Water

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer]:  Water is het oudste symbool van de deemoedigheid. Alles kan er uit gemaakt worden. Water is dienstbaar aan alles en het zoekt steeds de laagste punten op Aarde en het ontvlucht de hoogten. Zie verder ook onder wedergeboorte. Als je de gave van God kent en Wie Hij is die tot je zegt: ‘Geef Mij te drinken’, dan zou je aan Hem gevraagd hebben en Hij zou je levend water te drinken geven’. Volgens Johannes 4:10. Jezus verklaart hier dat je dan voor Hem zou neervallen en Hem smeken om het echte water. Hij zou je levend water te drinken geven. De Heer zei verder: ‘Wie gelooft wat Ik tegen hem zeg, uit diens lichaam zullen stromen van hetzelfde levende water stromen, zoals geschreven staat in Jesaja 44:3 en Joel 3:1.

 

De Samaritaanse vrouw uit Sichar vraagt, waar de Heer dan het levende water vandaan haalt (vs. 4). In dit vers zegt de vrouw ook, dat het de put is van hun oervader Jacob en zijn zonen, die daaruit gedronken hebben. In vs. 13 zegt Jezus, dat een ieder, die van het water uit deze bron drinkt, na een poosje weer dorst zal hebben. De Heer wilde haar levensdorst voor eeuwig lessen. Zijn woord en Zijn leer is dat water. In vs. 14: wie echter het water drinken zal, dat Ik hem zal geven, zal eeuwig geen dorst meer hebben; want het water dat Ik hem zal geven, zal in hem een bron van water worden, dat springt tot in het eeuwige leven. Wie het natuurlijke water uit deze of uit welke bron dan ook drinkt, die heeft al gauw weer dorst. Wie echter het geestelijke water (Zijn leer) drinkt (gelovig in zijn hart opneemt), dat de Heer alleen maar geven kan, die heeft in eeuwigheid geen dorst meer.

 

Want het water, dat Hij iemand geeft wordt in hem een waterbron, waarvan het water opwelt tot in het eeuwige leven. De deemoed van de Her is Zijn levende water; wie dus niet net zo deemoedig wordt als de Heer, zal geen deel hebben aan het Rijk van God. Het aangeboden levenswater is ook de enige echte kennis van God en van het eeuwige leven uit God; het welt zo uit God, het leven van alle leven, in de mens op als het eeuwige leven. Daar wordt het een nooit opdrogende bron van eeuwig blijvend leven, dat weer in het leven van God terugstroomt en in God dit zelfde vrije leven bewerkstelligt. In Johannes 4:15 vraagt de vrouw Jezus Hem haar dat water te geven, opdat zij nooit dorst heeft en ook nooit meer hoeft te putten. (GJE 1-26)

www.zelfbeschouwing.info