaamheid van het hart zou de mens geen uur lang wat het stoffelijk lichaam betreft kunnen leven.

Met deze leven gevende werkzaamheid van het hart, en evenzo ook met de eigen werkzaamheid van de longen, de lever, de milt, de maag, de ingewanden, de nieren en zo nog talloos veel andere bestanddelen van het lichaam, heeft de ziel helemaal niets te doen. Nochtans is het lichaam als een voor zich geheel afgesloten persoonlijkheid een en dezelfde ene mens en doet en handelt zo, als waren beide een en geheel dezelfde persoonlijkheid.

Beschouwen wij nu de ziel op zich, en wij zullen zien, dat ook zij voor zich een geheel volkomen mens is, die sub­stantieel geestelijk ook in en voor zichzelf precies dezelfde bestanddelen bevat als het lichaam en zich daarvan in hogere geestelijke overeenkomst ook zo bedient als het lichaam van zijn materiële.

Hoewel dus enerzijds het lichaam en anderzijds de ziel voor zich twee heel verschillende mensen of personen voorstellen, - waarvan elk voor zich een haar geheel ken­merkende werkzaamheid heeft, waarover zij tenslotte niet eens rekenschap kan geven over het hoe en waarom -,zo vormen zij echter in de grond van het eigenlijke levensdoel nochtans slechts één mens. Niemand kan dus beweren, dat hij niet één mens is, maar een 'tweemens'. Want het lichaam moet de ziel dienen en deze met haar verstand en wil het lichaam, waarom de ziel ook voor de handelingen, waar­voor zij het lichaam heeft gebruikt, evenzo verantwoorde­lijk is als voor haar eigen handelingen, die bestaan uit aller­lei gedachten, wensen, verlangens en begeerten.

Als wij nu het leven en zijn van de ziel op zich nog nader beschouwen, zullen we ook gemakkelijk ontdekken, dat zij, al is zij ook een substantieel lichaam van een mens, op zich niets hoger zou staan dan mogelijk de ziel van bijvoorbeeld een aap. Zij zou wel een instinctmatig verstand in een iets hogere graad hebben dan een gewoon dier, maar van een verstand of een hogere vrije beoordeling van de dingen en hun samenhang zou nooit sprake kunnen zijn.

Dit hogere en eigenlijk hoogste en aan God geheel gelijk­vormig vermogen in de ziel wordt veroorzaakt door een zuiver essentieel geestelijke derde mens, die in de ziel woont. Door hem kan de ziel het ware van het valse en goed van kwaad onderscheiden en kan zij vrij naar alle denkbare richtingen heen denken en geheel vrij willen. Al naar gelang zij met haar door haar geest ondersteunde vrije wil besluit voor het zuiver ware en goede, maakt zij zich geleidelijk aan geheel gelijkvormig, dus sterk, machtig, wijs en als in hem wedergeboren, identiek aan de in haar wonende geest.

Is dat het geval, dan is de ziel zo goed als één wezen met haar geest, zoals ook de meer edele lichaamsdelen van een volkomen ziel - welke lichaamsdelen eigenlijk bestaan uit de zeer verschillende lichaams natuurgeesten - geheel overgaan in het geestelijk substantiële lichaam, dat men het vlees van de ziel kan noemen. En tenslotte kan daar­door deze laatste dan ook overgaan in het essentiële lichaam van de geest, waaronder ook is te verstaan de ware opstanding van het vlees op de jongste en meest ware levensdag van de ziel; die volgt dan, wanneer een mens volkomen in de geest wordt wedergeboren, hetzij reeds hier in dit leven of iets moeizamer en langduriger in het hierna­maals.

Alhoewel een in de geest volledig wedergeboren mens be­slist slechts één volkomen mens is, bestaat zijn wezen noch­tans blijvend uit een goed te onderscheiden drieheid.

Aan elk ding is een te onderscheiden drievoudigheid op te merken: Het eerste waar het oog op valt is de uiterlijke vorm; want zonder deze zou geen ding denkbaar zijn en zou het ook niet kunnen bestaan. Het tweede is duidelijk de inhoud van de dingen; want zonder die zouden zij er ook niet zijn en hadden ze ook geen vorm en uiterlijke ge­stalte. Het derde voor het bestaan van een ding eveneens noodzakelijke is een innerlijke, in elk ding aanwezige kracht, die de inhoud van de dingen in zekere zin samen houdt en het eigenlijke wezen daarvan uitmaakt. En juist omdat deze kracht de inhoud en daardoor ook de uiterlijke vorm van de dingen bepaalt, is zij ook de grondkern van al wat bestaat en zonder haar is er evenmin een ding denk­baar, dan zonder een inhoud of uiterlijke vorm. Je ziet nu, dat de genoemde drie delen elk voor zich wel zijn te onder­scheiden, omdat de uiterlijke vorm niet haar inhoud is en de inhoud niet de teweegbrengende kracht zelf is; en toch zijn zij volledig één.

Keren we nu terug tot onze ziel. De ziel moet nu eenmaal vanwege het bepaalde, voor haar bestemde bestaan een uiterlijke vorm hebben, namelijk die van een mens; de uiterlijke vorm is dus dat, wat wij het lichaam of ook het vlees noemen, hetzij nog stoffelijk of vergeestelijkt sub­stantieel, dat is enerlei. Bestaat dan de ziel als een mens naar de vorm, dan zal zij ook een met de uiterlijke vorm overeenkomende inhoud hebben. Deze inhoud of innerlijk lichaam van de ziel is haar eigenlijke wezen zelf, dus de ziel. Is dat alles aanwezig, dan is ook de kracht aanwezig, die de hele ziel heeft veroorzaakt, en deze is de geest, die tenslot­te alles in allen is, daar zonder deze onmogelijk een massie­ve substantie en zonder die laatste ook geen lichaam, dus geen uiterlijke vorm zou bestaan. Hoewel dus de drie goed te onderscheiden persoonlijkheden in het geheel slechts één wezen zijn, moeten zij toch speciaal als te onderschei­den genoemd en gekend worden.

In de geest of de eeuwige essentie woont de liefde als de alles tot stand brengende kracht, de hoogste intelligentie en de levende vaste wil; dat alles samen brengt de sub­stantie van de ziel voort en geeft haar de vorm of het wezen van het lichaam. Is de ziel of de mens eenmaal aanwezig naar de wil en de intelligentie van de geest, dan trekt de geest zich in het binnenste terug en geeft aan de nu be­staande ziel een als van hem gescheiden vrije wil en een vrije en in zekere zin zelfstandige intelligentie. De ziel maakt zich deze intelligentie eigen, ten dele door uiterlijke waarnemingszintuigen en ten dele door een innerlijk gewaarworden, en vervolmaakt die dan, als zou de vervol­maakte vrije intelligentie haar eigen werk zijn.

Tengevolge van deze noodzakelijkerwijs zo gevormde toe­stand, waarin de ziel zich als van haar geest gescheiden voelt, is zij geschikt tot het waarnemen van zowel uiterlijke als innerlijke openbaring. Ontvangt zij deze, neemt zij ze aan en handelt zij daarnaar, dan begint zij daardoor zich met haar geest te verenigen en daardoor gaat zij ook steeds meer over in diens onbeperkte vrijheid, zowel wat betreft de intelligentie en de vrije wil, als ook in de kracht en macht dat alles te kunnen bewerkstelligen, wat zij kent en wil.

Daaruit kun je weer zien, dat de ziel als de in levende sub­stantie omgevormde gedachte van de geest, die in de grond de geest zelf is, toch in zekere zin als een tweede uit de geest voortgekomen iets is en beschouwd kan worden, zonder daarom anders te zijn dan de geest zelf is.

Dat tenslotte de ziel als een individu zich ook met een uiterlijk lichaam vertoont, als in zekere zin de derde per­soonlijkheid, dat laat je de dagelijkse ervaring zien. Het lichaam dient voor de ziel als een uiterlijke openbaring van haar innerlijke geest en heeft tot doel, de intelligentie en de vrije wil van de ziel naar buiten te keren, te beperken en dan pas de innerlijke onbeperktheid van intelligentie en wil en zijn ware kracht te zoeken en te vinden. Dan kan zij een verheerlijkte en volledig individueel zelfstandige eenheid worden met de innerlijkste geest, die steeds zelf het enige Iets en krachtige Zijn van de mens is.

Tot slot van deze hoogst belangrijke uiteenzetting willen wij overgaan tot het drieënige wezen van God Zelf, opdat jullie duidelijk mogen inzien, waarom Ik jullie vanwege de hogere, innerlijk levende waarheid heb moeten aanbe­velen, dat jullie de mensen, die in Mij geloven en Mijn leer metterdaad hebben aangenomen, moeten dopen in de naam van de Vader, van de Zoon en van de Heilige geest, dat betekent moeten sterken. Zie, de Schrift van de profeten zegt en verklaart, dat Ik, Jezus Christus - ook Mensenzoon genoemd - de ware God ben, hoewel Hij onder verschil­lende namen, als Vader, Zoon en Geest wordt aangeduid en genoemd! En toch is God slechts één persoonlijke Heerlijkheid in de meest volkomen vorm van een mens.­Zoals echter de ziel, haar uiterlijke lichaam en haar binnen­ste geest zodanig zijn vereend, dat zij slechts één wezen of slechts één individuele substantie uitmaken, maar onder elkaar een onscheidbare drie zijn, alzo vereend zijn Vader, Zoon en Geest, zoals dat wordt geleerd in de geschriften van de oude vaderen en de profeten.

 

Hi I /blz.55 (12 - 13) (De Heer) Weet dan, het is van geen belang hoe een ding is in ruimte en tijd; maar er is alles aan gelegen, hoe jullie leven is buiten deze beiden (ruimte en tijd), dat wil zeggen in het eeuwige Zijn. Met de ogen van het lichaam neem je de dingen waar buiten je; met de ogen van de ziel in je, en met de ogen van de geest zie je vanuit het centrum van de dingen en zo ook van je wezen. Maar pas door het toetreden van Mijn Geest krijgen alle dingen hun spraak en worden zij door en door levend. - Ziet, Ik, jullie heilige Vader, verklaar jullie veel! Wees daarom ijverig in de liefde, opdat Mijn genade niet wordt opgehou­den! - Amen.

 

d) De opstanding van het vlees

 

(zie daarover ook voorafgaand onder c) bij Gr. Ev. Joh. VIII /24 (13))

Gr.Ev.Joh.V/238 (1,3,6) (De Heer tot Zijn discipelen)

 

Onder de opstanding van het vlees is te verstaan de goede werken van de ware naastenliefde! Deze zullen het vlees van de ziel zijn en tegelijk met haar op haar jongste dag in de geestelijke wereld, naar het waarachtige bazuingeschal van deze Mijn leer, als gedegen etherisch lichaam opstaan tot eeuwig leven. Al zou je honderd maal op deze aarde een lichaam hebben gedragen, dan zul je in het hiernamaals slechts dit ene, bovenomschreven lichaam hebben. - "In je vlees zul je God zien", betekent zoveel als: In je goede werken naar de welgekende wil van God zul je je God aan­schouwen, omdat het alleen de werken zijn, die de ziel met haar lichaam (dat haar slechts tot een werktuig is gegeven) uitoefent, en die een ziel Of de adel die voor God geldt, Of ook het tegendeel geven. Reine werken geven het reine, onreine het onreine. Alleen het zuivere denken naar de zuivere wetenschap en het ook verder kuise en reine zich gedragen, zonder werken der naastenliefde of met te weinig daarvan, verschaft de ziel nog lang geen geestelijk lichaam en dus ook geen aanschouwen van God. - Ja, mijn gelief­den, het nog zo zuivere weten en geloven heeft geen vaste wanden, die jullie beschermen als het stormt; maar wel zijn en hebben dat de werken van de ware naastenliefde. Zij zijn het ware, blijvende lichaam van de ziel, haar woonhuis, haar land en haar echte wereld. Onthoudt dat goed, niet alleen voor jullie zelf, maar vooral ook voor diegenen, aan wie jullie het evangelie zullen prediken na Mij! Zo zij een­maal het woord van heil zullen weten en geloven, vermaan ze dan, de ware werken te doen van de door Mij zo vaak geboden naastenliefde!

 

e) Het Rijk van God in het menselijk hart

 

(Zie ook: Hfdst.III b; Gr.Ev.Joh.III /241 (8 - 10))

Gr.Ev.Joh. IX/72 (11 - 15) (De Heer) Als de mens zonder twijfel begint te geloven en door zijn doen naar de leer het geloof levend maakt, dan pas ontvouwt zich het rijk van God zó in de mens, als in het voorjaar het leven in de plan­ten door het licht van de zon worden beschenen en ver­warmd en daardoor gedwongen worden tot innerlijke werkzaamheid. - Wel wordt al het leven als van buitenaf komend gestimuleerd en opgewekt, - maar het ontstaan, de ontwikkeling, het ontvouwen, de vorming en stabili­sering gaat dan steeds van binnen uit. Evenzo moeten ook dieren en mensen de voeding eerst van buitenaf komend in zich opnemen; maar dat opnemen van spijs en drank is nog lang niet de echte voeding van het lichaam; deze gaat dan pas van de maag uit naar alle delen van het lichaam. Zoals dan in zekere zin de maag het voedende hart van het leven in het lichaam is, zo is het hart in de mens de 'voe­dingsmaag van de ziel' tot opwekking van de geest uit God in haar, en Mijn leer is de ware levensspijs en levens drank voor de maag van de ziel.

En zo ben Ik dan in Mijn leer voor de mensen een waar levensbrood uit de hemelen, en het handelen daarnaar is een ware levensdrank, een beste en krachtige wijn, die door zijn geest de mensen opwekt en door de helder oplaaiende vlam van het Liefdesvuur ook door en door verlicht. Wie dit brood eet en deze wijn drinkt, die zal geen dood meer zien, voelen en smaken in alle eeuwigheid. - Doet daar­naar en Mijn woorden zullen in jullie tot levende waarheid worden!

 

G.S.II 110 (14) Je weet, dat de geest van de mens een vol­komen levend evenbeeld van de Heer is en in zich de vonk of het brandpunt van het Goddelijk Wezen heeft. Maar als hij dat onloochenbaar in zich heeft, dan heeft hij immers ook alles van de Heer in zich. Hij draagt dus het oneindige van het kleinste tot het grootste geheel naar goddelijke wijze in zich, ofwel hij heeft alles van de Heer door zijn machtige liefde tot Hem als in een punt in zich verenigd.

 

Ed 70 (2 - 4, 13, 15,21,24 - 25) Het rijk van God is inwen­dig in de mens. Zijn grondsteen is Christus, de alleen enige God en Heer van hemel en aarde, voor tijd en eeuwigheid in de ruimte zowel als in de oneindigheid. Aan Hem moet het hart geloven, Hem liefhebben boven alles en de naaste als zichzelf. Heeft de mens aan deze zeer eenvoudige eis in zijn hart geheel voldaan, dan heeft hij het Rijk van God al gevonden. Om het overige behoeft de mens zich dan niet meer te bekommeren; dat wordt hem erbij gegeven, als hij iets nodig heeft.

Want de wedergeborene leeft reeds voortdurend in zijn geest en beschouwt het afleggen van zijn lichaam even zo weinig meer als een dood, als een mens dat voor een dood kan houden, wanneer hij 's avonds zijn mantel uittrekt; of ais een lastdrager wiens last hem erg drukt, totdat hij einde­lijk aan het doel gekomen deze last aflegt.

Eveneens zijn ook de overige tekenen van wedergeboorte slechts inwendig in de mens en worden uiterlijk alleen dan zichtbaar, als het nodig is. Dat is derhalve ook een teken van de eigenlijke wedergeboorte. Daarom moet men ook als gevolgen van de wederge boorte geen onnozele wonder­lijke dingen verwachten, maar geheel natuurlijke vruchten van een gezonde geest en een door deze gezond geworden ziel.

Liefde tot Mij, innige goedheid vanuit het hart, liefde tot alle mensen, dat is in het kort samengevat het echte teken van wedergeboorte; waar dat ontbreekt en waar de dee­moed nog niet voor elke schok sterk genoeg is, daar baten noch aureool, noch habijt, noch geestelijke visioenen iets, en dergelijke mensen zijn ook verder van het rijk van God verwijderd dan menig andere met een zeer wereldlijk uit­ziend gezicht. Want het rijk van God komt nooit met uiter­lijke praal, maar alleen innerlijk in alle stilte en onopge­merkt in het hart van de mens.- Prent dit zo diep als je kunt in het gemoed, dan zul je het rijk van God veel ge­makkelijker vinden, dan je denkt.

 

f] God als Vader van eeuwigheid

 

Gr.Ev.Joh. III/225 (6 - 9) (De Heer tot Murel) Ik ben in Mijn eeuwige Geest reeds van eeuwigheid her jullie Vader; maar in dit Mijn vleselijk lichaam ben Ik nochtans gelijk

een bruidegom en jullie allen zijn gelijk Mijn lieve bruid ­en wel daardoor, dat jullie Mijn woord en Mijn leer aan­nemen en vast in jullie hart geloven, dat Ik de Verlosser ben die zal komen om de mensen te verlossen van de oude zonde, die een voortbrengsel van de hel is, en hen de weg te openen tot het eeuwig leven en het ware kind schap van God.

Waarlijk, Ik zeg jullie: Wie in Mij gelooft en Mijn woord metterdaad houdt, die is als een hemelse bruid in Mij en Ik in hem, die zal voortaan geen dood meer zien, voelen of smaken!

Wie in Mij gelooft en Mij liefheeft en daardoor Mijn lichte gebod van de zuivere liefde houdt, die is het, die Mij ook in het volle licht van zijn hart als de Vader kent! En tot hem zal Ik Zelf steeds komen en Mij hem openbaren, en hij zal voortaan door Mij geleerd en geleid worden. Ik zal aan zijn wil de kracht verlenen, dat hem ingeval van werkelijke nood alle elementen zullen gehoorzamen!

In de eigenlijke wereld zullen de Mijnen geen glanzende triomfen vieren; want alle mensen van deze aarde zijn niet enkel en alleen Mijn kinderen, maar kinderen van de vorst der leugen, nacht en duisternis. Deze houden niet van Mijn licht en zullen evenmin van hen houden, die Mijn licht tot hen zullen brengen; maar daaraan moeten de mensen zich niet stoten, want aan hen is de overwinning in Mijn Rijk voorbehouden!

 

6.

 

De Verlossing

 

(Gegeven door de Heer op 14 juni 1840)

 

Wat is de verlossing?

 

Dat is een vraag aan Mijn kinderen, die zij, in diepe inner­lijke bezinning en in alle rust van hun hart moeten beant­woorden, opdat hen ook daarover een klein poortje wordt geopend in de geheime vertrekken van hun liefde. Zo zul­len zij zichzelf en Mijn liefde leren kennen en in machtige liefde tot Mij ontbranden, - want Ik alleen kan de ziel verlossen door de wedergeboorte van de geest en daardoor de ganse schepping.

De belangrijkste en grootste vraag is: hoe bepaalt de mo­zaïsche wet de vrijheid van wil door liefde, door liefde de wedergeboorte en door wedergeboorte het eeuwige leven? Waarom was de verlossing nodig, boven de mozaïsche wet, daar tot wedergeboorte niets dan het houden van de wet uit pure, reine liefde tot Mij nodig zal zijn?

Wat is dus de verlossing - in hoever is zij voor de mens en hoe kan hij daaraan deelnemen?

De beantwoording van deze vraag zal iedereen moeilijk vallen, die alleen zijn verstand daaraan pijnigt; maar wie zal ontbranden in liefde en deemoed tot Mij, die zal het hele antwoord getrouw vinden in het binnenste van zijn hart. Ik wil Mijn arme zwakke knecht Jakob (Lorber) echter de volle beantwoording geven, opdat jullie je eigen antwoord daarmee kunt vergelijken en je hart kunt onderzoeken in het binnenste kamertje der liefde, dat daarin is. Ik, de grote Meester in alle dingen, Amen!­

Dat is het volle antwoord op de door Mij aan jullie gestelde grootste en belangrijkste vraag, waarvan de grootte en be­langrijkheid pas in deze huidige beantwoording helder zichtbaar wordt.

Opdat het antwoord geheel kan worden begrepen is het nodig, dat het wezen van de mens in diens natuurlijke ­ en geestelijke sfeer wordt getoond. Zonder deze voor­kennis zou het tevergeefs zijn te prediken, daar alles alleen tot de geest is gericht, om weer levend te worden in de liefde, die haar moeder is. En opdat jullie geest de eerste aanspo­ring zou worden gegeven, stelde Ik ook boven deze vraag, waarin het leven van de geest, diens wedergeboorte en ver­volgens het eeuwige leven van de ziel in allerhoogste vrij­heid berust.

Zie, de mens bestaat uit een natuurlijk lichaam, dat een vat is, waarin zich door de verschillende organen een levende ziel ontwikkelt; want in het ontstaan door de verwekking wordt uitsluitend het stoffelijk lichaam gevormd. Pas in de zevende maand, wanneer het lichamelijke wezen organisch - zij het ook niet geheel naar de vorm dan toch naar al zijn delen - is gevormd door het vegetatieve leven van de moeder, wordt in de streek van de maagkuil een voor jullie ogen niet zichtbaar, van de verwekker stammend blaasje geopend, dat de substantie van de ziel bevat. Dit gaat dan over in het gehele organisme door de verbinding met de zenuwen, zet een in alle zenuwen aanwezig magnetisch fluïdum om in het hare en dringt hierop al heel snel ook spoedig door in alle overige organen, het laatst in de hart­spieren, wat gewoonlijk pas op de zevende dag, bij som­migen wel eens iets later, geschiedt.

Dan begint heel langzaam het hart zich uit te zetten door het geleidelijk zich vullen met zielesubstantie, en als het dan langzamerhand vol is geworden, gelijk een elektrische fles, dan ontlaadt het zich in de aderen door een bovenste kamer. Dit ontladen fluïdum deelt zich aan alle zich daar bevindende sappen mee, dwingt ze in alle vaten en zo ook de in het vatenstelsel zelf aanwezige sappen ter verdere beweging in de aderen en door deze weer terug naar het hart. Intussen wordt het hart alweer geladen en trans­porteert het de terugkomende sappen direct weer verder.

En zo begint dan de polsslag, de circulatie van de sappen en iets later die van het daaruit voortkomende bloed. Van­wege de tot stand gebrachte voortdurende omloop en uit­wisseling van de sappen en met name door die van het bloed in de massa van het lichaam, vormt zich, door de zich in de fijne sappen bevindende substantie, de soliditeit van de ziel elektromagnetisch. - En als dan de maag geheel gevormd werd voor de opname van de grovere sappen uit het lichaam van de moeder ter ondersteuning van de voor dit doel gebruikte sappen en van het bloed, dan wordt de mens los gemaakt van de voedende banden in het moeder­lichaam en geboren in de buitenwereld. Hij is dan uitgerust met vijf natuurlijke zintuigen om de zintuiglijke wereld op te nemen, of eigenlijk de verschillende substanties als van het licht, het geluid, de smaak, het gevoel, de reuk en ten­slotte van het algemene gevoel. Deze zijn alle bestemd om de ziel te vormen en naar behoefte het lichaam te laten groeien, wat dan meerdere jaren achtereen geschiedt. En zo zijn nu twee mensen in één, namelijk een stoffelijk en daarin een substantieel (en later nog een essentieel).

