De drie Magiërs [wijzen]

 

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer]: Op de 16e januari wilde Jozef naar Nazareth vertrekken bij het aanbreken van de dag. De hoofdman Cornelius [broer van vicekeizer Cyrenius en keizer Augustus] raad hem aan de komende dagen toch te blijven in de grot [bij Bethlehem], omdat er drie enorme Perzische karavanen Jeruzalem zijn binnengedrongen, die bij Herodes geïnformeerd hebben naar de nieuwgeboren Koning der joden. (bron: jeugd van Jezus, hfdst. 28)

 

De magiërs waren [echter] onopgemerkt door Cornelius soldatenopstelling gekomen. Ze zeiden hem [Cornelius]: ‘Wij zijn sterrenkundigen uit Perzië en wij hebben een oude profetie, waarin geschreven staat dat er in deze tijd voor de joden een Koning der koningen zal geboren worden, en Zijn geboorte zal door een ster worden aangegeven. En er staat bij, dat al de­genen, die deze ster zullen ontdek­ken zich op reis moeten begeven en trekken, waarheen de machti­ge ster hen leiden zal; want daar waar die ster stil zal blijven staan, zullen ze de Heiland van deze we­reld vinden. U ziet - en iedereen kan dat zelfs op klaarlichte dag constate­ren -de ster staat inderdaad stil boven deze stal!’

 

‘Hij was onze gids hierheen, maar boven deze stal bleef hij staan, waaruit wij conclu­deren dat wij ongetwijfeld de plaats hebben bereikt, waar dat wonder van alle wonderen in le­vende lijve verblijf houdt: een pasgeboren Kind, een Koning der Koningen, de Heer aller Heersers in eeuwigheid! Naar Hem komen wij kij­ken, Hem moeten wij aanbidden en onze hoogste eer betuigen! Verspert u ons dus alstublieft niet de weg, want voor ons is het zeker dat het geen kwade ster was, die ons hierheen heeft geleid!'

 

Nu keek ook de hoofdman omhoog naar de ster en was daar hogelijk verbaasd over, want niet alleen stond deze bijzonder laag, maar ook was haar licht bijna even sterk als het gewone licht van de zon! Toen de hoofdman zich van dit alles had overtuigd zei hij tot het drietal: 'Nu, goed dan! Naar hetgeen u zegt, en gezien de ster concludeer ik dat u met goede bedoelingen naar hier gekomen bent, maar ik zie nog niet in, wat u voordien bij Herodes in Je­ruzalem moest doen; heeft de ster u ook daarheen de weg gewe­zen? Waarom heeft jullie won­dere gids je dan niet meteen hierheen geleid, terwijl toch beslist hier de plaats van jullie bestemming is? Hierop verlang ik nog een antwoord, anders komen jullie niet in de grot!’

 

De drie zeiden nu: 'Dat moge de grote God weten! Het moet ongetwijfeld in Zijn plan be­sloten liggen, want geen van ons is ooit van plan geweest om Jeruza­lem ook maar op afstand te nade­ren! En, om u de waarheid te zeggen: die mensen in Jeruzalem bevielen ons allerminst en met name Herodes niet! Maar toen wij er eenmaal waren moesten we, omdat de aandacht van de hele stad op ons gevestigd was, wel aangeven wat ons reisdoel was! De priesters gaven ons inlichtingen via de koning, die ons verzocht om hem het nieuws over de gevonden koning over te brengen, opdat ook hij de nieu­we koning zijn hulde zou komen betuigen’.

 

Maar nu zei de hoofdman: 'Onder geen beding zult u dat mogen doen, want ik ken de plan­nen van die vorst! Nog liever houd ik u vast als gijzelaars! Maar ik zal nu eerst naar binnen gaan om met de vader van het Kind over U te spreken’. (bron: jeugd van Jezus, hfdst. 29)

www.zelfbeschouwing.info