Petrus aan gene zijde

Petrus en de Paus

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer]: ‘Petrus is in gesprek met een overleden monnik. Deze monnik vertoeft nu ook in de geestelijke wereld. Petrus begeleidt hem daar en vraagt: ‘vriend, je hebt het woord van God zeker niet op de meest milde manier opgevat, maar wel op de meest strenge, oordelende manier. Nu zou ik jou echter een vraag willen stellen en je kunt me daarop dan een antwoord geven, alleen moet je mij vooraf verzekeren dat je mij het antwoord niet schuldig blijft. De monnik zegt: ‘Als ze niet van zuiver duivel­se aard is, wil ik jou wel antwoord geven, maar je weet wel dat men de dui­vel geen antwoord verschuldigd is’.

 

Petrus zegt dan tegen hem: ‘Welnu dan, ik zal je een vraag voorleggen!’ ‘Kun je mij bewijzen dat deze van de duivel komt, dan hoef je niet met jouw antwoord voor de dag te komen, maar kun je dat niet duidelijk bewijzen, dan kom je niet weg van deze plaats vóór je me een antwoord hebt gegeven. Hoed je echter voor iedere leugen, want die zal jou duur te staan komen. Mijn vraag luidt als volgt: Hoe kun je mij aan de hand van de Heilige Schrift bewijzen dat de rooms-katholieke kerk werkelijk door de apostel Petrus is gesticht? Bij mijn weten wordt daarvan in de hedendaagse Heilige Schrift niet het minste gewag gemaakt. Dat Paulus in Rome het evangelie van de Heer heeft onder­richt en gepredikt is algemeen bekend, maar dat Petrus in Rome werkelijk het pausdom zou hebben gesticht, daarvan kan ik mij uit de gehele Heilige Schrift geen woord herinneren. Wil je met mij twisten over jouw kerkelijk recht van verdoemenis, dan moet je mij eerst bewijzen dat de kerk van Rome echt door Petrus is gesticht en dat de Heer haar zo'n recht heeft verleend. Kun je dat, en wel vanuit de Heilige Schrift niet bewijzen, dan zul je aan mij een geduchte tegenstander hebben.’ (Geestelijke Zon 1-67)

 

Twistgesprek met een Augustijn over Petrus

‘Nu zegt Petrus: ‘Luister beste vriend, jouw buitengewoon onbarmhartige exor­cisme heeft kennelijk geen kerkelijk gezag; want zoals je ziet staan wij, jouw laagste helleduivels, nog alle drie gezond en wel en volkomen ongedeerd voor je. Je kunt er op voorhand van verzekerd zijn dat we ook voor jouw gehele convent, voor duizend kruisbeelden en voor honderd emmers wijwater niet zullen vluchten. Want zolang we van jou aan de hand van de Heilige Schrift niet het bewijs krijgen dat jouw alleenzaligmakende kerk door Petrus is gesticht, zolang zullen we ook geen duimbreed van hier wijken. We zijn in tegendeel zeer geneigd nog verder in jouw klooster door te dringen en ons door geen exorcistisch gezag daarvan te laten afhouden. Met het oog daarop nodig ik je zelfs uit ons een dienst te bewijzen en ons naar de vertrekken van jouw al even dwaze medebroeders te brengen’.

 

De monnik zegt, terwijl hij eerst drie kruistekens maakt: ‘God sta me bij! Ik heb vaak gehoord dat de aanvechtingen van de duivel in de geestelijke wereld nog duizendmaal erger zijn dan in de natuurlijke en dat men in de geestelijke wereld pas werkelijk het juiste begrip van de grote gewelddadig­heid van de duivel krijgt. Wat ik hierover heb gelezen in de heilige hoeken die door vrome en godvruchtige mensen zijn geschreven, staat nu letterlijk voor me! Ik zeg jou echter, eeuwig afschuwelijke duivel, jij voortdurende bedrieger van God en het hele menselijke geslacht, denk jij soms dat God zich laat bedriegen? Dan vergis je je deerlijk! Evenmin als God zich laat bedriegen, laat ik mij als altijd trouwe dienaar van God door jou bedriegen. Eerder dan toe te geven, zal ik met Gods hulp en met de hulp van de zalige maagd Maria zolang weerstand aan jou bieden totdat al jouw geduld om nog langer met mij te twisten je verlaten zal hebben. Daarom kun je doen wat je wilt, mij zul je niet van mijn kerk afvallig maken!’

 

De monnik vervolgt: ‘Heb je dan niet gehoord wat de kerk volgens het haar door Christus verleende gezag verlangt? Namelijk dat men alles wat zij te geloven aanbiedt ook onvoorwaardelijk geloven moet, zonder te vragen of dit ergens geschreven staat of niet. Dit is ook een heel billijk verlangen van de kerk, want als de kerk in het bezit is van de Heilige Geest en deze via de kerk spreekt, wie zou hem als oprechte christen dan niet geloven? Wanneer men echter bij iedere uitspraak van de kerk vragen gaat stellen zoals jij, dan zou men toch ook moeten vragen: ‘waar stond dan eertijds geschreven wat Mozes en de profeten van God hebben getuigd?’ Kijk, jij gemene duivel, wat deze verklaard hebben ging uit van de Heilige Geest en daarom is en blijft het een eeuwige waarheid. Daarom heeft ook de kerk de Heilige Geest, maar deze is niet beperkt tot datgene wat al eerder geschreven is; hij kan altijd vrij spreken en leren en de kinderen van de kerk hebben dat als een altijd onweerlegbare waarheid te aanvaarden. Wanneer de kerk dus geschiedkundig meedeelt dat Petrus werkelijk in Rome heeft gepredikt, daar zijn stoel heeft gesticht en daar ook de kruisdood is gestorven, dan is dat immers een gegarandeerde waarheid, omdat de kerk, die in het volledige bezit is van de Heilige Geest, het verkondigt. Daar heb je nu het door jou verlangde bewijs. Houd je nu aan je woord en maak dat je wegkomt! Ik had jou deze les weliswaar niet hoeven te geven, maar ik heb het toch gedaan om jou daardoor een grotere verdoemenis te bezorgen’.

 

Nu zegt Petrus: ‘Goed, mijn vriend en werkelijk trieste en duistere broeder! Aangezien je mij de kerkelijke Heilige Geest zo duidelijk hebt beschreven, vraag ik jou hoe het mogelijk is dat de Heilige Geest, wat betreft de petrinische gegevens bij de verschillende kerkelijke geschiedschrijvers, die toch zeker allemaal volgens jouw zeggen 'vanuit de Heilige Geest' gesproken en geschreven hebben, juist in deze geschiedkundige uitspraak over de aanwezigheid van Petrus in Rome zich zo geweldig heeft kunnen vergissen. Jij hebt daarnet beweerd dat het verblijf van Petrus in Rome drie jaar heeft geduurd, maar ik kan jou verzekeren dat in dit opzicht geen letter die geschreven werd over de historie van Petrus mij onbekend is. Als je overigens maar enigszins thuis bent in de kerkgeschiedenis, dan moet je de varianten die tussen de vierentwintig jaar en jouw drie jaar liggen, toch zeker ontdekt hebben. Zo wordt ook het sterfjaar van deze apostel te Rome totaal verschillend aangegeven en men moet van geluk spreken wanneer men in deze gegevens slechts één variant van één jaar ontdekt. Dat mijn verklaring juist is, kun je bij de verschillende geschiedschrijvers terugvinden, want jullie bibliotheek is gelukkig in het bezit van al deze uitspraken. Zeg me nu eens, aan welke hecht jij uiteindelijk het meeste geloof?’ De monnik zegt: ‘Dat is alweer een duivelse strikvraag. Wat moet ik daarop voor antwoord geven? Ik zeg je: ‘de ware gehoorzame christen gelooft alles en vraagt niet naar historisch onjuiste data. Maar de denker, die een ketter is, piekert overal over’. In de Heilige Schrift zijn toch ook dergelijke tegenstrijdigheden te vinden. Moeten we er daarom geen geloof aan hechten? Als jij soms niet weet hoe de Heilige Geest spreekt, dan zeg ik je dat deze altijd spreekt volgens de innerlijke wijsheid en dat zulke uitspraken een heel andere betekenis hebben, die weliswaar geen duivel begrijpt. Wij godgeleerden begrijpen deze echter wel en wij weten wat we geloven. En dus heb ik je ook op deze vraag antwoord gegeven, opdat je daardoor ook des te meer verdoemd mag worden’.

 

Nu zegt Petrus: ‘Goed, mijn vriend, als dat juist is, dan zie ik echter volstrekt niet in waarom het de Heilige Geest heeft behaagd om in de getrouw beschreven Handelingen der apostelen gewag te maken van de apostel Paulus. Maar van de heilige Petrus, zoals jij hem noemt, in dit opzicht niets weet te vermelden, terwijl hij toch door Christus persoonlijk geroepen was om de kerk te stichten. Paulus werd geroepen tot apostel voor de heidenen. Over Petrus staat nergens geschreven dat de Heer hem eveneens voor de heidenen zou hebben geroepen. Bovendien kende Petrus de voortreffelijkheden van de apostel Paulus en zag hij er de noodzaak niet van in, om achteraf als tweede apostel naar de plaats te gaan waar Paulus al een christelijke gemeente had gesticht. Uit de Schrift weten we wel, en nog wel van Paulus zelf, dat hij Petrus eenmaal heeft terechtgewezen; maar een tegenovergesteld geval kennen we niet. Daar echter Petrus als eerste erkende leider van de kerk al door Paulus op een dwaling werd gewezen en daarover ter verantwoording werd geroepen - kennelijk had de Heilige Geest hem niet de vereiste dienst verleend, of beter gezegd, hij had zich tegenover de Heilige Geest wat vergeten - dan zou men toch ook kunnen aannemen dat dergelijke zeer afwijkende geschiedkundige data ofwel totaal eigenmachtig uit de lucht zijn gegrepen, of men zou ook hier de Heilige Geest van ontrouw kunnen beschuldigen.