Let nu op! Ongeveer drie dagen voor de geboorte wordt uit de allerfijnste en tegelijkertijd meest solide substantie van de ziel in de streek van het hart een ander, onnoeme­lijk fijn blaasje gevormd, en in dit blaasje wordt een een­maal gevallen geest, die in wezen een vonk van de goddelijke liefde is, gelegd. Om het even of het lichaam mannelijk of vrouwelijk is, zo is toch de geest zonder ge­slachtelijk onderscheid en neemt pas mettertijd iets ge­slachtelijks aan, wat door de begeerte tot uiting komt.

Nu is echter deze geest nog dood, zoals hij het reeds sinds zeer lange tijden was, gebannen zijnde in de materie. Maar de ziel is een onweegbaar (imponderabel), substantieel wezen; dus gewoon onverwoestbaar, evenals haar nu lang­zamerhand geheel gevormde zintuigen, zoals overeenko­men met de oren de rede, met de ogen het verstand, met de smaak het behagen aan gekregen indrukken van geluid en licht, verder met de reuk het waarnemen van goed en kwaad en tenslotte met het algemenere gevoel het bewustzijn van het natuurlijke leven in haar, hetgeen wordt veroorzaakt door de voortdurende evoluties van de fijnste substanties in haar met het lichaam overeenkomende organen.

Zoals dan tevoren de circulerende sappen van het lichaam het wezen van de ziel vormden, door de van de buiten­wereld naar haar toegevoerde substanties, evenzo moet en wordt door de circulatie van de fijnste substanties in de organen van de ziel de in het blaasje ingesloten geest ge­voed, zo lang, tot hij zelf rijp wordt om het blaasje te doen springen. Hij zal dan langzamerhand alle organen van de ziel doordringen en, zoals de ziel in het lichaam, zo zal ook de geest in de ziel een volkomen derde mens worden door de voeding uit het denken van de ziel, wat op de volgende wijze geschiedt: De geest heeft ook, evenals het lichaam en de ziel, overeenkomstige geestelijke organen, zoals over­eenkomt met het gehoor en de rede - de gewaarwording of waarneming, met het licht en het verstand - de wil, met de smaak en het behagen aan ontvangen indrukken van geluid en licht - het opnemingsvermogen van al het we­reldlijke in overeenkomstige vormen, met de reuk en het waarnemen van goed en kwaad - het inzicht van het ware en het valse, en tenslotte met het algemeen gevoel en be­wustzijn van het natuurlijke leven in haar - de uit dit alles voortkomende liefde.

En zoals nu de zintuigen van het lichaam geconditioneerd zijn door het voedsel, zo is het ook met die van de ziel en tenslotte ook met die van de geest. Is het algemene voedsel slecht, dan wordt tenslotte alles slecht en dus ook verwer­pelijk; maar is het algemene voedsel goed en behoorlijk, dan zal tenslotte ook alles goed en behoorlijk zijn. Welnu, dat is de natuurlijke samenhang tussen lichaam, ziel en geest. En nu is de vraag, wat is slecht en wat is goed voed­sel?

Ziet, al het wereldse is slecht, omdat het de geest weer naar de wereld wendt, uit wier zwarte nacht van de dood Ik hem aan de stof ontrukte en hem heb gelegd in het hart van de ziel, opdat hij daar weer levend wordt en gelouterd van al het zinnelijk natuurlijke en materieel wereldlijke en hij daarmede eindelijk geschikt zou worden om het Leven uit Mij op te nemen.

Als aan de geest dus slecht voedsel wordt gegeven, dan wordt hij weer werelds, zinnelijk en tenslotte materieel en daardoor dood als voor de geboorte, en ook de ziel met het lichaam, daar zij daardoor zelf lichamelijk is geworden. Wordt aan de geest echter goed voedsel gegeven, - hetgeen is Mijn geopenbaarde wil en volle bemiddeling door de werken van verlossing of van Mijn Liefde door het levende geloof, - dan wordt in het hart van de geest een nieuw blaasje gevormd, waarin een zuivere vonk van Mijn Liefde wordt ingesloten. En zoals het vroeger ging bij de verwek­king van de ziel en uit haar die van de geest, zo gaat het eveneens met deze nieuwe verwekking van het Heiligdom; wordt deze nu geheel rijp, dan verbreekt heilige Liefde de losse banden van het omhulsel en stroomt, - evenals het bloed van het lichaam, of als de fijnste substanties van de ziel, of als de liefde van de geest, - in alle organen van de geest over; deze toestand wordt dan de Nieuwe - of Weder­geboorte van de geest genoemd, zoals het inleggen van dit levensblaasje de geboorte wordt genoemd.­

En zie, tegelijkertijd worden ook door de hel reeds bij de verwekking, vooral wanneer deze als zondig om louter dierlijke bevrediging werd gedaan, een hoeveelheid helse liefde - blaasjes in de streek van de buik en de geslachts­delen gelegd. Die worden bijna gelijktijdig met Mijn Liefde voortgebracht als de rupsen in het voorjaar, wanneer de warmte van de natuurlijke zon komt; zo komt ook dit ge­broed door de opgaande warmte van Mijn goddelijke zon in de geest van de mens. - Daar komen dan ook de ver­zoekingen vandaan, daar elk van deze door de hel voort­gebrachte wezens onophoudelijk pogingen doet, waar maar ergens mogelijk in het leven van de ziel in te grijpen. En als de mens dan niet krachtig met de nieuw geboren Liefde uit God uit eigen wil dit broedsel tegemoet treedt, stromen zij in alle organen van de ziel. Zij zetten zich dan gelijk zuigende poliepen vast op de plaatsen waar de geest in de ziel vloeit en zo verhinderen zij de ziel het leven uit de geest op te nemen en eveneens door hem de opname van het leven van de goddelijke Liefde. Als nu de geest ziet, dat hij zich niet kan uitbreiden om het nieuwe leven uit God in volheid in zich op te nemen, trekt hij zich weer terug in zijn stille blaasje, en zo ook in hem des te meer Mijn Liefde, die God in de mens is. - Heeft dat in de mens plaats gevonden, dan gaat hij weer louter aards en boven­matig zinnelijk worden en gaat ook verloren, omdat hij niet weet dat zoiets in hem is gebeurd, daar het boze gebroed heel kalmpjes aan weldoend in het begin de zinnen van de mens voor zich inneemt en hem zo langzamerhand geheel gevangen neemt, zodat hij van al datgene wat van de geest is, niets meer weet, hoort, ziet, proeft, ruikt en gevoelt.

Dat is dan een ellende, zoals er vanaf de aanvang tot aan het tijdstip van heden niet was en ook in het vervolg niet meer zal zijn, wanneer nu de mens zijn toevlucht tot God neemt, uiterlijk door bidden (met name Mijn gebed), door vasten en lezen van het Woord uit de Schrift. Daardoor zal hij een sterk verlangen krijgen, bevrijd te worden uit de grote droefenis.

Heeft een mens dat ernstig genomen, daar hij in zich zeer sterk de twijfel waarneemt, dan begin Ik van buitenaf te werken als een overwinnaar van dood en hel door de wer­ken van de verlossing en geef de mens uit Mijn erbarmen kruis en lijden naar Mijn Wijsheid. Daardoor worden voor de mens de wereld en haar vreugden zó bitter, dat hij er een afkeer van krijgt en vurig begint te verlangen naar de bevrijding uit het leven van het lijden. En zie, daar nu dit gebroedsel daardoor in de ziel geen voedsel meer krijgt van de zondige buitenwereld, wordt zij zwak en verdroogt bijna geheel in de organen van de ziel en geraakt daardoor in een voor haar onbewuste toestand.

Doordat nu de van buiten werkende, zielsverlossende, er­barmende liefde van Jezus Christus begint te vloeien in de zieke organen van zowel lichaam als ziel, de organen ver­licht en als vermanend geweten aan de ziel het zeer grote aantal in haar aanwezige zonde gebroedsel zichtbaar maakt, schrikt de ziel, wat zich door beklemming van het hart en door een innerlijk ineenkrimpen van de borst in de maagstreek bekend maakt. In deze deemoedige smart, die zich door echt berouw uitspreekt, smeekt de ziel dan tot

God in Zijn gekruisigde Liefde om genade en erbarming; ­en zie, dat wordt de geest dan gewaar en begint zich weer te roeren in het blaasje, waarin het zich had terugge­trokken.

Nu worden door Gods erbarmende liefde aan de mens de wetten van Mozes vermanend in herinnering gebracht van de eerste tot de laatste, en hem opgedragen zich streng daaraan te houden, opdat hij zich tot in het diepst van zijn hart zal verootmoedigen en verloochenen. En wel om de­zelfde reden als een wasvrouw haar doek zolang boent en wringt, dat zelfs de kleinste vuildeeltjes door het ontwij­kende water worden meegenomen, hetgeen zo vaak wordt herhaald, als het water nog maar iets troebel blijft. Dan pas wordt zo'n was onder de stralen van de zon gelegd, opdat deze het laatste spoor van vuil door verdamping wegnemen, wat door de wind naar alle zijden wordt ver­waaid.

Ziet, zo zijn de wetten van Mozes uit God in getale tien, wat een Goddelijk getal is. Zij geven aan dat de mens als hij veel tegenspoed heeft, eerst moet geloven, dat Ik ben en dat hij dan voor mij de hoogste achting heeft; ja dat hij zelfs gelooft, dat hij uit de zeven dagen de aanbevolen sabbat moet kiezen en deze heiligen in rust als een ware rustdag van de Heer, opdat hij leert zicht te verloochenen en steeds diepere en nog diepere blikken in zijn binnen­ste te werpen. Daardoor zal hij zijn inwoners leren kennen en zich dan tot Mij wenden, opdat Ik ze op de genoemde manier vernietig en uitdrijf uit de organen van zijn ziel.

Heeft de mens zich tot zover diep onder Mijn grootheid, macht en sterkte verdeemoedigd, dan komt het nu op het wassen en boenen aan, waaronder het precies houden van de zeven overige geboden wordt verstaan, waardoor de mens zich zelfs diep onder zijnsgelijken moet vernederen. Hij moet al zijn kwade begeerten gevangen nemen en zijn wil geheel en al breken en al zijn verlangens, ook de klein­ste wens van zijn hart, aan Mijn Wil onderdanig maken. Dan zal Ik komen in de liefde en de woonplaats van zijn geest verwarmen als een hen haar nog niet uitgekomen kuikens. En ziet, dan wordt de geest, die al eerder was be­gonnen in beweging te komen, door de warmte van de Goddelijke liefde weer nieuw geboren, stroomt al spoedig weer in alle delen van de gereinigde ziel over en slurpt begerig de uitwerkingen van erbarmende liefde uit de ge­reinigde organen van de ziel in zich op, waardoor hij dan sterker wordt. En als dan de liefde van Mijn erbarming is binnengedrongen in de diepte van zijn hart, waar zich nog het zeer bijzondere blaasje van de Goddelijke Oerliefde bevindt, dan springt het zuiver goddelijke blaasje waarin het grote heiligdom van de Liefde van de eeuwige heilige Vader was besloten, weer opnieuw, aangespoord door de liefde van de Zoon, die nu de ziel verlossend heeft ge­reinigd. Deze liefde verenigt zich dan zeer innig met de geest, waarin zij dan spoedig in grote helderheid gelijk een opgaande zon overstroomt en bijgevolg ook in de ziel en door deze ook in het afgestorven vlees.

Daarop wordt de mens door en door levend, en dit totale levend worden is dan de opstanding van het vlees.

En wanneer dan alles wordt doordrongen van de Vader, dan wordt de Zoon door de Vader opgenomen in de hemel, dat is: in het hart van de Vader; de Zoon nu neemt de geest van de mens, en deze de ziel, en de ziel het lichaam, dat is het levenslichaam' (* Lorber schrijft hier: "Nervengeist". Deze verbindt het lichaam met de  ziel en is verwant aan de ziel.), want al het overige is slechts excrement daarvan.

Wanneer nu de Vader, dat is de Liefde van de Vader, in de mens gaat heersen, dan wordt het licht in de mens, daar de Wijsheid van de Vader nooit gescheiden is van diens Liefde; zo wordt dan ook de mens vol liefde, vol wijsheid en macht, en daardoor nu geheel wedergeboren in alle liefde en wijs­heid.

Ziet nu, welk een moeite, lankmoedigheid en groot geduld het Mij steeds kost, uit duizenden nauwelijks één te kunnen verlossen. Hoe vaak worden zelfs door zo iemand Mijn in­spanningen miskend, veracht, gevloekt en met voeten ge­treden; - en toch laat Ik nooit af jullie voortdurend toe te roepen: "Komt allen tot Mij, die vermoeid en belast zijn, Ik zal je verkwikken!"

Doch tot doven en blinden is het moeilijk te prediken, daar zij zich in volle mate in de ellende van de wereld hebben gestort en daardoor de aarde, hetgeen is hun vlees, hebben besmeurd met de vloek van de stinkende hel, waarvan de stank een ware pest voor de ziel is. Zo moet Ik steeds weer een zondvloed uit de hemelen laten regenen, waaronder de bittere werken van verlossing worden verstaan. Is daar­door dan het met vloek bezoedelde aardrijk van de ziel weer gewassen en zijn de poelen en moerassen weer door de winden van genade gedroogd, dan pas is het weer moge­lijk om de weg tot het Leven uit Mij te prediken.

En daar Ik nu reeds geruime tijd tot jullie spreek, volg dan Mijn stem en keer terug in de stal van Mijn geliefde lam­meren, opdat Ik jullie leid als de enig goede herder op de levensweide en jullie Mij dan wol geven, zo wit als sneeuw en Ik jullie daaruit een kleed vervaardig, dat je in alle eeuwigheid zal sieren!

Als de landman een kleine boomgaard heeft en ziet, dat de boompjes daarin louter wilde stammen zijn, dan denkt hij bij zichzelf: wat moet ik doen? Trek ik ze uit de aarde, dan zal mijn tuin leeg worden, en al zet ik er ook anderen voor in de plaats, dan zullen het aanvankelijk ook slechts wilde stammen zijn, misschien niet eens zulke sterke als die er al staan. Daarom wil ik deze zorgvuldig reinigen van alle kwade ongedierte en hun nesten en dan zal ik er op de juiste tijd edele twijgen van goede bomen op enten. Zo zul­len deze wilde stammen, die overigens groen en kerngezond zijn, met hulp van boven beslist allen nog goed worden, en mij eenmaal zeker nog veel goede, zoete en edele vruchten opleveren.- En de verstandige landman, die doet zoals hij wijs had gedacht, ontvangt daarvoor reeds na enkele jaren een rijke, veel vreugde brengende oogst.

Welnu, jullie zijn als ouders louter zulke landslieden, op wier aardse of lichamelijke gronden door de zorgeloze hoerachtige manier van leven in alle ontucht van Sodom en Babel, louter wildgroei is ontstaan. Daarom moeten jullie later met verdubbelde ijver dit struikgewas reinigen van al het vele ongedierte, hetgeen daarin bestaat, dat jullie de grootst mogelijke oplettendheid in acht nemen bij alle wensen en begeerten, die alle hun oorsprong hebben in het inwonende helse ongedierte. Jullie dienen dat alles te ver­delgen op de juiste door Mij aangeduide manier en ook van begin af aan de onnutte zijloten snoeien van de vaak goed lijkende, maar toch steeds het leven in de stam ver­zwakkende eigen wil. Dan zullen jullie spoedig een ge­zonde en krachtige stam opkweken. En als dan de tijd van het enten zal aanbreken - hetgeen is het bekendmaken en inenten van de uit Mijn hoogste liefde voortvloeiende wet door Mozes, - dan zullen jullie met Mijn krachtige hulp zeker kunnen verwachten, dat je op deze wijze gerei­nigde en zorgvuldig verzorgde wilde stammen vast Mijn Wil aangrijpen, nadat hen van te voren de hunne geheel werd weggenomen. Wanneer je deze bovendien nog ijverig zult begieten met het levende Water, opdat hun hoofden spoedig recht omhoog naar de hemel opgroeien, zullen deze stammen in korte tijd zeer weelderig de mooiste en heerlijkste vruchten brengen van allerlei soort. Daardoor wordt dan hun geestelijke gezichtskring zalig en zij zullen steeds meer genadelicht kunnen inzuigen, dat in grote vol­heid voortdurend uit de genadezon stroomt, die is ontstaan uit het verlossingswerk en uit wiens licht en warmte alle creatuur pas opnieuw en geheel wedergeboren kan worden tot eeuwig leven.

En dit is de verlossing, dat de heilige Vader en de Liefde wordt gekend, die ter verzoening en opnieuw heiliging van de gehele wereld aan het kruis bloedde en zelfs de mis­dadigers door de laatste lanssteek in het hart van de eeuwige Liefde de heilige poort liet openen naar licht en eeuwig leven. En zoals er één ziende werd en levend in geloof en in liefde, zo kunnen allen ziende en levend in geloof worden. Dat is het ware deelnemen aan de verlos­sing, opdat dan het blaasje van de eeuwige liefde opnieuw bevrucht zal worden door de stralen van de genadezon en in jullie de oude liefde van de Vader zal opgaan door de werken van de Zoon, in alle kracht en macht van de aller­heiligste Geest uit Beiden. Dat kan geschieden in de zuivere liefde van jullie wedergeboren hart.

Wat het werk van Mijn verlossing betekent en is, daarvan zeg Ik: ten eerste is dit het allergrootste werk van eeuwige liefde, omdat hierdoor Ik, de Allerhoogste, in alle volheid van Mijn liefde en in oneindige volheid van Mijn Godheid Zelf mens, ja zelfs jullie allen tot broeder werd, de hele zondenmassa van de wereld op Mijn schouders nam en de aarde reinigde van de oude vloek der onaantastbare heilig­heid van God. Ten tweede is het de onderwerping van de hel onder de kracht van Mijn liefde, die voorheen slechts stond in de macht van de toornig en boos geworden God­heid en dus ver was van elke invloed van Mijn liefde. Mijn liefde is nu het vreselijkste wapen tegen de hel, omdat zij het meest stralende tegendeel daarvan is, waardoor deze ook reeds bij het liefdevol en aandachtig noemen van Mijn Naam wordt teruggedreven in een hele oneindigheid. Ten derde is het werk van Mijn verlossing het openen van de poorten van de hemel en van het eeuwige leven en de ge­trouwe wegwijzer daarheen, want zij verzoent je niet alleen weer met Gods Heiligheid, maar toont je ook, hoe je je voor de wereld moet vernederen, als je verhoogd wilt wor­den door God. Zij toont je verder, alle bespotting, lijden en kruis uit liefde tot Mij en tot je broeders te verdragen in alle geduld, zachtmoedigheid en overgave van je wil; ja zij leert jullie, je vijanden te zegenen met de goddelijke liefde in het hart.

Daar dus de wereld niets anders is dan alleen de uiterlijke vorm van de hel en daar de door de verlossing weer ge­zegende aarde op deze wijze opnieuw tot drager van de hel werd, zo heeft de wereld zich van de aarde meester gemaakt en woont in grote gebouwen, in de glans van zelf­zucht, zelfbedrog, eigenliefde, wellust, weelde, rijkdom, gierigheid, woeker en algemeen gangbare heerszuchtige eigenbaat. Opdat de aarde echter niet weer schandelijk wordt bevuild, is zij geheiligd geworden door het bloed van de Eeuwige Liefde. En als de slang zich ergens van zijn vuil ontlast, zij het door oorlogen of processen, door roverijen of ontucht, hoererij, Godsloochening en velerlei echtbreuken, natuurlijk en geestelijk, dan werkt meteen de verlossende zondvloed van de gekruisigde liefde door op­wekking van godsmannen en zieners, die dan weer het vuil van de slang van de aarde verdelgen, door het op te zoeken en in de voorraadkamers van de groten der wereld te wer­pen. Dan verlustigt zich het hart van de wereld aan zo'n schat, maar Mijn kinderen moeten een korte tijd nood lijden, omdat de aarde voor deze korte tijd onvruchtbaar wordt. Maar als zij dan vluchten onder Mijn kruis en Mijn stem horen spreken van nieuw leven door de mond of sprake van Mijn zieners, en zij begieten de schraal gewor­den aarde ijverig met het water uit de Bron van Jacob, dan wordt de aarde meteen weer gezegend en draagt zij vruch­ten van de heerlijkste soort. Deze vruchten zijn dan weer het aandeel aan het grote werk van mijn verlossing, vol­bracht aan het kruis.

 

7.

 

De weg tot geestelijke wedergeboorte

 

Gehoorzaamheid en deemoed zijn voedsel voor de wedergeboorte van de geest

 

(15 Aug. 1840)

 

a) Noodzakelijke gedragsregels

(Gegeven door de Heer op 15 Aug. 1840)

 

Hier geef Ik in het kort gedragsregels, die nauwgezet en goed in acht zijn te nemen, als je zeker wilt zijn tegen alle vervolgingen van de wereld en ook de kortste weg wilt in­slaan, om zo spoedig mogelijk in het bezit van Mijn genade te komen en daardoor de volkomen wedergeboorte te ver­krijgen.

 

Deze regels zijn gerangschikt de volgende:

Ten eerste moet ieder de staatkundige wetten naar hun uiterlijke bepalingen nauwgezet in acht nemen en zich elke beproevende druk laten welgevallen; want er bestaat nergens een macht dan alleen in Mij en door Mij. Alles is Mij onderdanig, hetzij (zelden) bewust of (meestal) on­bewust; goede en harde vorsten heersen al naar gelang de omstandigheden van de onderdanen, want dat alles hangt van Mij af. Wanneer evenwel onder een volk alle zonden nog zeer gebruikelijk zijn, zoals het bij jullie het geval is, hoe zou Ik dan onbaatzuchtige regenten moeten geven?

Wee daarom elke opruier! Die zal niet alleen met de tijde­lijke, maar ook met de eeuwige dood bestraft worden; want heersers staan te hoog, dan dat zij uit zichzelf zouden kunnen zijn, wat zij voor het volk zijn. Niemand is iets zonder Mijn rechtvaardige wil en is voor de goede en zachte een troost en voor de harde, hebzuchtige een ge­rechtvaardigde gesel in Mijn hand. Wie hem weerstreeft, verzet zich tegen Mijn gesel en zal zijn verzenen hard tegen de prikkels slaan; maar wie in Mijn liefde en de daaruit voortvloeiende genade leeft, diens rug zal nimmer onder de scherpe slagen van Mijn gesel bloeden, maar hij zal zo sterk worden als een eik onder het harde waaien van de stormachtige winden. Gelukkig echter de reine weder­geborene; want hij zal hoogste vreugde vinden in het grote uitstromen van Mijn liefde.

Mijn rijk is niet van deze wereld. Geef daarom aan de keizer wat van hem is, en aan Mij wat Mij toebehoort, namelijk je hart in gehoorzame zuivere deemoed; bekom­mer je niet om al het overige, want Ik, je Vader ben immers temidden van jullie! Wees daarom gehoorzaam aan je vorsten, neem gewillig zonder morren het lichte kruis op je schouders en volg Mij na in alle liefde en zachtmoedigheid, dan zullen jullie leven en levend maken in Mijn genade, wat je ook zult aanzien in Mijn naam! Amen.

