Ontstaan van de Maan

 

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer]: (De HEER:) "Vele duizendmaal duizenden aardse jaren geleden was zij (de Aarde) aanmerkelijk zwaarder en haar geesten stonden onder grote druk. Toen ontstaken de kwade geesten echter in toorn en zij maakten zich met veel zeer grove materie van haar los en zwermden gedurende vele duizenden jaren in een zeer onregelmatige baan om deze aarde. Omdat het geheel echter op enkele brokken na, volkomen week en voor de helft vloeibaar was en alles voortdurend ronddraaide, vormde zich tenslotte een grote bol, waarvan de omwenteling van de as voor haar kleine doorsnede veel te langzaam was om op haar toch niet geringe oppervlakte te zorgen voor een gelijkmatige verdeling van de vloeistof, terwijl daarentegen haar omloop om deze Aarde erg snel was, zodat alle vloeistof steeds op de van de Aarde afgewende zijde moest blijven op grond van het oude gewicht tijdens het uitstoten.

 

Daardoor werd echter het eigenlijke zwaartepunt van deze ronde klomp steeds meer naar die kant verschoven waar zich voortdurend alle vloeistof bevond, en zo moest in de loop van de tijd de te langzame eigen asrotatie tenslotte geheel ophouden toen door het vaster worden van de klomp het water niet meer zo snel door kon sijpelen en de meegenomen golven tegen de ontstane hoge bergwanden te veel braken en weerstand ondervonden. De gehele klomp begon, toen de Aarde, die hem uitworpen had, slechts één en hetzelfde gezicht te laten zien.

 

En dat was goed, want nu kunnen de te hardnekkige geesten ondervinden hoe goed het is in een zeer droge en haast van alle voedsel verstoken materie opgesloten te zitten. En tevens dient dit deel van de Maan (want de klomp waarvan sprake is, (dat) is de Maan) sinds deze Aarde door mensen bewoond is, ook om mensenzielen, die te veel van de wereld houden, daarheen te verwijzen. Van daaruit kunnen zij, voorzien van een fijnstoffelijke omhulling, hun mooie Aarde ver weg op een afstand van meer dan honderdduizend uur gaans, enige duizen­den jaren lang meer dan voldoende bekijken en zichzelf beklagen omdat zij niet meer haar gierige bewoners zijn. Dat zij echter ondanks al hun verlangen niet weer naar beneden op de Aarde kunnen komen, daar is wel heel goed voor gezorgd. Maar ettelijke aeonen aardse jaren zullen op den duur ook de aller­hardnekkigsten tot bezinning brengen!

 

Nu hebben jullie dus gezien hoe de gehele materiële schepping der werelden is ontstaan, tot en met de Manen van de planeten, die haast overal waar men ze aantreft op gelijke wijze zijn ontstaan, dezelfde aard hebben en nu voor hetzelfde doel dienen. Op gelijke wijze en om dezelfde reden als waarop oorspronkelijk de gehele stoffelijke schepping der werelden tot en met de Manen tot stand kwam uit geesten, die in zichzelf verdicht zijn, ontstonden in de loop der tijd op de harde en zware hemellichamen ook de bergen, als de eerste reusachtige planten van een wereld, en later allerlei planten, dieren en tenslotte de mens zelf.

 

Betere geesten ontworstelen zich gewelddadig aan de steeds toenemende druk van de materie door met de kracht van hun wil hun eigen materie op te lossen. Zij konden meteen overgaan in de orde van de zuivere geesten, maar de oude prikkel doet ook nog steeds zijn oude kracht gelden. De eigenliefde wordt meteen weer wakker, de plant zuigt, het dier vreet, en de mensenziel zoekt nauwelijks opnieuw in de oude goddelijke vorm terugkomend, begerig naar stoffelijke kost en een ongestoord, traag genieten. Zij moet zich daarom meteen weer met een stoffelijk lichaam omhullen, dat echter toch niet zo hard is als de oude, zondige materie. Ondanks het zachtere lichaam neemt daarin de ziel toch zodanig in eigenliefde toe dat zij weer helemaal in de hardste materie zou veranderen als Ik in haar hart niet een bewaker, een vonkje van Mijn liefdesgeest, gelegd zou hebben.´ (GJE 4-107)

www.zelfbeschouwing.info