 

Maar ik weet dat Christus de Heer aan alle apostelen dezelfde macht heeft verleend. Toen de Heer na Zijn opstanding, volgens een verklaring van Johannes, (de apostel) Petrus eens gelastte Hem te volgen, volgde Hem ook de leerling Johannes. Toen Petrus zich daaraan stoorde, berispte de Heer hem en sprak: `Wat gaat het jou aan als Ik wil dat hij blijft?' Hetgeen zoveel wil zeggen als: ‘dat hij evenals jij Mij volgt’. Waarom was dat? Omdat de Heer daardoor zeker heeft willen aantonen dat deze leerling met zo'n gemoedsgesteldheid de Heer, evenals Petrus, onwankelbaar en standvastig mocht volgen. Daarom moest hij, ondanks de tegenwerping van Petrus, met deze instelling de Heer voortdurend blijven volgen. Verder weet ik ook, dat de apostelen zich eens beklaagden over een zekere Johannes, die niet door de Heer geroepen was. Door hem te verdedigen bracht Hij echter de gemoederen van Zijn jaloerse apostelen weer tot rust. Ook is er geen syllabe te vinden over een aanbeveling van Christus aan een apostel om een of andere tempel te bouwen, en van een opdracht achteraf van de Heilige Geest weten we ook niets.

 

Christus heeft wel gezegd: `Verkondig Mijn leer overal'; maar dat Hij eveneens zou hebben gezegd: ‘bouw bedehuizen voor Mij!’, daarvan is nergens ook maar in het allerminst gewag gemaakt. Wel weten we dat Hij tot de vrouw bij de Jacobsbron heeft gesproken: ‘Er komt een tijd, en deze is reeds aangebroken, waarin de ware aanbidders God zullen aanbidden in geest en waarheid en daarvoor zal men noch de tempel te Jeruzalem noch de berg Garizim nodig hebben, want men zal God overal kunnen aanbidden in geest en waarheid.' (Joh.4). We weten ook dat de Heer de biddende mensen heeft aanbevolen zich heel alleen in hun kamertje te begeven. Tegen de apostelen zei Hij echter niet: ‘sluiten jullie je op in kloosters’, maar: `Ga uit over de hele wereld en verkondig het evangelie aan alle schepselen!' Wanneer jij echter jouw kerkelijk machtsvertoon met de Heilige Geest wilt autoriseren, dan maak je van Christus kennelijk een leugenaar of een slechte leraar, die tijdens Zijn leraarschap niet wist wat er allemaal voor Zijn leer nodig was en deze pas naderhand in zekere zin op een verdachte manier heeft moeten corrigeren op grond van louter elkaar tegensprekende historische data. Hij heeft niet ingezien dat er ter verbreiding van Zijn leer kloosters en kerken nodig zouden zijn. Hij heeft niet ingezien, dat Petrus in Rome zijn kerk moest stichten en daar mettertijd een enorm bedehuis en een nog groter woonhuis voor zijn opvolgers moest laten bouwen. Zo kan Christus ook niet hebben ingezien, dat er mettertijd hoge rangordes onder het priesterschap van zijn kerk noodzakelijk zouden worden voor de verbreiding van Zijn leer. Zou Hij dat tijdens Zijn leraarschap hebben ingezien, hoe zou hij dan Zijn apostelen, toen zij Hem naar het leiderschap vroegen, een antwoord hebben kunnen geven dat lijnrecht tegen de huidige kerkelijke structuur ingaat? Hij zei immers: `Slechts één onder u is de Meester. Deze ben Ik; jullie zijn echter allemaal broeders onder elkaar!' Zijn onwetendheid gaat echter nog verder. Iedereen weet toch dat Hij zei: `Niemand is goed dan God alleen; jullie zullen niemand vader noemen, want slechts één in de hemel is jullie Vader. Daarom is ook niemand heilig dan God alleen.’ Maar nu is elke apostel heilig en de opvolger van Petrus is zelfs een `heilige vader'!

 

Als jij hier goed over nadenkt, beste vriend, dan moet je, als je het met jouw kerkelijke structuur eens bent, Christus ontegenzeggelijk van alle door mij opgesomde zwakheden beschuldigen en, als jij aan Zijn Godheid gelooft, moet je ook zeggen: ‘God ziet ook, evenals een zwak mens, eerst geleidelijk aan in wat beter is. Hij is ook genoodzaakt voor Zijn schepselen te zwichten ten koste van Zijn eeuwige waarheid en oneindige wijsheid’. Wel weten wij dat de Heer door Mozes en de profeten de Joodse kerk als voorafbeelding en in alle onderdelen op de Heer betrekking hebbend, gesticht heeft. Dat heeft Hij letterlijk door Mozes bekendgemaakt. Dat de Heer bij Zijn komst in de allerhoogste persoon van Christus nog eens een ceremoniële kerk zou hebben gesticht, daarover heeft Hij nooit ook maar het minste gezegd. Integendeel, als fundament van Zijn leer stelde Hij enkel en alleen de naastenliefde en wat daartoe onontbeerlijk op de voorgrond moest staan: de liefde tot God. Want Hij zei uitdrukkelijk: `Heb elkaar lief zoals Ik jullie heb liefgehad en nog liefheb, dan zal men daardoor erkennen dat jullie waarlijk Mijn leerlingen zijn'. Zo zei Hij ook dat Zijn apostelen en leerlingen niemand moesten verdoemen en oordelen, opdat zijzelf niet verdoemd en geoordeeld zouden worden. Ja, de Heer zei zelfs van zichzelf dat Hij niet gekomen was om de wereld te oordelen, maar om haar zalig te maken, en om te zoeken wat verloren was gegaan. Hoe hebben jullie jezelf dan in tegenspraak met deze buitengewoon duidelijke leer van Christus als rechters kunnen opwerpen en jezelf het tijdelijke en eeuwige recht tot verdoemen en doden toegeëigend? Zou in dit opzicht op jullie misschien de tekst van Christus van toepassing zijn waarin Hij innerlijk bewogen tot diegenen sprak die tegen Hem wilden zeggen: ‘wij hebben in Uw naam gepredikt, geprofeteerd en duivels uitgedreven’: `Ga weg van Mij, bedrijvers van onrecht, Ik heb jullie nooit gekend, want jullie zijn het die de Geest altijd hebben tegengewerkt'! Ik zeg je derhalve, overweeg Mijn woorden aandachtig en geef Mij daarna een antwoord. Pas wel op dat je mij niet weer met een exorcistische uitvlucht aankomt, want dan zal ik je de macht van een ander exorcisme laten zien, dat jouw blinde ogen zal openen, zodat je de afgrond zult zien die je te wachten staat wanneer je nog langer hardnekkig in jouw dwaasheid blijft volharden. Zie, de Heer heeft zich over jullie ontfermd en mij hierheen gestuurd voor jullie redding. Willen jullie naar mij luisteren, dan zullen jullie gered zijn. Zo niet, dan heb ik ook de macht jullie ijlings naar de plaats te werpen, die de Heer als de juiste voor jullie heeft bestemd. Kijk, de monnik staat nu helemaal versteld en weet zich geen raad meer. Daarom keert hij om en gaat geschrokken naar zijn gezelschap terug. Laten wij hem dan ook volgen, opdat jullie zelf kunnen zien, hoe dergelijke dwalingen zich in de geestelijke wereld ontwikkelen.’ (Geestelijke Zon 1-68)

 

Petrus stoel en de Kerk

De Heer: ‘van Rome uit zal het nooit licht worden. Daar mag dan weliswaar als kerkelijk regent een zekere Petrus of Paulus op de hiërarchiestoel zitten! Want jullie weten, dat het ware licht als eigenlijke Rijk van God nooit met een uiterlijk en materieel showkarakter aangetroffen wordt, maar slechts helemaal in alle stilte innerlijk in de mens. En helemaal buiten beschouwing gelaten, zoals een mosterdkorreltje, zoals zij in de aarde gezaaid is, dan ook van het binnenste der aarde als een teerste plantje te voorschijn komt. En dan groeit het,  totdat het volwassen is en waaronder de hemelse vogels hun woning nemen.’ (Himmelsgaben 2-47) ‘Ik heb jullie nu de sleutel gegeven, net als Petrus tot Mijn Rijk. Dit is Mijn verborgen Rijk in jullie. Open het met deze sleutel en jullie zullen wonderen aanschouwen en ware geestelijke wonderen in en aan jullie ontdekken.’ (Himmelsgaben 3-40) ‘Jij bent Petrus (een rots), op deze rots wil Ik Mijn kerk bouwen, en de poorten der hel zullen ze niet overmeesteren! Jou wil Ik de sleutel van het hemelrijk geven. Zie, hoe was Petrus en hoe was zijn liefdeskerk op de rotsen van zijn hart gebouwd. Wat was haar beweegreden? Hoe zijn alle huidige kerken gebouwd? Wat is haar motief? Ik bedoel, dat dit zelfs een blinde moet begrijpen en ook zien, laat staan, dat zijn ogen toch al tamelijk geopend zijn. Zo echter iemand onder jullie of naar de rots van Petri zouden willen vragen en zeggen: ‘Ja, als deze rots dus puur geestelijk te nemen is en slechts alleen in ieder individueel mens te zoeken en in het bestuur van een gemeente niet is te begrijpen, waarom laat de Heer dit toe, dat eeuwen lang de gemeentes zich hierover breken en elkaar steeds maar verwarren, alleen vanwege de juiste rotschap van Petri. Want iedere gemeente is er van overtuigd, dat in hun (kerk)huis Petrus als rots aanwezig is.

