Voormensen (pro-adamieten)

 

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer]: In het boek van ‘Hemelse Gaven’ zegt de Heer via Lorber: ‘Zie, ook de Joden zijn eens als het verlichtende volk van de Aarde geweest. Mozes heeft hen alles verklaard door de mond van zijn broer Aaron en de twee extra boeken [6e en 7e boek van Mozes]. Nu weten ze niets meer over deze oerdingen van het Universum.’ Vuur, overstromingen, kleine en grote stormen moeten juist nog nodig zijn. Als de Aarde in de oertijd – in de eerste periode bevrucht werd, zijn daar vele duizenden jaren overheen gegaan. In de oertijd bestond er op onze Aarde nog geen seizoenen zoals lente, zomer, herfst, en winter en als deze er al waren, dan duurden zij veel korter dan de huidige. De tweede Aardeperiode duurde weer een voor ons niet uitspreekbare tijd van ongekende Aardejaren. Toen was de Aarde nog lang niet geschikt om dieren of lagere [dierlijke] mensen te dragen.

 

In de vijfde periode had het vaste land zich al gevormd en kwamen er regelmatige overstromingen van de grote zeeën gedurende vele duizenden aardse jaren. In deze periode zien we al een grote hoeveelheid van vruchtbomen en andere vruchtgroeisels voor de dieren en voor de toenmalige voormensen, ook wel de pro-adamieten genoemd. Maar van een akkerbouw was er nog geen sprake. Wel echter gebruikten de voormensen al zekere huiden van dieren en leidden een ruw Nomadenleven. Ze droegen geen gewaad of echte kleding en bouwden ook geen huizen of hutten; maar op de dikke takken van de bomen richtten zij hun vaste woon- en rustplaatsen in, zoals bij de vogels het geval, en regelden voor zichzelf voorraden van voedingsmiddelen, die zij geleidelijk opmaakten. Was hun voorraad eenmaal verbruikt, gingen ze weer groepsgewijs opnieuw op jacht naar voeding.

 

Als het koud werd, omdat het in die voortijd ook nog behoorlijk sneeuwde, trokken deze pro-adamieten [dierlijke mensen] gezamenlijk met hun huisdieren er op uit, zoals met de grote herten, mammoeten, koeien, geiten en schapen. Ook de olifant, de eenhoorn en allerlei soorten apen en vogels behoorden daartoe, vooral in warmere omgevingen. Tegen het einde van de grote wereldperiode verschenen later ook de ezel, de kameel, het paard en het varken; deze werden eveneens door de voormensen beheerd. De voormensen bezaten zoveel verstand, dat zij deze dieren gebruikten als lastdier, deels voor de jacht, deels ook door winning van melk. Van de wol maakten zij hun bedden.

 

Zij kenden geen menselijke spraak, wel articuleerden zij met bepaalde klanken met gebaren en daarmee communiceerden zij, ongeacht hun behoefte en schoten elkaar te hulp. Werd iemand ziek – vaak door hoge ouderdom, kenden zij nog wel kruiden, dat moest helpen. Vuur maken en de gebruikmaking ervan, was hen onbekend. Als ze gezien hadden hoe later de echte mensen – ‘de Adamieten’ dat deden, zouden ze dat zeker nagemaakt hebben. Na-apingsdrang was bij hen overheersend [en met een klein beetje vrije wil]. Hun intelligentie overtrof echter alle apen. Ze zouden ook talen kunnen leren, maar uit hen zou nooit een wijze spreektaal kunnen voortkomen. Als mensen waren ze reusachtig groot [evenals ook de bomen en takken!] en zij waren erg sterk. Ze hadden een gebit dat hen kon dienen als gereedschap.

www.zelfbeschouwing.info