Marcus de Romein en Agricola bezoeken het universum

 

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer]: ‘Allen lagen op de grond. Alleen Agricola zat op een bank en begon het volgende te zeggen: 'Dus die grote bol daar beneden is de Aarde en daar boven is de Maan als een kleinere bol en daar nog dieper onder de Aarde onmiskenbaar de Zon! O, dat is een wonderbaarlijke aanblik, en de schijnbaar lege ruimte is vol van wezens van mijn soort! Enigen zweven naar beneden naar de Aarde, en anderen zweven er weer vandaan. En, o, o, daar is de Maan-aarde al! Zij lijkt veel op onze Aarde, maar het ziet er allemaal zo doods en verlaten uit. Het zou me daar echt niet bevallen en het schijnt ook haar bewoners niet al te goed te bevallen, want ze trekken allemaal erg bedroefde gezichten en zien er erg kwijnend uit.’

 

De engel zei: 'Dat zijn slechts bepaalde aardse zielen die daar in zekere zin losgemaakt worden van hun te grote liefde voor de wereld, opdat zij dan geschikt worden voor een hogere geestelijke vorming. Kijk, hier op de andere zijde van deze Aarde ziet het er al vrolijker en natuurlijker uit! Dat zijn de werkelijke bewoners van deze Maan-aarde.' Dat stelde de Romein gerust en hij bekeek alles met grote verbazing en verwondering. Vandaar ging het naar de Zon.’ (GJE 6-192)

 

Opmerking tussendoor: ‘De Heer zegt aan ieder persoonlijk, dat aan gene zijde in het rijk der geesten men luid van de daken verkondigen zal wat ieder op deze wereld nog zo ijverig tracht te verbergen; daarom is het beter om nog in deze wereld een klein gericht te doorstaan en zich een kleine verdeemoediging te laten welgevallen, dan aan gene zijde voor het oog van alle engelen van de hemel te schande te staan. Wie zich hier op deze Aarde als een beter mens wil voordoen dan hij in werkelijkheid is, bezit nog een huichelachtige geest; hiermee kan hij het rijk Gods nog niet echt binnenkomen. Wie echter ooit tegenover Hem wil bestaan, moet zich ook zo aan de wereld laten zien als hij is; dan zal hij ook in Zijn ogen en die van de engelen geen verder gericht meer hoeven door te maken, als hij zich in zijn doen en laten gebeterd heeft.(GJE 8-80)

 

‘Dat de mensen ook vreugde kunnen beleven aan de fraai getooide Aarde, heb Ik nooit verboden; als ze daarbij in hun hart maar altijd denken aan Degene die de Aarde zo mooi gemaakt en getooid heeft, want dat zal verheffend werken op hun hart en gemoed. Want wie de werken van God met de juiste ogen bekijkt, kan er ook wel met een zuivere vreugde van genieten. De vrienden van de mooie natuur van de Aarde zijn ook zeker betere mensen en zijn gemakkelijk rijp te maken voor Gods rijk. Maar de vrienden van de dode schatten der Aarde, de vrienden van haar Mammon, zijn moeilijk tot een beter licht te bekeren.

 

Dat is te zien bij de Farizeeën en vele andere rijke joden en bij de vele kooplieden, wisselaars en handelaren. Deze lieden het rijk Gods te verkondigen, zou hetzelfde zijn als de Moren wit te willen wassen. Dit soort mensen zijn als de zwijnen, die jullie nooit met de parels uit de hemelen moeten voeren. Want mensen van dit soort zullen na hun lichamelijke dood eerst hun doodzonden op de kale Maan moeten afwassen, en van het rijk Gods zullen ze steeds een behoorlijk eind verwijderd blijven; want ze zullen in het nieuwe Jeruzalem nooit binnengelaten worden. Mensen die gespeend zijn van iedere liefde voor God en voor hun naaste, zijn ook gespeend van het rijk Gods in zichzelf. Ze moeten dan ook in hun zwarte schijnlicht blijven!

 

De Maan zal hun woonplaats zijn, en alleen maar aan die kant die hij onveranderlijk en onwrikbaar naar de materie van deze Aarde toekeert. Wat Ik jullie hier nu gezegd heb is weliswaar iets nieuws, maar het is waar; we zullen daar bij een andere gelegenheid misschien nog een paar woorden aan wijden, hoewel het Mij geen genoegen doet om veel woorden te verspillen aan zwijnenstallen en kerkers voor dwazen. - Hebben jullie dat allemaal nu goed begrepen?' (GJE 8-78)

 

