Tijdperk van de techniek

 

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer]: (DE HEER:) 'Er zal tenslotte een tijd komen dat de mensen erg knap en handig in alle dingen zullen worden, en allerlei machines zullen bouwen die alle menselijke arbeid zullen verrichten als levende, met verstand begaafde mensen en dieren; daardoor zullen echter vele mensenhanden werkeloos worden, en de maag van de arme, werkeloze mensen zal veel honger kennen. De ellende van de mensen zal dan een ongelooflijke hoogte bereiken. Dan zullen er weer mensen door Mij worden opgewekt, deze zullen meer dan tweehonderd jaar lang de waarheid van Mijn naam verkondigen. Degenen die hun woorden ter harte zullen nemen, zal het tot heil strekken, ofschoon hun aantal maar klein zal zijn!

 

En als het aantal zuivere en goede mensen zoals in de tijden van Noach sterk zal afnemen, dan zal de Aarde nogmaals geteisterd worden door een algemeen gericht, waarbij noch de mensen, noch de dieren, noch de planten gespaard worden. Dan zullen de mensen niets meer hebben aan hun vuur­ en dood spuwende wapens, niets aan hun vestingen en hun ijzeren wegen, waarop ze met de snelheid van een afgeschoten pijl zullen voortsnellen; want uit de lucht zal een vijand komen en allen vernietigen die steeds kwaad hebben gedaan. Dat zal werkelijk een tijd zijn van ware zuivering, zoals destijds in de tempel.

 

Wat Ik onlangs in Jeruzalem in de tempel met de geldwisselaars en duivenhandelaren heb gedaan, dat zal Ik dan op grote schaal doen op de gehele Aarde. Ik zal alle handelshuizen en geldwisselplaatsen vernietigen door de vijand, die Ik vanuit het verre luchtruim naar de Aarde zal zenden als een bliksemschicht met veel geraas en gekraak. Waarlijk, daartegen zullen alle legers van de Aarde tevergeefs vechten; maar Mijn weinige vrienden zal de grote, onoverwinnelijke vijand geen leed aandoen, hij zal ze sparen voor een geheel nieuwe kweekplaats, waaruit nieuwe en betere mensen zullen voortkomen!

 

Begrijp dit goed! Denk vooral niet dat Ik dat allemaal zo wil hebben en dat het daarom al allemaal zo bepaald zou zijn! Dat alles zij verre van MIJ en jullie! Maar het zal zijn als vóór de tijd van Noach: de mensen zullen van hun omvangrijke wereldse kennis en hun verworven kundigheden een steeds slechter gebruik maken en geheel uit vrije wil allerlei gerichten uit de diepten van Mijn schepping over zichzelf en tenslotte over de gehele Aarde afroepen. Maar daar zeg ook Ik dan met jullie, Mijn achtenswaardige Romeinen: Volenti non fit iniuria!, dat betekent: ‘aan degene, die wil, geschiedt geen onrecht!’ Ja, de mensen die maat weten te houden en hun grenzen kennen, zullen alles hebben en zich allerlei gerieflijkheden voor het aardse leven verschaf­fen en hun handen sparen voor zware werkzaamheden, om zo des te meer tijd te verkrijgen voor de bewerking en veredeling van hun hart en ziel, en ze zullen allen op gelijke wijze gedurende hun hele leven vol vreugde zijn in Mijn naam; en onder hen zal niemand lijden en treuren, behalve iemand die moedwillig zondigt tegen iedere bestaande orde in Mijn naam!

 

Maar wanneer met de op natuurlijke wijze toenemende kundigheid van de mensen ook hun zelfzucht, hebzucht en heerszucht zal toenemen en gelijktijdig de verduistering van de gemoederen der mensen, dan kunnen de slechte gevolgen daarvan natuurlijk niet uitblijven! Want als jullie je voeten snel aldoor maar verder en verder verplaatsen, kan het gevolg van het snelle voorwaarts gaan niet uitblijven. En wie met het voorwaarts lopen aarzelt, moet ook aanvaarden dat hij zelfs door een slak ingehaald wordt. Van een hoogte naar beneden vallen veroorzaakt, zoals bekend, de dood van het lichaam; maar als iemand dat uit ervaring weet en dan toch van een grote hoogte in de diepte springt, - wat is dat dan? Zie, dat is blinde moedwil, en het kwade gevolg daarvan wordt niet veroorzaakt door Mijn wil, maar door de onveranderbare wet van Mijn eeuwige orde, die niet op een speciale plaats, en al helemaal niet in het algemeen opgeheven kan worden! Of denken jullie soms dat Ik het vuur zijn vernietigende hitte moet afnemen, opdat een dwaas die zich in het vuur stort geen schade zal lijden?! Of moet Ik het water de eigenschap ontnemen dat het water is waarin de mens spoedig stikt, als hij er ofwel door eigen onvoorzichtigheid, of door geweld van iemand anders of moedwillig invalt?!' bron: GJE 108-111, (Matth. hfdst.16) 

www.zelfbeschouwing.info