Nathanael

 

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer]: Hij had een poŽtische en volgens zijn zeggen nog lang geen profetische geest. bron: GJE2-95 - NathanaŽl was het meest doordrongen van de Goddelijkheid van Jezus. Nathanael had 12 leerlingen. (Philippus vindt NathŠnaŽl en zegt tot hem: Wij hebben Hem gevonden, van Wien Mozes in de wet geschreven heeft en waarvan de profeten geschreven hebben; het is Jezus, de zoon van Jozef uit Nazareth.' Joh. 1:45)

 

Terwijl hij Mij volgt, kijkt Philippus opmerkzaam langs de weg in het rond en ziet NathŠnaŽl, terwijl deze onder een vijgenboom zittend zijn visgerei herstelt, en hij zegt vol vuur tegen hem: 'Broeder, ik heb de hele lange weg al naar je uitgekeken en ben nu van ganser harte blij, dat ik je gevonden heb, want kijk, we hebben Hem gevonden, van Wie Mozes in de wet heeft geschreven en waarvan de profeten hebben geschreven; het is toch Jezus, Jozefs zoon uit Nazareth!'

 

(En NathŠnaŽl zei tegen hem: 'Wat voor goeds kan er uit Nazareth komen? Philippus zei daarop: 'Kom en zie het zelf!' Joh. 1:46)

NathŠnaŽl reageert wat onwillig en zegt: 'Wie kent het slechte nest Nazareth niet?! -Wat voor goeds kan er dan wel uit dit nest komen?! En de Messias wel het allerminst!' Philippus zegt echter: 'Ik weet wel, dat je het in dit opzicht altijd met mij oneens was, hoewel ik je wel honderdmaal mijn redenen verklaard heb, maar kom nu en overtuig je zelf, en je zult beamen, dat ik volkomen gelijk heb gehad!'

 

Nadenkend komt NathŠnaŽl overeind en zegt: 'Broeder, dat zou een zeer groot wonder zijn! Want het gepeupel van Nazareth is toch echt wel het slechtste van de hele wereld! Met een Romeinse munt kan je toch van een NazareeŽr alles maken wat je maar wilt?! In dit nest is allang geen geloof meer, noch aan Mozes noch aan de profeten! Kortom van een NazareeŽr kun je maken wat je wilt, en er is al heel lang een spreekwoord dat zegt: 'Hij is nog slechter dan een NazareeŽr!' En jij zegt dat de Messias daar vandaan komt, en je wilt me naar Hem toebrengen, zodat ik Hem zal zien?! -Nou, nou, bij God is wel niets onmogelijk, we zullen eens zien!'

(Als Jezus NathŠnaŽl tot Zich ziet komen, zegt Hij hardop over hem: 'Zie een goede IsraŽliet, in dewelke geen bedrog is!' Joh.1 :47)

Na deze woorden gaat NathŠnaŽl met Philippus in de richting van Jezus, Die intussen een honderd passen verderop wat uitrust. Als beiden echter in de nabijheid van Jezus zijn, zegt Deze hardop: 'Zie IsraŽliet, een goede waarin geen bedrog is!'

 

(NathŠnaŽl zei tot hem: Hem: 'Vanwaar kent U mij dan? Jezus antwoordt en zegt tot hem: ďEer Philippus je riep, toen je onder de vijgenboom was, zag Ik je'. (Joh. 1 :48)

NathŠnaŽl verwondert zich hogelijk over deze rake beschrijving, die hij Mij zo luid hoort uitspreken, en vraagt meteen: 'Waarvan kent u mij dan, dat u zoiets over mij zeggen kunt? Want mijn innerlijk is alleen aan God en mij bekend; en ik was nooit opschepperig en heb mij nooit op mijn deugden voor laten staan. Waarvandaan weet u dan, hoe ik ben?' Terwijl Ik hem aanzie, zeg Ik tegen hem: 'Daarnet, toen Philippus je riep toen je onder de vijgenboom was, zag Ik je!'

