De mens als boom

 

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer]: Laten we het eens hebben over de boom. Als je ’s avonds in het donker wandelt en er doemt zomaar een kleine boom op van een manslengte, dan denk je al gauw aan een stilstaande persoon. Wat de mens dan rechtop doet staan is immers zijn IK-kracht, zijn Ik-wil. Vanuit Hebreeuwse beschouwing leg ik gemakshalve een link tussen “ik”, “scheepje”, “boom”, “schaduw” en “vallen”. Nagenoeg corresponderen genoemde begrippen met een Hebreeuwse woordwaarde van 160 respectievelijk (visueel afgekort en omgekeerd:16 of 61. Het Hebreeuwse woord voor “ik” heeft de woordwaarde 61, samengesteld uit 1+50+10 met het Israëlische woord “ANI”. De Hebreeuwse getallenwaarde voor “boom” met de samenstelling 70+90 is dus 160. (10 x 16 of 1 x 1.6: - 1:6). Het woord “vallen” kent het joodse woord NePhaL met de woordwaarde 50+80+30 (160). En “schaduw” (TseleM) met de woordwaarde 90+30+40 (160). De menselijke ik-gesteldheid heeft de Hebreeuwse woordwaarden woordwaarde 61.

 

De daaraan verbonden analogie met het overbekende vers is bekend bij de ouderen zoals: “Scheepjes onder Jezus hoede”. De Ik-gesteldheid van de mens verbindt hem met Animus, Anima en Animal als psychische vergelijking. Mens en dier hebben dezelfde analoge niveaus (gelijkheden). De mens echter onderscheid zich wel van een dier, omdat in zijn hart de goddelijke geestvonk woont, hoewel dier en mens tóch dezelfde zielsgesteldheden hebben, maar bij de mens is het verbonden met de goddelijke geest, dat daarom een ik-persoonlijkheid wordt genoemd. Scheepje en persoonlijkheid (synoniem) hebben gezamenlijk een bepaalde bestemming naar een bepaald doel.

 

In bestemming zit STEM; in persoonlijkheid PERSONA (dat doorklinkt). De stem brengt stemming op je levenspad. Meerdere malen wordt in de Jakob Lorber in de boeken het mensenlichaam bestempeld als een slangenlichaam. Op de keeper beschouwd lijkt onze wervelkolom bijna op een ladderfiguur met daaraan een hoofd. De slang (Samech) heeft de Hebreeuwse waarde 60. Juist met de één erbij (60+1=61) maken we verbinding met God. De menselijke Ik-gesteldheid heeft één getal meer in waarde: één en zestig! Want zonder de één blijft de mens in zijn slangbelevenis en zonder besef van God als Ik-gesteldheid. Men kan het (rang)telwoord één weliswaar zien als het Engelse woord voor First, dat synchroon is aan vorst, en als de voorste.

www.zelfbeschouwing.info