Nicodemus

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer]: Nicodemus was burgermeester van Jeruzalem en eigenlijk ook overste over de Joden. Hij was aangesteld door de machthebbers in Rome. Hij was een der rijkste notabelen en was een rechtschapen man. Zijn huis kon wel tien duizend mensen verschaffen. Dit stond aan de Davidsplein, binnen de Salomopoort, ook wel de Gouden Poort genoemd. In Jeruzalem en naaste omgeving, met de vreemden erbij geteld, leefden er destijds zo’n 800.000 duizend mensen. (GJE 1-18) - (GJE 1-22-5) - Cornelius zegt over Nicodemus, die overigens een echt rechtschapen man was, dat hij gespuis, waarvan er net zoveel zijn als het gras op de Aarde, in toom moet weten te houden. bron: GJE1-88

 

Nicodemus berekende wanneer het Rijk van God moest komen. Alleen wist hij nog niet wanneer en hoe men er in komt. (GJE 1-18)

 

De jonge Israëliet [Nicodemus] zei: 'Kom dan maar met mij mee, dan zal ik u voor een drachme of daar­omtrent tot morgen onderdak ver­lenen. Jozef volgde hem met Maria die op de ezel zat en zijn drie zoons, naar een prach­tig huis, waar hij zich met hen on­derdak verschafte in een eenvou­dige kamer. Toen Jozef zich de volgende morgen al had klaargemaakt om te vertrekken naar Bethlehem, kwam Nikodemus het geld voor de nacht incasseren. Toen hij de kamer betrad overviel hem een grote angst, waardoor hij geen woord over zijn lippen kon krijgen.

 

Jozef ging naar hem toe en zei: 'Vriend, ik bezit geen geld; neem dus iets van mijn bezit dat U een drachme waard is als tegen­waarde.' Jozef herkende dan in deze man Nicodemus, een zoon van Benja­min, van de stam Levi.

 

Jozef werd eveneens herkend door Nicodemus, die hem wilde uithoren over het een en ander. Jozef: ‘Hoe haal jij het in je hoofd om mij uit te horen? Dat komt jou helemaal niet toe! De Heer Zelf heeft mij onder­zocht, zowel in de Tempel als op de Berg der vervloeking! Hij heeft mij voor de Hoge Raad on­schuldig bevonden; wat zoek jij mij en mijn zoons dan nog te be­schuldigen? Ga maar naar de tempel en doe daar navraag bij de hoge Raad, dan zul je over mijn huis een juist getuigenis krijgen!' - Nu deed de ook aanwezige vroedvrouwen een stapje naar voren tot Nicodemus en zei: 'Beste man, hier, pak aan je geld voor de overnachting: een drachme, dik betaald, het zeer karige onderkomen in aanmerking genomen! En houd ons nu niet langer op, want we moeten vandaag nog in Bethle­hem zijn! Maar weet wel, dat wat vannacht zo armetierig in jouw herberg heeft gelogeerd voor één drachme, dat daarvoor je aller­mooiste kamer, gesierd met edel­stenen en goud, nog veel te min zou zijn! In dit kamertje, dat hoogstens goed genoeg mag heten voor een dwangarbeider, heeft Gods Heerlijkheid Zelf verblijf gehouden! Ga naar dat Kindje, raak het aan, dan zullen die dikke schil­len van je ogen vallen; dan zul je zien, Wie bij je op bezoek is ge­weest! Als vroedvrouw heb ik volgens oude gewoonte het recht jou toe te staan het Kindje aan te raken.

 

Nu ging Nicodemus naar het Kindje toe en raakte het met­terdaad aan; en toen hij het had aangeraakt, ging hem een inner­lijk licht op, waardoor hij althans voor een kort ogenblik Gods Heerlijkheid vermocht waar te nemen. Onmiddellijk viel hij voor het Kindje op zijn knieën, aanbad het en zei: 'O God, dat Gij Uw volk in deze gestalte en op deze wijze bezoekt! ...Hoe groot moet Uw genade met hen zijn en Uw erbarmen jegens hen! ...Maar, wat staat mij nu met dit-mijn-huis te doen? En wat staat mijzelf te wachten, nu ik Gods Heerlijkheid zo heb mis­kend?' De vroedvrouw antwoord­de hem en zei: ' Je blijft maar pre­cies zoals je bent; maar bewaar wel over hetgeen je gezien hebt het diepste stilzwijgen, anders zul je Gods straf kunnen verwach­ten!' Nicodemus gaf nu de drachme weer terug en ging onder tranen naar buiten. Het desbetref­fende kamertje liet hij later inder­daad rijk met goud en edelstenen verfraaien. (bron: de jeugd van Jezus, hfdst. 28)

 

In de voorlaatste nacht van Mijn oponthoud in de omgeving van Jeruzalem, kwam een zekere Nicodémus eveneens 's nachts naar Mij toe, omdat ook hij een voornaam iemand uit Jeruzalem was; want ten eerste was hij een Farizeeër, wat in ambt, waardigheid en aanzien ongeveer gelijk staat aan een huidige kardinaal in Rome, en ten tweede was hij als een van de rijkste notabelen van Jeruzalem tevens in deze stad de overste der Joden; hij was de hoogste burgemeester van de stad, en hij was aangesteld door de machthebbers in Rome. (bron: GJE1-18:1)

www.zelfbeschouwing.info