Ten t wee de, wat de uiterlijke, heersende kerk aangaat, staat iedere tot haar behorende gelovige - zolang hij met betrekking tot haar uiterlijke geloof onder al haar voor­schriften staat - in dezelfde verhouding tot haar als de onderdanen tot hun vorst, alleen met dit verschil, dat een zich afwenden van de kerk niet als in de staat strafbaar, maar straffeloos moet worden geduld. Maar Ik voeg daar aan toe, dat Ik hem met toornige ogen zal aanzien, die zijn aardse geloofsmoeder zal verlaten, en het zal hem eens niet veel beter gaan dan een dwaze zelfmoordenaar. Want daar de mens toch een lichaam heeft, waardoor de eerste indruk­ken bij de ziel komen en deze voeden, moet er immers ook een uiterlijke spijskamer zijn; dat is de uiterlijke kerk, op­dat door deze je boze lichaam wordt doorbroken en be­werkt gelijk een kind in het moederlichaam! Welnu, wat wordt of kan uit iemand worden, die zijn moederlichaam te vroeg verlaat?!

Gehoorzaamheid en deemoed zij de voeding tot weder­geboorte van de geest. Als nu de roomse kerk jullie dat leert, en dat zeer voortreffelijk, wat drijft je dan weg van het lichaam van jullie geloofsmoeder? - Laat dan een ieder getrouw blijven aan zijn kerk, en een roomse is Mij negenennegentig maal gezegend als hij beantwoordt aan de gehoorzaamheid van zijn kerk, en ieder ander slechts een­maal, als hij een eigengereide rechter is bij wie geen dee­moed en slechts weinig liefde is te vinden! Wat nu de cere­moniën betreft, daar dient niemand zich aan te stoten; want voor de levende is alles levend, voor de reine alles rein, voor de gehoorzame alles goed en voor de dee­moedige alles geheiligd. - Hoe kan iemand redetwisten over de omstandigheden van kerk en staat, die meent in Mijn licht te zijn? Denkt hij dan, dat Ik niet zoveel inzicht heb om omstandigheden te veranderen, als zij niet beant­woorden aan Mijn wil?! Oh, zulke rechters staan ver onder een zwakke gelovige, als zij menen, dat Ik hun rechterlijke bijstand nodig heb! Waarlijk, Ik zeg, dat zulke dingen Mij een gruwel zijn. Want alles geschiedt op de juiste tijd, en Ik alleen ben de rechter over alle dingen en omstandig­heden, want Ik alleen ben heilig en Mijn rechtvaardigheid is vol liefde. Volg daarom je kerk in wat zij verlangt en laat je hart door Mij opvoeden, - dan zul je zeer spoedig tot het genadevolle Leven komen en daardoor tot de geestelij­ke wedergeboorte, en je uiterlijke kerk lichamelijk bele­ven! Amen.

Ten derde, wat de ceremonie betreft, daaraan is niets wat zalig maakt, noch iets wat doodt. Daar in de wereld alles onder een zekere ceremonie geschiedt,- wat dan een pro­ces wordt genoemd, - zo kan ook de kerk in haar uiter­lijke vorm heel goed ceremoniën hebben; alleen moet nie­mand daarin iets verdienstelijks zoeken dat voor het eeuwi­ge leven zou deugen, want daarvoor helpt niets dan een boetvaardig, deemoedig hart, vol van Mijn liefde en genade. - Dat is dan de levende kerk in jullie, in en door welke pas de dode kerk levend en vol diepe zin wordt. Hoe dan ook, het is van de dood opstaan, of van het leven tot de dood terugvallen, dat wil zeggen: men kan óf door de gehoor­zaamheid in zich in de deemoed en daardoor tot genade en door de genade tot wedergeboorte komen, óf men kan zich in de dode ceremonie begraven gelijk de heidenen en zo te gronde gaan in haar ijdele, hulpeloze geschitter.

Want zoals een boom groeit, takken en twijgen krijgt, dan knoppen, bladeren, bloesem met vrouwelijke en mannelij­ke stampers en meeldraden, - wat mettertijd allemaal af­valt als verder nutteloos, opdat de vrucht vrij en met goed gevolg krachtig zal uitgroeien volgens de daarin gelegde kern, - zo overeenkomstig is het gesteld met de ceremo­niële kerk. Zou iemand alles wat groeit eten, dan zou hij te gronde gaan door zo'n onrijpe voeding. Alleen de rijpe vrucht is genietbaar en tot zegen, hoewel niet zelden zich ook in de bloesem heilzame krachten bevinden, die in vele ziekten goed van pas zijn gekomen. Welnu, deze vegetatie­ve processen zijn gelijk aan de dode ceremonie; maar moet niet gezegd worden: "zij zijn vanwege de orde toch nood­zakelijk; want wanneer de bomen niet bloeien, komen er ook geen vruchten aan"?!

De joodse kerk was een voorbeeld van louter ceremonie, als bladeren en bloesem voor de levende vrucht van het woord der eeuwige liefde. Nu vraag Ik: was zij niet goed als zij was, wat zij heeft moeten zijn? Als jullie kinderen worden gegeven, waarmee willen of kunnen jullie deze Mij en Mijn wil beter doen leren kennen dan juist met behulp van het ceremonieel aanschouwelijk maken?!

In het begin zijn jullie allen niets dan Joden en kinderen en kunnen daarom heel goed kerkelijke ceremonie gebruiken, zolang jullie nog kinderen zijn, alleen moet het daarbij niet blijven; maar wie de lagere klas heeft doorlopen, komt in een hogere klas en leert daar lezen en schrijven en tenslot­te rekenen in Mijn liefde en handelen in de genade van Mijn wijsheid. En wiens hart zuiver in de liefde is gewor­den, komt dan op Mijn school, waar hij pas het eeuwige leven zal bereiken door de wedergeboorte. Wie evenwel, zijn innerlijk buiten beschouwing latend, aan de ceremonie blijft hangen die op zichzelf dood is, die zal zelf dood worden, daar hij zo dom was in uiterlijke zintuiglijke mid­delen het doel te zoeken. Als iemand het kind met het badwater weg werpt, dan is hij een dwaas; maar wie het kind weggooit zonder er op te letten en het bad behoudt, die is al dood vanwege zijn bijgelovige boosheid. De wijze echter houdt het kind met het bad - het kind omdat het een levende vrucht is, en het bad, om het kind nog vaker te kunnen baden - en werpt alleen het badwater weg.

Daarom, als jullie ware kinderen van Mijn liefde en genade willen worden, laat je dan niet door de bloesem ergeren; want de bloesem mag er uitzien zoals zij wil, wat kan je dat deren? Denk aan de vrucht, dan zal je ook de bloesem ge­heiligd zijn, daar jullie weten, dat het bij bladeren en bloe­sems niet blijft. Maar wanneer iemand tot vrucht wil uit­groeien, dan doet hij er niet verkeerd aan geregeld om te zien en dan het groeien van zijn geestelijk leven oplettend in het oog te houden; het is echter niet aangenaam, als ie­mand, zijn kinderschoenen verachtend, zich als een gier trots verheft en dan van duizelingwekkende hoogte moord­zuchtig ziet naar de bescheiden duiventillen en gulzig op hun val neerziet, om daar iets beter van te worden.

Denk eraan,dat zonder Mijn toelating niets gebeurt en nooit iets kan gebeuren, dan zal je ogenblikkelijk alles heel anders voorkomen! Elk mens heeft weliswaar de volle vrij­heid van zijn wil, maar de leiding van de volkeren is Mijn werk. - Dit heb ik jullie gezegd, opdat je volledig rust moogt hebben in het hart, zonder welke jullie tot niets hogers bekwaam kunt worden. De rust van de Sabbat mag voor jullie de grootste zegen zijn; want de echte liefde is gelijk een zwangere vrouw, die rust nodig heeft tijdens haar bevalling. Daarom zeg ik jullie dit, opdat je volle rust hebt in Mij, jullie Vader, die altijd heilig, heilig, heilig is in alle eeuwigheid der eeuwigheden. Amen.

Ten vier de: Een andere zaak is het lezen van de zo­genaamde verboden boeken. Hier zeg Ik niet, dat jullie deze niet moeten lezen, als ze in je handen komen, evenmin als ik iemand verbied de naam van de vorst der leugen uit te spreken en, als het nodig is, waarschuwend over hem te spreken. Maar vraag je nu zelf af, waartoe al dat gelezene je dient! Wat staat er in de boeken, die uit het trotse mense­lijk verstand ontspruiten? Ik zeg, niets dan onzin en alle perken te buiten gaand dwaas geklets, en het heeft geen nut, maar heeft je hoofd volgepropt met allerlei dwaallicht en je hart met allerlei vuil en daardoor je geest vaak gesloten en donker gemaakt. Zeg Mij, doet diegene niet beter, die volgt, wanneer Ik hem toeroep: "Kom tot Mij, als je vermoeid en belast bent, Ik zal je verkwikken; bid, zo zal je gegeven worden; zoek en je zult vinden, en klop aan, dan wordt je opengedaan!"; wanneer Ik hem verder nog toeroep: "Wat je de Vader in Mijn Naam zult vragen, zal Hij je onverwijld geven; zoek voor alles Mijn rijk, - al het overige zul je als vrije toegift ontvangen!"

Hoe komt het dan, dat jullie dit alles weten en toch niet tot Mij komen, om van Mij de grote weg van Mijn genade te leren en van Mij het eeuwige Leven uit Mijn hand te ont­vangen, - hetzij jullie houden Mij, gelijk jezelf, voor een flinke leugenaar, óf jullie houden Mij voor te hardhorend en hardvochtig om je Mijn levende woord te geven. Jullie laten je liever door de wereld iets voorliegen en verhonge­ren in haar dwaasheid, dan dat je in vertrouwen uit ware liefde tot Mij zou komen om te ontvangen de waarheid van alle leven en zijn uit de Oerbron, in plaats van het leven in de dood te zoeken. Oh, jullie dwazen! Ik geef jullie het Levensbrood en jullie willen bijten in de harde, dode ste­nen; Ik roep jullie luid toe tot Mij te komen, en jullie ren­nen dolle honden na en gedraagt je als zij. Ik schreeuw ­

luider dan een nachtwacht - jullie dag en nacht in de oren, maar jullie stoppen je oor vol met grote pakken boeken vol vuil en drek, opdat je immers van Mijn stem niets meer wilt horen, en zoekt gelijk slaapdronken mensen het leven op bezoedelde met lijm bestreken lompen (bedrukt papier).

Welke uitdrukking zou zo'n dwaasheid kunnen omschrij­ven? Oh, Ik zeg je, jullie zullen in de eeuwigheid over jul­lie dwaasheid wenen, dat jullie, het goud miskennend, lood hebben gekozen, terwijl jullie zoveel van het edele wordt aangeboden!

Leest daarom weinig, maar bidt des te meer, dan zal Ik tot jullie komen en je in een minuut meer geven, dan alle bibliotheken in de hele wereld hebben aan te bieden. Be­kommer je daarom ook weinig om het verbod van de boe­kenvrijheid, want voor wie Ik het grote Boek van Mijn eeuwige genade heb opengeslagen, die zal het lezen van verboden geschriften kunnen missen. Want Mijn Boek richt zich naar geen wereldcensuur, - het wordt steeds in de harten van de getrouwen opengeslagen, waarin geen blik van wereldcensuur vermag door te dringen, en waar ook nooit hekken worden geplaatst! Amen.

Ten vijfde: Wat evenwel de Heilige Schrift aangaat, daar­in dient diegene te lezen, die eenvoudig van hart is en een gehoorzaam en volgzaam gemoed heeft, maar hij moet niet lezen uit onbescheiden eigenwijsheid of nieuwsgierigheid, want dan zal hij de dood aan elke letter vinden kleven. Maar wie de Heilige Schrift leest, moet haar lezen als een wegwijzer naar het levende Woord en er naar handelen; hij moet er ook niet over vorsen en piekeren, maar dadelijk ernaar leven en in de liefde tot Mij groeien. Dan zal hem te rechter tijd het geheim van de erkenning en kennis worden gegeven en zal in zijn hart de hemelse zin van de geest en van het eeuwige leven worden onthuld - precies zo als het bij jou, Mijn knecht, het geval is; jij hebt nog nooit dit hei­lige boek helemaal doorgelezen en bent toch in elk punt daarvan een professor der professoren geworden door Mijn genade! Maar dat, wat je bent en begrijpt, kan iedereen worden, als hij niet streeft naar ijdel weten, maar alleen naar de kennis van Mijn liefde en de daaruit vloeiende genade in en door de deemoedige eenvoud van zijn hart.

Zo is het ook gesteld met de mystieke geschriften, waarvan het lezen jullie evenmin zal bevruchten en tot nut zijn als de een of andere roman, - als je daarvan innerlijk niet tot overtuiging kunt komen, want met dat alles bezwaren jullie slechts je geheugen als de muil van jullie hoogmoedige ver­stand. In plaats van dat voor liefde en wijsheid hongerig en dorstig te maken, voeren jullie het met allerlei weten en ontneemt het daardoor de eetlust naar het levensvoedsel. O, jullie dubbele dwazen!

Ik ben de Heilige Schrift, levend en leven gevend. Ik ben de beste uitlegger daarvan en ben gelijktijdig de allerdiepste Mysticus! Lees daarom weinig, maar handel ernaar, dan zal jullie alles geworden! Want het mosterdzaadje is wel klein, maar er kan een groot gewas uit worden, onder wiens takken zelfs de vogelen des hemels hun woning zullen kiezen. Amen.

Voortzetting op 18 Aug. 1840.

Ten zesde: Wat de priesters aangaat, zeg Ik: daarvan zijn er velerlei soorten. Er zijn er, die priester zijn om het aan­zien en de macht; deze verachten Mijn grote armoede en gehele machteloosheid in wereldlijke zaken, want Ik wilde geen vorst, maar alleen Redder van de wereld zijn. En er zijn er ook, die zijn priester vanwege de waardigheid van de geestelijke stand; deze matigen zich aan, alleen de kerk te zijn en verdoemen dan uit jaloerse willekeur alles wat van Mij door een arme visser uitgaat en leren in strijd met Mijn wil, dat Ik Mij aan niemand openbaar dan alleen aan de kerk - die zij wanen te zijn. Op deze manier versperren zij dan ook vele duizenden en duizenden de deur tot Mijn levende Woord.

Waarlijk, Ik zeg jullie: deze zullen nooit een ander woord van Mij horen dan het grote: "ga van Mij weg, want Ik heb jullie nooit gekend! Jullie waren altijd verachters van Mijn levende woord en hebt Mij tot leugenaar gemaakt; want er staat geschreven: wie Mijn geboden houdt, die is het, die Mij liefheeft; en wie Mij liefheeft, die heeft ook Hem lief, die Mij heeft gezonden, namelijk de heilige Vader en Wij zullen tot hem komen en woning bij hem maken en Ons aan hem zelf openbaren!"

Maar dan zijn er ook priesters, die wel deze zegenrijke naam verdienen. Deze zijn vriendelijk en liefdevol tegen iedereen. Wat zij hebben, geven zij aan de armen. Zij ver­oordelen niemand, maar zij zoeken slechts zorgvuldig wat verloren is te redden. Zij troosten de bedroefden, zij ver­lenen de vreemden gastvrijheid en geven hen een zacht bed en leggen zichzelf uit pure liefde een steen onder hun geheiligde hoofd. Zij laten zich geen offers betalen, maar zeggen tot hem die dat wil doen: "Broeder, het offer is heilig en van onschatbare waarde; want het geeft het grote werk van verlossing in geloof en in liefde levend weer. Daarom kan het niet betaald en tot nut van een enkeling gedaan worden, maar zoals door de macht van de grote verlossing allen wedergeboren kunnen en moeten worden tot eeuwig leven, alzo werkt ook de kracht van het door Christus Zelf voor dit doel gebrachte offer. Offer daarom je gave eerst als hulp aan een arme broeder en heb je dan nog wat over, dan breng het getrouwen leg het op het al­taar van de Heer en bid voor je vijanden; dan zal de grote Heer je offer als een heilig offer met welgevallen aanzien en je geven, wat je nodig hebt!"

Ziet, dat is voor Mij een echte priester, wiens offer Mij zeer aangenaam is! Waarlijk, Ik zeg jullie: Ga daar heen en luister naar zijn prediking, want geen enkel woord is van hem, maar levend van Mij. Oh, deze zal spoedig ervaren, hoe groot het loon zal zijn, dat op hem wacht! Waarlijk, Ik zeg, dat hij bij Mij zijn heilige Vader, voor altijd zal wonen! Meer behoef Ik jullie niet te zeggen: aan de werken zul je hen gemakkelijk herkennen, zoals een boom aan zijn vrucht.

Daarom moeten jullie jezelf niet stoten aan de kerk van­wege de priesters. Nog minder moeten jullie je stoten aan de een of andere bisschop. Daar zo iemand reeds hoger staat en een volk voorgaat, kunnen jullie je indenken, dat hij niet alleen staat, maar dat elk van zijn schreden en woorden en daden door Mij zeer nauwkeurig wordt ge­teld en door hem moet toch altijd de uiterlijke stand van zaken in goede orde worden bewaard.

Doch wat jullie innerlijke aangaat weet je immers zonder meer, dat het steeds alleen op jezelf aankomt en later op Mijn genade, die jullie noch een engel in de hemel, noch een bisschop, noch wie dan ook kan geven, maar in de eerste plaats jullie jezelf door de ware liefde tot Mij en tot de naaste, door nauwgezet de geboden te onderhouden, of als zondaar door ernstig boete te doen.

Want uit alles wat jullie doen dient de liefde tot Mij en de naastenliefde te stralen! Houdt broederlijke gemeenschap onder elkaar in al het goede, dan zal Ik tot jullie komen en je door en door levend maken! Heb lief, die je haten en vervolgen, en zegen hen door gebeden, die je vervloeken en verdoemen; dan zullen jullie beginnen grote werkingen van Mijn Licht in jullie donkere harten te bespeuren! Amen.

Ten zevende, wat tenslotte nog de zogenaamde oorbiecht betreft en de zeven heilige sacramenten, zeg Ik jullie en vraag jullie zelfs: Stoot je daar niet aan, gebruik alles juist en in de goede levende zin, dan zul je leven! Want voor de redetwister is niets juist, maar voor de rechtvaardige is alles goed en heilig; zelfs het nest van een vogel zal aan zijn hart een lofzang ontlokken en toch is het alleen maar het dode nest van een vogel. Hoeveel te meer kunnen jullie je in­denken, dat dingen, die zijn ingesteld voor jullie heiliging, niet uit de lucht worden gegrepen, - maar het hangt altijd van jullie af, hoe je ze gebruikt!

Wie biecht en zijn zonden aan de priester bekent, heeft daardoor zijn zonden openlijk voor de wereld bekend en door zo'n bekentenis zal hem eenmaal zijn schuld niet worden toegerekend, als hij voortaan niet meer zondigt. Maar wie na de biecht nog evenveel zondigt als daarvoor, die heeft de biecht tot een zonden spaarbank gemaakt, die hem eenmaal in de hel hoge rente zal opleveren. Daarom, wie biecht en echt boete doet en voortaan niet meer zon­digt, doet goed; maar wie dat alles voor nul en gener waarde houdt, zal zich eenmaal sterk vergissen, want hij zal een kloof vinden, waarover hij moeilijk zal kunnen springen.

Waar Ik jullie dan nu regel, orde en systeem heb gegeven, gebruik het dan goed en let er op; want, zoals gezegd, aan het uiterlijke is weinig gelegen, maar alles aan jullie, hoe je het neemt! Zo goed en waar het kan zijn, het kan ook evenzo slecht en verkeerd zijn, al naar gelang je het ge­bruikt. Als er nu onder de zon heilzame en giftige kruiden groeien, denk dan: het ligt niet aan de zon, zus of zo, maar steeds aan de innerlijke natuurlijke gesteldheid van de planten, goed of slecht, of er zegen of gif uit voortkomt.

Daarom ligt het ook steeds aan jullie, of goed of slecht. Amen. Ik, je liefhebbende Vader. Amen.

 

b) Dat is de kortste weg tot wedergeboorte

(Gegeven door de Heer op 18 Augustus 1840)

Weliswaar staat het met de mens in dit opzicht als met een boom, wiens vrucht ook niet in een keer rijp wordt, maar geleidelijk aan. Maar als de lente mooi en helder was en de zomer voortdurend warm, afgewisseld met kleine regen­buien, dan zeggen jullie: "Dit jaar zullen we een vroege oogst hebben!" Welnu, zo is het ook met jullie, als men zijn jeugd opgewekt, in zachtmoedigheid en liefde tot Mij heeft doorgebracht, dan zal ook de zomer alles levend makend warm worden, afwisselend met genaderegen van de hemel, en jullie kunnen er van verzekerd zijn, dat de eeuwige, gouden herfst tot blijvende rijping van de onsterfelijke vrucht niet meer ver zal zijn. Want voor zoveel iemand van Mij wedergeboren wil zijn, dienovereenkomstig moet hij zijn zonden inzien en deze tot zijn verootmoediging open­lijk bekennen, dat is: uiterlijk ernstig door de biecht, en innerlijk aan Mij, en moet Mij om vergeving vragen, zoals het in Mijn gebed is aangegeven; hij moet gelijk Petrus echt berouwen droefheid en angst ondergaan en wenen om het zo onschatbare verlies van Mijn genade en hij moet zich zeer ernstig voornemen, beslist nooit meer te willen zon­digen. Dan moet hij vast besluiten geheel met de wereld te breken, zich geheel aan Mij overgeven en in zijn liefde een groot verlangen naar Mij hebben; hij moet zich in dit grote verlangen dagelijks van de wereld en alle zaken in zich terugtrekken en tenminste zeven kwartier lang met geslo­ten deuren en vensters in volledige rust alleen maar in zijn binnenste met Mij bezighouden. En telkens, zo vaak zich iemand in deze rust heeft begeven, dient hij in zijn hart het volgende kleine gesprek met Mij in diepe ernst te houden en zeggen:

"Heer, hier ben ik! Ik liet U, o liefdevolle, heilige Vader, lang wachten, want U hebt mij reeds sinds mijn kinderjaren voortdurend toegeroepen: "Kom tot Mij, - Ik zal je ver­kwikken!" Nu, Vader, is de tijd gekomen, dat mijn oor is ge­opend en mijn anders zo starre wil U geheel is overgegeven in deemoed en gehoorzaamheid, zoals ook volgens uw wil aan al mijn betere broeders. Daarom, kom tot mij, mijn allerliefste Jezus, en verkwik mijn zieke ziel met de balsem van Uw oneindige liefde! Laat mij mijn grote onrechtvaar­digheid vinden in Uw bittere lijden en sterven; laat mij de heilige vijf littekens zien en daarin mijn grote misdaad erkennen! O Jezus, Gij overwinnaar van dood en hel, kom tot mij en leer mij Uw wil heel goed verstaan, leer mij inzien mijn volledige niets en Uw alles! O Gij mijn lieve, allerlief­ste Jezus. Gij Heer van alle heirscharen, kom tot mij arme, kom tot mij zwakke, kom tot mij blinde, kom tot mij dove, kom tot mij melaatse, kom tot mij verlamde, kom tot mij kromme, kom tot mij bezetene, ja, o mijn allerliefste Jezus, kom, kom tot mij dode en laat mij slechts Uw heilig kleed aanraken, dan zal ik leven! Heer, houd U niet op, want ik heb U heel erg nodig! Ik kan niet meer zonder U zijn, daar Gij mijn alles zijt en al het andere uit liefde tot U nietig is geworden! Zonder U kan ik niet meer leven; daarom, o mijn liefste Jezus, kom dadelijk tot mij! Maar zoals altijd, zo geschiede ook dit keer Uw heilige wil! Amen".