 

Speciaal wordt vandaag de dag veel over de rooms-katholieke kerk geklaagd en veelvuldig wordt haar uiteindelijke gehele nederlaag verwacht (zie elders in dit boek,  zeker binnen 2000 jaar na Jezus op aarde) en het ophouden van haar werken, haar godendom en haar gehele duistere drijfwerk. De één houdt haar de geschiedenis voor de neus en laat haar al die miljoenen gruwelen zien uit alle tijden, welke ze overal door haar priesters begaan heeft. Een andere houdt haar de hele Bijbel voor, ruim geopend onder het gezicht en bewijst haar heel precies met honderd teksten, dat hun paus nog minder van Petrus afstamt dan de Chinese keizer van de zon, en dat hij linea recta in plaats van Christus plaatsvervanger slechts een waarnemer is van de draak en laat hem mathematisch zijn ondergang met jaar, dag en uur zien. En wanneer de tijd komt en het jaar verstrijkt en de dag en het uur en de draak van Babel wil nog niet naar de hel gaan, dan is de (be)rekening onjuist of de Openbaring van Johannes is slecht vertaald – of het is helemaal niet authentiek – of het is slechts een duistere aftreksel uit de oude profeten – of de hele Bijbel is een puur half moralistisch, half oud-politiek werk, dat in deze nieuwe opgeklaarde tijden niet meer past. Anderen verdoemen alleen maar de ceremonie en billijken de inrichting van deze wereldkerk. Enigen zijn de kloosterlingen een doorn in het oog, anderen slechts de zogenaamde Jezuïeten, weer anderen de Latijnse rituelen en anderen vervloeken het celibaat en anderen weer de biecht en een ieder wat anders. Maar allen wensen heimelijk voor een deel en heimelijk publiek, dat het met deze hoer spoedig een einde komt!’ (Himmelsgaben 3-47) De Heer: ‘De berg Tabor staat analoog voor de hoogste en tegelijk met de diepste erkentenis van God in de geest en in de waarheid. Op deze berg ging Ik alleen met Mijn lievelingen. Petrus, Jakobus en Johannes waren dat te zeer, - tegelijk echter stellen deze drie ook elk mens voor, hoe hij moet zijn in de ware hemelse ordening. Petrus is de uiterlijke mens, die echter zijn hele wezen door allerlei beproevingen totaal naar binnen richt.’ (Himmelsgaben 3-47)  

 

De Heer: ‘Ik zeg jullie, even zoveel als van zijne heiligheid, van zijn ondergeschikte eminenties, van de stoel Petrus in Rome, die Petrus nooit gezien heeft, en iets van de kruisdelen, waarop Ik werd gekruisigd. Dat zich om zeer wijze redenen op de hele aarde evenzo weinig dan werkelijk ergens meer zou aan te treffen zijn, dan hoe weinig Mijn lijfrok, dat te Trier in Duitsland meerdere keren te zien is, wel echt is of de beenderen van de drie koningen te Köln of de drie ijzeren nagels in Mailand. Omdat in al hun Romeinse en Griekse kersen tezamen zulk een aantal bestaan, dat men met dezen een spoorweg van bijna een mijl zou bewerkt kunnen worden.’ (Himmelsgaben 3-64)

 

Petrus en bisschop Martinus

‘In het boek ‘Bisschop Martinus’ vindt de lezer alle details over de rol die de Engel Petrus  heeft gespeeld in het bijstaan van een overleden bisschop, die in de geestelijke wereld aankwam en zich erg verwonderde over de veranderingen in zijn ‘natuurlijke geestelijke’ omgeving. Hij werd door de Heer getest en begeleid en herkende uiteindelijk de Heer Zelf. Jezus zegt tegen hem: ‘Zie, Ik ben werkelijk Jezus, de gekruisigde! En in deze broeder heb Ik de eer, je de echte, oude Petrus voor te stellen, op wiens veronderstelde stoel de bisschoppen van Rome zitten en heersen, weliswaar niet in de orde van deze echte Petrus, maar in de orde van de Petrus die zij zelf bedacht hebben, zoals zij hem voor hun materiële doeleinden het beste konden gebruiken. Nu weet je, wie Ik en je eerste gids zijn; het overige zullen jouw eigen leerlingen je laten zien. (BM 1-29)

 

Martinus aan de boezem van de Heer

De Heer: `Als Ik met Petrus binnentreed, valt bisschop Martinus bijna bewusteloos neer en HET HELE GEZELSCHAP met uitzondering van de boekhandelaar’. IK zeg: 'Sta op en jammer hier niet als misdadigers op aarde! Want als Ik bij jullie kom, zijn jullie reeds zalig. Want de onzalige geesten vluchten voor Mij en willen in der eeuwigheid niet, dat Ik bij hen zou komen en ze zou verlossen en zalig maken’. Allen staan nu in de meest vreugdevolle stemming op en danken Mij luid voor deze oneindige genade en ontferming. Alleen bisschop Martinus is nog niet helemaal bijgekomen en hoort en ziet van pure angst niet, wat er gebeurt. Dan gaat PETRUS op een wenk van Mij naar hem toe, schudt hem door elkaar en zegt: 'Maar Martinus, wat doe je dan nu? We hebben al een heel lange tijd op je gewacht en je kwam niet meer te voorschijn! Wat praatte je toch zo lang en liet ons wachten als een preutse bruid op haar bruidegom, die zich veel te ijdel opmaakt voor het bruiloftsfeest! Weet je dan niet dat wij belangrijke en deze keer zeer dringende zaken te doen hebben?' Na een pauze spreekt eindelijk BISSCHOP MARTINUS: 'O, ja - goed - ja, ja! Juist, jij bent het! Ja, zie, het was alsof ik deze keer op een grote en zeer belangrijke ontdekkingsreis was en van grote reizen komt men niet zo gauw terug. Heb weliswaar wel het Allerhoogste ontdekt, doch niet tot mijn vreugde, maar slechts tot mijn grootste schrik! Ach, vriend, ik heb nu onweerlegbaar de ontdekking gedaan, dat onze huisheer en meester God, de Heer van de oneindigheid is! Dat is nu helderder dan de middagzon op aarde op de mooiste dag. Nu moet je je mij eens indenken als zondaar non plus ultra - en God, de Almachtige, de Rechtvaardigste, de Alwetende, de Heiligste, die een zondaar wel móet verdoemen, juist vanwege Zijn gerechtigheid en heiligheid! - Ohoho, vriend, dat is een heel verschrikkelijke ontdekking! Mijn vriend daar met die stralende hoed heeft mij weliswaar willen troosten en geruststellen, maar zolang men de geruststelling niet heeft van Diegene die mensen als ons plotseling voor eeuwig naar de hel kan verstoten, zolang heeft troost van een vreemde geen nut!' PETRUS zegt: 'Sta nu maar op en wees niet dom! Zie, de Heer Jezus die je zo mateloos vreest, wacht met open armen op je! Ziet Hij er dan zo uit, alsof Hem de veroordeling tot jouw verdoemenis reeds op de tong ligt?'

 

BISSCHOP MARTINUS werpt een vluchtige blik naar Mij en ziet Mijn grote vriendelijkheid. Dit geeft hem moed, zodat hij zich meteen wat van de grond opricht en met tranen in de ogen zegt: 'Nee, nee, vanuit deze mildheid zal in der eeuwigheid geen veroordeling tot verdoemenis komen! O Heer, o Vader, wat moet U goed zijn, dat U een zondaar zoals ik zo eindeloos mild en genadig kunt aanzien! O Jezus, nu houd ik het echter niet meer uit! Mijn hart brandt nu als een centraalzon van plotseling ontwaakte liefde voor U. Niettegenstaande mijn zonden moet ik minstens Uw voeten omklemmen en daar mijn overgrote liefde tot uitdrukking brengen! Heer, doe met mij wat U wilt, maar laat deze keer mijn liefde haar gang gaan!' IK zeg: 'Kom hier, Mijn hardnekkige broeder; je zonden zijn je vergeven. En breng je liefde tot uitdrukking hier aan Mijn borst en niet daar aan Mijn voeten!' Na deze woorden snelt Martinus naar de Heer toe, drukt Hem tegen zich aan en begraaft zich volledig in Diegene, die hij zo lang niet wilde erkennen. Als hij dan zo aan Mijn borst van liefde is uitgehuild, vraag IK hem: 'Nu, Mijn liefste broeder en zoon, zeg Mij eens: hoe bevalt je deze hellevaart? Ben Ik wel de eeuwige tiran, waarvoor jullie Mij hebben uitgemaakt?'

