Sabbatviering

 

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer]: De Heer zei: 'Beste vriend en broeder! Iedere dag die met goede daden gevuld wordt is een echte sabbat, en op iedere dag waarop men iets gedaan heeft wat beslist goed is, heeft men alleen al daardoor een echte sabbat gevierd. Daarom moet je op deze sabbat zoveel goeds doen als je maar kunt en wilt, en het zal je zeker niet als zonde aangerekend worden, behalve door de slechte wereldse dwazen, die zelfs de wind vervloeken als hij op sabbat waait, en dat ook doen met de regen en de scharen door de lucht vliegende vogels. Zulke dwazen moeten ons nooit dienen als een te volgen voorbeeld, maar alleen als een bovenal afschuwwekkend voorbeeld. want zij vervloeken het goede en willen dat hun slechte daden door de hele wereld hoog geroemd worden! Nu weet je wat je op iedere sabbat moet doen!

 

De sabbat is net zo dom en onzinnig als jullie hart en je houdt rekening met de sabbat, omdat het er in je hart nog erg sabbatachtig uitziet. Verban in de eerste plaats de sabbat uit jullie hart. Ons werk blijft iedere dag doorgaan; waar de Heer van de sabbat werkt, daar mogen Zijn knechten de handen niet in de zakken steken. Moet de zon op de sabbat niet net eender op- en ondergaan als op een werkdag? Als echter de Heer van de zon ook de sabbat zou vieren, zou je dan tevreden zijn met een stikdonkere sabbat? bron: GJE1-30, GJE1-240 [2]  Ik geef jullie nu een volkomen vrije kerk, waarbij geen om­heining nodig is dan voor ieder mens zelf het heel persoon­lijke hart, waarin de geest en de waarheid woont, en alleen daar wil God door de echte vereerders erkend en aanbeden worden. Ook mogen er geen voorschriften onder jullie zijn, en je moet je ook niet aan bepaalde dagen en tijden houden alsof er betere en slechtere zouden zijn, of alsof God bepaalde dagen vastgesteld zou hebben waarop Hij jullie gebeden aan zou horen en jullie offers aan zou nemen. Ik zeg jullie: Bij God zijn alle dagen gelijk, en onder al die dagen is dat de beste dag, waarop je echt iets goeds voor je naaste gedaan hebt! En zo zal in de toekomst de ware en God alleen welgevallige sabbat­dag alleen maar bepaald worden door jullie goede daad! Op de dag dat je goed doet, op die dag zal het ook de ware sabbat zijn die God meetelt; maar de gebruikelijke Joodse sabbat is een gruwel in Gods ogen! En als je al een zogenaamd Godshuis bouwen wilt, bouw dan zieken ¡en bejaardentehuizen voor jullie arme broeders en zusters; geef hen daarin alles wat ze nodig hebben, dan zul je op die manier de echte godsdienst uitoefenen waaraan de Vader in de hemel veel genoegen zal beleven. Aan die echte en enig ware godsdienst zal men kunnen zien, dat jullie werkelijk Mijn leerlingen zijn. bron: GJE1-202

 

Het is de beste heiliging van de sabbat, als je op die dag meer met al het goede bezig bent dan op een andere dag! Alleen de slavenarbeid, waarmee Ik het werken voor geld en werelds loon bedoel, moet je voortaan niet op een doordeweekse dag en evenmin op een sabbat verrichten! Want van nu af aan moet iedere dag voor jullie een sabbat, en iedere sabbat een volle werkdag zijn! Hiermee heb je nu, Mijn vriend, de algehele regel, die aangeeft hoe je God in de toekomst moet dienen! ‑ En daarbij blijft het!'  Ik zeg: 'Maar het is toch ook helemaal niet nodig, dat de sabbat geheel opgeheven wordt; alleen maar het dwaze van de sabbat! God de Heer heeft onze dienst en onze eer niet nodig, want Hij heeft de wereld en de mensen zonder enige vreemde hulp geschapen en verlangt van de mensen slechts, dat ze Hem erkennen en met al hun krachten zullen liefhebben, en dat niet alleen op de sabbat, maar dag in dag uit zonder onderbreking! Wat is dat dan voor godsdienst, als je alleen op de sabbat aan God denkt en gedurende de week nooit?! Is God dan niet iedere dag dezelfde onveranderlijke God? Laat Hij niet iedere dag, of het sabbat of werkdag is, Zijn zon opgaan en haar licht geven aan rechtvaardigen en onrecht¡vaardigen, waarvan er altijd veel meer zijn dan rechtvaardigen?

 

Werkt God niet Zelf dag in dag uit? Als de Heer Zichzelf echter geen rustdag gunt, waarom zullen de mensen zich dan rustdagen gunnen, alleen terwille van het niets doen? Want ze doen op hun sabbat niets zo precies als zorgen, dat er niets gedaan wordt! Daarmee bewijzen ze God echt wel de slechtste dienst! Want God wil, dat de mensen voortdurend en steeds frequenter er aan zullen wennen om de liefde te beoefenen om te zijner tijd in het andere leven tot alle werk en moeite in staat te zijn, en alleen daarin de ware en hoogste zaligheid te zoeken en te vinden! Zouden de mensen door niets doen in staat zijn, dat ooit in zich zelf te ontwikkelen?! Ik zeg je: Nooit of te nimmer! Tijdens de werkdag oefent de mens zich, ondanks dat hij werkt, alleen maar in de zelfzucht; want hij werkt dan voor zijn vlees en noemt dat het zijne, wat hij aan goederen en geld met werken verdient. Wie het verdiende van hem wil hebben, moet het van hem kopen, hetzij door arbeid of met geld, anders krijgt hij van niemand Iets van enige betekenis. Als de mensen nu op de werkdagen alleen voor hun zelfzucht zorgen en op de sabbat, de enige dag waarop ze zich in de werken der liefde moeten oefenen, tot de starste leegloperij gedwongen zijn, dan vraagt men zich in alle ernst af, wanneer de mensen zich dan wel in de echte godsdienst oefenen moeten of oefenen mogen, als je beseft, dat die dienst alleen maar bestaat uit het liefdevol helpen van je naaste! God neemt Zelf geen ogenblik rust, maar is altijd door voor de mensen bezig en nooit voor Zichzelf, want Hij heeft voor Zichzelf noch een aarde, noch een zon, een maan en al de sterren nodig en alles wat daarin is en daaruit voortkomt. Dat heeft God allemaal niet nodig; maar al de geschapen geesten en mensen hebben dat nodig, en de Heer is dus alleen voor hen, altijd maar door onafgebroken bezig.

 

Maar als de Heer, Wiens werk iedere dag gelijk is, al maar door voor de mensen bezig is, en wil dat de mensen als Zijn kinderen in alles aan Hem gelijk zullen zijn, hoe kan Hij dan ooit hebben gewild, dat de mensen na zes dagen van zelfzucht, Hem op de zevende dag heel welgevallig door starre leegloperij zouden dienen, en Hem, die altijd bezig is, eren door de traagheid?! Tegen jou, als opperpriester, zeg Ik dit nu in duidelijke taal, opdat je in het vervolg ‑goed wetend, wie Degene is, Die dit nu tegen je gezegd heeft ‑ aan je gemeente de sabbat in een beter licht zult laten zien dan het sedert Mozes tot op dit uur het geval was! Want net zoals Ik je nu onthulde wat de sabbat is, zo is het aan Mozes ook gezegd, maar het volk heeft dit maar al te snel veranderd in een heidense leegloperij, en het meende God een aangename dienst te bewijzen door het nietsdoen, en door diegene te bestraffen, die het bij tijden waagde om ook op de sabbat een klein werkje te doen, of een zieke een heilzame dienst te bewijzen. O wat een grote blindheid, o wat een zeer grove dwaasheid!' bron: GJE1‑50 [Volgens Josephus was er een sabbatjaar in 36-7= , dus ook in 29, 22, 15, 8, 1 of 0 en 7 v. Chr.]

 

Enkele buren, die sterk hechtten aan het behouden van de sabbat, merkten echter dat het personeel van de waard even druk bezig was als op een werkdag en daarom kwamen ze naar de waard toe en zeiden: je schijnt niet te weten dat het vandaag een nieuwe maanssabbat is. De waar zei: bemoeien jullie je met je eigen zaken; ik heb al voor die van mij gezorgd. Hier is het bewijs van ontheffing, dat ik tegen betaling van een offer van de overste heb gekocht, en jullie hoeven je om mij verder geen zorgen te maken. Na die woorden gingen de buren weer weg en het personeel wachtte op de karavaan, die al door het stadje trok. Toen die met haar kamelen en allerlei waren in haar geheel op de grote binnenplaats was aangekomen en de knechten van de waard voldoende voer voor de dieren hadden gehaald, kwam er een tolk, om de waard te zeggen, welke spijzen hij voor de gearriveerde handelslieden uit Perzië moest bereiden. Maar de waard zei: met wat in mijn vermogen ligt zal ik jullie zeker behulpzaam zijn. Maar jij hebt om enkele dranken en bijzondere spijzen gevraagd, die ik als Jood tot nu toe niet kende, en die dingen heb ik niet; maar vlees zoals wijd at eten, heel zuiver en smakelijk toebereid, kunnen jullie krijgen, fijn tarwebrood, honing, elke en kaas, alsook heel edele vissen uit het Meer van Galilea, dat hier niet ver vandaan ligt.

