Mensenvissers

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer]: Tegen Petrus zei de Heer: ‘Ik zal vanaf nu mensenvissers van jullie maken!Daarmee was dan ook een definitief begin gemaakt aan de toekomstige wending van Petrus. Vanaf dat moment begon zijn leven een ander karakter te krijgen. (Zie verder ook Mattheüs 4:18-25, Markus 1:14-20 en Johannes 1:35-52)

Alleen Johannes schrijft, dat twee discipelen Jezus volgen. Op aanbeveling van deze twee, volgden geleidelijk meer broeders of vrienden hun Meester. Zowel Mattheüs als Markus 1:15 beschrijven, dat de tijd in de woestijn voor Jezus er toen op zat. Die veertig dagen van teruggetrokkenheid waren nodig voor Zijn grote Missie. Toen Jezus dan aan het meer wandelde, zag Hij Simon en Andreas en riep hen toe: ‘volg Mij, Ik zal van jullie nu mensenvissers maken!’ Hierna ging Jezus naar een eenzame woeste plaats. Markus 1:36: En Simon, en die met hem waren, zijn Hem nagevolgd. Dan blijkt dat Petrus en de vier anderen (Andreas, Thomas, Philippus en Nathanaël) steeds dicht in de buurt bij Jezus waren.

 

Wonderbaarlijke visvangst bij Petrus’ huis

In dit verhaal wordt Petrus met vissen vangen geholpen. In een paar uur op de 'Galilese zee' vangen ze een grote hoeveelheid van de lekkerste vis en wel zo veel, dat deze nauwelijks in de viskar geborgen kan worden. Petrus werd er bang van, zodat hij in een soort van vrome bedwelming uitriep: 'Heer, ik smeek U, laat me alleen; want ik voel nu heel sterk een zondig mens te zijn! Al eens eerder was ik bang voor U, toen U, terwijl ik U nog helemaal niet kende, ergens vandaan kwam en mij en mijn helpers hier vissend aantrof! Ik zag toen al dat U van goddelijke afkomst was; nu heb ik echter nog meer angst, omdat ik nu maar al te duidelijk in zie, Wat en Wie U in het diepst van Uw Wezen bent! Toen hebben we net als nu de hele nacht gevist en zo te zeggen niets gevangen; op Uw woord echter en in Uw aanwezigheid scheurden de netten vanwege de te grote hoeveelheid gevangen vis! Ik voel, dat ik daardoor beslist erg bang voor U word, want U bent -,…Ik zeg: 'Wees stil en verraad Mij niet! Want je kent die ene onder ons! Die is en blijft een verrader.” (Lukas 5:1-11)

 

Na een overvloedige maaltijd (voor een erg groot gezelschap) ging Jezus Petrus helpen met het vissen. Het was de lekkerste vis en het waren er zoveel, dat deze niet geborgen konden worden. Petrus is dan zo onthutst, dat hij zich (wederom) zondig en klein voelt voor de Goddelijkheid van zijn Meester. (GJE1-100) - Petrus was al vaker (met zijn helpers) aan het vissen aan de Galilese zee. Toen zij plotseling een Man zagen, die zij destijds nog niet kenden, herkende Petrus in deze Man een Goddelijke afkomst. (Opmerking: Jezus was toen waarschijnlijk net 30 jaar!) Verder rijst de vraag of Petrus vlak na deze gebeurtenis Jezus in Zijn hut heeft leren kennen. Waarschijnlijk was dit zo. In het aangeduide verhaal noemt Jezus Petrus en Andreas niet bij naam, maar benoemd hen reeds tot ‘mensenvissers’.