 

BISSCHOP MARTINUS zegt: 'O Heer, ik ben nu verstomd en heb geen woorden om U voor al deze lieve broeders te bekennen, hoe duidelijk ik nu al mijn fouten en grote dwalingen inzie. Maar laat mij in dit grote en eindeloze geluk eerst een beetje thuis raken, dan zal ik pas voor U, mijn liefste, goedigste, barmhartigste Heer Jezus, een echte belijdenis afleggen! O Heer, o Jezus, U Heiligste van alle heiligheid, U Liefde van alle liefde, U eindeloos Geduld van alle geduld, ik kan nu niets anders dan U liefhebben, liefhebben, liefhebben, U boven alles liefhebben!' IK zeg: 'Nu goed, goed; vanwege deze liefde die Ik in je zag, had Ik ook dit grote geduld met je en heb Ik je Zelf de hand gereikt. Nu ben je zalig, omdat je nu voortaan daar zult zijn, waar Ik Zelf ben! Maar zoek de oorzaak van je zaligheid vooral niet in de ledigheid, maar in de grootste werkzaamheid, die hier in alle eeuwigheid overvloedig worden aangetroffen! Nu gaan we echter naar de dertig mensen die je hebt meegenomen in het andere vertrek. Ga jij eerst naar binnen en probeer hen bij Mij te brengen. Is dit eerste werk in je zalige toestand je gelukt, dan zullen wij ook hen meteen naar hun eeuwige bestemming leiden. Laten we daar dus naar toe gaan en jij gaat alleen bij hen de kamer binnen. Zo zij het!' (BM 1-34)

 

Bisschop Martinus ontmoet Petrus en Johannes

‘Als Martinus weer geruime tijd door wandelt en zichzelf stilletjes afvraagt, wanneer het dal eens tevoorschijn zal komen, komen Petrus en de evangelist Johannes hem tegemoet en groeten hem zeer vriendelijk. Hij herkent ze meteen, vooral Petrus, die zijn eerste gids was in de geestelijke wereld en hij kan van vreugde nauwelijks spreken, dat hij zijn Petrus, die hij nu al zo lang had gemist, weer eens te zien krijgt. Na een poosje van vreugde over het weerzien zegt Martinus: 'Maar vriend, broeder, jij rots van het Woord Gods, waar was je dan zo lang? Waarom kwam je niet bij me in het huis, dat de Heer mij heeft gegeven? O, als je daarbij aanwezig was geweest, wat zou je je dan enorm hebben verbaasd, wat de Heer allemaal voor onbegrijpelijke wonderen tot stand heeft gebracht! Maar ik ben nu bijzonder blij, dat je eindelijk weer eens bij me bent. Nu zul je toch wel weer een langere tijd bij me blijven?'

 

PETRUS zegt: 'Lieve broeder, je weet, dat we allen slechts één wil hebben en deze wil is die van de Heer. Wat Hij wil en opdraagt, dat is goed! De oneindigheid is groot en vol van Zijn werken; maar wij zijn kinderen van Hem  en zijn als het ware Zijn arm. Daarom zijn wij nu eens hier en dan weer daar. Hoe en waar de Heer ons wil gebruiken, daar zijn we onmiddellijk, of dit nu miljarden zonneafstanden verder omlaag of omhoog is, dat maakt niets uit - want voor ons zijn er in ruimtelijke zin geen afstanden meer. En zo heb ik na jou veel te doen gehad en kon niet zichtbaar bij je komen. Maar nu heb ik samen met onze liefste broeder Johannes weer wat meer tijd en zal ik een hele poos in je gezelschap blijven. Maar de echte hoofdoorzaak daarvan is steeds de Heer en Vader Jezus. Zonder Zijn zichtbare aanwezigheid kunnen wij het nooit lang uithouden, en al helemaal niet op momenten, waarop Hij Zelf weer eens heel werkzaam wordt en Zijn geduld en lankmoedigheid achter zich laat. O vriend, op de hemellichamen, vooral op de lieve aarde, gaat het tekeer, dat je je daar geen voorstelling van kunt maken. Daarom wordt ook de Heer actief en wij zullen al gauw dingen zien, waarvan je tot nu toe geen voorstelling hebt. Maar als wij hier nu op de zon zullen afdalen naar haar grote valleien, dan kun je jezelf ervan overtuigen, hoe het hier in de grote landen van de lichtwereld werkelijk heel ongehoord begint toe te gaan.

Op de wijze zoals wij ons natuurlijk bewegen zullen wij nog een flinke tijd nodig hebben, tot we in het eerste dal aankomen. Je zult wonderen zien, waarvan je je tot dusver geen voorstelling kunt maken, ofschoon je nu samen met mij een bewoner van de derde hemel bent! Opmerking: Petrus is dus een bewoner van de hoogste Hemel! Alleen moet je het begrip 'ernst' nooit uit het oog verliezen, want de zonnemensen zijn heel curieus. In hun uiterlijk zijn ze een afspiegeling van de hemel en in hun innerlijk zijn ze sluwer dan de vossen. Ze hebben de grootste hoogachting voor ons als reine kinderen van God. Maar als je hun ook maar een of andere zinnelijke zwakheid toont, dan raak je ze niet zo gauw meer kwijt. Ze zullen je dan met een wijsheid tegemoet treden, waarvan je tot nu toe nog niet het flauwste vermoeden hebt. Onze broeder hier zal je heel wat meer kunnen zeggen, omdat hij hoofdzakelijk met de zonnebewoners van doen heeft.’ (BM 1-129)  Opmerking: tussen de onderlinge hoofdstukken kunnen de samenhangende verhalen niet altijd op elkaar afgestemd zijn. De citaten worden slechts dan vermeldt indien deze betrekking hebben op Petrus. Zo treffen we in het volgende verhaal Petrus weer in gesprek met Martinus aan!

 

Wijze woorden van de Heer over tolerantie ­

‘MARTINUS staat nu ook al voor de Heer en zegt: 'O Heer, o Vader, daar zou iemand toch het hoofd bij kunnen verliezen! Dat is toch een pracht, waarvan zeker geen geest van een andere planeet ooit heeft gedroomd! Zelfs Uw verheven broeders wrijven zich de ogen uit en lijken de al te grote glans nauwelijks te kunnen verdragen. Maar merkwaardig, dat ons nog niet een vlieg, laat staan iets menselijks tegemoet komt? Petrus denkt dat we zo lang voor de hal zouden moeten wachten, tot de eersten van het huis ons al met hun ceremoniën tegemoet komen, volgens de zeden en gebruiken van deze wereld.  Maar ik, die op de wereld een flinke afkeer van alle ceremonieel heb gekregen, omdat ik daarin totaal begraven werd, denk, dat we deze enorme domheden niet moeten afwachten, doch zonder al te veel aankloppen het huis moeten binnengaan. U zult daarvoor zeker wel voldoende macht hebben?' IK zeg: 'Oho, Mijn lieve Martinus. Wij komen hier toch niet als vijanden, doch als ware vrienden. Wij willen helpen en opbouwen en niet slaan en vernietigen! Zouden we ons erop kunnen beroemen, als we op dit ogenblik deze hele omgeving zouden vernietigen? Of is het eerzaam voor een krachtige arm om een mug de kop van het lijf te rukken? Het is toch beter om een mug van een kop te voorzien, dan hem te vernietigen. Daarom willen wij hier ook niet van onze kracht, maar van ons geduld en liefde een goed gebruik maken! Of zou jij het er mee eens zijn geweest, als Ik - in plaats van je al Mijn geduld en liefde te geven, die je beslist niet hebt verdiend - je meteen met Mijn almacht zou hebben gegrepen en in de hel geworpen? Waarmee zou je Mij daarvan hebben kunnen tegenhouden? Maar zie, Ik heb dat niet gedaan, omdat Ik het niet eervol vond, als Almachtige jou onmachtige te gronde te richten, - maar wel om je te behouden en op te richten! Zou het verstandig van ons zijn, hier vijandelijk te werk te gaan?' MARTINUS slaat zich op de borst en zegt: '0 mea culpa, mea maxima culpa!’ ‘O mijn schuld, mijn allergrootste schuld!’ 0 Heer, vergeef me, U weet immers dat ik een rund ben!' IK zeg: 'Ja, ja, het is je allemaal allang vergeven. Maar houd in de toekomst steeds de goede beweegreden voor ogen, van waaruit wij alleen maar werkzaam zijn en eeuwig zullen zijn, dan zul je niet gemakkelijk weer tot zo’n domheid vervallen. Zie, wij willen alles eeuwig behouden en niets ook maar voor een seconde lang vernietigen; naar vernietiging dorst alleen de hel! Begrijp dat en ga nu weer naar je plaats.' Martinus kust Mij de voeten en gaat snel weer naar de twee broeders.