Kom daarna tot innerlijke rust en groei in het verlangen en de liefde tot Mij! Wanneer jullie dat een korte tijd zullen oefenen, dan zeg Ik: jullie zullen spoedig bliksems zien en het horen donderen; schrik dan niet en word ook niet angstig! Want Ik kom tot ieder eerst als rechter in storm, bliksem en onweer en daarna pas in het zachte, heilige waaien als Vader!

Wie in de ware zin een zogenaamde totale biecht wil doen, die zal veel voor hebben, omdat daartoe meer dee­moed en zelfverloochening nodig is. Dat wil zeggen – let goed op - er moet daarbij een absoluut voornemen zijn niet meer te zondigen en het heilig Avondmaal moet in levend geloof uit reine en zuivere liefde tot Mij worden genomen; dan pas zullen de wonderbare werkingen daar­van onmiddellijk in je bemerkbaar zijn, die zich al spoedig in overgrote, onbegrijpelijke vreugde en hemelse zaligheid bekend zullen maken. ­

Ziet, dit is de kortste en meest werkzame weg tot zuivere wedergeboorte, waardoor alleen het eeuwige leven is te verkrijgen. Elke andere weg duurt langer en is onzekerder, omdat er zeer veel sluipwegen zijn, waar achter het struik­gewas arglistige dieven, rovers en moordenaars loeren; wie daar niet goed gepantserd en zwaar bewapend is, zal moei­lijk het doel bereiken. - Bedenk goed, Wie het is, die jullie dat zegt!

Daarom denk Ik, dat jullie in plaats van wereldlijke gezel­ligheden en gesprekken en zeer vuile partijtjes beter Mijn rust - en Zondagsgemeenschap kunnen kiezen en je daar om niet, zonder entrée, met Mij kunt onderhouden, en het entreegeld voor iets beters gebruiken! Wat denken jullie, wat zou beter en Mij welgevalliger zijn? Want weet, wat Ik reeds tot de apostelen heb gezegd, dat niemand twee heren kan dienen; bedenk daarom goed, wie jullie daartoe ver­maant! Amen. Ik, jullie heilige Vader der Eeuwigheid, ben het Zelf! Amen.

 

c) Zelfbeschouwing (meditatie)

 

Gr.Ev.Joh.I /224 (8 vlg.) (De Heer) Niets is voor de mens heilzamer dan van tijd tot tijd een innerlijke zelf betrachting. Wie zichzelf en zijn krachten wil doorgronden, moet zich herhaaldelijk zelf onderzoeken en innerlijk waarnemen.

Rust en denk in stilte diep na over je doen en laten, over de jullie welbekende wil van God en of jullie hem zijn na­gekomen in de verschillende tijden van je leven, dan heb­ben jullie je innerlijk zelf beschouwd en daardoor steeds meer en meer het indringen van de satan in je de weg be­moeilijkt. Want deze zoekt niets ijveriger, dan door allerlei uiterlijke, nietszeggende goochelarijen de mens in zijn innerlijke zelfbetrachting te hinderen.

Als de mens eenmaal door oefening enige vaardigheid in het beschouwen van zijn innerlijk krijgt, dan ontdekt hij in zichzelf ook gemakkelijk en spoedig, welke hinderlagen de satan hem heeft gelegd en hij kan deze dan terdege te niet doen en alle toekomstige arglistigheden van deze vijand verhoeden. Dat weet de satan maar al te goed en daarom werkt hij er zeer ijverig aan, door allerlei bedrieglijke ver­leidingen de ziel naar buiten te trekken en bezig te houden. Hij heeft het dan achter de schermen erg gemakkelijk, on­gemerkt de ziel allerlei valstrikken te leggen, waarin deze zich tenslotte zodanig moet verstrikken, dat zij dan verder helemaal niet meer aan een zelfbeschouwing toekomt en dat is heel erg. Want daardoor wordt de ziel steeds meer van haar geest gescheiden en kan deze niet meer opwekken, en dat is dan reeds het begin van de tweede dood in de mens.

Nu weten jullie, waaruit de innerlijke zelfbeschouwing be­staat. Maak daarom zo'n oefening in stilte en laat je dan door geen uiterlijke verschijning storen! Want de satan zal het zeker niet nalaten, jullie door het een of andere uiter­lijke spektakel daarvan af te trekken. Maar herinner je dan, dat Ik jullie dat vooruit heb gezegd en keer weer snel in jezelf terug!

 

Gr.Ev.Joh.I/226 (1 - 4) (De Heer) Jullie hebben nu een nieuwe aard en wijze gezien, hoe de mens van de materie in het steeds zuiverder en reiner geestelijke kan overgaan, en hoe hij langs deze weg een heer over zichzelf en tenslot­te daardoor ook over de gehele uiterlijke wereldse natuur kan worden. Bewandel daarom deze weg van tijd tot tijd in Mijn Naam en jullie zullen een grote macht over je harts­tochten verkrijgen en daardoor over de gehele natuurlijke wereld en in het hiernamaals over alle creatuur. _ Maar geloof nu niet, dat jullie nu reeds de boze moed van de satan geheel hebben afgekocht. Zo dikwijls jullie weer zo'n oefening van plan zijn te doen, zullen jullie ook door hem onrustig gemaakt worden, zolang jullie in de geest niet vol­ledig worden wedergeboren. Zijn jullie evenwel eenmaal wedergeboren uit de geest, dan heeft de satan voor eeuwig alle macht over jullie verloren, en jullie zullen zijn rechter zijn, en eveneens over al diegenen, die hij tot zich heeft getrokken, en die jullie hem weer voor eeuwig zullen ont­rukken!

 

Gr.Ev.Joh. II/166 (18,19) (De Heer) Nu willen wij gaan rusten en ons opnieuw oefenen in de innerlijke zelfbe­schouwing, wat een waarlijk vieren van de Sabbat in God is! Op deze woorden uit Mijn mond werd alles stil in huis en wij zaten zo ongeveer drie uren.  Na deze tijd sprak de Heer: Nu is de Sabbat volbracht en kunnen wij ook onze ledematen de nodige rust geven.

 

HII /242 (3 - 13) (Henoch tot koning Lamech) Je moet eerst 's avonds naar de tempel gaan en daarin zolang blij­ven, als een schaduw nodig heeft zich te keren. Je moet je mond niet gebruiken en evenmin je handen, maar in alle rust moet je Gods Geest verbeiden en je dient Hem te ver­wachten in alle deemoed en liefde van je hart. Je moet alleen in jezelf, levendig voelend, als volgt spreken tot God: "O Gij heilige, liefdevolle Vader, wees mij arme zondaar genadig en barmhartig en vergeef mij, dat ik het waag U met mijn onreine hart lief te hebben - en als een grove en grote zondaar U als Vader te roepen! ­

Heb je dat innig levendig in je gedaan, begeef je dan in een volledige rusten wacht op het woord en de wil van de Heer. - Als het zal komen, geef er dan zeer zorgvuldig acht op,

schrijf het op platen en verkondig het dan aan het volk! ­Maar als het niet zal komen, geef dan de Heer in je hart de eer, ga vervolgens vol eerbied uit de tempel en sluit deze weer gedurende eenennegentig dagen.

 

d) Zelfontwikkeling

 

Gr.Ev.Joh. II/75 (7 - 9) (De Heer tot Judas) Daarin ligt het grote geheim van de zelfontwikkeling van de mens: Alles kan Ik voor de mens doen, en hij blijft mens; maar het hart is van hemzelf, dat hij volkomen zelf moet bewerken, als hij zich zelf wil voorbereiden op het eeuwige leven. Want zou Ik Zelf het eerst de vijl aan het hart van de mens leg­ gen, dan zou de mens tot een machine worden en kwam hij nooit tot een vrije zelfstandigheid. Maar wanneer de mens de belering krijgt wat hij heeft te doen om zijn hart voor God te vormen, dan moet hij deze leer ook opvolgen en zijn hart daar naar vormen.

Heeft hij zijn hart daar naar gevormd en het gereinigd en geveegd, dan pas trek Ik er in de geest in en maak het tot Mijn woning, en de gehele mens is dan in de geest weder­geboren en kan verder voor eeuwig nimmer verloren gaan. Hij is daardoor één met Mij geworden, zoals Ik Zelf één ben met de Vader van Wie Ik ben uitgegaan en gekomen in deze wereld, om alle mensenkinderen de weg te wijzen en te banen, die zij in de geest hebben te gaan om tot God te komen in volledige waarheid. Je moet daarom, evenals ieder van jullie, de hand aan het bewerken van je hart slaan, anders ben je verloren - al had Ik je duizendmaal uit de graven in het leven van het vlees geroepen.

 

Schrft. hoofdst.5 "Het is volbracht!" - Maar wat is vol­bracht? - Mijn eigen strijd om jullie; want meer kan Ik als jullie Schepper, God en Heer en het eeuwige leven Zelf niet doen, dan jullie dood op Mij nemen. Het is weliswaar volbracht; echter niet voor jullie, maar slechts voor Mij Zelf. Of: Ik heb voor jullie alles gedaan, wat ook maar goddelijk mogelijk is; daarom heb Ik Mijn werk aan jullie volbracht. Maar doen jullie er ook naar, dat dit werk in jullie vol­bracht zou zijn? - O ja, jullie lezen vlijtig, jullie schrijven ook vlijtig, jullie spreken ook graag over Mij. Maar wanneer Ik zeg: "Wijd aan Mij, in plaats van aan zo vele lustgevende zaken van de wereld slechts een vol uur per dag; heilig dit daarvoor, dat je je daarin met niets dan alleen met Mij in je hart bezig houdt!" - O, dan zullen jullie honderd bezwa­ren in plaats van een vinden, en honderd wereldse gedach­ten zullen zich om een enkele zwakke geestelijke draaien als een wervelwind.

Allerlei wereldse bedenkingen zullen jullie naar voren brengen; en als iemand ook voor zo'n uur zou willen be­sluiten, dan zal hij zich daar zeker niet al te zeer op ver­heugen, maar zal daar veelmeer een kleine onbehaaglijke schroom voor hebben en hij zal daarbij ijverig de minuten van het uur tellen en niet zelden met ongeduld wachten op het einde van het aan Mij gewijde uurtje. - En zou er maar een of ander onbelangrijk werelds zaakje tussen komen, dan wordt het uurtje of helemaal opgeheven of tenminste naar zo'n periode van de dag verzet, waarin gewoonlijk reeds de weldadige slaap over de sterfelijke mensen zinkt. Ziet, dat alles is azijn en gal! En daardoor is in jullie niets volbracht, van wat Ik vanwege Mijn oneindige liefde alle­maal bedenk te doen, om jullie op de rechte weg van het Leven te brengen. Want om het in jullie te volbrengen is nodig, dat een ieder zichzelf verloochent uit echte liefde tot Mij, zijn kruis op zich neemt en Mij getrouw navolgt.

 

GS  II/44 (16 - 17) Ieder, die in het leven van zijn geest wil gaan, moet zich dagelijks een tijd lang in de volkomen rust begeven en moet daarin niet allerlei gedachten laten dwa­len, maar hij moet slechts één gedachte opvatten en deze als een bepaald object zonder afgeleid te worden overdenken, - de beste gedachte is hier bepaald de Heer! En wanneer iemand dat met ijver en alle mogelijke zelfverloochening aanhoudend zal doen, dan zal daardoor zowel het gezicht als het gehoor van zijn geest steeds meer aan innerlijke scherpte winnen.

 

e) Geestelijke overdenking van een zonsopgang:         de ware Sabbatrust in het hart

 

Gr.Ev.Joh.II/148 (8 - 15) (De Heer tot Zijn discipelen) Denk en stel je de geestelijke zon als volgt voor: Het licht dat van haar uit gaat, wordt door het steeds golvende opper­vlak van de geschapen levenszee opgenomen, en deze speelt met dat licht, en daaruit ontstaan allerlei karikaturen die nog wel de matte glans terug stralen, maar daarbij elk spoor van de goddelijke oervorm vernielen. Zo is het ge­hele heidendom en nu ook het Jodendom een daarmee vergelijkbaar vernietigen van al het zuiver goddelijke.

Maar wanneer jullie een volkomen rustige waterspiegel zien en de zon schijnt daarin, dan zal deze uit de water­spiegel in dezelfde majesteit en waarheid terugstralen, zoals je haar ziet aan de hemel. En evenzo is er een rustig, vrij van hartstochten geworden gemoed voor nodig, dat alleen door een volledige zelfverloochening, deemoed, geduld en geheel reine liefde kan worden bereikt, om het evenbeeld van God in de geest van de mens even zuiver en waar te doen terugstralen als de aardse zon uit een rustige water­spiegel.

Is dat bij een mens het geval, dan is in hem alles tot waar­heid gegroeid en zijn ziel is dan in staat, haar blik in de diepten van Gods schepping te richten en alles te kunnen aanschouwen in alle volheid van de zuiverste waarheid. Maar zodra het in haar begint te golven, dan worden de oerbeelden verstoord of vernield en de ziel bevindt zich dan al noodzakelijk op het gebied van bedrog en vergissin­gen van allerlei aard en kan niet tot een zuiver aan­schouwen komen, alvorens in haar de volkomen rust in God is gekomen.

Dat is de ware Sabbatrust in God en het houden van de Sabbat is daarom door God verordineerd. De mens dient dan elke zware, inspannende arbeid na te laten, omdat elke zware arbeid de ziel verplicht aan het vlees haar kracht te verlenen en zodoende door deze geprikkeld wordt, waar­door de spiegel van haar levenswater in sterke beweging wordt gebracht, zodat zij de zuiver goddelijke waarheid in zich nooit duidelijk kan onderscheiden. - De echte Sabbat­rust bestaat dus in een verstandig laten rusten van alle zware werk; zonder noodzaak moet men dat niet doen, maar in geval van nood is elk mens verplicht zijn broeder te helpen.

Maar meer nog dan zich te onthouden van alle zware werk, moet de ziel elke hartstocht vermijden! Want de hartstoch­ten zijn stormen van de ziel; zij woelen haar levenswater op en Gods evenbeeld wordt dan in de ziel zo verscheurd, als het evenbeeld van de zon op de golven van de zee ver­scheurd wordt. Het beeld van de zon schittert wel op de golven, maar hoe vervormd en verwrongen! En als de storm lang duurt, stijgen uit de bewogen zee spoedig nevels om­hoog en vullen de hemelse lucht van de ziel met zware wolken; deze verhinderen dan het licht van de geestelijke

zon volledig bij het levenswater van de ziel te komen, - en de ziel wordt duister, kan het echte niet meer van het valse onderscheiden en houdt het geschitter van de hel voor een hemels licht.

Zo'n ziel is dan ook zo goed als verloren. Er zouden dan sterke winden moeten komen, dat wil zeggen sterke be­proevingen van boven, opdat daardoor de vele wolken van de ziel worden verdreven, en de ziel zou dan meteen in de echte sabbatrust moeten gaan en daardoor rust brengen in haar levenszee, - anders is er voor haar geen redding!

Ziet, dat is de voor ieder bruikbare geestelijke zin, die ons deze mooie zonsopgang in zijn overigens geheel natuurlijke verschijning laat zien. Wie hem voor zich in acht zal nemen, zal in de waarheid en in het volle licht verblijven; maar wie deze leer in de wind zal slaan en er niet op zal letten, zal voor eeuwig sterven.

 

f]  Het denken in het hart

 

Gr.Ev.Joh.II /62 (1 - 10) Cyrenius zegt: "Heer, het denken in het hart wil bij mij helemaal niet lukken, omdat ik al van mijn jeugd af aan gewend werd, in het hoofd te denken. Het schijnt mij bijna onmogelijk, in het hart te kunnen denken. Hoe moet men er dan mee beginnen, om in het hart te kunnen denken?" - De Heer zegt: "Dat is toch heel gemakkelijk en heel natuurlijk. Alles, wat je ooit kunt en wilt denken naar je gevoel in de grote hersenen, komt te­voren uit het hart. Want elke nog zo kleine gedachte moet toch van te voren de een of andere aansporing hebben, waardoor hij als noodzakelijk wordt opgewekt. Wanneer de gedachte eerst in het hart vanwege een bepaalde be­hoefte wordt opgewekt en gevormd, stijgt hij dan pas om­hoog in de hersenen van het hoofd om door de ziel te wor­den beschouwd en deze daarop de leden van het lichaam in de nodige beweging zet, opdat de innerlijke gedachte zo tot woord of daad wordt gevormd. Maar dat ooit een mens louter in het hoofd zou kunnen denken, zou een volslagen onmogelijkheid zijn! Want een gedachte is een zuiver geestelijke schepping en kan daarom nergens anders ont­staan dan alleen in de geest van de mens, die in het hart van de ziel woont en van daaruit de gehele mens levend maakt. Hoe zou het ook mogelijk zijn, dat zich ooit een schepping uit een of andere nog zo subtiele materie zou kunnen ontwikkelen, daar alle materie, dus ook de hersenen van de mens, niets dan pure materie is en derhalve nooit schepper, maar steeds alleen maar iets geschapens kan zijn?! - Begrijp je het nu en kun je aanvoelen, dat geen mens iets in het hoofd vermag te denken?"

Cyrenius antwoordt: "Heer, ja, ik begrijp het nu heel goed. Maar hoe gaat dat dan toe? Het komt me nu werkelijk zo voor, dat ik van oudsher alleen maar in het hart heb ge­dacht. Merkwaardig! Hoe is dat dan? Ja, ik voel gewoonweg woorden in het hart, en dat als uitgesproken woorden, en het komt me nu helemaal niet meer voor, dat het mogelijk zou zijn in het hoofd een gedachte op te laten komen". De Heer zegt: "Dat is het helemaal natuurlijke gevolg van je steeds meer gewekt wordende geest in het hart, wat is de liefde tot Mij en door Mij tot alle mensen. - Bij de mensen echter, bij wie zo'n liefde nog niet is ontwaakt, vormen zich weliswaar de gedachten ook in het hart, maar worden daarin niet waargenomen, omdat het hart nog te materieel is. Men neemt ze pas waar in de hersenen, waar de gedach­ten van het hart, als reeds meer materieel zijnde vanwege de prikkel tot handelen, een vorm aannemen en zich met de beelden vermengen, die zich vanuit de buitenwereld door de uiterlijke lichamelijke zintuigen in de hersenplaatjes hebben geprent. Zo gevormd worden zij voor de ogen van de ziel zelf materieel en slecht en zodoende moeten zij ook als noodzakelijke grond voor de slechte handelingen van de mens worden aangezien. Daarom moet elk mens van te voren in het hart en aldaar in de geest worden weder­geboren, anders kan hij het Rijk van God niet binnengaan!" Cyrenius zegt tot de naast hem staande Petrus: "Begrijp jij dat goed van de wedergeboorte van de geest in het hart en wat en waar nu eigenlijk precies het rijk van God is, waarvan Hij en de beide engelen voortdurend spreken en dat als het toekomstige voor ons geloof beloven?" Petrus zegt: "Zeker begrijp ik dat, en als ik het niet zou begrijpen, bleef ik niet hier, maar zou ik thuis voor mijn gezin zorgen. Maar onderzoek, hoge heer, alleen in je eigen hart, dan zul je in korte tijd meer vinden, dan wat ik je in honderd jaren zou kunnen verklaren. Kijk naar ons, die Zijn eerste disci­pelen en getuigen waren, of wij veel met Hem uiterlijk spreken! En zie, toch spreken wij meer met Hem dan jij en ook vele anderen het met de mond doen. Want wij spreken met Hem zuiver en alleen in het hart en vragen Hem duizenden dingen en Hij antwoordt ons in heldere goed uitgedrukte gedachten, en zo krijgen wij dubbel. Want een antwoord van de Heer in het hart van de mens is in zekere. zin reeds levend, terwijl het uiterlijke woord pas door de daarop volgende daad vanwege de oefening van de ziel levend moet worden. En zo, waarde heer, kun je der­halve in de bewuste zaak wat de satan betreft, immers ook in je hart vragen en de Heer zal je dan wel het goede ant­woord heel geheim en stil in je eigen hart leggen, zodat de satan met zijn vele oren onmogelijk in staat zal zijn het te vernemen. En op dezelfde manier kun je de Heer ook vra­gen over de wedergeboorte van de geest in het hart, en over het Rijk van God, en je zult het meest duidelijke antwoord krijgen.

 

g) Dubbel bevattingsvermogen

 

RBU /35 (2 - 6, 8) Elk mens heeft een dubbel bevattings­vermogen: een uiterlijk, dat is het hoofd - of eigenlijke uiterlijke zielsverstand. Met dit bevattingsvermogen laat zich nooit het Goddelijk Wezen vatten en begrijpen, omdat het de ziel juist daarom werd gegeven, om de geest in haar voorshands van de Godheid te scheiden en hem deze voor een tijd verborgen te houden. Wil nu een ziel alleen met dit negatieve vermogen God zoeken en vinden, dan verwijdert zij zich steeds verder van het doel, naarmate zij dat hard­nekkiger langs deze weg probeert.

Maar de ziel heeft nog een ander vermogen, dat niet in haar hoofd, maar in haar hart woont. Dit vermogen heet inner­lijk gemoed en bestaat uit een geheel eigen wil, uit de liefde en uit een met deze beide gemoedselementen overeen­komende voorstellingskracht. Heeft deze eenmaal het be­grip van het bestaan van God in zich opgenomen, dan wordt het dadelijk door de liefde omvat en door haar wil vastgehouden, - welk vasthouden dan 'geloven' heet. Door dit geloof, dat levend is, wordt de ware geest opgewekt. Deze beschouwt dan wie hem heeft opgewekt, kent en neemt hem dan direct op, richt zich daarna op als een machtig licht uit God en doordringt dan de ziel en veran­dert alles in haar in licht. En dit licht is dan het eigenlijke geloof, waardoor elke ziel zalig kan worden.

Heb je van dit alleen ware geloof iets vernomen? Je zegt in je zelf: "Neen, dit soort van geloof is mij geheel vreemd; want een denken in het hart komt mij volledig onmogelijk voor". - Ja, zo is het ook. Deze zaak moet je onmogelijk voorkomen.

Om in het hart te kunnen denken, moet men een zekere oefening hebben; deze bestaat in het steeds hernieuwde opwekken van de liefde tot God. Door deze opwekking wordt het hart versterkt en vergroot, waardoor dan de ban­den van de geest losser worden, zodat zijn licht (want elke geest is een licht uit God) zich steeds meer en vrijer kan ontwikkelen. Begint dan het licht van de geest de eigenlijke levenskamer van het hart te verlichten, dan worden ook de talloze oertypen in zuiver geestelijke vorm steeds duidelij­ker aan de evenzo talrijke wanden van het levenskamertje uitgedrukt en voor de ziel aanschouwelijk gemaakt. En zie, dit beschouwen van de ziel in haar hart is dan een nieuw denken. De ziel verkrijgt daardoor nieuwe begrippen en grote en heldere voorstellingen. Haar gezichtsveld wordt verwijd met elke polsslag. De stenen des aanstoots verdwij­nen naar die mate, als het verstand van het hoofd verstomt. Er is dan geen vragen naar bewijzen meer. Want het licht van de geest verlicht de innerlijke vormen zo, dat zij naar geen enkele kant een schaduw werpen. Dus wordt ook alles, wat ook maar met een geringste twijfel zou zijn te vergelij­ken, voor altijd verbannen.