 

Op deze woorden ging de tolk weer terug naar zijn heren en deelde hun mee, waar ze in de ze herberg mee bediend konden worden; en zij waren daar tevreden mee. Spoedig daarna kwamen ze een tweede, grotere eetzaal binnen, waar de tafels en een voldoende aantal stoelen en banken al keurig in orde waren neergezet. Allen gingen meteen zitten en lieten zich direct brood, wijn en zout geven, wat dan ook zo snel mogelijk gebracht werd; en allen prezen de wijn en het brood en bekenden dat ze nog nooit zo’n goed brood hadden gegeven en zo’n fijne en smakelijke wijn hadden gedronken. De waard begreep aanvankelijk die eenstemmige lof van de vele Perzische handelslieden niet, en hij zei tegen Mij: Heer en Meester, er zijn wel vaker zulke karavanen uit het verre Morgenland hier aangekomen en die hebben alles wel goed en in orde bevonden; maar dat ze mijn brood en wijn zulke buitengewone lof toegezwaaid hebben als deze keer kan ik mij echt niet herinneren. Hebt U, o Heer en Meester, soms weer een nieuw teken gedaan?

 

Ik zei, terwijl Ik Mij intussen met de vier mensen uit India had beziggehouden en hen over veel dingen onderricht had: ga maar eens in je broodkamer en je wijnkelder kijken. Toen ging de waard kijken en trof in de broodkamer en ook in de wijnkelder een grote voorraad aan, en zijn vrouw vond ook zo’n voorraad in de provisiekamer en de grote visbewaarplaatsen; hij kwam weer terug, bedankte Mij van ganser harte en zei toen: Heer en Meester, wat voor verdienstelijks heb ik voor U gedaan, dat U mij nu al voor de tweede keer zo’n grote genade waardig hebt bevonden? Voor wie, zoals jij, tegenover vreemdelingen altijd goed, rechtvaardig, billijk en vol erbarmen handelt, de armen opneemt en zijn hart en deur voor niemand sluit, sluit ook Ik Mijn hart niet; en Mijn hart is de ware toegangspoort naar het hemelrijk, dat het eeuwige, zalige leven van de ziel is.

 

Jezus zei tegen Jaïrus: ‘nu blijf jij dan ook maar, en Ik zal in jouw plaats een van Mijn twee hier aanwezige boden naar Jeruzalem sturen; die zal met zo’n boodschap eerder klaar zijn dan wanneer jij zo’n bode naar Jeruzalem zou zenden. Maar vandaag niet meer, maar morgen op sabbat!’ Jaïrus zegt: ‘op de sabbat zal het in de tempel wel het minst gelegen komen, want de hogepriesters en opperpriester in de tempel zijn met niets zo streng als met het houden van de sabbat’. Ik zeg: laat maar! Zij vinden het houden van de sabbat daarom zo belangrijk, omdat daar noodzakelijkerwijs vanaf geweken wordt en moet worden, omdat ieder mens toch vaak genoodzaakt is om op de sabbat iets te doen. Zo krijgen de Farizeeën de meeste kansen om de overtreders van de sabbatsrust heel grove strafboetes op te leggen. Breng hen op de sabbat maar goud en zilver zoveel je wilt, dan zullen zij in de tempel de sabbat opheffen en vervolgens heel vergenoegd jouw goud en zilver aannemen. Daarom kun je over de sabbat voor wat betreft de tempel gerust zijn, Mijn bode ( Engel) zal het hem toevertrouwde karwei heel goed klaren! Denk je dan dat de Farizeeën het prettig zouden vinden als er niemand was, die door wat voord ringende noodzaak dan ook zo nu en dan de zogenaamde dag des Heren zou schenden? Oh, schei toch uit. Hoe meer schendingen van de sabbat vooral door de rijken begaan worden, des te meer lachen de tempelheren in hun vuistje.

 

Daarom nog eens: Heb daar maar helemaal geen zorgen over. Mijn bode zal morgen, nog wel tijdens het offeren, dat op iedere sabbat plaats vindt, uitstekend ontvangen worden. Want hij zal met een zware gouden gift de tempel binnengaan en zogezegd door de Farizeeën met de vriendelijkste gezichten en wijd geopende armen worden ontvangen; bovendien wachten toch al tien aspiranten op een betrekking als overste, waarvoor zij grote sommen bieden. En daarom zal hen, maar ook de tempeldienaars, een vrijkomende plaats buitengewoon goed uitkomen. De sabbat in de tempel zal tijdens de bekende ceremonie meteen onderbroken worden en de veiling van de baan van overste te Kapernaum zal direct beginnen, en van de terugkerende bode zul je zelfs de naam van je opvolger vernemen. Kijk, zo gaat het tegenwoordig in het Godshuis te Jeruzalem, ook wel de Godsstad genoemd, maar die nu op de keeper beschouwd de stad van de satan is. Omdat alle zaken nu goed geregeld zijn, gaan wij thans slapen, want morgens zal het voor ons vroeg dag zijn. Verdeeldheid in de synagoge. Nadat Ik dat gezegd heb gaat iedereen slapen, alleen Mijn broeders.

 

Goed en verkeerd sabbatvieren

De Heer zegt: Precies zoals het met het eten van het vlees van onreine dieren staat, zo staat het ook met de sabbat. Allereerst is iedere dag een dag des Heren en de ware mens moet iedere dag goed doen, niet alleen op de sabbat. En ten tweede staat er alleen maar geschreven dat men deze dag heiligen moet, en dan niet als het niet nodig is zware slavenarbeid (of gewoon werken – G.H) moet verrichten; maar dat men op de sabbat ook geen goede werken mag doen, daarvan staat in de hele Mozes geen enkel woord. Maar als de profeet zegt: zonder noodzaak en wettige toestemming zul je op de sabbat geen zwaar knechtenwerk verrichten, hoe komen jullie er dan bij dat Ik de sabbat schend als Ik op die dag een zieke kosteloos gezond maak? Jullie geven toch zelf op de sabbat voer aan de os en jullie brengen de ezel en het rund en de schapen (en wij de koeien – G.H) en varkens naar hun drinkplaats. En laten jullie ene os of ezel in een put verdrinken als deze er op een sabbat zou invallen? Maar als jullie dat al voor je huisdieren doen, waarom mag een mens dan niet op een sabbat geholpen worden? Is een mens niet meer waard dan een dier? O jullie blinde dwazen. Hoe ver hebben jullie je van de waarheid verwijderd. Ja, het is waar, wat er van jullie geschreven staat: zie, dit volk eert Mij met de lippen; maar zijn hart is verre van Mij.

 

Vertel eens: als er een mens bij jullie komt en zegt: ik heb het druk met mijn oogst en de tijd is gunstig. Als ik op de sabbat door mag gaan, offer ik de drievoudige tiende, een gemeste os en drie vette kalveren, dan schrijven jullie toch meteen een vrijbrief voor hem uit zodat hij daarmee ook voor de sabbat arbeiders kan huren. Is dat niet een grotere schending van de sabbat, dan wanneer men een zieke op een sabbat helpt. Op een sabbat mag je voor zonsondergang geen brood breken en ook niet eten; maar als jullie de hele dag door in je kamers – ook al is het een sabbat – zwelgen en smullen en anderen dat ook voor geld toestaan – maar niet aan een arme, omdat hij er niet voor betalen kan - , dan vraag Ik: is dat geen godslasterlijke schending van de sabbat? Verder vraag Ik: waarom hebben jullie dan gezegd dat het zesde en zevende boek van Mozes van Mozes van later datum is, om het zo samen met een profetisch aanhangsel (de canonieke boeken) te kunnen verwerpen?