 

Deze (PETRUS EN JOHANNES) vragen hem: 'Nu, wat moeten we doen? Moeten we wachten of naar binnen dringen?' MARTINUS zegt: 'Weet je, de dwazen zijn nog altijd het ongeduldigst geweest, omdat ze geen verstand hebben. Maar als ze tè dom worden is een flinke por in de ribben voor hen heel heilzaam! En dat is dan ook bij mij het geval. De Heer heeft mij een beetje terecht gewezen en nu ben ik weer helemaal in orde. Van een rund heeft Hij weer een mens gemaakt en nu is alles weer prima voor elkaar!' PETRUS zegt: 'Ja, ja, daar heb je gelijk in. Ook ik heb op de wereld van de Heer enkele flinke porren tussen mijn ribben gekregen en dat was ook goed. Zelfs broeder Paulus heeft een keer zijn geestelijke vuist in mijn rug geduwd en ook dat was goed! Maar nu weten wij beiden nog steeds niet of we moeten wachten en ons wat vervelen, of meteen dit prachtige huis moeten binnendrin­gen. Zeg ons dat nu maar, broeder Martinus!' MARTINUS zegt: 'Het lijkt me toe, dat jullie me ook nog een beetje voor de gek beginnen te houden. Het spreekt toch immers vanzelf, dat wij volgens de wil van de Heer moeten wachten tot allen die ons daar tegemoet willen komen, hun ceremonies zullen hebben uitgevoerd. Jullie zult zeker wel weten welke?' PETRUS zegt: 'Nu, beste broeder, je moet niet meteen zo opvliegen. Ik weet best, dat een terechtwijzing van de Heer niet zo goed aankomt als een liefkozing; maar het is toch evengoed liefde als de liefkozing zelf! Weet je, toen ik de Heer, nadat Hij mij en mijn broeders Zijn toekomstig lijden voorspelde, waarschuwde voor Jeruzalem en in mijn grote liefde tegen Hem zei: 'Heer, dat zal U niet gebeuren!’ Wat zei toen de Heer tegen mij?' MARTINUS zegt: 'O broeder, herhaal deze verschrikkelijke zin niet! Want werkelijk, het is voor mij altijd onbegrijpelijk geweest, hoe de Heer, die jou kort daarvoor tot pijler van Zijn kerk aanstelde die geen macht der hel ooit zal overweldigen, jou meteen daarop als Satan, de overste van de hel, kon aanduiden! Werkelijk, dat is voor mij tot nu toe nog een groot raadsel. Hoe kun je dat verklaren?' PETRUS zegt: 'Wel, toen de Heer mij als een pijler van Zijn kerk aanstelde, sprak Hij tegen mij uit Zijn wijsheid. Toen Hij mij echter een Satan noemde, sprak Hij tegen mij vanuit Zijn onmetelijke liefde, omdat Hij toen het wereldse in mij met alle geweld als met één stoot uit mij dreef. Dit wereldse in mij was de eigenlijke Satan zelf! Begrijp je nu deze zin en deze zware berisping?' MARTINUS zegt: 'Weliswaar nog niet helemaal, maar ik voel wel hoe deze zaak ligt. Ja, ja, de Heer is wel geheel en al liefde!’ (BM 1-158)

 

Petrus ernstige vermaning

Martinus moet zijn zinnelijkheid overwinnen

‘(MARTINUS:) 'Maar nu lijkt het alsof ik tonen van een klok hoor! Wat zou dat nu zijn? O, dat is heerlijk! Er is hier dus ook muziek! Weliswaar is er nog niets van een of ander ritme te beluisteren, maar het door elkaar klinken is toch heerlijk. Ik ben echt nieuwsgierig met welke klankinstrumenten ze dat teweeg brengen.’ PETRUS zegt: 'Beste broeder, dat zijn een soort klokken, ongeveer zoals die bij de oude Egyptenaren in gebruik waren en nu nog bij de Perzen, Parsen en Hindoes voorkomen; alleen klinken ze hier veel zuiverder dan op aarde. Deze klokken bestaan uit een soort schijven, waarop met elastische hamers wordt geslagen ter gelegenheid van bijzonder grote feesten of ook bij grote natuurge­beurtenissen, die hier bepaald niet zeldzaam zijn. Voor kleinere gebeurtenissen hebben ze hier een soort bellen, waarmee ze verschillende tekens geven. Ze hebben ook een soort harp, die ze meesterlijk kunnen bespelen. Deze zul je echter dan pas horen, als je je in het binnenste van de woontempel bevindt. Nu weet je al, wat je zo verschrikkelijk graag wilde weten. Maar omdat ze nu dadelijk uit de woning tevoorschijn zullen komen, zullen wij nu rustig zijn en op ze wachten. MARTINUS vraagt nog snel: 'Is onze opstelling wel goed voor hun ontvangst?'  PETRUS antwoordt: 'Wij zijn toch immers geen soldaten of komedianten! Hoe kom je daar nu weer bij?' MARTINUS zegt: 'Ik smeek je, lieve broeder, word nu niet boos, anders zou ik helemaal in vertwijfeling raken! Telkens als ik mijn mond open doe, komt er warempel wat doms tevoorschijn!' PETRUS zegt: 'Ja, dat is met jou vaak wel het geval. Maar de oorzaak daarvan is, dat je, zonder daartoe door de Heer te zijn geroepen, aan een stuk door praat en vraagt. Bovendien heb je ook nog een aanzienlijke portie zinnelijkheid in je, die in je ziel als kleine slangen heen en weer krioelt. Dat vertroebelt voortdurend de zinnen van je geest dusdanig, dat je alleen pas dan in staat zult zijn een beetje wijzer te praten, als de in je rustende zinnelijkheid niet door uiterlijke prikkels opnieuw wordt opgewekt. Ik vraag je echter om wille van de Heer, sluit toch eindelijk een verbond met jezelf en begeer voortaan niet meer, wat je geest niet waardig is! Dan zal het inzicht van je geest steeds helderder worden en je zult altijd woorden spreken vanuit de zuiverste wijsheid. Indien je dat echter niet ernstig doet, zul je nooit van je domheid afkomen. En de Heer zal je, in plaats van je hoger te brengen, op de maan van deze aarde plaatsen, 1000 jaren lang - volgens de natuurlijke tijd van de Aarde. Opmerking: dus ook als men reeds zalig is (uit genade door de Heer) aan gene zijde, dient men daar zijn uiterste best te doen de wil van de Heer te volgen, waartoe ook de vrije wil  van de menselijke geest op de proef wordt gesteld. Het is dan nog mogelijk, indien men daarin faalt, in een lagere staat kan worden teruggebracht, zoals hierboven wordt vermeld. Er zullen nu meteen een aantal van de allermooiste en bekoorlijkste vrouwen en dochters van de zon tevoorschijn komen. Ik zeg je in naam van de Heer in volle ernst: Tot hiertoe en niet verder is de Heer van plan je te leiden om je eindelijk van je zinnelijkheid los te maken. Als je deze beproeving zult doorstaan, dan zal het heel goed voor je zijn. Zul je daarin echter niet staande blijven, dan zul je door ons plotseling verlaten zijn en je in plaats van op de zon op de kaalste bodem van de Maan bevinden en met een wijze van die planeet heb je vroeger al eens kennis gemaakt.

 

Want zie, alles wat sedert je aankomst in onze geestenwereld met jou en om jou heen gebeurde, dat gebeurde allemaal hoofdzakelijk ter wille van jou, om een flinke werker in de grote wijngaard van de Heer uit je te maken. De Heer Zelf zei ook al tegen je, dat je voor Hem vooral op deze wereld een nuttige dienaar zou kunnen zijn, en daarom doet Hij ook zulke grote dingen om uit jou een goede engel te maken. Maar je moet zelf ook iets doen, als de Heer zo veel doet, anders zul je een uiterst ongunstig lot over jezelf afroepen. En je zult dan in het echte Godsrijk, dat je tot nu toe nog steeds onbekend is, in het beste geval niets anders dan een armzalige voddenraper worden! Nu weet je, wat dit allemaal betekent. Beheers je daarom nu eindelijk eens voorgoed, wees ernstig en goed, en als een al te grote schoonheid je in de war wil brengen, kijk dan naar de Heer en je zult al gauw rust vinden. Want je moet het zo ver brengen, dat nog veel en veel grotere schoonheden je nooit meer in hun ban krijgen en wel daarom, omdat je van de Heer bent en eeuwig wilt zijn. Dan pas zul je geschikt zijn om in de ware hemel te worden opgenomen, waar zaligheden zonder naam en tal op je wachten, waarvan je nu nog geen vermoeden hebt. Want tot nu toe heeft je oog nog niet aanschouwd, wat de Heer voor diegenen heeft bereid die Hem waarachtig en getrouw liefhebben. En die niet net als jij bij de aanblik van de gladde ronding van een vrouwenhuid Hem bijna helemaal vergeten, zolang hun toestand nog maar enigszins draaglijk is, en pas dan weer tot Hem hun toevlucht nemen, als ze door hun grenzeloze dwaasheid tot hun nek in een poel zijn weggezonken.