En in dit geloof ligt dan ook die bijzondere kracht, waarvan in de evangeliën tweemaal sprake is.

 

h) De wedergeboorte van de ziel

 

Gr.Ev.Joh.XI /50 (1-14) (De Heer) De volgende dag kwam Simon Petrus tot Mij en zei: "Heer en Meester, het is ons tot nu toe nog steeds iets onduidelijk gebleven, waarom Uw lichaam van tijd tot tijd in een soort onafhankelijkheid van de innerlijke geest blijft, zodat het ook naar Uw spreken klinkt, als zou U nu eens de eeuwige Geest Gods in persoon Zelf zijn, dan echter weer, als was Uw lichamelijke mens geheel onafhankelijk en slechts van tijd tot tijd van Hem doordrongen! Wij komen steeds in een zekere tweespalt in onze beschouwingen, wat U ons zeker zult vergeven, omdat wij immers vast aan U hangen en in U geloven, maar toch U in Uw innerlijkste natuur nog niet zo helemaal be­grijpen. Hoe is het dan daarmee gesteld?"

Ik sprak tot hem: "Mijn lieve Petrus! Jij zowel als de broe­ders begrijpen daarom zoveel nog niet, omdat jullie nog niet die geestelijke trap in je hebt beklommen, om dit op zich toch zeer eenvoudig gebeuren te kunnen begrijpen, dat Ik jullie al vaak genoeg heb verklaard. Nu zijn jullie hier, om aan jezelf dat te toetsen, wat je aan Mij nog on­duidelijk is.

Wat baat het, jullie steeds op de verschillen van de Mensen­zoon en de Zoon Gods te wijzen, als jullie in jezelf niet het verschil van de geestelijke en de lichamelijke mens ver­moogt te voelen? Pas de voleindigde wedergeboorte, reeds in het lichaam, zal jullie die vraag oplossen naar volle te­vredenheid, en jullie hebben om die te verkrijgen ook reeds alle geschikte stappen gedaan, zodat voor jullie het doel niet meer ver af is. Beantwoord Mij daarom nu enkele vragen, opdat jullie het begrip voor dit hoofdpunt dichter­bij wordt gebracht.

In de eerste plaats: Hoe worden jullie je denken en voelen gewaar? Is het uiterlijk of innerlijk? Kunnen jullie een ge­stelde vraag alleen daardoor beantwoorden, omdat je door het geheugen het antwoord van je leraar hebt geleerd, of beantwoordt jullie eigen innerlijke de vraag door gevolg­trekking?

Je zult zeggen: "Het kan allebei". Zou de mens alleen maar een machine zijn, zij het ook begiftigd met een zelfbewuste ziel, dan zou deze slechts uiterlijk kunnen denken, dat wil zeggen door indrukken van het geheugen zich een weten kunnen verwerven, dat alleen door belering is geleerd, ongeveer zoals men een dier africht. De gevolgtrekking echter is een vragen van de ziel aan een in de mens levend, innerlijk principe, dat antwoord geeft op gestelde vragen en als geest nog in de ziel leeft en als zodanig is voleindigd. Zodoende kan ook in het innerlijk van de mens een regelrecht vraag en antwoordspel beginnen.

Men zal zeggen: "Als dan de geest voleindigd is, waarom komen dan vaak zulke ongemeen dwaze conclusies te voor­schijn? Antwoordt de geest dan niet altijd juist?"

Dat doet hij wel; maar omdat hij allereerst in de mens het levensprincipe van de ziel voorstelt, kan deze in haar zelf­bewustzijn ook overeenkomstig haar wezen gelijk een spiegelbeeld handelen. Juist zo als een goed spiegelbeeld niet zonder een aanwezig object kan ontstaan dat daaraan precies gelijk is, zo kan ook de ziel haar oordelen alleen dan zelf geven, wanneer deze als reflex van de geest uit­gaan. Zoals echter een spiegelbeeld alles verkeerd toont, precies tegenovergesteld aan het object en nochtans waar is, zo gebeurt het ook hier, zolang beide niet in elkaar zoeken op te gaan.

Alleen een mens, die de geest zover in zich heeft gewekt, dat de ziel geen aardse verkeerde reflexen terugwerpt, heeft de wedergeboorte bereikt en staat in de volle waar­heid. Het is natuurlijk niet gemakkelijk deze grenzen te doorbreken, want vanwege het stoffelijk aardse lichaam heeft de aards aangelegde ziel een grotere hang daarnaar, dan naar de zich slechts zwak voelbaar makende geest, wiens werken de ziel zonder geleerd onderscheid graag als haar ei gen werken beschouwt. Deze grenzen te door­breken is Mijn en jullie opgave en ook die van al Mijn na­volgers, en de weg hiertoe vinden jullie door je innerlijke geest, die jullie moeten leren aan het woord te laten. Alleen deze is de enige goede leraar, omdat hij met de algemene Geest van God in verbinding staat en daarvan een even­beeld in het klein is, dus alle waarheid alleen uit hem put. Heeft nu de ziel zijn wezen geheel ondergeschikt gemaakt en is zij daardoor zonder aardse wensen geworden, dan streeft zij nog enkel en alleen naar het geestelijke en is dus als zelfbewuste ziel in het geestelijke opgegaan; de volein­digde mens heeft dan een trap bereikt, die door de Indische wijzen als 'Nirwana' werd aangeduid, dus een toestand, waarin elke wil, die door vleselijk aardse neigingen wordt veroorzaakt, is vernietigd en die elk leven in het vlees als stoffelijk bestaan uitsluit. Deze toestand is in het aardse leven mogelijk, ja dient bereikt te worden, opdat de al­gehele vrede intrekt in het hart van de mens.

Deze wedergeboorte van de ziel zijn jullie allen nabij. Boven in Mijn Rijk is echter, wanneer Ik zal zijn opgevaren, nog een andere wedergeboorte; dat is de wedergeboorte van de geest, die bestaat in een onoplosbare gemeenschap met Mij. Dan heersen de hoogste gelukzaligheid van de kinderen in het Vaderhuis en vreugden, die geen mensen­hart ooit kan vermoeden, omdat zij zuiver geestelijk zijn en daarvan kan jullie van te voren ook niet de geringste weer­schijn begrijpelijk gemaakt worden.

Streef er eerst naar, dat jullie ziel de wedergeboorte ver­krijgt, opdat jullie ziel alleen nog door het geestelijk oog leert te zien en daardoor zichzelf en haar oorsprong steeds meer bewust leert kennen!"

 

Gr.Ev.Joh.XI/52 (1 - 7) (De Heer) Al degenen, die reeds op aarde Mij en Mijn woord navolgen, zullen dat doel bereiken, dat Ik jullie reeds zo vaak als de wedergeboorte van de ziel heb aangeduid: dat is dus het doordringen van de geest in de ziel. Deze wordt daardoor geschikt, reeds in het lichaam in alle hogere wijsheid van de hemelen door te dringen en niet alleen meester van haar zelf, maar daar­mede ook meester van haar omgeving te worden, ja zelfs van de natuur en van verborgen krachten, omdat zij er naar streeft Mijn wil uit liefde en tot nut van de naaste te vervullen. De middelen om het doel te bereiken heten ge­loof en ware liefde tot de naaste.

Zulke wedergeboren mensen kunnen en moeten ook zeer rechtvaardige mensen zijn, zoals er in alle tijden zijn ge­weest, die deze uiterste voleinding van de ziel bereikten; maar zij hoefden daarom nog niet tot de gemeenschap met de persoonlijk werkende Goddelijke Geest te zijngekomen. Ja, tot nu toe was dat ook nog niet mogelijk, omdat buiten Mij (Jezus) de Godheid nog niet persoonlijk zichtbaar aan­wezig was. Alle rechtvaardigen, die voor Mij op aarde heb­ben geleefd en de wedergeboorte van de ziel hebben bereikt, kunnen desondanks nog lang niet de Godheid zien, zoals jullie deze zien. Hun geloofsleer toont derhalve ook aan, dat het indringen in de hoogste voleinding hen als een op­gaan in de oneindigheid scheen te zijn, omdat God Zelf, als onpersoonlijk Wezen, juist die oneindigheid betekent, waarin het Wezen van Zijn kracht wel geestelijk kan wor­den ondervonden, maar toch niet aan de ziel aanschouwe­lijk in een persoon kon worden getoond.

Pas na Mijn dood, wanneer dit Mijn lichaam zal zijn opge­nomen als een kleed van de almachtige, oneindige Godheid Zelf, zullen al diegenen, die voor Mijn tijd het lichamelijke leven hebben verlaten, ook in staat zijn door het aan­schouwen van de nu persoonlijke Godheid in eeuwige ge­meenschap met Hem te leven. Dat zal zijn in een stad, die Ik jullie reeds heb laten zien en die het hemelse Jeruzalem, de eeuwige Godsstad voorstelt. Dit gemeenschappe­lijk eeuwig samenwonen van God met Zijn kinderen is de wedergeboorte van de geest.

Zeker zullen na Mij nog velen de wedergeboorte van de ziel kunnen bereiken en daardoor ook zeer zalig en geluk­kig zijn, zon der deze hoogste en laatste trap te behalen. Vele afgezanten van Mijn Geest kwamen op aarde neer en toonden aan de verdwaalde mensen de wegen, hoe zij tot vrede en tot innerlijke verlichting konden komen, zonder evenwel in staat te zijn, de dir e c t e weg tot Mij te laten zien, omdat deze immers nog niet was geopend. Allen, die de vroegere wegen willen bewandelen, kunnen dus zeer wel de wedergeboorte van de ziel verkrijgen, maar niet tot ge­meenschap met Mij komen.

Dat laatste is alleen mogelijk door geloof aan Mij, dat ik waarlijk ben Christus, de Gezalfde, aan Wie alle kracht en heerlijkheid van de Vader is gegeven, opdat de mensen ge­lukkig en in hoogste mate zalig worden door de Zoon. Ik ben de poort, - een andere is er niet! Wie de wegen naar de hemel wil betreden zonder Mij te willen kennen, kan wel een hoge graad van volkomenheid bereiken, maar nooit de zuivere, aanschouwelijke gemeenschap met God Zelf bereiken.

 

Gr.Ev.Joh. VIII /61 (9 - 14) (De Heer) Zeg zelf en denk er over na: Zou een koopman, die wist dat hij voor een aan­nemelijke prijs een van de allergrootste parels van onschat­bare waarde zou kunnen kopen, niet een grote dwaas zijn, als hij, indien hij niet zoveel (contant) geld zou bezitten, niet dadelijk goederen van geringer waarde zou verkopen en daarvoor de onschatbare parel aankocht?

Zie, zo is het ook gesteld met de waarde van de wederge­boorte van de mensenziel in haar Geest van het Oerleven uit Mij. Is deze niet waard, dat een oprecht mens van alle wereldse schatten afziet en met al zijn krachten alleen er naar streeft de grootste parel van het leven te verkrijgen, namelijk de wedergeboorte van de ziel in de Geest van het Oerleven! Of is het soms niet beter voor het eeuwige leven van de ziel te zorgen, dan om alle vergankelijke schatten van de wereld, die vergaan en verteren en tot het eeuwige, zuivere leven van hun zielen bijna nooit volledig weer terugkeren.

Het is wel zo, dat de ziel gedurende het leven op deze aar­de zich uit haar vlees dat wat aan haar verwant is eigen maakt, het in haar wezen verandert en zich na het volledig afvallen van het lichaam, en wel uit het etherische rijk van de ontbinding' (* 'Verwesungsäther'), geleidelijk aan nog hetgeen haar ontbreekt voor haar zielekleed toeëigent. Maar het is daarom geen verdienste van een ziel, doch alleen een in Mijn orde vast­gelegde eigenaardigheid van het leven van elke ziel, die nooit tot haar verdienste kan worden gerekend, omdat het slechts voortvloeit uit Mijn voorzorg.

Daarbij kan men ook als zeker en waar aannemen, dat bij een reine ziel die naar Mijn wil heeft geleefd meer van het aardse lichaam in haar zal overgaan, dan bij een onreine en zondige ziel; want was een kuis lichaam hier reeds een sieraad van de ziel, dan zal het dat in een verheerlijkte geestelijke toestand zeker nog des te meer zijn. - Maar ook zelfs dat behoort niet tot de eigenlijke levensverdienste van de ziel, maar het is een de ziel belonende verordening van Mij; het zou zelfs een ijdele dwaasheid van een ziel zijn, als zij zich om deze haar ook in het hiernamaals blijvende aardse schat, die toch tot haar Ik behoort, ook maar een moment zorgen zou maken. Het zou te vergelijken zijn met de zorg van zeer dwaze ouders, die er zich vooral om be­kommeren of hun kinderen wel een heel mooie en bevallige gestalte krijgen en wat zij doen moeten om die dwaze wens in vervulling te laten gaan, terwijl zij er niet aan denken, dat groei en uiterlijke vorm alleen van Godswil afhankelijk zijn en geen mens daaraan iets kan veranderen.

Voor elke ziel is alleen maar dat ene noodzakelijk, dat zij Mijn levensrijk in zich zoekt en ook vindt in het kleine kamertje van het hart, waarin zich het levensbeginsel be­vindt; al het andere zal zij zonder meer als een vrije toegift van Mij ontvangen.

 

Gr.Ev.Joh. VIII /57 (12) (De Heer) In dit kamertje woont dus de eigenlijke Geest uit God, en als de ziel van de mens in dit hartkamertje door de echte deemoed, voegzaamheid en de liefde van een oprecht mens ingaat tot de eeuwige, ongeschapen liefde van God, dan verenigt de ziel zich daar­door met de eeuwige Geest uit God en deze met de ge­schapen ziel, en dat is dan de wedergeboorte van de ziel in de Geest uit God.

 

RBI.II /278 (4,6) (De Heer) Mijn Rijk is dus in het kleine hart van elk mens gelegd. Wie daar wil binnenkomen, moet dus in zijn eigen hart ingaan en zich daar een rustplaats maken, genaamd deemoed, liefde en tevredenheid. Is het bij hem met dit plaatsje in orde, dan is ook zijn geluk voor eeuwig gemaakt. - De weg daarheen is kort, hij is hoog­stens drie handbreedten lang - het is de afstand van het hoofd tot in het centrum van het hart. Heb je deze kleine afstand afgelegd, dan zijn jullie ook reeds in de hemel. Denk maar niet, dat wij een tocht naar boven voorbij alle sterren maken, maar een tocht naar beneden alleen in ons hart. Daar zullen wij onze hemel en het ware eeuwige leven vinden.

 

Jeu. 299 (8 - 13) Elk mens is behept met bepaalde zwak­heden, die de feitelijke boeien van zij n geest zijn, welke hem als een stevig omhulsel inkapselen. Deze boeien nu kunnen pas geslaakt worden, wanneer de met het vlees vermengde ziel zich door de juiste zelfverloochening zodanig heeft ver­sterkt, dat zij stevig en krachtig genoeg is om de vrije geest aan te grijpen en vast te houden. Daarom kan de mens zijn zwakheden pas leren kennen door allerlei verleidingen, die hem tevens doen ervaren hoe en waarin zijn vrije geest is gekneveld. Als hij dan juist op deze punten zichzelf ver­loochent in zijn ziel, dan maakt hij daardoor de boeien van zijn geest los, terwijl hij tegelijk daarmee zijn ziel aan ban­den legt. Is dan te rechter tijd zijn ziel gebonden met al die banden die voorheen zijn geest vasthielden, dan gaat die geheel ontkluisterde vrije geest op natuurlijke wijze over in de nu gave en krachtige ziel, die daardoor volledig in de hemelse machtssfeer van de geest terecht komt en volledig één met haar wordt.

 

i) Het geestelijk gezicht.

 

Gr.Ev.Joh. XI /53 (De Heer) Er moeten nu enkele woorden gezegd worden over het geestelijk gezicht voor hen, die Mijn wegen bewandelen en van zichzelf willen weten, hoe­ver de ziel reeds in staat is zich in het lichaam te ontwikke­len. Er wordt hier niet geleerd bijzonder wonderlijke of magische eigenschappen te verkrijgen, of het recept ge­geven hoe daarnaar te streven, maar de weg zal aangegeven worden hoe de veelvuldige twijfel van het hart te overwin­nen, die de ziel ondervindt zolang zij zich niet los heeft gemaakt van het vlees. Dit nu is het ware doel: onafhanke­lijk te worden van het vlees met al zijn lusten, twijfels en vergissingen, om zich thuis te gevoelen in de eigenlijke, echte en ware wereld, waarin de ziel na de dood geheel vrij en onafhankelijk moet kunnen ingaan.

Het ligt voor de hand, dat het zieleleven zich geheel van­zelf laat zien, wanneer de insnoerende banden van het vlees verslappen. Allen, die Mijn woord wel horen, maar verder niets van dit innerlijke zieleleven bemerken, zitten nog helemaal vast in de banden van het vlees; zij zijn hoorders, maar geen daders van het woord.

Ieder, die zich van zijn ketenen ontdoet, krijgt een heldere blik op mensen en natuur, eerst op die wijze, dat hij meent dat zijn opmerkingsgave veel scherper is geworden; maar in werkelijkheid is dat het levendig worden van de geest, die meer bewegingsvrijheid krijgt. Dan dient de mens het tot een gewoonte te maken in zichzelf te blikken, dat wil zeggen de beelden te onderscheiden, die zijn geestelijk oog onafhankelijk van zijn lichamelijke ogen ziet en kan gade­slaan; hij zal dan snel, als hij in de liefde tot Mij staat en op deze grond voortbouwt, de eigenschappen van de geest verkrijgen, die men 'helderziendheid' noemt. Dat is echter geen magische, maar een heel natuurlijke eigenschap van de ziel, waartegen zij zich overigens evengoed kan afslui­ten, als men zich in het vlees tegen het ontwikkelen van verschillende talenten kan afsluiten.

Bij ziekten, waarin vaak een zich losmaken der ziel van het lichaam plaats vindt - die dan echter vanwege de verzwak­king van het lichaam een soort van ongezonde helderziend­heid is, waardoor vaak veel onjuistheden voorkomen -, is een leven van de ziel in haar voor het lichaam vreemde wereld niets ongewoons. Veel fantasieën zijn verder niets dan overeenkomstige beelden van de wereld van de ziel, ­ en wel daarom, omdat de spraak van de geest waarmee hij tot de ziel spreekt, geen woorden, maar volledige begrippen zijn, terwijl woorden eerst die begrippen moeizaam tot stand brengen.

Het ontwikkelen van de vaardigheid om de spraak te ver­staan die jullie als beeldspraak of de spraak van het overeen­komstige kennen, is in jullie aardse leven niet alleen nuttig, maar zelfs noodzakelijk. Anders zou na de lichamelijke dood de ziel zich in het geestelijke rijk als een vreemde voelen, die in een hem volslagen vreemd land komt, waar­van hij de spraak niet verstaat, zodat het hem slechts met de grootste moeite gelukt zich verstaanbaar te maken, ­ alleen met het verschil, dat de bewoners van dit land wel de vreemdeling, maar deze niet de bewoners begrijpt. Deze moeten zich eerst weer voegen in de logge, zware ketenen van het zieleleven, om de ongewoon geworden, plompe spraak van het lichaam weer aan te nemen, door welke de omgang alleen door woorden, maar niet door gedachten­stromen tot stand wordt gebracht.

Geestelijk gevorderde mensen betreuren daarom ook vaak de onmogelijkheid, hun gewaarwordingen voldoende in woorden te kunnen uitdrukken, of de vlucht van hun gedachten even snel in woord of schrift te kunnen vast­leggen, als de geest het aan de ziel zeer snel laat zien. Dat zou alles niet mogelijk zijn, als deze taal van de geest in zulke snelle beelden en opvolging van begrippen er niet zou Zijn.

Er is dus meer, dan wat woord en geschrift ons kunnen geven. Laat daarom niemand geloven, dat een hoog ont­wikkeld schrijftalent of redenaarstalent het mooiste zou zijn wat de ziel van een mens tot uitdrukking kan brengen; want het zijn slechts zeer zwakke gevolgen van het inner­lijke streven van de geest om aan die ziel weer te geven, wat in de geest hoogst volmaakt is verborgen. Laat ook niemand geloven dat hij iets bijzonders presteert, als hij voor een meester wordt gehouden in deze uiterlijke midde­len. Hij is nog maar een arme stumper vergeleken met de rijkdom van de innerlijke meester, die zijn gaven niet naar buiten kan ontplooien.

Toch betekent het streven van iemand om het in zich door Mijn kracht en de liefde tot Mij tot een volmaakte spraak te brengen, dat hij Mijn wegen en Mij nawandelt; want Ik ging in Mijn aardse tijd in het vlees dezelfde weg en moest moeizaam stap voor stap verder komen, evenals elk ander mens.

 

j) Vergeefse moeite

 

Gr.Ev.Joh. V/160 (1 - 6) Menigeen spant zich twintig jaren in en komt niet tot voleinding. Ja, waarom kon deze eer­lijk strevende mens niet de wedergeboorte van de geest bereiken? Dat komt daardoor, omdat hij al het goede alleen deed om zich te verrijken. Wie God en de naaste uit andere motieven liefheeft dan God om God en de naaste alleen terwille van de naaste, komt niet tot volle wedergeboorte, want dit laatste is een directe verbinding tussen God en de mens. Door zulke motieven plaatst de mens een ook nog zo dunne scheidingswand tussen zichzelf en God en kan daar­om niet volledig één worden met Gods Geest. En zolang dit één worden niet plaats vindt, kan van volkomen weder­geboorte geen sprake zijn.

 

k) "Het Rijk Gods geweld aandoen"

 

Gr.Ev.Joh. VII /127 (3 - 7, 9) (De Heer) Het volkomen op­volgen van de erkende wil van God is het echte Rijk van God in jullie! Maar juist dat opvolgen van de erkende wil van God is niet zo gemakkelijk, want de mensen van de wereld verzetten zich daartegen en vervolgen de echte stre­vers naar het Rijk van God. Daarom moet hij, die het Rijk van God geheel tot zich wil trekken, geen angst hebben voor diegenen, die alleen maar het menselijk lichaam kun­nen doden, maar de ziel niet kunnen schaden; de mens dient eerder God te vrezen, die naar Zijn eeuwig onveran­derlijke orde ook de ziel kan verstoten in de hel.

Wie God meer vreest dan de mensen en ondanks de ver­volging die de mensen hem kunnen aandoen, de door hem gekende wil van God doet, die is het, die het Rijk van God met geweld tot zich trekt; en wie dat doet, zal het ook on­feilbaar bereiken.