 

Dat zou toch voor iedereen een lichtende leidraad geweest zijn, die hem duidelijk had laten zien hem in alle voorkomende gevallen te doen stond. In plaats daarvan kregen jullie een kabbala, die uit de Oud-Egyptische Horus stamt. Zowel deze als de oude Horus begrijpen jullie niet, en Mozes en de profeten, waarvoor jullie stenen gedenktekens opgericht hebben, en die jullie vaderen gestenigd hebben, willen jullie niet begrijpen, maar je leert het volk dat het samen met jullie deze Schriften alleen maar hoog moet vereren en aanbidden en dat dat voldoende is. Is dat niet een grotere schending van de sabbat, dan wanneer Ik een zieke op een sabbat gezond maak? Maar Ik ben die Ik ben, ook een Heer van de sabbat. En dus zeg Ik: dat wat jullie van de sabbat gemaakt hebben, schenkt Mij geen vreugde, en Ik doe ook op de sabbat wat Ik wil, zoals Ik ook op de sabbat – spreekt de Heer – de zon op- en onder laat gaan, en de rivieren laat stromen, de winden laat waaien en de grote stormen loslaat, end e maan en de sterren lang hun voorgeschreven banen laat gaan en het gras laat groeien en het zoete sap in de druif laat rijpen. Als dat alles echter in Mijn absolute macht ligt, moet Ik dan soms vragen wat ik op een sabbat mag doen? Spreek nu en geef een deugdelijk en verstandig antwoord.

 

De juiste heiliging van de sabbat

De Heer: maar alleen voor de kinderen kan de gemeente een eigen schoolgebouw oprichten en daar  HHhhhheen leraar of bij een grotere gemeente al naargelang de behoefte ook meer ervaren en deugdzame leraren aanstellen, die de jeugd het lezen van de Schrift en ook het rekenen, het zelf schrijven en nog meer nuttige kennis moeten bijbrengen. Als ze dat iedere dag gewetensvol en met redelijke vlijt en ijver gedaan hebben, hebben ook zij iedere dag de sabbat geheiligd; en de rabbi van de gemeente zal dat ook doen, wanneer hij zo’n school regelmatig bezoekt en leraren en leerlingen aanspoort tot vlijt en ijver en hun van tijd tot tijd in Mijn naam goede lessen geeft. Maar wat hij dan moet zeggen, daar zal door Mij wel voor gezorgd worden. Evenzo is het ook goed als een gevestigde gemeente naast het schoolgebouw voor de kinderen een vergadergebouw zet, waar ze van tijd tot tijd in Mijn naam bijeen kan komen. Maar in zo’n ruimte moet dan niet enkel en alleen de aangestelde rabbi het recht hebben om te spreken en te preken, maar ieder mannelijk gemeentelid, als hij daartoe door Mijn geest aangespoord wordt. Want in een dergelijk gebouw moet niet alleen over de Schrift en over de profeten en over Mij gepreekt worden, maar ook over andere dingen die bijdragen aan een diepere en ware kennis van God en de liefde tot God en de naaste tot leven wekken; en dan moet diegene spreken die door Mijn geest in hem daartoe aangespoord wordt, en zowel de gemeente als de rabbi moeten naar hem luisteren. Als zij dat doen, op wat voor dag ook, dan heiligt de sabbat ook in de ware zin van het woord.

 

Daarmee wil Ik echter niet zeggen dat jullie daarom de orde van de tijd en het tellen van de uren, de dagen, de weken, de maanden en de jaren helemaal buiten beschouwing moeten laten; dat kunnen en moeten jullie in ieder geval ook doen. Maar jullie moeten niet bepaalde dagen, omdat ze in de week of in de maand of in het jaar de zoveelste zijn en deze of gene naam dragen, voor beter en heiliger houden dan andere; want het getal en de naam zijn helemaal niet van belang, maar alleen het leven en handelen volgens de geopenbaarde wil van God. Want voor iemand die op een sabbat tegen zijn naaste gezondigd heeft, was die sabbat werkelijk geen sabbat. Maar voor iemand, die op een andere dag zijn naaste iets goeds gedaan heeft, was ook deze andere dag een volmaakte sabbat. Daarom moet voortaan onder Mijn ware navolgers alles volkomen vrij zijn, en niets kan een dag tot een ware sabbatdag verheffen anders dan enkel en alleen daden, die uit de ware en levende liefde tot God en de naaste voortkomen. Foei, wat een schande is zo’n domme menselijke regel die het tot een schending van de sabbat bestempelt als men een arme en verdrukte ook op de sabbat hulp verleent. Foei, een schande zijn zulke priesters die het volk leren dat God welbehagen zou hebben aan hun weerzinwekkende geschreeuw en aan hun offerceremonies, die alleen maar een gruwel zijn in Mijn ogen, zoals ze dat altijd waren. Daarom moet de sabbat nu eerst een ware werkdag worden en elke ceremonie dient te bestaan uit het zuivere handelen volgens Mijn woord; dat zal Ik altijd met welgevallen aanschouwen en Ik zal de ware sabbatheiligers ook met al Mijn genade en liefde belonen - .  Zo spreekt nu de Heer!

 

Maar degenen die de sabbat zullen heiligen op de manier zoals de tempeldienaren het nu doen en al sinds lange tijd hebben gedaan, en die de sabbat een bepaalde magische heiligende werking toeschrijven, evenals aan bepaalde feestdagen en dagen van nieuwe maan, die moeten door de vurige gloed van Mijn gerechtvaardigde toorn verteerd worden. Ook dat heeft de Heer nu gesproken, voor wie alle dagen, weken, maanden en jaren volkomen gelijk zijn. Hebben jullie nu begrepen hoe Mijn mening luidt, geldend voor alle tijden en eeuwigheden? Want waarlijk, waarlijk Ik zeg jullie: hemel en aarde, die jullie nu zien, zullen eenmaal vergaan; maar Mijn woorden zullen blijven in eeuwigheid. Dat is nu Mijn mening. Toen de Farizeeën dat van Mij hoorden, wisten ze niet wat ze van Mij daarop konden antwoorden; de Romeinen hadden echter heimelijk leedvermaak, omdat Ik door Mijn woorden ingestemd had met de opvatting van Marcus, maar buitengewoon ingrijpende veranderingen in de opvatting van de Schriftgeleerde aanraadde. De Farizeeën merkten dat echter en ergerden zich heimelijk, hoewel ze daar niets van lieten blijken.

 

Een Schriftgeleerde beroept zich op Mozes

Pas na een poos diep nadenken zei de Schriftgeleerde: Heer en meester, ik heb uw woorden nu zo goed mogelijk bij mijzelf overwogen en ben tot de conclusie gekomen, dat U volgens de principes van het menselijke verstand helemaal gelijk hebt, en volgens datgene wat u zonder enige twijfel bent, ook gelijk moet hebben; maar aangezien in U de eeuwige geest van Jehova woont, Uw hart Zijn troon is en Hij vanuit U spreekt en door Zijn almachtige wil handelt en de hele schepping in stand houdt en regeert, begrijp ik niet hoe Hij eens aan Mozes op de Sinaï de heiliging van de sabbat heeft opgedragen, heel streng door een eigen wet met daaraan toegevoegd de manier waarop de sabbat heeft opgedragen, heel streng door een eigen wet met daaraan toegevoegd de manier waarop de sabbat geheiligd moet worden? Hij, als Een en Dezelfde, zou destijds toch ook zo hebben kunnen spreken als U nu helder en wijs in ons bijzijn gesproken hebt, dan zou men nooit tot een werkeloze en ceremoniële heiliging van de sabbat zijn vervallen. Ja, het is zelfs bekend dat joden, die de sabbat door slaafse arbeid ontheiligd hebben, onmiskenbaar door God getuchtigd zijn. Waarom heeft God bij monde van Mozes dan alleen maar aanbevolen de sabbat te heiligen, en waarom heeft Hij dat niet zo aangegeven als U nu gedaan hebt? God is toch eeuwig onveranderlijk in Zijn raadsbesluiten en kan Zijn woorden niet veranderen.

 

Ik zei: nu heeft de Schriftgeleerde in jou gesproken; maar hij heeft met deze woorden ook duidelijk laten zien dat hij de Schrift nog nooit ook maar in het minst begrepen heeft – en het allerminst de boeken van Mozes. Destijds was het voor de in Egypte sterk ontaarde joden noodzakelijk dat hun een dag werd aanbevolen, waarop ze zouden rusten van het slaafse werk en naar Gods woord konden luisteren; want zonder zo’n gebod zouden ze net als voorheen, zoals ze daar in Egypte aan gewend waren geraakt, vast geen enkele dag rust hebben gekregen en er helemaal niet toe gekomen zijn om naar Gods woord te luisteren. Want het joodse volk was zinnelijk en dag en nacht waren ze alleen maar bezig om te kijken hoe ze zich middelen konden verschaffen om hun buik met vlees te vullen. Daarom gaf God destijds ten eerste om heel natuurlijke en ten tweede om geestelijke redenen een bepaalde dag om te rusten en om naar Gods woord te luisteren, en wel dezelfde dag als de aartsvaders tot rustdag gekozen hadden, namelijk de sabbat. Maar God heeft in Zijn sabbatswet niemand het gebod gegeven, dat hij op de sabbat aan niemand een noodzakelijke en goede dienst mag bewijzen. Pas door jullie is het Mozaïsche gebod door een dergelijk gebod vervangen en jullie lieten op de sabbat alleen maar iemand werken en een noodzakelijk en op zichzelf goed werk verrichten, als hij jullie daarvoor een flinke losprijs en andere kostbare offers had gebracht.

