Petrus in gesprek met geestbewoners

 

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer]: PETRUS zegt tegen de aartsbisschop Martinus, die aan gene zijde nu verder leefde: 'Wel, toen de Heer mij als een pijler van Zijn kerk aanstelde, sprak Hij tegen mij uit Zijn wijsheid. Toen Hij mij echter een Satan noemde, sprak Hij tegen mij vanuit Zijn onmetelijke liefde, omdat Hij toen het wereldse in mij met alle geweld als met één stoot uit mij dreef.

 

Dit wereldse in mij was de eigenlijke Satan zelf! Begrijp je nu deze zin en deze zware berisping?' Zelfs broeder Paulus heeft een keer zijn geestelijke vuist in mijn rug geduwd en ook dat was goed! MARTINUS zegt: 'Weliswaar [begrijp ik je] nog niet helemaal, maar ik voel wel hoe deze zaak ligt. Ja, ja, de Heer is wel geheel en al liefde!’…

 

Petrus zei elders tegen een overleden kloosterling [die nu ook in de geestelijke wereld woont – weliswaar in een sfeer tussen de hemel en de hel]: ‘Maar van de heilige Petrus, zoals jij hem noemt, is in dit opzicht niets weet te vermelden, terwijl hij toch door Christus persoonlijk geroepen was om de kerk te stichten. Paulus werd geroepen tot apostel voor de heidenen.

 

Over Petrus staat nergens geschreven dat de Heer hem eveneens voor de heidenen zou hebben geroepen. Bovendien kende Petrus de voortreffelijkheden van de apostel Paulus en zag hij er de noodzaak niet van in, om achteraf als tweede apostel naar de plaats te gaan waar Paulus al een christelijke gemeente had gesticht.

 

Uit de Schrift weten we wel, en nog wel van Paulus zelf, dat hij Petrus eenmaal heeft terechtgewezen; maar een tegenovergesteld geval kennen we niet.

 

Daar echter Petrus als eerste erkende leider van de kerk al door Paulus op een dwaling werd gewezen en daarover ter verantwoording werd geroepen - kennelijk had de Heilige Geest hem niet de vereiste dienst verleend, of beter gezegd, hij had zich tegenover de Heilige Geest wat vergeten. [Bron: (BM 1-158]

www.zelfbeschouwing.info