Oergrond van de Schepping

Oerbron van al het licht en zijn

(Johannes getuigt van Hem, roept de mensen op en zegt: Deze was het van wien ik gezegd heb: Die na mij komt, is voor mij geweest, want hij was eerder dan ik. Joh. 1: 15)

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer]: Johannes geeft van dit alles een juist getuigenis, en hij maakt de mensen direct na de doop in de rivier de Jordaan er op opmerkzaam, dat de mens, die hij zojuist gedoopt heeft, Degene is, waarover hij al keer op keer in zijn boetepredikingen tegen het volk gezegd heeft dat men Hem waardig moest ontvangen en dat Hij, Die na hem zou komen, vr hem geweest was, er dus eerder was dan hij. De diepere betekenis hiervan is: Dit is de bron van alle licht en de oerbron van al het licht en zijn, Die vr al het bestaande was, en waaruit al het bestaande voortkwam. (bron: GJE1-3:2)

 

Dit vers zegt dat datgene actief is geworden, wat al in het eerste vers als het 'Woord' of 'Licht' in de diepste grond van al het Zijn en Worden geheel aanwezig was, maar zich nog niet als iets wat al uitgetreden was, duidelijk zichtbaar liet zien. Daarom moet dit derde vers (van Johannes), op de juiste manier weergegeven ook zo luiden: Al het geschapene ontstond uit deze oergrond van de schepping, die in zichzelf de eeuwige diepste grond van zijn totale bestaan is. Het licht, het woord en de wil brachten uit dit eigen wezen het eigen licht, de eeuwige eigen scheppingsgedachte, in het vaste zichtbare bestaan voort, en er is niets in de gehele eeuwige oneindigheid, dat niet op dezelfde manier uit dezelfde oergrond in het zich openbarende en zichtbare bestaan gekomen is. (bron: GJE1-1:10,11)

 

...dat Mozes zich met zijn beeldspraak alleen maar met datgene bezighoudt wat betrekking heeft op de oerschepping van de eerste mensen der Aarde, en dus helemaal niet met de scheppingsgeschiedenis van Aarde en Hemel en alle schepsels op de Aarde en in de Aarde. Hij heeft daarentegen vrijwel enkel en alleen aandacht voor de eerste ontwikkeling van het menselijke hart en verstand; dat is de reden waarom hij ook meteen het menselijk‑historische eraan verbindt.

 

De geschiedenis kon echter slechts een product van de intelligente ontwikkeling van de mensen zijn en nooit van de stom geschapen natuur, die tot op heden geheel onveranderd gebleven is en dat ook tot aan het einde der tijden zal blijven.

Dat is ook het geval met de Indische boeken, waarin eerst gesproken wordt over het scheppen van zuivere geesten, dan over de val van een deel van hen onder het hoofd 'Jehova's oorlogen' en daarna pas over de schepping van de zintuiglijke wereld en van de dieren, en als laatste over die van de mens. Dat moet allemaal in geestelijke zin opgevat worden en slaat voor alles alleen maar op de zedelijke ontwikkeling van de mens.

 

Wie, door de geest geleid, de overeenkomsten tussen de zintuiglijke en de geestelijke wereld goed begrijpt, moet evenwel ook in staat zijn daaruit op te maken hoe nu precies de zintuiglijke wereld uit de geestelijke wereld is voortgekomen, hoe en waaruit de zonnen en daarna de planeten en planeetsatellieten met daarop allerlei schepselen ontstaan zijn. Maar dat is niet zo eenvoudig, want dat betekent: eerst geestelijk geheel ontwaakt zijn. Want alleen de oeroudste Getuige van al het worden en zijn kan je door dat labyrint voeren, waarachter tot op heden nog geen sterfelijk oog doorgedrongen is. bron: GJE2-215

www.zelfbeschouwing.info