 

Maar als jij denkt dat God de eenmaal gegeven vorm van een in een bepaalde tijd noodzakelijke wet niet zou kunnen veranderen, omdat Hij in Zichzelf eeuwig onveranderlijk is, hoe hebben jullie je dan de vrijheid durven veroorloven om de Wet van Mozes zo erg naar jullie goeddunken en tot jullie eigen materieel voordeel te veranderen, dat jullie nu werkelijk ook geen jota meer in acht nemen van wat Mozes en de profeten geleerd en aanbevolen hebben? Als de wet van Mozes en zijn geschriften jullie zo heilig zijn, waarom hebben jullie dan later het zesde en zevende boek van Mozes (waaronder wellicht dus ook de canonieke boeken – G.H.) en het zuiver profetische aanhangsel als onecht verworpen en het vervangen door een ander werk, dat van mensen afkomstig is? Is de oude ark des verbonds niet een heiligdom van alle joden geweest? Maar toen reeds dertig jaar geleden vanwege jullie boze daden de kolom van rook en vuur verdween en de ark daar in het allerheiligste stond, verlaten door haar kracht, hebben jullie die in een kamertje opgeborgen en in de plaats daarvan een andere neergezet, waarin vanwege de vreemdelingen een natuurlijk vuur brandde en waaruit ook natuurlijk rook opsteeg. Waarom hebben jullie dat gedaan? Heeft Mozes daar misschien ook een wet voor gegeven waarin staat dat jullie zoiets mogen doen?

 

Ja, de profeten hebben wel voorspeld dat in de tijd die jullie nu meemaken de oude ark des verbonds voor de ogen van alle mensen in een nieuwe en levende veranderd zal worden; maar op de manier zoals jullie het eigenmachtig gedaan hebben, hebben de profeten het zeker nooit bedoeld. Want als jullie er door de profeten van overtuigd waren geweest dat dat dertig jaar geleden volgens de wil van God moest gebeuren, dan zouden jullie dat zeker in lange toespraken aan het volk verkondigd hebben en hun ook gezegd hebben dat ze grote offers moesten brengen; maar dat lieten jullie heel fijntjes en wijselijk achterwege, en tot op dit uur weet het volk niets van jullie eigenmachtige handelwijze. Maar als jullie weten dat de profeten met de nieuwe ark des verbonds Mij bedoeld hebben – waarom verkondigen jullie dat dan niet aan het volk en waarom vereren jullie in plaats van Mij het onbeduidende en dode werk van jullie handen? Jullie beroepen je voortdurend op Mozes en de profeten; maar als Ik jullie nu de juiste en enig ware betekenis en diepere geestelijke inhoud van de Schrift vertoon, hoe komt het dan dat juist jullie tempeldienaren in werkelijkheid de grootste loochenaars van God, Mozes en alle profeten zijn?


Mozes heeft om heel wijze redenen het door God aan hem geopenbaarde woord, en met name de inwendige levende betekenis en geest ervan, in overeenkomstige beelden verhuld, en wat hij jullie onthuld heeft, dat hebben jullie verworpen. Nu ben Ikzelf gekomen en onthul voor jullie het verborgene; waarom geloven jullie het nu niet en proberen jullie Mij alleen maar te vangen met hetgeen jullie zelf nog nooit geloofd en al helemaal nooit begrepen hebben?

 

Over het invoeren van de sabbat

De Heer: Zie, sinds de tijden van de mensen is het gebruikelijk geweest om de week in zeven dagen te verdelen; deze indeling leiden de mensen langs natuurlijke weg af van de maankwartieren en langs bovennatuurlijke weg, die hun geopenbaard werd, van de zeven geesten in God, waarvan jullie ook iets gehoord, maar nog noot ook maar een woord begrepen hebben. Van de zeven geesten nu is het de zevende, die als het ware met terugwerkende kracht alle zes voorafgaande door en door zuivert en verzacht, en deze zevende geest heet daadwerkelijk erbarming. En kijk, ook om die reden heeft God bij monde van Mozes de zevende dag tot sabbat bestemd, zodat jullie je op die dag van de slaafse arbeid voor jullie eigen buik zouden onthouden en bij de samenkomst voor de tent, waarin de ark stond, naar jullie arme broeders en zusters, weduwen en wezen zouden omzien en je metterdaad over hen zouden ontfermen; want dat houden immers de hele wet van Mozes en alle profeten in, namelijk dat jullie in volkomen geloof in God en in liefde tot Hem aan jullie arme naasten de werken van de echte barmhartigheid zullen doen, en dat is ook de enige ware en Mij welgevallige godsdienst.

 

Maar wanneer het zo en onmogelijk anders is, hoe zou Mozes zich zelfs in zijn allerslechtste droom ooit hebben kunnen voorstellen dat de sabbat er door God voor bestemd is, dat op die dag geen enkele jood aan zijn naaste een werk van barmhartigheid moet en mag bewijzen? Denken jullie nu echt dat het wil zeggen God eer te bewijzen, als iemand een hele dag ten eerste in volkomen ledigheid en vervolgens of in de tempel in Jeruzalem of elders in een synagoge in een andere plaats of in de tempel in Jeruzalem of elders in een synagoge in een andere plaats of in zijn huis doorbrengt, verscheidene malen de tien geboden en enkele psalmen van David en nog andere dingen uit de Schrift zonder gevoel, zonder er bij te denken dus hersenloos zelf prevelt en blèrt ofwel ze door een priester laat voorprevelen en voorspreken, aan wie hij een offer geeft omdat hij gelooft dat het geprevel en geblèr uit de mond van een priester krachtiger en God meer welgevallig is dan dat van hemzelf.

 

O jullie waanzinnigen. Denk toch eens na, of het mogelijk is dat de alwijze God in zulke dwaasheden en zotternijen, die alleen door jullie en nooit door Mozes of door de profeten zijn bedacht en die jullie zelfs tot een wet hebben verheven, ooit behagen kon scheppen en of Hij, die eeuwig onveranderlijk Dezelfde is, daar nu welgevallen in kan hebben of dat ooit zal hebben. Ja, de mensen die God erkennen en Hem boven alles liefhebben moeten ook in hun hart tot Hem bidden. Maar hoe? In de eerste plaats door Zijn wil op de juiste manier op te volgen, door de werken der naastenliefde te beoefenen, en in de tweede plaats moeten ze in hun hart innig en vol liefde aldus tot God spreken: Onze liefdevolle vader, die in Uw hemelen woont! Uw rijk van eeuwige liefde en waarheid kome daadwerkelijk tot ons! Uw alleen heilige wil, het Zijn van alle wezens, worde ook onder ons net zo tot werkelijkheid als dat in al uw hemelen en scheppingsruimten geschiedt! Geef ons, Uw kinderen, het brood des levens. Vergeef onze schulden, zoals wij onze broeders die ons beledigd hebben vergeven. Laat geen verzoekingen en bekoringen tot zonde over ons komen, waaraan wij in onze zwakheid moeilijk of helemaal geen weerstand kunnen bieden, maar bevrijd ons val alle kwaad. Uw naam worde altijd geheiligd, hoog geprezen en boven alle geloofd; want van U is eeuwig alle liefde, wijsheid, kracht en macht. Kijk, dat is een echt gebed tot God, als het door iemand in zijn hart innig, waarachtig en in volle ernst wordt uitgesproken. Maar ook dit gebed heeft geen waarde ook al wordt het duizend keer door iemand met de mond uitgesproken, maar het moet innig, waarachtig en vol ernstige wil in het hart uitgesproken worden, en de mens moet ook door zijn daden tonen wat de woorden van zijn hart zeggen, anders is al dat bidden een gruwel in Gods ogen; want de eeuwig levende God, die de liefde, wijsheid, kracht en macht zelf is, laat Zich niet eren door loze en dode woorden van de lippen en zinloze offers en ceremoniën, maar alleen door werken volgens Zijn wil. Maar die kan en moet ieder mens iedere dag beoefenen en niet alleen op de sabbat; als de mens dat doet, dan maakt hij iedere dag tot een ware sabbat en hoeft hij niet te wachten op de zevende dag van de week, die als dag voor Mij niet meer waarde heeft dan een andere. Kijk, dat is nu Mijn mening. En jij, Schriftgeleerde, tempeldienaar, kunt Mij nu van repliek dienen als je daar reden toe ziet.