Daarbij komt nog iets, wat ook tot het met geweld tot zich trekken van het Rijk van God behoort, en wel, dat de mens in alle wereldse zaken zo diep mogelijk zichzelf ver­loochent, al zijn beledigers van harte vergeeft, tegen nie­mand wrok koestert en op niemand kwaad is, bidt voor die­genen die hem vervloeken, goed doet aan degenen die hem kwaad doen, zich boven niemand verheft, de af en toe over hem komende verzoekingen geduldig verdraagt en zich onthoudt van vraatzucht en zwelgpartijen, hoererij en echt­breuk. Wie zichzelf zo'n uiterste zelfverloochening oplegt, doet het Rijk van God ook geweld aan en trekt het met geweld tot zich.

Maar wie God wel kent, Hem boven alles acht en liefheeft en ook zijn naaste gelijk zichzelf, maar daarbij toch ook de wereld acht en vreest en niet de moed heeft openlijk Mijn Naam te bekennen, omdat hem dat een of ander wereld­lijk nadeel zou kunnen brengen, die doet het Rijk van God geen geweld aan en zal het zodoende op deze wereld ook niet volledig bereiken; hij zal dan in het hiernamaals nog menige strijd hebben te doorstaan, voordat hij wordt vol­eindigd.

Wie dat nu weet en gelooft dat Ik de beloofde Messias ben, moet dat doen wat Ik hem leer, geleerd heb en ook verder nog zal leren, anders is hij Mij niet waard en zal Ik hem bij de vorming van zijn innerlijk leven niet bijzonder veel hel­pen. Ik ben het leven van de ziel door Mijn Geest in haar, en deze heet de liefde tot God. Wie dus God boven alles lief heeft en daarom ook steeds Zijn wil doet, diens ziel is vervuld van Mijn Geest en deze is de voleinding en het eeuwige leven van de ziel.

Wie, als het nodig is, Mij voor de wereld bekent, die zal ook Ik bekennen voor de Vader in de hemel; maar wie Mij niet voor de wereld bekent, als het nodig is, die zal ook Ik niet bekennen voor de Vader in de hemel.

 

I) De weg tot het één worden met de geest

 

Gr.Ev.Joh. VIII /150 (14 -16) (De Heer) Probeer allereerst jullie gevoelsleven naar Mijn leer te ontwikkelen en te ver­sterken, voel met de arme zijn nood mee en lenig die naar krachten vermogen, troost de treurend en, bekleedde naak­ten, voed de hongerigen, geef de dorstigen te drinken, help waar je kunt de zieken, verlos de gevangenen en predik de armen van geest Mijn evangelie, - dat zal je gevoel en ge­moed tot in de hemelen verheffen, en je ziel zal op deze goede, ware levensweg spoedig en gemakkelijk één worden met haar geest uit God en daardoor ook al Zijn wijsheid en macht deelachtig worden. En dat zal toch zeker meer zijn, dan veel in de wereld te weten, maar daarbij een ge­voelloos mens ten opzichte van zijn naaste te zijn en zich­zelf door zijn te geringe gevoelsleven het getuigenis te geven, dat men nog zeer ver af staat van het echte leven in de geest.

Ik zeg het jullie: Geest is pure liefde en het enig levende in de mens, en is haar zeer zachte en altijd uitermate wel­willende gevoel. Wie derhalve steeds meer zo'n liefde en zulk gevoel probeert op te nemen in zijn ziel, die nog veel eigenliefde kent, en in die geestelijke liefde ook steeds ster­ker, krachtiger, moediger en voegzamer wordt, die bevor­dert daardoor het volledige één worden van de geest met de ziel. Wordt dan de ziel tot zuivere liefde en wijsheid in haar meest zachte en welwillende gevoel, dan is zo'n ziel ook reeds volledig één met haar geest en is daardoor ook in het levende bezit van alle verwonderlijke vermogens van haar geest. En dat is toch zeker meer waard, dan alle aardse scholen van wereldwijsheid te hebben doorlopen en daarbij een streng en gevoelloos mens te blijven.

Laat daarom verder al het onnodige vorsen naar de stand van zaken van vele dingen en hun verschijnselen, oorzaken en werkingen in de wereld na, want dat brengt de ziel zelf in honderd jaren nog niet een haarbreedte dichter bij haar ware levensdoel. Want zij kan daardoor niet tot een waar­achtig, innerlijk erkennen komen, maar alleen tot een uiter­lijk, oppervlakkig en gedeeltelijk weten en blind gissen, waaruit nooit een geordend en samenhangend weten en kennen kan voortkomen. En zodoende bevindt de ziel zich dan in een voortdurend angstig zoeken, waaruit voor haar weinig waarachtig levensgeluk voortkomt.

 

Gr.Ev.Joh. IX/103 (5 - 6) (De Heer) Al ziet de mens ook met zijn verstand al het goede en ware zeer duidelijk in, maar zijn hart blijft nog vol van allerlei wereldse dingen, dan kost het de mens nog menig harde strijd met zijn eigen wereld, totdat deze uit zijn hart en wil wordt verwijderd en de mens alleen nog maar daarvan houdt en dat wil, wat hij als goed en waar erkent.

Pas wanneer de liefde, de wil en het met alle waarheid ver­vulde verstand daadwerkelijk geheel één zijn geworden, dan is de mens ook tot de wedergeboorte van de Geest uit God in zijn ziel gekomen; hij heeft dan de eerste graad van de macht van God In zich bereikt en kan in deze toestand ook reeds tekenen doen.

 

8.

 

De wedergeboorte van de geest

 

De schrijver (Jakob Lorber) van het voorliggende werk zocht ernstig en hij vond wat hij zocht. Hij bad en het werd hem gegeven; en omdat hij aan de goede deur klopte, werd deze voor hem opengedaan en door hem ook voor al diegenen, die een goed hart hebben en van goede wil zijn. Maar dege­nen, die niet met het hart, maar altijd alleen maar met hun vermeende pure wereldverstand zoeken en onderzoeken en kritiseren, en in plaats van aan te kloppen bij de levende Naam van de eeuwige Gever van alle goede gaven, slechts kloppen aan de harde en dode schaal van de materie, zal niet gegeven en open gedaan worden. Want de geest van de Heer openbaart zich nooit door het verstand van de ver­standigen der wereld, maar alleen in en door de eenvoud van het hart van diegenen, die voor de wereld der verstan­digen als dwazen gelden; maar het verstand van de wijzen der wereld gaat nochtans na korte tijd teniet bij de eenvoud van de dwazen.

 

(Hl. Inleiding van de Heer, blz. 8 (1))

 

Gr.Ev.Joh. 1/2 (14 - 16) De doop uit de hemelen echter is de volle overgang van de geest en de ziel met al hun be­geerten in de levende geest van de liefde tot God en van de liefde in God Zelf. Heeft zo'n overgang eenmaal plaats ge­vonden uit vrije wil van de mens en is nu alle liefde van de mens in God, dan is door die heilige liefde ook de hele mens in God en wordt aldaar tot een nieuw wezen uitge­rijpt, krachtig gemaakt en gesterkt en zo na het verkrijgen van de volkomen rijpheid wedergeboren in God. Na zo'n tweede geboorte, die niet voortkomt uit begeerte van het vlees noch uit de wil tot voortplanting van de man, is de mens pas echt kind van God; hij is dat geworden door de genade, die een vrije macht is van Gods Liefde in het hart van de mens.

Deze genade is nu juist het machtige trekken van God in de geest van de mens, waardoor hij als van de Vader wordt getrokken tot de Zoon, dat is tot het Goddelijke Oerlicht, of, wat hetzelfde is, tot de echte en levende wijsheid van God komt.

 

("die niet uit bloed, niet uit de wil van het vlees, niet uit de wil van een man, maar uit God geboren zijn". Joh.1 :13)

 

a) Verdere uitleggingen

 

Gr.Ev.Joh. 1/161 (1 - 6) (De Heer) Zolang de mens schep­sel is, is hij tijdelijk, vergankelijk en kan niet bestaan; want elk mens, zoals hij natuurlijk is geschapen, is niets anders dan een deugdelijk vat, waarin zich pas een echt mens kan ontwikkelen door voortdurende Goddelijke medewerking. - Wanneer het uiterlijke vat voldoende is ontwikkeld, waartoe God dat vat met alle nodige bestanddelen en eigen­schappen meer dan voldoende heeft uitgerust, dan wekt of veelmeer ontwikkelt Hij Zijn ongeschapen eeuwige geest in het mensenhart.

Dit eeuwige, ongeschapen, voor altijd levende Licht aan het uitspansel in de mens, is dan geheel en al de echte regeer­der van de waarachtige dag in de mens en leert het vroegere vat, zich volledig om te vormen in zijn eeuwig ongeschapen Goddelijk wezen en zodoende de gehele mens tot een waar­achtig Godskind te maken.

Elk geschapen mens heeft een levende ziel, die weliswaar ook een geest is en het goede en ware kan onderscheiden van het kwade en onware, het goede en ware zich eigen kan maken en het kwade en onware uit zich kan verbannen; zij is echter desondanks geen ongeschapen maar een ge­schapen geest en kan als zodanig voor zich nooit het kind­schap Gods bereiken.

Wanneer zij echter naar de haar gegeven wet het goede en ware heeft aangenomen in alle deemoed en bescheidenheid van haar hart en de haar door God ingeplante vrije wil, dan is zo'n deemoedige, bescheiden en gehoorzame wil tot een echte hemelse kracht geworden. Want deze wil heeft zich dan gevormd naar het in de ziel van de mens gelegde hemelse en is derhalve geheel in staat om het zuiver onge­schapen Goddelijke in zich op te nemen.

Want de ziel van de mens als zodanig zou nooit God in Zijn zuivere essentie kunnen aanschouwen, en omgekeerd zou de reine Geest van God nooit de materiële natuur kun­nen zien, omdat er voor Hem geen materiële natuur is. Maar in de bovengenoemde volledige verbinding van de zuivere geest met de ziel kan de ziel nu door de verkregen nieuwe geest God aanschouwen in Zijn oergeestelijk reine Wezen, en de Geest door de ziel het materieel natuurlijke.

 

Gr.Ev.Joh. 1/214 (10 - 11) (De engel tot Philopold) In het bijzonder moet elke geest, die in de ziel werd geplaatst, eerst de ziel vormen door het houden van de hem gegeven uiterlijke wetten. Heeft daardoor de ziel de juiste graad van rijpheid en ontwikkeling bereikt, dan gaat de geest ge­heel in de ziel over en daardoor is de hele mens voleindigd en een nieuwe creatuur, weliswaar nauwkeurig beschouwd steeds uit God, daar de geest in de mens eigenlijk niets an­ders is dan een God in de kleinste afmeting, omdat hij volledig uit het hart van God is. De mens is dat evenwel niet door een daad van God, maar geheel uit zichzelf en juist daarom een waarlijk Godskind. - En ik zeg het nog­maals in een paar woorden: de mensen moeten helemaal zichzelf vormen naar de geopenbaarde ordening, daar zij anders onmogelijk kinderen van God kunnen worden! En zo is een voleindigde mens op deze aarde als kind van God in alles aan God gelijk; daarentegen is een onvoleindigd mens ook ver onder het dierenrijk.

 

Gr.Ev.Joh. II/41 (5) (De Heer tot Sarah) Wie de liefde tot Mij opwekt, die wekt zijn door Mij hem gegeven geest op, en omdat deze geest Ik Zelf ben en moet zijn, omdat er buiten Mij eeuwig geen andere levensgeest is, wekt hij daar­door dus Mij Zelf in zich; daardoor is hij geheel geboren in het eeuwig leven en kan dan voortaan nimmer sterven en nimmer worden vernietigd - ook niet door Mijn almacht, omdat hij één met Mij is. Denk daarom dus niet, dat je lief­de tot Mij dwaas is; zij is precies zo, als zij moet zijn. Vol­hard daarin, dan zul je eeuwig geen dood zien, noch voelen of smaken!

 

Gr.Ev.Joh. IV/220 (6 - 8,10) (De Heer) Daarom ben Ik in de wereld gekomen om de weg te wijzen tot de juiste terug­keer in Mijn ordening en de rechte weg waarop je moet voort wandelen tot aan de nabij zijnde wedergeboorte van de geest in de ziel, waarna geen boze terugval meer moge­lijk of denkbaar is.

Deze weg moet nu bij jullie worden gebaand, omdat dege­nen die eenmaal op de verkeerde weg zouden zijn geraakt, met een slechts gedeeltelijke ommekeer van de ziel weinig zouden zijn geholpen. De ziel moet wel eerst geheel om­keren voordat de wedergeboorte van de geest in de ziel be­reikt kan worden. Maar een alleen maar opgelapte ziels­toestand is niet houdbaar, omdat door de macht van de wereld en haar tijdelijke voordelen zo'n ziel maar al te gauw bij een volgende, wat sterk lokkende gelegenheid, weer in haar oude fout vervalt.

Om dat nu zo veel mogelijk te verhoeden heb Ik de nieuwe weg zo gebaand, dat Mijn geest, die Ik nu als een vonk van Mijn vaderliefde in het hart van elke ziel leg en heb gelegd, in jullie ziel zal groeien door de liefde tot Mij en die zal weer voedsel geven aan ware en daadkrachtige naasten­liefde. Nadat de vonk van Mijn geest de juiste grootte en kracht heeft bereikt, zal hij zich geheel met de gebeterde ziel verenigen en één met haar worden, welke daad dan de wedergeboorte van de geest zal genoemd worden en ook inderdaad zal zijn.

Deze vonk van Mijn liefde wordt echter pas dan ten volle in het hart van een mensenziel gelegd, als die mens Mijn woord heeft vernomen en het in zijn gemoed gelovig en met volledige liefde voor de waarheid heeft aangenomen. Zo­lang dat niet het geval is, kan geen nog zo volkomen men­senziel in de geest wedergeboren worden. Want zonder Mijn woord dat Ik nu tot jullie spreek, komt de vonk van Mijn liefde niet in het hart van je ziel. En waar hij zich niet bevindt, kan hij ook niet groeien en in een ziel gedijen en dus ook niet wedergeboren worden.

 

Gr.Ev.Joh. IV/225 (5, 6, 8) (De Heer) Als de grote voor­delen die Mijn geest jullie langzamerhand zal doen toe­komen volgens Mijn ordening aangewend zullen worden, dan zullen ze in alles een duizendvoudige zegening bren­gen; zal men ze echter in de toekomst ooit tegen Mijn orde­ning in zelfzuchtig gebruiken, dan zullen ze voor de mensen tot broedplaatsen van alle mogelijk denkbaar aards onheil worden.

Wat Ik jullie nu zeg, zeg Ik ook tegen allen, die een tijd van omstreeks duizend en nog eens duizend jaren na jullie zullen komen. Daarna komt weer een andere aardlaag aan de beurt om doorgegist en bewerkt te worden met en zon­der mensen: want de aarde is groot en er zijn daar veel geesten die in het gericht op hun verlossing wachten.

Door de wedergeboorte van de geest in de ziel wordt de ziel echter haar eigen vrije wil en haar uiterlijk onderschei­dingsvermogen niet ontnomen in de reeks van grote schep­pingen, die aanhoudend uit Mijn liefde, wijsheid, ordening, macht en kracht voortkomen.

 

Gr.Ev.Joh. VII/54 (11 - 13) (De Heer tot Nikodemus) In de geboden vinden we alle wijsheid uit God en ze be­vatten ook alle goddelijke macht en kracht en wel daarom, omdat in deze geboden de meest wijze en machtige wil en door deze ook de hoogste vrijheid is vervat.

Degene derhalve, die door het houden van de geboden de wil van God tot de zijne heeft gemaakt, die heeft ook de goddelijke vrijheid tot de zijne gemaakt en heeft de toestand van de ware wedergeboorte van de geest bereikt en is als een waar kind van God net zo volkomen als de Vader in de hemel Zelf.

En Ik zeg nu tegen iedereen, dat je juist door het nauw­gezet onderhouden van de geboden er vóór alles naar moet streven om reeds hier op aarde zo volkomen te worden als de Vader in de hemel volkomen is, dan zul je ook in staat zijn om dat, wat Ik Zelf nu doe, en nog grotere dingen te doen. En wanneer je dan in deze toestand bent, dan zul je ook reeds bij voorbaat burger van het nieuwe Jeruzalem zijn.

 

Gr.Ev.Joh. VII /69 (6 - 7) (De Engel) De innerlijke geest werkt er weliswaar onophoudelijk aan de ziel zo vroeg mogelijk rijp en volledig vrij te maken, maar toch kan en mag hij haar niet de minste dwang opleggen, omdat een ziel op deze manier nog materialistischer en onvrijer zou worden, dan zij door alle invloeden vanuit de buitenwereld ooit zou hebben kunnen worden. Daarom kreeg de ziel in haar lichaam een eigen wil en een eigen verstand om, zelf beslissend, door belering van buitenaf ertoe te worden gebracht zich door de eigen wil steeds meer en meer aan al het wereldse te onttrekken en om door in zichzelf in te keren, de steeds zuiverder wordende geestelijke weg te be­treden. ­

In gelijke mate als waarin de ziel die steeds zuiverder wor­dende geestelijke weg betreedt, verenigt zich dan haar innerlijke zuivere geest van gene zijde met haar. En heeft ze door haar steeds meer gelouterde verstand en door haar daardoor ook steeds vrijer geworden wil van de wereld af­stand gedaan, dan is ze gelijk aan haar geest en is dan één met hem geworden, welke éénwording wij de geestelijke wedergeboorte noemen.

 

Gr.Ev.Joh. IX/102 (8) (De Heer) Waaruit bestaat echter deze macht van God in de mens? Deze bestaat uit de ware en zuivere liefde tot God en diens alles overtreffende wijs­heid en daardoor uit de ware liefde tot de naaste en verder uit zachtheid en deemoed, als ook uit zelfverloochening tegenover de verlokkingen der wereld. Wie in dit alles sterk is geworden, die heeft de macht van God al in zich, is door de vereniging van de machtige geest van God met de ziel één geworden met God en heeft zich dientengevolge boven de dwang van tijd en ruimte en daardoor boven het gericht en de dood verheven. Hij is in en uit God eigen meester geworden en heeft de 'toorn Gods' (dat is diens al­machtige en alles beheersende wil, wiens onbuigzame ernst de vesting is voor alle schepselen in tijd en ruimte) even­min meer te vrezen, als dat God voor Zichzelf zou vrezen, omdat de mens één met God is geworden op de wijze, die je nu duidelijk werd uiteengezet.

 

Gr.Ev.Joh. IX/108 (4 - 5) (De Heer) Altijd is het één en dezelfde Geest, die geheel alleen in staat is alles op ver­schillende manieren te bewerken, omdat Hij van het oer­begin af het fundament van alles is en ook altijd zal zijn; want alles wat bestaat is in de grond van de zaak slechts de macht, kracht, liefde, wijsheid en wil van de Geest.

Ook elk mens bezit zo'n geest, die echter dan pas werkend in de mens optreedt, als hij geheel volgens de erkende wil van God werkzaam is en zijn geest op de weg van de zui­vere liefde tot God en daaruit tot de naaste, zich met de ziel in de mens verenigt en daardoor zelf tot pure liefde en wil van God wordt. Heeft dat in de mens plaatsgevonden, dan is hij ook aan God gelijk en kan werken verrichten van welker grondslag geen puur uiterlijk mensenverstand zich enig begrip kan maken.

 

Gr.Ev.Joh. IX/141 (3) (De Heer) Een volkomen, in Mijn geest van liefde en waarheid wedergeboren ziel zal door het afvallen van haar lichaam niet slechts niets verliezen be­halve de zware last die haar aan deze materiële wereld ketent, maar er nog onuitsprekelijk veel bij winnen. Want waarlijk, Ik zeg je: geen lichamelijk oog heeft het ooit aan­schouwd, geen oor gehoord en geen menselijk zintuig ooit ondervonden, wat diegenen in het grote hiernamaals die Mij liefhebben en naar Mijn leer leven en handelen, alles voor zaligheid kunnen verwachten.

 

GS I /64 (15) (De Heer) Op je 'jongste dag' zul je tevergeefs wachten; want die is er en is voor alle mensen voortdurend aanwezig. Hij is voor de in de liefde gerechtvaardigden een dag van opstanding tot het eeuwige leven, wat de volkomen wedergeboorte van de geest betekent. Hij is echter ook een dag van gericht voor al diegenen, die Mij niet in de geest en niet in de waarheid en dus ook niet in alle liefde in zich wilden opnemen.

 

b) Het wonder van Pinksteren maakte de geestelijke weder­geboorte pas mogelijk.

 

Ik, Emanuel Abba, heb geen welgevallen in dit brand­offer, maar wel in degene die het met een rein hart voor Mij bereidde, - daarom zegen Ik het toch tot gedachte­nis aan een offer dat eens gebracht wordt voor het tot leven roepen van alle doden en levenden. En zo zal het dan ook voortaan tot aan het einde der tijden bij het lam en het brood blijven! Amen.

 

(H II 144 (2))

 

H 1/46 (20 - 23) (De Heer) Zie, lang geleden was Ik er al bij het begin der wereld, om alle dingen voor jullie te schep­pen en jullie voor Mij. Weldra zal Ik in grote vloedgolven terug komen om de aarde schoon te wassen van de pest: want de diepten der aarde zijn Mij tot een gruwel geworden vol vuile modder en vol pest, die ontstaan is door jullie on­gehoorzaamheid. Dan zal Ik terwille van jullie komen, op­dat niet de gehele wereld te gronde gaat en er een lijn zal bestaan waarvan Ik de laatste spruit zal zijn.

En Ik zal voor de derde maal vaak komen, zoals nu ontel­bare keren tot jullie, nu eens zichtbaar en dan weer onzicht­baar in het woord van de geest, om Mijn wegen voor te bereiden. En Ik zal voor de vierde keer lichamelijk komen in de tijd van grote nood, dat is de grote tijd der tijden. En dadelijk daarna zal Ik voor de vijfde maal komen in de geest van liefde en alle heiliging. Ik zal voor de zesde maal innerlijk komen tot ieder, die in zijn hart een waar, ernstig verlangen naar Mij zal dragen en zal dan een leider zijn voor degene, die vol liefde zich gelovig door Mij zal laten leiden naar het eeuwige leven. ,(* "'De 'Haushaltung Gottes' beschrijft het tijdperk van Adam tot aan de zondvloed.)

En Ik zal ook dan weer ver van de wereld zijn; wie echter dan opgenomen zal worden, zal leven en Mijn rijk zal eeuwig met hem zijn. En tenslotte zal Ik, zoals reeds gezegd is, nog één keer komen; maar dit laatste komen zal voor allen een blijvend komen zijn, hoe dan ook.

Luister en begrijp goed; verblijf in de liefde, want die zal jullie redding zijn! Heb Mij boven alles lief - dat zal eeuwig je leven zijn; hebt elkaar echter ook lief, opdat het gericht je zal worden kwijtgescholden. Mijn genade en Mijn eerste liefde zij met jullie tot aan het einde aller tijden. Amen.

 

Gr.Ev.Joh. III/171 (4 - 8, 11 - 14) (De Heer tot Jarah) Jullie allen zullen de nieuwe - of wedergeboorte uit de geest en in de geest pas dan volledig begrijpen, als Ik als de Mensenzoon gelijk Elias onder jullie ogen aan de aarde ont­rukt zal worden! - Daarna pas zal Ik vanuit de hemel Mijn geest vol waarheid en kracht over al de Mijnen uit­storten, waardoor dan de volle wedergeboorte van de geest en in de geest volkomen mogelijk wordt en jullie ook pas dan en daardoor de wedergeboorte van je geest zullen kun­nen begrijpen en erkennen.

