Vrije wil van de mens

 

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer]: Omdat ik de vrije wil van de mens moet eerbiedigen, zonder welke de mens een dier zou zijn. Dat God terwille van de vrije wil van de mensen wel alles kan weten wat Hij wil, maar als het de mens in zijn vrijheid van handelen zou belemmeren, dan wil Hij het niet weten en dan weet Hij het ook niet! bron: GJE1-129 - Slechts datgene, wat een mens uit vrije wil volgens zijn vrije - en daardoor goede inzicht doet, is werkelijk gedaan en brengt op de een of andere wijze voordeel; maar ieder gedwon­gen werk en iedere gedwongen handeling is geen stater waard. Want alles wat gedwongen is, gaat altijd met toorn en wraak tegen de gebieder gepaard, en dat geeft in der eeuwigheid aan geen enkel werk enige zegen. Want in de zonde volharden betekent: ook een dier worden, dat alleen nog vanwege een verkeerde instinctmatige motivatie een morsig bestaan leidt-; maar als er sprake is van een zondaar, die uit zichzelf erkent dat hij ten onrechte tegen de voorschriften gehandeld heeft, en zich op basis van de geconstateerde orde van God een nieuw doel stelt, een mens wordt, die alle levenslessen heeft geleerd.

 

Het blijkt dat God, die de mensen een aan Hem gelijke geest gaf, de mensen heus niet heeft geschapen om dieren te worden, maar om een volledig vrij, aan God gelijk te worden. bron: GJE2-27 – [1] Kijk, zegt de Heer tegen Cyrenius, jij bent verantwoordelijk voor alle wetten, alle macht en alle gezag van Rome in geheel Azië en een deel van Afrika en toch bepaalt hier Mijn wil of de misdadigers veroordeeld of vrijgelaten worden en tegen Mijn wil kun je niets doen. Want je wil doet voortaan dat wat je verstand, het licht van de ogen van je ziel, slechts als waar en goed ziet. Want het dier staat op een dusdanige trap dat een dwang die in zijn aard is ingeprent, geen verdere morele schade kan veroorzaken aan zijn ziel, omdat de ziel van een dier nog lang niet toe is een vrije morele wet. Maar de ziel van de vrije mens zou door een innerlijke, mechanische dwang in haar wezen zeer grote schade lijden, omdat het onder het oordeel staande dierlijke geheel in tegenstelling tot haar vrije zedelijke natuur zou zijn. GJE3-17-4

 

Op dit ogenblik wil Ik je al wel zeggen, dat God ter wille van de vrije wil van de mensen, wel alles kán weten wat Hij wil, maar als het de mens in zijn vrijheid van handelen zou belemmeren, dan wil Hij het niet weten, en dan weet Hij het ook niet! Is dat duidelijk?! (tegen de schrijver Mattheus) GJE1-92 [11] - Ik zeg: 'Wie gelijk heeft, gelooft ook, dat het waar is. Bewijzen jullie Mij echter de vriendendienst, dat jullie allen die dit gehoord en gezien hebben, voorlopig daarover zwijgen en niemand iets daarover zeggen; want jullie weten hoe slecht de wereld is!' - Zij beloofden Mij dat ze dit alles strikt voor zich zouden houden. Ze zwegen wel de paar dagen dat Ik met Mijn leerlingen in het huis van de overste verbleef. Toen Ik daar echter wegging, werd dit voorval snel bekend in heel Galiléa. (Matth. 9:26) Dat had Ik wel kunnen verhinderen, als Ik de vrijheid van wil van de mensen beperkt zou hebben, wat zeer weinig moeite voor Mij geweest zou zijn; maar omdat Ik de vrije wil van de mens eerbiedigen moet, zonder welke de mens een dier zou zijn, moest Ik zonder meer toelaten dat Mijn ordening verbroken werd, wat de zaak geen goed deed. GJE1-129 [10,11]

 

Maar omdat de diepste grond van het leven van God volkomen vrij is en ook moet zijn, omdat het anders in feite geen leven is, en dit net zo geldt voor het geschapen wezen en diens leven, omdat het anders ook geen leven en dus geen 'bestaan' zou zijn, ligt het voor de hand, dat aan het geschapen wezen, de mens, slechts een volkomen vrij leven gegeven kon worden. Het moet dat leven voelen als iets, dat op zichzelf volmaakt is, maar juist vanwege dit gevoel moet het ook vaststellen, dat zijn leven niet uit zichzelf, maar uit God is ontstaan, en door Zijn eeuwige almachtige wil, volledig aan Hem gelijk geschapen is. Dit besef moest in alle geschapen wezens aanwezig zijn, net zoals het besef dat hun leven en bestaan volledig aan dat van God gelijk moet zijn, omdat zij anders noch een leven, noch het een of andere bestaan zouden hebben. (bron: GJE1-1:14,15)

www.zelfbeschouwing.info