 

De Schriftgeleerde zei: O Heer en Meester, dat zal ik nu en ook voor altijd wel achterwege laten; want nu pas heb ik duidelijk ingezien dat U werkelijk de Gezalfde van God bent. Ja, U bent in alle opzichten gelijk en het verwijt dat U ons tempeldienaren maakt is waar en meer dan terecht. Maar helaas zijn wij gevangenen door de tempel en kunnen niets doen voor deze hoogst ware goddelijke aangelegenheid, die U nu uiteen hebt gezet. Maar U, o Heer, bent machtig; doe volgens Uw genade, liefde en wijsheid wat U welgevallig is. Maar al blijven wij in de tempel, wij zullen werkelijk in geen enkele vergadering meer een woord ten nadele van U spreken, maar wel bij gelegenheid aan de hogepriesters tonen hoe het met deze zaak zit. Maar als U ons speciaal zou willen aangeven wat wij moeten doen, dan zullen wij dat ook doen om in genade door U aangenomen te worden. Heer en Meester, wat is Uw wil met ons en ten aanzien van ons? Ik zei: Ik heb jullie nu toch al enkele dingen gezegd waardoor jullie verstand Mijn wil wel onderkend zal hebben. Handel daarnaar, dan zullen ook jullie het leven ontvangen. De tempel zal jullie niet verhinderen om in je hart in Mij te geloven en naar Mijn wil te handelen en, waar dat nodig is, Mij ook te bekennen tegenover de wereld; want Ik zeg jullie ook: wie Mij tegenover de wereld zal bekennen, die zal Ik ook bekennen tegenover Mijn Vader in de hemel.- en nu kunnen jullie weer naar Jeruzalem reizen; maar wanneer de tempeldienaren jullie naar Mij zullen vragen, zeg dan niets over Mij. Mijn zegen met jullie. Amen.

 

Toen stonden de tempeldienaren ontroerd op, bedankten Mij voor de lessen en voor het verlossen uit hun verwarring; aangezien het al tamelijk donker was geworden, gingen ze op weg naar huis, en Lazarus gaf hun enkele begeleiders met fakkels mee, wat de tempeldienaren zeer op prijs stelden. Maar wij gingen weer de zaal binnen en aan onze tafel zitten. Nu pas gaven de Romeinen uiting aan hun grote vreugde over alles wat Ik de tempeldienaren zo openlijk en goddelijk waar gezegd had. Allen vroegen Mij nu om het ware gebed, dat Ik de tempeldienaren getoond had. Maar toen kwam Rafael (Engel van genezing – G.H.) naar Agricola (belangrijk opperste opperbevelhebber) toe en overhandigde het hem, geschreven perkament, en daar konden de Romeinen Mij niet genoeg voor danken. Daarop zei Ik tegen Lazarus: broeder, we hebben nu weer gewerkt; laat ons daarom voor het eten wat wijn en brood brengen, zodat wij ons kunnen sterken.

 

De levende spijs van de Heer - De heiliging van de sabbat

(Intussen vroegen de leerlingen Hem en zeiden: Rabbi, eet – Joh.4:31) - Terwijl de grote schare uit de stad zich in de richting van de bron bewoog, vermaanden Mijn leerlingen Mij om nu eerst eens te ten. Want ze hadden gemerkt dat Ik niets at, zodra ergens mensen naar Mij toekwamen. Zij hadden Mij echter lief en waren bang, dat Ik zwak en ziek zou kunnen worden. Want, hoewel ze wel wisten dat Ik Christus ben, hielden ze Mijn lichaam toch voor zwak en gebrekkig en vermaanden Mij daarom dat Ik moest eten. IK zie hen echter liefdevol en ernstig aan en zeg: Mijn beste vrienden, Ik eet nu voedsel, dat jullie niet kennen. (De discipelen zeiden tot elkaar: Heeft iemand hem dan al iets te eten gebracht? Joh. 4:33) - Toen keken de leerlingen elkaar aan, hielden ruggespraak en zeiden: Heeft iemand Hem dan al ergens vandaan iets te eten gebracht? Wat kan Hij gegeten hebben? Heeft Hij het dan al opgegeten? Er is niets te zien – behalve de kruik nog vol met water. Heeft Hij misschien het water in wijn veranderd?

 

(Jezus zei tot hen: Mijn voedsel is, dat Ik de wil doe van Hem die Mij gezonden en Zijn werk volbreng. Joh.4:34)- IK zeg tegen hen: O maak toch niet zulke dwaze veronderstellingen over wat Ik wel of niet gegeten heb. Je hebt toch meermalen gezien, dat Ik Mij bij jullie nooit iets extra’s heb laten geven. Ik heb het tegen jullie nu niet over lichamelijk voedsel, maar over veel hoger en waardiger geestelijk voedsel en dat bestaat daaruit, dat Ik de wil van Diegene doe Die Mij daarvoor gezonden heeft en dat Ik Zijn grote werk afmaak. Degene Die Mij daarvoor gezonden heeft is de Vader (de Vader in Jezus zelf – G.H.), waarvan jullie zeggen dat Hij jullie God is, hoewel jullie Hem nooit gekend hebt. Ik ken Hem echter en daarom doe Ik wat Hij gezegd heeft en dat is Mijn echte voedsel, dat jullie niet kennen. Ik zeg het jullie: niet alleen het brood, maar iedere goede daad of ieder goed werk is ook voedsel, wel niet voor het lichaam, maar des te meer voor de geest. - (Zegt u niet: nog vier maanden, dan komt de oogst? Zie, Ik zeg u: slaat de ogen op en aanschouwt de velden; zij zijn nu reeds wit om te oogsten – Joh. 4:35)

 

Velen van jullie hebben akkers thuis en zelf zeggen jullie: nog vier maanden en de oogsttijd begint en wij zullen naar huis moeten gaan en oogsten! Ik zeg je echter: doe je ogen beter open. Nu al zijn alle velden wit om te oogsten. Maar ik bedoel niet deze velden in de natuur, maar het grote veld dat bestaat uit de gehele wereld, waarop de mensen staan als gerijpte tarwe, dat voor de schuren van God geoogst moet worden! (De maaier ontvangt loon en verzamelt vrucht voor het eeuwige leven, opdat zich samen verblijden de zaaier zowel als de maaier! – Joh. 4:36) - En zie, dit oogsten is het ware werk en dit werk is het echte voedsel, dat Ik en ook jullie volop te ten zullen krijgen. Wie op dit veld een goede maaier is, verzamelt de ware vrucht voor het eeuwige leven, opdat aan het einde van de oogst zowel degene die gezaaid heeft als hij die gemaaid heeft, daaraan tezamen vreugde zullen hebben.

 

(Want hier geldt de spreuk: De een zaait, de ander maait. Joh. 4:37) - Want na de oogst zullen zowel de zaaier als de maaier van een en dezelfde vrucht en een en hetzelfde brood des levens eten en dan wordt de oude spreuk geheel bewaarheid: De een zaait en de ander oogst, maar beiden zullen op dezelfde wijze van hun arbeid leven en zij zullen een en dezelfde spijs eren! Kijk eens naar de velen die uit de stad naar ons toe zijn gekomen om in Mij de Beloofde te zien en zoals je ziet, komen er nog steeds meer! Let op, dat zijn niets anders dan al volledig rijpe tarwearen, die al lang gemaaid hadden moeten worden! IK zeg jullie met veel vreugde: De oogst is groot, maar er zijn nog veel te weinig maaiers; vraag daarom de Heer van de oogst, dat Hij meer maaiers naar Zijn oogst zal zenden! (Ik heb u gezonden om te maaien wat u niet hebt bearbeid; anderen hebben het bearbeid en u doet nu hun werk verder. Joh. 4:28)

 

Ik heb jullie opgenomen en tijdens het opnemen heb Ik jullie ook al in de geest uitgezonden om te maaien wat jullie niet gezaaid hebt; want anderen hebben gezaaid en jullie zetten nu hun werk voort; en daarover mogen jullie je wel uitermate gelukkig prijzen! - Want degene die zaait is nog ver van de oogst; wie echter maait, die oogst meteen en heeft reeds het nieuwe brood des levens voor zich! Wees daarom ijverige maaiers; want jullie moeite is gelukzaliger dan die van de zaaier!" De meeste leerlingen begrepen deze les wel en begonnen direct Mijn woord over de liefde tot God en over de liefde tot de naaste aan de Samaritanen te verkondigen en ook dat, Ik werkelijk Christus ben. Maar een paar leerlingen die het nog niet goed met hun hart begrepen, kwamen naar mij toe en vroegen Mij heimelijk in vertrouwen: "Heer, waar moeten we de sikkels vandaan halen en bovendien is het toch ook sabbat vandaag?" Waarop IK hen antwoordde: "Heb Ik dan gezegd, dat jullie deze voor ons liggende natuurlijke gerstvelden moeten maaien? 0 jullie domoren, hoe lang zal Ik je op die manier nog moeten verdragen?! - Begrijpen jullie dan nog niets? - Luister dan en begrijp het: Mijn woord van het Rijk van God is de geestelijke sikkel. Dit woord komt eerst in jullie eigen hart en van daaruit via je tong naar de oren en in het hart van je medemensen en broeders. Deze sikkel geef ik jullie om de mensen, je broeders, te oogsten voor het Rijk van God, het Rijk van de ware kennis van God en het eeuwige leven in God.