Tot aan die tijd kan echter niemand volledig nieuw gebo­ren worden, zelfs Mozes en alle profeten niet. - Maar door de daad die Ik nu jou en alle anderen heb aangekondigd zullen vanaf Adam allen aan de volle geestelijke wederge­boorte deelnemen, die in de wereld werden geboren en in het leven op aarde tenminste van goede wil waren, hoewel zij misschien niet altijd daarnaar handelden.

Want er zijn er immers nog velen die vast van wil zijn echt iets goeds uit te voeren; maar het ontbreekt hen aan de middelen en de uitwendige kracht en bekwaamheid, die daarvoor net zo nodig zijn als de ogen om te zien. Nu in zulke gevallen geldt bij Mij de goede wil altijd evenveel als de daad zelf.

Ik wil je een voorbeeld geven. Stel, je zou een heel arm mens, die naar je toekwam graag willen helpen. Daar je echter zelf niet vermogend bent ga je naar de één of ander toe, die wel een vermogen heeft en vraagt met je hele inzet om een goede hulp voor dit arme mens, krijgt die echter niet vanwege de hardheid van die rijke en moet de arme zonder ondersteuning verder laten gaan; je weent om hem en beveelt hem in Gods genade aan. - Zie, dan is je wil evenveel waard als de volbrachte daad zelf!

Zulke mensen waren er vroeger veel, zijn er nu nog en zul­len er in de toekomst altijd zijn; zij zullen allen de weder­geboorte van de geest in hun ziel deelachtig worden.

Als je derhalve zoals ook de anderen nog niet dadelijk be­grijpen kunt hoe het precies staat met de eigenlijke weder­geboorte van de geest, heb Ik je daarvoor de oorzaak nu zo duidelijk mogelijk uiteengezet; als echter weldra de tijd komt dat je in de geest wordt wedergeboren, dan zul je pas ook geheel inzien, waarom je het nu nog niet kunt begrij­pen!

 

Gr.Ev.Joh. III/180 (3 - 8) (De engel tot Philopold) Hoewel God de Heer in Zijn wijsheid en majesteitelijke macht on­eindig is, toch is Hij hier echter in de liefde van de Vader als een begrensd mens bij en onder jullie aanwezig. En juist deze liefde die Hem Zelf een mens voor jullie doet zijn, maakt ook ons engelen tot mensen voor jullie, terwijl we anders slechts licht en vuur zijn, ons flitsend bewegend in de eindeloze ruimten als grote scheppende gedachten, ver­vuld met woord, macht en wil van eeuwigheid tot eeuwig­heid.

De geest echter en nog meer de werkelijke vlam van de lief­de uit het hart van God, waardoor je eigenlijk pas werkelijk kind van God wordt, krijgen jullie aardemensen nu en jullie zijn daardoor onuitsprekelijk boven ons bevoorrecht, en wij zullen ook jullie weg moeten bewandelen om aan jullie gelijk te worden.

Zolang wij engelen zo blijven als we nu zijn, dan zijn we alleen maar armen en vingers van de Heer en slechts dan bewegen we ons en treden handelend op, als we door de Heer daartoe worden aangezet, net zoals jullie je handen en vingers tot handelen aanzetten. Alles van ons behoort tot de Heer; niets is als iets zelfstandigs van ons zelf en alles aan ons is eigenlijk de Heer Zelf.

Jullie echter zijn geroepen en bestemd in de volste zelf­standigheid dat te worden wat de Heer Zelf is; want tot jullie zal nog door de Heer worden gezegd: "Weest dan volmaakt in alles, zoals jullie hemelse Vader eindeloos vol­maakt is!"

Als dit echter door de Heer tot jullie mensen zal zijn ge­sproken, dan zullen jullie daardoor pas geheel inzien tot welke grote dingen jullie zijn geroepen en bestemd en wat voor een mateloos onderscheid er dan tussen jullie en ons bestaat.

Nu zijn jullie nog maar embryo's in het moederlichaam, die met hun eigen kleine levenskracht geen huizen kunnen bouwen; als je echter uit het ware moederlichaam van de geest wedergeboren wordt, dan zullen jullie ook zo vermo­gen te werken als de Heer werkt!

 

Gr.Ev.Joh. IV/133 (8 - 9) (De Heer tot Mathaël) Om het geheim van Gods rijk in de diepste diepte te vatten moet je eerst in de geest wedergeboren zijn, wat nu niet mogelijk voor je is. Pas als de Mensenzoon daarheen zal zijn terug­gekeerd vanwaar Hij is gekomen, dan zal Hij de geest van alle waarheid die heilig is, tot je zenden; die zal je dan ge­heel opwekken, zal dan je hart voltooien en de geest van alle waarheid in je wekken, dat wil zeggen in het hart van je ziel en door deze daad zul je wedergeboren zijn in de geest en in het helderste licht geheel zien en begrijpen, wat de hemelen in hun diepte inhouden.

Hetgeen Ik je nu laat zien en uitleg, is echter maar een voorproef van dat wat je in alle volheid door de geest zal worden gegeven. Ik zou je nog heel veel kunnen zeggen, maar je kunt het nu nog niet verdragen; als echter de geest der waarheid zal komen, zal die je voeren en leiden in alle wijsheid!

 

Gr.Ev.Joh. IV/217 (9) - 218 (1) (De Heer) Wordt een mens geheel door of uit zijn geest wedergeboren, dan is hij volkomen aan Mij gelijkwaardig en kan hij uit zichzelf in alle levensvrijheid willen, hetgeen hij in Mijn ordening, die hij dan zelf is geworden, maar wenst en het zal geschieden en aanwezig zijn volgens zijn vrije wil.

In zo'n toestand, waarin het leven voleindigd is, omdat het volkomen gelijk is aan het Mijne, is de mens dan niet alleen een Heer over de schepselen en over de elementen en be­standdelen der aarde, maar zijn heerlijkheid strekt zich dan, gelijk de Mijne, uit over de ganse schepping in de eindeloze ruimte. - Maar deze graad van de allerhoogste levensvol­einding heeft niemand kunnen bereiken voor Mijn mens­wording; en Ik ben daarom nu op deze aarde gekomen, om door de wedergeboorte van jullie geest in je ziel jullie tot Mijn ware kinderen te maken.

 

Gr.Ev.Joh. VI/142 (8) (De Heer) Als Ik Zelf echter weldra persoonlijk deze aarde weer zal hebben verlaten, dan zal Ik de heilige Geest van alle waarheid over al Mijn getrouwe discipelen en broeders uitstorten. Deze zal hen allen dan in alle waarheid, wijsheid, macht en kracht sturen, leiden en verheffen en zal hun zielen verenigen met de geest van gene zijde van de liefde uit God en zo de wedergeboorte van de geest in hen tot stand brengen, zonder welke er geen waar en vrij eeuwig leven kan zijn, maar slechts een gebonden en gericht bestaan, dat tegenover het ware vrije leven van de geest een ware dood is.

 

Gr.Ev.Joh. VII/ 129 (10) (De Heer tot Johannes) Ik Zelf moet eerst geheel in Mij als God van eeuwigheid zijn, op­dat Ik jullie dan Mijn geest kan zenden en geven. Als die zal komen, dan zal Hij jullie in alle voor jullie nu nog on­begrijpelijke waarheden leiden, en jullie zullen dan dezelf­de en nog grotere dingen doen, dan die Ik Zelf nu doe.

 

Gr.Ev.Joh./XI 56 (6 - 7) (De Heer tot de waard in Samaria) Mijn woord is reeds het leven zelf en maakt een ieder levend die het met een gelovig hart hoort, - want het oerleven van alle leven gaat daar dadelijk in het mensen­leven over; het woord van de profeet echter is slechts een trouwe wegwijzer, die de mensen wijst hoe ze het levende woord uit Mijn woord kunnen realiseren en daardoor in het leven in de geest kunnen overgaan.

Ik zeg jullie allen: Tenslotte moet elk mens in zijn hart door God worden beleerd. Wie uiteindelijk niet door de Vader of door Gods geest in Mij wordt onderricht over de weg van de zuivere liefde tot Mij en de naaste, die komt niet tot Mij, de Zoon der eeuwige liefde, want Ik ben het eeuwige licht, de weg, de waarheid en het leven zelf; Ik ben in Mij Zelf de wijsheid van de Vader. Dit begrijp je welis­waar nu nog niet helemaal, maar je zult het begrijpen als je na Mijn hemelvaart in de geest wedergeboren wordt; want dat is de eeuwig in zichzelf diepst levende Geest van alle waarheid en die zal je leiden in alle wijsheid.

(Zie ook Gr.Ev.Joh. XI/52 (1 - 7), geciteerd bij VII h)

 

c) De verhouding tussen ziel en geest

 

Gr.Ev.Joh. VII/66 (5 - 8) (De Heer tot Agrikola) De men­senziel is een zuiver etherische substantie, uit zeer veel lichtatomen of zo klein mogelijke deeltjes door de wijsheid en de almachtige wil van God tot een volkomen mensen­vorm samengesteld, en de zuivere geest is de van God uit­gaande wil, die het vuur van de zuiverste liefde in God is. De reine geest is een gedachte van God, die van Zijn liefde en wijsheid uitgaat en wordt tot waarachtig Zijn door de wil van God. Daar God echter op Zichzelf een vuur is dat bestaat uit Zijn liefde en wijsheid, is datzelfde ook het geval met de in een eigen bestaan gerealiseerde en als het ware uit God getreden gedachte. Daar het vuur een kracht is, is dus ook zo'n gedachte uit God een kracht op zichzelf, is zich van zichzelf bewust en kan juist in dezelfde helder­heid werken als waaruit hij is voortgekomen. Als een zui­vere kracht doordringt hij alles wat jij materie noemt, maar kan zelf niet door de materie worden doordrongen, omdat de materie in de grond van de zaak alleen maar een naar buiten gaande uiting van de geest uit God is.

De ziel is als het ware door de kracht van de geest weer op­geloste materie, die in de eigen oervorm van de geest over­gaat, door zijn kracht daartoe aangezet en dan met haar geest verenigd als het ware zijn lichtetherische substantiële lichaam uitmaakt, net zoals de ziel uit de haar omgevende vleesmassa als deze volledig vergaan en opgelost is, zich door de wil van haar zuivere geesteskracht haar toekomstig gewaad vormt.

Dit is nu een zeer korte en ware uiteenzetting over datgene wat de werkelijke ziel in wezen is, en wat de zuivere, reine geest in wezen is. Gr.Ev.Joh. IV/226 (1 - 4) (De Heer tot Cyrenius) De ziel zal zich altijd zo tot de geest verhouden, zoals het aardse lichaam tot de ziel. Het lichaam van een nog zo volkomen ziel heeft als het ware ook een eigen genotswil, waardoor de ziel verdorven kan worden als ze daarop ingaat. Een goed opgevoede ziel zal wel nooit ingaan op de vraatzucht van het lichaam en zal steeds meester van haar lichaam blijven; maar bij de misvormde ziel is het heel wel mogelijk.

Tussen ziel en geest heerst echter toch een zodanige ver­houding als tussen een geheel volkomen ziel en haar lichaam. Het lichaam kan begeren wat het wil en de ziel met dikwijls zeer scherpe stekels prikkelen tot inwilliging en bevrediging, maar dan zegt de volkomen ziel daarop toch steeds een vastbesloten 'neen'. En precies hetzelfde doet Mijn geest in de ziel waarin hij geheel is overgegaan. Zolang de ziel volkomen in de wil van de geest opgaat, ge­schiedt alles op een haar nauwkeurig volgens de wil van de geest, die dan ook Mijn wil is; als de ziel echter tengevolge van haar herinnering wat meer zinnelijke dingen wil, dan treedt in dergelijke gevallen de geest terug en laat aan de ziel geheel alleen de uitvoering van de wens over, waaruit dan gewoonlijk niets wordt, vooral als het willen volbren­gen heel weinig of helemaal niets geestelijks ten doel heeft. De ziel, die haar zelfzuchtige zwakte en onhandigheid wel­dra bemerkt, houdt dan ook met haar lustdromen spoedig op, verenigt zich weer innig met de geest en laat diens wil overheersen.

Dan is er weer orde en macht en kracht in overvloed.

 

Gr.Ev.Joh. IV/228 (2 - 5) (De Heer tot Cyrenius) Als bij het zien en waarnemen van de ziel gedurende de tijd dat zij in het lichaam woont, de hersenen van het hoofd daaraan niet deelnemen, dan blijft de ziel geen herinnering over, hoogstens een vaag idee; want voor datgene wat de ziel in de hersenen van haar hoofd opneemt, heeft ze evenmin een gezichtsvermogen als het lichaam een gezichtsvermo­gen heeft, dat inwendig zou kunnen zien wat allemaal door de ogen en oren op de vele hersenplaatjes als beeld wordt afgedrukt. Dat kan alleen de ziel beschouwen, die van binnen in alle vlees is.

Wat dan echter overeenkomstig in de hersenen van de ziel blijft hangen, dat kan de ziel met haar ogen, die even­als die van het lichaam slechts naar buiten zijn gericht, niet zien en met haar oren niet horen, maar dat kan alleen maar de geest in haar; daarom kan een mens dan pas iets zuiver geestelijks volledig erkennen, als de geest in de ziel geheel ontwaakt is en in haar is overgegaan.

Wat echter inwendig in de ge est is, dat ken Ik en uit Mij dan weer de menselijke geest, die met Mij of met Mijn geest identiek is; want hij is Mijn evenbeeld in de ziel, evenals de zon haar beeld in een spiegel legt.

Zolang een ziel het lichaam bewoont, heeft ze dus goed ge­vormde lichaamshersenen onvermijdelijk nodig om goed en duidelijk te zien; maar misvormde hersenen kan ze voor het geestelijk zien helemaal niet gebruiken, evenmin als het kijken door de maag voor haar geen resultaat heeft, omdat ze daar geen herinnering aan kan behouden. Want, hoewel alles ook in haar geestelijke hersenen voor eeuwig bewaard blijft, heeft ze daarvoor toch geen oog of oor; dat heeft pas de in haar ontwaakte geest.

 

Gr.Ev.Joh. IV/256 (1 - 4) (De Heer) De aura'*'(fijnstoffelijk omhulsel; Lorber schrijft hier: 'Ausenlebenssphäre'.) van de ziel lijkt op de uitstraling van een aards licht. Hoe verder van de vlam afstaand, des te matter en zwakker wordt ze tot tenslotte niets meer overblijft dan nacht en duisternis.

Maar dat is niet het geval met de aura, de uitstraling van de geest. Die is gelijk de ether, die de hele eindeloze ruimte geheel gelijk verdeeld vervult. Als de geest dan, in de ziel vrij opstijgend, in beweging geraakt, dan komt ook op het­zelfde ogenblik zijn aura ver naar buiten in beweging en zijn zien, voelen en handelen gaat dan zonder de minste beperking zo eindeloos ver naar buiten, als de ether tussen en in de scheppingen de ruimte geheel vult: want deze ether is eigenlijk geheel identiek aan de eeuwige levensgeest in de ziel.

Het onderscheid tussen de aura van een nog zo volkomen ziel en de aura van de geest is dientengevolge eindeloos en onuitsprekelijk groot.

Hoewel er door de inwoning in de zielen delen van de alge­mene geest afzonderlijk aanwezig zijn, toch vormen ze dadelijk een volkomen eenheid met de algeest, zodra ze de ziel tengevolge van de teweeggebrachte wedergeboorte geheel doordringen. Ze verliezen hun individualiteit daar­door beslist niet, omdat ze als brandpunten van het leven in de mensenvorm der ziel ook dezelfde vorm bezitten en daardoor met hun ziel, die eigenlijk hun lichaam is, als direct alles ziende en voelende geesten ook noodzakelij­kerwijs datgene voelen en zeer duidelijk waarnemen, wat er allemaal aan zeer individueels in de hun omvattende ziel voorhanden is.

Dit is de reden waarom een ziel, die eenmaal door haar geest geheel vervuld is, dan ook alles zien, voelen, horen, denken en willen kan, omdat ze geheel één is met haar geest.

 

Gr.Ev.Joh. V/211 (3 - 7) (De Heer tot Epiphan) Heb je wel eens de grens ontdekt tot waar een gewekte ziel haar ge­dachten kan verheffen? Als de ziel dus al een eindeloos gedachtengebied heeft, wat kunnen we dan wel van de eeuwig goddelijke ge est in haar verwachten, die in zich de kracht, het licht en het leven zelf is?

Ik zeg je dit: Deze geest is het die alles in de mensen schept en ordent; de ziel is echter als het ware slechts een sub­stantieel lichaam, net zoals het lichaam de woonplaats der ziel is, zo lang, tot ze daarin een zekere soliditeit heeft bereikt. Is dat gebeurd, dan gaat ze meer en meer in de geest over en daardoor ook in het eigenlijke leven, dat uiteraard een ware kracht, een waar licht is en vanuit zich­zelf de ruimte, de vormen, de tijd en de duur van de vormen in zich schept en ze levend en zelfstandig maakt.

En omdat ze voortkomen uit de oneindigheid en eeuwig­heid van het ware leven, hebben ze daaraan ook de onein­digheid en eeuwigheid voor altijd voor en in zichzelf ont­leend.

Niemand kan dus beweren, dat hij als mens een begrensd wezen is. Er zijn in zijn kleinste deeltjes nog oneindigheid en eeuwigheid te vinden, en daarom kan hij ook het onein­dige en eeuwige vatten. - Wie denkt, dat hij maar een zeer begrensde tijd leeft, vergist zich geweldig. Niets aan de mens is vergankelijk, hoewel het noodzakelijkerwijs wel wat betreft het materiele lichaam veranderlijk is, wat het gemeen heeft met alle aardse materie; dat moet zo zijn, omdat het uit de macht van het zuivere leven haar toe­komstige bestemming is, zelf in het zuivere leven en verder in het onveranderlijke leven over te gaan.

Hoewel dus de vele verschillende delen en geledingen der materie en dus ook die van het menselijk lichaam worden veranderd, daarom houden ze toch niet op te bestaan, maar bestaan eeuwigdurend in een meer geestelijke en daardoor ook edeler vorm en soort.

 

d] De ware erkenning van de wijsheid van God

 

Gr.Ev.Joh. VII /55 (3 - 12) (De Heer tot Nicodemus) Mijn woord en Mijn prediking kunnen jullie niet op de bepaalde verstandelijke wereldse manier van spreken der mensen en volgens hun wereldwijsheid worden gegeven; ze bewijzen het bestaan van de jullie volledig onbekende geest en zijn kracht, opdat je geloof en je toekomstig weten niet op de wijsheid van de blinde mensen berust, maar op de wonder­bare kracht van de geest uit God.

Nu, deze wijze van spreken en beleren schijnt inde ogen van de wereldwijzen een dwaasheid, omdat ze van de geest en zijn kracht niets weten en met hun grove zintuigen niets waarnemen; maar toch is Mijn leer de hoogste en diepste wijsheid, echter slechts in de ogen en harten van volkomen mensen, die van goede wil zijn en de geboden van God al­tijd in acht hebben genomen. Maar voor de wijzen en machtigen van deze wereld, die zullen vergaan evenals hun wijsheid vergaat, is Mijn leer dat niet.

Ik spreek tot je over de verborgen wijsheid van God, die Hij al voor de schepping van deze materiële wereld tot jullie eeuwige levens heerlijkheid heeft ingericht. Wat Ik nu openbaar, dat openbaart Gods geest aan jullie geest, opdat ook jullie geest die diepten in God doorvorst en erkent. Want slechts de geest doorziet en doorvorst alle dingen en daardoor gelouterd, doorvorst hij ook de diepten in God. En dus ontvangen jullie van Mij niet de geest der wereld die je nooit nodig zult hebben, maar de geest uit God, op­dat je door deze geest pas volledig zult kunnen vatten en begrijpen, wat je door Mij als van God is gegeven.

Daarom kan Ik daarover niet met jullie spreken op de manier van menselijke wijsheid en daarom kunnen jullie Mij ook niet geheel begrijpen, omdat jullie geest je ziel nog niet helemaal heeft doordrongen. Als je ziel zich echter met alle liefde en vrije goede wil geheel in de geest uit God, die je nu zult ontvangen, zal bevinden, dan zullen jullie ook vanuit jezelf alle dingen geestelijk kunnen beoordelen en alles wat je nu nog donker en onbegrijpelijk voorkomt, zul je dan begrijpen en verstaan.

Je verneemt nu echter toch reeds iets van de eeuwig ware geest van God en kunt ook al heel veel geestelijk beoor­delen. Maar de geheel natuurlijke mens verneemt niets van de goddelijke geest in zich en als men daarover tegen hem spreekt dan lijkt hem dat een dwaasheid toe, omdat hij datgene wat zijn ziel zou kunnen richten op het geestelijke, niet in zich heeft. Want als een mens het geestelijke vatten en begrijpen wil, moet zijn ziel van tevoren volledig geeste­lijk gericht zijn, want alle leven, al het ware licht en elke ware kracht is slechts in de geest, die alleen alles richt en door niemand gericht kan worden.

De natuurlijke mens, nog zonder geest, is materie in het gericht en zijn natuurlijke leven is hem door Gods geest slechts als een middel gegeven om daardoor het ware geestelijke leven in zichzelf op te wekken, als hij dat wil. En zo kan hij dan met zijn natuurverstand wel Gods ge­boden als van Hem zijnde herkennen en dan de wil opvat­ten ze ook in acht te nemen en naar hen te leven en te handelen. Doet hij dat, dan dringt de geest van God in zo­verre al zo diep in zijn ziel, als hij de opvolging van de ge­ boden in acht neemt en is doorgedrongen tot een geloof aan en een liefde tot God. - Als de ziel het daarin zover heeft gebracht en zo sterk is geworden, dat hij nooit meer terugvalt, dan is dat al een zeker bewijs, dat de geest uit God geheel in hem is doorgedrongen en deze al zijn er­kennen en weten geestelijk richt en zo'n ziel heeft daardoor haar vroegere dode materie geheel overwonnen en is met de geest van God die haar doordrongen heeft één geest, één kracht, één licht en één waar, onverwoestbaar leven geworden, dat door niemand meer kan worden geoordeeld. Zoek daarom allen in de eerste plaats het ware rijk van God en zijn gerechtigheid, al het andere zal je dan vanzelf toegeworpen worden; want dat zal dan de geest van God in je doen.

En Ik zeg je zoals het staat geschreven: Geen mensenoog heeft het gezien, geen oor gehoord en in geen mensenhart is opgekomen, wat God bereid heeft voor hen die Hem liefhebben en Zijn geboden onderhouden.

 

e) Het hartkamertje waarin het leven woont in zijn overeenkomstige betekenis

 

Gr.Ev.Joh. VIII/57 (10 - 14) (De Heer) Het positieve levenskamertje in het hart is - wat het lichaam betreft ­

zeker het onaanzienlijkste partikeltje van het hele lichaam, het is donker en wordt nooit door de stralen van de zon verlicht en wordt zelfs door de mensen, aan wie het toch hu_n leven geeft en verschaft, helemaal niet erkend en ge­acht. Ja, als men daarover tegen de wereldwijzen zou spre­ken zouden ze zeggen: "Hoe kan nu het machtige algemene leven van een mens van een nauwelijks zichtbaar puntje afhangen?" Daar is echter duidelijk uit af te leiden, dat zelfs de grootste wereldwijzen bij lange na hun eigen levens­fundament niet kennen, zoveel te minder dat van een ander sterfelijk mens.

