Tempel en tempelreiniging

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer]: Na Volgens Johannes 2:20-21 heeft de tempelbouw 46 jaar geduurd. De tempel stelt de mens voor, waarin ook het allerheiligste is. Dit mag nooit ontheiligd worden. (zie hogepriester of tempelreiniging) - Zes en veertig jaren had men voor het bouwen van deze tempel nodig en vele duizenden handen hebben daaraan gewerkt. Zijn discipelen herinnerden zich dat er geschreven staat: ĎDe ijver voor uw huis zal Mij verteren!í De toewijding voor Mijn huis zal Mij wel vernietigen, maar nu nog niet!í zei Jezus tegen Zijn leerlingen. (Adam heeft voluit de waarde 46!) - Op 800 meter hoogte lag de tempel van Ostracine. Het heeft vroeger gediend voor afschuwelijke schanddaden van de priesters! Het werd nog slechts over≠eind gehouden door een aantal boze geesten! Men zag een enorme zwerm zwarte vliegen uit de tempel wegvliegen, die een akelig stotend gezoem lieten horen, toen Jezus deze geesten deed verdwijnen. Deze tempel bestaat daarom niet meer. Het afval van de tempel, dat aanvankelijk voor een deel op de akker wordt gestort, moet uit elkaar gehaald en uitgestrooid worden en is dan nuttig voor de akker; zou men het echter op grote hopen bijeen laten, dan zou het waar het ligt, alles verstikken en voor de andere delen van de akker geen nut hebben.

 

Dit is de diepere gedachte in de evangelische tempelreiniging geschiedenis, waarom Ik het geld en de wisselaars alleen maar verstrooid en niet totaal vernietigd heb, wat Ik ook heel makkelijk had kunnen doen. Als de mens, die de tempel voorstelt, al onrein is, zoals een bezemvol vuil, hoe kan de bezem een vertrek dan nog schoonmaken? Dan moet pijnlijk ingegrepen worden door Hogerhand (bijvoorbeeld door ziekte of een vervelende lotmatigheid. (Zie verder zonde, tempel of hogepriester). Tempelvee dat wordt aangeboden is het laagste niveau van dierlijke zinnelijkheid en grote domheid en blindheid. De (eigen)liefde is gelijk aan die van een os, die niet de seksuele liefde bezit, maar liefde tot poliepachtige vleeslust. Wat betekenen dan vervolgens de wisselaars en hun geldzaken? Deze duiden in de mens op alles, wat er naar buiten komt uit de al geheel dierlijk geworden eigenliefde van de mens; want het dier houdt alleen van zichzelf en een wolf vreet, als hij honger heeft, zijn soortgenoten op. Deze 'wisselaars' ofwel deze dierlijke eigenliefde moet, zoals beschreven, ook met veel pijnlijk geweld uit de mens verdreven worden, en alles wat deze liefde in leven houdt moet omvergegooid en verstrooid worden! Ja, waarom dan niet geheel vernietigd? Omdat ook deze liefde haar vrijheid moet behouden; want het edele zaad of de tarwekorrel zal het best opkomen in een akker, die goed bemest is met dierlijk afval, en zal daar een rijke oogst geven. Zou men echter de mest weghalen van de akker om deze zo geheel van afval te zuiveren, dan zou daardoor de edele tarwekorrel maar slecht groeien en zeker een heel slechte oogst opleveren.

 

De 'verkopers' en 'kopers' verpersoonlijken de lage onreine hartstochten van de mens; het ten verkoop aangeboden vee duidt op de onderste trede van de dierlijke zinnelijkheid en tevens op de daardoor opgeroepen grote domheid en blindheid van de ziel, wiens liefde gelijk is aan die van een os, die zelfs niets weet van de zinnelijke voortplanting ‑ en geslachtelijke liefde, maar die alleen maar de grofste poliepachtige liefde beleeft aan het vreten, en wiens begrip gelijk is aan het bekende vermogen tot begrijpen, dat schapen hebben! De duif wordt vaak als postduif gebruikt in liefdesaangelegenheden met uiterlijke boodschappen. Daarom mag het uiterlijke (de schors) nooit in het merg (binnenste van de tempel) van een boom bevinden, als iemand de merg weghaalt uit de boom en daarvoor de schors in de plaats Ė dan gaat de boom dood, waardoor ook de tempel stierf. De duivenverkopers in de tempel slaat op de uiterlijke deugd, ceremoniŽn, fatsoen, hoffelijkheid, etc. dus wereldse omgangsvormen.