 

De naastenliefde kent geen rustdag

De Heer: ‘als je op die dag van de sabbat meer met al het goede bezig bent dan op een andere dag. Alleen het werk van een knecht, waarmee Ik het werken voor geld en werelds loon, moeten jullie voortaan noch op een door de wekelijkse dag en evenmin op een sabbat verrichten. Want van nu af aan moet iedere dag voor jullie een sabbat, en iedere sabbat een volle werkdag zijn. Hiermee heb je nu, Mijn vriend, de algehele regel, die aangeeft hoe je God in de toekomst moet dienen! En daarbij blijft het. De opperpriester zegt: ik zie nu heel duidelijk de heilige waarheid in deze regel die ik graag als wet aanneem, maar het zal bij de wettische Joden heel wat voeten in de aarde hebben, voor hen deze regel, die uit de zuiver goddelijke wil voortkomt, helder en volgens de volledige waarheid die deze bevat, begrijpelijk wordt. Ik ben van mening, dat zeer velen deze regel tot aan het einde van de wereld niet zullen aannemen. Want de mensen zijn al sinds de oertijd te zeer aan de sabbat gewend en zullen zich die niet af laten nemen. O dat, dat zal zeker heel veel moeite en werk geven.

 

IK zeg: maar het is ook helemaal niet nodig, dat de sabbat geheel opgeheven wordt; alleen maar het dwaze van de sabbat. God de Heer heeft jullie dienst en jullie eer niet nodig, want Hij heeft de wereld en de mensen zonder vreemde hulp geschapen en verlangt van de mensen slechts, dat ze Hem erkennen en met al hun krachten zullen liefhebben, en dat niet alleen op de sabbat, maar dag in dag uit zonder onderbreking.

Sabbat

Opmerking: Eens per week is het goed om niet te werken en de sabbat te houden. De dag maakt niet uit. Die dag mag dan ook niet verontreinigd worden. Zoals sporten, hardlopen, voetballen, racen, behalve als het werkelijk een goddelijk doel dient. Sabbat houden wil zeggen, jezelf terugtrekken tot God.

 

De opperpriester van het Samaritaanse Sichar is van mening, dat zeer velen deze regel tot aan het einde der wereld niet zullen aannemen. De Heer zegt: 'Maar het is toch ook helemaal niet nodig, dat de sabbat geheel opgeheven wordt; alleen maar het dwaze van de sabbat! God de Heer heeft onze dienst en onze eer niet nodig, want Hij heeft de wereld en de mensen zonder enige vreemde hulp geschapen en verlangt van de mensen slechts, dat ze Hem erkennen en met al hun krachten zullen liefhebben, en dat niet alleen op de sabbat, maar dag in dag uit zonder onderbreking!

 

Jozef zei heel bedenke­lijk tot de twee engelen: 'Hoe kunnen jullie nu diena­ren des Heren zijn, als jullie de Sabbat niet heiligen?’ Gabriel gaf ten antwoord: 'Hoe kunt u, zo'n zuivere ziel, ons een dergelijke vraag stellen? Is de dag van vandaag dan soms niet net als de overige voor­bijgegaan? Is de zon dan niet op­ en ondergegaan zoals op elke ge­wone dag? En heeft de ochtend-, middag­ en avondwind soms niet gewaaid? En hebt u, toen we bij de zee stonden, dan soms niet de ge­wone golfbewegingen waargeno­men? Zou dan de zee soms geen Sabbat willen vieren?

 

En hoe zit het hiermee: hebt u durven lopen, eten en drinken en ademen, en hebt u uw hart niet verboden te kloppen?! Weet u dan niet - u, die zo onder de Sabbat gebukt gaat, ­dat alles wat er in de wereld be­staat en gebeurt uitsluitend ge­beurt door de vanwege de Heer aan ons verleende daadkracht. Door ons wordt dat alles geleid en geregeld! Als wij nu eens een dag zouden willen rusten, zou dan de hele schepping niet onmiddellijk te gronde gaan?! Dus moeten we de Sabbat slechts vieren, door in liefde tot de Heer bezig te zijn, en niet door nodeloos nietsdoen! De echte rust in den Heer bestaat dus in de zuivere liefde, die wij in ons hart voor Hem koes­teren, en in onze onophoudelijke daden om de eeuwige orde te handhaven! Al het andere is voor God eigenlijk maar weerzinwekkende menselijke dwaasheid!

 

De juiste viering van de sabbat

De Heer zegt: Iedere dag die met goede daden gevuld wordt is een ware sabbat en op iedere dag waarop men iets gedaan heeft wat beslist goed is, heeft men juist daardoor een echte sabbat gevierd. Daarom moet je op deze sabbat zoveel goeds doen als je maar kunt en wilt en het zal je zeker niet als zonde aangerekend worden, behalve door de slechte wereldse dwazen, die zelfs de wind vervloeken als hij op een sabbat waait en dat ook doen met de regen en de scharen door de lucht vliegen­de vogels. Zulke dwazen moeten ons nooit dienen als een te volgen voorbeeld, maar alleen als een boven alles afschuwwek­kend voorbeeld; want zij vervloeken het goede en willen dat hun slechte daden door de hele wereld geroemd worden! bron: GJE1-240

 

Daarom heeft God het vieren van de sabbat ingesteld. De mens moet zich dan onthouden van alle zware inspannende arbeid, omdat iedere zware arbeid de ziel noodzaakt om haar krachten aan het lichaam te geven, dat haar dan prikkelt. Dat brengt de spiegel van haar levenswater in heftige beweging, waardoor zij de zuiver goddelijke waarheid niet meer helder in zichzelf kan herkennen. De echte sabbatsrust bestaat daarom uit een verstandige onthouding van alle zware arbeid. Zonder noodzaak moet men daar niet aan meedoen, maar in noodgevallen is ieder mens verplicht zijn broeder te helpen. Maar meer nog dan zich van alle zware arbeid te onthou­den, moet iedere ziel alle hartstochten uitbannen! Want de hartstochten zijn de stormen in de ziel, zij woelen het le­venswater om, en Gods evenbeeld wordt dan in de ziel net zo verscheurd als de weerkaatsing van de zon op de golven van de zee. Het beeld van de zon schittert wel op de golven, maar hoe vertekend! En als de storm lang aanhoudt, stijgen er weldra zware dampen op uit de bewogen zee en vullen de lucht van de zielenhemel met donkere wolken. Die verhinderen het licht van de geestelijke zon om het levenswater van de ziel te bereiken, ‑ en de ziel wordt donker, kan niet meer het echte van het onechte onderscheiden en houdt de begoocheling van de hel voor een licht uit de hemel. Maar zo'n ziel is dan ook al bijna verloren! Alleen als er stormen, dat wil zeggen zware beproevingen van boven, zouden opsteken, die de kwade wolken in de ziel zouden verjagen, en als de ziel daarna meteen door het houden van de ware sabbatsrust haar levenszee tot rust zou brengen, dan zou zij te redden zijn, ‑maar anders niet! Kijk, dat is de voor iedereen bruikbare geestelijke betekenis, die ons deze mooie zonsopgang door haar uiterlijke verschijnselen toont! Wie dit toepast op zichzelf, zal in de waarheid en in het licht blijven, en het eeuwige leven zal hem ten deel vallen; maar wie deze les in de wind zal slaan en er geen rekening mee houdt, zal voor eeuwig sterven!"

Vier zelf iedere dag de sabbat enige uren en je zult weldra de grote zegen in jezelf waar te nemen! bron: GJE2-148

 

Het kindje Jezus zei; ' Jozef, op Sabbat weldoen mag best! De viering van de Sabbat bestaat niet zozeer in het heel de dag niets doen, maar veeleer in het doen van goede werken! Mozes heeft weliswaar van de Sabbatviering een voornaam gebod gemaakt, en onnodige en betaalde arbeid gebrandmerkt als schending van de Sabbat, wat voor God een gruwel is, maar Mozes heeft nooit verboden om op Sabbat Gods Wil te doen! Nergens staat er in de Wet dat je op Sabbat een broeder te gronde mag laten gaan! Ik­ de Heer van de Sabbat - Ik zeg je: Door ook op de Sabbat wel te doen, zul je de Sabbat op de allerbeste manier heili­gen!

