Samaria

 

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer]: Het te voet gaan van Samaria naar de zee van Tiberias (heuvel Marcus) duurde destijds bij nacht en ontij over de bergen na enige dagen – naar het land van Galilea. GJE3-40 - Dit stadje heeft gevaarlijke hoogten en het kan er zeer heet zijn. De velden van Sychar ligt vlakbij deze stad, dat eens Jacob aan zijn zoon Jozef gaf. Dat verklaart ook de bronnen van Jakob. (Johannes 4,5-6). In de omgeving van de berg Garizim hebben archeologen resten van een tempel gevonden, dat in Johannes 4, vs. 20, genoemd wordt. „De ontdekking van dit monumentale ruinen over Sichem, de hoofdstad van de Samaritanen, waren op hellenistische tijd gedateerd. De vertelling in het Grote Johannes Evangelie, hoofdstuk 4, verklaard hiermee een historische omgeving, welke de archeologie heeft bevestigd. Micha 1:5 en 6 profeteert over Samaria. De Samaritanen zijn nog de zuivere volgelingen van Mozes en de profeten. De Samaritanen spraken bijna doorlopend Romeins en ten dele ook Grieks, omdat ze zelfs in de taal iedere overeenkomst met de Joden wilden vermijden. GJE1-31:17 - De Samaritanen hebben hun afkomst van Manasse en Efraim, de zonen van Jozef – als Jezus de deurwachters van Sichem bereikte, ging hij aan de Jacobsbronnen zitten. De Samaritaanse vrouw van Sichar had een zeer ruim huis, hier en daar bouwvallig, maar veel schone vertrekken. Dit werd gerestaureerd. De Heer zei tegen haar in het bijzijn van de Samaritanen: O vrouw, groot is je geloof en lieflijk je hart; daarom zul je ook Mijn leerlinge zijn en blijven. En waar dit evangelie ook verkondigd zal worden, daar zul je in der eeuwigheid genoemd worden. (GJE 1-32-6)

 

Het was zelfs niet raadzaam rechtstreeks naar Galiléa te gaan, maar het was beter via Samaria te trekken, dat zich met behulp van de Romeinen allang van de priesters van de tempel had losgemaakt. In de ogen van de priesters te Jeruzalem waren de Samaritanen daarom dan ook het verachtelijkste en het godslasterlijkste volk der aarde. Daar stond tegenover dat de priesters uit Jeruzalem bij de Samaritanen zo'n aanzien hadden, dat zij gewoonlijk iemand met 'tempelpriester' aanduid­den, als deze persoon in hun ogen zeer slecht was. Als bijvoorbeeld een opgewonden Samaritaan zonder reden tegen iemand 'Jij Farizeeër' zei, dan bracht de uitgescholdene dit voor het gerecht en de belediger moest dan zijn onbezonnenheid vaak met een forse geldboete of een jarenlange gevangenisstraf bekopen. Het is dus wel te begrijpen dat het voor een Farizeeër of een soortgelijke priester niet geraden was ook maar een voet in Samaria te zetten. Dat kwam Mij, en allen die Mij volgden, goed van pas, want in Samaria waren we voor de kwade vervolging van de tempeljoden veilig. GJE1-25:8,9 - (En Hij moest door Samaria gaan. (Joh. 4:4)

 

Samaria werd gebouwd door Herodes in zijn 13e jaar, 23 v. Chr. – hun jaartelling wordt vanaf de herbouw gerekend. 2 penningen, die ter ere van 2 keizers geslagen zijn, beginnen vanaf het 730 of 729 jaar van Rome, dat is 24 v. Chr. Samaria onderhield ook de sabbatjaren en de jubeljaren tot in de 7e eeuw. Als 24 v. Chr. een jubeljaar was, dan was de volgende 50 jaar later, dus in 25-26 n. Chr.

www.zelfbeschouwing.info