 

Na de rijkelijke avondmaaltijd in het huis van Petrus – wederom klaargemaakt door de schoondochter van Petrus, zet hij een lofzang in. Allen zongen mee. Hierbij merkt Petrus het verschil op van Davids vroegere lofzangen en de lofzangen in zijn tijd. In verband met U, o Heer, Die toentertijd in de hemel woonde, en Die nu…. waarop Jezus hem nogmaals onderbreekt met de woorden: ‘Het is nu wel genoeg!’ (GJE1-100) - Lukas 5:3,4,5 - En Hij ging in een van die schepen, hetwelk van Simon was, en bad Hem, dat hij een weinig van het land afstak; en neerzittende, leerde Hij scharen uit het schip. En als Hij afliet van spreken, zei Hij tot Simon: ‘Steek af naar de diepte en werp je netten uit om te vangen!’ En Simon antwoordde en zei tot Hem: ‘Meester, wij hebben de gehele nacht overgewerkt, en niets gevangen; doch op Uw woord zal ik het net uitwerpen. Lukas 5:8 En Simon Petrus (dat) ziende, viel neder aan de knieën van Jezus, zeggende: ‘Heer, ga uit van mij; want ik ben een zondig mens. Lukas 5:10 En desgelijks ook Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeus, die medegenoten van Simon waren. En Jezus zei tot Simon: ‘Vrees niet: van nu aan zult gij mensen vangen!’

De wonderbare visvangstverklaring

In dit hoofdstuk gaat het niet over gelijkenissen of beelden, waarin veel geestelijks verborgen ligt, maar Lukas vertelt ons van het winnen voor de Heer van één van Zijn ijverigste discipelen, van Petrus, vroeger Simon genaamd en zijn medewerkers Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedëus. Lukas vertelt ons hoe de Heer de visser Simon voor Hem won door hem te laten zien, dat wie een vast vertrouwen in de Heer heeft nooit in zijn verwachtingen bedrogen wordt, vooropgesteld dat zijn wensen in Zijn ogen ook als billijk en rechtmatig worden beschouwd en tot geestelijke vooruitgang zullen strekken. Het uitwerpen van het net door Simon, ondanks zijn overtuiging dat het tevergeefs zou zijn en de rijke visvangst, hebben een dubbele betekenis. Ten eerste bewees het de visser, dat de macht van de Heer groter was dan de heersende omstandigheden en ten tweede toonde het hem, dat zijn vertrouwen in Hem niet onbeloond bleef. Toen Petrus hierop een onderscheid tussen de Heer en hemzelf leerde kennen, riep hij smekend: "Heer, ga uit van mij, want ik ben een zondig mens!", maar de Heer, Zijn toekomstige roeping vooruit wetend, antwoordde hem: "Wees niet bevreesd, van nu aan zult gij mensen vangen!" Dat de Heer bijna al Zijn discipelen koos uit de vissersstand heeft zijn goede geestelijke grond daarin, dat hun arbeid op het beweeglijke element, het water en de daarmee verbonden gevaren hen meer aan een God, aan een voorzienigheidsleer bond en zij daardoor religieuzer, vromer en ook tengevolge van hun hoofdvoedsel, de vis, vredelievender gezind waren dan andere, vleesetende mensen.

 

De Heer leidde de omstandigheden gewoonlijk zo dat zij, zonder Zijn bedoeling te bemerken en Zijn invloed te voelen, zelf tot Hem kwamen en Hem volgden. Dit was ook hier weer het geval. De Heer  wilde door een wonder - naar onze denkwijze - hun harten winnen en ze aanzetten tot de grote stap om alles in de steek te laten en Hem alleen te volgen, wat niet zo eenvoudig was als men misschien gelooft. De Heer moest deze voorwaarde stellen; want in die tijd en in verband met het toekomstige leerambt van Zijn discipelen was het een onmogelijkheid Hem te volgen en gelijktijdig de wereld of zijn familie toe te behoren. Tegenwoordig is het niet meer nodig dat volgelingen van de Heer dergelijke zware voorwaarden opgelegd worden, omdat de omstandigheden anders zijn; en zou de Heer zoiets verlangen, dan zou het aantal van Zijn volgelingen zeer gering uitvallen. Want bij zo'n aangenaam, reeds van de jeugd af aan gewend gezinsleven en bij zulke huiselijke verhoudingen zou het voor de meeste mensen die zich nu zo enthousiast voor Zijn leer tonen, onmogelijk zijn om alles te verlaten en Hem te volgen, zoals eens Zijn discipelen deden.

