Het sterfproces van de mens

 

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer]: Als de mens sterft, heeft hij tenminste nog twee dagen nodig om in het andere leven te komen, dat een voortzetting is van zijn vorig bestaan. [Hosea 6:2,3] Bij de mens zijn er altijd twee engelen bij het sterven aanwezig. De materialistisch ingestelde mens is een slaaf van zichzelf. Hij heeft vrees voor de wet en voor het verlies van zijn leven, van zijn rijkdom en zijn goede naam. Wanneer de Engelen waarnemen, dat hun gelaat wordt aangenomen [van de stervende!] dan weten zij, dat de mens gestorven is. De stervende krijgt terstond een lijkengeur, maar die wordt in de geestelijke wereld als aromatisch waargenomen, zodat boze geesten dit ruiken, en de stervende niet kunnen naderen.

 

De gedachten van de stervende op het laatste moment worden door de engelen vastgehouden. Van de levensbestanddelen kan niets achterblijven. De engelen doen alle bedrieglijkheden en valsheden in de mens te niet. Dan duurt het nog een tijd als die tijd gekomen is, dat de gestorvene aan de geestelijke engelen worden toevertrouwd. De twee engelen treden dan terug zodra de geestelijken in de hemel genaderd zijn. De mens is volgens Swedenborg zo geschapen, dat hij gedurende zijn leven op Aarde tevens in de hemel is. De eerste drie hoofdstukken van de Bijbel gaan in principe over de oudste kerk, die Mens wordt genoemd.

 

Onder naamgeving wordt op veel Bijbelse plaatsen nooit echt namen bedoelt, maar wel van welke aard deze zijn. In de hemel wordt ook nooit iemands naam geweten, wel van welke aard iemand is. Als men echter wist, hoeveel verborgenheden in elk kleinste vers ligt besloten, dan zou men versteld staan.

 

Swedenborg en Lorber hebben elkaar nooit gekend, want Swedenborg leefde 100 jaar eerder dan Jakob Lorber. Er kan dus nooit sprake zijn van wederzijdse invloed. Nagenoeg vertellen beiden hetzelfde, maar in andere woorden gegoten. Swedenborg: direct en confronterend, Lorber zacht en ook confronterend.

www.zelfbeschouwing.info