Waarzeggerij en tovenarij

 

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer]:  IK zeg: "Heel goed, Mijn beste vriend! Maar Ik vraag je alleen dit, dat zowel jij als ieder die hiervan nu weet, het voor zich zou willen houden. Want zoiets is niet voor iedereen heilzaam als hij het zou weten, daar alle Egyptische en Perzische tovenaars niet zelden in verbinding staan met de geesten en kobolden en met hun hulp allerlei toverkunsten doen. Al dat soort toverij is een gruwel voor God, en wie deze uitoefent, voorwaar, die zal niet gemakkelijk in het rijk van God komen! Zulke tovenaars beletten de bovengenoemde geesten de ingang tot het vlees, en als zij sterven, worden zij de gevangenen van zulke onrijpe zielen en kunnen zeer moeilijk bevrijd worden, omdat ze voortdurend iets van de geaardheid van de onrijpe, naakte natuurzielen in zich opnemen. Ik zeg jullie: Een tovenaar zij vervloekt! Want men heeft nog nooit meegemaakt, dat een echte tovenaar met zijn toverij, ook maar ten halve, een goed doel gediend zou hebben! Overal druipt er duimendik de grofste heb­- en winzucht vanaf, en ook de brutaalste heerszucht, en zulke geesten moeten in de diepste hel hun deemoedigende loon krijgen!"

 

FAUSTUS merkt op: "Heer, Heer, dan zal het er voor de vele tovenaars en waarzeggers in het grote Romeinse rijk slecht uitzien! Want dit soort mensen staat juist in Rome in een soort goddelijk aanzien en kan met één woord zowel de wil van de keizer, als die van iedere nog zo grote en dappere held verlammen, -daarentegen ook wel zo stimuleren dat de bergen moeten beven voor hun moed!" IK zeg: "Ja, vriend, deze zich als halve goden gedragende mensen zal het eens niet zo goed vergaan, want zij weten dat zij de niet in hun kunst ingewijden schandelijk bedriegen en hen door zulke bedriegerijen vaak tot allerlei gruwelijkheden verleiden. Daarom kan het zulke boos­wichten ook nooit goed vergaan, want zij verkopen niets voor veel geld en zijn de echte verwekkers van talloze gruwelen en zonden, tot verderf van de mensen!” VERSCHEIDENEN zeggen: "Maar als zij zich zouden verbeteren, kunnen zij dan ook niet zalig worden?"

 

IK zeg: "Ja, ja, als zij zich zouden verbeteren dan kunnen ze ook zalig worden, maar het is nu juist zo droevig, dat zulke mensen zich het minst willen verbeteren! Moordenaars, rovers, dieven, hoeren en echtbrekers kun je bekeren, en een keizer, een koning kan makkelijk zijn kroon afzetten, maar een tovenaar laat zijn toverstok niet los! Want zijn onzichtbare gezellen laten dat niet toe, en zij zijn hem altijd de baas als hij zich van hen zou willen losmaken. Daarom zeg Ik nog eens: De kwade toverij is vervloekt, want door haar kwamen alle zonden in de slechte wereld! Wie wonderen wil doen, moet daarvoor de innerlijke kracht uit God hebben, en dan moet hij slechts dáár een wonder doen, waar het noodzakelijk is!. Wie echter namaakwonderen doet en door allerlei spreuken en tekens als waarzegger optreedt, die behoeft niet meer verdoemd te worden, want hij is door zijn eigen wil al geheel en al verdoemd. Wacht je daarom allemaal zowel voor de kwade toverij als voor de waarzeggerij, want dat alles is zeer kwalijk voor de menselijke geest!" GJE2-65 [6-13]

www.zelfbeschouwing.info