En toch moet elk mens, die zichzelf en God werkelijk wil erkennen, binnengaan in dit alleronaanzienlijkste hart­kamertje van het leven en wel op de weg van de uiterste deemoed en voegzaamheid en hij moet het daar ontvangen leven geestelijk weer teruggeven. Als een mens dat doet, dan vergroot hij het levenskamertje en verlicht het door en door. Is dat dan gebeurd, dan wordt het hele hart en van het hart uit de hele mens, verlicht en kent zichzelf en daardoor ook God, omdat hij dan pas kan ontwaren en zien hoe het leven in dit kamertje uit God naar binnen vloeit, zich daar verzamelt en tot een vrij, zelfstandig leven uitgroeit.

In dit kamertje woont dus de eigenlijke geest uit God en als de ziel van de mens in dit kamertje door de ware deemoed en voegzaamheid als de liefde van de ware mens tot de eeuwige ongeschapen liefde van God binnentreedt, dan verenigt zich daardoor de ziel met de eeuwige geest uit God en deze met de geschapen ziel en dat is dan juist nu de wedergeboorte van de ziel in de geest uit God.

Om te laten zien hoe een rechtvaardig mens moet doen om in zich tot de volle heerlijkheid van het leven binnen te gaan, heb Ik Zelf aan allen het voorbeeld gegeven en ben tot een ware wegwijzer in de grote scheppingsmens gewor­den, en ben daarom op deze aarde gekomen, omdat deze volgens Mijn eeuwige ordening precies met het bevestigen­de hartkamertje overeenkomt, om zo tot Mijn eigen en daardoor ook tot jullie grote heerlijkheid binnen te gaan in alle macht in de hemel en op alle hemellichamen.

Ik was al vanaf de eeuwigheid in Mijzelf in alle macht en heerlijkheid, maar toch was Ik voor geen enkel geschapen wezen een zichtbare of begrijpbare God, ook niet voor een volmaakte engel. Als Ik Mij aan iemand, zoals Abraham, Isaak en Jacob, enigermate zichtbaar wilde maken, geschied­de dat daardoor, dat Ik een engel zodanig met Mijn wil ver­vulde, dat hij dan op bepaalde ogenblikken Mijn Persoon uitbeeldde. Maar van nu af aan ben Ik voor alle mensen een zichtbare God geworden en heb voor hen de grondslag gelegd voor een volkomen, eeuwig en zelfstandig vrij en dus waarachtig leven en daarin juist bestaat Mijn eigen gro­te verheerlijking en zo dan ook die van jullie.

 

f] De drie graden van levensvoleinding

 

Gr.Ev.Joh. VII /155 (1 - 13) (De Heer) Jullie hangen nog teveel aan de wereld en aan je grote schatten, waaraan veel bloed van weduwen en wezen kleeft. En dat is voor de wereldse mensen steeds een grote kloof, waarover zij heel moeilijk heenkomen. - Maar omdat bij God alle dingen mogelijk zijn, is het ook voor de nog zo verstokte wereld­mens en zondaar mogelijk, zich snel en krachtig te veran­deren, als zij ernstig in het volle geloof en vertrouwen op God datgene doen, wat de goddelijke wijsheid hen aan­raadt. De mens moet dan in zichzelf door een plotselinge ommekeer van zijn wil een waar wonder bewerken, en wel in totale zelfverloochening, ten opzichte van al zijn vroege­re zwakke punten, gewoonten, lusten en boze eigenschap­pen, die uit de ongelouterde en onzuivere natuurgeesten van zijn vlees in de ziel opstijgen en haar verontreinigen en verminken. Nu tel eens op met hoeveel hartstochten van allerlei soort jullie zijn behept! Vat de ernstige wil op, ze allemaal los te laten en dan Mij na te volgen! Kunnen jullie dat, dan kun je ook spoedig tot een innerlijke levens­voleinding geraken; maar zonder dat is het erg moeilijk en moeizaam.

Want de wil tot zonde wordt in de mens steeds onder­steund en wel door de prikkelingen en hartstochten van zijn lichaam; maar voor de wil tot het goede vindt hij hele­maal geen steun in zijn vlees, maar alleen in het geloof aan een ware God en vooral in de liefde tot Hem, en daartoe ook in de hoop dat de hem door God gedane beloften in vervulling zullen gaan.

Wie dus door het vaste en levende geloof, door de liefde tot God en de naaste en door de ontwijfelbare hoop al de boze hartstochten van zijn vlees kan bestrijden en dus geheel meester over zichzelf is geworden, die wordt dan ook weldra Heer over de gehele natuur. Hij bevindt zich juist daardoor, dat hij volkomen meester over zichzelf is geworden, al in de eerste graad van de ware innerlijke levensvoleinding, hoewel het dan nog vaak niet zal ontbre­ken aan allerlei verzoekingen, die hem tot het begaan van de één of andere zonde zullen prikkelen.

Is hij nu ook in staat met al zijn zinnen een vast verbond te sluiten, zodat ze zich van alle aardse verleidingen af­keren en zich alleen maar tot het zuiver geestelijke wenden, dan is dat al een zeker teken vol van levenslicht, dat de innerlijke geest uit God de ziel geheel heeft doordrongen en de mens bevindt zich dan in de tweede graad van de innerlijke, ware levensvoleinding.

In deze graad is de mens ook die kracht en levenswijsheid eigen geworden, dat hij, omdat hij in zijn ziel geheel van de wil van God is vervuld, slechts naar deze kan handelen en derhalve nooit meer een zonde kan begaan; want omdat hij zelf rein is geworden, is voor hem ook alles rein.

Maar hoewel de mens dan reeds een volkomen heer van de gehele natuur is en de duidelijkste overtuiging in zich draagt dat hij onmogelijk meer kan falen, omdat al zijn handelen door de ware wijsheid uit God wordt geleid, zo is en blijft hij daardoor toch slechts in de tweede graad van de innerlijke levensvoleinding.

Maar er is nog een derde en hoogste graad van innerlijke levensvoleinding. Deze bestaat daarin, dat de voleindigde mens, wel wetend dat hij nu als een machtige heer van de natuur zonder zonde kan doen wat hij maar wil, nochtans zijn wilskracht en macht deemoedig en zachtmoedig in toom houdt en bij alle doen en laten uit de zuiverste liefde tot God niet eerder iets doet, alvorens hij hiervoor direct van God opdracht ontvangt. - Dat is juist voor de volein­digde heer van de natuur ook nog een behoorlijk zware op­gave, omdat hij in zijn volle wijsheid altijd beseft, dat hij volgens de in hem zelf wonende wil uit God slechts goed kan handelen. Maar een nog dieper gaande geest erkent ook, dat tussen de bijzondere wil van God in hem en de meest vrije en eindeloos algemene wil in God, nog een groot verschil bestaat, waardoor hij dan zijn bijzondere wil geheel ondergeschikt maakt aan de volkomen algemeen goddelijke wil en slechts dan uit toch altijd eigen kracht iets doet, als hij daartoe direct van de enige, volkomen eigen wil in God opdracht heeft gekregen. Wie dat doet, die is in zich tot de innerlijkste en allerhoogste levens­voleinding gekomen, die dan de levensvoleinding in de derde graad is.

 

Gr.Ev.Joh. 1/3 (1) Als de mens zo gevormd door de weder­geboorte tot een waarachtig kind van God wordt, hetgeen hem door God de Vader of door de liefde in God formeel is ingeschapen, dan geraakt hij tot de heerlijkheid van het oerlicht in God, dat eigenlijk de Oergrond van het Goddelijke Zijn Zelf is.

Dit Zijn is de eigenlijke eniggeboren Zoon van de Vader, evenzo als het licht in de warmte van de liefde inwendig verborgen rust, zolang de liefde het niet tot leven brengt en het vanuit zichzelf laat stralen. Dit heilige licht is dus ook de eigenlijke heerlijkheid van de Zoon van de Vader, waar­toe elke wedergeborene komt en aldaar zelf gelijk wordt aan deze heerlijkheid, die eeuwig vol genade is (Gods licht) en vol waarheid, die de ware werkelijkheid is en het vlees geworden woord.

 

"Want uit zijn volheid hebben allen de ene genade na de andere ontvangen".

(Joh. 1 :16)

 

(Murel) O, gij Tijding der tijdingen, gij Stem der stemmen, gij Woord der woorden! Wie kan U weerstaan, zodra hij U in zijn hart heeft herkend? O, hoe verheven, heilig, groot en lieflijk en hoe eigen en bekend klinkt het uit de Vadermond in de oren van het zo lang uit het Vaderhart verbannen zwakke kind. Hoeveel duizenden en nog eens duizenden zaligheden stromen mij met die ene ademtocht uit de mond van Diegene tegemoet, die eens het 'er zij' in de eindeloze ruimte uitriep, waarop het in die oneindige ruimte, die door geen eeuwigheid kan worden gemeten, noch ooit gemeten wordt, zich begon te roeren en te bewe­gen. - Laat al hetgeen ooit zijn kracht tot zondige hande­lingen in mij legde trillen en beven; maar jij, mijn nieuw­geboren hart, verheug je en jubel luid! Zie, je Schepper, je God en Vader heeft je geroepen; daarom, volg de roep van deze Stem, die in je vezels het leven blies. O, Vader­stem, hoe harmonieus klinkt U in de oren van de kinder­lijke liefde in het hart van een uit de doodsslaap ontwaakt kind!

 

Gr. Ev. Joh. III/224 (12 - 14)

 


 

Appendix

 

JAKOB LORBER (1800-1864) en de werken van de nieuwe openba­ring.

 

De uiterlijke gebeurtenissen in het leven van Jakob Lorber, die op 22 Juli 1800 in Kanischa (Oostenrijk) werd geboren en zich als muziekleraar, musicus en componist vestigde te Graz, bleven beschei­den tegenover zijn roeping tot 'schrijfknecht van God', die hij in zijn veertigste levensjaar door het innerlijke Woord ontving en waaraan hij vervolgens tot aan het einde van zijn leven in onwankelbare trouw gehoorzaamde.

Op 15 Maart 1840, toen hij in zijn morgengebed was verzonken, hoorde hij een innerlijke stem, die uit zijn hart scheen te komen en hem duidelijk toesprak: 'Sta op, neem je griffel en schrijf!' Lorber gehoorzaamde deze geheimzinnige stem, nam zijn pen en schreef woord voor woord op wat hem innerlijk gedicteerd werd. De eerste zinnen luidden: 'Zo spreekt de Heer tot iedereen en dat is waar, getrouwen gewis. Wie met Mij spreken wil, kome tot Mij en Ik zal hem het antwoord in zijn hart leggen. Echter alleen maar de reinen, wier hart vol deemoed is, zullen de klank van Mijn Stem vernemen.'

Er was hem juist een aanstelling als kapelmeester in Triëst aangebo­den, doch hij wees deze af en volgde zijn roeping door het opschrijven van het in zijn binnenste gedicteerde woord en dat deed hij tot aan zijn dood in 1864.

Zijn biograaf en vriend gedurende tientallen jaren, Karl Gottfried Rit­ter von Leitner, bericht daarover: 'Het gezicht rustig en luisterend, ononderbroken schrijvend, nooit stokkend, nooit zich bezinnend, gleed zijn pen over het papier.' Zo ontstond in een tijdsverloop van 24 jaren een uniek werk, dat heden 25 boekdelen van ongeveer 500 blad­zijden vult, de kleinere geschriften niet meegerekend.

Er is voor deze stille, uitermate bescheiden en deemoedige man Jakob Lorber beslist geen voorbeeld te noemen en geen 'categorie' te vinden, of we hem nu als mysticus of als ziener beschouwen, dan wel, zoals in zijn tijd het geval was, als een mediamiek genie. De mensheid ontving middels hem een werkelijk omvattend antwoord op haar duizenden jaren oude vragen naar het vanwaar, het waarheen en het waarom van het leven. Lorbers door Goddelijke inspiratie ontvangen geschriften bieden een geestelijke beschouwing der wereld, die niet alleen de christelijke vernieuwingstendenties, maar ook de wetenschap, ja het hele levens­gevoel van de hedendaagse mens verklaren. Zijn werken zijn even tijd­loos als actueel.

Wij laten hier een korte samenvatting volgen, die Dr.Walter Lutz als inleidend overzicht publiceerde in het tijdschrift 'Das Wort'.

 

Tien voornaamste punten uit De nieuwe openbaring door Jakob Lorber.

 

1. De grondslag der wereld

 

Volgens Lorber bestaat er geen stof in de betekenis die het materia­lisme daaraan geeft. Alles is energie, namelijk Gods- of geestkracht, gesplitst in allerkleinste oerstofdeeltjes (oerlevensvonken). Ook het vroeger als kleinste deeltje beschouwde atoom is een uit talloze deel­tjes bestaand levend universum in het kleinste formaat (vergelijk hier­mee de nieuwste ontdekkingen der kernfysica). Uit de oergronddeel­tjes (tegenwoordig elektronen of kwanten genaamd) - die niets an­ders zijn dan zelfstandig gemaakte gedachtenkrachten van God - is de hele wereldruimte planmatig opgebouwd.

 

2. Het wezen van God

 

God is de eeuwige oneindige geest, de oerkracht en het fundament van alle zijn. Zijn voornaamste eigenschappen zijn liefde, wijsheid en wilskracht. Zijn heilige geest vult het heelal (de 'wereldziel' van de an­tieken). Maar deze oneindige algeest heeft een innerlijk machtscen­trum, van waaruit als uit een zon gedachten en wilskracht in de schep­ping uitstromen, om na een grote kringloop tot levensvoleinding weer terug te keren. In dit oermachtscentrum bevindt zich God als be­staand Wezen en wel in de hoogste van alle levensvormen: als volko­men 'Geest-Oermens'. (God schiep de mensen naar Zijn beeld). Van­uit dit oermachtscentrum is de geest van God eeuwig scheppend be­zig. De hele schepping is een geweldig ontwikkelings- en vervolmakingproces van de Goddelijke gedachten en ideeën. Het voltrekt zich onder ontzagwekkende, door rustperioden gescheiden tijdperken ('scheppingsdagen, van eeuwigheid tot eeuwigheid').

 

3. De geestelijke oerschepping

 

Aan de voor ons zichtbare stoffelijke schepping gingen geestelijke scheppingen vooraf. God heeft toen uit de als het ware buiten zichzelf geplaatste oerlevensvonk grote geestelijke wezens geschapen volgens Zijn beeld (oer-aartsengelen), die zelf meerdere aan hun gelijke geeste­lijke wezens in het leven konden roepen. Zo ontstonden legioenen grote geestelijke wezens (engelen), die zich volgens het ordenings­gebod van de Gods- en broederliefde zouden ontwikkelen, tot ze aan Godgelijk zouden zijn. Een deel van deze wezens verviel onder leiding van hun hoofdgeest Satana (Lucifer) krachtens hun vrije wil in grenzeloze eigenliefde en zelfverheerlijking. Volgens de eeuwige orde­ning moest echter de voedende levensstroom uit God opdrogen voor degenen, die van God afvallig werden. Daardoor verstarden ze als het ware en verdichtten ze zich tot hulpeloze massa's. Door verdich­ting van de geestelijk-etherische oeressenties (materialisatie) ontston­den zo in de scheppingsruimte de oernevels van de materie of van de wereldstof.

 

4. De stoffelijke materiële schepping

 

Zouden de gevallen oerwezens eeuwig in de ban van hun gericht blij­ven of toch nog tot voleinding teruggevoerd worden in Gods heilige levensorde? De goddelijke liefde erbarmde zich over de gevallen gees­tenwereld. Met behulp van de trouw gebleven engelgeesten bouwde de Schepper het materiële universum uit de oernevelen van de wereld­stof, door deze in te lijven en tot nieuw leven te brengen; dit beeldt in zijn geheel het verhaal van de 'verloren zoon' uit. (hiermee is het ont­staan van de wereld volgens Kant-Laplace geestelijk verklaard). Hier­mee begon God in de talloze wereldsystemen en op de wereldgloben een verlossing van de in de materie gebonden wezens.

 

5. Doel van het natuurleven

 

Op alle hemellichamen worden door het Goddelijk bestuur de verstar­de wereldstofmassa's meer en meer losgemaakt. Deze losgemaakte lu­ciferische levensvonken worden door de engelen, de dienaren van de Schepper, naar diens liefdevolle en wijze heilsplan in de rijken van de natuurwereld gebracht en wel in steeds nieuwe geestelijke louterings­scholen. Dit gebeurt doordat ze - tot steeds meer omvattende verbin­tenissen of 'zielen' verenigd - in steeds hogere levensvormen trapsge­wijs door het mineraal -, planten - en dierenrijk worden omhoog geleid. (Darwins ontwikkelingsleer vanuit een allesomvattend geestelijk gezichtspunt). De 'natuurzielen' worden op deze geestelijk lichame­lijke weg geleid tot de bouwen het gebruik van hun tijdelijk levens­omhulsel (alle scheppingen van de drie natuurrijken). Ze beginnen daardoor hun tegen Gods ordening ingaande zelfzucht zo langzamer­hand te overwinnen en zich tot de hemelse ordening van dienen in we­derzijdse liefde te bekeren (opbouw van gemeenschappelijke verbin­tenissen, organismen). Het evangelie predikt ook de verlossing van al­le creaturen door de macht van de liefde.

 

6. De mens - het einddoel van deze ontwikkeling

 

De op deze manier uit de luciferische materie opgestegen mensenziel moet - onder invloed van de haar ingeblazen, goddelijke geest - of lief­desvonk - zich nu in het aardse leven waar maken. Door vrijwillig de liefdesgeboden van God te gehoorzamen zal de mens zich steeds ver­der tot een waarlijk kind van God ontwikkelen, om tenslotte als hij dat doel bereikt heeft, tot de ware vrijheid en zaligheid van het eeuwi­ge leven binnen te gaan.

 

7. Het wezen van Jezus

 

Toen de schepping zover was gerijpt dat ze de diepste onthulling van de goddelijke liefde - de Godheid als 'Vader' - kon begrijpen, koos God de naar het uiterlijk zo onaanzienlijke aarde voor de groot­ste liefdedaad van Zijn erbarming uit. Hier, waar de innerlijkste geest­kern van Lucifer in de ban wordt gehouden, hulde God Zijn geest­menselijk oermachtscentrum in het gewaad van de materie ('en het Woord werd vlees'.). In Jezus Christus trad God Zelf het men­senrijk binnen om deze en tevens alle geesten uit de oneindigheid te onderrichten. Als machtigste getuigenis van Zijn liefde trok Hijzelf het kleed van de materie aan om de gevallenen uit het gericht te verlos­sen en de gelouterden dan in het Vaderhuis terug te voeren (gelijkenis van de verloren zoon).

De geest van Jezus, het heilig oermachtscentrum van God, is de 'Vader'. De ziel van Jezus (en zijn lichaam), dat wil zeggen het menselijke, is de door de Vader geschapen 'Zoon'.

De in de oneindigheid uitstralende Godskracht, uitgaande van de Vader door de Zoon, is de 'Heilige Geest'.

En zo zijn in Christus de Vader, de Zoon en de Heilige Geest verenigd (de oplossing van het drie-eenheidvraagstuk). Jezus: 'Wie Mij ziet, ziet de Vader', en: 'Ik en de Vader zijn één!'.

 

8. De heilsweg tot de geestelijke wedergeboorte

 

Als de enige tot de voleinding en eeuwig leven in God voerende weg predikte Jezus de grondwet van de gehele schepping: 'Heb God boven alles lief en de naaste als jezelf. Noch uiterlijke goede werken (ontvangen van het sacrament), noch uiterlijke geloofsge­rechtigheid (geloofsbelijdenis), zijn voldoende; ze zijn hoogstens hulpmiddelen op de heilsweg van de zuivere daadkrachtige liefde, de oergrond van alle zijn. Is met behulp van Gods geest in de mens de zui­vere hemelse liefde tot onbeperkt heerser geworden, dan is de mens aan het gericht der materie ontgroeid en heeft hij de geestelijke weder­geboorte bereikt. Dan vermag de gelouterde ziel, die met de haar inge­plante geest uit God dan volledig verbonden is, tot een waar kind van God uit te groeien, één met haar Schepper en hemelse Vader en ze heeft dan eeuwig deel aan de volheid van Zijn goddelijke levens - en werkingskrachten.

 

9. De verdere ontwikkeling in het hiernamaals

 

De meeste mensen van de aarde treden na de dood van hun lichaam nog onvolmaakt in de fijnstoffelijke sfeer van het hiernamaals binnen. De goddelijke liefde biedt hen daar nieuwe mogelijkheden om zich te scholen, zodat tenslotte allen -zij het vaak op moeilijker en pijnlijker manier - toch nog tot voleinding komen. Want het goddelijk plan van een algemene verlossing kent geen eeuwige verdoemenis!

Om dit einddoel te bereiken komen de nog onrijp uit het leven schei­dende zielen aan 'gene zijde', dat wil zeggen in de voor de aarde on­zichtbare, geestelijke wereld eerst in een soort droomleven. Hier valt hen tot hun belering een door hen beschermende machten geleid in­nerlijk geestelijk schouwen ten deel, dat al naar gelang van hun goede of boze instelling een paradijselijke verrukking of een helse pijn bij hen oproept. Hemel en hel zijn dus geen plaatselijke bepalingen, maar geestelijke ontwikkelingsstadia van de ziel. Sterk op zichzelf gerichte, aardegebonden zielen worden ook wel verder opgevoed door op­nieuw in het leven geroepen te worden (reïncarnatie) op andere stof­felijke werelden of soms ook op deze planeet.

 

10. Het doel der voleinding

 

Zielen, die zich op aarde of in het hiernamaals tot zuivere Gods- en naastenliefde lieten louteren, geraken in een steeds nieuwe en geluk­kig makende werkelijkheid. Hun geestelijk zien en innerlijke kracht nemen toe in de drie opeenvolgende hemelen, in overeenstemming met de zuiverheid en sterkte van hun liefde. De eindeloze opklimming in gelukzaligheid van de voleindigde wezens bestaat uit een steeds die­per erkennen van God, een steeds grotere liefde tot Hem en al Zijn schepselen, alsook in een steeds intensiever medewerken aan het ver­heven werk der schepping als de openbaring van alle zijn en leven. De­ze korte aanduidingen laten al zien dat bij Lorber sprake is van een omvangrijke geestelijke religie, logisch opgebouwd volgens een vastomlijnd plan. Ze brengt ons een verheven levensleer van de zui­verste liefde en grootste daadkracht, waarvan de Godheid, de Vader in Jezus, de grondslag vormt. De volle rijkdom en veelzijdigheid van de leer maakt zich evenwel pas dan kenbaar, als men de Lorberwerken

grondig bestudeert. Ze bieden juist datgene, waarnaar de hoogste geesten van onze generatie diep en ernstig streven: een synthese te vin­den tussen de Heilandsleer van de Bijbel en de ontwikkelingsgedachte der wetenschap. Dat leidt tot een overeenstemmend, aan geen confessie gebonden Christendom, dat door zijn karakter van liefde en de diepte van zijn erkenning alle mensen tot een edelgezinde geestes - en levensgemeenschap vermag te verenigen.