 

Zie Martinus, tot nu toe was je toch bijna altijd zo geaard en was je volgens je eigen herhaaldelijke bekentenissen steeds meer rund dan mens. Nu we echter het doel nabij zijn, leg dan in naam van de Heer het dierlijke eindelijk eens helemaal van je af! Leg de oude Adam volkomen af en trek in alle liefde Christus volkomen tot je, dan word je meteen opgenomen in de ware eigenlijke, vaste hemel, in het Nieuwe Jeruzalem, waar ik, Johannes en talloze anderen al heel lang burgers van zijn. Martinus, heb je me nu begrepen?’ (BM1-159)

 

Bemoedigende woorden en vermaning van Petrus

‘MARTINUS zegt heel nadenkend: 'Dus nog steeds beproeving, mijn beproe­ving! Dus dit alles alleen ter wille van mij! O God, o God, wanneer zullen deze beproevingen dan toch eindelijk voorbij zijn? Ik zal misschien wel zo lang beproefd worden, tot ik niet voor de hemel, maar voor de hel rijp genoeg ben. Daarom moet ik nu waarschijnlijk zo veel van het hemelse proeven, opdat de hel mij dan des te verschrikkelijker zal voorko­men? Hoe dikwijls heb ik al gehoord, dat men tegen me zei: 'Nu Martinus, lieve broeder, ben je volmaakt!' Maar als ik dus volmaakt ben, kan en moet ik dan voor de eigenlijke hemel nog méér dan volmaakt zijn? O God, U had me beter nooit kunnen scheppen, dan zou mijn ‘niet-zijn’ zaliger zijn, dan nu mijn bestaan onder louter beproevingen tussen hel en hemel! Weliswaar weet ik nu, hoe ik er aan toe ben en ik dank je, lieve broeder Petrus. Maar ik zeg je ook: met deze onthulling heb je ook reeds met één slag aan alle beproevingen voor mij een eind gemaakt! Je kunt nu engelen of duivels voor mij laten aanrukken, dan zal me dat net zo om het even zijn als mijn toekomstige zijn of niet-zijn, of hemel of hel! Want als dat ook nog beproevingen zijn en ik niet anders dan aan één stuk door beproefd word, dan stel ik me van een verder leven niet veel meer voor! En bij God, jij zei eerder iets over een kale maan. O zet mij daar maar gauw, maar dan voor eeuwig neer! Daar zal ik gelukkiger zijn dan hier onder deze voortdurende beproevingen, waaruit ik maar al te duidelijk zie dat ik, - hoewel jullie eerste hemelvorsten om mij heen zijn samen met de Heer, - in plaats van naar de hemel naar de hel wordt gebracht! Maar het moge nu zijn zoals het wil. Zoals ik al heb gezegd: laat nu maar engelen of duivels voor me verschijnen, dat zal mij om het even zijn; want van nu af aan zal ik zwijgzamer zijn dan een steen!' PETRUS zegt: 'Broeder, laat die angel vallen! Want deze is de dood, die de ontucht van het vlees in zich draagt. Zijn naam is 'toorn', waarom ook kinderen van het vlees 'kinderen van de toorn' worden genoemd! - Maar nu komen ze ook al naar buiten. Wees daarom kalm; jouw ernst zal je van nut zijn!' (BM 1-160)  Opmerking: tot zover dit verhaal. De rest kan men uitvoerig in het boek Bisschop Martinus zelf lezen (door Jakob Lorber).

 

Opmerking: Wanneer leefde Martinus op onzee Aarde? 400 n. Chr. De Sint Maarten heeft daarmee te maken. Waar komt het bisschopdom vandaan? Het Griekse woord ‘episkopos’ betekent van oorsprong ’opzichter’. Toen de apostelen, profeten en leraren sterk in aantal afnamen, groeide het aanzien en invloed van de bisschoppen. In een veel latere tijd overnam het bisschopdom de leiding in het Presbyterium, waardoor zich een episcopaatmonarchie ontwikkelde.

 

Petrus en Robert Blum

Petrus in gesprek met een franciscaan over Rome. De vraag ‘Wanneer Christus de Heer, die eigenlijk een levende kerk in de harten der mensen wilde oprichten, bevolen tot de bouw van gemetselde tempels, waarvan er nu op de gehele aarde al wel meer dan een miljoen te vinden zijn? Wanneer schreef Hij hun heidense inrich­tingen voor, de geprivilegieerde altaren, de genadebeelden en het gewijde doopwater, evenals het heilige chrisma?’ ‘De ware apostelen doopten toch met heel natuurlijk water, zoals God het heeft geschapen; of ze bij het dopen ook gebruik maakten van de heilige olie, daarover schijnt de geschiedenis eveneens te zwijgen! Wanneer gelastte Hij het gebruik van klokken, orgels, en misgezangen, de kostbare benodigdheden voor de mis; wanneer de uitvaartplechtigheden en de dure requiemmissen? En bij welke gelegenheid heeft Hij kapelaans, pastoors, dekens, kanunniken, proosten, prelaten, bisschoppen en kardinalen geïnstalleerd en hen van zulke grote inkomsten voorzien? Bij mijn weten heeft Hij het de apos­telen, toen Hij ze voor het verbreiden van Zijn leer zelfs uitzond.’ Heel onwillig zegt de franciscaan eindelijk: 'Ik zou je wel heel wat kunnen zeggen, maar tegenover een ketter is het beter om te zwijgen!' Miklosch zegt: 'Dat geloof ik ook, vooral wanneer men geen enkel bewijs kan aandragen! Zeg me dan tenminste, wanneer Christus de goddeloze formule voor de overgang van een christelijk ketterse geloofssekte naar de roomse kerk heeft voorgeschreven? Wanneer stelde Hij de aflaat in, wanneer het feest van de rozenkrans, wanneer het portiunculafeest? Bij welke gelegenheid heeft Hij dan de heilige Roomse en Spaanse inquisitie ingesteld? En wanneer en waarom heeft Hij die hele ordengeestelijkheid ingevoerd? Spreek en geef antwoord! Kijk, je bent alweer stom als het graf! Waarom? Dat weet ik! Dus, iets gemakkelijks.

Zeg mij eens, waar staat dan in de Handelingen der apostelen geschreven dat de apostel Petrus werkelijk in Rome het pausdom heeft gesticht? Bij mijn weten heeft deze apostel zich tijdens de laatste jaren van zijn leven in Babylonië opgehouden en heeft van daaruit ook een brief geschreven naar Jeruzalem. Maar Rome en Petrus hebben elkaar evenmin gezien als ik en de keizer van China! Misschien heb jij wel andere, betrouwbare gegevens en dus, spreek! Je zegt echter alweer niets. Er schiet jou zeker weer niets steekhoudends te binnen. Kijk eens, wat ben jij toch een arme stakker met jouw verdediging van de paus! Maar misschien kun je me dan toch nog zeggen, wanneer Christus of Petrus aan de paus de titel van 'heilige Vader' heeft gegeven en het kussen van zijn pantoffels, dat de waarde heeft van vele aflaten, heeft voorgeschreven? Christus heeft bij mijn weten immers streng verboden om wie dan ook, behalve God alleen, goed en heilig te noemen. Zo zou men ook niemand Vader noemen dan God alleen, want onder elkaar zouden wij broeders en zusters zijn. Wie weet echter of Christus de Heer niet naderhand, als Hem misschien iets beters te binnen is geschoten (?), een aantal voor ons leken onbekende aanvullende veror­deningen heeft laten uitvaardigen, hoewel Hijzelf in het openbaar voor heel veel mensen te Jeruzalem uitdrukkelijk verklaarde: 'Hemel en aarde zullen vergaan, maar Mijn woorden niet!' Ja, mijn vriend, je zwijgt nog steeds en je ergerlijke verlegenheid is van je gezicht af te lezen. Wat moet daar dan van terechtkomen? Kijk, ik zou je nog wel honderd van zulke merkwaardige vragen kunnen stellen, maar wat heeft dat voor nut? Je wilt mij er geen beantwoorden! Daarom zou het beter zijn, dat je óf de paus geheel laat schieten en naar de werkelijke Heer toegaat en trouw en openlijk je domheid tegenover Hem erkent, óf op reis gaat naar Boedapest, dat je daar ziet liggen!' De franciscaan zegt eindelijk: 'Vriend, je hebt mij door jouw merkwaardige vragen op heel andere ideeën gebracht, waarvoor ik je heel dankbaar ben. En ik wil je volgen naar de enige Waarachtige!' (Hemel en Hel 1–149)

 

Petrus' scherpe oordeel over Rome

‘Daarop verheft Petrus zich en zegt namens alle apostelen: 'O Heer, mijn liefde, mijn leven! In Rome, de oude hoofdstad van de heidenen, heerst nu al zo'n duizend jaar lang een hiërarch die zijn leer heeft samengesteld uit het heidendom, het Jodendom en ook uit Uw zeer beknotte leer. Opmerking: Robert Blum is in 1848 standrechtelijk geëxecuteerd in de Brigittenau bij Wenen op 9 november. Hij had zich tegen de wet verzet en hij moest – hoewel hij geen crimineel was toch vernietigd worden, aldus destijds Bismarck.. Robert Blum was afgevaardigde van de frankfurter nationale vergadering in Wenen. Omdat Petrus in bovenstaande een tijdsbestek van 1000 jaar noemt en aan gene zijde contact heeft met Robert Blum, moet de heerschappij van de paus dus ongeveer in het  850 begonnen zijn.