(NathŠnaŽl antwoordt en zegt tot Jezus: 'Rabbi! -U bent waarlijk de Zoon van God! U bent de koning van IsraŽl!' Joh. 1:49)

 

Mijn uitspraak over hem maakt dat NathŠnaŽl zich zeer verbaast, en onmiddellijk reageert hij met een bewogen hart: 'Meester! Hoewel U een NazareeŽr bent, bent U toch waarachtig Gods Zoon! Ja, U bent ongetwijfeld de koning van IsraŽl waarnaar zo lang reeds verlangend is uitgezien, Degene, Die zijn volk uit de klauwen van de vijanden bevrijden zal! O Nazareth, o Nazareth, hoe klein was je en hoe groot word je nu! De laatste zal tot eerste verheven worden! O Heer! Hoe snel gaf U mij het geloof! - Hoe komt het nu dat iedere twijfel uit mij verdween, en ik nu volkomen geloof dat U de beloofde Messias bent!'

 

(Jezus antwoordt en zegt tegen NathŠnaŽl: 'Je gelooft omdat Ik tegen je gezegd heb: Ik zag je onder de vijgenboom. Je zult nog grotere dingen zien dan dat" (Joh. 1:50)

Op de vraag van NathŠnaŽl antwoord Ik eerst met wat in het bovenstaande vijftigste vers staat, en toon daardoor aan NathŠnaŽl, dat hij weliswaar nu gelooft, dat Ik de beloofde Messias ben, maar dat hij slechts tot dat geloof gekomen is door de in Mij ontdekte alwetendheid, die alleen in God kan zijn. Ik zeg daar echter nog bij, dat hij later nog grotere dingen zal zien, waarmee Ik hem zoveel wil zeggen als: Je gelooft nu door een wonder, later zul je echter vrij geloven!

 

(En Jezus zegt verder tegen hem: 'Voorwaar, voorwaar, Ik zeg jullie, -van nu af aan zullen jullie de hemelen open zien en de engelen Gods zien opstijgen en nederdalen op de Zoon des mensen! (Joh. 1:51)

En let op, Ik zeg jullie: van nu af aan zullen jullie allen de hemelen open zien en de engelen van God op zien stijgen en af zien dalen naar de Zoon des mensen, -wat zoveel wil zeggen als: In het vervolg, als jullie uit Mij de wedergeboorte van jullie geest zullen verkrijgen, dan zullen de levenspoorten geopend worden. Jullie zullen dan, zelf engelen zijnde, de door Mij in de wedergeboorte tot engelen en daardoor tot 'kinderen Gods' gemaakte mensen, van de dood naar het eeuwige leven zien trekken. Daarentegen zullen jullie ook veeloorspronkelijk geschapen hemelgeesten uit alle hemelen naar beneden naar Mij, de Heer van al het leven, zien afdalen en daar in Mijn voetstappen, de voetstappen van de Mensenzoon, zien treden, Mijn voorbeeld en Mijn getuigenis volgend.

 

Maar NathŠnaŽl ging staan en zei tegen de gasten: 'Beste vrienden en broeders! Nog maar een paar maanden geleden was ik visser in de omgeving van Bethabara aan de rivier de Jordaan, niet ver van diens uitmonding in zee, toen er een heel onopvallende man bij Johannes kwam en zich door hem liet dopen. Zonder dat Johannes Hem ooit persoonlijk op aarde gezien had, begon hij direct over Hem te getuigen, en hij zei: 'Zie het lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt!' En Johannes getuigde nog meer en zei: 'Deze is het, van Wien ik gezegd heb: Hij, die vůůr mij was, en mij komt, en Wiens schoenriemen ik niet waard ben los te maken!'

