Omhulsels

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer]: Omhulsels hebben hun bestaan altijd alleen maar te danken aan een van de orde van God uitgaande vastgehouden wil en missen derhalve de intelligentie van de ziel. Zij vormen slechts een noodzakelijk middel, waardoor de met verstand begaafde ziel zich als vanzelf, door een bepaalde tijd geïsoleerd te zijn, tot een echt volledig zelfstandig en vrij wezen kan vormen en ook werkelijk vormt.

 

De materiewereld bestaat daarom voor ruim twee derde deel uit zielen, en één derde deel is omhulsel zonder ziel, als drager van de eerst afzonderlijke, en vervolgens steeds meer verzamelde, en tenslotte reeds heel concrete en rijpe zielenlevens.

 

De materie der omhulsels, of de vaste vorm aangenomen hebbende wil van God, is derhalve een verlossingsinrichting, waardoor de door de val van satan meegevallen afgezonderde geesten volgens de bestaande orde weer een volkomen zelfstan­dige vrijheid kunnen bereiken, ‑ hoewel natuurlijk via een langere weg dan het tijdens de eerste periode zou zijn ge­weest.

 

Maar omdat de tijd God niet van de wijs brengt en Hij er ook geen last van heeft, omdat Hij de uiteindelijke verwerkelijking van Zijn grote Ideeën steeds als in het heden voor Zijn alziende ogen heeft ‑ of de tijd nu kort of lang duurt ‑, daarom zijn voor God duizend jaar als één dag of als één moment.

 

Een Aarde kan dan wel, tot aan de volle ontbinding van al de in haar hulsmaterie ingesloten geesten, méér jaren nodig hebben dan het onuitsprekelijk grote aantal fijne zandkorrels dat haar gehele wezen zou kunnen vullen, en zo'n tijdsduur is bij God tenslotte toch ook niets meer dan één kort ogenblik. Vernietigd kan er niets worden wat God eenmaal tot aanzien heeft geroepen. bron: GJE2‑232

www.zelfbeschouwing.info