Jozef vindt de Wet belang­rijker dan de Wetgever, en ook vindt hij de Sabbat nog voorna­mer dan de Heer van de Sabbat!' (bron: de jeugd van Jezus, hfdst.149)

 

Jozef van Maria over de Sabbat

Jozef: op Sabbat weldoen mag best! De viering van de Sabbat bestaat niet zozeer in het heel de dag niets doen, maar veeleer in het doen van goede werken! Mozes heeft weliswaar van de Sabbatviering een voornaam gebod gemaakt, en onnodige en betaalde arbeid gebrandmerkt als schending van de Sabbat, wat voor God een gruwel is, maar Mozes heeft nooit verboden om op Sabbat Gods Wil te doen! Nergens staat er in de Wet dat je op Sabbat een broeder te gronde mag laten gaan! Ik­ de Heer van de Sabbat - Ik zeg je: Door ook op de Sabbat wel te doen, zul je de Sabbat op de allerbeste manier heili­gen! [JVJ 149-11-16]

 

Hij ging dus weer terug en vroeg aan de nog aanwezige jon­gelingen of zij dat soms hadden gedaan, alhoewel het Sabbat was! De jongelingen bevestigden zulks, waarop Jozefheel bedenke­lijk tot hen zei: 'Hoe kunnen jullie nu diena­ren", des Heren zijn, als jullie de Sabbat niet heiligen?' Gabriel gaf ten antwoord: 'Hoe kunt u, zo'n zuivere ziel, ons een dergelijke vraag stellen? Is de dag van vandaag dan soms niet net als de overige voor­bijgegaan? Is de zon dan niet op­ en ondergegaan zoals op elke ge­wone dag? En heeft de ochtend-, middag­ en avondwind soms niet gewaaid? En hebt u, toen we bij de zee stonden, dan soms niet de ge­wone golfbewegingen waargeno­men? Zou dan de zee soms geen Sabbat willen vieren?

 

Weet u dan niet - u, die zo onder de Sabbat gebukt gaat ­dat alles wat er in de wereld be­staat en gebeurt uitsluitend ge­beurt door de vanwege de Heer aan ons verleende daadkracht. Door ons wordt dat alles geleid en geregeld! Als wij (Engel Gabriel en Zuriël) nu eens een dag zouden willen rusten, zou dan de hele schepping niet onmiddellijk te gronde gaan?! Dus moeten we de Sabbat slechts vieren, door in liefde tot de Heer bezig te zijn, en niet door nodeloos nietsdoen! De echte rust in den Heer bestaat dus in de zuivere liefde, die wij in ons hart voor Hem koes­teren, en in onze onophoudelijke daden om de eeuwige orde te handhaven! Al het andere is voor God eigenlijk maar weerzinwekkende menselijke dwaasheid! Bedenk dit alles goed, en wees niet bang om op een Sabbat nuttig werk te doen, dan pas zult u echt op de Heer, Die uwen mijn Schepper is, gaan gelijken!' [JVJ 158-5-17]

 

De opperpriester zegt: Ik ben nu op het goede spoor en hoop dat dit plaatsje dat binnenkort ook zal zijn. Maar veroorloof mij nog één vraag en deze vraag is de volgende: Moeten wij nu nog de berg en Uw oude huis eren en daar Uw sabbat heiligen, of moeten wij nu hier een huis gaan bouwen, waarin wij ons in Uw naam zouden kunnen verzamelen? Als dit laatste Uw wil zou zijn, zou U ons dan morgen een passende plaats aan willen wijzen, een die U het beste aanstaat, dan zullen wij alles doen om Uw wensen ook daarin te vervullen!' Ik zeg: 'Vriend, Ik heb je vandaag op de berg verteld, waaraan jullie het meeste behoefte hebben. Om daaraan te voldoen, heb je noch het oude huis op de berg en nog minder een nieuw in de stad nodig, maar alleen je gelovige hart en je vaste goede wil." Toen Ik gisteren hierheen kwam en rustte aan Jacobs bron en daar Irhaël ontmoette, vroeg zij Mij ook, toen ze Mij beter leerde kennen, waar men God aanbidden moest, op de Garizim of te Jeruzalem in de tempel. Laat haar zeggen wat Ik daarop ten antwoord gaf!' Hier wendt de opperpriester zich tot Irhaël en zij zegt: 'Dit zei de Heer tegen mij: 'Er komt een moment en het is er al, dat de echte aanbidders van God noch op Garizim, noch in de tempel te Jeruzalem zullen aanbidden!  Want God is een geest, en degenen, die Hem aanbidden, moeten Hem in de geest en de waarheid aanbidden!' Dat zei de Heer; u bent een opperpriester en zult nu wel weten, wat er gedaan moet worden!

 

Ik ben van mening: Als de Heer ons allen reeds eenmaal de overgrote genade bewees om in dit huis te verblijven, dat met mijn, maar Zijn huis is en blijven zal, dan zal dit huls daardoor voor altijd een zeer gedenkwaardig huis blijven, en wij wensen ons daarin altijd in Zijn naam te verzamelen en daarin tot Zijn eer de sabbat te heiligen!' De opperpriester zegt: ' Ja, ja, je hebt wel gelijk, als wij allemaal al gelovigen zouden zijn, maar men moet toch een beetje rekening houden met de zwakken! Die zouden zich daaraan nog meer stoten.' Ik zeg: 'Irhaël heeft gelijk! Wie zich stoot, die moet zich dan maar stoten en moet dan maar zijn berg beklimmen! Als hij daar niets meer zal vinden, dan zal hij vanzelf wel iets beters gaan bedenken. In het vervolg moeten jullie geen bedehuizen voor Mij bouwen, maar onderdak en eetgelegenheden voor armen, die daar niets aan jullie hoeven te betalen! In de liefde tot de arme broeders en zusters zullen jullie Mijn echte aanbidders zijn, en Ik zal in zulke bedehuizen vaak bij jullie zijn, zonder dat je het direct zult merken; maar in de tempels, die, zoals dat tot op heden het geval was, speciaal voor de lippendienst gebouwd zijn, zal Ik van nu aan net zo min wonen, als het verstand van de mens in zijn kleine teen.

 

Als je echter toch in een grootse tempel je hart voor Mij wilt openstellen, en daar klein wilt zijn voor Mij, ga dan naar buiten in de ruime tempel van Mijn scheppingen, en zon, maan en sterren en de zee, de bergen, de bomen en de vogels in de lucht, zowel als de vissen in het water en de talloos vele bloemen op de velden zullen je Mijn eer verkondigen! Wat denk je, is de boom niet heerlijker dan alle pracht van de tempel te Jeruzalem?! De boom is een puur werk van God, hij leeft en geeft een vrucht als voedsel. Maar waartoe is de tempel in staat? Ik zeg u allen: alleen maar tot hoogmoed, toorn, nijd en de schreeuwendste na-ijver en heerszucht, want hij is niet het werk van God, maar slechts een ijdel mensenwerk! Waarlijk, Ik zeg u allen: Wie Mij eert en liefheeft en Mij aanbidt, doordat hij in Mijn naam goed doet aan zijn broeders en zusters, die zal in de hemel zijn eeuwig loon krijgen; Wie Mij echter van nu af aan door allerlei ceremonieën in een speciaal daarvoor gebouwde tempel zal vereren, die zal ook zijn loon hier op aarde van de tempel krijgen! Als hij echter na de vleselijke dood tot Mij zal komen en zal zeggen: 'Heer, heer, wees mij, Uw dienaar, genadig!', dan zal Ik tegen hem zeggen: 'Ik ken je niet, ga daarom bij Mij vandaan en zoek je loon bij degene, bij wie je in dienst was!' Dit is de reden waarom ook jullie je verder met geen tempel meer moeten bemoeien! Maar in dit huis mogen jullie tot Mijn gedachtenis steeds bijeenkomen, hetzij op de sabbat of op een andere dag; want iedere dag is van de Heer, niet alleen de sabbat, waarop je in het vervolg net als op de andere dagen ook goede dingen moogt doen!

 

Ik zeg: 'Maar het is toch ook helemaal niet nodig, dat de sabbat geheel opgeheven wordt; alleen maar het dwaze van de sabbat! God de Heer heeft onze dienst en onze eer niet nodig, want Hij heeft de wereld en de mensen zonder enige vreemde hulp geschapen en verlangt van de mensen slechts, dat ze Hem erkennen en met al hun krachten zullen liefhebben, en dat niet alleen op de sabbat, maar dag in dag uit zonder onderbreking!

 

Tijdens de werkdag oefent de mens zich, ondanks dat hij werkt, alleen maar in de zelfzucht; want hij werkt dan voor zijn vlees en noemt dat het zijne, wat hij aan goederen en geld met werken verdient. Wie het verdiende van hem wil hebben, moet het van hem kopen, hetzij door arbeid of met geld, anders krijgt hij van niemand Iets van enige betekenis. Als de mensen nu op de werkdagen alleen voor hun zelfzucht zorgen en op de sabbat, de enige dag waarop ze zich in de werken der liefde moeten oefenen, tot de starste leegloperij gedwongen zijn, dan vraagt men zich in alle ernst af, wanneer de mensen zich dan wel in de echte godsdienst oefenen moeten of oefenen mogen, als je beseft, dat die dienst alleen maar bestaat uit het liefdevol helpen van je naaste!