Hierop wendde de Heer Zich weer tot de Romein Marcus en vroeg hem of hij het ook begrepen had. Marcus zei: 'Nou en of ik het begrepen heb! Maar met mijn gedachten ben ik nog steeds bezig met de Maan, die in zekere zin een strafplaats is voor te wereldzuchtige wereldse mensen. U hebt ons beloofd, dat U ons daar nog iets over zult zeggen en uitleggen; daarom vragen wij U nu of U Uw belofte aan ons ook wilt nakomen.’ Ik zei: 'Dat zal Ik ook doen; want wat Ik beloof, gaat ook in vervulling, alleen moet daarvoor ook de juiste tijd komen. Kijk, het is nu nog dag omdat de zon nog niet ondergegaan is; laten we dus wachten tot het nacht wordt en de sterren de Aarde verlichten, dan kan Ik jullie zoiets beter uitleggen dan bij klaarlichte dag, als jullie blik nog teveel door aardse beelden vertroebeld is. (GJE 8-80)

 

(Opmerking: De Zon en de Maan hebben geen specifieke naam, wat wel het geval is bij de planeten Mars of Venus, enzovoort, die met een hoofdletter geschreven worden. Een planeet kan één of meerdere Manen hebben. Gemakshalve schrijven we hier Zon en Maan wel met een hoofdletter. De benaming van een planeet is al een speciaal iets. Als we aarde of grond bewerken dan schrijven we ‘aarde’ dus nooit groot, maar zelfstandige planeten wel. Dit wordt echter abusievelijk – in de meeste literatuur – nooit gedaan.  De Maan staat voor het vrouwelijk symbool, temeer  omdat  de vrouw en niet  de man haar  Maanstonden kent. Het Maanritme van 28 dagen is verdeeld in tweemaal veertien dagen! Het boek ‘Aarde en Maan’ is vanuit de Duitse taal vertaald. De vertaler of vertaalster zou evengoed de vrouwelijke vorm van ’haar of ‘zij’ gebruikt kunnen hebben. In de Franse taal is Maan (La Luna) en daarom ook vrouwelijk. Het Frans komt uit het Latijn en dus een oorspronkelijk woord.) Veel is ontleend uit het boek ‘Aarde en Maan’ door de schrijver Jakob Lorber.

 
Hoe Robert Bloem de Maan zag

Ook van Robert Blum wordt beschreven hoe hij de Maan bekeek als een zwarte planeet.  De Heer zegt tegen hem: 'Kijk, dat is de Zon met haar eigenlijke bewoners. De iets donkere zijn nog in de materie; de lichtere daarentegen zijn geesten, die eveneens in de zon huizen. Later zul je alles volkomen leren kennen, nu zou het nog wat te vroeg zijn. We hebben nu gezien wat de tweede deur verborgen houdt. Laten we ons daarom naar de derde deur in deze noordelijke wand begeven!' We gaan het vertrek weer binnen en dan naar de derde, reeds openstaande deur. Staande op het balkon van deze deur, zien we vlak bij dit derde uitzichtbalkon een natuurlijk verlichte wereld. Vanaf hier kan men, net als eerder bij de Zon, maar een kleine landstrook in één keer overzien. Robert vraagt meteen wat dat eigenlijk voor een wereld is; misschien een donkerder gedeelte van de zonnewereld?

 

Ik zeg: 'O nee, dat is de Maan van de Aarde. Kijk eens naar haar duistere land en daar iets verder weg naar een kleine groep dwergachtige, menselijke wezens! Dat zijn de eigenlijke bewoners van de Maanzijde, die steeds van de Aarde afgekeerd is. Hun grootste lust zijn hun vrouwtjes, die ze uit pure liefde en tederheid meestal op hun schouders ronddragen. Boven hen zien jullie heel montere geesten rondzweven. Dat zijn de zielen van gestorven Maanmensjes. Het is hun een vreugde om voor hun nog sterfelijke broeders goed te zijn en hen voor allerlei gevaren te behoeden. Hun aandacht is er hoofdzakelijk op gericht, dat de zeer materiële geesten, die de kale zijde van de Maan, die steeds naar de Aarde toegekeerd is, bewonen, niet bij de bewoners van de begroeide kant van de Maan kunnen komen, omdat ze deze in hun huis, dat uit een ondergronds hol bestaat, aanzienlijke schade zouden kunnen toebren­gen. (Opmerking: Volgens Lorber lijken de (hoge) bergen op de Maan als een kaal berglandschap van Afrika, in het midden van het grote land Ahala. (Afrika) Wellicht een link naar het daar bekende ´Maangebergte´ in Afrika.) (HGt 1-18) 

 

Voorlopig weten jullie genoeg over de inrichting van dit kleine hemellichaam. Langs de weg van jullie toekomstige bezigheden zullen jullie alles door en door leren kennen. Daarom willen we ons ook niet langer bezighouden met het beschouwen van deze kleine wereld, maar ons direct naar de eerste deur van de avondlijke, westelijke wand begeven en van daar weer opnieuw de buitenwereld beschouwen.' Zie ook: (Hemel en Hel 1 – Swedenborg 2-295)   Aarde en Maan – Jakob Lorber

www.zelfbeschouwing.info