Petrus vervolgt verder: ‘Hij noemt zich paus en plaatsbekleder van God op aarde! Zijn troon noemt hij mijn stoel en zichzelf mijn opvolger! Hij beweert in het bezit te zijn van de volle macht van Uw allerheiligste Geest, maar zoekt, wanneer hij in zijn wereldlijke of geestelijke heerschappij door oproer wordt bedreigd, nooit hulp in zijn vermeende kracht van de Heilige Geest, maar enkel bij de grote machthebbers op aarde. Deze paus zit nu in grote moeilijkheden en roept openlijk Maria aan als zijn enige vermeende hulp, om bescherming en spoedig herstel van zijn rijk. Omdat hij echter zelf niet gelooft in dergelijke hulp, laat hij nu ook nog andere hulp toe, waartegen hij voor de schijn wel protesteert om de wereld als het ware te tonen dat hij meer dan genoeg bescherming uit de hemelen zou hebben en dus geen andere hulp nodig heeft. Maar indien de wereldse machthebbers hem, ondanks al zijn protesten, toch willen helpen, dan moet het ook duidelijk zijn, dat deze helpers heimelijk door de machtige hemelkoningin aangespoord worden om de kerk van God op aarde te helpen, wanneer de poorten van de hel haar dreigen te overweldigen! Wat zegt U, Heer, dan wel van deze gemeente?

Broeder Paulus stichtte haar waar en zuiver en verscheidene eeuwen lang heeft ze min of meer zuiver voortbestaan. Maar deze gemeente is sinds bijna duizend jaar geleden overgegaan in een zeer onzuiver, vaak zelfs boosaardig heidendom, slechts azend op goud, zilver, macht en op de absolute heerschappij over alle volkeren der aarde. En om dit doel te bereiken zendt ze naar alle windstreken de sluwste missionarissen uit! Zeg ons, o Heer, zult U dan nooit eens paal en perk stellen aan zo'n buitensporig boosaardige handelwijze? Zie, de volkeren die zich lange tijd heel geduldig aan het lijntje lieten houden door deze zogenaamde hemeldochter, hebben nu eindelijk eens de moed opgebracht haar schitterend masker af te rukken. Nu doet ze al het mogelijke om de flinke scheuren in haar oude masker te herstellen en zoveel mogelijk onherkenbaar te maken. Heer, Uw wil geschiede! Maar ik meen toch, dat U met betrekking tot deze ellendige creatuur genoeg door de vingers hebt gezien! Het zou daarom eindelijk eens tijd worden haar geheel te schrappen uit het boek der levenden en haar naam over te brengen naar het boek der doden! Want laat U haar weer op krachten komen, dan zal ze zich niet alleen niet beteren, maar zal ze haar hoererij met nog meer glans ten toon spreiden, zodat ook diegenen die U nu aanhangen, worden aangetrokken door haar weelderige schoot en haar bovenmate zinnelijk het hof zullen gaan maken. Er zal U dan in korte tijd toch niets anders overblijven dan met haar te doen, wat U destijds genoodzaakt was te doen met Sodom en Gomorra.

Het is wel waar dat uit deze aartshoer een groot aantal mooie kinderen is geboren, en daarom genoot ze gedurende meer dan duizend jaren ook min of meer ongestoord Uw grote geduld en toegeeflijkheid, en samen met mijn broeders heb ik daaraan zelfs oprechte vreugde beleefd. Nu echter is ze door haar al te grote verdorvenheid onvruchtbaar geworden en zal ons weinig mooie kinderen meer baren. Daarom meen ik dat het nu eindelijk tijd wordt om haar het verdiende loon te geven. Overigens moge toch alleen Uw heilige wil geschieden!' (Hemel en Hel 1-81)

Bittere feiten voor Rome

‘Zelfs in Italië begint men al de ene aartsbisschop na de andere achter slot en grendel te zetten en dat met het volste recht! Deze machthebbers verdienen niet anders, want ze waren steeds de grootste vijanden van de mensheid, maar des te grotere vrienden van goud en zilver. Petrus, voor wiens opvolger iedere paus zich alom uitgeeft, zei eens tegen een arme drommel die hem om een aalmoes vroeg: 'Goud en zilver heb ik niet, maar wat ik heb geef ik je!' Zou een paus dat ook tegen een arme zeggen? De fraaie opvolgers van Petrus zouden alleen maar kunnen zeggen: 'Ik heb wel goud en zilver in overvloed, maar dat geef ik je niet; wel mijn apostolische zegen, die mij niets kost!’ En dan: 'Ga in vrede! Mocht je onderweg van honger omkomen, dan zal je ziel toch na drie dagen vagevuur meteen in het paradijs komen, waar het haar dan goed genoeg zal gaan!' Heeft de grote Paulus dan niet vol vuur geijverd tegen opgesmukte gewaden, evenals tegen iedere waardigheid, die de mensen zich maar al te graag aanmeten? Wanneer heeft Christus, die Zelf zei: 'God is geest en moet daarom in de geest en in waarheid aanbeden worden', aanbevolen om voor veel geld tempels en gebedshuizen te bouwen, en daardoor duizenden armen te laten verhongeren? Welke apostel heeft het Latijn eigenlijk tot goddelijke taal verheven? Alsof God de Heer, die zeker elke taal verstaat, alleen aan de Latijnse het grootste welgevallen zou hebben! Bewijs mij dat uit de Schrift, dan wil ik jullie geloven! Kunnen jullie dat echter niet, dan zijn jullie antichristenen bij uitstek!’ (Hemel en Hel 1-230)

 

Een gezelschap in verschijningsvorm van de stad Wenen.

‘Robert zegt: 'O Heer, zou U mij niet iets willen vertellen over hetgeen wij eigenlijk in dit evenbeeld van Wenen gaan doen en wat we daar zullen tegenkomen? Want als ik zo onvoorbereid aan Uw zijde in deze stad kom en dit hele grote gezelschap met ons, dan weet ik werkelijk niet hoe wij daar zullen worden ontvangen of hoe ik me moet gedragen om niet ten overstaan van U in verlegenheid te geraken.'Ik zeg: 'Daar hoef je je geen zorgen over te maken als Ik bij je ben. Trouwens, niet het hele gezelschap gaat mee, maar alleen Ik, de drie apostelen, jij en Helena. Alle anderen blijven hier totdat we terugkomen. Maar kijk echter nu naar Wenen en merk op dat het beslist niet leeg is, maar helemaal bewoond wordt zoals op aarde, en wel door dezelfde mensen, die sedert het aardse jaar 1848 tot aan dit tegenwoor­dige jaar 1850 in deze stad hebben gewoond en nog wonen, ofwel als geest of nog als materiemensen. Laten we er daarom maar heen gaan opdat jij je 'smalle poortje' spoedig zult hebben doorgemaakt. Daar voor jullie voeten liggen donkere bovenkleren; gooi die eerst over jullie hemelse!' Robert en Helena doen meteen wat hun aangeraden is en zien er nu uit als bedevaartgangers. Zo ook de apostelen, die er helemaal uitzien als pelgrims uit Jeruzalem. De kleding van de Heer lijkt echter op die van een eenvoudige Jood. Aldus verkleed beginnen wij onze korte reis naar het voor ons liggende Wenen. Nadat we zijn aangekomen bij het tolhuis en de paspoortcontrole, die zich in de buurt van de zogenaamde 'Spinnerin am Kreuz'  bevindt, vraagt Robert, die naast Mij loopt: 'Heer, zien alleen wij de verschillende wachthoudende manschappen of zien zij ons soms ook? Dan zal het ons slecht vergaan, want we hebben immers geen paspoorten!' Ik zeg: 'Ja, zij zien ons ook; maar niet allemaal, alleen diegenen die zich ook al in de geestenwereld bevinden. Dezen zullen echter door bepaalde ingevingen de nog aardse bewoners op ons opmerkzaam maken en dan zal er inderdaad een kleine opschudding ontstaan. Laat Petrus nu voorop gaan, die weet het beste hoe men met zulke douanebeambten en ontvangers moet omgaan.'

 

Petrus gaat dadelijk naar de douanier toe en zegt: 'Vriend, wij zijn reizigers van verre, maar hebben geen passen, want in ons hemelse rijk is men voor eeuwig vrij om te gaan waarheen men wil; we kunnen je daarom geen paspoorten tonen. Wij zijn echter doodeerlijke wezens, hebben ons nergens aan iets schuldig gemaakt en zijn nog overal zonder moeilijkheden doorgekomen. Daarom denk ik dat men ons ook hier niets in de weg zal leggen.' De douanier zegt: 'Vriend, waarschijnlijk uit China, als jullie niets hebben aan te geven, kunnen jullie wat mij betreft meteen verdergaan. Daar vooraan is nog een controlepost waar de passen worden ingenomen en gecontroleerd. Zijn jullie werkelijk Chinezen?' Petrus zegt: 'Ja, ja. Dus daar vooraan is de pascontrole? Wij zijn u zeer erkentelijk voor uw informatie.' Daarop zegt de douanier: 'Nu nog mooier, dit haveloze bedelaarsvolk wil zich ook nog groot voordoen.' Petrus zegt: 'Vriend, beoordeel de mensen nooit naar hun kleding! Je kunt nooit weten wat er zo nu en dan achter eenvoudige kleren schuil kan gaan.' De douanier zegt: 'Zelden iets anders dan gepeupel en vagebonden, die men moet oppakken en per omgaande terugsturen naar waar ze thuishoren en wettelijk ingeschreven staan! Begrepen, mijnheer?' 'Jazeker', zegt Petrus, 'deze taal is tegenwoordig maar al te gebruikelijk, zodat het niet mogelijk is dat de arme volksklasse haar niet zou verstaan. Met degene die hier voorbijrijdt in een prachtige koets met bedienden in livrei, praat je vast heel anders, maar met ons, die bloots­voets gaan, praat je als waren we slechts een diersoort. Kijk, dat is niet prijzenswaardig van je! Laat ons nu maar verder gaan, misschien zullen de douaniers bij de volgende post niet zo streng zijn als jij.' De douanier zegt: 'Daar zullen ze zeker korte metten met jullie maken! Maak nu maar dat je weg komt, anders laat ik jullie nog arresteren!'