 

Ook onder ons, die zich voor Hem en Zijn leer zo geestdriftig wanen, zouden weinigen de karaktersterkte bezitten om uit liefde tot Hem deze stap te doen, ook wanneer zij Hem, zoals eens Zijn apostelen, zichtbaar in hun midden zouden zien leven en werken. De Heer heeft zulke middelen nu niet meer nodig en Hij weet even goed ook langs andere wegen Zijn doel te bereiken dan eens onder die voorwaarden, waarvan de vervulling Zijn volgelingen pas tot Zijn discipelen maakte. Nu verlangt de Heer van ons en van allen, die Hem willen navolgen de eigenschappen van Petrus, namelijk: een onbegrensd vertrouwen in de Heer en een duidelijke erkenning van zijn eigen onwaardigheid. Omdat Petrus meende niet waardig te zijn om in Zijn nabijheid te blijven en te leven, heeft deze vrijwillige vernedering voor Hem, de visser Simon tot de "rots" en dus tot "Petrus" gemaakt, waarop de Heer Zijn kerk wil bouwen, die hemel en aarde nimmer zullen verwoesten. Petrus vast vertrouwen op Hem, reeds bij de eerste ontmoeting met Jezus, versterkte zich allengs en werd toen tot een rots van zijn geloof. Als de Heer bovenstaande tekst als woord tot ons en de gezamenlijke gelovige mensheid richt, koos de Heer hem daarom uit, om Petrus als voorbeeld voor onze ogen te brengen. Ook Johannes als gepersonifieerde liefde, is een gids en leider van de eerste orde in de geestelijke hemel. Om echter aan hem gelijk te worden en zijn bijnaam "Zijn geliefde" te verdienen, moeten wij allereerst de school van Petrus doorlopen. Deze school is voor ons de wereld met haar verzoekingen.

 

Tussen de klippen van de wereld, waar alle mogelijke omstandig­heden en gebeurtenissen ertoe bijdragen van juist datgene wat mooi of aangenaam is of zulks bijzonder belangrijk te vinden, of dat wat slechts uiterlijk glanst en geen duurzaamheid geeft, maar vergankelijkheid in zich bergt. Juist temidden van deze verzoekingen moet ons geloof en vertrouwen zich allereerst ver­sterken. Juist dan kunnen wij het beste zien, hoe gebrekkig wij zijn en op wat voor zwakke voeten onze eigen morele kracht staat. Midden in dit wereldse gebeuren zijn er twee hoofdsectoren, die wij steeds voor ogen moeten houden: dat is de almacht van de Heer en onze onmacht! Om tot de rust van Johannes te komen, die alleen maar liefde en kinderlijke innige verering voor Hem voelde, zo moet de mens vooral dit laatste willen nastreven.

 

De tedere gevoelens, de overgave in Zijn handen en dat dit leven alleen voor het geestelijke is bedoeld, dat is voor de mensen en ook voor Zijn aanhangers in de huidige wereldomstandigheden niet gemakkelijk en niet zo eenvoudig uit te voeren, omdat het verval van de wereld en zijn binnen­dringen in het geestelijke leven de mensen te machtig is, zodat niemand er zich geheel van zou kunnen bevrijden. Onze opgave en die van de huidige en toekomstige aanhangers en volgelingen van de Heer ligt daarin allereerst - zoals Petrus - het innerlijke, geestelijke "ik" wist te grondvesten op het vertrouwen en op het vaste geloof, dat de Heer nooit niemand zal verlaten, hoe benauwend de omstandigheden zich ook zouden voordoen bij degenen die andere wegen schijnen te bewandelen, dan die wegen, welke naar Hem toe leiden.

