Schepper en schepsel

 

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer: SARAH (dochter van Jaïrus) zegt: "Heer dat begrijp ik echt niet! Hoe kan ik nu Uw bruid zijn? Kan Ik voor U dan hetzelfde worden, wat mijn moeder voor mijn vader is? U bent de Heer van hemel en aarde, en ik ben slechts een van Uw schepselen; hoe zou de laagste zich met de allerhoogste kunnen verbinden?" IK zeg: "Wel, dat gaat heel goed, en wel eenvoudig daarom, omdat het door jou gedachte laagste ook voortgekomen is uit het allerhoogste ‑en dus ook bij het allerhoogste hoort. Ik ben een levensboom, en jij bent zijn vrucht. De vrucht lijkt uiterlijk kleiner en onstandvastiger dan de boom; maar in haar midden rust een door de vrucht gevoed en gerijpt zaad, en in het zaad liggen weer bomen van dezelfde soort, in staat om zelf dezelfde vruchten te dragen met ook weer levende zaden, terwijl zij zelf uit één zo'n zaadje voortgekomen zijn.

 

Daaruit kun je dan ook heel eenvoudig concluderen dat het verschil tussen Schepper en schepsel in een bepaald opzicht niet zo bijzonder groot is als jij het je voorstelt; want het schepsel is geheel en al de wil van de Schepper, die beslist volkomen goed en waardig is. Als deze vrije wil, die van de Schepper is uitgegaan en Zijn beeld draagt, zelf in zijn vrije persoonlijke bestaan onderkent wat hij eigenlijk is, en daarnaar handelt, is hij aan zijn Schepper gelijk en in het klein volkomen gelijk aan wat de Schepper in het oneindig grote is. Onderkent de door de Schepper vrij gelaten deelwil echter niet wat hij is, dan houdt hij weliswaar niet op datgene te zijn wat hij is, maar hij kan de hoogste bestemming niet eerder bereiken, dan wanneer hij bij zichzelf ontdekt heeft wat hij eigenlijk is.

 

Om voor zulke vrij gelaten wilsdeeltjes, die 'mensen' heten, het zichzelf herkennen te vergemakkelijken, heeft de Schepper door alle tijden heen openbaringen, wetten en leringen vanuit de hemelen aan de mensen gegeven, en is nu zelfs lichamelijk Zelf naar de aarde gekomen, om de mensen te helpen bij het werk der zelfherkenning, en hen voor de toekomst meer licht te geven, opdat het hen minder moeite zou kosten dan tot nog toe. bron: GJE2‑40

 

Sarah, het dochtertje van Jaïrus is twee keer gestorven - en een derde keer hoefde zij niet meer te sterven en heeft de Heer haar aan het einde van haar aardse leven persoonlijk opgehaald. Er staat in GJE2-12: na vele jaren zal je tijd komen, en zal IK Zelf uit de hemel komen om je af te halen en je in Mijn rijk te brengen, dat nooit zal eindigen. Zij zag Mozes en alle heerlijke profeten in het hiernamaals. Zij leefden in vrede en verheugen zich op deze tijd, die zij de grote dag des Heren noemen. Zij bevond zich in een paradijselijke tuin en sprak heel gelukkig met gelijkgezinden. Zij zag geen enkele Farizeeër of Schriftgeleerde. Op de vraag waar deze dan waren, werd haar getoond een donkere poelomgeving waar nauwelijks licht was. Zij waren duivels.

 

Sara werd voor de tweede keer speciaal voor Borus opgewekt uit de dood, de beste en rijkste arts van Israël. Haar uiterlijk van 16 jaar zal tot in haar zeventigste levensjaar nog behouden zijn; zij zal op deze Aarde niet ouder worden. Borus, waarmee zij op aanraden van Jezus huwde, was toen al aardig over de dertig en Sarah telde pas zestien lentes. Maar het hart van Borus schijnt in dat opzicht nauwelijks haar aanvallige leeftijd bereikt te hebben. Borus was fors gebouwd. Dit huwelijk kan het gelukkigste op Aarde genoemd worden. Sarah maakte later zich de kunst van vroedvrouw eigen, op aanraden van de Heer. bron: GJE2-44

www.zelfbeschouwing.info