 

Over de tempel de vraag van Cornelius, antwoord de Heer: Nu, dat plezier kan Ik hen nog wel een keer bezorgen; maar daarna, daar kunt u van overtuigd zijn, zal er geen wisselaar en geen verkoper meer in de tempel zijn zaken beginnen! Bij Mijn laatste intocht in Jeruzalem zal Ik de tempel nog een keer net zo moeten reinigen als Ik haar laatst gereinigd heb.De tempelverkoper verpersoonlijkt de lage onreine hartstochten. De duivenverkopers in het binnenste van de tempelmoeten ook naar buiten en naar hun oude oorspronkelijke plaatsen terug. Dit slaat op de uiterlijke deugden, zoals die te vinden zijn in allerlei ceremoniŽn, fatsoen, hoffelijkheid, complimenteusheid, enz., die betrekking hebben op de puur wereldse omgangsvormen en die de blindheid van de mensen verheffen tot een innerlijke levensve≠rvulling, en waarin men probeert het echte leven van de mens te laten wortelen. De tempel stelt de mens voor in zijn natuurlijke wereldse omgeving. Net als in de tempel bevindt zich in de mens een allerheiligste. Zoals dat allerheiligste maakt dat de rest van de tempel geheiligd en zuiver gehouden moet worden, zo moet bij de mens het geheel geheiligd en zuiver zijn, wil het allerheiligste in hem niet ontheiligd worden.

 

Het allerheiligste van de tempel bevindt zich achter een dik voor≠hangsel, en het mag slechts op bepaalde tijden alleen door een hogepriester betreden worden. Maar noch de voorhang, noch het maar zelden ge≠oorloofde bezoek behoeden het allerheiligste voor ontheiliging; want als iemand met zijn lichaam zondigt, verontreinigt hij niet alleen zijn lichaam, maar ook zijn ziel en daardoor ook zijn geest, die in ieder mens het innerlijke en allerheiligste symboliseert en dat ook in werkelijkheid is. Dit allerheiligste in de mens is, net als in de tempel, verborgen achter een dikke voorhang, en alleen de liefde tot God, die de ware hogepriester van God in iedere mens is, kan straffeloos de voorhang optillen en in dit allerheiligste komen. Als echter deze unieke hogepriester in de mens, zelf onrein wordt, omdat hij te veel waarde hecht aan onreine wereldse dingen en zich daarmee vereenzelvigd, hoe kan dan het allerheiligste heilig blijven bij een bezoek van zo'n onreine hogepriester? Als op deze manier zowel in de tempel als in de mens alles onrein geworden is, dan is reiniging door de mens niet meer mogelijk. Want als de bezem zelf vol vuil en viezigheid zit, hoe kun je hem dan gebruiken voor het schoonmaken van een vertrek?! In zo'n geval moet Ik dan jammer genoeg Zelf ingrijpen en met geweld de tempel reinigen, en wel door middel van allerlei pijnlijke ingrepen, zoals allerlei soorten ziektes en andere ogenschijnlijk onprettige voorvallen, die allemaal ten doel hebben de tempel te reinigen. Omdat Hij alleen weet hoe het innerlijk van de mens moet zijn, wil Hij daar blijvend kunnen wonen.