 

Ik zeg jullie: Bij God zijn alle dagen gelijk, en onder al die dagen is dat de beste dag, waarop je echt iets goeds voor je naaste gedaan hebt! En zo zal in de toekomst de ware en God alleen welgevallige sabbatdag alleen maar bepaald worden door jullie goede daad! Op de dag dat je goed doet, op die dag zal het ook de ware sabbat zijn die God meetelt; maar de gebruikelijke Joodse sabbat is een gruwel in Gods ogen! En als je al een zogenaamd Godshuis bouwen wilt, bouw dan zieken ­en bejaardentehuizen voor jullie arme broeders en zusters; geef hen daarin alles wat ze nodig hebben, dan zul je op die manier de echte godsdienst uitoefenen waaraan de Vader in de hemel veel genoegen zal beleven. Aan die echte en enig ware godsdienst zal men kunnen zien, dat jullie werkelijk Mijn leerlingen zijn. GJE1-202 [10-13]

 

Als een mens zover is, dan is alles bij hem waarheid geworden en dan is zijn ziel in staat om haar blik in de diepten van Gods schepping te richten, en alles in de volheid van de zuivere waarheid te zien. Maar zodra het in haar begint te golven, worden alle oerbeelden vernietigd en bevindt de ziel zich onvermijdelijk in het gebied van het bedrog en alle soorten en vormen van misleiding, en kan niet meer zuiver zien aleer de totale rust in God in haar is ingetreden. En dat is de ware sabbatsrust in God, en daarom heeft God het vieren van de sabbat ingesteld. De mens moet zich dan onthouden van alle zware inspannende arbeid, omdat iedere zware arbeid de ziel noodzaakt om haar krachten aan het lichaam te geven, dat haar dan prikkelt. Dat brengt de spiegel van haar levenswater in heftige beweging, waardoor zij de zuiver goddelijke waarheid niet meer helder in zichzelf kan herkennen. De echte sabbatsrust bestaat daarom uit een verstandige onthouding van alle zware arbeid. Zonder noodzaak moet men daar niet aan meedoen, maar in noodgevallen is ieder mens verplicht zijn broeder te helpen.

 

Maar meer nog dan zich van alle zware arbeid te onthouden, moet iedere ziel alle hartstochten uitbannen! Want de hartstochten zijn de stormen in de ziel, zij woelen het levenswater om, en Gods evenbeeld wordt dan in de ziel net zo verscheurd als de weerkaatsing van de zon op de golven van de zee. Het beeld van de zon schittert wel op de golven, maar hoe vertekend! En als de storm lang aanhoudt, stijgen er weldra zware dampen op uit de bewogen zee en vullen de lucht van de zielenhemel met donkere wolken. Die verhinderen het licht van de geestelijke zon om het levenswater van de ziel te bereiken, - en de ziel wordt donker, kan niet meer het echte van het onechte onderscheiden en houdt de begoocheling van de hel voor een licht uit de hemel. Maar zo'n ziel is dan ook al bijna verloren! Alleen als er stormen, dat wil zeggen zware beproevingen van boven, zouden opsteken, die de kwade wolken in de ziel zouden verjagen, en als de ziel daarna meteen door het houden van de ware sabbatsrust haar levenszee tot rust zou brengen, dan zou zij te redden zijn, -maar anders niet! Kijk, dat is de voor iedereen bruikbare geestelijke betekenis, die ons deze mooie zonsopgang door haar uiterlijke verschijnselen toont! Wie dit toepast op zichzelf, zal in de waarheid en in het licht blijven, en het eeuwige leven zal hem ten deel vallen; maar wie deze les in de wind zal slaan en er geen rekening mee houdt, zal voor eeuwig sterven!" GJE2-148 [10-15]

 

Het bijzondere van zijn sabbat- en jubeljaartelling was zijn vaststelling dat in het oude Israël de sabbatjaarcyclus vanaf haar instelling in 1443 v. Chr. met de inbezitneming van Kanaän door de Israëlieten, altijd ononderbroken door Jubeljaren, voortging. Het 50ste jaar in deze cyclus, het jubeljaar, begon in het 49ste jaar van de sabbatjaarcyclus, in de maand Tishri (september/oktober) en liep verder tot september/oktober van het nieuwe jaar waarin al een nieuw sabbatjaar cyclus van 7 x 7 jaar begonnen was. Het eerste regeringsjaar van Herodes plaatsen we in het jaar 37 voor Christus. Het jaar 37april tot het jaar 36maart was een sabbatjaar. Josephus beschrijft uitvoerig het beleg van Jeruzalem door Herodes bijgestaan door een Romeins leger ten tijde. In oktober 37 v. Chr. begon daarna Herodes’ zijn tweede regeringsjaar dat liep tot september 36 v. Chr. van een sabbatjaar. De bekende zeeslag bij Actium, een strijd tussen de vloot van Marcus Antonius en Cleopatra en de vloot van Octavianus, vond plaats volgens Josephus in het zevende regeringsjaar van Herodes de Grote. Hetzelfde jaar werd ook een grote aardbeving in Judea genoteerd. De zeeslag staat historisch genoteerd op 2 september van het jaar 31 v. Chr.

 

Het jaar 23/22 v.Chr. was een sabbatjaar van maart 23 tot april 22 v. Chr., ditmaal het zevende sabbatjaar in een cyclus van zeven maal zeven jaren, gevolgd door een Jubeljaar dat aanving in september 23 en liep tot oktober 22 v. Chr. Dit Jubeljaar was het 29ste sinds de instelling ervan. Het dertigste jubeljaar was dat van 27/28 AD van september 27 tot oktober 28 AD. De gebeurtenissen zoals beschreven in het Lucas evangelie hoofdstuk 4 met de Heer Jezus die in de synagoge de profetie van Jesaja 61 citeerde en het aangename jaar des HEEREN uitriep. Wat het sabbatjaar van 23/22 v. Chr. gevolgd door een jubeljaar zo bijzonder maakt zijn de beschreven hongersnood en Herodes’ acties daarop zoals vermeld door Flavius Josephus. Deze hongersnood teisterde Israël ten tijde van het 13e regeringsjaar van Herodes de Grote en duurde twee jaar. Herodes blijkt ten koste van persoonlijke bezittingen graan en zaad gekocht te hebben in Egypte. Zaad dat alleen aan Syrië geleverd werd en vanwaar in het tweede jaar de hongersnood in Judea kon verholpen worden.

 

De tijdsperiode van 46 jaar, zoals vermeld in het Johannesevangelie hoofdstuk twee, die er zit tussen het Pesachfeest van 27 AD en het begin van de herbouw van de tempel onder Herodes de Grote in diens 18de regeringsjaar. Dit is het jaar 20 v. Chr. Herodes regeerde 34 jaar te Jeruzalem en een totaal van 37 jaar wanneer gerekend vanaf het tijdstip dat hij door de Romeinen tot koning benoemd werd. Vanaf september 38 tot oktober/37.v. Chr. voor het eerste regeringsjaar van Herodes zijn het 34 jaar tot september 5/maart 4 v. Chr. met het sterven van Herodes de Grote. De maansverduistering waar Josephus naar verwijst kan alleen maar de maansverduistering zijn die genoteerd werd op 13 maart van het jaar 4 voor Christus.

 

Sabbatjaren

In oktober 37 tot oktober 36 was het een sabbatjaar. Dat is zeker. Nu we dit ijkpunt hebben, tellen we door tot -1 v. Chr. dat ook een sabbatjaar was.

Januari 36 v. Chr. = sabbatjaar [tot oktober]

Januari 29 v. Chr. = sabbatjaar [tot oktober]

Januari 22 v. Chr. = sabbatjaar [tot oktober]

Januari 15 v. Chr. = sabbatjaar [tot oktober]

Januari 08 v. Chr. = sabbatjaar [tot oktober]

Januari 01 v. Chr. = sabbatjaar [tot oktober] – wellicht is Jezus toen geboren!

[Elders wordt beschreven dat er van september -2 tot augustus -1 het een sabbatsjaar was!] – {op -1 v. Chr. was het op 10 januari om 01.00 uur een Maansverduistering] - 2 v. Chr. was een sabbatjaar [maar pas vanaf de maand oktober tot en met 1. v. Chr.  [oktober]; men zegt dat 37 v. Chr. [okt.] tot 36 v. Chr. [okt] een sabbatjaar was en daarom een vast punt in de chronologie.

www.zelfbeschouwing.info