Petrus en de monnik

 

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer]: ‘Petrus [aan gene zijde] is in gesprek met een overleden monnik. Deze monnik vertoeft nu ook in de geestelijke wereld. Petrus begeleidt hem daar en vraagt: ‘vriend, je hebt het woord van God zeker niet op de meest milde manier opgevat, maar wel op de meest strenge, oordelende manier. Nu zou ik jou echter een vraag willen stellen en je kunt me daarop dan een antwoord geven, alleen moet je mij vooraf verzekeren dat je mij het antwoord niet schuldig blijft.

 

De monnik zegt: ‘Als ze niet van zuiver duivel­se aard is, wil ik jou wel antwoord geven, maar je weet wel dat men de dui­vel geen antwoord verschuldigd is’. Petrus zegt dan tegen hem: ‘Welnu dan, ik zal je een vraag voorleggen!’ ‘Kun je mij bewijzen dat deze van de duivel komt, dan hoef je niet met jouw antwoord voor de dag te komen, maar kun je dat niet duidelijk bewijzen, dan kom je niet weg van deze plaats vóór je me een antwoord hebt gegeven. Hoed je echter voor iedere leugen, want die zal jou duur te staan komen.

 

Mijn vraag luidt als volgt: ‘Hoe kun je mij aan de hand van de Heilige Schrift bewijzen dat de rooms-katholieke kerk werkelijk door de apostel Petrus is gesticht? Bij mijn weten wordt daarvan in de hedendaagse Heilige Schrift niet het minste gewag gemaakt. Dat Paulus in Rome het evangelie van de Heer heeft onder­richt en gepredikt is algemeen bekend, maar dat Petrus in Rome werkelijk het pausdom zou hebben gesticht, daarvan kan ik mij uit de gehele Heilige Schrift geen woord herinneren’.

 

Wil je met mij twisten over jouw kerkelijk recht van verdoemenis, dan moet je mij eerst bewijzen dat de kerk van Rome echt door Petrus is gesticht en dat de Heer haar zo'n recht heeft verleend. Kun je dat, en wel vanuit de Heilige Schrift niet bewijzen, dan zul je aan mij een geduchte tegenstander hebben…’ (Geestelijke Zon 1-67)

www.zelfbeschouwing.info