 

Ook moet na zo'n reiniging de mens zijn vrijheid behouden, omdat hij anders een ledige pop zou worden. Daarom mag de Heer zich nog niet toevertrouwen aan zo'n met geweld gereinigd mens, want Hij alleen weet wat nodig is voor een volledige vernieuwing van de innerlijke mens. Daarom gaat de reiniger weer uit de tempel en komt alleen maar, alsof het toevallig gebeurt, van buiten af naar het innerlijk van de mens. Hij gaat niet in op de eisen van de mens, dat Hij bij en in hem zou moeten blijven en hem zou moeten ondersteunen in de traagheid, integendeel, de mens moet geheel zelfstandig worden en daardoor een volmaakt mens worden. God liefhebben boven alles en je naaste als jezelf' is onuitsprekelijk meer is, dan voor de Heer van hemel en aarde tem≠pels van steen en hout bouwen? Als, zoals Salomo sprak, de hemelen en aarden al te klein zijn om de majesteit van God te bevatten, wat moet je dan met een armzalig stenen huis van gehouwen of gebakken stenen, terwijl immers de gehele aarde evenals de gehele oneindigheid door God is geschapen?!

 

Zolang er op Aarde mensen zullen wonen, zullen zij ook tempels bouwen, grote en kleine, en zij zullen daarin hun heil zoeken. Maar slechts weinigen zullen voor God een levende tempel in het hart bouwen, de enige plaats waar Hij waardig beleden, vereerd en aanbeden kan worden en ook moet worden, omdat dat alleen de voorwaarde is voor het eeuwige leven van de ziel! De duif is een dier, dat in de lucht thuis hoort, en dit dier werd in het Oosten vaak als postduif gebruikt, vooral in liefdeszaken. Bij de oude Egyptenaren was de duif in het hiŽroglyfenschrift reeds het teken voor tedere en sierlijke conversatie en ook in de tempel gebruikte men deze als het teken voor de uitwisseling van zulke gedachten. Het was ook een gebruikelijk en zoals hierboven aangegeven zinnebeeldig offerdier, dat meestal door jonge echtelieden bij de geboorte van het eerste kind geofferd werd als een teken, dat het nu afgelopen was met al die uiterlijke boodschapjes, complimentjes en ceremoniŽle versierinkjes, en dat ze nu de ware, inner≠lijke, leven gevende liefde beleefden.

 

Volgens de ordening der dingen behoort het buitenste aan de buitenkant; de bast mag zich nooit in het merg van een boom bevinden, omdat hij op zichzelf iets doods is, maar alles wat tot de bast behoort moet in de bast zitten. De bast is van groot nut voor de boom, als hij zich in de juiste hoeveelheid op zijn eigen plaats bevindt. Als iemand echter eerst het merg uit de boom haalt en daarna de bast ervoor in de plaats brengt, dan zal de boom verdorren en sterven. En daarom worden de duivenverkopers verwezen naar de plaats waar ze thuishoren, ten teken dat de mensen alle uiterlijke deugden niet tot iets geestelijks moeten verheffen, waardoor de edele mens verlaagd wordt tot een sprekende pop. Parallel daaraan moeten in ruimere zin alle uiterlijkheden, en in engere zin al de voorvechters van deze uiterlijkheden, die hun waren tot innerlijke levensbehoeften trachten te verheffen, door Mij, op een wat vriendelijker manier, uit en naar hun juiste plaats worden gestuurd. bron: GJE1‑[13-17],14 en 16[1-5],19, 88, 2-72 en jeugd van Jezus, hfdst.125

 

(Toen zeiden de Joden: 'Zes en veertig jaren had men voor het bouwen van deze tempel nodig, en u wilt dat in drie dagen alleen doen? Want zij wisten niet, dat Hij over de tempel van Zijn lichaam sprak. Joh. 2:20-21 - GJE1-13 [2]

 

De reiniging veroorzaakte echter grote opschudding en de leerlingen waren heimelijk bang, dat de priesters ons als opruiers door de Romeinse wacht gevangen zouden laten nemen, en dat het vrijwel zeker was dat wij zeer vernederend ondervraagd en bestraft zouden worden, want er staat geschreven: 'De toorn over Uw huis heeft Mij vernietigd'. OPM. D.w.z. dat men Jezus hiervoor later heeft gekruisigd. (Toen Hij dan opgewekt was uit de doden, herinnerden Zijn discipelen zich, dat Hij dit gezegd had, en zij geloofden de Schrift en het woord, dat Hij gesproken had. Joh. 2:22)- GJE1-13 [15]

www.zelfbeschouwing.info††