 

Robert zegt tegen Mij: 'Zo zijn ze, en dat is nog een van de beteren. Als men met zo iemand te maken krijgt, zou men van woede en ergernis werkelijk uit z'n vel kunnen springen! O mensen! O aarde!' Ook Helena zegt: 'Als die ons nog langer zou hebben lastig gevallen met zijn geringschattend gepraat, dan had ik hem wat anders verteld! Ik ken deze kerel namelijk. Goed dat we verdergaan, anders was ik hem wel in de haren gevlogen. Nou, die zou raar hebben opgekeken!' Ik zeg: 'Praat niet zo hard, Mijn dochtertje, want deze douanier heeft scherpe oren! Als hij dit zou horen, zou je moeilijkheden met hem krijgen.' Helena zegt: 'Maar Heer, slechter dan Satana zelf zal hij toch niet zijn?' Ik zeg: 'Dat hangt ervan af; als wachters zijn de honden naar hun aard vaak heel wat kwaadaardiger dan hun meesters. Meesters praten slechts, maar de honden bijten! Maar we komen nu al bij de tweede controlepost. Petrus begint al met de politie te praten; we zullen zien wat dat oplevert!' Helena zegt: 'O, wij worden opgesloten als U, o Heer, geen gebruik maakt van Uw macht!' Ik zeg: 'Mijn lieve dochter, wees onbe­zorgd: het minste zuchtje uit Mijn mond en de hele aarde met al haar kerkers bestaat niet meer! Daarom hoeven wij voor geen kerker bang te zijn. Maar nu luisteren wij naar Petrus, aan wie zojuist wordt gevraagd: 'Waar komen jullie vandaan? Waar zijn de passen? Voor de dag ermee!' Petrus zegt: 'Geduld, ik heb alleen een korte vraag: zeg eens, kan er niemand ook geen inwoner, zonder pas de stad in?' De sergeant van de wacht zegt: 'Bekende inwoners wel, maar vreemdelingen nooit! Zijn jullie geen burgers van deze stad, dan moeten jullie een pas hebben, anders komen jullie er niet in. Horen jullie echter in deze stad thuis, dan moeten jullie je laten verhoren, opdat ik kan zien welke gezindheid jullie hebben.' Petrus zegt: 'Welnu, ik zal je alles precies opgeven!' Daarop vraagt de sergeant: 'Hoe heet jij?' Petrus zegt: 'Simon Juda, zoon van Jonas, Petrus genaamd.' De sergeant: 'Dat klinkt vreemd! Maar wie ben je dan, wat heb je voor beroep?' Petrus zegt: 'Van huis uit ben ik visser, maar ik ga er nu op uit om mensen te vangen, reeds sedert bijna 2000 jaar.'

 

De sergeant zegt tegen een assistent: 'Bewaak hem, want die hoort in het gekkenhuis! Die kerel verbeeldt zich dat hij Petrus, de beroemde apostel is! Nee, wat je bij een controle al niet kunt meemaken!' Hierop wendt de sergeant zich tot Paulus: 'Wie bent u dan en hoe heet u?' Paulus zegt: 'Ik ben een tapijtwever, later een apostel van de heidenen. Mijn eerste naam was Saulus en de latere was en is nog Paulus.' De sergeant zegt tegen een tweede assistent: 'Bewaak ook hem, want die is ook rijp voor het gekkenhuis!' Zich daarop tot Johannes wendend vraagt hij ook deze apostel: 'Wie bent u dan? Soms ook zo'n apostel van Christus?' Johannes zegt: 'Ik ben de evangelist Johannes en tevens ook apostel van de Heer Jezus Christus!' De sergeant zegt tegen een derde assistent: 'Hoort ook thuis in een krankzinnigengesticht! Bewaak hen goed! Daar zijn er nog drie, die zullen wel net zo zijn!’ (Hemel en Hel 2-199)

 

Kerkelijk-bekrompen geesten

‘Wij bevinden ons nu echter in het plaatsje Frohnleiten, waar een aantal geesten uit de daar gelegen parochiekerk naar ons toekomt, die ons uitgebreid vragen vanwaar we komen, waarheen we gaan en wie we zijn. Petrus treedt naar voren en zegt: 'Wij komen van boven en komen voor een korte periode naar beneden om de verloren schapen en lam­meren te zoeken, om de bokken te tuchtigen en de wolven te gronde te richten.' De geesten zeggen: 'Aha, jullie zijn zeker missionarissen uit Rome, dus door de paus zelf voor dit uiterst gewichtige ambt gewijd?' Petrus zegt: 'O, lieve mensen! Wij zijn wel missionarissen, maar niet daartoe gewijd door jullie blinde paus, maar door God, de Heer Jezus Christus Zelf. Wie van jullie ons wil volgen, wordt direct door ons opgenomen voor het waarachtige rijk Gods, maar wie ons niet wil volgen, zal op de woeste aarde worden achtergelaten. Laat niemand ons echter meer vragen wie we zijn of hoe we heten, want wie hier niet onvoorwaardelijk aan ons verzoek voldoet, zal niet worden aangeno­men. De geesten zeggen: 'Als jullie niet door de heilige paus zijn gewijd en gezonden, kunnen wij jullie onmogelijk volgen, want God de Heer heeft hem immers alles in handen gegeven. Wat hij bindt op aarde, is ook gebonden in de hemel en wat hij ontbindt op aarde, is ook ontbonden in de hemel. Als jullie dus niet door de paus zijn gezonden, dan kunnen jullie alleen maar gezonden zijn door de hel, waar alle ketters vandaan komen, die ook godslasterlijk zeggen dat zij van God komen en dat Hij hun Vader is, terwijl toch enkel satan hun vader is. Gaan jullie maar weer verder!'

 

Petrus zegt: 'Hoe weten jullie dan dat de paus van God de Heer zo'n enorme macht heeft ontvangen?' Een vrouw met een twee pond­ zwaar gebedenboek in de hand zegt: 'Nou, dat weet toch iedereen! God heeft Petrus alle macht gegeven en Petrus daarna aan de ene paus na de andere. Daarom is iedere paus even belangrijk als de heilige Petrus zelf. Heeft meneer dat begrepen?' Petrus zegt: 'Dat klinkt mij heel grappig in de oren, daar ik toch zelf deze bewuste Petrus ben in wiens handen God de Heer de geestelijke sleutels tot het hemelrijk heeft gelegd. Ik weet niets van een overdracht van de door God aan mij toebedeelde macht aan de roomse paus; evenmin heb ik ooit in Rome gewoond. Paulus, een apostel van de heidenen, heeft zich wel geruime tijd onder de tirannieke regering van keizer Nero in Rome opgehouden, maar ik, de ware, echte Petrus, nooit! Hoe zou ik dan een paus tot mijn opvolger hebben kunnen benoemen en hem alle mij door God Zelf verleende macht hebben kunnen over­dragen?' De vrouw schreeuwt: 'Scheer je weg, satan! Kijk die kerel nu eens! Die wil nu zelfs de heilige Petrus zelf zijn! Het is hun nog niet genoeg om de leer van Christus, die alleen de paus bezit, als helse ketters te verwerpen; uiteindelijk willen zij ook nog Onze-Lieve-Heer zelf zijn! Maak nu maar dat jullie wegkomen, anders gebruiken we geweld!' Ik zeg: 'Broeder Simon, voorlopig is elke moeite hier tevergeefs; die hebben nog tweehonderd jaar nodig voordat zij een beetje verlicht worden. Laten we daarom maar weer verder gaan! Ik zal jou alleen eerst enkele ogenblikken hemels laten schitteren en toelaten dat deze bekrom­pen zielen je herkennen. Dan zullen we echter plotseling voor hun ogen verdwijnen. Dit gezicht zal voor hen een leidster zijn, bij het schijnsel waarvan ze langzamerhand de ware weg van het leven zullen vinden.' Op hetzelfde moment straalt Petrus als de zon op de helderste middag. Alle geesten krimpen van schrik ineen, maar wij verdwijnen. Als de geesten weer tot bewustzijn komen en voor ons willen neervallen, zien ze iemand meer. Daarop beginnen zij terstond te wenen en te jammeren en hun verblindheid te verwensen. Maar een heel college van monniken komt uit de kerk gelopen en begeeft zich naar de klagenden, beleert hen op streng pauselijke wijze en verklaart deze zogenaamde verschijning tot een spookbeeld van de hel. De geesten willen de monniken grijpen en hen afmaken, maar deze maken zich uit de voeten en vluchten hun klooster in. De geesten lachen hen uit, verwijderen zich van deze plaats en begeven zich naar de bergen. Zo eindigt deze scène in Frohnleiten. Wij trekken verder met de bedoeling om ' s avonds tegen zes uur in de omgeving van Graz aan te komen en bij de zogenaamde Reinerkogel plaats te nemen, waar de vier die vooruit waren gegaan zich al hebben geïnstalleerd.’ (Hemel en Hel 2-259)

www.zelfbesschouwing.info