 

Wat de Heer als Zoon en Vader, als Wijsheid en Liefde, geestelijk is in de schepping, dat stelden Petrus en Johannes voor als Zijn discipelen. Petrus was het ten opzichte van de wereld rationeel en Johannes was ondanks alle valsheid in de wereld, de nooit aflatende goedheid van zijn hart. De eigenschappen van Petrus komen overeen met de wijsheid van de Heer, die van Johannes met de liefde van de Heer. Zo moeten ook wij er naar streven de woorden, die de Heer tot Zijn discipelen sprak, geestelijk opvatten: "Wees listig als de slangen en eenvoudig als de duiven!" Want de list van de slang betekent in geestelijke zin de wereldwijsheid en de eenvoud van de vriendelijke duif beduidt de deugd, die niets arglistigs en niets slechts denkt of uitvoert. Zo zien wij, hoe in de woorden, werken en wonderen van onze Jezus gedurende Zijn leraarsjaren alles van geestelijke oorsprong is en alles een geestelijke betekenis heeft. Het is voldoende dat men met geestesogen de innerlijke betekenis van de gebeurtenissen overweegt, zodat de dichte sluier van onbegrip zich langzamerhand opheft en de zuivere, heldere waarheid daar verschijnt, waar men tevoren slechts mystieke en onsa­menhangende woorden had gelezen.

 

Zoals de natuur voor de wederge­borene en de geestelijk gevorderde een levend boek wordt, waarin hij niet alleen voordelen voor het aardse leven leest, maar waarin hij ook waarschu­wingen en geestelijke wenken opgetekend vindt, evenzo is het achtergelaten boek, de Bijbel, een eeuwige vindplaats, waarin unieke en meest heerlijke waarheden verborgen liggen, die de Heer heeft voorbehou­den aan diegenen, die, na Petrus' school te hebben doorlopen, bij de liefde van Johannes zijn aangekomen. Wij behoren ons er daarom op toe te leggen, terwijl wij midden tussen de doornen wandelen, toch met ongedeerde voeten ons doel te bereiken, dat aan het einde van alle verzoekingen en strijd de onbegrensde liefde is, die figuurlijk in al het geschapene en geestelijk in Zijn persoonlijke nabij­heid rijkelijk het vertrouwen en het geloof zal belonen, dat ons tijdens onze levenswandel is getoond.

 

Herinner Zijn waarschuwing aan Petrus voor Zijn gevangenne­ming, toen Hij Petrus, die zich al sterk waande, door Zijn voorspelling: "Eer de haan kraait, zult gij Mij driemaal verloochenen!" aan zijn menselijke, zwakke natuur herinnerde, die hij eens daar in het schip bekende, toen hij uitriep: "Ga uit van mij, O Heer; want ik ben een zondig mens!" In de tuin op de Olijfberg toonde hij zich sterk, sloeg met het zwaard er op in, was vol geloof en vertrouwen, maar kort daarna ­zie de zwakke menselijke natuur - verloochende hij Hem driemaal uit angst! Geef je daarom ook niet aan de illusie over, al zou de mens reeds de uitverkorene en onfeilbare zijn! Vertrouw op de Heer en niet op uw eigen kracht; want een lichte geestelijke windstoot is vaak voldoende en het hele gebouw van geestelijk zelfbewustzijn en morele kracht zakt in elkaar, dooreen gegooid als een door kinderen opgericht kaartenhuis en men heeft aan zichzelf dan het resultaat ervaren, wat de rots Petrus in Zijn nabijheid beleefde, dat zonder Hem niets, maar met Hem alles uitvoerbaar is!

 

Zo moet ook deze tekst, die begint met een grote visvangst, eindigen met dit kleine, doch belangrijke resultaat: Wanneer wij, evenals Simon er toe bestemd zijn geen vissen, maar mensen in Zijn geloofsnet te vangen, dan moeten wij allereerst bij onszelf beginnen en nooit buiten beschouwing laten dat het geen woorden, maar daden zijn, gedaan met de edelste bedoeling, die de naasten, onze broeders en zusters, in Zijn handen leiden.

Maar voordat dit mogelijk is moeten wij zelf de levenswijsheid van Petrus en dan de liefde van Johannes reeds in ons hart hebben en steeds indachtig zijn aan onze zwakheid en Zijn kracht. Op deze manier volbrengen wij Zijn wil ten opzichte van onszelf en ten opzichte van anderen, waartoe Zijn zegen ons nooit zal ontbreken. Amen.’ – (Predikingen van de Heer 1-30 - Lukas 5:1-11)

www.zelfbeschouwing.info