De verwekking van de ziel

In de Nieuwe Openbaringen van Johannes – door de Heer persoonlijk – via Zijn schrijfknecht Jakob Lorber toegesproken, [150 jaar geleden!] wordt hierover het volgende medegedeeld:

 

[GEJ.04_120,15] ‘Wel heeft de vrouwelijke mens ook reeds een natuurlijke stof in zich; zodra de verwekking op de iedereen bekende wijze plaatsvindt, wordt ook een klompje daarvan bevrucht en geactiveerd, maar het wordt nadat het als een druif van een druiventros losgetrokken is; op een daarvoor bestemde plaats gebracht. Daarbij voegt zich dan een reeds rijpe ziel, die gedurende enige tijd deze levensdruif verzorgt tot de daarin aanwezige stof zich zo ver heeft ontwikkeld dat de zich steeds meer samenballende ziel in het nog vloeibare, losse embryo kan binnendringen, waarvoor de ziel ongeveer twee maanden tijd nodig heeft. Heeft zij het embryo in het moederlijf geheel in haar bezit, dan wordt het kind meteen voelbaar levend en groeit vervolgens ook snel tot normale grootte’.

 

[GEJ.04_120,16]Zolang de zenuwen van het lichamelijke kind nog niet helemaal gevormd en in werking getreden zijn, werkt de ziel zelfbewust heel ijverig door en richt het lichaam naar haar behoeften in; zijn de zenuwen echter allemaal gevormd en gaat hun zich steeds meer ontwikkelende geest geheel volgens de voorschrif­ten werken, dan gaat de ziel geleidelijk aan rusten en slaapt tenslotte in de omgeving van de nieren helemaal in. Zij weet nu niets van zichzelf en vegeteert slechts, zonder enige herinnering aan een vroegere, zuiver natuurlijke toestand. Pas enige maanden na de geboorte begint zij meer en meer te ontwaken, wat goed waargenomen kan worden aan het minder worden van de behoefte aan slaap; maar eer zij tot enig bewustzijn komt, is toch wel meer tijd nodig. Pas als een kind leert spreken, komt ook een echt bewustzijn in de ziel, echter zonder herinneringen aan vroeger; want die zou men bij de hogere, verdere ontwikke­ling van de ziel beslist niet kunnen gebruiken.’

 

Aarde en Maan, hfdst. 51:5 ‘Als deze vrucht ongeveer drie maanden lichamelijk levend in het moederlichaam heeft doorgebracht, wordt bij de nu rustig geworden ziel, wier hart een zekere soliditeit heeft bereikt, een eeuwige geest gelegd in dat hart van de ziel; dit gebeurt door de geest van een engel en die eeuwige geest krijgt een zevenvoudige omhulling.’

(7) Nadat de geest in het hart van de ziel is gelegd, welke handeling bij sommige kinderen vroeger, bij anderen weer later gebeurt, vaak ook drie dagen voor de geboorte, komt het lichaam sneller tot rijpheid en de geboorte kan plaats vinden.

 

[Hemelse Geschenken.03_40.06.17,03] ‘Zie, de mens is samengesteld uit een natuurmatig lichaam, dat te vergelijken is met een vat, en daar binnenin vormt zij zich d.m.v. diverse organen een levende ziel; want in het ontstaan door de verwekking wordt alleen het al-enige wezen van het lijf geconstrueerd. En in de zevende maand, wanneer het fysieke wezen organisch, ook wanneer nog niet geheel naar vorm, maar wel in alle delen wordt gevormd door het vegetatieve leven van de moeder, – dan eerst wordt in de omgeving van de maagholte een voor jullie niet waarneembare zwemmende van de verwekker [zaad]blaasjes, waarin de substantie van de ziel aanwezig is’….

  

[Hemelse Geschenken.02_47.06.10,16] ‘Het huwelijk is dus immers de eerste ordening, waarin de mensheid verwekt moet worden, omdat zij – elk in een hogere orde, in het begin in staat moet worden naar die orde leven!! Het huwelijk is een vrije vereniging tussen twee harten, twee zielen, twee geesten {plus en min, man en vrouw} uit welke eens de grote eenheid in Mij en met Mij Zelf moet voortvloeien als een einddoel van al het Zijn’.

 

[Sg.01_022,05] ‘Je zult je verder herinneren, dat Ik dan, om deze afgevallen geesten een weg naar de terugkeer voor te bereiden, Hij die de materiële wereld schiep, en ze vandaar dan in de materie in een vorm bekleedde en ze zo weer, ofschoon onvrijwillig, de school der deemoed of de ontkenning liet doormaken’.

 

Je zult je herinneren dat Ik in de ‘Haushaltung Gottes’ al zei, waar het gaat over de schepping van de geesten- en materiële wereld, dat in de eerste plaats de geesten werden geschapen, en uit en onder hen de grootste: ‘Satana’ ofwel ‘Lucifer’; dat deze laatste echter in plaats van lichtdrager, door samen met zijn metgezellen Mij afvallig te worden, drager en vertegenwoordiger van de duisternis is geworden.

Verder zul je je herinneren dat Ik vervolgens, om voor deze afgevallen geesten een weg tot terugkeer te banen, de materiële wereld schiep, ze daar inkleedde in materie en ze zo, hoewel tegen hun zin, uitnodigde de school van deemoed en verloochening door te maken. Op deze wijze werd, zoals je je zult herinneren, de weg aangegeven waarlangs geesten, te beginnen bij de hardste massa tot aan de mens, als laatste trede van de materiële schepping, zichzelf steeds meer kunnen louteren en omhoog stijgen. Je herinnert je echter ook dat in de mens, zoals je vermeldt, “drie dagen voor de geboorte een klein blaasje van de fijnste en meest solide zielssubstantie[1] zich om de eens slecht geworden geest sluit. In het binnenste daarvan heeft echter toch de eigenlijke godsvonk van liefde zelf zijn zetel, en deze laatste geeft dan de slechte geestvonk ten eerste de mogelijkheid om zich ten behoeve van het goede te ontwikkelen, en drijft hem ten tweede ook steeds hiertoe aan”.

Welnu, wanneer je over wat hiervoor gezegd is maar enigszins nadenkt, dan moet de vraag in je opkomen: wanneer die geest in dat blaasje er pas drie dagen voor de geboorte in wordt gelegd, wie ontwikkelt dan het lichaam van het kind tot dat moment? Wie zorgde er voor zijn inwendige, en wie voor zijn uiterlijke vorm en gesteldheid als mens, opdat toch tenminste de middelen allemaal al voorhanden zijn die ervoor nodig zijn om daaruit een mens naar Mijn zin te maken?’ …Zie verder in het hoogst actuele boek ‘Scheppingsgeheimen’, hfdst. 22

 

www.zelfbeschouwing.info  - bron: Jakob Lorber Bulletin Internationaal, december 2017 – maandelijks gratis tijdschrift voor de bewuste mens