 

Ik hoorde dit getuigenis van de prediker in de woestijn en moest er diep over na denken, en ik ging daar weg en vertelde het thuis aan mijn vrouwen mijn kinderen, en deze waren erg verwonderd dat de boeteprediker zo over een mens getuigde! Want je kon heel moeilijk met de prediker praten, en als hij wat zei, waren zijn woorden nogal ruwen hij spaarde niemand, of het nu FarizeeŽn, priesters of levieten waren; iedereen hekelde hij met zijn vlijmscherpe tong! Maar toen Hij kwam, Die nu onze Heer is, werd Johannes zo mak als een lam en sprak zo teder, als het zingen van een leeuwerik in de lente! Kort en goed, mijn familie geloofde bijna niet wat ik verteld had, want ze was te goed bekend met de manier waarop Johannes gewoonlijk sprak.

 

Twee dagen daarna ging ik echter vrij vroeg aan mijn dagelijkse werk, ik zat onder een boom en repareerde mijn visgerei. Toen kwam Dezelfde, waarover Johannes dat tedere getuigenis had gegeven, in gezelschap van enigen die Hem volgden, naar mij toe, riep mij bij mijn naam en zei dat ik Hem moest volgen. En toen ik mij afvroeg, hoe Hij mij kende, omdat ik Hem nog nooit eerder had gezien, zei Hij: 'Verbaas je daar maar niet al te veel over , want je zult nog verbazingwekkender dingen beleven! Vanaf nu zul je de hemel geopend zien en de engelen boven de Zoon des mensen zien opstijgen en neerdalen!' En zie, wat de Heer toen tegen mij heeft gezegd, wordt hier nu op een heerlijke manier werkelijkheid! Alle hemelen zijn geopend en de engelen dalen neer en bedienen Hem en ons allen. Wat voor overtuigender bewijs hebben we nu nog nodig om te bewijzen, dat Hij alleen Degene is Die komen zal volgens de voorspelling, die reeds vanaf Adam tot op heden aan alle kinderen IsraŽls is gedaan?! Ik denk echter, dat Hij meer is dan de Messias! Hij is -,Ö.

Hier onderbreek Ik hem en zeg: 'Mijn beste vriend en broeder, voorlopig tot hier toe en niet verder! Pas als dit vlees door de Joden verhoogd zal worden, kun je alles watje van Mij weet zonder terughouding zeggen, maar niet eerder, want de mensen kunnen dat nog niet begrijpen!' NathŠnaŽl stelde zich hiermee tevreden, maar begreep toch niet goed, wat Ik bedoelde met de verhoging van Mijn vlees, en er waren er veel die dachten, dat Ik in Jeruzalem op de troon van David zou gaan zitten≠. (GJE 1-51-9-16)

 

[Opmerking: Dit sprak hij in het huis van de Samaritaanse vrouw Irhael in Sichar Ė bekend bij de Jakobsbron. ]

NathanaŽl gaf aan de achtergeblevenen als het ware leiding omdat hij voor zichzelf, zonder dat Ik hem dat persoonlijk opgedragen had, uitgebreider dan alle anderen een evangelie vastlegde in de Griekse taal, die hij goed meester was. Hij kwam tot in het diepst van zijn wezen geschokt naar Mij toe en zei: 'Heer! Almachtige! Ik zag dat visioen ook en daarin de verschrikkelijkste dingen, zodat ik van angst niet meer schrijven kon! Ik vraag U in alle volheid van mijn liefde voor U, eeuwig Heilige, om mij te zeggen of dat te eniger tijd in het hiernamaals in alle werkelijkheid zo gebeuren zal zoals ik en velen het nu hebben gezien.' GJE1-149 [1]

NATHŃNAňL zegt: "Maar broeder Jacobus, prijs me toch niet altijd als ik zo nu en dan iets zeg! De Heer weet toch het best wat mijn waarde en die van mijn wijsheid is, want als die waardevol zou zijn, dan zou ik ook al lang net als jij een uitgezondene zijn geworden. Maar ik ben nog steeds een leerling, omdat de Heer wel weten zal wat er nog aan mij mankeert. Ik heb wel een poŽtische, maar nog lang geen profetische geest! Kijk eens naar de jeugdige broeder Johannes, die is vanaf de wieg al een profeet. Dat weet de Heer en daarom heeft hij hem tot Zijn geheimschrijver gemaakt!" GJE2-96 [12]

www.zelfbeschouwing.info