Scheiding tussen geest en natuur

 

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer]: Daarom maakte God een vaste scheiding tussen de beide wateren, die het symbool zijn van de tweeŽrlei kennis, en Hij splitste zo de beide wateren. Deze scheiding is de werkelijke hemel in het hart van de mens en wordt zichtbaar door een waar levend geloof, maar in der eeuwigheid nooit door onnuttige verstandelijke spitsvondigheden. Daarom noem Ik nu ook degene, die het sterkste en onwankelbaarste geloof heeft, een rots en plaats hem als een nieuwe scheidingsmuur tussen hemel en hel, en geen duistere macht der hel zal deze scheidingsmuur in eeuwigheid ooit kunnen overmeesteren. Als zo'n scheiding in de mens gemaakt wordt en het geloof sterker en sterker wordt, dan maakt dit geloof steeds duidelijker zichtbaar hoe onbeduidend het natuurlijk verstandelijke is. Het natuurlijke verstand aanvaardt dan het geloof als meerdere en zo groeit in de mens uit zijn avond en zijn steeds lichtere morgen de volgende dag, die reeds veel lichter is.

 

In deze situatie, die kenmerkend is voor de tweede dag, ziet de mens datgene al, wat alleen het ware is dat voor eeuwig moet blijven bestaan; maar echt ordelijk is het bij hem nog niet. De mens vermengt nog steeds het natuurlijke met het geestelijke, vergeestelijkt de natuur vaak te veel en ziet daardoor ook in de geest nog materiŽle dingen en komt met zichzelf nog niet in het reine over wat hij moet doen. Hij lijkt op een pure waterwereld, die aan alle kanten omringd is door lucht waar licht doorheen schijnt, en die uiteindelijk niet in staat is om te bepalen, of zijn waterwereld uit de met licht doorschoten lucht of uit de waterwereld ontstaan is. Hij realiseert zich nog niet duidelijk genoeg, of hij zijn geestelijke kennis uit zijn natuurlijke verstand heeft verkregen, of dat zijn natuurlijke verstand zich uit de in de mens verscholen, misschien al aanwezige, maar ook in het begin zeer geheim werkende geestelijke kennis, heeft ontwikkeld. Om het nog duidelijker te zeggen, hij weet niet of het geloof uit de kennis voortkomt of de kennis uit het geloof, en wat nu wel het verschil is tussen die twee.

 

Kortom, hij weet op dat moment nog niet, wat er eerder was, de kip of het ei, het zaadje of de boom. Dan komt God weer en helpt de mens verder, als deze uit de hem gegeven en dus eigen kracht genoeg gedaan heeft op deze tweede dag van zijn geestelijke leerschool. En die verdere hulp bestaat daarin, dat het licht in de mens versterkt wordt, waardoor het als een voorjaarszon, niet alleen door de grotere lichtsterkte maar door de juist daardoor veroorzaakte warmte, alle zaden die in het hart van de mens gelegd zijn begint te bevruchten. Die warmte heet liefde en is geestelijk tevens de bodem, waarin de: zaden gaan kiemen en hun wortels laten groeien. En zie, dat is de betekenis van wat in Mozes geschreven staat, dat God beveelt dat de wateren zich op bepaalde afgezonderde plaatsen moeten verzamelen, en dat daardoor de droge en vaste grond zichtbaar wordt die de zaden nodig hebben om uit te kunnen groeien tot levende en leven gevende vruchten!

 

En er staat geschreven: 'En God noemde het droge 'aarde' en het nu op bepaalde plaatsen verzamelde water 'zee'.' Een vraag is dan: 'Voor wie heeft God die namen bedacht?' ‑ Voor Zich Zelf zeker niet; want het zou toch wat al te lachwekkend zijn, te denken dat de hoogste goddelijke wijsheid er een speciaal plezier in zou hebben dat het haar, zoals dat bij mensen toegaat, gelukt was om het droge 'aarde' en het op bepaalde plaatsen afgezonderde water 'zee' te noemen. Deze namen kon God echter ook zeker niet voor iemand anders bedacht hebben, omdat er buiten Hem tijdens de schepping nog geen enkel wezen was dat Hem kon begrijpen!

 

Dit gezegde van Mozes heeft dus beslist geen materiŽle, maar slechts een geestelijke betekenis, en het grijpt alleen met geestelijke symbolen terug op de vroegere schepping der werelden, dus van het geestelijke naar het materiŽle, ‑ wat waarschijnlijk alleen de wijsheid van een engel doorgronden kan. Maar zoals het er staat heeft het slechts een zuiver geestelijke betekenis en laat weten, hoe eerst de enkele mens, en dan ook de hele mensheid, van tijd tot tijd en van periode tot periode wordt gevormd, van het oorspronkelijk noodzakelijke natuurlijke naar het steeds meer geestelijke. Zo worden zelfs afzonderlijke delen van de mens aangegeven. De kennis heeft een eigen plaats: de zee van de mens. En de als een vruchtbare bodem uit de kennis ontsproten liefde, wordt steeds door de zee, zijnde de totale kennis van het echte licht, omspoeld en gesterkt om steeds rijkelijker allerlei edele vruchten voort te brengen.' bron: GJE1-158-2-16

www.zelfbeschouwing.info